[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-roermond-criminal-procedure-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":26,"total":16,"page":25,"limit":70},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},66,"Roermond","nl","roermond",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},84,"criminal-procedure-nl","Criminal Procedure","NL","2026-07-08T16:55:34.252Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},5,{"min":18,"max":19},"2024-07-19T00:00:00.000Z","2026-07-08T00:00:00.000Z",[21],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"124065","Wetboek van Strafvordering","art. 12",1,[27,37,45,53,62],{"id":28,"ecli":29,"slug":30,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":32,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":34,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":35,"updatedAt":36},"534","ECLI:NL:RBLIM:2026:6673","ecli-nl-rblim-2026-6673","","RECHTBANK LIMBURG\n\nZittingsplaats Roermond\n\nStrafrecht\n\nParketnummer : 03.227940.25\n\nTegenspraak\n\nVonnis van de meervoudige kamer d.d. 8 juli 2026\n\nin de strafzaak tegen\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 1997,\n\nthans verblijvende te [adres 1] .\n\nDe verdachte wordt bijgestaan door mr. L.M.J. de Ruiter, advocaat kantoorhoudende te Venlo.1. Onderzoek van de zaak\n\nDe zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 29 april 2026. De verdachte en haar raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. Vervolgens is op 8 juli 2026 het onderzoek ter terechtzitting gesloten.\n\n2. De tenlastelegging\n\nDe tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.\n\nDe verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte op 25 augustus 2025 een kussen tegen het gezicht van haar baby heeft gedrukt en zodoende heeft geprobeerd om haar baby te doden (primair). Deze handelswijze is subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegd als een poging tot zware mishandeling dan wel een mishandeling\n\n3. De beoordeling van het bewijs3.1. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de primair tenlastegelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend kan worden bewezen. Zij heeft hierbij verwezen naar de bekennende verklaring van de verdachte, de aangifte van haar partner en de berichten die zijn gestuurd in de groepsapp van de familie op Whatsapp.\n\nVoorts heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake was van een volledig verstoorde wil bij de verdachte, nu uit onderzoek is gebleken dat zij slechts verminderd en niet volledig ontoerekeningsvatbaar was.\n\n3.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft aangevoerd dat er bij de verdachte sprake was van een verstoorde wil, waardoor de wilscomponent ontbreekt, hetgeen reeds om die reden tot vrijspraak moet leiden. Daarnaast heeft de verdachte de aanmerkelijke kans op de dood, dan wel zwaar lichamelijk letsel niet bewust aanvaard. Haar handelen was immers een uiting van onmacht, waardoor vrijspraak moet volgen voor het primair en subsidiair tenlastegelegde feit.\n\nDe verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het meer subsidiair tenlastegelegde feit.3.3. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe bewijsmiddelen\n\n [naam 1] , de vader van [naam 2]heeft namens hem aangifte gedaan en heeft – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende verklaard:\n\nIk doe aangifte van poging doodslag.\n\nOns gezin bestaat uit mijn partner [verdachte] , mijn dochter [naam 3] (2 jaar) en mijn zoontje [naam 2] die geboren is op [geboortedatum 2] 2025. Wij wonen met zijn vieren op de [adres 2] , binnen de gemeente Venlo.\n\nOp 25 augustus 2025, om 17:45 uur, kwam [verdachte] naar beneden. Ik zat op de bank. [naam 2] lag in de box. Ik zag dat [verdachte] om de box liep naar de bank. Ik zag dat [verdachte] van de rechterhoek van de bank een kussen vastpakte. Ik zag dat [verdachte] het kussen vasthad met beide handen. Ik zag dat [verdachte] terugliep naar de box. Ik zag dat [verdachte] voor de box stond. Ik zag dat [naam 2] in het midden van de box lag. Ik zag dat [verdachte] voorovergebogen bij de box stond. Ik zag dat [verdachte] het kussen in een snelle beweging liet zakken. Ik zag dat [verdachte] met beide handen, het kussen tegen het gezicht van [naam 2] drukte. Ik zag dat [verdachte] het kussen hard drukte op het gezicht van [naam 2] . Dit zag ik doordat [verdachte] hard kneep in het kussen. Ze had witte knokkels en ik zag dat het matras\u002Fmatje werd ingedrukt. Ik hoorde dat ze niets zei. Ik zei: “Niet doen!” Ik zag dat [naam 2] met zijn beentjes begon te spartelen. Ik hoorde dat [naam 2] geen geluid maakte. Ik ben erop gevlogen om het te stoppen. Ik denk dat ik binnen ongeveer 4 seconden bij de box stond. Ik zag dat [verdachte] het kussen hard op het gezicht van [naam 2] bleef duwen en dat [naam 2] nog steeds spartelde met zijn benen. Ik heb [verdachte] vervolgens geslagen op haar rug, om het te stoppen. Ik zag dat [verdachte] niet stopte. Ik heb [verdachte] toen nogmaals geslagen. Ik sloeg haar tegen haar arm en of zij. Ik zag dat [verdachte] toen nog niet stopte. Ik heb toen nogmaals geslagen tegen haar arm en of zij. Daarna heb ik haar weggeduwd van de box. Ik denk dat dit ongeveer 8 tot 10 seconden heeft geduurd. Ik heb toen zelf het kussen van het gezicht van [naam 2] gehaald. Ik heb [naam 2] opgetild, want ik hoorde dat hij hard aan het huilen was. Dit klonk anders dan normaal. Ik heb dit ervaren als een paniek huil. Ik zag dat de tranen over zijn wangen rolden. Ik zag dat [naam 2] harder dan normaal ademde. Ik hoorde dat [naam 2] aan een stuk bleef huilen.\n\nIk was heel angstig dat [naam 2] iets zou overkomen. Ik kan niet inschatten of ze ermee was gestopt of dat ze het had doorgezet.\n\nVerbalisant [naam 4], die op 25 augustus 2025 aanwezig was bij de aanhouding van de verdachte, relateerde in het proces-verbaal van aanhouding van de verdachte:\n\nIk vroeg aan [verdachte] : \"Ik heb gehoord dat jij een kussen op het gezicht van [naam 2] had gedrukt. Klopt dat?\" Ik hoorde dat [verdachte] zei: \"Ja dat klopt.\" Ik zag dat ze dit zei zonder emotie. Ik zei: \"Wilde je hem dood maken?” Ik hoorde dat [verdachte] zei: “Ja, dat kan best.”\n\nDe verdachteheeft tijdens haar eerste verhoor bij de politie onder meer het volgende verklaard:\n\nOp 25 augustus 2025 knapte er iets in mij en toen heb ik het kussen op het hoofd van mijn jongste kind, [naam 2] , geduwd. [naam 1] duwde mij weg en ik begon te schreeuwen. Ik heb het kussen een paar seconden op zijn hoofd geduwd.\n\nTijdens haar tweede verhoor bij de politie heeft de verdachtehet volgende verklaard:\n\nV: Je dochtertje zat bij je he?\n\nA: Ze zat bij mij op de schoot.\n\nV: Waarom richtte je je niet tot haar in plaats van op je zoontje?\n\nA: Omdat hij zich nog niet kan verweren, dus dan is het makkelijker.\n\nV: Wat was dan makkelijker?\n\nA: Om me daar op af te reageren omdat hij zich toch niet kan verweren.\n\nV: Wat ging er door je heen toen je naar de box liep?\n\nA: Ik weet niet meer precies, het was alsof ik dat moest doen om overal vanaf te zijn.\n\n(…)\n\nV: Gisteren kwam het ‘achter het behang plakken’ ter sprake. Dat we dit gevoel allemaal wel kennen. Wanneer heb je voor het eerst gedacht je zoontje echt wat aan te willen doen? We bedoelen dus het gevoel dat verder gaat dan 'achter het behang plakken’.\n\nA: Ik heb het wel eens gedacht, maar niet tot actie om gezet.\n\nV: Wanneer heb je dit voor het eerst gedacht?\n\nA: Een paar weken terug.\n\nV: Hoe zagen die gedachtes eruit?\n\nA: Als dit zo door blijft gaan, dan doe ik hem dadelijk iets aan.\n\nBewijsoverwegingen\n\nDe rechtbank stelt op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting vast dat de verdachte op 25 augustus 2025 in haar woning een kussen op het gezicht van haar baby heeft gedrukt en gedrukt heeft gehouden. De partner van de verdachte heeft haar moeten wegduwen en slaan om haar te laten stoppen.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank kan deze gedraging, gelet op haar uiterlijke verschijningsvorm, worden aangemerkt als een gedraging die is gericht op het beëindigen van het leven van het slachtoffer. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het een feit van algemene bekendheid is dat het drukken van een kussen op het hoofd de ademhaling belemmert en tot verstikking kan leiden. Dit geldt in het bijzonder voor een baby van zes maanden oud, die vanwege diens fysieke kwetsbaarheid en afhankelijkheid in het geheel niet in staat is zich aan een dergelijke situatie te onttrekken.\n\nDe rechtbank leidt uit deze uiterlijke verschijningsvorm af dat de verdachte op zijn minst voorwaardelijk opzet had op de dood van haar baby. De rechtbank slaat daarbij ook acht op de uitlatingen die de verdachte tegenover de politie heeft gedaan dat het best zou kunnen dat zij haar zoontje op dat moment wilde dood maken, dat zij sinds een paar weken gedachtes had dat zij haar zoontje iets aan kon doen en dat zij zich bewust tot haar zoontje richtte, omdat hij zich nog niet kan verweren.\n\nDe raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verdachte handelde vanuit een geestelijke stoornis, waardoor sprake zou zijn geweest van een verstoorde wilsvorming. De rechtbank overweegt dienaangaande dat uit de onder 5 nader te noemen triple rapportage naar de persoon van de verdachte weliswaar volgt dat zij leed aan een psychische stoornis, maar dat niet is gebleken dat deze stoornis haar wilsvrijheid zodanig heeft aangetast dat zij niet in staat was haar wil te bepalen of overeenkomstig die wil te handelen. Dat de verdachte nog in staat was om bewuste keuzes te maken, blijkt bovendien reeds uit de omstandigheid dat zij zich tot haar zoontje richtte omdat hij zich nog niet kan verweren. Dat de verdachte mogelijk vanuit haar stoornis heeft gehandeld, maakt niet dat haar wil volledig was uitgeschakeld.\n\nDe rechtbank verwerpt daarom het verweer en acht de poging tot doodslag zoals primair ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen.3.4. \n\nDe bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht bewezen dat de verdachte\n\nPrimair\n\nop 25 augustus 2025 in de gemeente Venlo ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [naam 2] (geboren op [geboortedatum 2] 2025) van het leven te beroven, een kussen tegen het gezicht van die [naam 2] heeft gedrukt en gedrukt gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.\n\nDe rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:\n\nPrimair\n\nPoging tot doodslag.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.\n\n5. De strafbaarheid van de verdachte\n\nGZ-psycholoog dhr. T. ’t Hoen, psychiater mw. C.M.A. Matton en forensisch milieuonderzoeker dhr. D.A. de Ruiter hebben op 18 december 2025 een triple rapportage uitgebracht over de persoon van de verdachte. In genoemd rapport is vermeld dat de verdachte een zeer kwetsbare, gesloten en getraumatiseerde vrouw is, bij wie een forse scheefgroei in haar persoonlijkheids- en identiteitsontwikkeling wordt gezien waarvoor de basis al is gelegd in haar problematische en belaste jeugd. Er is sprake van een op de voorgrond staande borderline-persoonlijkheidsstoornis. Daarnaast is bij de verdachte terugkerend sprake van een mengbeeld van stemmingsklachten en trauma-gerelateerde klachten, die ook in aanloop naar het feit op de voorgrond kwamen. Tevens kan er volgens de deskundigen worden gesproken van een stoornis in het gebruik van speed (amfetamine), licht van aard en thans in remissie in de gereguleerde omgeving van detentie.\n\nVolgens de deskundigen was van bovenstaande stoornissen ook sprake ten tijde van het tenlastegelegde feit en werden de gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het tenlastegelegde feit ook door de psychische stoornissen beïnvloed.\n\nIn aanloop naar het tenlastegelegde feit liepen de spanningen en psychische problemen bij de verdachte steeds meer op. Haar draagkracht schoot steeds meer tekort om de toenemende draaglast het hoofd te bieden, wat leidde tot een sterke toename van psychische klachten in de vorm van forse spannings- en stemmingsklachten (waaronder prikkelbaarheid). Doordat de spanningen en problemen bleven aanhouden en zelfs toenamen, lukte het haar niet langer om de afgesplitste woede en agressie te controleren. Dit kwam al tot uiting in de toenemende woede en agressie jegens zichzelf in de vorm van automutilatie en suïcidaliteit. Daarnaast lijkt de afgesplitste woede ook naar buiten te zijn geslagen in de vorm van de agressieve impulsdoorbraak jegens haar paar maanden oude zoontje. De verdachte was al met al als gevolg van haar ernstige persoonlijkheidspathologie op dat moment onvoldoende in staat om haar gedrag op een gezondere wijze bij te sturen en andere gedragskeuzes te maken. De deskundigen adviseren daarom het feit in verminderde mate toe te rekenen.\n\nOp grond van dit rapport is de rechtbank van oordeel dat het bewezenverklaarde feit in verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend, omdat zij het feit heeft begaan onder invloed van een ziekelijke stoornis van haar geestvermogens.\n\nGelet op het voorgaande is er géén sprake van een omstandigheid die de strafbaarheid van de verdachte voor het bewezenverklaarde in het geheel uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\n6. De straf en de maatregel6.1. \n\nDe vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie gaat ervan uit dat het feit in verminderde mate aan de verdachte is toe te rekenen. Daarnaast heeft zij in acht genomen dat het een zeer ernstig feit betreft, waar normaliter lange gevangenisstraffen tegenover staan. Zij heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren met aftrek van het voorarrest en daarnaast de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met de voorwaarden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd. Overeenkomstig het reclasseringsadvies heeft zij gevorderd om de aan de tbs te verbinden voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren en om de voorlopige hechtenis te schorsen onder dezelfde voorwaarden. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd om een gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen, zoals bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).6.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verdachte gebaat is bij hulp en behandeling en acht tbs met voorwaarden een passende sanctie. Wel heeft zij verzocht om te volstaan met een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest van de verdachte.6.3. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nBij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.