[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-roermond-contract-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":53,"total":16,"page":25,"limit":89},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},66,"Roermond","nl","roermond",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},50,"contract-law-nl","Contract Law","NL","2026-07-08T16:53:53.185Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},4,{"min":18,"max":19},"2025-12-02T00:00:00.000Z","2026-06-17T00:00:00.000Z",[21,26,29,32,35,38,41,44,47,50],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"122061","Burgerlijk Wetboek","art. 3:40 lid 2",1,{"provisionId":27,"code":23,"article":28,"count":25},"122062","art. 3:44 lid 4",{"provisionId":30,"code":23,"article":31,"count":25},"122063","art. 6:228",{"provisionId":33,"code":23,"article":34,"count":25},"122064","art. 6:248",{"provisionId":36,"code":23,"article":37,"count":25},"122065","art. 3:300",{"provisionId":39,"code":23,"article":40,"count":25},"122066","art. 3:178",{"provisionId":42,"code":23,"article":43,"count":25},"122067","art. 10:159",{"provisionId":45,"code":23,"article":46,"count":25},"122068","art. 10:127",{"provisionId":48,"code":23,"article":49,"count":25},"122069","art. 3:182",{"provisionId":51,"code":23,"article":52,"count":25},"122070","art. 6:253",[54,65,73,82],{"id":55,"ecli":56,"slug":57,"caseNumber":58,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":59,"summary":58,"language":7,"source":60,"sourceUrl":61,"sourceTimestamp":62,"parsedAt":63,"updatedAt":64},"473","ECLI:NL:RBLIM:2026:4453","ecli-nl-rblim-2026-4453","","RECHTBANK Limburg\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Roermond\n\nZaaknummer: C\u002F03\u002F346740 \u002F HA ZA 25-467\n\nVonnis van 17 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [de man],\n\nte [plaats 1] (België),\n\neisende partij in conventie, tevens verwerende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: [de man] ,\n\nadvocaat: mr. R.M.J.K.M. Teeuwen,\n\ntegen\n\n [de vrouw],\n\nte [plaats 2] ,\n\ngedaagde partij in conventie, tevens eisende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: [de vrouw] ,\n\nadvocaat: mr. R.A.J. van der Leeuw.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 21 oktober 2025,\n\n- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, - de conclusie van antwoord in reconventie,\n\n- de mondelinge behandeling van 16 april 2026 en de tijdens de mondelinge behandeling\n\novergelegde spreekaantekeningen van [de vrouw] en de door [de man] overgelegde uitspraak van het gerechtshof Den Haag.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Partijen hebben gedurende een periode van vier jaren een affectieve relatie met elkaar gehad. De relatie is in november 2024 geëindigd. Zij zijn niet gehuwd (geweest) en\u002Fof geregistreerd partners van elkaar (geweest) en hebben ook geen samenlevingsovereenkomst met elkaar gesloten.\n\n2.2.. Op 5 oktober 2020 zijn partijen gezamenlijk eigenaar geworden van de woning aan [adres] (hierna: de woning). De woning is aangekocht voor een bedrag van € 195.000,-. Voor de aanschaf van de woning hebben partijen een hypothecaire geldlening afgesloten bij NIBC Bank. Op 25 november 2024 bedroeg deze hypothecaire geldlening € 174.164,82.\n\n3. Het geschil\n\nIn conventie\n\n3.1.. \n [de man] vordert - samengevat - dat de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad:\n\nTen aanzien van de overeenkomst d.d. 16 november 2024:\n\nvoor recht verklaart dat deze:\n\nI. Primair: nietig is op grond van art. 3:40 lid 2 BW, althans dat de daarin opgenomen bepalingen zoals onder punt 26 en 27 van de dagvaarding zijn opgenomen nietig zijn, zodat de overeenkomst als geheel geen rechtsgevolg kan hebben, althans dat de overeenkomst op grond van art. 3:40 lid 2 BW vernietigd dient te worden nu de overeenkomst naar haar strekking in strijd is met de wet;\n\nII. Subsidiair: bij schrijven d.d. 28 maart 2025 buitengerechtelijk is vernietigd op grond van art. 3:44 lid 4 BW (misbruik van omstandigheden), althans deze te vernietigen op grond van art. 3:44 lid 4 BW;\n\nIII. Meer subsidiair: bij schrijven d.d. 28 maart 2025 buitengerechtelijk is vernietigd op grond van art. 6:228 BW (dwaling), althans deze te vernietigen op grond van art. 6:228 BW;\n\nIV. Nog meer subsidiair: nietig is, althans buiten toepassing blijft wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid op grond van art. 6:248 BW en daaraan aldus geen rechtsgevolgen kunnen worden ontleend;\n\nUiterst subsidiair\n\nV. de overeenkomst d.d. 16 november 2024 op grond van art. 67:74 [de rechtbank begrijpt: 6:74] jo. 6:265 BW ontbindt wegens wanprestatie;\n\nIn alle gevallen:\n\nVI. [de vrouw] op straffe van een dwangsom veroordeelt haar medewerking te verlenen aan het geven van de opdracht aan [makelaar 1] , althans een door de rechtbank aan te wijzen makelaar\u002Ftaxateur, om tot taxatie van de woning over te gaan op grond van art. 3:178 jo 3:300 BW, waaronder begrepen de verplichting om haar handtekening te zetten onder de benodigde stukken binnen 7 dagen na vonnis, waarbij de kosten van de taxatie voor haar rekening komen nu de woning aan haar toegedeeld zal worden;\n\nalthansvoor het geval [de vrouw] ondanks de dwangsom weigerachtig blijft haar medewerking aan de taxatie te verlenen, bepaalt dat het vonnis in de plaats treedt van de vereiste wilsverklaring\u002Fhandtekening van [de vrouw] voor het verstrekken van de opdracht aan de taxateur, waarbij uitdrukkelijk wordt bepaald dat de kosten van de taxatie voor rekening van [de vrouw] zullen komen op grond van art. 3:300 BW;\n\nVII. De verdeling van de woning gelast op grond van art 3:178 jo 3:300 BW, waarbij de woning aan [de vrouw] wordt toegedeeld tegen betaling van de helft van de getaxeerde waarde aan [de man] , met inbegrip van de op deze woning rustende hypotheek bij NIBC onder ontslag van de hoofdelijke aansprakelijkheid van [de man] ter zake de aan de woning verbonden hypotheekschuld, binnen 3 maanden na het in dezen te wijzen vonnis, waarbij zij binnen 4 weken na kennisneming van de taxatiewaarde ondubbelzinnig schriftelijk aan [de man] te kennen dient te geven of zij de woning voor de taxatiewaarde over zal nemen, zonder enig financieringsvoorbehoud en waarbij de (notariële) kosten van de overname van de woning door [de vrouw] volledig ten laste van [de vrouw] zullen komen,\n\nalthans, bij gebreke van toedeling aan [de vrouw] omdat [de rechtbank begrijpt: zij] binnen de gestelde termijn van 4 weken na kennisneming van de getaxeerde waarde schriftelijk heeft aangegeven de woning niet over te nemen, beveelt dat de woning aan een derde wordt verkocht en binnen 14 dagen na de schriftelijke mededeling van [de vrouw] dat zij de woning niet over zal nemen, te koop wordt aangeboden via een gecertificeerd makelaar (lid van NVM of VBO), met verdeling van de opbrengst bij helfte tussen partijen, waarbij [de vrouw] op straffe van een dwangsom wordt veroordeeld haar medewerking te verlenen aan het geven van de opdracht aan deze makelaar, waaronder begrepen de verplichting om haar handtekening te zetten onder de benodigde stukken, waarbij de kosten van de verkoop tussen partijen bij helfte worden gedeeld,\n\nalthansvoor het geval [de vrouw] ondanks de genoemde dwangsom weigerachtig blijft haar medewerking aan het verkooptraject te verlenen, bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vereiste wilsverklaring\u002Fhandtekening van [de vrouw] voor het verstrekken van de opdracht aan de makelaar met een verdeling van de kosten van de verkoop bij helfte tussen partijen op grond van art. 3:300 BW;\n\nVIII. De verdeling van de (voormalig) gemeenschappelijke bankrekening bij de Rabobank met kenmerk [rekeningnummer 1] gelast op grond van art 3:166 jo. 3:178 jo. 3:300 BW met verdeling van het saldo per 16 november 2024 bij helfte tussen partijen en [de vrouw] op straffe van een dwangsom veroordeelt tot betaling van het aandeel van [de man] aan hem alsmede haar medewerking te verlenen aan het verstrekken van het saldo d.d. 16 november 2024, binnen 14 dagen na het in deze te wijzen vonnis,\n\nalthansbepaalt dat, voor het geval [de vrouw] ondanks de genoemde dwangsom weigerachtig blijft het saldo op de peildatum prijs te geven, bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vereiste wilsverklaring\u002Fhandtekening van [de vrouw] voor het verkrijgen van het banksaldo op grond van art. 3:300 BW;\n\nIX. De verdeling van de auto merk Ford Focus met [kenteken 1] gelast op grond van art 3:178 BW, waarbij de auto aan [de vrouw] wordt toegedeeld tegen betaling van de helft van de waarde, zijnde € 3.750,- aan [de man] binnen 14 dagen na vonnis, althans een dusdanig bedrag dat de rechtbank geraden acht;\n\nX. [de vrouw] veroordeelt in de reële kosten van deze procedure, alsmede de nakosten en buitengerechtelijke kosten ad € 1.175,-, te vermeerderen met de wettelijke rente, althans, [de vrouw] te veroordeelt in de kosten van deze procedure overeenkomstig het liquidatietarief, alsmede de nakosten, buitengerechtelijke kosten ad € 1.175,- en wettelijke rente.\n\nIn reconventie\n\n3.2.. \n [de vrouw] vordert dat de kantonrechter [begrepen wordt: de rechtbank] bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [nummering aangebracht door de rechtbank]:\n\nverklaart voor recht dat aan [de vrouw] het gebruiksrecht van de woning toekomt uiterlijk tot de woning aan haar wordt toegescheiden, dan wel de eigendom van de woning is geleverd aan de koper;\n\nverklaart voor recht dat de overeenkomst van 16 november 2024 rechtsgeldig is overeengekomen en [de man] gehouden is tot nakoming daarvan;\n\n [de man] veroordeelt tot nakoming van de overeenkomst en de wijze van verdeling van de gemeenschap dienovereenkomstig als volgt vast stelt:\n\nAan [de vrouw] wordt toegedeeld:\n\nde auto merk Ford, type Focus met [kenteken 1] , zonder nadere verrekening;\n\nde woning tegen de openstaande hypotheeksom, althans tegen de WOZ-waarde onder de voorwaarde dat:\n\n- [de vrouw] in staat is om uiterlijk vóór 16 november 2029, althans binnen drie maanden na de datum vonnis de overname van het aandeel van [de man] in de woning te financieren en dat [de man] zal kunnen worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid uit hoofde van de hypothecaire geldlening;\n\n- dat de overwaarde volledig aan [de vrouw] toekomt;\n\n- dat de kosten van het notariële transport voor rekening van [de vrouw] komen, in het geval de woning aan haar wordt toegedeeld.\n\nIn het geval [de vrouw] niet uiterlijk 16 november 2029, althans niet binnen drie maanden na datum van het vonnis in staat is de overname van de woning te financieren bepaalt:\n\n- dat de woning uiterlijk op 16 november 2029, althans onverwijld nadat drie maanden zijn verstreken na vonnis, te koop wordt gezet bij [makelaar 2] te [plaats 2] ;\n\n- dat beide partijen bevoegd zijn namens hen beiden de opdracht aan de makelaar te verstrekken;\n\n- dat partijen in overleg met de makelaar de verkoopovereenkomst zullen aangaan met degene die de hoogste prijs biedt, indien en voor zover die prijs volgens beide partijen, gezien de onroerend goed markt ter plaatse en de kwaliteit van de woning de beste mogelijke prijs is. In het geval partijen het niet eens kunnen worden over de vraag of een aanbod de beste mogelijke prijs is, dan zal de makelaar die naar beste weten en kunnen bindend bepalen;\n\n- dat [de man] verplicht is zijn medewerking te verlenen aan het tekenen van de koopovereenkomst en aan het notariële transport van de woning aan de koper;\n\n- dat iedere partij gehouden is om de helft van de kosten van de makelaar en de overige kosten terzake de verkoop en levering van de woning te dragen;\n\n- dat de hypotheekschuld zal worden afgelost uit de verkoopopbrengst van de woning;\n\n- dat de netto-verkoopopbrengst aan [de vrouw] toekomt.\n\nIn alle gevallen te bepalen dat [de man] gehouden is aan de verkoop en de daaropvolgende overdracht en notariële levering zijn medewerking te verlenen aan alle daartoe benodigde handelingen en dat indien [de man] die medewerking niet op eerste verzoek van [de vrouw] verleent, het vonnis in de plaats treedt van de toestemming, medewerking, wilsverklaring en \u002Fof handtekening van\n\n [de man] .\n\n4. [de man] te veroordelen in de kosten van deze procedure.\n\nIn conventie en in reconventie\n\n3.3.. Partijen voeren over en weer verweer.\n\n3.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Gezien de samenhang tussen de vorderingen in conventie en de vorderingen in reconventie zal de rechtbank de vorderingen gezamenlijk beoordelen.\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht4.2.. \n [de man] woont in België; [de vrouw] in Nederland. De zaak heeft daarmee een internationale component. De rechtbank moet daarom ambtshalve beoordelen of zij bevoegd is om van het geschil kennis te nemen en welk recht van toepassing is op het geschil.\n\n4.2.1.. Omdat sprake is van een handelszaak is in deze zaak van toepassing de Herschikte EEX-Vo.Omdat de gedaagde partij in conventie ( [de vrouw] ) in Nederland woont en er geen gerecht is dat op grond van de verordeningexclusief bevoegd is, komt de rechtbank ten aanzien van de vordering in conventie rechtsmacht toe.Nu de reconventionele vorderingen voortspruiten uit hetzelfde rechtsfeit waarop de conventionele vordering is gegrond, heeft de Nederlandse rechter ook ten aanzien van die vorderingen rechtsmacht.Dit betekent dat de rechtbank bevoegd is om kennis te nemen van het geschil.\n\n4.2.2.. Ten aanzien van het toepasselijke recht overweegt de rechtbank als volgt. [de man] baseert de vorderingen op vernietiging c.q. nietigheid van de op 16 november 2024 tussen partijen geslotenovereenkomst en vordert verdeling op basis van de wet. De vorderingen in reconventie zijn gebaseerd op contractuele verbintenissen uit hoofde van de tussen partijen gesloten overeenkomst. Op de niet op de overeenkomst gebaseerde vorderingen is de Rome-II verordening van toepassing.Daaruit volgt(eventueel in samenhang met artikel 10:159 BW) dat op die vorderingen Nederlands recht van toepassing is. Voor wat betreft de verdeling van de woning volgt dat uit artikel 10:127 BW. Op de vorderingen die zijn gebaseerd op contractuele verbintenissen (uit hoofde van de tussen partijen gesloten overeenkomst) is van toepassing de Rome-I Verordening.Daaruit volgt dat ook op die vorderingen Nederlands recht van toepassing is.\n\nDe overeenkomst van 16 november 20244.3.. Niet in geschil is dat [de vrouw] op 16 november 2024 een door haar in de Nederlandse taal opgemaakte, handgeschreven overeenkomst aan [de man] heeft voorgelegd en dat [de man] die overeenkomst die dag heeft ondertekend (hierna: de overeenkomst). Hierin is opgenomen dat partijen “in verband met het beindigen [sic] van hun relatie de volgende zaken zijn overeengekomen”. Samengevat worden vervolgens de volgende afspraken genoemd [nummering aangebracht door de rechtbank]:\n\n [de man] verlaat eind november 2024 definitief de woning;\n\n [de vrouw] zal samen met haar kinderen in de woning blijven;\n\n [de man] blijft voor onbepaalde tijd medeverantwoordelijk voor de door bij partijen bij NIBC afgenomen hypotheek;\n\n [de man] wordt per direct vrijgesteld van zijn verplichtingen t.o.v. de woning en lening, [de vrouw] neemt deze verplichtingen op zich;\n\n [de man] doet afstand van al zijn rechten t.o.v. de woning en de lening;\n\n [de man] doet afstand van zijn rechten op een af-\u002Fuitkoopsom en van zijn deel bij verkoop van de woning en van zijn deel van de woning bij het overlijden van [de vrouw] ;\n\nBij het overlijden van [de vrouw] zal haar deel van de woning en het deel van [de man] worden overgedragen aan de drie kinderen van [de vrouw] ;\n\nBij het overlijden van [de man] zal zijn deel overgedragen worden aan [de vrouw] ;\n\n [de vrouw] zal € 4000,- en een auto van het merk Audi (TT) met het [kenteken 2] aan [de man] geven;\n\n [de man] neemt zijn eigen bezittingen mee uit de woning, de overige spullen blijven achter bij [de vrouw] ;\n\nVerder zijn partijen elkaar niets verschuldigd.