\n\nDe ernst van het feit\n\nDe verdachte heeft een zeer ernstig feit gepleegd door een kussen op het gezicht van haar zes maanden oude baby te drukken en gedrukt te houden. Daarmee heeft zij de gezondheid en het leven van haar baby ernstig in gevaar gebracht. [naam 2] was als jonge baby compleet weerloos en volledig afhankelijk van de zorg en bescherming van zijn ouders. Door zo te handelen heeft de verdachte op grove wijze inbreuk gemaakt op haar ouderlijke plicht om haar baby te verzorgen en te beschermen en zich te onthouden van elk handelen dat het kind schade kan berokkenen. Dat het handelen van de verdachte geen blijvend letsel of het overlijden van de baby heeft veroorzaakt, is alleen te danken aan het ingrijpen van haar partner.\n\nDe rechtbank heeft er oog voor dat de verdachte heeft gehandeld vanuit frustraties en onmacht die een oorzaak vinden in haar trauma’s en stoornis. Dat kan helpen verklaren hoe het tot dit handelen is gekomen, maar rechtvaardigt het gedrag niet. Juist in zulke situaties mag van een moeder worden verwacht dat zij hulp zoekt of afstand neemt, in plaats van haar kind in gevaar te brengen.\n\nZoals reeds onder 5 is uiteengezet, komt de rechtbank op basis van de daar genoemde triple rapportage wel tot de conclusie dat het bewezenverklaarde verminderd aan de verdachte moet worden toegerekend, omdat de gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het bewezenverklaarde feit door de psychische stoornissen van de verdachte werden beïnvloed. De rechtbank zal daar rekening mee houden bij het bepalen van de op te leggen straf en maatregelen.\n\nDe straf\n\nDe rechtbank is van oordeel dat gelet op de ernst van het feit geen andere straf passend is dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank weegt in het voordeel van de verdachte mee, dat zij van het begin af aan openheid van zaken heeft gegeven en ook ten volle heeft meegewerkt aan het triple onderzoek. Omdat de rechtbank van oordeel is dat in deze zaak de focus op de behandeling van de verdachte dient te liggen, zal zij de gevangenisstraf beperken tot een straf gelijk aan de duur van het voorarrest en aan de verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 268 dagen. Omdat de voorlopige hechtenis van de verdachte inmiddels al is geschorst onder dezelfde voorwaarden als geadviseerd in het kader van de tbs met voorwaarden, betekent dat dat de verdachte niet meer terug naar de gevangenis hoeft.\n\nDe maatregel van terbeschikkingstelling\n\nIndien het bewezenverklaarde feit een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, de rechtbank tot het oordeel komt dat de verdachte ten tijde van het begaan van het bewezenverklaarde feit leed aan een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens en de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen dat eist, kan de rechtbank gelasten dat een verdachte ter beschikking wordt gesteld.\n\nHet bewezenverklaarde feit is een misdrijf waarop een gevangenisstraf van meer dan vier jaar is gesteld en hiervoor heeft de rechtbank al geconcludeerd dat de verdachte ten tijde van het begaan van het bewezenverklaarde leed aan een ziekelijke stoornis van haar geestvermogens. Ten aanzien van het risico voor de algemene veiligheid van personen of goederen (het recidiverisico) en de behandelmogelijkheden, komt in de triple rapportage naar voren dat bij de verdachte een matig risico aanwezig is op herhaling van een soortgelijk feit. De deskundigen achten een langdurige, intensieve behandeling binnen een forensische kliniek noodzakelijk om dat risico terug te dringen. Deze behandeling dient zich te richten op de borderlinepersoonlijkheidsstoornis van de verdachte en de bijkomende psychische klachten en symptomen. Middels behandeling dient het inzicht van de verdachte in haar emotionele binnenwereld te worden vergroot, moet er aandacht zijn voor haar emotieregulatie en het versterken van haar copingvaardigheden. De deskundigen adviseren om aan de verdachte een tbs-maatregel op te leggen. Zij zien enkele aanknopingspunten voor het opleggen van tbs met voorwaarden, maar zien hier ook de beperkingen van. Zij hebben namelijk zorgen of de verdachte een dergelijk intensief en langdurig behandeltraject aankan. De deskundigen hebben uiteindelijk geadviseerd om de reclassering onderzoek te laten doen naar de haalbaarheid van een tbs met voorwaarden.\n\nDe reclassering heeft op 12 maart 2026 advies uitgebracht. De reclassering schat het risico dat de verdachte zich zal onttrekken aan de voorwaarden in als laag, maar spreekt wel haar twijfels uit over het antwoord op de vraag in hoeverre de verdachte zich vanuit haar ernstige persoonlijkheidspathologie langdurig weet te conformeren aan een ingrijpende en intensieve behandeling. Desalniettemin acht zij een tbs met voorwaarden wel uitvoerbaar. De reclassering heeft daarom geadviseerd om in dat kader aan de verdachte onder meer de volgende voorwaarden op te leggen: meewerken aan reclasseringstoezicht, meewerken aan een time-out, opname in een zorginstelling, ambulante behandeling, verblijf in beschermd\u002Fbegeleid wonen, meewerken aan ambulante gezinsbegeleiding en een alcohol- en verdovende middelen verbod.\n\nDe rechtbank is op basis van de triple rapportage en het advies van de reclassering van oordeel dat adequate zorg rondom de verdachte opgezet zal moeten worden om te voorkomen dat zij niet of onvoldoende behandeld terugkeert in de maatschappij en om ervoor te zorgen dat zij langere tijd behandeld en gemonitord wordt.\n\nDe rechtbank stelt vast dat is voldaan aan de genoemde wettelijke vereisten om de maatregel van tbs met voorwaarden te kunnen opleggen en zal ter bescherming van de veiligheid van anderen de voorwaarden betreffende het gedrag van de verdachte opleggen, zoals benoemd in het advies van de reclassering. De verdachte heeft zich bereid verklaard tot naleving van deze voorwaarden. Uit de rapporten en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat zij het liefst zo snel mogelijk dient te beginnen met de klinische behandeling bij de Rooyse Wissel. Daarom heeft de rechtbank op de zitting van 29 april 2026 de voorlopige hechtenis geschorst met ingang van het moment dat deze behandeling is aangevangen onder dezelfde voorwaarden als geadviseerd door de reclassering in het kader van de tbs met voorwaarden.\n\nDe rechtbank stelt voorts vast dat deze maatregel wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.\n\nDadelijke uitvoerbaarheid\n\nDe rechtbank zal bevelen dat de tbs met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is, omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte zonder directe intensieve behandeling en begeleiding zal terugvallen in gedrag dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.\n\nDe gedrag beïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel\n\nMede gelet op de inschatting van de deskundigen en de reclassering en hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat het creëren van een mogelijkheid om de verdachte, ook na beëindiging van de tbs met voorwaarden, langdurig onder toezicht te stellen, noodzakelijk is om het recidiverisico in de toekomst naar een aanvaardbaar risico te kunnen terugdringen c.q. op een aanvaardbaar niveau te houden. Aan de wettelijke voorwaarden voor oplegging van de maatregel is voldaan. De rechtbank legt daarom de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking ex artikel 38z Sr op aan de verdachte.\n\n7. De wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing berust op de artikelen 37a, 38, 38a, 38z, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.\n\n8. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart het primair tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;\n\nspreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;\n\nStrafbaarheid\n\nverklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvan268 dagen;\n\nbeveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrestis doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\nMaatregel\n\ngelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld met voorwaarden;\n\nstelt ter bescherming van de veiligheid van anderen de volgende voorwaarden:\n\na. De veroordeelde werkt mee aan reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:\n\n De veroordeelde meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is.\n\n De veroordeelde laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. Dit is nodig om de identiteit van de verdachte vast te stellen.\n\n De veroordeelde houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om de verdachte te helpen bij het naleven van de voorwaarden.\n\n De veroordeelde helpt de reclassering aan een actuele foto waarop haar gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid.\n\n De veroordeelde werkt mee aan huisbezoeken.\n\n De veroordeelde geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en\u002Fof behandeling door andere instellingen of hulpverleners.\n\n De veroordeelde vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering.\n\n De veroordeelde werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met de verdachte, als dat van belang is voor het toezicht.\n\n De veroordeelde laat zich opnemen in en behandelen door de Rooyse Wissel of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zo spoedig mogelijk en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De opname duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijk wonen gewenst vindt, werkt de veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing;\n\n De veroordeelde laat zich – na afloop van een klinische behandeling – behandelendoor een nader te bepalenforensische polikliniek of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, cognitieve vaardigheden en sociale vaardigheden. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken;\n\n De veroordeelde verblijft na afloop van een klinische behandeling, indien nodig, gedurende de proefperiode of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, in een nader te bepalen begeleid of beschermd woneninstelling of een soortgelijke instelling, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;\n\n Als de reclassering dat nodig vindt en de veroordeelde daarmee instemt, kan de veroordeelde voor een time-outworden opgenomen in een forensisch psychiatrisch centrum (fpc) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of de veroordeelde deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar;\n\n De veroordeelde gaat niet naar het buitenlandof het Caribisch gebied van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering;\n\n De veroordeelde gebruikt geen verdovende middelengenoemd in lijst I (harddrugs), en\u002Fof lijst II (softdrugs) en\u002Fof geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De veroordeelde moet meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek\u002Fademonderzoek\u002Fspeekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;\n\n De veroordeelde gebruikt geen alcohol, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De veroordeelde moet meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek\u002Fademonderzoek\u002Fspeekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;\n\n De veroordeelde werkt, zolang de reclassering dit nodig acht, mee aan ambulante gezinsbegeleiding en\u002Fof jeugdbeschermingen houdt zich aan de afspraken met de betrokken hulpverlening. In het belang van de veiligheid van de veroordeelde zelf, de partner en de kinderen van de veroordeelde, is de veroordeelde open over haar psychische gesteldheid richting hulpverlening en de reclassering. De reclassering en de hulpverlening hebben overleg met elkaar;\n\nToezicht\n\n- geeft opdracht aan de reclassering om toezichtte houden op de naleving van de voorwaarden en de ter beschikking gestelde ten behoeve daarvan te begeleiden;\n\nDadelijke uitvoerbaarheid\n\n- beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden, dadelijk uitvoerbaaris;Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel\n\n- legt aan de veroordeelde op de maatregelstrekkende totgedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking(artikel 38z Sr).\n\nDit vonnis is gewezen door mr. L. Feuth, voorzitter, mr. M.J.A.G. van Baal en mr. R.M.M. Menting, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Z. Houkes, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 8 juli 2026.\n\nBuiten staat\n\nMr. Menting is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.\n\nBIJLAGE: De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd dat\n\nPrimair:\n\nzij op of omstreeks 25 augustus 2025 in de gemeente Venlo\n\nter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om\n\nopzettelijk een ander, te weten [naam 2] (geboren op [geboortedatum 2] 2025)\n\nvan het leven te beroven, een kussen tegen het gezicht van die [naam 2] heeft\n\ngedrukt en\u002Fof gedrukt gehouden terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf\n\nniet is voltooid;\n\nSubsidiair:\n\nzij op of omstreeks 25 augustus 2025 in de gemeente Venlo\n\nter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te\n\nweten [naam 2] (geboren op [geboortedatum 2] 2025) opzettelijk zwaar lichamelijk\n\nletsel toe te brengen een kussen tegen het gezicht van die [naam 2] heeft gedrukt\n\nen\u002Fof gedrukt gehouden terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is\n\nvoltooid,\n\nterwijl verdachte dit misdrijf beging tegen haar kind;\n\nMeer subsidiair:\n\nzij op of omstreeks 25 augustus 2025 in de gemeente Venlo\n\n [naam 2] (geboren op [geboortedatum 2] 2025) heeft mishandeld, door een kussen\n\ntegen het gezicht van die [naam 2] te drukken en\u002Fof gedrukt te houden, terwijl\n\nverdachte dit misdrijf beging tegen haar kind.\n\n Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2300-2025143771, gesloten d.d. 30 oktober 2025, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 182.\n\n Het proces-verbaal van aangifte van [naam 1] mede namens [naam 2] van 25 augustus 2025, pg. 15 en 16.\n\n Het proces-verbaal van aanhouding verdachte van 26 augustus 2025, pg. 144 en 145.\n\n Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] van 26 augustus 2025, pg. 162 en 163.\n\n Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] van 27 augustus 2025, pg. 166-168.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6673","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:35.466Z",{"id":38,"ecli":39,"slug":40,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":41,"fullText":42,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":43,"sourceTimestamp":41,"parsedAt":35,"updatedAt":44},"1318","ECLI:NL:RBLIM:2026:6631","ecli-nl-rblim-2026-6631","2026-07-07T00:00:00.000Z","RECHTBANK LIMBURG\n\nZittingsplaats Roermond\n\nStrafrecht\n\nParketnummer : 03.109661.25\n\nTegenspraak, na aanhouding verschenen\n\nVonnis van de meervoudige kamer d.d. 7 juli 2026\n\nin de strafzaak tegen\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987,\n\nthans gedetineerd in [verblijfplaats] .\n\nDe verdachte wordt bijgestaan door mr. N.C.M.L. Bloebaum, advocaat kantoorhoudende te Maastricht.\n\n1. Onderzoek van de zaak\n\nDe zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 23 juni 2026. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.\n\nDe benadeelde partij [slachtoffer] is niet op zitting verschenen. Namens de benadeelde partij is op de zitting gehoord mr. S.L.T.A. Scheepers, advocaat kantoorhoudende te Venlo.\n\nNamens de benadeelde partij [naam cafetaria] is niemand op zitting verschenen.\n\nDe rechtbank heeft de vorderingen tot schadevergoeding behandeld.\n\n2. De tenlastelegging\n\nDe tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:\n\nFeit 1:op 8 april 2025 heeft geprobeerd om [slachtoffer] (al dan niet met voorbedachten rade) te doden dan wel (al dan niet met voorbedachten rade) heeft geprobeerd om hem zwaar te mishandelen.\n\nFeit 2:op 12 maart 2025 heeft geprobeerd om [slachtoffer] (al dan niet met voorbedachten rade) te doden dan wel (al dan niet met voorbedachten rade) heeft geprobeerd om hem zwaar te mishandelen.\n\nFeit 3:op 8 april 2025 een deur van [naam cafetaria] heeft vernield.\n\n3. De beoordeling van het bewijs3.1. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair tenlastegelegde als poging tot moord bewezen kan worden verklaard. De verdachte heeft bewust de aanmerkelijke kans op dodelijk letsel aanvaard door meermalen met kracht met een ijzeren staaf op het hoofd te slaan. Daarnaast is sprake van voorbedachte raad, nu de verdachte zich gedurende ongeveer een kwartier heeft kunnen beraden op zijn voorgenomen besluit, in die tijd rugdekking heeft geregeld en vervolgens bewapend op zoek is gegaan naar [slachtoffer] .\n\nTen aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van het primair tenlastegelegde moet worden vrijgesproken, omdat op basis van de camerabeelden niet kan worden vastgesteld dat de verdachte met een ijzeren staaf met kracht op het hoofd van [slachtoffer] heeft geslagen en het hoofdletsel van [slachtoffer] daarvan afkomstig moet zijn. Enkel kan worden vastgesteld dat de verdachte [slachtoffer] op zijn arm en schouder heeft geraakt met de ijzeren staaf. Daarmee was geen sprake van een aanmerkelijke kans op dodelijk letsel, maar wel op zwaar lichamelijk letsel. Deze heeft de verdachte ook bewust aanvaard, reden waarom het onder 2 subsidiair tenlastegelegde feit volgens de officier van justitie wel bewezen kan worden verklaard. Ook hier is sprake van voorbedachte raad, nu de verdachte voldoende tijd heeft gehad om zich te beraden op zijn voorgenomen besluit en vervolgens bewapend op pad is gegaan.\n\nTot slot heeft de officier van justitie gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 3 tenlastegelegde feit.3.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nMet betrekking tot feit 1 heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de vraag of het handelen van de verdachte een poging tot doodslag oplevert. Van voorbedachte raad is echter geen sprake. De verdachte dient daarvan partieel te worden vrijgesproken omdat hij heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Daarbij heeft de raadsvrouw ook gewezen op de deskundigenrapportages waaruit onder meer volgt dat de bij de verdachte geconstateerde problematiek maakt dat hij impulsief handelt.\n\nMet betrekking tot het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde feit heeft de verdediging verzocht de verdachte vrij te spreken. Niet kan worden vastgesteld dat de verdachte [slachtoffer] met de ijzeren staaf een klap op het hoofd heeft gegeven, nu dit niet is te zien op de camerabeelden en de arm waarin de verdachte de staaf vast heeft wel in beeld blijft. De verdachte herinnert zich dat [slachtoffer] tegen een kast of een deur is gevallen. Dat zou een mogelijke oorzaak kunnen zijn van de wond op het achterhoofd van [slachtoffer] . Er kan slechts worden vastgesteld dat de verdachte één klap heeft gegeven op de linkerarm of het linker schouderblad van [slachtoffer] . Een enkele klap op die plaats van het lichaam kan niet leiden tot een poging tot zware mishandeling of een poging tot doodslag. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat ook van voorbedachte raad geen sprake kan zijn.\n\nTen aanzien van feit 3 heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\n3.3. Het oordeel van de rechtbank\n\nVrijspraakoverweging feit 2\n\nDe rechtbank stelt op basis van de camerabeelden vast dat de verdachte op 12 maart 2025 achter [slachtoffer] is aangerend met een ijzeren staaf en hem vervolgens met die staaf eenmaal heeft geslagen op zijn rug\u002Fschouder, waarna [slachtoffer] een winkel binnenrent.\n\nVervolgens is de verdachte met de ijzeren staaf in de rechterhand in de deuropening van de winkel blijven staan. Met de officier van justitie en de raadsvrouw heeft de rechtbank ter zitting op grond van de camerabeelden waargenomen dat de verdachte gedurende de tijd dat hij in de deuropening heeft gestaan geen slaande beweging heeft gemaakt. De rechtbank merkt daarbij op dat als de verdachte op dat moment [slachtoffer] geslagen zou hebben die slaande beweging deels zichtbaar zou moeten zijn geweest op de camerabeelden, omdat de verdachte de staaf in zijn rechterhand had en de rechterschouder en\u002Fof arm nagenoeg steeds in beeld is geweest. De zeer korte tijd waarin dit niet het geval is, is zo kort dat de slaande beweging op het hoofd, waarover [slachtoffer] heeft verklaard, niet in die tijd heeft kunnen plaatsvinden, mede gelet op de houding van het bovenlichaam van de verdachte dat steeds in beeld blijft.\n\nOp een gegeven moment is te zien dat de verdachte wegloopt uit de deuropening. Even later komt [slachtoffer] naar buiten. Op dat moment is een bloedende hoofdwond aan de achterzijde van zijn hoofd zichtbaar.\n\n [slachtoffer] heeft tot driemaal toe verklaard dat hij vlak na de slag tegen de rug\u002Fschouder ook op het hoofd is geslagen met de ijzeren staaf door de verdachte, dat dat pijn deed en bloedde en dat hij daar de hoofdwond aan heeft overgehouden. Op grond van voorgaande vaststellingen omtrent de camerabeelden komt de rechtbank tot de conclusie dat het tijdstip waarop de verdachte volgens [slachtoffer] op zijn hoofd heeft geslagen niet kan kloppen. Daar komt bij dat [slachtoffer] tijdens zijn verklaringen niet heeft verklaard dat hij op enig ander moment op het hoofd zou zijn geraakt.\n\nAlhoewel duidelijk is dat [slachtoffer] een bloedende hoofdwond heeft opgelopen, valt niet met voldoende mate van zekerheid vast te stellen dat dit het gevolg is geweest van het handelen van de verdachte. Op de camerabeelden is immers ook te zien hoe [slachtoffer] tegen een deur aanloopt als hij de winkel invlucht. De winkelmedewerker die daar destijds aan het werk was heeft ook niet verklaard dat [slachtoffer] bij het binnengaan of gedurende de tijd die hij heeft doorgebracht in de winkel met de ijzeren staaf op het hoofd is geslagen. Dit terwijl wel is verklaard over het lopen tegen de deur. Gezien al het voorgaande zal de rechtbank de verdachte vrijspreken van het primair tenlastegelegde.\n\nTen aanzien van de subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling overweegt de rechtbank dat de verdachte heeft verklaard dat het niet zijn bedoeling was om [slachtoffer] zwaar te mishandelen en dat evenmin kan worden geoordeeld dat naar de uiterlijke verschijningsvorm sprake is van vol opzet. Een enkele slag met een ijzeren staaf op de rug\u002Fschouder levert naar het oordeel van de rechtbank ook geen aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel op, waardoor er geen sprake is van voorwaardelijk opzet. Nu het opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel ontbreekt, dient de verdachte ook van het subsidiair tenlastegelegde vrijgesproken te worden.\n\nGezien het voorgaande zal de rechtbank de verdachte integraal vrijspreken van feit 2.\n\nBewijsmiddelen ten aanzien van feit 1\n\nDe rechtbank zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), nu de verdachte het bewezenverklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit.\n\nDe rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte meerdere malen met een ijzeren staaf op\u002Ftegen het hoofd van [slachtoffer] heeft geslagen, op grond van:\n\nde bekennende verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 23 juni 2026;\n\nde aangifte van [slachtoffer] van 8 april 2025;\n\n- de beschrijving van de camerabeelden door verbalisant [verbalisant 1] van 9 april 2025;\n\n- de bevindingen van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] tijdens de aanhouding van de verdachte op 8 april 2025.\n\nOverwegingen van de rechtbank ten aanzien van feit 1\n\nDe rechtbank dient de vraag te beantwoorden hoe het handelen van de verdachte juridisch moet worden gekwalificeerd.\n\nOpzet op de dood\n\nDe rechtbank dient allereerst te beoordelen of de verdachte met zijn gedragingen het opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] . Er is sprake van ‘vol opzet’ indien willens en wetens wordt gehandeld, dat wil zeggen indien een bepaald gevolg – in dit geval de dood van [slachtoffer] – wordt beoogd. Uit de camerabeelden blijkt dat de verdachte, met in zijn rechterhand een langwerpig, grijs voorwerp, naar de toegangsdeur van de cafetaria rent waar [slachtoffer] zich bevindt en naar binnen rent naar die [slachtoffer] toe, hem vastpakt en meerdere keren met kracht met een ijzeren voorwerp richting [slachtoffer] slaat, waaronder meermalen met kracht op zijn hoofd. Bij een van die slagen heeft de verdachte het ijzeren voorwerp met beide handen vast, terwijl hij dit tot boven zijn schouders heeft geheven om vervolgens met kracht te slaan tegen het hoofd van [slachtoffer] . Als [slachtoffer] daarna op de grond belandt, gaat de verdachte boven hem staan en blijft op eenzelfde wijze doorgaan met het slaan van [slachtoffer] . De uiterlijke verschijningsvorm van dit handelen kan niet anders worden uitgelegd als zijnde gericht op de dood van [slachtoffer] . Daar komt bij dat uit de verklaring van [slachtoffer] blijkt dat de verdachte tijdens het slaan tegen hem heeft gezegd dat hij hem dood gaat maken. Tijdens zijn aanhouding heeft de verdachte bovendien tegenover de politieambtenaren verklaard dat het de eigen schuld van [slachtoffer] was, dat hij het niet erg vond om hiervoor te gaan zitten en dat hij hem liever dood had geslagen. Gelet op deze feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de verdachte vol opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] .\n\nPartiële vrijspraak voorbedachte raad\n\nDe vraag waarvoor de rechtbank zich vervolgens gesteld ziet, is of de verdachte voorafgaand aan het slaan met de ijzeren staaf voldoende tijd en gelegenheid heeft gehad voor beraad en bezinning. Deze vraag beantwoordt de rechtbank ontkennend. De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij het gewicht moet worden bepaald van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De enkele vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar is op zichzelf onvoldoende om te concluderen dat er sprake is van voorbedachte raad en hoeft de rechtbank er bovendien niet van te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.\n\nDe verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij het besluit om [slachtoffer] met de ijzeren staaf te slaan heeft genomen op het moment dat hij bij de cafetaria arriveerde en uit de auto stapte. De ijzeren staaf zou volgens de verdachte al op de achterbank van de auto hebben gelegen. Uit het dossier blijkt niet dat de verdachte eerder dan dat moment het plan zou moeten hebben opgevat om [slachtoffer] op zijn hoofd te slaan met het ijzeren voorwerp. Dat de rest van het gereedschap door de politie is aangetroffen in de kofferbak van het voertuig van de verdachte, maakt naar het oordeel van de rechtbank immers niet dat het ijzeren voorwerp daarom niet op de achterbank had kunnen liggen zoals door de verdachte is verklaard. Zodoende kan niet worden vastgesteld dat het besluit van de verdachte om [slachtoffer] met een ijzeren staaf op zijn hoofd te slaan zo ver voor het feit is genomen dat de verdachte voldoende tijd heeft gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn handelen en zich daarvan rekenschap te geven. De rechtbank is bovendien van oordeel dat het dossier meer aanknopingspunten bevat dat de verdachte heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Zijn handelen is kennelijk getriggerd door het telefoontje dat hij van [verbalisant 1] ontving, waarna hij geëmotioneerd in de auto is gestapt en een al bij hem aanwezig familielid met hem mee is gegaan.\n\nGelet op deze feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de besluitvorming en de uitvoering in een zodanig korte tijdspanne hebben plaatsgevonden dat niet kan worden bewezen dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. De verdachte wordt daarom partieel vrijgesproken van het bestanddeel ‘met voorbedachte raad’.\n\nConclusie\n\nGelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte zich op 8 april 2025 schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag. Van het meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken.\n\nBewijsmiddelen ten aanzien van feit 3\n\nDe rechtbank zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), nu de verdachte het tenlastegelegde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit.\n\nDe rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan vernieling van een (tussen)deur van [naam cafetaria] , op grond van:\n\nde bekennende verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 23 juni 2026;\n\nde aangifte van [aangever] van 8 april 2025;\n\n- de beschrijving van de camerabeelden door verbalisant [verbalisant 1] van 9 april 2025.3.4. \n\nDe bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht bewezen dat de verdachte\n\nT.a.v. feit 1 primair:\n\nop 8 april 2025 te Venlo ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer] meermalen (met kracht) met een (ijzeren) staaf, op\u002Ftegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nT.a.v. feit 3:\n\nop 8 april 2025 te Venlo opzettelijk en wederrechtelijk een (tussen)deur die aan [naam cafetaria] toebehoorde, heeft vernield.\n\nDe rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:\n\nT.a.v. feit 1 primair:\n\npoging tot doodslag\n\nT.a.v. feit 3:\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.\n\n5. De strafbaarheid van de verdachte\n\n [naam psycholoog] , GZ-psycholoog, heeft over de geestvermogens van de verdachte op 2 juli 2025 een rapport uitgebracht. In de rapportage komt – zakelijk weergegeven – het volgende naar voren.