\n\n4.4.. Naar het oordeel van de rechtbank hebben partijen in de overeenkomst kennelijk getracht overeenstemming over de verdeling in de zin van artikel 3:182 BW te bereiken. In die overeenkomst heeft [de man] verklaard afstand te doen “van al zijn rechten ten opzichte van de woning en de lening” en van “een af-\u002Fuitkoopsom” en “zijn deel bij verkoop van de woning”. Van een overeenstemming over de verdeling als bedoeld in voornoemd artikel is evenwel slechts sprake indien partijen het niet alleen eens zijn geworden over de feitelijke verdeling maar ook over de financiële consequenties daarvan.Daarvoor is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval in ieder geval vereist dat bij partijen bekend was wat de waarde was van de woning, zodat partijen duidelijk was waarvan afstand werd gedaan door [de man] . Uit de overeenkomst volgt niet dat partijen zich bewust waren wat de financiële consequenties van de overeenkomst en bijvoorbeeld bekend waren met de (over)waarde van de woning. Ter zitting is door [de man] ook bevestigd dat hij ten tijde van het sluiten van de overeenkomst niet bekend was met de waarde van de woning. De rechtbank is derhalve van oordeel dat tussen partijen niet een rechtsgeldige verdeling in de zin van artikel 3:182 BW tot stand is gekomen.\n\n4.5.. Voor wat betreft het deel van de overeenkomst waarin partijen hebben beschikt over hun uiterste wil geldt het volgende. Ten aanzien van de bepaling waarin is opgenomen dat bij het overlijden van [de man] [de vrouw] zijn deel van de woning zal ontvangen (h.), geldt dat partijen het erover eens zijn dat deze bepaling nietig is. Voor wat betreft de bepaling uit de overeenkomst waarin is bepaald dat bij het overlijden van [de vrouw] [de man] afstand doet van zijn rechten op een af-\u002Fuitkoopsom en van zijn deel bij verkoop van de woning en van zijn deel van de woning (f.) en dat bij het overlijden van [de vrouw] haar deel van de woning en het deel van [de man] zal worden overgedragen aan de drie kinderen van [de vrouw] (g.), geldt het volgende. De rechtbank begrijpt een en ander aldus dat [de man] zijn deel van de woning zal overdragen aan de kinderen van [de vrouw] onder de opschortende voorwaarde dat [de vrouw] overlijdt en de ontbindende voorwaarde dat [de man] op dat moment nog in leven is. De kinderen zijn evenwel geen partij bij de overeenkomst. Er is derhalve sprake van een derdenbeding in de zin van artikel 6:253 BW. Dat het derdenbeding de kinderen heeft bereikt en\u002Fof dat zij het hebben aanvaard is niet door [de vrouw] gesteld en ook overigens niet gebleken. Nu uit de overeenkomst niet volgt dat partijen het recht om het beding te herroepen hebben uitgesloten (en de situatie van lid 4 dus niet aan de orde is), kan het beding op grond van het bepaalde in artikel 6:253 lid 2 BW door degene die het heeft gemaakt tot de aanvaarding worden herroepen. [de man] was dus bevoegd het derdenbeding te herroepen middels een verklaring gericht tot [de vrouw] of de kinderen. De rechtbank merkt in ieder geval de brief van 28 maart 2025 van [de man] aan [de vrouw] (productie 6 bij dagvaarding) waarbij de buitengerechtelijke vernietiging van de overeenkomst wordt ingeroepen aan als een herroeping van het derdenbeding. Dit leidt tot de conclusie dat de door [de vrouw] op de overeenkomst gebaseerde vorderingen moeten worden afgewezen. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om nader in te gaan op de gestelde nietigheid of vernietigbaarheid van de overeenkomst. De door [de man] ter zake gevorderde verklaringen voor recht zullen worden afgewezen.\n\n4.6.. Uit het bovenstaande volgt dat niet kan worden aangenomen dat sprake is van overeenstemming over de verdeling van de woning. Voor zover [de vrouw] bedoeld heeft zich subsidiair te beroepen op uitsluiting van de bevoegdheid om verdeling te vorderen voor onbepaalde tijd overweegt de rechtbank als volgt. In artikel 3:178 lid 1 BW is voor zover hier van belang bepaald dat ieder der deelgenoten te allen tijde verdeling van een gemeenschappelijk goed kan vorderen. In lid 5 is bepaald dat zij die bevoegd zijn verdeling te vorderen hun bevoegdheid daartoe een of meer malen bij overeenkomst kunnen uitsluiten, maar telkens voor ten hoogste vijf jaren. [de vrouw] heeft gesteld dat partijen uitsluiting van de verdeling voor onbepaalde tijd zijn overeengekomen door af te spreken dat [de man] , ‘ondanks zijn vertrek, voor onbepaalde tijd stilzwijgend samen met mevr. [de vrouw] deze hypotheek aanhouden, zodat mw. [de vrouw] de mogelijkheid heeft in deze woning te blijven’. Nu dat in strijd is met een dwingende wetsbepaling is [de vrouw] van mening dat een redelijke wetstoepassing meebrengt dat de afspraak tussen partijen om de verdeling uit te sluiten geldt voor vijf jaar. [de man] bestrijdt dit. [de man] stelt dat de afspraken de strekking hadden om [de vrouw] en haar kinderen tijdelijk in de woning te laten wonen. Volgens [de man] is het nimmer de zijn bedoeling geweest dat [de vrouw] (op grond van deze afspraken) in de woning zou blijven, terwijl [de man] hieraan tot in lengte der dagen verbonden zou blijven. De rechtbank overweegt dat [de vrouw] dit in feite ook erkent, zij stelt immers dat sprake was van een gebruiksrecht tot de woning zou worden verkocht of tot het moment dat zij de bestaande hypothecaire lening zou kunnen overnemen. De rechtbank trekt hieruit de conclusie dat partijen met de gemaakte afspraken nimmer beoogd hebben de bevoegdheid tot het vorderen van verdeling (voor vijf jaar) uit te sluiten als bedoeld in artikel 3:178 lid 5 BW.\n\n4.7.. Nu geen verdeling tot stand is gekomen en de bevoegdheid verdeling te vorderen ook niet is uitgesloten zal de rechtbank de (wijze van) verdeling vaststellen. Tussen partijen staat vast dat ten aanzien van onderstaande zaken sprake is van een eenvoudige gemeenschap in de zin van artikel 3:166 BW:\n\nde woning;\n\nde gemeenschappelijke bankrekeningen\n\nDe woning4.8.. Partijen zijn het erover eens dat de woning in beginsel kan worden toegedeeld aan [de vrouw] . Naar het oordeel van de rechtbank moet de woning derhalve eerst worden getaxeerd. [de vrouw] heeft geen bezwaar gemaakt tegen de door [de man] voorgestelde taxateur, [makelaar 1] . De rechtbank zal de door [de man] ter zake van de taxatie van de woning en toedeling van de woning aan [de vrouw] ingestelde vorderingen toewijzen zoals in het dictum is bepaald. Omdat een dwangsom naar het oordeel van de rechtbank geldt als voldoende prikkel tot nakoming wordt de vordering van [de man] die ertoe strekt het vonnis in de plaats te laten treden afgewezen. Dit geldt voor alle vorderingen van [de man] waaraan zowel een dwangsom als een indeplaatstreding van het vonnis is gevorderd. De gevorderde dwangsom (€ 500,- per dag, met een maximum van € 25.000,-) zal worden toegewezen.\n\n4.9.. De rechtbank zal bepalen dat [de vrouw] binnen vier weken nadat de taxatiewaarde bekend is, schriftelijk aan [de man] kenbaar zal dienen te maken of zij de woning voor die waarde aan haar toebedeeld wenst te zien. Voor het geval [de vrouw] dit wenst, zal de rechtbank bepalen dat die toedeling c.q. levering binnen drie maanden nadat de taxatiewaarde bekend is geworden, zijn beslag zal moeten krijgen; [de vrouw] dient dan de volledige hypotheekschuld op zich te nemen (zo nodig met ontslag van [de man] uit de hoofdelijke aansprakelijkheid) en dient dan de helft van de overwaarde aan [de man] te vergoeden. Beide partijen hebben gesteld dat zij uit hun eigen vermogen geïnvesteerd hebben in (verbouwing van) de woning, maar geen van beide partijen heeft dat onderbouwd en geen van partijen heeft daar een rechtsgevolg aan verbonden, zodat dit geen gevolgen heeft voor de verdeling van de overwaarde die derhalve bij helfte dient te geschieden. De rechtbank ziet geen aanleiding om dit vonnis in het geval dat de woning aan [de vrouw] wordt toebedeeld ex artikel 3:300 BW in de plaats te laten treden van de medewerking van [de man] aan de notariële levering aan [de vrouw] .\n\n4.10.. \n\nIndien [de vrouw] afziet van toedeling van de woning aan haar tegen de taxatiewaarde, of binnen drie maanden nadat de taxatiewaarde bekend is geworden toedeling c.q. levering aan haar niet heeft plaatsgevonden, zal de woning verkocht moeten worden aan een derde zoals door beide partijen gevorderd en zoals -met aanpassingen-toegewezen zoals in het dictum weergegeven. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat partijen een verkoopopdracht zullen geven aan de door [de vrouw] genoemde makelaar ( [makelaar 2] te [plaats 2] ), waartegen door [de man] geen inhoudelijk verweer is gevoerd. [de man] vordert dat de verkoop ter hand wordt genomen door een gecertificeerd makelaar. Nu [makelaar 2] een NVM-makelaar is wordt aan die wens tegemoetgekomen. Indien [makelaar 2] de opdracht weigert zullen partijen in onderling overleg een andere makelaar moeten benaderen. De rechtbank ziet aanleiding om aan de noodzakelijke medewerking aan de verkoop voor beide partijen een dwangsom te verbinden.\n\nHet nu reeds veroordelen van [de man] tot het meewerken aan verkoop en notariële levering aan een derde is naar het oordeel van de rechtbank prematuur. Er zal vooreerst duidelijk moeten worden of [de vrouw] de woning wenst en kan overnemen dan wel deze moet worden verkocht aan een derde. Dit deel van de vordering in reconventie wordt afgewezen.\n\nNu door geen van beide partijen een ander standpunt is ingenomen dient de overwaarde na verkoop bij helfte te worden verdeeld.\n\nBankrekeningen4.11.. Tussen partijen is niet in geschil dat er ten tijde van de verbreking van de samenwoning sprake was van een tweetal gezamenlijke bankrekeningen met een gezamenlijk banksaldo. Deze vertoonden op 16 november 2024 de volgende saldi:\n\n [rekeningnummer 1] (Rabo Totaalrekening) ad € 103,30 en\n\n [rekeningnummer 2] (Rabo SpaarRekening) ad € 5.000,-.\n\n4.12.. De bankrekeningen staan inmiddels op naam van [de vrouw] . Aangezien [de vrouw] lopende de procedure inzage heeft verschaft in de saldi op voornoemde rekeningen, hoeft de vordering van [de man] strekkende tot inzage ter zake geen bespreking meer.\n\n4.13.. De rechtbank is van oordeel dat de saldi op datum 16 november 2024 bij helfte moeten worden verdeeld. [de vrouw] dient [de man] in dat kader een bedrag van € 2.551,65 te betalen. De daarop door [de man] toegespitste vordering kan worden toegewezen. De gevorderde dwangsom wordt afgewezen omdat geen dwangsom kan worden verbonden aan een veroordeling tot betaling van een geldsom.\n\nFord Focus4.14.. Tot slot debatteren partijen over de Ford Focus met [kenteken 1] (hierna: de auto). [de man] stelt dat de auto gezamenlijk eigendom is en dat deze verdeeld moet worden. [de vrouw] stelt zich op het standpunt dat de auto haar eigendom is. De rechtbank overweegt dat niet in geschil is dat [de vrouw] de auto heeft gekocht, dat het kenteken op haar naam is gesteld en dat zij degene was die gebruik maakte van de auto. De rechtbank is van oordeel dat de auto niet verdeeld hoeft te worden omdat deze eigendom van [de vrouw] is, althans niet is gebleken dat deze gezamenlijk eigendom is. Het enkele feit dat de auto mogelijk voor een deel is voldaan uit van [de man] afkomstige middelen kan eventueel leiden tot een vorderingsrecht (waarop geen beroep is gedaan), maar is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van gezamenlijk eigendom van de auto. Ook het feit dat [de man] de opbrengst van de Audi, die zijn eigendom was, wel heeft gedeeld met [de vrouw] kan er niet toe leiden dat de Ford Focus als gezamenlijk eigendom moet worden aangemerkt.\n\nGebruiksrecht woning4.15.. \n [de vrouw] vordert voor het overige nog om voor recht te verklaren dat aan [de vrouw] het gebruiksrecht van de woning toekomt uiterlijk tot de woning aan haar wordt toegescheiden, dan wel de eigendom van de woning is geleverd aan de koper. Deze vordering wordt toegewezen zoals in het dictum is bepaald.\n\nProceskosten4.16.. De rechtbank zal de proceskosten tussen partijen zowel in conventie als in reconventie compenseren in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt. De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit geval af te wijken van het gebruik dat proceskosten in geval van ex-partners worden gecompenseerd.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nin conventie en in reconventie\n\nten aanzien van de woning\n\n5.1.. veroordeelt [de vrouw] om binnen 7 dagen na betekening van dit vonnis haar medewerking te verlenen aan het geven van de opdracht aan [makelaar 1] te [plaats 2] om tot taxatie van de woning over te gaan, waaronder begrepen de verplichting om haar handtekening te zetten onder de benodigde stukken,\n\n5.2.. veroordeelt [de vrouw] tot betaling van een dwangsom van € 500,-, voor iedere dag of gedeelte van een dag dat zij niet aan het in 5.1 genoemde voldoet, tot een maximum van € 25.000,- is bereikt,\n\n5.3.. bepaalt dat de kosten van de in 5.1 genoemde taxatie voor rekening van [de vrouw] komen nu de woning aan haar toegedeeld zal worden,\n\n5.4.. bepaalt dat [de vrouw] binnen vier weken nadat de taxatiewaarde bekend is, schriftelijk aan [de man] kenbaar dient te maken of zij de woning voor die waarde aan zich toebedeeld wenst te zien, in welk geval de toedeling c.q. levering binnen drie maanden na bekendmaking van de taxatiewaarde dient te geschieden tegen:\n\novername van de volledige hypotheekschulden (en eventuele daaruit ontstane betalingsachterstanden) door [de vrouw] ,\n\nvergoeding door [de vrouw] aan [de man] van de helft van de overwaarde,\n\nbetaling van de (notariële) kosten verbonden aan de overname van de woning door [de vrouw] .\n\n5.5.. bepaalt dat indien [de vrouw] de woning tegen de taxatiewaarde toebedeeld wenst te zien en is voldaan aan de in 5.4. genoemde voorwaarden [de man] gehouden is zijn medewerking te verlenen aan de notariële levering aan [de vrouw] en alle daartoe benodigde handelingen te verrichten,\n\n5.6.. bepaalt, in het geval dat [de vrouw] afziet van toedeling, dan wel in het geval dat binnen drie maanden nadat de taxatiewaarde bekend is geworden toedeling c.q. levering van de woning aan [de vrouw] niet heeft plaatsgevonden, de woning aan een derde moet worden verkocht en door [makelaar 2] te [plaats 2] (voor zover deze laatste daarmee instemt) in de verkoop gebracht zal worden, waarbij ieder der partijen voor de helft gerechtigd is tot de netto verkoopopbrengst. Indien [makelaar 2] de verkoopopdracht weigert dienen partijen zich tot een andere in onderling overleg te bepalen makelaar te wenden,\n\n5.7.. bepaalt, in het geval de woning ingevolge het bepaalde onder 5.6 aan een derde wordt verkocht:\n\ndat beide partijen hun medewerking dienen te verlenen aan het geven van de opdracht aan voornoemde makelaar dan wel de in onderling overleg bepaalde makelaar, waaronder begrepen de verplichting om hun handtekeningen te zetten onder de benodigde stukken en veroordeelt partijen over en weer tot betaling van een dwangsom van € 500,-, voor iedere dag of gedeelte van een dag dat zij hier niet aan voldoen, tot een maximum van € 25.000,- is bereikt,\n\ndat partijen in overleg met de makelaar de verkoopovereenkomst zullen aangaan met degene die de hoogste prijs biedt, indien en voor zover partijen het erover eens zijn dat die prijs de best mogelijke prijs is. In het geval partijen het niet eens kunnen worden over de vraag of een aanbod de best mogelijke prijs is, dan zullen zij zich conformeren aan het advies van de makelaar, op straffe van een dwangsom van € 500,-, voor iedere dag of gedeelte van een dag dat zij hier niet aan voldoen, tot een maximum van € 25.000,- is bereikt,\n\ndat ieder van partijen gehouden is om de helft van de kosten van de makelaar en de overige kosten ter zake de verkoop en levering van de woning te dragen,\n\nten aanzien van de bankrekeningen5.8.. bepaalt onder verwijzing naar r.o. 4.13 dat [de vrouw] aan [de man] uit hoofde van verdeling van de voormalig gemeenschappelijke bankrekeningen met rekeningnummers: [rekeningnummer 1] (Rabo Totaalrekening) en [rekeningnummer 2] (Rabo SpaarRekening) een bedrag van € 2.551,65 moet betalen en veroordeelt [de vrouw] tot betaling daarvan aan [de man] ,\n\nvoor het overige5.9.