\n\nEr is bij betrokkene sprake van ADHD en een antisociale en borderline persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken. Hiervan was sprake ten tijde van het tenlastegelegde. Betrokkene ging impulsief op het slachtoffer af. Hoewel dit op het eerste gezicht vooral berekenend en antisociaal aandoet, is hierin juist ook de (emotionele) impulsiviteit passend bij de borderline problematiek herkenbaar waarin hij zich niet liet remmen, gedreven werd door woede vanuit angst om iemand voor wie hij zich verantwoordelijk voelt en de walging (devaluatie) jegens iemand die niet voldoet aan zijn standaarden. Dit werd ook gezien in de klappen. Betrokkene sloeg agressief en dacht niet meer na. Hij sloeg tegen het hoofd, ook toen de man al lag en voelde zich vooral woedend. Hij verklaart in dezen overigens ook duidelijk dat “het” niet allemaal bewust is geweest en dat hij niet geloofd had dat het zo ernstig was als gesteld werd, als hij de beelden ervan niet had gezien. Er zijn naast antisociale, ook narcistische elementen herkenbaar in het feit dat hij het zelf ging regelen en niet de politie inschakelde. Betrokkene voelde in zijn recht te staan, begreep eigenlijk niet dat hij als dader en niet als held ontvangen werd bij justitie hoewel hij realiteitszin genoeg had deze afwijzing voor te zijn. De onderliggende ADHD die voortdurende onrust in hem teweegbrengt, dreef hem tot snelle actie. Gezien de relatie tussen de gediagnosticeerde problematiek en het hem ten laste gelegde en het feit dat met name de borderline dynamiek er debet aan geweest is dat hij zijn eigen handelen volstrekt onvoldoende onder controle kon houden, wordt geadviseerd het hem slechts in verminderde mate toe te rekenen.\n\n [naam psychiater] , psychiater, heeft over de geestvermogens van de verdachte op 24 november 2025 een rapport uitgebracht. In de rapportage komt – zakelijk weergegeven – het volgende naar voren.\n\nBij betrokkene is sprake van ADHD, een persoonlijkheidsstoornis met antisociale en borderline trekken, stoornis in het gebruik van cocaïne en partner-relatieproblemen. ADHD en de gestelde persoonlijkheidspathologie zijn altijd aanwezig. Ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde waren er op de voorgrond staande stoornissen in de emotie- en agressieregulatie en impulsiviteit en schoten de copingsvaardigheden van betrokkene tekort. De partnerrelatie was de belangrijkste trigger in deze. Het advies is om betrokkene de beide tenlastegelegde feiten, mits deze bewezen worden\n\ngeacht, verminderd toe te rekenen. Allereerst speelt daar zijn ADHD een belangrijke rol in, gezien dit zijn handelen duidelijk impulsiever heeft gemaakt en betrokkene zijn gedrag hierdoor minder kan controleren. Deze impulsiviteit vanuit zijn ADHD heeft ook zijn disfunctionele gedrag voortkomende uit zijn persoonlijkheidspathologie duidelijk aangejaagd. Betrokkene is fors getriggerd geraakt, doordat zijn belangrijkste naasten, namelijk Nathalie en zijn zoontje, in zijn ervaring belaagd en vernederd werden door het slachtoffer. De borderlinepathologie van betrokkene zorgt ervoor dat grenzen tussen zelf en de ander vervagen en daardoor worden zeker de belangrijkste naasten als partners, ouders en kinderen beleefd als ware het betrokkene zelf. De beledigingen en bedreigingen van het slachtoffer aan zijn vriendin en zoontje zullen door betrokkene dan ook als gericht op hemzelf zijn ervaren. Dit zal voor betrokkene ten diepste beangstigend zijn geweest en deze ernstige emotionele ontregeling heeft een trigger voor impulsiviteit\n\nen verlies van zelfcontrole gevormd. Desalniettemin heeft betrokkene in een aantal stappen weldegelijk gerichte keuzes gemaakt vanuit een instrumenteel motief. Dat motief was over een langere termijn afgewogen en betrof dat het slachtoffer moest worden afgestopt en vergelding moest plaatsvinden. Als er niet werd ingegrepen door politie\u002Fjustitie, dan betekende dat voor betrokkene dat hij voor eigen rechter moest spelen. In die keuzes heeft betrokkene weldegelijk handelings- en wilsvrijheid genoten: hij had immers ook die dag weg kunnen blijven en naar het bos kunnen gaan, zoals hij eerder had gedaan. Of hij had het aanbod van zijn vriend kunnen volgen om afleiding te zoeken, maar “die dag was de emmer vol”. Betrokkene was in staat het ongeoorloofde van zijn handelen in te zien, maar keurde dit desondanks goed.\n\nDe rechtbank verenigt zich met de adviezen en de conclusies van de deskundigen over de toerekeningsvatbaarheid, neemt deze over en maakt deze tot de hare. De rechtbank is daarom van oordeel dat het bewezenverklaarde in verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend. Nu er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid geheel uitsluiten acht de rechtbank de verdachte strafbaar.\n\n6. De straf en de maatregel6.1. \n\nDe vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek van voorarrest. Zij heeft daarbij rekening gehouden met de aard en ernst van het feit, de justitiële documentatie van de verdachte en de rapporten van de psycholoog en de psychiater waaruit blijkt dat de feiten in verminderde mate kunnen worden toegerekend. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd aan de verdachte een terbeschikkingstelling met voorwaarden op te leggen. Uit de rapporten van de psycholoog en de psychiater blijkt dat sprake is van een hoog recidiverisico en dat het van belang is dat de verdachte wordt behandeld. De algemene veiligheid van personen of goederen eist dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en dit is ook de meest passende maatregel. De officier van justitie ziet geen meerwaarde in een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbenemende maatregel op grond van artikel 38z Sr. Tot slot heeft de officier van justitie verzocht om de voorlopige hechtenis te schorsen met ingang van het moment dat het voorarrest gelijk is aan het onvoorwaardelijk strafdeel.6.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat bij de strafbepaling rekening moet worden gehouden met de aanleiding van het conflict en de meewerkende houding van de verdachte. Daarnaast heeft de verdachte er zelf voor gekozen om hulp te zoeken binnen de p.i. en kunnen de feiten in verminderde mate worden toegerekend aan de verdachte. De raadsvrouw heeft twee strafvoorstellen gedaan. Het eerste voorstel houdt in dat aan de verdachte een tbs-maatregel met voorwaarden en een gevangenisstraf van 2 jaren wordt opgelegd. De verdachte is gemotiveerd om snel met behandeling te beginnen. Het tweede voorstel is om aan de verdachte een gevangenisstraf van 4 jaren waarvan 2 jaren voorwaardelijk op te leggen. Aan het voorwaardelijk strafdeel zouden dan bijzondere voorwaarden moeten worden gekoppeld. De raadsvrouw benadrukt tot slot dat er rekening mee moet worden gehouden dat het opleggen van een tbs-maatregel een ultimum remedium is.6.3. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nBij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag door meerdere malen hard met een ijzeren staaf op het hoofd van [slachtoffer] te slaan. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan vernieling van een deur. Door zijn handelen heeft de verdachte op ernstige wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] . Het gaat om potentieel levensbedreigend geweld. Dit heeft niet alleen ingrijpende gevolgen voor het slachtoffer, maar de verdachte heeft door zijn handelen, in een friettent waar ook andere mensen aanwezig waren, bijgedragen aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Wat [slachtoffer] ook gedaan of gezegd zou hebben tegen de ex-partner van de verdachte, dat rechtvaardigt niet deze afranseling waarbij [slachtoffer] zoals gezegd zomaar het leven had kunnen laten. De rechtbank rekent het de verdachte dan ook zwaar aan dat hij voor eigen rechter heeft gespeeld. Daarbij geldt dat het enkel aan toeval en niet aan terughoudendheid van de verdachte is te danken dat het slachtoffer niet is overleden.\n\nTen aanzien van de persoon van de verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op de inhoud van het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 3 juni 2026, waaruit onder meer blijkt dat hij op 29 februari 2024 is veroordeeld voor een vernieling.\n\nDe straf\n\nBij de strafoplegging ligt het accent niet verwonderlijk op de bewezenverklaarde poging tot doodslag van [slachtoffer] . De rechtbank is, evenals de officier van justitie, van oordeel dat, gelet op de ernst van dit feit, niet kan worden volstaan met een andere straf dan een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Zoals eerder gezegd zal de rechtbank de feiten aan de verdachte in verminderde mate toerekenen.\n\nAlles afwegend acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden. Deze straf is lager dan door de officier van justitie geëist omdat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt. Een lagere gevangenisstraf, zoals door de raadsvrouw is bepleit indien deze gevangenisstraf gepaard zou gaan met de oplegging van een tbs-maatregel, doet onvoldoende recht aan de ernst van de feiten. De verdachte zal tijdens de gevangenisstraf in een penitentiaire inrichting verblijven, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.\n\nDe maatregel\n\nUit de rapportages van de psychiater en de psycholoog volgt dat bij de verdachte sprake is van meerdere psychische stoornissen die een belangrijke rol hebben gespeeld bij het begaan van de bewezenverklaarde feiten. Beide deskundigen schatten het recidiverisico als hoog in. Zij wijzen daarbij onder meer op de uitgebreide justitiële voorgeschiedenis van de verdachte, waarbij sprake is van uiteenlopende typen slachtoffers, de invloed van een pro-crimineel netwerk, een beperkt arbeidsverleden, verslavingsproblematiek, een hoge mate van impulsiviteit en gebrekkige copingvaardigheden ten aanzien van emotieregulatie.\n\nDe psycholoog adviseert behandeling binnen een voorwaardelijk strafkader, waarbij de verdachte een behandeltraject volgt bij een forensische polikliniek. De psychiater acht een behandeling binnen een voorwaardelijk kader ook mogelijk, maar adviseert een terbeschikkingstelling met voorwaarden. Hij vindt van belang dat wordt voorkomen dat de verdachte onbehandeld terugkeert in de maatschappij indien hij op enig moment besluit niet langer mee te werken aan de behandeling of de gestelde voorwaarden. In dat geval kan een tbs met voorwaarden worden omgezet in een tbs met dwangverpleging, zodat de noodzakelijke behandeling ter vermindering van het recidiverisico kan worden voortgezet. Uit het reclasseringsrapport en het verhandelde ter zitting blijkt dat de verdachte bereid is mee te werken aan een tbs met voorwaarden. De reclassering adviseert hierover voorzichtig positief en heeft ter zitting vermeld dat reeds een indicatiestelling voor een langdurige klinische behandeling is geregeld.\n\nDe rechtbank neemt het advies van de psychiater en de reclassering over en is van oordeel dat, naast voornoemde onvoorwaardelijke gevangenisstraf, aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden moet worden opgelegd. Gelet op de ernst van de feiten, de bij de verdachte aanwezige stoornissen en het hoge recidiverisico acht de rechtbank het onverantwoord om het risico te lopen dat de verdachte zonder behandeling in de maatschappij terugkeert. Hoewel de rechtbank het positief acht dat de verdachte zich thans bereid toont aan behandeling mee te werken, dient ermee rekening te worden gehouden dat hij zich op dit moment bevindt in de gestructureerde omgeving van de penitentiaire inrichting. Niet kan worden uitgesloten dat zijn motivatie onder minder beschermde omstandigheden en met toename van prikkels van buitenaf onder druk kan komen te staan.\n\nDe rechtbank stelt vast dat is voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor oplegging van de maatregel. De bewezenverklaarde poging tot doodslag betreft een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld als bedoeld in artikel 37a, eerste lid, onder 2, van het Wetboek van Strafrecht. Ten tijde van het begaan van het feit bestond bij de verdachte een ziekelijke stoornis dan wel gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens en de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen, eist het opleggen van de maatregel. Aan de maatregel zullen de hierna te noemen, door de reclassering geadviseerde, voorwaarden worden verbonden.\n\nDe rechtbank overweegt daarbij dat de maatregel wordt opgelegd ter zake van poging tot doodslag. Dat is een misdrijf dat is gericht tegen, dan wel gevaar veroorzaakt voor, de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen in de zin van artikel 38e Sr. Dit brengt mee dat de duur van de terbeschikkingstelling niet is gemaximeerd tot vier jaren indien deze op enig moment wordt omgezet naar een tbs-maatregel met verpleging van overheidswege.\n\nGelet op het psychiatrisch toestandsbeeld van de verdachte, de ernst van het bewezenverklaarde feit onder 1 en het hoge recidiverisico ziet de rechtbank aanleiding de tbs met voorwaarden op grond van artikel 38, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Gezien de duur van de daarnaast opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf ziet de rechtbank geen aanleiding om, anders dan door de officier van justitie verzocht, de voorlopige hechtenis te schorsen vanaf het moment dat de straf gelijk wordt aan de duur van het voorarrest en onder gelijkluidende voorwaarden als de tbs-maatregel. Dit moment ligt immers dusdanig ver in de toekomst dat het te ver gaat om daarover reeds nu een beslissing te nemen.\n\nGedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel\n\nDe reclassering heeft geadviseerd om aan de verdachte een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM) als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht op te leggen, zodat ook na afloop van de terbeschikkingstelling gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende voorwaarden kunnen worden toegepast. De rechtbank begrijpt dat het adviseren van een GVM onderdeel uitmaakt van de standaardwerkwijze van de reclassering. Desgevraagd heeft de deskundige ter zitting niet nader kunnen concretiseren welke toegevoegde waarde deze maatregel in dit geval heeft, buiten de aanwezigheid van een mogelijk forensisch kader na afloop van de maatregel. De rechtbank stelt vast dat door oplegging van deze maatregel de verdachte uiteindelijk gedurende lange tijd fors in zijn vrijheden kan worden beperkt. De enkele notie dat er zodoende altijd een vangnet mogelijk is vindt de rechtbank onder deze omstandigheden, waarin er verder geen concrete toegevoegde waarde van de maatregel zelf benoemd kon worden, onvoldoende. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.\n\n7. De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel7.1. \n\nDe vordering van de benadeelde partijen\n\nVordering benadeelde partij [slachtoffer] (feit 1 en 2)\n\nDe benadeelde partij vordert schadevergoeding tot een bedrag van 14.000,00 euro ter zake van de feiten 1 en 2. Deze vordering bestaat uit immateriële schade. Er is bij de benadeelde partij onder meer sprake van hersenletsel, een breuk aan de middelvinger, een breuk in de neus, littekens in het aangezicht en een breuk in het sleutelbeen. De benadeelde heeft verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nVordering benadeelde partij [naam cafetaria] (feit 3)\n\nDe benadeelde partij vordert schadevergoeding tot een bedrag van 1.830,00 euro ter zake van feit 3. Deze vordering ziet op de kosten die de benadeelde partij heeft moeten maken voor een nieuwe deur. De benadeelde heeft verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.7.2. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nMet betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de vordering te moeilijk is om te beoordelen. De vordering is op meerdere punten onvoldoende onderbouwd en bij de beoordeling moet worden betrokken of er sprake is van eigen schuld van de benadeelde partij.\n\nMet betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [naam cafetaria] heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden toegewezen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Hoewel er geen offerte is bijgevoegd, heeft de verdachte zich bereid verklaard om de schade te betalen. De gijzeling kan in dit geval worden vastgesteld op één dag.7.3. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nMet betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij primair niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de vordering te onduidelijk is en daardoor een onevenredige belasting voor het strafproces vormt. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om alleen een bedrag toe te wijzen voor de breuk in de neus, de vordering sterk te matigen en rekening te houden met een mate van eigen schuld.\n\nMet betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [naam cafetaria] heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen, ondanks dat de vordering niet is onderbouwd en niet voldoet aan de formele eisen omdat de handtekening ontbreekt. De verdachte is immers bereid om de schade te betalen.7.4. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nVordering benadeelde partij [slachtoffer] (feit 1)\n\nVergoeding van immateriële schade is op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek onder meer mogelijk indien de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval staat vast dat de benadeelde partij als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen, te weten breuken van de neus en middelvinger en licht traumatisch hersenletsel. Gelet op de aard en ernst van het letsel, de pijn die daarvan het gevolg is geweest en de onderbouwing daarvan aan de hand van foto’s en medische informatie, acht de rechtbank een vergoeding van immateriële schade van € 5.000,00 billijk. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij tot dat bedrag toe. De rechtbank is van oordeel dat de vordering voor het overige onvoldoende onderbouwd is. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering dan ook niet-ontvankelijk. De rechtbank ziet verder aanleiding om de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen, met het bijbehorende aantal dagen gijzeling.\n\nVordering benadeelde partij [naam cafetaria] (feit 3)\n\nDe rechtbank is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 3 bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden tot het bedrag zoals gevorderd. De vordering is door de verdediging niet weersproken. Nu de vordering de rechtbank ook niet onredelijk voorkomt en de verdachte zich bereid heeft verklaard de schade te vergoeden, acht de rechtbank de vordering toewijsbaar. De rechtbank ziet verder aanleiding om de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.\n\nEr zal maar één dag gijzeling worden toegepast, gelet op de gebreken die aan de vordering kleven en de overeenstemming ter zitting over de duur van de toe te passen gijzeling.\n\n8. Het beslag\n\nNu de verdachte zal worden vrijgesproken van feit 2 dient het inbeslaggenomen goed – te weten een ijzeren pijp\u002Fstaaf – teruggegeven te worden aan de verdachte.\n\n9. De wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing berust op de artikelen 36f, 38, 38a, 45, 57, 287 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.\n\n10. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nVrijspraak\n\n- spreektde verdachtevrijvan feit 2;\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart het tenlastegelegde bewezenzoals hierboven onder 3.4 is omschreven;\n\nspreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;\n\nStrafbaarheid\n\nverklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feitenoplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 42 maanden;\n\nbeveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\nMaatregel\n\ngelast dat de verdachte ter beschikkingwordtgesteld met voorwaardenten aanzien van feit 1 primair;\n\nstelt ter bescherming van de veiligheid van anderen de volgende voorwaarden:\n\n1. Geen strafbaar feit plegen\n\nVeroordeelde maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit.\n\n2. Meewerken aan reclasseringstoezicht\n\nVeroordeelde werkt mee aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:\n\n- Veroordeelde meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is;\n\n- Veroordeelde laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. Dit is nodig om de identiteit van veroordeelde vast te stellen;\n\n- Veroordeelde houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om veroordeelde te helpen bij het naleven van de voorwaarden;\n\n- Veroordeelde helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid;\n\n- Veroordeelde werkt mee aan huisbezoeken;\n\n- Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en\u002Fof behandeling door andere instellingen of hulpverleners;\n\n- Veroordeelde vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering;\n\n- Veroordeelde werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met veroordeelde, als dat van belang is voor het toezicht.\n\n3. Meewerken aan time-out\n\nAls de reclassering dat nodig vindt en veroordeelde daarmee instemt, kan veroordeelde voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling (FPK \u002F FPA). Deze time-out duurt totdat de reclassering of veroordeelde deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar.\n\n4. Niet naar het buitenland\n\nVeroordeelde gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering.\n\n5. Opneming in een zorginstelling\n\nVeroordeelde laat zich opnemen in en behandelen door een forensisch psychiatrische kliniek (FPK) of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie (NIFP-IFZ \u002F DIZ). De opname start zo spoedig mogelijk en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op de agressieproblematiek, de ADHD, de persoonlijkheidsstoornis en de verslavingsproblematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing.\n\n6. Ambulante behandeling\n\nVeroordeelde laat zich na afronding van de klinische behandeling behandelen door een forensische polikliniek of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op de psychische en verslavingsproblematiek, en de agressiebeheersing, schuldenproblematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken.\n\n7. Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang\n\nVeroordeelde verblijft in een begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering, indien en zolang de reclassering nodig acht. Het verblijf start na de klinische behandeling. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.\n\n8. Verbod verdovende middelen\n\nVeroordeelde gebruikt geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs), en lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Veroordeelde moet meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek\u002Fademonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.\n\n9. Alcoholverbod\n\nVeroordeelde gebruikt geen alcohol, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Veroordeelde moet meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek\u002Fademonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.\n\n10. Contactverbod\n\nVeroordeelde zoekt of heeft op geen enkele wijze - direct of indirect - contact met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] .\n\n11. Dagbesteding\n\nVeroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en\u002Fof vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.\n\n12. Aflossing schulden\n\nVeroordeelde werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.\n\nToezicht\n\n- geeft opdracht aan de reclassering om toezichtte houden op de naleving van de voorwaarden en de ter beschikking gestelde ten behoeve daarvan te begeleiden;\n\nDadelijke uitvoerbaarheid\n\n- beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden, alsmede het door de reclassering uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaarzijn;\n\nBenadeelde partij [slachtoffer] en schadevergoedingsmaatregel t.a.v. feit 1\n\nwijstde vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partijgedeeltelijk toeen veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer] , van een bedrag van5.000,00 euro, bestaande uit immateriële schade;\n\nbepaalt dat de vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rentevanaf 8 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;\n\nveroordeelt verdachte tevens in de proceskostendoor de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot opnihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;\n\nbepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijkis en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen;\n\nlegt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staatten behoeve van [slachtoffer] van een bedrag van5.000,00 euro;\n\nbepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzelingkan worden toegepast voor de duur van50 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;\n\nbepaalt dat de vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rentevanaf 8 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;\n\nbepaalt dat verdachte van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade;\n\nBenadeelde partij [naam cafetaria] en schadevergoedingsmaatregel t.a.v. feit 3\n\nwijstde vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partijtoeen veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [naam cafetaria] , van een bedrag van1.830,50 euro, bestaande uit materiële schade;\n\nbepaalt dat de vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rentevanaf 8 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;\n\nveroordeelt verdachte tevens in de proceskostendoor de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot opnihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;\n\nlegt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staatten behoeve van [naam cafetaria] van een bedrag van1.830,50 euro;\n\nbepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzelingkan worden toegepast voor de duur van1 dag. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;\n\nbepaalt dat de vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rentevanaf 8 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;\n\nbepaalt dat verdachte van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade;Beslag\n\n- gelast de teruggave vanhet volgende inbeslaggenomen goed aan de rechthebbende:\n\n1. STK pijp (G1786919).\n\nDit vonnis is gewezen door mr. L. Bastiaans, voorzitter, mr. K. Mestrom en mr. Y.R.S. Piekhaar, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.H.G. Staals, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 7 juli 2026.\n\nMr. Y.R.S. Piekhaar is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.\n\nBIJLAGE I: De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd dat\n\nT.a.v. feit 1 primair:\n\nhij, op of omstreeks 8 april 2025 te Venlo ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven te beroven, die [slachtoffer] meermalen, althans éénmaal (met kracht) met een (ijzeren) staaf en\u002Fof moersleutel, althans (telkens) met enig (hard) voorwerp, op\u002Ftegen het hoofd, in elk geval het lichaam heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nT.a.v. feit 2 primair:\n\nhij, op of omstreeks 12 maart 2025 te Venlo ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven te beroven, die [slachtoffer] meermalen, althans éénmaal (met kracht) met een (ijzeren) staaf, althans (telkens) met enig (hard) voorwerp, op\u002Ftegen het hoofd, in elk geval het lichaam heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nT.a.v. feit 2 subsidiair:\n\nhij, op of omstreeks 12 maart 2025 te Venlo ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade, zwaar lichamelijk letel toe te brengen, die [slachtoffer] meermalen, althans éénmaal (met kracht) met een (ijzeren) staaf, althans (telkens) met enig (hard) voorwerp, op\u002Ftegen het hoofd, in elk geval het lichaam heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nT.a.v. feit 3:\n\nhij, op of omstreeks 8 april 2025 te Venlo\n\nopzettelijk en wederrechtelijk een (tussen)deur, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan [naam cafetaria] en\u002Fof [aangever] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en\u002Fof weggemaakt.\n\n Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer OL2300-2025056739, gesloten d.d. 27 mei 2025, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 215.\n\n Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 8 april 2025, pg. 13-15.\n\n Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] van 9 april 2025, pg. 102-115.\n\n Proces-verbaal van aanhouding verdachte van 8 april 2025, pg. 184-186.\n\n Proces-verbaal van aangifte van [aangever] van 8 april 2025, pg. 55-57.\n\n Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] van 9 april 2025, pg. 102-115.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6631","2026-07-13T00:29:15.725Z",{"id":46,"ecli":47,"slug":48,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":49,"fullText":50,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":51,"sourceTimestamp":49,"parsedAt":35,"updatedAt":52},"1634","ECLI:NL:RBLIM:2026:6525","ecli-nl-rblim-2026-6525","2026-07-06T00:00:00.000Z","RECHTBANK LIMBURG\n\nZittingsplaats Roermond\n\nStrafrecht\n\nParketnummer : 03.176268.24\n\nTegenspraak (gemachtigde raadsman)\n\nTussenbeslissing van de rechtbank Limburg, meervoudige kamer voor strafzaken\n\nin de strafzaak tegen\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 1970,\n\nwonende te [adres 1] ,\n\nDe verdachte wordt bijgestaan door mr. M.M. Kuyp, advocaat kantoorhoudende te Laren.\n\n1. Procedure\n\nDeze tussenbeslissing is gegeven naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 24 juni 2026. Voorafgaand aan die terechtzitting heeft de verdediging bij schrijven van 12 juni 2026 onderzoekswensen ingediend. Op de regiezitting zijn de onderzoekswensen toegelicht en heeft de officier van justitie haar standpunt met betrekking tot de verzoeken kenbaar gemaakt. Van de zitting van 24 juni 2026 is een afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt.\n\nDe rechtbank heeft op basis van de schriftelijke verzoeken en hetgeen tijdens de regiezitting naar voren is gebracht, vastgesteld welke concrete verzoeken op dit moment ter beoordeling voorliggen en zal deze hierna inhoudelijk bespreken.\n\nDe rechtbank zal deze beslissingen schriftelijk mededelen en verspreiden en er zal geen extra ingelaste terechtzitting zijn. Zowel de officier van justitie als de verdediging hebben hiermee ingestemd.