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.10.. verklaart voor recht dat aan [de vrouw] het gebruiksrecht van de woning toekomt uiterlijk tot de woning aan haar wordt toebedeeld, dan wel de eigendom van de woning is overgedragen aan een derde,\n\n5.11.. wijst het meer of anders gevorderde af,\n\n5.12.. compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Roeffen en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.\n\n van 19 juni 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:1638\n\n Verordening (EU) nr. 2015\u002F2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken van de Raad van 12 december 2012 (herschikking), (Brussel Ibis), artikel 1 EEX-Vo II\n\n artikel 24 EEX-Vo II\n\n op grond van artikel 4 van de EEX-Vo II\n\n artikel 8 lid 3 EEX-Vo II\n\n Verordening (EG) nr. 864\u002F2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen\n\n artikel 10 lid 2 Rome II-Vo\n\n Verordening (EG) nr. 593\u002F2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst\n\n artikel 4 lid 4 Rome I-Vo\n\n HR 08-02-2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4279 met noot L.C.A. Verstappen en zie ook: Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 4 juni 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:1853","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:4453","2026-05-07T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:32.222Z",{"id":66,"ecli":67,"slug":68,"caseNumber":58,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":69,"summary":58,"language":7,"source":60,"sourceUrl":70,"sourceTimestamp":71,"parsedAt":63,"updatedAt":72},"476","ECLI:NL:RBLIM:2026:5577","ecli-nl-rblim-2026-5577","RECHTBANK Limburg\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Roermond\n\nZaaknummer: C\u002F03\u002F345605 \u002F HA ZA 25-414\n\nVonnis van 17 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [verkoper 1] ,\n\nte [plaats] , 2. [verkoper 2],\n\nte [plaats] ,\n\neisende partijen,\n\nhierna samen te noemen: [verkopers] ,\n\nadvocaat: mr. S.C.W. van Wijk,\n\ntegen\n\n [koper],\n\nte [plaats] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [koper] ,\n\nadvocaat: mr. Th.J.H.M. Linssen en mr. F. Alberts.\n\n1. Inleiding1.1.. \n [verkopers] heeft een woning met grond gekocht van [koper] . Daarna bleek de grond vervuild met glas en asbest en bleek dat het dak vernieuwd moest worden. [verkopers] wil dat de koopovereenkomst alsnog wordt nagekomen doordat er wordt gesaneerd, dan wel dat de schade die zij hierdoor lijdt wordt vergoed.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met producties 1 tot en met 34,\n\n- de akte overlegging producties 35 tot en met 38 alsmede vermeerdering eis, - de conclusie van antwoord met productie 1,\n\n- akte in het geding brengen producties 39 tot en met 41 van [verkopers] ,\n\n- akte indienen aanvullende producties 2 en 3 van [koper]\n\n- de mondelinge behandeling van 9 april 2026, waarbij door beide partijen spreekaantekeningen zijn overlegd.\n\n2.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. Bij koopovereenkomst van 12 september 2022 heeft [verkopers] van [koper] een woning met grond aan [adres] gekocht. Op het perceel vond in het verleden glastuinbouw plaats door de inmiddels overleden echtgenoot van [koper] . Na staking van de tuinderij zijn de kassen gesloopt. Later is de woning met grond aan [verkopers] verkocht.\n\n3.2.. Op 24 april 2023 is de woning met grond aan [verkopers] geleverd. Bij mail van 12 juni 2023 heeft [verkopers] zich tot de verkoopmakelaar van [koper] gewend en gemeld dat op en in de grond van het perceel glas is aangetroffen. Bij brief van 4 juli 2024 heeft [verkopers] [koper] aansprakelijk gesteld voor alle geleden en nog te lijden schade, omdat de grond door het glas niet veilig als agrarische grond kan worden gebruikt. Op 31 juli 2024 heeft [koper] aan [verkopers] verzocht om haar stelling te onderbouwen met bewijsmiddelen.\n\n3.3.. \n [verkopers] heeft daarop een deskundige ingeschakeld, Arnicon B.V. (verder te noemen: Arnicon). Deze deskundige heeft een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd en daarover een rapport opgesteld van 10 oktober 2024 (verder te noemen: het eerste deskundigenrapport). Vervolgens heeft deze deskundige een aanvullend onderzoek verricht en daarover een rapport uitgebracht van 17 januari 2025 (verder te noemen: het tweede deskundigenrapport). Uit de rapportages blijkt dat het perceel is vervuild met glas, schadelijke stoffen, zware metalen en asbest.\n\n3.4.. \n [verkopers] heeft de rapportages gedeeld met [koper] en haar bij mails van 21 februari 2025 en 14 mei 2025 gesommeerd een aanvang te maken met het (laten) saneren van de bodemverontreiniging ten aanzien van het glas en het asbest. [koper] heeft aangegeven geen gehoor te geven aan deze sommaties en aansprakelijkheid afgewezen bij brief van 21 mei 2025.\n\n4. Het geschil\n\n4.1.. \n\n [verkopers] vordert na vermeerdering van eis – kort samengevat- dat de rechtbank:\n\nI. ten aanzien van de bodemverontreiniging met glas:\n\n- primair [koper] veroordeelt om de koopovereenkomst na te komen, hetgeen inhoudt dat [koper] de saneringswerkzaamheden voor het glas binnen een bepaalde termijn aanvangt en uitvoert en er vervolgens een verklaring van het bevoegd gezag komt dat de sanering correct is uitgevoerd,\n\n- subsidiair [koper] veroordeelt tot het betalen van een voorschot van\n\n€ 205.102,50 op de schade en haar veroordeelt tot vergoeding van de verdere schade, nader op te maken bij staat,\n\n- meer subsidiair verklaart voor recht dat de tussen partijen gesloten overeenkomst onder invloed van dwaling tot stand is gekomen en de gevolgen van de koopovereenkomst wijzigt door de koopprijs te verlagen met een bedrag gelijk aan sanering van het glas.\n\nII. ten aanzien van de bodemverontreiniging met asbest:\n\n- primair [koper] veroordeelt om de koopovereenkomst na te komen, hetgeen inhoudt dat [koper] de saneringswerkzaamheden voor het asbest binnen een bepaalde termijn aanvangt en uitvoert en er vervolgens een verklaring van het bevoegd gezag komt dat de sanering correct is uitgevoerd,\n\n- subsidiair [koper] veroordeelt tot het betalen van een voorschot van\n\n€ 190.160,52 op de schade en haar veroordeelt tot vergoeding van de verdere schade, nader op te maken bij staat,\n\n- meer subsidiair verklaart voor recht dat de tussen partijen gesloten overeenkomst onder invloed van dwaling tot stand is gekomen en de gevolgen van de koopovereenkomst wijzigt door de koopprijs te verlagen met een bedrag gelijk aan sanering van het asbest.\n\nIII. ten aanzien van het dak:\n\n- primair [koper] veroordeelt om een schadevergoeding van € 99.671,05 te betalen aan [verkopers] ,\n\n- subsidiair de gevolgen van koopovereenkomst wijzigt door de koopprijs te verlagen met het bedrag van € 99.671,05,\n\nIV. [koper] veroordeelt om een voorschot van € 135.000 op de gevolgschade te betalen en haar veroordeelt tot vergoeding van de verdere gevolgschade, nader op te maken bij staat,\n\nV. [koper] veroordeelt om € 33.154,00 aan deskundigenkosten te betalen aan [verkopers] ,\n\nVI. [koper] veroordeelt om € 5.944,54 aan buitengerechtelijke kosten aan [verkopers] te betalen,\n\nVII. [koper] veroordeelt om € 4.603,81 aan beslagkosten te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente,\n\nVIII. [koper] veroordeelt in de proceskosten, de nakosten daarbij inbegrepen.\n\n4.2.. \n [verkopers] legt aan haar vorderingen, kort samengevat, het volgende ten grondslag. [verkopers] heeft de woning met grond gekocht in de veronderstelling dat zij een woning met grond kocht geschikt voor normaal gebruik als woonruimte met agrarische bestemming. [verkopers] wil in de woning wonen, mini-zeboes houden en fokken, andere dieren houden en wil chalets plaatsen om een B&B te beginnen. Volgens [verkopers] houdt een woonruimte met agrarische bestemming in dat het perceel naar gangbaar spraakgebruik gebruikt moet kunnen worden voor akkerbouw of het houden van dieren. [verkopers] werd na de levering van de woning met grond echter geconfronteerd met de volgende verborgen gebreken:\n\nverontreiniging van de grond met glas;\n\nverontreiniging van de grond met asbest; en\n\nslechte staat van het dak.\n\nNu het perceel vervuild blijkt te zijn met glas en asbest, is het niet mogelijk om het perceel te gebruiken voor akkerbouw of het houden van dieren. Voorts stelt [verkopers] dat de woning niet geschikt is (geweest) voor normaal gebruik als gevolg van de omvangrijke gebreken aan het dak. Door de diverse gebreken is [koper] tekortgeschoten in de nakoming van de koopovereenkomst. De uiteindelijke saneringskosten van glas en asbest, en de schade voor het mislopen inkomsten B&B zijn mogelijk hoger dan de al gevorderde bedragen, vandaar dat [verkopers] een voorschot op de schade vraagt met verwijzing naar de schadestaatprocedure voor het geval blijkt dat de schade en kosten hoger uitvallen dan het reeds gevorderde bedrag.\n\n4.3.. \n [koper] betwist het bestaan van de gebreken niet, maar voert verschillende verweren die - heel kort samengevat- op het volgende neer komen:\n\ner is geen sprake van wanprestatie ten aanzien van het glas en asbest omdat dit het normale gebruik van de woning en de grond niet in de wegstaat;\n\n [koper] heeft geen mededelingsplicht geschonden, wat [koper] wist heeft [koper] ook medegedeeld;\n\n [verkopers] heeft niet voldaan aan haar onderzoeksplicht;\n\nIn de koopovereenkomst staat een exoneratieclausule waardoor de aanwezigheid van asbest voor rekening en risico van [verkopers] komt;\n\n [verkopers] heeft te laat geklaagd ten aanzien van het dak door pas in de dagvaarding van september 2025 melding te maken van de gebreken hieraan, terwijl het dak twee jaar eerder al is hersteld;\n\nIn de koopovereenkomst staat een ouderdomsclausule waardoor de gebreken in het dak voor rekening en risico van [verkopers] komen;\n\n [verkopers] heeft niet onderzocht of met minder ingrijpende saneringsmaatregelen kan worden volstaan.\n\n4.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n5. De beoordeling\n\nWat zegt de koopovereenkomst?\n\n5.1.. In artikel 6.1 van de koopovereenkomst zijn partijen overeengekomen dat [verkopers] alle gebreken, zowel de zichtbare als niet zichtbare aanvaardt. Dit artikel luidt:6.1.. \n\n De onroerende zaak zal aan koper in eigendom worden overgedragen in de staat waarin deze zich bij het tot stand komen van deze koopovereenkomst bevindt, derhalve met alle daarbij behorende rechten en aanspraken, heersende erfdienstbaarheden en kwalitatieve rechten, zichtbare en onzichtbare gebreken en vrij van hypotheken, beslagen en inschrijvingen daarvan. Koper aanvaardt deze staat en daarmee ook de op de onroerende zaak rustende publiekrechtelijke beperkingen voor zover dat geen 'bijzondere lasten' zijn.\n\nDit betekent dat de zichtbare en onzichtbare gebreken die er al waren ten tijde van de koopovereenkomst voor rekening en risico van [verkopers] zijn.\n\n5.2.. \n\nIn artikel 6.3 van de koopovereenkomst heeft [koper] gegarandeerd dat de woning en de grond geen gebreken hebben die aan normaal gebruik als woonruimte met agrarische bestemming in de weg staan.\n\nIn het artikel staat namelijk het volgende:6.3.. \n\n De onroerende zaak zal bij de eigendomsoverdracht de feitelijke eigenschappen bezitten die nodig zijn voor een normaal gebruik als:woonruimte met agrarische bestemming. (zie bijlage ruimtelijke plannen\u002F bestemmingsplan.)\n\nIndien de feitelijke levering eerder plaatsvindt, zal de onroerende zaak op dat moment de eigenschappen bezitten die voor een normaal gebruik nodig zijn.\n\nVerkoper staat niet in voor andere eigenschappen dan die voor een normaal gebruik nodig zijn. Gebreken die het normale gebruik belemmeren en die aan koper bekend of kenbaar zijn op het moment van het tot stand komen van deze koopovereenkomst komen voor rekening en risico van koper.\n\n5.3.. In artikel 6.4.3 van de koopovereenkomst is een zogenaamde exoneratieclausule ten aanzien van asbest opgenomen. In dit artikel staat:6.4.3.. \n\nAan verkoper is niet bekend of\u002FAan koper is bekend dat in de onroerende zaak asbest is verwerkt.\n\nIn de onroerende zaak kunnen asbesthoudende stoffen\u002Fmaterialen aanwezig zijn. Indien deze worden verwijderd dienen door koper maatregelen en voorzieningen te worden getroffen die de wetgeving voorschrijft. Koper verklaart met deze wetgeving bekend te zijn en aanvaardt alle aansprakelijkheid en gevolgen die uit de aanwezigheid van asbest en\u002Fof de verwijdering van asbest uit de onroerende zaak kan voortvloeien.\n\nIn afwijking van artikel 6.3. van deze koopakte en artikel 7:17 lid 1 en 2 BW komt het geheel of ten dele ontbreken van één of meer eigenschappen van de onroerende zaak voor normaal en bijzonder gebruik en het eventueel anderszins niet-beantwoorden van de zaak aan de overeenkomst als gevolg van de aanwezigheid van enig asbest in welke samenstelling en\u002Fof op welke plaats dan ook voor rekening en risico van koper.\n\nDit houdt in dat in de woning en de grond asbesthoudende stoffen\u002Fmaterialen aanwezig kunnen zijn en dat dit voor rekening en risico van [verkopers] komt. Bij aanwezigheid van asbest kan zij er geen beroep op doen dat de woning en de grond niet beantwoordt aan de overeenkomst en kan zij ook geen beroep doen op de garantiebepaling van artikel 6.3. waarin is opgenomen dat de onroerende zaak geschikt is voor normaal gebruik als woning met een agrarische bestemming.\n\nDe aanwezigheid van glas en asbest\n\n5.4.. \n [koper] heeft de aanwezigheid van glas en asbest zoals die omschreven is in de deskundigenrapporten niet betwist, waarmee die aanwezigheid is komen vast te staan.\n\nNormaal gebruik als woonruimte met agrarische bestemming\n\n5.5.. In artikel 6.3 van koopovereenkomst staat dat de woning met de grond bij levering de eigenschappen zal bezitten die nodig zijn voor het normale gebruik als woonruimte met agrarische bestemming. Voor de interpretatie van ‘normaal gebruik’ moet volgens de Hoge Raad worden gekeken naar wat hieronder naar gangbaar spraakgebruik wordt verstaan ten aanzien van de grond en de zich daarop bevindende bebouwing.Volgens [verkopers] houdt een woonruimte met agrarische bestemming naar gangbaar spraakgebruik in dat de woning met de grond geschikt is voor akkerbouw of het houden van dieren. De rechtbank is het hiermee eens en gaat er daarom vanuit dat de garantie ziet op de geschiktheid van de grond voor akkerbouw of het houden van dieren.\n\nTussenconclusie\n\n5.6.. De artikelen 6.1 en 6.3 in de koopovereenkomst samen maken dat gebreken die nietin de weg staan aan het normale gebruik als woonruimte met agrarische bestemming voor rekening en risico van [verkopers] komen en gebreken dieweldaaraan in de weg staan voor rekening en risico van [koper] komen. Het normale gebruik als woonruimte met agrarische bestemming houdt in dat de grond gebruikt moet kunnen worden voor akkerbouw en veehouderij. Uitzondering daarop vormt de eventuele aanwezigheid van asbesthoudende stoffen\u002Fmaterialen: de gevolgen van de aanwezigheid van asbesthoudende stoffen\u002Fmaterialen zijn voor [verkopers] . Als de woning niet kan worden gebruikt als woning en\u002Fof de grond niet kan worden gebruikt voor akkerbouw of veehouderij door de aanwezigheid van asbest, kan [verkopers] [koper] dus niet hierop aanspreken en moet zij de gevolgen daarvan zelf dragen. In het recht geldt het algemene rechtsbeginsel afspraak is afspraak (pacta sunt servanda) zodat zowel [verkopers] als [koper] aan deze afspraken vast zitten. De afspraken zijn gemaakt met het oog op de juridische vraag of er sprake is van wanprestatie als er na levering van de woning gebreken blijken te zijn.\n\n5.7.. De rechtbank bespreekt de verschillende gestelde gebreken (glas, asbest en dak) afzonderlijk.\n\nTen aanzien van het glas pleegt [koper] wanprestatie\n\nHet perceel is niet geschikt voor normaal gebruik\n\n5.8.. \n [verkopers] stelt dat het perceel, gelet op de aanwezigheid van glas zoals omschreven in de deskundigenrapportages, niet gebruikt kan worden voor het houden van dieren of akkerbouw. [verkopers] onderbouwt dit door de beide deskundigenrapporten.\n\n5.9.. \n\nIn het eerste deskundigenrapport is in de conclusie (paragraaf 4.2) opgenomen:\n\nTijdens de uitvoering van de onderzoeken is zowel op het maaiveld als in de grond glas aangetroffen. De oppervlakte waarover glas op het maaiveld is aangetroffen wordt ingeschat op ca. 3.850 m2. In het gebied ten zuiden van de woonboerderij langs de weg, opp. ca. 1.350 m2, is daarbij sprake van ‘veel glas’. De oppervlakte waarover glas tot 50 cm in de grond is aangetroffen betreft tenminste 12.380 m2, te weten het gebied waar de kassen hebben gestaan.\n\nEr is dus zowel glas in het maaiveld als in de grond aangetroffen.\n\n5.10.. \n\nIn het eerste deskundigenrapport is in de conclusie (paragraaf 4.3) opgenomen:\n\nZolang op het maaiveld glas aanwezig is, zouden grazende dieren zich daaraan kunnen verwonden.\n\nDe grazende dieren kunnen zich dus aan het glas in het maaiveld verwonden.\n\n5.11.. \n\nIn het tweede deskundigenrapport is in de conclusie (paragraaf 5.2) opgenomen:\n\nOp basis van de uitgezeefde hoeveelheden glas wordt geschat dat er in totaal zo’n 84 ton glas in de bodem aanwezig is. Het in de bodem aangetoonde glas betreft een aantasting van de kwaliteit van de bodem, welke zeer waarschijnlijk door de sloophandelingen in 2018-2019 is ontstaan. Op basis van de zorgplicht in de voormalige Wet bodembescherming en de algemene zorgplicht in de huidige Omgevingswet dient de aantasting zoveel als mogelijk ongedaan te worden gemaakt.\n\nHet gaat dus om zo’n 84 ton glas wat een aantasting van de bodem is. Volgens het rapport dient, op basis van de Wet bodembescherming en de Omgevingswet, de aantasting ongedaan te worden gemaakt.\n\nVerweer [koper] t.a.v. normaal gebruik slaagt niet\n\n5.12.. \n [koper] voert verweer en stelt dat de geconstateerde aanwezigheid van glas op 50 centimeter onder het maaiveld het beoogde gebruik voor het houden van mini-zeboes niet in de weg staat. Mini-zeboes zijn grazers en geen gravers, aldus [koper] .\n\n5.13.. Dit verweer slaagt niet. De rechtbank oordeelt dat de woning met grond niet de feitelijke eigenschappen bezit die voor het normale gebruik als woonruimte met agrarische bestemming vereist zijn. Door het aangetroffen glas is de grond niet voor dit normale gebruik geschikt. Uit het eerste deskundigenrapport blijkt dat dieren zich kunnen verwonden aan het glas in het maaiveld en dat de kwaliteit van de bodem is aangetast door het glas in de bodem. Het gaat om een enorme hoeveelheid glas, maar liefst 84 ton, die volgens het tweede deskundigenrapport over een groot oppervlakte verspreid ligt. Dit maakt dat de grond ongeschikt is voor het houden van dieren en voor akkerbouw. In haar verweer gaat [koper] voorbij aan het deskundigenrapport waaruit blijkt dat grazende dieren zich aan het glas kunnen verwonden. Bovendien is de rechtbank van oordeel dat het beoogde gebruikvan [verkopers] (het houden van mini-zeboes) irrelevant is. Relevant is hetgegarandeerde normale gebruikin de koopovereenkomst, namelijk: het gebruik als woonruimte met agrarische bestemming (veehouderij en akkerbouw). Beide zijn niet mogelijk door de verontreiniging met glas.\n\nVerweer [koper] t.a.v. onderzoeksplicht [verkopers] slaagt niet\n\n5.14.. Volgens [koper] had [verkopers] zelf onderzoek moeten doen naar de bodemverontreiniging met glas en door dit niet te doen heeft [verkopers] haar onderzoeksplicht geschonden. Dit verweer faalt. Omdat het normale gebruik als woning met een agrarische bestemming is gegarandeerd, hoefde [verkopers] niet zelf te onderzoeken of de grond wel geschikt was voor agrarische doeleinden.\n\nTussenconclusie\n\n5.15.. \n [koper] heeft niet geleverd wat zij heeft gegarandeerd, namelijk een onroerende zaak met de feitelijke eigenschappen die geschikt zijn voor normaal gebruik als woonruimte met agrarische bestemming. De woning met grond is dus non-conform en [koper] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst. [verkopers] is op grond van deze tekortkoming gerechtigd nakoming of schadevergoeding te vorderen.\n\nToewijzing schadevergoeding in plaats van nakoming\n\n5.16.. De primaire vordering van [verkopers] houdt in dat zij nakoming vordert in de vorm van sanering. Tijdens de mondeling behandeling is aan [koper] voorgehouden dat haar primaire vordering vanwege de wijze van formulering bij toewijzing op praktische problemen stuit. Voor sanering is [koper] afhankelijk van een derde partij en het bevoegd gezag dat een sanering moet goedkeuren. Daarbij heeft [verkopers] aan deze nakoming termijnen verbonden te weten het binnen één maand na betekening van het vonnis starten met de sanering en het binnen twee maanden na de start voltooien van de sanering danwel andere door de rechtbank in goede justitie te bepalen termijnen. De rechtbank heeft echter geen handvaten gekregen om in alle redelijkheid realistische termijnen vast te stellen. Dit klemt omdat onduidelijk is op welke termijn een saneerder aan de slag zou kunnen gaan en hoeveel tijd een sanering in beslag zou nemen. De praktisch moeilijke uitvoerbaarheid van het primair gevorderde, leidt ertoe dat de rechtbank het primair gevorderde afwijst.\n\n5.17.. \n [verkopers] vordert subsidiair een voorschot van € 205.102,50 op de schade die zij lijdt door de verontreiniging met glas, met verwijzing naar de schadestaatprocedure voor het geval dat blijkt dat de schade hoger uitvalt dan het voorschot. [verkopers] stelt ter onderbouwing dat de schade die zij lijdt, bestaat uit de saneringskosten die zij voor het glas moet maken. Zij heeft de noodzaak van de sanering en de hoogte van het voorschot voldoende onderbouwd met de kostenraming daarvan door de deskundige.\n\n5.18.. \n [koper] heeft de hoogte van de saneringskosten betwist. [koper] voert aan dat niet onderzocht is of met minder ingrijpende saneringsmaatregelen kan worden volstaan. Ter zitting heeft [koper] toegelicht dat zij hiermee bedoelt dat een minder vergaande sanering wellicht ook voldoende zou kunnen zijn. [koper] kon hier echter geen concrete uitwerking van geven ter zitting en heeft dit op geen enkele wijze nader onderbouwd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat dit verweer van [koper] onvoldoende is onderbouwd.\n\n5.19.. De rechtbank wijst het voorschot op de saneringskosten toe voor het bedrag zoals door [verkopers] gevorderd, te weten € 205.102,50. De rechtbank wijst ook de wettelijke rente hierover toe vanaf 8 maart 2025. Op 21 februari 2025 heeft [verkopers] namelijk per brief [koper] op de hoogte gesteld van het deskundigenrapport en gevorderd dat [verkopers] binnen 14 dagen een aanvang maakt met het saneren van de bodemverontreiniging. Dat is niet gebeurd. Het verzuim is daarom per 8 maart 2025 ingetreden.\n\n5.20.. \n\nDe rechtbank wijst ook de vordering toe tot verwijzing naar de schadestaatprocedure voor het geval blijkt dat de saneringskosten hoger uitvallen dan het voorschot. Er zijn namelijk aanwijzingen dat de kosten hoger zullen uitvallen om de volgende reden.\n\nIn het deskundigenrapport zijn de saneringskosten voor het glas begroot op € 205.102,50. Hierbij is opgenomen dat deze raming enkel een inschatting betreft van de te verwachten kosten en is uitgegaan van een ‘best-case scenario’ waarin een aantal omstandigheden gunstig uitvallen. Naast deze begroting van de schade in het deskundigenrapport heeft [verkopers] tevens een offerte van GMI Bodemmanagement in het geding gebracht waarin de kosten van de sanering van glas en asbest tezamen op € 721.000 worden begroot. De offerte maakt het niet mogelijk om de kosten van de glassanering separaat te berekenen. Wel is duidelijk dat dit een fors hoger bedrag is dan het bedrag waarop de sanering voor glas en asbest bij elkaar in het deskundigenrapport van Arnicon worden geraamd. Daarin worden de kosten van de asbestsanering namelijk geschat op € 190.160,52. Omdat de kostenraming van GMI Bodemmanagement ruim 3 ton hoger uitvalt dan de kostenraming van Arnicon, is het dus zeer wel mogelijk dat in werkelijkheid de kosten hoger gaan uitvallen dan het voorschot. Tegelijkertijd is het voor de rechtbank niet mogelijk om de saneringskosten te begroten op basis van de offerte van GMI Bodemmanagement omdat daarin de kosten van de glassanering niet van de kosten van de asbestsanering kunnen worden gescheiden. Dit maakt verwijzing naar de schadestaatprocedure noodzakelijk.\n\nTen aanzien van het asbest pleegt [koper] geen wanprestatie\n\n5.21.. \n\n [verkopers] stelt dat de asbestverontreiniging, zoals omschreven in het tweede deskundigenrapport, een normaal gebruik als woonruimte met agrarische bestemming in de weg staat. Zij onderbouwt dit met het tweede deskundigenrapport waarin in de conclusie (paragraaf 5.2) is opgenomen:\n\nUit de onderzoeksresultaten wordt geconcludeerd, dat er sprake is van bodemverontreiniging met asbest bij de stallen en langs het erf. De hoeveelheid tot boven de interventiewaarde met asbest verontreinigde grond wordt op basis van de beschikbare gegevens geschat op 375 m3 of 650 ton.\n\nNaar schatting zit er dus 650 ton asbest in de grond. Zolang de grond met asbest besmet is, kan de grond niet worden gebruikt voor akkerbouw, terwijl [koper] dit gebruik wel heeft gegarandeerd, aldus [verkopers] . Volgens [verkopers] kan [koper] geen beroep doen op de exoneratieclausule omdat deze niet zover strekt dat de aansprakelijkheid voor asbest op het hele perceel is uitgesloten. Partijen hebben met deze exoneratieclausule alleen bedoeld de aansprakelijkheid vanwege aanwezigheid van asbest in of om woning en onder de bestrating uit te sluiten, aldus [verkopers] . [verkopers] stelt tevens dat [koper] geen beroep op de exoneratieclausule toekomt nu zij haar mededelingsplicht ten aanzien van asbest heeft geschonden.\n\n5.22.. \n [koper] voert hiertegen verweer. [koper] stelt dat het door de exoneratieclausule niet mogelijk is om de schade ten aanzien van het asbest op [koper] te verhalen. Daarbij stelt zij dat de aanwezigheid van het ondergrondse asbest het beoogde gebruik van het perceel niet in de weg staat. De mini-zeboes kunnen hier gewoon grazen. [koper] betwist daarnaast dat zij haar mededelingsplicht heeft geschonden. [koper] was niet op de hoogte van de oorzaak en\u002Fof omvang van de gebreken, waaronder het asbest.\n\nExoneratiebeding asbest is van toepassing op de gehele onroerende zaak5.23.. De rechtbank oordeelt dat [koper] ten aanzien van het asbest rechtsgeldig een beroep kan doen op de exoneratieclausule, waardoor zij niet is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst. Het ligt op de weg van [verkopers] om haar stelling nader te onderbouwen dat partijen de bedoeling hadden dat de exoneratieclausule alleen van toepassing was op het asbest in en om de woning en onder de bestrating, in tegenstelling tot de woordelijke tekst uit de overeenkomst die zich niet hiertoe beperkt. [verkopers] heeft echter geen dan wel onvoldoende feiten of omstandigheden gesteld, waaruit blijkt dat zij ervan uit mocht gaan dat het exoneratiebeding alleen van toepassing was op het asbest in de grond en de bestrating. Daarmee slaagt het verweer van [koper] dat het asbest in de grond onder de exoneratieclausule valt.\n\nMededelingsplicht grijpt niet in op een mogelijk beroep op exonoratie5.24.. De stelling van [verkopers] dat [koper] geen beroep op de exoneratieclausule toekomt omdat zij haar mededelingsplicht ten aanzien van het asbest heeft geschonden, gaat niet op. [koper] heeft ten aanzien van het asbest haar mededelingsplicht niet geschonden; wat zij wist, heeft zij gemeld. [koper] stelt namelijk dat zij gemeld heeft dat er op het perceel glastuinbouw heeft plaatsgevonden en dat deze glastuinderij gesloopt is. [verkopers] betwist niet dat [koper] dit gemeld heeft. Beide partijen waren dus op de hoogte van de voormalige glastuinderij en de sloop daarvan. Beide partijen stellen daarnaast dat het algemeen bekend is dat er een groot risico bestaat op het gebruik van asbest in kassen die stammen uit de jaren ‘70 van de vorige eeuw. De mededelingsplicht heeft alleen betrekking op gebreken waarvan de verkoper weet of vermoedt dat de koper ze niet kent. Omdat beide partijen stellen dat het algemeen bekend is dat er een groot risico bestaat op het gebruik van asbest in de gesloopte kassen, valt dit niet onder de mededelingsplicht van [koper] .\n\nTussenconclusie\n\n5.25.. Uit bovenstaande volgt dat de aanwezigheid van het asbest de woning en de grond niet non-conform maakt vanwege de exoneratieclausule en dat [verkopers] ten aanzien van de aanwezigheid van het asbest geen rechtsgeldig beroep kan doen op de garantiebepaling dat de woning en de grond geschikt is voor normaal gebruik als woning met een agrarische bestemming. Vordering II van [verkopers] die gebaseerd is op de aanwezigheid van asbest in de grond wordt dan ook afgewezen in alle varianten (primair, subsidiair en meer subsidiair).\n\nTen aanzien van het dak: [verkopers] heeft te laat geklaagd\n\n5.26.. \n [verkopers] stelt dat het dak in erbarmelijke staat was waardoor zij onverwijld de opdracht heeft moeten geven het dak te vervangen, zonder [koper] eerst in gebreke te stellen. Als gevolg van de omvangrijke gebreken aan het dak, is de woning niet geschikt (geweest) voor normaal gebruik. [koper] wijst op de klachtplicht: [verkopers] heeft de woning in 2023 geleverd gekregen en in het najaar van 2023 was het dak reeds gerepareerd. Pas bij de dagvaarding, in september 2025, heeft [verkopers] melding gemaakt van dit gebrek. Hierdoor heeft [verkopers] volgens [koper] te laat geklaagd, waardoor zij zich niet meer op non-conformiteit van het dak kan beroepen.\n\nWat is de klachtplicht?\n\n5.27.. De wet stelt dat een koper binnen korte tijd na het ontdekken van een gebrek de verkoper moet informeren. Doet de koper dit niet, kan hij zich niet meer op non-conformiteit beroepen, wat leidt tot verval van zijn rechten. Dit wordt de klachtplicht genoemd en is vastgelegd in artikel 7:23 Burgerlijk Wetboek (verder te noemen: BW). De vraag of op tijd is geklaagd moet worden beantwoord aan de hand van alle relevante omstandigheden, er geldt dus geen vaste termijn.\n\n5.28.. De rechtbank oordeelt dat [verkopers] te laat geklaagd heeft. [verkopers] heeft het gebrek in 2023 ontdekt en hersteld. Pas ruim 2 jaar nadat het gebrek is ontdekt, heeft [verkopers] het gebrek aan [koper] medegedeeld. Naar het oordeel van de rechtbank is dit te laat. Als gevolg daarvan kan [verkopers] er geen beroep meer doen dat het dak van de woning niet aan de overeenkomst beantwoordt. Vordering III van [verkopers] ten aanzien van het dak wordt daarom afgewezen (zowel primair als subsidiair).\n\nTussenconclusie\n\n5.29.. Uit bovenstaande volgt dat het beroep op wanprestatie ten aanzien van het dak niet slaagt omdat [verkopers] te laat heeft geklaagd.