\n\n2. De onderzoekswensen\n\nDe door de verdediging onder 3 in haar schrijven geformuleerde onderzoekswens inzake sepotbeslissingen is, zoals ter terechtzitting bleek, komen te vervallen. De rechtbank zal daarover dus geen beslissing nemen.\n\nDe verdediging heeft verzocht als getuigen te horen:\n\n [naam 1] , president bij het gerechtshof Den Haag, domicilie te [adres 2] ;\n\n [naam 2] , plaatsvervangend president bij het gerechtshof Den Haag, domicilie te [adres 2] .\n\n4. [naam 3] , raadsheer, [geboortedatum 2] , domicilie te [adres 2] ;\n\n5. [naam 4] , advocaat-generaal, [geboortedatum 3] , domicilie te [adres 2] ;\n\n6. [naam 5] , advocaat-generaal, geboortedatum onbekend, domicilie te [adres 2] ;\n\n7. [naam 6] , raadsheer en lid van het MT, [geboortedatum 4] , domicilie te [adres 3] ;\n\n8. [naam 7] , raadsheer en lid van het MT, [geboortedatum 5] , domicilie te [adres 4] ;\n\n9. [naam 8] , griffier, [geboortedatum 6] , domicilie te [adres 2] ;\n\n10. [naam 9] , griffier, [geboortedatum 7] , domicilie te [adres 2] ;\n\n11. [naam 10] , advocaat-generaal, [geboortedatum 8] , domicilie te [adres 2] ;\n\n12. [naam 11] , advocaat-generaal, [geboortedatum 9] , domicilie te [adres 2] ;\n\n13. [naam 12] , raadsheer, [geboortedatum 10] , domicilie te [adres 2] ;\n\n14. [naam 13] , raadsheer, geboortedatum onbekend, domicilie te [adres 2] ;\n\n15. [naam 14] , raadsheer, geboortedatum onbekend, domicilie te [adres 2] ;\n\n16. [naam 15] , hoofd juridische ondersteuning, [geboortedatum 11] , domicilie te [adres 2] ;\n\n17. [naam 16] , adviseur bedrijfsvoering, [geboortedatum 12] , [adres 5] ;\n\n18. [naam 17] , managementassistent, geboortedatum en adresgegevens onbekend;\n\n19. [naam 18] , geboortedatum en adresgegevens onbekend, destijds medewerker Hof Den Haag;\n\n20. [naam 19] , geboortedatum en adresgegevens onbekend, destijds medewerker Hof Den Haag;\n\n21. [naam 20] , griffier, geboortedatum onbekend, domicilie te [adres 2] .\n\nDe OvJ is van mening dat de rechtbank alle getuigenverzoeken dient af te wijzen. Zij heeft daarbij acht geslagen op de reden (voor het ontbreken) van het ondervragingsrecht, het gewicht van de reeds afgelegde of eventueel nog af te leggen verklaringen en de aanwezigheid van compenserende factoren.\n\nDe OvJ komt tot de conclusie dat de getuigen die al zijn gehoord allen geloofwaardige en betrouwbare verklaringen hebben afgelegd die bovendien steun vinden in het dossier. Dat geldt eveneens voor de schriftelijke verklaring ingediend bij de rijksrecherche door getuige 8. De OvJ acht al deze verklaringen afdoende en ziet geen reden waarom de verdediging in de gelegenheid dient te worden gesteld deze te toetsen.\n\nWat betreft de getuigen onder 8, 13, 15, 16, 18, 9 en 21 stelt zij zich bovendien op het standpunt dat er sprake is van een te verwijderd verband met hetgeen de verdachte is ten laste gelegd. De mailwisseling van 16 augustus 2022 en rolzittingen van 10 augustus 2022 en oktober 2023 zien niet op de tenlastelegging en zijn daarom niet relevant voor de beoordeling ervan.\n\nDe rechtbank acht het van belang dat duidelijk wordt wat de werkwijze rondom het opmaken van de bestreden NO-arresten exact was, hoe deze werkwijze zich in de tijd heeft ontwikkeld, en wie wanneer en hoe van deze werkwijze op de hoogte was\u002Fwaren. De rechtbank acht het om die reden relevant om alle getuigen te horen die met de bestreden werkwijze in aanraking kwamen. Zij acht de verklaringen van de opgegeven getuigen 1 en 2 relevant in het kader van de beantwoording van de vragen ex artikel 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Dat betekent dat de rechtbank, gelet op het verdedigingsbelang, het verzoek tot het horen van de getuigen genoemd onder 1, 2, en 4 tot en met 21 toewijst.\n\nTen aanzien van de getuige onder 14 ( [naam 13] ) wenst de rechtbank ambtshalve tevens het proces-verbaal van verhoor van [naam 13] te ontvangen, zoals dat in het kader van de artikel 12 Sv-procedure is afgenomen. De rechtbank zal de officier van justitie daartoe opdracht geven.\n\nOverige verzoeken\n\nDe verdediging verzoekt voorts om:\n\n22. kennisname middels kopie van alle documenten\u002Fbestanden die het Gerechtshof Den Haag op basis van de vordering ex art. 126nd lid 1 Sv met documentcode [nummer 1] (pg. 378 van het procesdossier) heeft verstrekt. Tevens verzoekt de verdediging om kennisname middels kopie van een document met documentcode [nummer 2] dat deel uitmaakt van het personeelsdossier van de verdachte, maar overeenkomstig de geheimhoudersprocedure buiten het onderzoek is gelaten. De verdediging wenst mogelijk daarna op grond van het relevantiecriterium een verzoek tot voegen van bepaalde documenten\u002Fbestanden te doen;\n\n23. de zittingslijsten (documentnummer [nummer 3] ) van de rolzitting van 18 april 2023 en verzoekt opdracht aan de Rijksrecherche te geven om na te gaan welke griffier de betreffende rolzitting heeft bijgewoond en de arresten heeft opgemaakt, alsook om daarvan door de Rijksrecherche proces-verbaal te laten opmaken;\n\n24. inzage te krijgen in de gehele inhoud van de mailbox van de verdachte bij het Gerechtshof Den Haag in de tenlastegelegde periode, teneinde te kunnen achterhalen of, en zo ja wanneer, de verdachte omstreeks 5 oktober 2022 een e-mail heeft verzonden aan [naam 6] en [naam 7] , en daarop een reactie heeft ontvangen van [naam 6] . De verdediging verzoekt daartoe om:\n\na. de gehele inhoud van de volledige mailbox (ontvangen\u002Fverstuurd\u002F\n\nverwijderd\u002Fconcept\u002Fprullenbak) van de verdachte te verstrekken, althans digitale toegang te verkrijgen, inclusief de verwijderde items, ongeacht of deze op een lokale server (van het hof) stonden of op een externe server, over de gehele tenlastegelegde periode,\n\nb. op basis van de inhoud van de mailboxen van [naam 6] en [naam 7] proces-verbaal te laten opmaken met daarin een overzicht van alle door de verdachte aan [naam 6] en\u002Fof [naam 7] verzonden e-mails met een opgave van het onderwerp van de mail, alsmede een overzicht van alle door de verdachte ontvangen e-mails van [naam 6] en\u002Fof [naam 7] voorzien van het onderwerp van de mail in de gehele tenlastegelegde periode, althans in de periode van 1 tot en met 10 oktober 2022,\n\nc. de volledige metadata van de mailboxen, inclusief eventuele unallocated clusters van de mailboxen van de verdachte, en de [naam 6] en [naam 7] in de gehele tenlastegelegde periode, althans in de periode van 1 tot en met 10 oktober 2022.\n\nDe officier van justitie verzet zich niet tegen toewijzing van onderzoekswens 22 en onderzoekswens 24 onder a. De officier van justitie heeft zich echter wel verzet tegen toewijzing van onderzoekswens 23, omdat de zitting van 18 april 2023 buiten de reikwijdte valt van de tenlastelegging. Zij verzet zich eveneens tegen toewijzing van de onderzoekswensen 24 onder b en c, omdat uit het procesdossier voldoende blijkt dat er door de Rijksrecherche uitputtend is gezocht naar het vermeende e-mailbericht dat de verdachte naar eigen zeggen op 5 oktober 2022 zou hebben verzonden.\n\nGelet op het verdedigingsbelang wijst de rechtbank, het verzoek toe tot het ter beschikking stellen van een kopie van alle documenten\u002Fbestanden en het geheimhoudersstuk (zoals geformuleerd onder onderzoekswens 22).\n\nTen aanzien van onderzoekswens 23 is de rechtbank van oordeel dat de verzochte bevindingen niet relevant zijn voor enige in het kader van de artikelen 348 en 350 Sv te nemen beslissing in de zaak van de verdachte, aangezien de rolzitting van 18 april 2023 niet is genoemd in de tenlastelegging en daarmee nadrukkelijk buiten de reikwijdte van de tenlastelegging valt, zodat dit verzoek dient te worden afgewezen.\n\nDe rechtbank wijst, gelet op het verdedigingsbelang, toe het verzoek, zoals geformuleerd onder onderzoekswens 24 a, b en c, met dien verstande dat de te verstrekken data uitsluitend zien op de periode van 1 oktober 2022 tot en met 10 oktober 2022. Ten aanzien van onderzoekswens 24 onder c bepaalt de rechtbank dat de te verstrekken metadata uit de mailboxen van [naam 6] en [naam 7] zich zal beperken tot de communicatie tussen beide raadsheren met de verdachte. De rechtbank is van oordeel dat de bevindingen uit deze onderzoeken relevant kunnen zijn voor enige in het kader van de artikelen 348 en 350 Sv te nemen beslissing in de zaak van de verdachte.\n\nAanvullend verzoek\n\nDe verdediging heeft ter terechtzitting aanvullend verzocht om de officier van justitie op te dragen om proces-verbaal te laten opmaken, waaruit blijk:\n\nop welk moment de verdachte is geregistreerd als verdachte;\n\nop wiens\u002Fwier verzoek dat is gebeurd;\n\nof en zo ja in overleg met wie deze beslissing is genomen.\n\nDe officier van justitie heeft zich niet tegen deze aanvullende onderzoekswens verzet.\n\nGelet op het verdedigingsbelang wijst de rechtbank dit verzoek toe.\n\nVerwijzing rechter-commissaris\n\nDe rechtbank verwijst de zaak naar de rechter-commissaris voor het horen van de getuigen 4 tot en met 6 en de getuigen 9 tot en met 21 (16 getuigen in totaal). De rechtbank verzoekt de rechter-commissaris al datgene te doen wat hem of haar in het belang van het onderzoek geraden voorkomt.\n\nHoren getuigen ter terechtzitting\n\nDe getuigen 1 ( [naam 1] ) en 2 ( [naam 2] ) – bestuursleden van het gerechtshof - en 7 ( [naam 6] ) en 8 ( [naam 7] ) – (destijds) MT-leden van de het gerechtshof - zal de rechtbank als getuigen horen tijdens het onderzoek ter terechtzitting, nadat alle overige 16 getuigen bij de rechter-commissaris zijn gehoord.\n\n3. De beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\n- stelt de stukken in handen van derechter-commissarisbelast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, nu het horen van de navolgende getuigen door de rechter-commissaris noodzakelijk blijkt:\n\no [naam 3], raadsheer, [geboortedatum 2] , domicilie te [adres 2] ;\n\no [naam 4], advocaat-generaal, [geboortedatum 3] , domicilie te [adres 2] ;\n\no [naam 5], advocaat-generaal, geboortedatum onbekend, domicilie te [adres 2] ;\n\no [naam 8], griffier, [geboortedatum 6] , domicilie te [adres 2] ;\n\no [naam 9], griffier, [geboortedatum 7] , domicilie te [adres 2] ;\n\no [naam 10], advocaat-generaal, [geboortedatum 8] , domicilie te [adres 2] ;\n\no [naam 11], advocaat-generaal, [geboortedatum 9] , domicilie te [adres 2] ;\n\no [naam 12], raadsheer, [geboortedatum 10] , domicilie te [adres 2] ;\n\no [naam 13], raadsheer, geboortedatum onbekend, domicilie te [adres 2] ;\n\no [naam 14], raadsheer, geboortedatum onbekend, domicilie te [adres 2] ;\n\no [naam 15], hoofd juridische ondersteuning, [geboortedatum 11] , domicilie te [adres 2] ;\n\no [naam 16], adviseur bedrijfsvoering, [geboortedatum 12] , [adres 5] ;\n\no [naam 17], managementassistent, geboortedatum en adresgegevens onbekend;\n\no [naam 18], geboortedatum en adresgegevens onbekend, destijds medewerker Hof Den Haag;\n\no [naam 19], geboortedatum en adresgegevens onbekend, destijds medewerker Hof Den Haag;\n\no [naam 20], griffier, geboortedatum onbekend, domicilie te [adres 2] .\n\n- verzoekt de rechter-commissaris voorts al datgene te doen wat hem of haar in het belang van het onderzoek geraden voorkomt;\n\n- geeft de officier van justitieopdrachttot:\n\n- het toevoegen aan het procesdossier van het proces-verbaal van verhoor van\n\n [naam 13] zoals dat in het kader van de artikel 12 Sv-procedure is afgenomen;\n\n- het verstrekken aan de verdediging van een kopie van alle documenten\u002Fbestanden die door het Gerechtshof Den Haag op basis van de vordering ex art. 126nd lid 1 Sv met documentcode [nummer 1] (pg. 378 van het procesdossier) zijn verstrekt;\n\n- het verstrekken aan de verdediging van een kopie van een document met documentcode [nummer 2] dat deel uitmaakt van het personeelsdossier van de verdachte, maar overeenkomstig de geheimhoudersprocedure buiten het onderzoek is gelaten;\n\n- het verstrekken aan de verdediging van de gehele inhoud van de volledige mailbox (ontvangen\u002Fverstuurd\u002Fverwijderd\u002Fconcept\u002Fprullenbak) van de verdachte, althans daartoe digitale toegang te verschaffen, inclusief de verwijderde items, ongeacht of deze op een lokale server (van het hof) stonden of op een externe server, over de periode van 1 oktober 2022 tot en met 10 oktober 2022;\n\n- het toevoegen aan het procesdossier van aanvullend proces-verbaal door de Rijksrecherche op basis van de inhoud van de mailboxen van [naam 6] en [naam 7] , met daarin een overzicht van alle door de verdachte aan [naam 6] en\u002Fof [naam 7] verzonden e-mails met een opgave van het onderwerp van de mail, alsmede een overzicht van alle door de verdachte ontvangen e-mails van [naam 6] en\u002Fof [naam 7] voorzien van het onderwerp van de mail in de periode van 1 tot en met 10 oktober 2022;\n\n- het verstrekken aan de verdediging van de volledige metadata van de mailboxen, inclusief eventuele unallocated clusters, van de mailboxen van de verdachte, [naam 6] en [naam 7] in de periode van 1 tot en met 10 oktober 2022;\n\n- het laten opmaken van aanvullend proces-verbaal, waaruit blijk:\n\n- op welk moment de verdachte is geregistreerd als verdachte;\n\n- op wiens\u002Fwier verzoek dat is gebeurd;\n\n- of en zo ja in overleg met wie deze beslissing is genomen;\n\n- beveelt de oproeping van de navolgende getuigen:\n\no [naam 6], raadsheer en lid van het MT, [geboortedatum 4] , domicilie te [adres 3] ;\n\no [naam 7], raadsheer en lid van het MT, [geboortedatum 5] , domicilie te [adres 4] ;\n\no [naam 1], president bij het gerechtshof Den Haag, domicilie te [adres 2] ;\n\no [naam 2], plaatsvervangend president bij het gerechtshof Den Haag, domicilie te [adres 2] .\n\ntegen de datum en het tijdstip waarop het onderzoek ter terechtzitting wordt hervat.\n\nDeze beslissing is op 6 juli 2026 genomen door mr. M.J.A.G. van Baal, voorzitter,\n\nmr. L. Feuth en mr. I.T.H.L. van den Bergh, rechters, in het bijzijn van mr. I.K. Bakker, griffier.\n\nBuiten staat\n\nmr. L. Feuth is buiten staat deze tussenbeslissing mede te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6525","2026-07-13T00:29:30.720Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":57,"fullText":58,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":59,"sourceTimestamp":60,"parsedAt":35,"updatedAt":61},"663","ECLI:NL:GHSHE:2026:1754","ecli-nl-ghshe-2026-1754","2026-06-26T00:00:00.000Z","Parketnummer : 20-001527-25\n\nUitspraak : 26 juni 2026\n\nTEGENSPRAAKArrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof's-Hertogenbosch\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 2 juni 2025, in de strafzaak met parketnummer\n\n03-324688-24 tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1961,\n\nwonende te [adres 1] .\n\nHoger beroep\n\nBij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van ‘poging tot zware mishandeling’ (feit 1 primair) en ’mishandeling’ (feit 2) veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren.\n\nNamens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met aanvulling van gronden en met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit van het onder feit 1 primair en feit 2 tenlastegelegde. Daarnaast is een strafmaatverweer gevoerd.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet beroepen vonnis zal worden vernietigd, reeds omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:\n\n1. primair hij op of omstreeks 12 oktober 2024 te Blitterswijck, gemeente Venray, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, haar:\n\n- heeft geknepen in het lichaam en\u002Fof vervolgens;\n\n- heeft geduwd en\u002Fof vervolgens;\n\n- meermalen heeft geslagen in haar gezicht en\u002Fof vervolgens;\n\n- aan haar haren heeft getrokken en\u002Fof vervolgens;\n\n- hardhandig bij haar keel heeft vastgepakt en\u002Fof haar keel heeft dicht geknepen en\u002Fof vervolgens;\n\n- meermalen heeft geschopt terwijl zij op de grond lag,\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\n1. subsidiair hij op of omstreeks 12 oktober 2024 te Blitterswijck, gemeente Venray, zijn levensgezel, [slachtoffer 1] , heeft mishandeld door haar te knijpen en\u002Fof te duwen en\u002Fof meermalen te slaan en\u002Fof aan haar haren te trekken en\u002Fof hardhandig bij haar keel vast te pakken en\u002Fof vervolgens haar keel dicht te knijpen en\u002Fof haar meermalen te schoppen;\n\n2. hij op of omstreeks 12 oktober 2024 te Blitterswijck, gemeente Venray, [slachtoffer 2] heeft mishandeld door hem hardhandig aan zijn baard te trekken en\u002Fof haren uit zijn baard te trekken en\u002Fof te slaan.\n\nDe in de tenlastelegging voorkomende taal- en\u002Fof schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nVrijspraak van het onder feit 1 primair tenlastegelegde\n\nHet hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het onder feit 1 primair tenlastegelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nHet hof overweegt dienaangaande als volgt.\n\nOp basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan het hof genoegzaam vaststellen dat de verdachte forse geweldshandelingen heeft verricht tegen slachtoffer [slachtoffer 1] . Zoals hierna zal worden overwogen, is het hof van oordeel dat de verdachte het slachtoffer heeft geknepen, geduwd, geslagen, geschopt, aan haar haren heeft getrokken, bij haar keel heeft vastgepakt en haar keel heeft dichtgeknepen. Het hof is evenwel, met de verdediging, van oordeel dat daarmee nog niet is komen vast te staan dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Op basis van het dossier en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen kan het hof onvoldoende vaststellen of het handelen van de verdachte in de gegeven omstandigheden van dien aard was dat de kans aanmerkelijk was dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou oplopen zoals is bedoeld in artikel 302 van het Wetboek van Strafrecht. Het hof zal de verdachte daarom van het onder feit 1 primair tenlastegelegde vrijspreken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 subsidiair en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:\n\n1. subsidiair hij op 12 oktober 2024 te Blitterswijck, gemeente Venray, zijn levensgezel, [slachtoffer 1] , heeft mishandeld door haar te knijpen en te duwen en meermalen te slaan en aan haar haren te trekken en hardhandig bij haar keel vast te pakken en vervolgens haar keel dicht te knijpen en haar meermalen te schoppen;\n\n2. hij op 12 oktober 2024 te Blitterswijck, gemeente Venray, [slachtoffer 2] heeft mishandeld door hem hardhandig aan zijn baard te trekken en haren uit zijn baard te trekken en te slaan.\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewijsmiddelen\n\nIn de hiernavolgende bewijsmiddelen wordt – tenzij anders vermeld – telkens verwezen naar dossierpagina’s van het eindproces-verbaal van de politie Eenheid Limburg met zaakregistratienummer PL2300-2024167001, gesloten d.d. 26 februari 2025 door verbalisant [verbalisant] , digitaal doorgenummerde pagina's 1 tot en met 136, nader te noemen: het dossier.\n\nAlle te noemen processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten. Alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.\n\n1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 13 oktober 2024 (pg. 26-28 van het dossier), voor zover inhoudende als verklaring van aangeefster [slachtoffer 1]:\n\nPlaats delict: [adres 2] , binnen de gemeente Venray.\n\n [verdachte] en ik hebben sinds begin 2024 een relatie met elkaar. Op 12 oktober 2024, omstreeks 15.00 uur, waren wij op de camping op voorgenoemde locatie. Er werd vanuit de camping voor chalethouders en seizoenbewoners een afsluitend feest georganiseerd. Het feest eindigde rond 21.00 uur. Rond dit tijdstip zijn wij, [verdachte] en ik, ook naar ons chalet gelopen. Ik weet dat [verdachte] minimaal deze middag 20 glazen bier op had van 0.25 liter. Op een gegeven moment viel hij op het asfalt. Ik zag dat hij toen bleef liggen. Ik zag dat hij een hoofdwond had. De beheerder heeft hierop de ambulance met spoed gebeld aangezien hij stil op de grond bleef liggen. Ik merkte dat hij opstandig werd toen hij weer bij bewustzijn kwam.\n\nWij kwamen aan bij het chalet waar wij sliepen. Hij deed de lamellen naar beneden toen hij bij het raam stond. Ik zei tegen hem dat hij dat niet moest doen want de hulpdiensten zouden komen om naar zijn hoofdwond te kijken. Hierop werd hij boos en greep mij met zijn hand tegen mijn rechterborst. Hier kneep hij hard en duwde mij weg.\n\nIk draaide mij om en ik zag dat [verdachte] met zijn hand mij een klap in het gezicht gaf. Door deze klap viel ik op de grond. Ik probeerde op te staan maar [verdachte] trok aan mijn haren. [verdachte] trok aan mijn haren zodat ik weer op de grond zou belanden. Dit was hem ook gelukt. Hij trok mij toen in de richting van de badkamer. Ik lag op de grond in de badkamer. Ik merkte dat hij mij begon te wurgen. Hij greep mijn keel dicht en ik merkte dat hij hier veel kracht bij zette. Hij kneep mijn strottenhoofd dicht. Toen ik op de grond lag, schopte [verdachte] mij ook zeker twee keer met zijn voet.\n\n2. Een geschrift, te weten een letselrapportage forensische geneeskunde van GGD Limburg d.d. 14 oktober 2024 (pg. 70-80 van het dossier), voor zover inhoudende als relaas van forensisch arts [naam arts]:\n\nNaam: [slachtoffer 1]\n\nDatum letselonderzoek: 14-10-2024\n\nDatum incident: 12-10-2024\n\nLetsel(s) Lichaamsdeel: hoofd Beschrijving: aangezicht: linkerwang tot de mond: meerdere (ongeveer 7) oppervlakkige schrammen in lengte variërend van circa 5 mm tot ca 20mm lengte en\n\nca 2-3mm breed die ongeveer richting linker mondhelft wijzen vanuit verschillende richtingen Gemelde toedracht bij het letsel: slagen in het gezicht , poging(en) tot verwurging, aan de haren over de grond gesleept worden Past gemelde toedracht bij letsel: goed\n\nLichaamsdeel: hoofd Beschrijving: aangezicht: kneuzing boven de rechter wenkbrauw lopend tot in de wenkbrauw; kneuzing met wondje onderlip rechts Gemelde toedracht bij het letsel: slagen in het gezicht, stompen, schoppen, over de grond slepen aan de hoofdharen Past gemelde toedracht bij letsel: goed\n\nLichaamsdeel: hals Beschrijving: roodverkleuring van de hals voorzijde, rond en op het strottenhoofd Gemelde toedracht bij het letsel: poging(en) tot verwurging Past gemelde toedracht bij letsel: goed\n\nLichaamsdeel: hoofd Beschrijving: vlekkige roodheid hoofdhuid boven achter, niet meer actief bloedende\n\nverwonding behaarde hoofdhuid Gemelde toedracht bij het letsel: aan de haren over de grond gesleept, slagen op de behaarde hoofdhuid Past gemelde toedracht bij letsel: goed\n\nLichaamsdeel: rechterarm Beschrijving: meerdere kleinere diffuse bloeduitstortingen van wisselende grootte\n\nen lengte, van duimgroot tot vingerlang, met name bovenarm en schouder Gemelde toedracht bij het letsel: vastgrijpen, knijpen, slagen, stompen Past gemelde toedracht bij letsel: goed\n\nLichaamsdeel: rug Beschrijving: midden op de rug ongeveer ter hoogte van de eerste lendenwervel\n\nbevindt een diffuse ovaalvormige bloeduitstorting van ca 5cm lang en ca 3 cm breed diagonaal ongeveer van rechtsboven naar linksonder lopend Gemelde toedracht bij het letsel: slagen, stompen en schoppen Past gemelde toedracht bij letsel: goed\n\nLichaamsdeel: heup Beschrijving: forse bloeduitstortingen op beide heupen ter hoogte het bovenste\n\nbotuitsteeksel van de bovenbenen (trochanter major femur) alsook enkele diffusere bloeduitstortingen Gemelde toedracht bij het letsel: slagen, stompen, schoppen, tegen de grond gooien, over de grond slepen aan de haren Past gemelde toedracht bij letsel: goed\n\nLichaamsdeel: rechterbeen Beschrijving: rechterkuit onder de knie een diffuse bloeduitstorting in een\n\nzogenaamde takkenbos-ader (besenreiser)\n\nGemelde toedracht bij het letsel: slagen, stompen, schoppen, tegen de grond gooien Past gemelde toedracht bij letsel: mogelijk\n\nLichaamsdeel: borst Beschrijving: bloeduitstortingen c.q. kneuzingen van de rechterborst met enkele\n\nongeveer vingertop grote hematomen in het linker (mediane) bovenkwadrant van de borst en een groter diffuus van vrijwel het gehele linker (mediane) onderkwadrant overgaand naar het rechter (laterale) onderkwadrant\n\nGemelde toedracht bij het letsel: zeer hard met hand gegrepen en geknepen in met name de rechterborst, slagen en stompen Past gemelde toedracht bij letsel: goed\n\n3. Het proces-verbaal van verhoor slachtoffer d.d. 30 oktober 2024 (pg. 93-98 van het dossier), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor van slachtoffer [slachtoffer 2]:\n\nV: Vraag verbalisant\n\nA: Antwoord slachtoffer\n\nV: Kan je mij vertellen wat er precies heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2024?\n\nA: Om 21.15 uur ongeveer kregen mijn collega en ik een melding, we werden verzocht om naar een man te gaan die kortstondig zijn bewustzijn verloren had nadat hij gevallen\n\nwas op zijn hoofd, mogelijk vanwege dronkenschap. Wij reden naar de camping waar dit voorval zou hebben plaatsgevonden (het hof begrijpt: de camping [camping] , gelegen op [adres 2] , binnen de gemeente Venray). We werden door een medewerkster van de camping naar het chalet gebracht. Ik zag dat de man om wie het ging in de slaapkamer stond. Ik pakte de man bij zijn elleboog en wilde hem begeleiden naar de ambulance. Ik hoorde dat hij zei dat hij niet mee wilde en voelde dat hij zich afweerde. Terwijl de man nog op bed zat, zag ik dat mijn collega in de ruimte naast de slaapkamer was. Ik zag dat mijn collega mij aankeek en ik hoorde dat zij zei dat ze een tweede ambulance en politie ter plaatse wilde hebben. Ik hoorde dat mijn collega iets in de trant van: 'huiselijk geweld of mishandeling' zei. Ergens tussendoor hoorde ik van een persoon in de chalet dat de man die wij wilden onderzoeken ' [verdachte] ' (het hof begrijpt hierna telkens: de verdachte [verdachte]) heette. Toen ik mijn portofoon pakte en bij de meldkamer een tweede ambulance en een politie-eenheid ter plaatse vroeg, vroeg de meldkamer waarom. Ik gaf via de portofoon antwoord en denk, dat weet ik niet meer zeker, dat ik zei dat er mogelijk sprake was van mishandeling. Nadat ik het woord mishandeling uitsprak, voelde ik, voordat ik het wist, dat ik bij mijn baard werd gegrepen. [verdachte] trok zich aan mijn baard omhoog. Terwijl [verdachte] mijn baard vasthad zag ik dat [verdachte] met zijn andere arm uithaalde in de richting van mijn gezicht. Ik zag dat [verdachte] mij met een gebalde vuist sloeg. Ik voelde een hele harde klap tegen mijn linker kaak. Ik wilde [verdachte] terug naar de grond duwen en hem op de grond houden, maar op dat moment voelde ik dat [verdachte] mijn portofoon uit mijn rechterhand sloeg. Ik voelde dat [verdachte] heel hard tegen mijn rechterhand sloeg en voelde een enorme pijnscheut door mijn hand.\n\nV: Wat voor fysiek letsel hield jij over aan de mishandeling?\n\nA: Allereerst trok de man mijn baard er grotendeels af.\n\n4. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 14 oktober 2024 (pg. 104-106 van het dossier), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige]:\n\nOp 12 oktober 2024 was ik werkzaam als ambulanceverpleegkundige. Ik zat\n\ndeze dienst samen met [slachtoffer 2] (het hof begrijpt hierna telkens: aangever [slachtoffer 2]) op de ambulance. Wij ontvingen een melding dat er een man op zijn achterhoofd was gevallen. De melding betrof op camping [camping] , gelegen op [adres 2] . (…) Wij stonden voor het huisje waar de man binnen zou zijn. Ik hoorde dat deze man [verdachte] (het hof begrijpt hierna telkens: de verdachte [verdachte]) heette. (…) Ik zag dat de vriendin van [verdachte] overal bloed had zitten, op haar vest, handen en gezicht. Ik liep met de vriendin van [verdachte] naar de woonkamer om haar verwondingen beter te kunnen beoordelen. [verdachte] en [slachtoffer 2] waren op dat moment op de slaapkamer. (…) Hierna rende ik naar de slaapkamer waar [verdachte] op zijn rug lag in de slaapkamer. Ik zag dat er een grote pluk baardhaar van [slachtoffer 2] op de borst van [verdachte] lag. Ik zag dat de portofoon van [slachtoffer 2] op de grond lag.\n\n5. Een geschrift, te weten een geneeskundige verklaring d.d. 1 november 2024\n\n(pg. 101-103 van het dossier), voor zover inhoudende als relaas van [naam huisarts] (huisartsenpraktijk Maasoever):\n\nMedische informatie betreffende:\n\n [slachtoffer 2] . Uitwendig waargenomen letsel: Baard gehalveerd Drukpijn jukbeen Datum waarop werd onderzocht: 13 oktober 2024 en 1 november 2024. Overige van belang zijnde informatie: - Pijn re hand.\n\n6. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 13 oktober 2024 (pg. 114-119 van het dossier), voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte [verdachte]:\n\nV: Vraag verbalisant\n\nA: Antwoord verdachte\n\nV: Met wie heb je een relatie op dit moment?\n\nA: Met [slachtoffer 1] (het hof begrijpt: aangeefster [slachtoffer 1]).\n\nV: [verdachte] , gisteravond (het hof begrijpt: 12 oktober 2024) ben jij door de collega's aangehouden op verdenking van twee mishandelingen.\n\n V: Klopt het dat je haar hebt geslagen? A: Ja, geslagen.\n\n V: Volgens de verklaring van de ambulancebroeder (het hof begrijpt: aangever [slachtoffer 2] )heb jij hem, terwijl hij jou wilde helpen, bij zijn baard gepakt en hier met kracht aan getrokken. Zo hard dat jij zelfs een stuk van zijn baard af hebt getrokken. Tevens heb je de ambulancebroeder met een vuist in het gezicht geslagen. Vertel eens waarom jij dit deed? A: Omdat ik niet mee wilde.\n\n7. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, d.d. 2 juni 2025, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte [verdachte]:\n\nHet klopt dat ik [slachtoffer 1] geslagen heb. En het klopt dat ik [slachtoffer 2]\n\naan de baard heb getrokken en daarbij enkele haren uit de baard heb getrokken.\n\nBewijsoverwegingen\n\nI. De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.\n\nII. Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.