\n\nGevolgschade – Immateriële schade\n\n5.30.. \n [verkopers] vordert vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 sub b BW. Volgens dit artikel heeft de benadeelde recht op immateriële schadevergoeding als de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. [verkopers] beroept zich op deze laatste categorie, aantasting van haar persoon op andere wijze.\n\n5.31.. De rechtbank stelt voorop dat de wetgever de lat voor toekenning van immateriële schade hoog heeft willen leggen. De rechter dient terughoudend te zijn en degene die zich beroept op ‘aantasting van zijn persoon op andere wijze’ dient dit met concrete gegevens te onderbouwen.Uitgangspunt bij ‘aantasting van de persoon op andere wijze’ is dat sprake moet zijn van geestelijk letsel wat naar objectieve maatstaven kan worden vastgesteld, zoals een psychiatrische ziekte.Daarvan is in deze zaak geen sprake.\n\n5.32.. \n [verkopers] stelt dagelijks het weiland te moeten inspecteren om te zorgen dat haar dieren en kinderen zich niet verwonden aan het glas. Deze situatie duurt al twee jaar en het einde is nog niet in zicht, aldus [verkopers] . Hoewel de rechtbank begrijpt dat sprake is van een situatie die voor [verkopers] veel zorgen met zich meebrengt, is dit niet voldoende voor het toekennen van een immateriële schadevergoeding.\n\n5.33.. Het vorenstaande leidt tot het oordeel van de rechtbank dat de gevorderde immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.\n\nGevolgschade – Misgelopen inkomsten\n\n5.34.. \n [verkopers] stelt dat zij inkomsten misloopt als gevolg van het niet kunnen realiseren van (vakantie)huisjes op haar perceel door de verontreiniging van de grond met glas en asbest. Omdat [koper] alleen kan worden aangesproken op de aanwezigheid van het glas, zoals hiervoor overwogen, zal het asbest hier verder buiten beschouwing worden gelaten.\n\n5.35.. Alleen schade die in verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, komt voor vergoeding in aanmerking. Deze schade moet, als gevolg van de gebeurtenis, aan de schuldenaar worden toegerekend. Dit is vastgelegd in artikel 6:98 BW.\n\n5.36.. \n [verkopers] heeft voldoende onderbouwd dat zij voornemens was om op het perceel een B&B te starten. Zo heeft [verkopers] dit voornemen reeds kenbaar gemaakt bij het uitbrengen van het bod op de woning op 16 augustus 2022. Alvorens gestart kan worden met het realiseren van de (vakantie)huisjes op het perceel, dient de grond niet verontreinigd te zijn. De rechtbank acht het dan ook aannemelijk dat het niet mogelijk is om te starten met een B&B wanneer de grond 84 ton glas bevat. Hierdoor is sprake van schade, namelijk het mislopen van inkomsten, die in verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, namelijk de aanwezigheid van het glas.\n\n5.37.. De rechtbank oordeelt dan ook dat het causale verband tussen de schade (de gederfde inkomsten) en de verontreinigde grond met glas voldoende bewezen is. [verkopers] heeft de hoogte van de schade, naar oordeel van de rechtbank, niet voldoende onderbouwd. De onderbouwing van de schade betreft een globale berekening waarbij sprake zou zijn van 4 huisjes met een gemiddelde bezetting van 50% en een tarief van € 100,00 per nacht. Een nadere onderbouwing ontbreekt, bijvoorbeeld van het gegeven dat [verkopers] voornemens zou zijn om vier huisjes te bouwen, het soort B&B dat gebouwd zou worden, een onderbouwing van de aanname van een bezetting van 50% of een onderbouwing van het tarief in vergelijking met soortgelijke B&B’s in de omgeving. Het is voor de rechtbank niet mogelijk om een begroting van de schadevergoeding te maken. De rechtbank verwijst [verkopers] voor de omvang van deze schade dan ook naar de schadestaatprocedure.\n\nNevenvorderingen\n\nDeskundigenkosten\n\n5.38.. \n [verkopers] vordert als vergoeding van de buitengerechtelijke kosten in de zin van artikel 6:96 lid 2 sub b BW de kosten van de door haar ingeschakelde deskundige Arnicon, vermeerderd met de wettelijke rente. Op basis van artikel 6:96 lid 2 sub b BW komen redelijke kosten die zijn gemaakt om schade en aansprakelijkheid vast te stellen, voor vergoeding in aanmerking. Hieronder vallen deskundigenkosten.\n\n5.39.. Arnicon heeft twee deskundigenrapporten opgesteld. Het eerste deskundigenrapport betreft een verkennend bodemonderzoek. Doel van dit onderzoek was met relatief geringe onderzoeksinspanning de algemene bodemkwaliteit vaststellen. [verkopers] heeft de kosten van het eerste deskundigenrapport voldaan op basis van twee facturen die door [verkopers] zijn overlegd. Uit deze facturen volgt dat de totale kosten voor het eerste deskundigenrapport € 9.559,00 inclusief btw zijn. Het tweede deskundigenrapport betreft een aanvullend onderzoek naar de bodemverontreiniging om de omvang van de verontreiniging verder vast te stellen. De kosten voor het tweede deskundigenrapport zijn voldaan op basis van twee facturen die [verkopers] heeft overlegd, hieruit volgt dat de kosten voor het tweede deskundigenonderzoek € 23.595,00 inclusief btw zijn. De totale deskundigenkosten voor het eerste en het tweede deskundigenrapport bedragen totaal € 33.154,00.\n\n5.40.. De rechtbank oordeelt dat beide deskundigenrapporten nodig zijn geweest om de schade en aansprakelijkheid van [koper] ten aanzien van het glas vast te stellen. Dit leidt ertoe dat de deskundigenkosten toewijsbaar zijn. De rechtbank wijst ook de wettelijke rente hierover toe vanaf 8 maart 2025. Op 21 februari 2025 heeft [verkopers] namelijk per brief [koper] op de hoogte gesteld van het deskundigenrapport en gevorderd dat [verkopers] binnen 14 dagen een aanvang maakt met het saneren van de bodemverontreiniging. Dat is niet gebeurd. Het verzuim is daarom per 8 maart 2025 ingetreden.\n\nBuitengerechtelijke incassokosten5.41.. \n [verkopers] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Aangezien een deel van de gevorderde hoofdsom wordt afgewezen, worden de gevorderde buitengerechtelijke kosten toegewezen tot het wettelijk tarief dat hoort bij het aan hoofdsom toegewezen bedrag. Er wordt daarom een bedrag van € 2.966,28 toegewezen.\n\nBeslagkosten5.42.. Met betrekking tot de gevorderde vergoeding van de beslagkosten overweegt de rechtbank als volgt. Als uitgangspunt geldt dat de kosten van het beslag van de beslagene kunnen worden teruggevorderd, tenzij het beslag nietig, onnodig of onrechtmatig was (art. 706 Rv). Het is aan de beslagene om de nietigheid, het onnodige of de onrechtmatigheid van het beslag aan te tonen. Ten aanzien van het beslag heeft [koper] geen verweer gevoerd. Dit betekent dat ook de vordering tot vergoeding van de beslagkosten zal worden toegewezen.\n\n5.43.. De beslagkosten worden als volgt begroot:\n\n- griffierecht conservatoir beslag\n\n€\n\n0,00\n\n- beslag tot levering onroerende zaak\n\n€\n\n260,36\n\n- derdenbeslag\n\n€\n\n299,93\n\n- leges kadaster inschrijving\n\n€\n\n79,00\n\n- overbetekening beslagene\n\n103,67\n\n- informatiekosten\n\n13,05\n\n- overheidsheffing\n\n14,80\n\n- geliquideerd salaris (1 punt, tarief VII)\n\n2.885,00\n\nTotaal\n\n€\n\n3.655,81\n\nHet griffierecht is op nihil gesteld omdat dit al volledig is geheven in de bodemprocedure. Het geliquideerd salaris is gebaseerd op het toegewezen bedrag.\n\nProceskosten5.44.. Hoewel een deel van haar vorderingen is afgewezen, heeft [verkopers] deze procedure moeten starten om schadevergoeding te verkrijgen. [koper] moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [verkopers] worden op basis van het toegewezen bedrag begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n144,47\n\n- griffierecht\n\n€\n\n2.723,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n5.770,00\n\n(2 punten × € 2.885,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n8.826,47\n\n5.45.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n6.1.. veroordeelt [koper] om € 205.102,50 aan [verkopers] te betalen als voorschot op de schade ten aanzien van het glas in de grond, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 8 maart 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening,\n\n6.2.. veroordeelt [koper] tot vergoeding aan [verkopers] van de nog door [verkopers] geleden en te lijden schade ten aanzien van het glas in de grond, deze schade nader op te maken bij staat,\n\n6.3.. \n\nveroordeelt [koper] om aan [verkopers] te betalen een bedrag van\n\n€ 33.154,00 aan deskundigenkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 8 maart 2025 tot aan de dag van algehele voldoening,\n\n6.4.. \n\nveroordeelt [koper] om aan [verkopers] te betalen een bedrag van\n\n€ 2.966,28 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,\n\n6.5.. \n\nveroordeelt [koper] in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op\n\n€ 3.655,81, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na deze uitspraak tot de dag van volledige betaling,\n\n6.6.. veroordeelt [koper] in de proceskosten van € 8.826,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [koper] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n6.7.. veroordeelt [koper] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n6.8.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,\n\n6.9.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr.drs. Van Duin en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.\n\n HR 23 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2414\n\n HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fid4a0e135bfeb14c8787c596c0742af279),NJ 2019\u002F162 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fidfeab1399df654be6b14ebba91fa4725b)(EBI)\n\n HR 9 mei 2003, NJ 2005\u002F168 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fid157620030509c01246hrnj2005168dosred)(B\u002FNoord Brabant); HR 19 december 2003,NJ 2004\u002F348 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fid157620031219c02165hrnj2004348dosred)(J\u002FStaat) en HR 15 maart 2019,ECLI:NL:HR:2019:376 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fid4a0e135bfeb14c8787c596c0742af279),NJ 2019\u002F162 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fidfeab1399df654be6b14ebba91fa4725b)(EBI)","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:5577","2026-06-10T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:32.342Z",{"id":74,"ecli":75,"slug":76,"caseNumber":58,"courtId":5,"decisionDate":77,"fullText":78,"summary":58,"language":7,"source":60,"sourceUrl":79,"sourceTimestamp":80,"parsedAt":63,"updatedAt":81},"1018","ECLI:NL:RBLIM:2026:2787","ecli-nl-rblim-2026-2787","2026-03-18T00:00:00.000Z","RECHTBANK Limburg\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Roermond\n\nZaaknummer: C\u002F03\u002F335979 \u002F HA ZA 24-497\n\nVonnis van 18 maart 2026\n\nin de zaak van\n\n [koper],\n\nte [plaats],\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [koper],\n\nadvocaat: mr. M.M. van den Boomen,\n\ntegen\n\n1. [verkoper 1],\n\nte [plaats], 2. [verkoper 2],\n\nte [plaats],\n\ngedaagde partijen,\n\nhierna samen in mannelijk enkelvoud te noemen: [kopers],\n\nadvocaat: mr. P.M. Jongeling.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure tot en met 2 juli 2025 blijkt uit het tussenvonnis van die datum. Het verdere verloop blijkt uit:\n\n- het deskundigenbericht;\n\n- de conclusies na deskundigenbericht van [koper] en [kopers].\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De verdere beoordeling\n\nHet tussenvonnis\n\n2.1.. De rechtbank verwijst naar het tussenvonnis van 2 juli 2025. In de kern draait deze zaak om het volgende.\n\n2.2.. \n [koper] heeft een woning gekocht van [kopers]. De woning is gebouwd in 1963. Begin jaren ’90 heeft [kopers] bij de woning een aanbouw laten realiseren.\n\n2.3.. \n [koper] heeft een parketteur ingeschakeld om een nieuwe vloer in de woning en aanbouw te leggen. De parketteur meldde bij [koper] dat dit niet mogelijk was, omdat de vloer in de aanbouw afloopt. Vervolgens heeft [koper] [adviseur] (hierna: [adviseur]) ingeschakeld om de aanbouw te onderzoeken. [adviseur] heeft vastgesteld dat de fundering van de aanbouw door de aannemer niet op de juiste wijze is aangebracht. De fundering wijkt af van de bouwtekeningen bij de omgevingsvergunning en is constructief niet in orde (zie het Deskundigenrapport beoordeling scheefstand aanbouw van [adviseur], productie 8 bij dagvaarding). Daardoor is de fundering gaan verzakken. [adviseur] schrijft verder in het rapport (eventuele spel- en typfouten overgenomen):\n\n“D. Belemmeren de gebreken dat in de woning kan worden gewoond op een voldoende veilige manier, met een redelijke mate van duurzaamheid en zonder dat het woongenot wezenlijk wordt aangetast?\n\nHet gebruik van de aanbouw wordt belemmerd. Door de verkopende partij is niets aan de oorzaak van de verzakking gedaan, er zijn alleen werkzaamheden uitgevoerd aan de naden en schades welke ontstaan zijn door de verzakking. Ook zijn er na het herstellen van beschadigde oppervlaktes wederom scheuren ontstaan. Hiermee is vast te stellen dat de zakking niet geheel is gestabiliseerd en nog altijd verder tot uiting kan komen. Wanneer de aanbouw verder verzakt ontstaat gaan de diverse aansluitingen zoals daken en gevels het begeven waardoor vochtproblematiek ontstaat. Daarnaast geeft de parketteur volgens de aankopende partij aan geen egalisatie te willen aanbrengen op de vloer. Hij kan geen garantie geven wanneer de egalisatie toch aangebracht gaat worden.”\n\n2.4.. Tussen partijen is in geschil of woning beantwoordt aan de koopovereenkomst.\n\n2.5.. De rechtbank heeft – in overeenstemming met de procesafspraken van partijen – een deskundige benoemd om de mogelijkheden van herstel en de kosten daarvan te onderzoeken. Alvorens de rechtbank ingaat op het deskundigenrapport, zal de rechtbank de vraag beantwoorden of [kopers] tekort is geschoten in de nakoming van de op hem rustende verbintenis uit de koopovereenkomst.\n\nIs sprake van non-conformiteit?\n\n2.6.. \n [koper] stelt dat [kopers] haar de woning heeft verkocht, wetende dat de aanbouw aan het verzakken is. Volgens [koper] heeft [kopers] zijn mededelingsplicht geschonden, door in de koopovereenkomst en de daarbij horende vragenlijst de vraag naar een verzakking ontkennend te beantwoorden. [koper] stelt dat zij tijdens de bezichtigingen geen scheuren kon zien, deels omdat deze waren bijgewerkt (de scheuren in de woning) en deels omdat hier beplanting voor stond (de scheuren aan de buitenzijde van de woning).\n\n2.7.. \n [kopers] betwist dat hij op de hoogte was van de verzakking. [kopers] geeft aan dat de aanbouw in de jaren ’90 is geplaatst en dat hij in 2005 en in 2011\u002F2012 verschillende scheuren heeft laten wegwerken. Door de aannemers die de scheuren hebben weggewerkt is tegen [kopers] gezegd dat die scheuren het gevolg zijn van nieuw tegen oud aanbouwen. Volgens [kopers] heeft hij niet gezien dat nadien nieuwe scheuren zijn ontstaan. Ook is [kopers] het verloop in de vloer niet opgevallen. [kopers] wist dus niet van de (aanhoudende) verzakking, zodat [kopers] daaromtrent ook geen mededelingen kon doen. [kopers] voert verder aan dat hij niet wist dat de aannemer de aanbouw niet conform de bouwtekeningen heeft gerealiseerd.2.8.. \n\nDe rechtbank overweegt als volgt.\n\nIn de tussen partijen gesloten koopovereenkomst is – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen:\n\n“Artikel 6 Staat van de onroerende zaak \u002F Gebruik6.1.. \n\n De onroerende zaak zal aan koper in eigendom worden overgedragen in de staat waarin deze zich bij het tot stand komen van deze koopovereenkomst bevindt, derhalve met alle daarbij behorende rechten en aanspraken, heersende erfdienstbaarheden en kwalitatieve rechten, zichtbare en onzichtbare gebreken en vrij van hypotheken, beslagen en inschrijvingen daarvan. Koper aanvaardt deze staat en daarmee ook de op de onroerende zaak rustende publiekrechtelijke beperkingen voor zover dat geen 'bijzondere lasten' zijn.\n\n(…)6.3.. \n\nDe onroerende zaak zal bij de eigendomsoverdracht de feitelijke eigenschappen bezitten die nodig zijn voor een normaal gebruik als:woning.\n\nIndien de feitelijke levering eerder plaatsvindt, zal de onroerende zaak op dat moment de eigenschappen bezitten die voor een normaal gebruik nodig zijn.\n\nVerkoper staat niet in voor andere eigenschappen dan die voor een normaal gebruik nodig zijn. Gebreken die het normale gebruik belemmeren en die aan koper bekend of kenbaar zijn op het moment van het tot stand komen van deze koopovereenkomst komen voor rekening en risico van koper.\n\nVoor gebreken die het normale gebruik belemmeren en die niet aan koper bekend of kenbaar waren op het moment van het tot stand komen van deze koopovereenkomst is verkoper uitsluitend aansprakelijk voor de herstelkosten. Bij het vaststellen van de herstelkosten wordt rekening gehouden met de aftrek 'nieuw voor oud’.\n\nVerkoper is niet aansprakelijk voor overige (aanvullende) schade, tenzij verkoper een verwijt treft.”\n\n2.9.. Beide artikelen samen maken dat [kopers] enkel aansprakelijk is voor verborgen gebreken, die aan normaal gebruik van de woning in de weg staan. Volgens vaste rechtspraak houdt ‘normaal gebruik’ in dat in de woning moet kunnen worden gewoond op een voldoende veilige manier, met een redelijke mate van duurzaamheid en zonder dat het woongenot wezenlijk wordt aangetast. Niet elke onvolkomenheid maakt dus dat de woning niet de eigenschappen bezit die voor normaal gebruik vereist zijn (Hoge Raad 23 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2414).\n\n2.10.. Tussen partijen is niet in geschil dat de aanbouw verzakt is. Dat sprake is van een verzakking en daarmee een scheefstand in de woning, maakt naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf nog niet dat sprake is van een gebrek dat aan normaal gebruik van de woning in de weg staat.\n\n2.11.. \n [koper] heeft gemotiveerd gesteld dat de aanbouw steeds verder verzakt, hetgeen tot vochtproblematiek en andere problemen zal leiden. [koper] heeft daarbij onder meer verwezen naar het rapport van [adviseur]. Door [kopers] is onvoldoende gemotiveerd betwist dat sprake is van een nog steeds aanhoudende verzakking. Daarmee komt in deze procedure vast te staan dat de aanbouw nog steeds niet gestabiliseerd is en verder verzakt. Naar het oordeel van de rechtbank is het feit dat de aanbouw nog steeds aan het verzakken is wel een gebrek dat aan normaal gebruik van de woning in de weg staat. Door [kopers] is de conclusie van [adviseur] (Deskundigenrapport beoordeling scheefstand aanbouw, productie 8 bij dagvaarding) immers niet weersproken dat bij verdere verzakking van de aanbouw de diverse aansluitingen, zoals daken en gevels, het zullen begeven waardoor er vochtproblematiek ontstaat.\n\n2.12.. Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of de verzakkende aanbouw een gebrek is dat bekend of kenbaar was voor [koper] ten tijde van het aangaan van de koopovereenkomst. Met kenbare gebreken wordt aan de onderzoeksplicht van de koper gerefereerd. Ook gebreken die de koper niet kende maar die zij (wel) zou hebben ontdekt indien zij het onderzoek had verricht dat redelijkerwijs van haar mocht worden gevergd, zijn kenbaar. Op de koper ([koper]) die zich op non-conformiteit beroept, rust ter zake de stelplicht en bewijslast. Zij zal in dat kader, indien aan de orde, ook gemotiveerd moeten stellen dat zij aan de op haar rustende onderzoeksplicht heeft voldaan (of dat er geen reden was voor onderzoek). Daarbij stelt de rechtbank voorop dat niet in alle gevallen een onderzoeksplicht geldt, maar dat er een aanleiding moet zijn om te twijfelen aan hetgeen is toegezegd ten aanzien van de eigenschappen van de woning.\n\n2.13.. \n [koper] heeft gesteld dat zij niet bekend was met de (aanhoudende) verzakking van de aanbouw. Verder stelt [koper] dat die verzakking voor haar ook niet kenbaar was en zij haar onderzoeksplicht niet heeft geschonden. Volgens [koper] had [kopers] moeten melden dat sprake is van een verzakkende aanbouw en prevaleert de mededelingsplicht van [kopers] boven een eventuele onderzoeksplicht aan de zijde van [koper]. [koper] verwijst in dat kader naar de vragenlijst bij de koopovereenkomst, waarin [kopers] de vragen naar een verzakking ontkennend heeft beantwoord. [koper] stelt dat de woning netjes was afgewerkt en zij nergens scheuren heeft geconstateerd tijdens de bezichtigingen. Aan de buitenzijde van de woning stond begroeiing vóór de (bijgewerkte) naad, zodat ook die scheur niet zichtbaar was, aldus [koper]. Volgens [koper] was er dan ook geen aanleiding om nader onderzoek te doen naar de staat van de aanbouw.\n\n2.14.. \n [kopers] betwist dat hij zijn mededelingsplicht heeft geschonden. [kopers] stelt dat hij niet wist dat sprake was van een verzakkende aanbouw. [kopers] voert aan dat hij jaren vóór de verkoop de zichtbare scheuren heeft laten herstellen door vakmensen, die [kopers] hebben verzekerd dat de scheurvorming normaal is bij een dergelijke aanbouw (oud tegen nieuw). Verder geeft [kopers] aan dat hij daarna geen nieuwe scheuren meer heeft geconstateerd. Voor [kopers] was er dan ook geen enkele reden om te twijfelen aan de mededelingen van de aannemers. Volgens [kopers] heeft [koper] haar onderzoeksplicht geschonden. [kopers] verwijst daarbij naar de in de koopovereenkomst opgenomen ouderdomsclausule, waarin staat:\n\n“artikel 20 Ouderdomsclausule\n\nKoper verklaart er mee bekend te zijn dat het Verkochte ruim 57 jaar oud is en dat de eisen die thans aan de kwaliteit van zaken van een soortgelijke aard gesteld mogen worden aanzienlijk hoger liggen dan ten tijde van de toenmalige inrichting. In afwijking van het bepaalde in artikel 6 van deze koopovereenkomst kan Verkoper niet garanderen dat de goederen vrij zijn van gebreken die het voorgenomen gebruik in de weg zouden kunnen staan en die direct dan wel indirect verband (kunnen) houden met de ouderdom.”\n\n2.15.. Naar het oordeel van de rechtbank is niet komen vast te staan dat [kopers] op de hoogte was van de verzakkende aanbouw, zodat [kopers] dit ook niet had kunnen vermelden in de vragenlijst of anderszins aan [koper] had kunnen mededelen. Dat [kopers] in het verleden scheuren heeft laten herstellen is onvoldoende om aan te nemen dat [kopers] bekend was met de verzakking. [koper] heeft geen andere feiten of omstandigheden gesteld waaruit de conclusie zou kunnen worden getrokken dat [kopers] wist van de verzakking. Van een schending van de mededelingsplicht kan dan ook geen sprake zijn. Bovendien heeft [koper] ter zitting verklaard dat zij de vragenlijst pas op het moment van ondertekenen van de koopovereenkomst heeft ontvangen, zodat de vragenlijst kennelijk geen (grote) rol heeft gespeeld in haar aankoopbeslissing.\n\n2.16.. De rechtbank is van oordeel dat de verzakking niet bekend of kenbaar was voor [koper]. Immers, [kopers] heeft gemotiveerd gesteld dat hij de verzakking nimmer heeft opgemerkt en na de herstelwerkzaamheden geen nieuwe scheuren meer heeft geconstateerd. Waarom [koper], die de woning slechts twee keer relatief kort heeft bezichtigd ten opzichte van [kopers] die er jaren heeft gewoond, dan wel bekend zou moeten zijn met een verzakking in de aanbouw, heeft [kopers] onvoldoende toegelicht. Er was dan ook geen enkele aanleiding voor [koper] om nader onderzoek te doen.\n\n2.17.. Het beroep op de ouderdomsclausule kan [kopers] niet baten. De ouderdomsclausule ziet enkel op gebreken die samenhangen met de ouderdom van de woning. Het gaat dan om de situatie dat ten tijde van de bouw van de woning (of in dit geval de aanbouw) andere bouwtechnische eisen golden, zodat men later geconstateerde gebreken niet kan meten aan de huidige standaarden. Daar is in dit geval geen sprake van. De problemen die zich voordoen aan het fundament van de aanbouw hangen niet samen met het bouwjaar van de aanbouw, maar met een constructiegebrek dat van meet af aan bestond. Vaststaat dat de aanbouw niet is gebouwd conform de bouwtekeningen en daarmee ook niet voldoet aan de eisen die er destijds aan werden gesteld.\n\n2.18.. Ook de stelling dat de parketteur van [koper] heeft gewezen op een scheefstand in de vloer treft geen doel. [koper] heeft gemotiveerd gesteld dat de parketteur dit pas heeft geconstateerd en gemeld na het ondertekenen van de koopovereenkomst, zodat geen sprake is van een gebrek dat kenbaar of bekend was ten tijde van het aangaan van de koopovereenkomst.\n\n2.19.. Het voorgaande betekent dat beide partijen niet meer hadden kunnen of moeten doen dan zij in de gegeven omstandigheden hebben gedaan. Geen van partijen treft dus een verwijt, omdat het gebrek niet kenbaar of bekend was. Op basis van de koopovereenkomst heeft [kopers] wel een garantie verstrekt dat de woning geen gebreken heeft die aan normaal gebruik van de woning in de weg staan. Dat maakt dat [kopers] op basis van artikel 6.3 van de koopovereenkomst voor dit gebrek aansprakelijk is voor de herstelkosten.\n\n2.20.. \n [koper] heeft een verklaring voor recht gevorderd dat [kopers] tekortgeschoten is in de nakoming van de op hem rustende verbintenis en gevraagd om de zaak te verwijzen naar de schadestaatprocedure voor het begroten van de schade. Daarnaast heeft [koper] gevorderd om [kopers] te veroordelen tot betaling van een voorschot van € 5.000,00. De rechtbank is van oordeel dat de schade in deze procedure redelijkerwijs begroot kan worden. Dat betekent dat de gevraagde verklaring voor recht niet zal worden toegewezen, omdat [koper] daar geen zelfstandig belang (meer) bij heeft. De rechtbank zal de schade meteen begroten en [kopers] veroordelen tot betaling daarvan. In het verlengde daarvan wordt ook het gevraagde voorschot afgewezen.\n\nHet deskundigenrapport (herstelmogelijkheden en -kosten)\n\n2.21.. Op verzoek van partijen en in opdracht van de rechtbank heeft de deskundige een deskundigenrapport opgesteld. De deskundige heeft drie herstelmethoden uitgewerkt met bijbehorende herstelkosten. Partijen hebben vervolgens de gelegenheid gekregen om op dit rapport en de begrote herstelkosten te reageren. Ondanks dat dit niet de oorspronkelijke inzet van de procedure was, hebben partijen zich dus reeds uit kunnen laten over de omvang van de schade en van die mogelijkheid ook gebruik gemaakt.\n\n2.22.. Zoals hiervoor reeds geoordeeld is het gebrek gelegen in het verder verzakken van de woning. Van belang is hierbij dat [koper] een woning met een waarneembare scheefstand heeft gekocht en dat hiervoor reeds is overwogen dat die scheefstand op zich geen gebrek met zich brengt dat in de weg staat aan normaal gebruik van de woning. Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat [kopers] geen verwijt treft. Dat betekent dat [kopers] conform artikel 6.3 van de koopovereenkomst uitsluitend aansprakelijk is voor de herstelkosten van het gebrek (dus het stabiliseren van de woning) en niet ook voor overige (aanvullende) schade, zoals het herstellen van de scheefstand of het egaliseren van de vloer. Uit het rapport van de deskundige volgt dat variant A hiervoor doelmatig is (zie onder 10.3, pagina 33 van het rapport). De rechtbank begroot de schade daarom overeenkomstig de herstelkosten voor variant A, zijnde een bedrag van € 31.150,00. Uiteraard staat het [koper] vrij om de gevolgschade te laten herstellen, maar die werkzaamheden komen, gelet op het vorenstaande, niet voor rekening van [kopers].\n\nBeslagkosten en proceskosten\n\n2.23.. \n [koper] vordert [kopers] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. Het griffierecht van € 320,00 voor het beslagrekest is verrekend met het griffierecht dat in deze zaak is verschuldigd, zodat dit niet nog eens zal worden toegekend. De beslagkosten worden vastgesteld op € 419,45 voor kosten deurwaardersexploten en € 836,00 voor salaris advocaat (1,0 punt(en) × € 836,00 Tarief III), totaal € 1.255,45.\n\n2.24.. \n [kopers] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [koper] worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n135,97;\n\n- griffierecht\n\n€\n\n1.325,00;\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n2.090,00\n\n(2,5 punten × € 836,00);\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing);\n\ntotaal\n\n€\n\n3.739,97.\n\n2.25.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n2.26.. De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.\n\n3. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n3.1.. veroordeelt [kopers] hoofdelijk tot betaling aan [koper] van een schadevergoeding van € 31.150,00,\n\n3.2.. veroordeelt [kopers] hoofdelijk in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 1.255,45,\n\n3.3.. veroordeelt [kopers] hoofdelijk in de proceskosten van € 3.739,97, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [kopers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n3.4.. veroordeelt [kopers] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de bedragen genoemd onder 3.1. tot en met 3.3. als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n3.5.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,\n\n3.6.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. dr. Verhoeven en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:2787","2026-03-24T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:59.430Z",{"id":83,"ecli":84,"slug":85,"caseNumber":58,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":86,"summary":58,"language":7,"source":60,"sourceUrl":87,"sourceTimestamp":18,"parsedAt":63,"updatedAt":88},"1150","ECLI:NL:RBLIM:2025:11921","ecli-nl-rblim-2025-11921","RECHTBANKLIMBURG\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Roermond\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 11893065 \\ AZ VERZ 25-106\n\nBeschikking van 2 december 2025\n\nin de zaak van\n\nHUMBY B.V.,\n\ngevestigd te Panningen, kantoorhoudende te Venlo,\n\nverzoekende partij,\n\nverwerende partij in het tegenverzoek,\n\nhierna te noemen: Humby,\n\ngemachtigde: mr. P. Caris,\n\ntegen\n\n1. [bedrijfsnaam 1] B.V.,\n\ngevestigd te Venlo, 2. [verweerder sub 2],\n\nwonende te [plaatsnaam] ,\n\nverwerende partijen,\n\nverzoekende partijen in het tegenverzoek,\n\nhierna te noemen: [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] ,\n\ngemachtigde: mr. A.J.T.M. Oudenhoven.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift met producties,\n\n- het verweerschrift met producties, met zelfstandig tegenverzoek,\n\n- het verweerschrift in het tegenverzoek, met producties in het verzoek en tegenverzoek,\n\n- de mondelinge behandeling van 4 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, met daaraan gehecht de pleitnota van mr. Oudenhoven.\n\n1.2.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Humby is een dienstverlener, actief op het gebied van opslag en transport (warehouse & logistics).\n\n2.2.. \n [verweerder sub 2] heeft vanaf 1 januari 2023 werkzaamheden voor Humby verricht.\n\n2.3.. Humby en [verweerder sub 1] hebben op 12 juli 2023 met ingang van 1 januari 2023 een schriftelijke overeenkomst voor onbepaalde tijd gesloten, met als titel “overeenkomst van opdracht tussen Humby B.V. en [bedrijfsnaam 1] B.V.” (productie 1 van Humby).\n\n2.4.. Humby en [verweerder sub 2] hebben op 12 juli 2023 een aandeelhoudersovereenkomst gesloten. Door middel van een separate overeenkomst van koop en verkoop heeft [verweerder sub 2] 25% van de aandelen in Humby verworven, tegen een koopprijs van € 230.000,00.\n\n2.5.. Humby heeft aan [verweerder sub 1] over de periode van 1 januari 2023 tot 27 februari 2025 een bedrag van € 6.611,00 exclusief BTW per maand betaald voor de verrichte werkzaamheden.\n\n2.6.. Bij e-mailbericht van 27 februari 2025 heeft Humby de overeenkomst met [verweerder sub 1] opgezegd met inachtneming van de in artikel 3 opgenomen opzegtermijn van drie maanden (productie 3 van Humby).\n\n3. Het verzoek en het verweer\n\n3.1.. Humby verzoekt, zoals tijdens de mondelinge behandeling gewijzigd en verkort weergegeven;\n\nI. te verklaren voor recht dat tussen Humby en [verweerder sub 1] althans [verweerder sub 2] geen arbeidsovereenkomst heeft bestaan,\n\nII. in het geval wel sprake is van een arbeidsovereenkomst, te verklaren voor recht dat deze door opzegging is geëindigd en dat [verweerder sub 1] althans [verweerder sub 2] niet binnen twee maanden ex artikel 7:686a lid 4 onder a BW een vordering tot vernietiging of herstel heeft ingesteld, zodat deze rechtsvordering is komen te vervallen,\n\nIII. in het geval sprake is van een arbeidsovereenkomst, te verklaren voor recht dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd,\n\nIV. [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de volledige proceskosten, begroot op € 5.000,00 ex BTW.\n\n3.2.. Aan het verzoek heeft Humby - verkort weergegeven - het volgende ten grondslag gelegd. Er is geen sprake geweest van een arbeidsovereenkomst tussen partijen. Partijen hebben samen uitdrukkelijk gekozen voor het sluiten van een managementovereenkomst. Humby heeft de managementovereenkomst opgezegd tegen 1 juni 2025. Zelfs in het geval er wel sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst is deze eveneens op 1 juni 2025 door opzegging geëindigd. Er is hoe dan ook een einde gekomen aan de werkrelatie tussen partijen, zodat [verweerder sub 1] op grond van de aandeelhoudersovereenkomst haar aandelen met peildatum 1 juni 2025 aan Humby dient aan te bieden.\n\n3.3.. \n [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] verzetten zich tegen toewijzing van het verzoek en concluderen tot niet-ontvankelijkheid van Humby, dan wel tot afwijzing van het verzoek van Humby, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Humby in de kosten van deze procedure.\n\n4. Het tegenverzoek en het verweer\n\n4.1.. \n [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] verzoeken, zoals tijdens de mondelinge behandeling verminderd (netto wordt bruto), - verkort weergegeven -;\n\nI. te verklaren voor recht dat tussen Humby en [verweerder sub 2] een arbeidsovereenkomst heeft bestaan en nog steeds bestaat,\n\nII. Humby te veroordelen het salaris van € 8.000,00 bruto te vermeerderen met vakantiebijslag en emolumenten aan [verweerder sub 2] te voldoen vanaf 27 februari 2025 totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig eindigt, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente,\n\nIII. aan [verweerder sub 2] de proceskosten te voldoen.\n\n4.2.. Aan het verzoek hebben [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] - verkort weergegeven - het volgende ten grondslag gelegd. [verweerder sub 2] heeft vanaf het begin zijn werkzaamheden bij Humby verricht op basis van een arbeidsovereenkomst. De managementovereenkomst is weliswaar tussen partijen gesloten maar hier is nooit uitvoering aan gegeven. De opzegging van Humby was niet gericht aan [verweerder sub 2] als werknemer, maar aan [verweerder sub 1] , zodat de arbeidsovereenkomst nog steeds voortduurt. [verweerder sub 2] heeft zijn salaris van € 8.000,00 netto uit hoofde van de arbeidsovereenkomst vanaf 27 februari 2025 niet meer betaald gekregen.\n\n4.3.. Humby verzet zich tegen toewijzing van het tegenverzoek en concludeert tot niet-ontvankelijkheid dan wel tot afwijzing van het tegenverzoek van [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] , met veroordeling van [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] in de kosten van deze procedure.\n\n5. De beoordeling\n\nIn het verzoek en in het zelfstandig tegenverzoek\n\n5.1.. Humby vordert een negatieve verklaring voor recht dat er tussen haar en [verweerder sub 1] althans [verweerder sub 2] geen arbeidsovereenkomst heeft bestaan. De kern van het geschil tussen partijen betreft de beantwoording van de vraag of er tussen [verweerder sub 2] en Humby sprake is (geweest) van een arbeidsovereenkomst. De kantonrechter overweegt als volgt.\n\n5.2.. \n\nDe Hoge Raad heeft met betrekking het toetsingskader of er sprake is van een arbeidsovereenkomst in het Deliveroo-arrest van 24 maart 2023 (ECLI:NL:HR: 2023:443) het volgende overwogen.\n\n“3.2.2 Art. 7:610 BW omschrijft de arbeidsovereenkomst als de overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten.\n\n3.2.3.\n\nOm te kunnen beoordelen of een overeenkomst als een arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt, moet door uitleg aan de hand van de Haviltexmaatstaf worden vastgesteld welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen.\n\n3.2.4.\n\nAls de overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst, moet de overeenkomst als zodanig worden aangemerkt. Voor deze kwalificatie is niet van belang of partijen de bedoeling hadden de overeenkomst onder de wettelijke regeling van de arbeidsovereenkomst te laten vallen.\n\n3.2.5.\n\nOf een overeenkomst moet worden aangemerkt als arbeidsovereenkomst, hangt af van alle omstandigheden van het geval in onderling verband bezien. Van belang kunnen onder meer zijn de aard en duur van de werkzaamheden, de wijze waarop de werkzaamheden en de werktijden worden bepaald, de inbedding van het werk en degene die de werkzaamheden verricht in de organisatie en de bedrijfsvoering van degene voor wie de werkzaamheden worden verricht, het al dan niet bestaan van een verplichting het werk persoonlijk uit te voeren, de wijze waarop de contractuele regeling van de verhouding van partijen is tot stand gekomen, de wijze waarop de beloning wordt bepaald en waarop deze wordt uitgekeerd, de hoogte van deze beloningen, en de vraag of degene die de werkzaamheden verricht daarbij commercieel risico loopt. Ook kan van belang zijn of degene die de werkzaamheden verricht zich in het economisch verkeer als ondernemer gedraagt of kan gedragen, bijvoorbeeld bij het verwerven van een reputatie, bij acquisitie, wat betreft fiscale behandeling, en gelet op het aantal opdrachtgevers voor wie hij werkt of heeft gewerkt en de duur waarvoor hij zich doorgaans aan een bepaalde opdrachtgever verbindt.\n\nHet gewicht dat toekomt aan een contractueel beding bij beantwoording van de vraag of een overeenkomst als arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt, hangt mede af van de mate waarin dat beding daadwerkelijk betekenis heeft voor de partij die de werkzaamheden verricht.”\n\n5.3.. De Haviltexmaatstaf die de Hoge Raad in nummer 3.2.3. noemt, is een uitlegmaatstaf voor een schriftelijk contract. Deze maatstaf houdt - kort samengevat - in dat bij de beantwoording van de vraag hoe een verhouding van partijen is geregeld niet alleen de taalkundige uitleg van de bepalingen van een contract van belang zijn, maar ook de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en hetgeen zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij zijn alle bijzondere omstandig-heden van het geval van belang.\n\n5.4.. De kantonrechter zal hierna per gezichtspunt bespreken of, gelet op wat partijen in de processtukken en tijdens de mondelinge behandeling naar voren hebben gebracht, aan de voorwaarden voor een arbeidsovereenkomst is voldaan of dat sprake is van een overeen-komst van opdracht.\n\nde aard en duur van de werkzaamheden\n\n5.5.. \n\nPartijen zijn het erover eens dat de aard van de werkzaamheden, zoals beoogd in de overeenkomst, bestond uit het verrichten van commerciële werkzaamheden voor Humby. [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] hebben op de mondelinge behandeling onbetwist gesteld dat [verweerder sub 2] nauwelijks commerciële werkzaamheden heeft verricht, maar vooral magazijn-werkzaamheden in de loods heeft verricht. Gesteld noch gebleken is dat de verrichte werkzaamheden bijzondere verrichtingen betreffen. Uit de schriftelijke overeenkomst volgt niet dat er sprake is van een resultaatsverbintenis. Daarnaast is de overeenkomst aangegaan voor onbepaalde tijd.\n\nDe kantonrechter is van oordeel dat de aard van de werkzaamheden en de overeengekomen duur van de overeenkomst aanwijzingen vormen dat sprake is (geweest) van een arbeids-overeenkomst.\n\nDe wijze waarop de werkzaamheden en de werktijden worden bepaald\n\n5.6.. \n\nPartijen staan in dit kader lijnrecht tegenover elkaar.\n\nHumby stelt als volgt. [verweerder sub 2] genoot, via [verweerder sub 1] , volledige vrijheid in de feitelijke uitvoering van de werkzaamheden (wanneer en waar hij wilde). Het maakt Humby niet uit of [verweerder sub 2] zijn werkzaamheden in 1 uur per maand of 60 uur per week uitvoerde, zolang hij zijn taken maar uitvoerde en klanten uit zijn netwerk binnenbracht. Humby gaf [verweerder sub 2] geen instructies en er was er geen gezagsverhouding. [verweerder sub 2] zocht zelf opdrachten en voerde deze uit. Hij hoefde aan niemand verantwoordelijkheid af te leggen. [verweerder sub 2] had geen toestemming nodig voor het opnemen van verlof, ondanks dat hij wel om toestemming vroeg, aldus Humby.\n\n5.7.. \n\n [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] hebben naar voren gebracht dat Humby de werkzaamheden bepaalde en hij werd aangestuurd door [naam 1] , leidinggevende bij Humby, die hem instructies en opdrachten gaf. Hij had geen vrijheid om zijn werkzaam-heden inhoudelijk in te richten. Het stond hem niet vrij om opdrachten naar eigen believen aan te nemen en\u002Fof terug te geven. Volgens [verweerder sub 2] werkte hij, net als andere werknemers, dagelijks van 07.00 uur (of eerder) tot 16.00 uur (of later) op de locatie van Humby in Venlo. [verweerder sub 2] werd door Humby ingeroosterd en kon wel net als iedere andere werknemer van Humby zijn beschikbaarheid opgeven.\n\nOok diende hij voor het opnemen van verlof en elke afwijking van de reguliere werktijden toestemming te vragen aan [leidinggevende] .\n\n5.8.. Naar het oordeel van de kantonrechter geven de voorgaande aspecten geen duidelijkheid over het bestaan van een overeenkomst van opdracht of een arbeidsovereenkomst. Humby heeft weliswaar een verklaring overlegd van [naam 2] , waarin deze onder meer aangeeft dat [verweerder sub 2] nooit verlof aanvroeg en [verweerder sub 2] kwam werken wanneer hij wilde en geen vaste werktijden had, maar deze verklaring is door [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] gemotiveerd betwist. Bovendien heeft Humby onvoldoende gesteld over de positie van [naam 2] binnen Humby. Dit gezichtspunt zal daarom niet worden meegenomen in de beoordeling.\n\nDe inbedding van het werk en degene die de werkzaamheden verricht in de organisatie en de bedrijfsvoering van degene voor wie de werkzaamheden worden verricht\n\n5.9.. \n\n [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] stellen zich op het standpunt dat de functie van commercieel medewerker volledig is ingebed in de organisatie van Humby en een structureel karakter heeft. [verweerder sub 2] werkte op de locatie van Humby in Venlo.\n\n [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] voeren verder aan dat [verweerder sub 2] geen eigen bedrijfsmiddelen heeft gebruikt bij de uitvoering van de werkzaamheden. Hij kreeg en droeg werkkleding van Humby met het logo van Humby en had een visitekaartje met de naam van Humby erop (productie 2 van [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] ).\n\nDit alles is niet door Humby weersproken. De stelling van Humby dat de veiligheidsvoor-schriften voorschrijven dat je op de werkvloer werkkleding aan moest hebben, maakt dit niet anders. Wat betreft het inbeddingsaspect zijn er naar het oordeel van de kantonrechter aanwijzingen voor het aannemen van een arbeidsovereenkomst.\n\nHet al dan niet bestaan van een verplichting het werk persoonlijk uit te voeren\n\n5.10.. \n\nTen aanzien van dit gezichtspunt stelt Humby dat de overeenkomst [verweerder sub 1] niet verplicht dat [verweerder sub 2] persoonlijk voor een lange, vaste periode feitelijk de diensten verricht. [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] stellen zich op het standpunt dat [verweerder sub 2] geacht werd de werkzaamheden persoonlijk uit te voeren, zonder de mogelijkheid zich te laten vervangen.\n\nIn de schriftelijke overeenkomst staat niets vermeld over een verplichting tot persoonlijk uitvoeren van het werk. Nu de overeenkomst is aangegaan met een onderneming en niet met [verweerder sub 2] in privé, had het voor de hand gelegen dat een dergelijke bepaling in de overeenkomst was opgenomen, als Humby uitsluitend van de diensten van [verweerder sub 2] gebruik wilde maken. Nu een dergelijk beding niet is opgenomen, blijkt niet dat [verweerder sub 2] zich niet mocht laten vervangen door een derde. [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] hebben deze stelling ook niet verder onderbouwd of bewijs hiervan aangedragen.\n\nDit onderdeel is naar het oordeel van de kantonrechter een aanwijzing dat er sprake is (geweest) van een overeenkomst van opdracht.\n\nDe wijze waarop de contractuele regeling van de verhouding van partijen tot stand is gekomen\n\n5.11.. \n\nOp dit onderdeel voert Humby het volgende aan. Humby wilde [verweerder sub 1] inhuren voor commerciële activiteiten en laten participeren in Humby, om op die manier incentive te creëren. [verweerder sub 2] gaf aan altijd ondernemer te zijn geweest en dat te willen blijven. Partijen hebben toen gekozen voor een participatie via [verweerder sub 1] en niet via [verweerder sub 2] privé. Voorts is samen gekozen voor een managementovereenkomst omdat [verweerder sub 1] de opdracht zelfstandig naar eigen inzicht en expertise wilde uitvoeren. Humby en [verweerder sub 1] hebben per 1 januari 2023 een schriftelijke managementovereenkomst gesloten waarin [verweerder sub 1] optreedt als opdrachtnemer. Namens [verweerder sub 1] worden deze activiteiten uitgevoerd door [verweerder sub 2] . In de overeenkomst hebben partijen uitdrukkelijk afgesproken dat zij wensen te contracteren op basis van een overeenkomst van opdracht in de zin van artikel 7:400 e.v. BW en uitdrukkelijk niet beogen een arbeidsovereenkomst aan te gaan. Humby biedt van deze stelling getuigenbewijs aan. Verband houdende met de managementovereenkomst heeft [verweerder sub 2] in juli 2023 ook een aandeelhoudersovereenkomst gesloten, waarbij [verweerder sub 2] een groot aandelenbelang van 25% in Humby heeft gekregen.\n\n [verweerder sub 2] is naast bij Humby ook bestuurder en aandeelhouder bij een andere entiteit (Indexica).\n\n5.12.. \n\nVolgens [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] is er niet onderhandeld over de overeen-komst. [verweerder sub 2] was voor zijn participatie in Humby al werkzaam voor Humby, op basis van een arbeidsovereenkomst vanaf 1 januari 2023. Toen had hij nog geen eigen bv. [verweerder sub 2] is niet actief geweest als zelfstandige voor de indiensttreding bij Humby. Pas later op initiatief van [naam 3] van [bedrijfsnaam 2] , de accountant van Humby, zijn de bv’s opgericht. [bedrijfsnaam 2] heeft de samenwerking tussen partijen geformaliseerd.\n\nEerst werd Indexica B.V. opgericht, een gezamenlijke vennootschap tussen Humby en [verweerder sub 2] (ieder 50%), bedoelt voor de bandenhandel. Daarnaast is de persoonlijke holding [verweerder sub 1] opgericht, uitsluitend voor de administratieve afhandeling van de maandelijkse betalingen. In de aandeelhoudersovereenkomst is ook vermeld dat [verweerder sub 2] in dienst is getreden bij Humby. [verweerder sub 2] heeft nimmer bewust en doelgericht gekozen voor een zelfstandige constructie.\n\n5.13.. De kantonrechter is van oordeel dat zowel uit de schriftelijke overeenkomst (waarvan [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] ter mondelinge behandeling hebben erkend dat deze door [verweerder sub 1] is ondertekend en daadwerkelijk tussen partijen heeft bestaan) en uit de aandeelhoudersovereenkomst blijkt dat partijen de wens hadden op basis van een overeenkomst van opdracht samen te gaan werken. In de schriftelijke overeenkomst is onder meer het volgende opgenomen:\n\n“In aanmerking nemen dat:\n\n(..)\n\nPartijen uitsluitend met elkaar wensen te contracteren op basis van een overeenkomst van opdracht in de zin van artikel 7:400 e.v. BW;\n\nPartijen uitdrukkelijk niet beogen een arbeidsovereenkomst aan te gaan in de zin van artikel 7:610 e.v. BW;\n\n(..)\n\nArtikel 1. Werkzaamheden en uitvoering van de opdracht1.1.. Opdrachtgever verleent aan opdrachtnemer de opdracht tot het uitvoeren van de volgende werkzaamheden: (..)\n\n(..)1.3.. \n\nOpdrachtnemer deelt zijn werkzaamheden zelfstandig in (..)\n\n(..)1.4.. \n\nOpdrachtnemer is bij het uitvoeren van de overeengekomen werkzaamheden geheel zelfstandig. Hij verricht de overeengekomen werkzaamheden naar eigen inzicht en zonder toezicht of leiding van Opdrachtgever (..).\n\n(..)”\n\n5.14.. \n\nDaarnaast blijkt ook uit de doelstelling in artikel 2, lid 2 van de door [verweerder sub 2] ondertekende aandeelhoudersovereenkomst dat partijen het voornemen hebben om met elkaar samen te werken zolang er sprake is van een managementovereenkomst tussen [verweerder sub 2] en\u002Fof diens meester en Humby. In artikel 2 is onder meer het volgende opgenomen:\n\n“Partijen hebben het voornemen om met elkaar samen te werken zolang er sprake is van een managementovereenkomst tussen [verweerder sub 2] en\u002Fof diens meester en Humby (..)”\n\n5.15.. \n\nDe kantonrechter is van oordeel dat uit de voornoemde afspraken voldoende volgt dat partijen samen de wens hadden op basis van een overeenkomst van opdracht samen te gaan werken. Zeker nu niet [verweerder sub 2] , maar [verweerder sub 1] partij is bij de gesloten overeenkomst. Aangezien arbeid alleen verricht kan worden door een natuurlijk persoon, zou [verweerder sub 1] niet aan deze verplichting kunnen voldoen.\n\nDit alles wijst er in beginsel op dat partijen een managementovereenkomst zijn overeengekomen en geen arbeidsovereenkomst.\n\nDe wijze waarop de beloning wordt bepaald en waarop deze wordt uitgekeerd\n\n5.16.. \n\nHumby stelt zich op het standpunt dat uit de overeenkomst volgt dat [verweerder sub 1] een (vaste) vergoeding voor de werkzaamheden ontving en dat [verweerder sub 1] haar werkzaamheden op grond van artikel 5.5. mocht opschorten als er sprake was van een openstaande factuur. Humby betaalde geen salaris, maar voldeed de facturen van [verweerder sub 1] . Humby betaalde de btw over deze facturen en [verweerder sub 1] droeg dan zelfstandig de btw af aan de Belastingdienst. [verweerder sub 1] had een arbeidsovereenkomst gesloten met [verweerder sub 2] en [verweerder sub 2] verloonde zichzelf vanuit zijn vennootschap, waarin hij een eigen salarisadministratie voerde, aldus Humby.\n\n [verweerder sub 2] gaf zelf de opdracht aan Humby om de facturen op te stellen en administratief te verwerken en zijn btw-nummer te gebruiken. De accountant verwerkte in opdracht en namens [verweerder sub 1] alle inkomende en uitgaande facturen, stelde de btw-aangifte op die [verweerder sub 2] goedkeurde en maakte de btw over aan de Belastingdienst. Datzelfde geldt voor de verloning binnen [verweerder sub 1] . De accountant zette alles klaar voor de verloning, de loonstrook, de af te dragen loonbelasting binnen [verweerder sub 1] .\n\n [verweerder sub 2] betaalde dus zijn eigen salaris, loonbelasting en btw vanuit [verweerder sub 1] . Humby betaalde alleen de facturen van [verweerder sub 1] .\n\n5.17.. \n\nVolgens [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] kreeg [verweerder sub 2] salaris betaald van Humby, zowel voor als na de participatie. Hij heeft geen invloed gehad op de hoogte. [verweerder sub 2] kreeg ook doorbetaald bij ziekte of bij opnemen van vakantie. [verweerder sub 2] had slechts een keer onbetaald verlof opgenomen.\n\n [verweerder sub 2] heeft nooit zelf een factuur opgesteld of verstuurd. De administratie daarvan werd gedaan door [naam 4] , zijnde een vriend van de boekbouder bij Humby. [naam 4] stuurde de facturen rechtstreeks naar de [bedrijfsnaam 2] , de accountant van Humby. Het geld werd elke maand automatisch overgemaakt. Het betrof een louter interne administratieve verwerking. De gehele administratie verliep via [bedrijfsnaam 2] . [verweerder sub 2] droeg ook geen btw af.\n\n5.18.. \n\nDe kantonrechter oordeelt als volgt.\n\nIn de schriftelijke overeenkomst is over de beloning onder het volgende opgenomen:\n\n“Artikel 5. Urenverantwoording en facturatie5.1.. Opdrachtgever betaalt aan Opdrachtnemer voor de werkzaamheden die hij overeenkomstig artikel 1.1 en\u002Fof artikel 1.6 uitvoert € 6.611,00 per maand, met een gemiddelde arbeidstijd van 40 uur per week. Alle genoemde bedragen zijn exclusief 21% BTW, en inclusief reiskosten woon-werkverkeer. (..)5.2. (..). Opdrachtnemer draagt zelf de eventueel verschuldigde sociale premies en\u002Fof inkomstenbelasting af en vrijwaart Opdrachtgever voor eventuele aanspraken, ingevolge deze opdracht, van de fiscus, het UWV en\u002Fof vergelijkbare instanties.5.3.. \n\nFacturatie geschiedt aan het einde van de maand en opdrachtgever betaalt het gefactureerde bedrag aan Opdrachtnemer binnen 14 dagen na de factuurdatum. (..). Facturen met declaratiestaat dienen in één pdf ingediend te worden bij: [e-mailadres]\n\n(..)”\n\n5.19.. \n\nVast staat dat [verweerder sub 1] , in de persoon van [verweerder sub 2] , de werkzaamheden uit de opdracht heeft uitgevoerd en uit naam van [verweerder sub 1] voor de verrichte werkzaamheden facturen zijn gestuurd aan Humby. Deze facturen zijn door Humby overgelegd als productie 10. In de facturen staat als omschrijving ‘managementfee’.\n\nBij de facturen bracht [verweerder sub 1] ook btw in rekening. De factuurbedragen moesten worden overgemaakt naar [verweerder sub 1] .\n\nBovendien heeft Humby onweersproken gesteld dat [verweerder sub 1] aan [verweerder sub 2] salaris heeft betaald voor voornoemde werkzaamheden uit hoofde van een arbeidsovereenkomst tussen [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] .\n\nHet feit dat [naam 4] , een vriend van de boekhouder van Humby, de administratie verzorgde en namens [verweerder sub 1] de facturen van de fee opmaakte en naar Humby verstuurde, maakt niet dat deze facturen niet in opdracht van [verweerder sub 1] zijn gemaakt. Bij e-mailbericht van 8 augustus 2023 van [verweerder sub 2] aan [naam 4] verzoekt [verweerder sub 2] ook om het btw-nummer van [verweerder sub 1] op de factuur naar Humby te vermelden.\n\nVanwege het feit dat [verweerder sub 1] btw in rekening bracht, kan het niet anders zijn dan dat zij ook btw afdroeg. Bovendien heeft [verweerder sub 1] de eerste factuur pas in rekening gebracht nadat de aandeelhoudersovereenkomst in juli 2023 was gesloten. [verweerder sub 2] heeft in de periode daarvoor, waarin hij stelt dat er al sprake was van een arbeidsovereenkomst, slechts twee keer een voorschot ontvangen en destijds geen loon gevorderd. Humby heeft ook onweersproken gesteld dat zij geen premies en loonbelasting voor [verweerder sub 2] heeft afgedragen.\n\n [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] hebben zich nog op het standpunt gesteld dat in het door hen als productie 3 overgelegd overzicht van betaling twee keer salaris is vermeld. Het feit dat tweemaal in de betaling aan [verweerder sub 1] het woord ‘salaris’ is gebruikt, is door Humby toegelicht als zijnde een administratief foute benaming vanwege de afwezigheid van de financiële administratie. Dit is niet weersproken.\n\nDe kantonrechter is van oordeel dat dit alles een sterke aanwijzing vormt voor het aannemen van een overeenkomst van opdracht en niet van een arbeidsovereenkomst.\n\nDe hoogte van de beloning\n\n5.20.. \n [verweerder sub 1] factureerde een bedrag van € 6.611,57 ex btw, zijnde € 8.000,00 inclusief btw. Partijen hebben zich niet uitgelaten of de hoogte van de beloning van [verweerder sub 1] al dan niet vergelijkbaar is met werknemers van Humby, zodat de kantonrechter dit gezichtspunt niet verder zal meenemen in de beoordeling.\n\nHet lopen van commercieel risico bij het verrichten van de werkzaamheden\n\n5.21.. \n\nHumby stelt zich op het standpunt dat [verweerder sub 2] financieel risico loopt in verband met zijn participatie in Humby, omdat hij 25% van de aandelen in Humby bezit. Dit standpunt kan niet slagen. Het risico van het bezit van aandelen staat los van het risico wat [verweerder sub 2] loopt bij het verrichten van de werkzaamheden. Vast staat dat [verweerder sub 1] een vast bedrag per maand van € 8.000,00 inclusief btw van Humby heeft ontvangen, onafhankelijk van de door haar daadwerkelijk gewerkte uren. Gesteld noch gebleken is dat [verweerder sub 1] bijvoorbeeld bepaalde opdrachten moest binnenhalen of verantwoordelijk was voor de kwaliteit voor de door haar verrichte werkzaamheden.\n\nDit wijst naar het oordeel van de kantonrechter eerder in de richting van een arbeidsover-eenkomst.\n\nHet gedragen als ondernemer in het economisch verkeer bij het verrichten van de werkzaamheden\n\n5.22.. \n\nOp dit onderdeel heeft Humby het volgende aangevoerd. [verweerder sub 2] is altijd ondernemer geweest en heeft jarenlang een onderneming gedreven onder [bedrijfsnaam X] in Azië en ook andere ondernemingen. [verweerder sub 2] is ook bestuurder en voor 50% aandeelhouder bij Indexica B.V., welke onderneming voorheen een eenmanszaak van [verweerder sub 2] was. De ervaring van [verweerder sub 2] als zelfstandig ondernemer was voor Humby de essentie om de samenwerking met [verweerder sub 1] aan te gaan.\n\nHumby heeft als productie 7 e-mailberichten overgelegd waaruit volgt dat [verweerder sub 2] , naast zijn werkzaamheden ter uitvoering van de managementovereenkomst, ook voor Indexica B.V. werkzaam is.\n\n5.23.. \n [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] stellen zich op het standpunt dat [verweerder sub 2] vanaf 1 januari 2023 niet actief is (geweest) als zelfstandig consultant of adviseur, zich niet zodanig profileert en ook niet beschikt over andere opdrachtgevers dan Humby.\n\n5.24.. \n\nDe kantonrechter oordeelt als volgt. De Hoge Raad heeft bij voornoemd arrest voor het eerst invulling gegeven aan het begrip ondernemerschap als contra-indicatie voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst. Indien men kan aantonen zich als ondernemer te presenteren, als ondernemer gewerkt te hebben in het verleden en door de fiscus als zodanig behandeld wordt, zijn dit belangrijke contra-indicaties voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst.\n\nUit de maandelijkse facturen van [verweerder sub 1] blijkt dat [verweerder sub 2] , onder de naam [verweerder sub 1] , op het moment dat hij voor Humby werkzaamheden verrichtte, maar in ieder geval vanaf juli 2023, met zijn onderneming ingeschreven stond bij de Kamer van Koophandel. Daarnaast staat vast dat [verweerder sub 2] 25% van de aandelen bezit in Humby. [verweerder sub 2] heeft ook niet betwist jarenlang een onderneming gedreven te hebben onder [bedrijfsnaam X] in Azië. [verweerder sub 2] heeft verder niet betwist dat hij tijdens zijn werkzaamheden ook aandeelhouder en bestuurder was van Indexica B.V.\n\nUit productie 7 van Humby blijkt dat [verweerder sub 2] naast de uitvoering van zijn werkzaamheden uit de overeenkomst met Humby, in ieder geval ook in 2024 werkzaamheden uit naam van Indexica B.V. heeft verricht.\n\nBovendien heeft [verweerder sub 2] namens [verweerder sub 1] , zoals al is overwogen in overweging 5.19, btw in rekening gebracht en afgedragen aan de Belastingdienst, waaruit volgt dat hij zich naar buiten en naar de Belastingdienst toe als ondernemer heeft opgesteld.\n\nDe stelling van [verweerder sub 2] dat hij slechts één opdrachtgever heeft, zijnde Humby, is daarbij niet van doorslaggevende betekenis.\n\nUit het voorgaande volgt voldoende dat [verweerder sub 2] zich in het economisch verkeer als ondernemer gedraagt en dit ook voorheen al deed, hetgeen een aanwijzing vormt voor het bestaan van een overeenkomst van opdracht.\n\nConclusie\n\n5.25.. \n\nDe Hoge Raad heeft in het Deliveroo-arrest gekozen voor een zogenoemde holistische benadering van het kwalificatievraagstuk. Dat betekent dat alle omstandigheden van het geval in onderling verband bezien van belang zijn. Geen van deze factoren is doorslaggevend voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een arbeidsover-eenkomst.\n\nGelet op alle omstandigheden van dit geval, ook in onderling verband bezien, komt de kantonrechter tot de slotsom dat de tussen partijen gesloten overeenkomst niet kan worden aangemerkt als arbeidsovereenkomst.\n\nPartijen hebben zich naar het oordeel van de kantonrechter bij de inrichting van de overeenkomst (de overeengekomen rechten en plichten) en de wijze waarop zij aan de overeenkomst uitvoering hebben gegeven, meer als opdrachtgever en opdrachtnemer gedragen, dan als werkgever en werknemer.\n\n5.26.. \n\nNu geen sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen partijen, ligt het eerste verzoek van Humby tot verklaring voor recht dat tussen Humby en [verweerder sub 1] , althans [verweerder sub 2] , geen arbeidsovereenkomst heeft bestaan, voor toewijzing gereed. Het verzoek onder II en III komt niet voor beoordeling in aanmerking, nu niet aan de voorwaarde is voldaan dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst.\n\nHet tegenverzoek van [verweerder sub 1] onder I en II moeten worden afgewezen.\n\nProceskosten in het verzoek en in het tegenverzoek\n\n5.27.. \n\nHumby verzoekt de hoofdelijke veroordeling van [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] tot betaling van de volledige proceskosten. Volgens Humby is er sprake van misbruik van recht doordat zij in een procedure gedwongen wordt terwijl de uitkomst van de procedure in het voordeel van Humby wordt beslist. Dit verzoek kan niet worden toegewezen. Een proces-kostenveroordeling omvat in beginsel een forfaitaire vergoeding. Onder buitengewone omstandigheden kan de rechter echter een ruimere of zelfs volledige proceskostenveroordeling toekennen, bij misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Hiervan is sprake als het instellen van een vordering, gelet op de evidente onge-grondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven, wanneer de eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Daar is in dit geval geen sprake van.\n\nAls een partij in een procedure tegen beter weten in onware stellingen inneemt en daarmee de andere partij onnodig op kosten jaagt, kan er sprake zijn van onrechtmatig procederen. Daar is eveneens geen sprake van, althans dat is onvoldoende door Humby onderbouwd.\n\nDat betekent dat aan Humby een forfaitaire procesvergoeding zal worden toegekend.\n\n5.28.. \n\nDe proceskosten komen (hoofdelijk) voor rekening van [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] , omdat zij in het ongelijk zijn gesteld. De proceskosten aan de zijde van Humby worden begroot op € 1.084,00 (€ 135,00 aan griffierecht, € 814,00 aan salaris gemachtigde en € 135,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.\n\nDe kantonrechter ziet geen aanleiding voor het uitspreken van een aparte kostenveroor-deling in het zelfstandig tegenverzoek.\n\n6. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\nin het verzoek\n\n6.1.. verklaart voor recht dat tussen Humby en [verweerder sub 1] , althans [verweerder sub 2] , geen arbeidsovereenkomst heeft bestaan,\n\n6.2.. veroordeelt [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.084,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en de beschikking daarna wordt betekend,\n\n6.3.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,\n\nin het tegenverzoek\n\n6.4.. wijst het verzoek af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. A.H.M.J.F. Piëtte en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2025.\n\nMH","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2025:11921","2026-07-13T00:29:06.878Z",20]