\n\nIII. De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak van het onder feit 2 tenlastegelegde bepleit omdat de verdachte gehandeld zou hebben uit noodweer. Daartoe is in de kern aangevoerd dat er sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van het lijf van de verdachte. De ambulancemedewerker, aangever [slachtoffer 2] , wilde immers herhaaldelijk medische zorg aan de verdachte verlenen, terwijl de verdachte dat niet wilde. Verdediging daartegen was gerechtvaardigd en er is daarbij voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Voor zover het hof van oordeel zou zijn dat de grenzen van de proportionaliteit zijn overschreden, doet de verdediging subsidiair een beroep op noodweerexces.\n\nHet hof overweegt dienaangaande als volgt.\n\nVoor een geslaagd beroep op noodweer dient in de eerste plaats sprake te zijn van een noodweersituatie, te weten een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed waartegen verdediging noodzakelijk en geboden is.\n\nHet hof gaat uit van de volgende, aan wettige bewijsmiddelen ontleende, feiten en omstandigheden. Op 12 oktober 2024 hadden de verdachte en zijn partner [slachtoffer 1] een feest op de camping. De verdachte had een grote hoeveelheid alcohol genuttigd. Op de weg terug naar hun chalet is de verdachte gevallen, waarna hij op de grond bleef liggen en een hoofdwond had. Daarom is de ambulance voor de verdachte gebeld. De verdachte is vervolgens met zijn partner teruggegaan naar hun chalet. Aldaar heeft hij zijn partner mishandeld. De ambulancemedewerkers, waaronder aangever [slachtoffer 2] , kwamen vervolgens ter plaatse. Aangever trachtte de verwondingen van de verdachte te controleren en wilde hem begeleiden naar de ambulance. De verdachte wilde niet mee en weerde zich af. Aangever vernam vervolgens dat de partner van de verdachte mogelijk door de verdachte mishandeld zou zijn. Mede daardoor besloot aangever extra hulpdiensten op te roepen. Op dat moment pakte de verdachte de baard van aangever vast en sloeg hem in het gezicht. Ook heeft hij een pluk baardhaar uit de baard van aangever getrokken en zijn portofoon uit zijn hand geslagen.\n\nNaar het oordeel van het hof kunnen voornoemde gedragingen van aangever niet worden aangemerkt als een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van verdachte zijn lijf, eerbaarheid of goed. Het is de plicht van aangever, als ambulancemedewerker, om hulpbehoevenden te helpen. Aangever had een melding gekregen van een man, later zijnde de verdachte, met een flinke hoofdwond die kortstondig zijn bewustzijn had verloren. Uit het dossier volgt dat de verdachte een aanmerkelijke verwonding aan zijn hoofd had (en geen schaafwondje, zoals de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard). Zijn partner [slachtoffer 1] en overige getuigen hebben immers verklaard dat de verdachte een behoorlijke hoofdwond had, buiten bewustzijn was en dat er bloed rondom het hoofd van de verdachte lag. De verdachte was aldus hulpbehoevend, hetgeen de gedragingen van aangever, verricht om de verwonding van de verdachte te controleren, rechtvaardigt. Het hof neemt daarbij voorts in aanmerking dat in het substantief ‘aanranding’ besloten ligt dat tegen de wil van de getroffene wordt gehandeld. Naar het oordeel van het hof heeft aangever niet tegen de wil van de verdachte gehandeld, nu de verdachte op dat moment redelijkerwijs niet in staat mocht worden geacht om zijn wil adequaat te uiten. Uit het dossier, waaronder het rapport van Maasstad Ziekenhuis, en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat de verdachte een grote hoeveelheid alcohol genuttigd had. Hij was onvast ter been, zwalkte, is ten val gekomen en was verbaal en fysiek agressief. De ambulancemedewerkers troffen hem aan in zijn onderbroek en T-shirt en zagen dat hij moeite had om op zijn eigen benen te staan. Het hof is daardoor van oordeel dat de verdachte niet in staat was de ernst van zijn verwonding in te schatten, hetgeen te meer rechtvaardigt dat aangever, als ambulancemedewerker, de verwonding van de verdachte diende te controleren. Al het voorgaande in acht nemend, is het hof van oordeel dat de gedragingen van aangever niet aan te merken waren als een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van verdachte zijn lijf, eerbaarheid of goed. Hetgeen door de verdediging voor het overige is aangevoerd met betrekking tot artikel 11 van de Grondwet, nog daargelaten het zogenoemde toetsingsverbod, alsmede de artikelen 7:448 en verder van het Burgerlijk Wetboek, maakt het oordeel van het hof in het licht van het hiervoor overwogene niet anders.\n\nConcluderend is het hof van oordeel dat er geen sprake was van, kortweg, een noodweersituatie, waardoor de verdachte reeds daarom geen succesvol beroep op noodweer en, in het verlengde hiervan, ook geen succesvol beroep op noodweerexces toekomt.\n\nHet hof verwerpt derhalve het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 1 subsidiair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\nmishandeling, begaan tegen zijn levensgezel.\n\nHet onder 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\nmishandeling.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.\n\nOp te leggen sanctie\n\nDe verdediging heeft het hof ter terechtzitting in hoger beroep verzocht om aan de verdachte een taakstraf op te leggen, eventueel in combinatie met een geldboete.\n\nHet hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.\n\nHet hof heeft in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.\n\nTen laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich op 12 oktober 2024 schuldig heeft gemaakt aan twee mishandelingen. De verdachte was samen met zijn partner [slachtoffer 1] op een feest. Op de terugweg is hij gevallen waardoor hij kortstondig buiten bewustzijn raakte en een forse hoofdwond opliep. Zijn partner probeerde hem te helpen, maar bij terugkomst in hun chalet heeft de verdachte haar mishandeld. Hoewel het hof niet tot een bewezenverklaring van een poging tot zware mishandeling is gekomen, betreft het wel een mishandeling van zeer ernstige aard die zich nabij de grens van zware mishandeling bevindt. Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt immers dat de verdachte een pluraliteit aan geweldshandelingen heeft verricht, waarbij slachtoffer [slachtoffer 1] ook een veelheid aan letsels heeft opgelopen. Met het plegen van deze mishandeling heeft de verdachte op ingrijpende wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van zijn eigen partner, die nota bene doende was met de behartiging van het welzijn van de verdachte op het moment dat hij aanleiding zag om jegens haar geweld uit te oefenen. Voorts heeft zijn handelen bij haar gevoelens van angst en onveiligheid teweeggebracht, terwijl juist in een relatie en in de huiselijke sfeer eenieder zich veilig behoort te voelen.\n\nNa de mishandeling van zijn partner [slachtoffer 1] , is de verdachte naar zijn slaapkamer gegaan alwaar ambulancemedewerker [slachtoffer 2] ter plaatse kwam om de hoofdwond van de verdachte te controleren. Hoewel [slachtoffer 2] daar aanwezig was om de verdachte te helpen, heeft de verdachte [slachtoffer 2] mishandeld door hem te slaan en aan zijn baard te trekken. Door te handelen als bewezenverklaard heeft de verdachte niet alleen pijn en letsel veroorzaakt bij [slachtoffer 2] , maar heeft hij zich ook schuldig gemaakt aan volstrekt onacceptabel geweld tegen hulpverleners. Het hof rekent het de verdachte met name aan dat zijn agressieve gedragingen gericht waren jegens de mensen die het beste met hem voor hadden, te weten zijn partner en de ambulancemedewerker. Het hof weegt dit in strafverzwarende zin bij de strafoplegging mee.\n\nDe verdachte heeft voorts geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn wandaden. Ook dit weegt het hof in strafverzwarende zin mee.\n\nTen aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het hem betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 29 mei 2026.\n\nVerder heeft het hof rekening gehouden met de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het dossier en ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdediging naar voren gebracht dat de verdachte veel van onderhavig incident heeft geleerd. Hij is minder gaan drinken en heeft zijn leven weer op orde. Hij en zijn partner [slachtoffer 1] hebben het incident achter zich gelaten en zijn weer samen. Voorts heeft hij een eigen installatiebedrijf met zijn zoon. Een gevangenisstraf zou een negatief effect hebben op het bedrijf van de verdachte, aldus de verdediging.\n\nHet hof heeft tevens kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 14 mei 2025. In voornoemd rapport heeft de reclassering te kennen gegeven dat het recidiverisico als laag wordt ingeschat. De reclassering adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen, omdat er geen sprake is van een delictpatroon en er ook geen aanwijzingen zijn voor geweld binnen de relatie.\n\nNaar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van de bewezenverklaarde geweldsfeiten, bijeengenomen, in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het op deze delicten gestelde wettelijk strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te melden duur met zich brengt. Voor oplegging van een taakstraf, zoals de politierechter heeft gedaan en is verzocht door de verdediging, ziet het hof in het licht van de ernst van de bewezenverklaarde feiten geen ruimte.\n\nAlles afwegende acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 8 weken waarvan 6 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, passend en geboden. Het hof komt daarmee tot oplegging van een lichtere straf dan door de advocaat-generaal is gevorderd. Hoewel het hof van oordeel is dat de ernst van de feiten de door de\n\nadvocaat-generaal gevorderde straf op zich rechtvaardigen, houdt het hof ten voordele van de verdachte in meerdere mate dan de advocaat-generaal rekening met zijn persoonlijke omstandigheden en de gevolgen van een langdurige gevangenisstraf voor zijn bedrijf. Bovendien is het hof van oordeel dat met oplegging van deze gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf de ernst van het bewezenverklaarde voldoende tot uitdrukking wordt gebracht en de strafoplegging dienstbaar wordt gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 63, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nvernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nverklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nverklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan;\n\nverklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nverklaart het onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van8 (acht) weken;\n\nbepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) weken, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. A.C. van Campen, voorzitter,\n\nmr. S.V. Pelsser en mr. T. van de Woestijne, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. N.H.P. van der Linde, griffier,\n\nen op 26 juni 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1754","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:41.859Z",{"id":63,"ecli":64,"slug":65,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":66,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":67,"sourceTimestamp":68,"parsedAt":35,"updatedAt":69},"1008","ECLI:NL:RBLIM:2024:4808","ecli-nl-rblim-2024-4808","RECHTBANK LIMBURG\n\nZittingsplaats Roermond\n\nStrafrecht\n\nParketnummer : 03.206787.23\n\nTegenspraak\n\nVonnis van de meervoudige kamer d.d. 19 juli 2024\n\nin de strafzaak tegen\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboortegegevens] 1988,\n\nwonende te [adres 1] .\n\nDe verdachte wordt bijgestaan door mr. S.C.H. Rutjens, advocaat kantoorhoudende te Roermond.\n\n1. Onderzoek van de zaak\n\nDe zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 5 juli 2024. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.\n\nHet slachtoffer [slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Namens de benadeelde partij is op de zitting gehoord mr. J. Rensen. De benadeelde partij [slachtoffer] zelf is niet op de zitting verschenen. Haar moeder was wel aanwezig. De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding behandeld.\n\n2. De tenlastelegging\n\nDe tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.\n\nDe verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:\n\nFeit 1: in de periode van 29 tot en met 30 juli 2023 ontucht heeft gepleegd met de minderjarige [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] ), bestaande uit onder meer het seksueel binnendringen van haar lichaam;\n\nFeit 2: in de periode van 29 tot en met 30 juli 2023 opzettelijk de minderjarige [slachtoffer] aan het wettig over haar gesteld gezag heeft onttrokken;\n\nFeit 3: in de periode van 1 juni 2023 tot en met 30 juli 2023 seksuele afbeeldingen via chats aan de eerder genoemde [slachtoffer] heeft verzonden, hetgeen primair ten laste is gelegd als het aanbieden van pornografie aan minderjarigen en subsidiair als het ongevraagd toezenden van pornografie;\n\nFeit 4: in de periode van 1 juni 2023 tot en met 30 juli 2023 kinderpornografische afbeeldingen van [slachtoffer] heeft verworven en deze in bezit heeft gehad.\n\n3. De beoordeling van het bewijs3.1. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten. Ten aanzien van feit 3 acht de officier van justitie het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.3.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging refereert zich ten aanzien van feit 1 aan het oordeel van de rechtbank. Datzelfde geldt voor feit 4, met dien verstande dat de verdediging erop wijst dat er geen afbeeldingen in het dossier zitten. Ten aanzien van de feiten 2 en 3 heeft de verdediging vrijspraak bepleit. Zij voert daartoe ten aanzien van feit 2 aan dat de verdachte in de eerste plaats niet wist dat [slachtoffer] minderjarig was en in de tweede plaats verdachte geen beslissende invloed heeft gehad op de (voortdurende) scheiding tussen haar en degene die het gezag over haar uitoefent. Ten aanzien van het primair tenlastegelegde onder feit 3 geldt ook dat de verdachte niet op de hoogte was van de minderjarigheid van [slachtoffer] . Wat betreft het subsidiair tenlastegelegde onder feit 3 geldt dat [slachtoffer] zelf om “dingen” heeft gevraagd.3.3. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nInleiding\n\nOp 29 juli 2023 rond 19.30 uur heeft de toen 14-jarige [slachtoffer] de woning van haar moeder in [plaatsnaam] verlaten met de mededeling dat zij naar een vriendin zou gaan en hier zou overnachten. De moeder vertrouwde het niet en probeerde de hele avond contact met haar dochter te krijgen. Dat lukte niet. Moeder heeft de vader van [slachtoffer] ingelicht (die elders woont) en ze zijn op onderzoek uitgegaan. Via de app “find my phone” kwamen ze erachter dat hun dochter ergens in Weert zou moeten verblijven. Ze zijn naar Weert gegaan en hebben daar naar haar gezocht, maar konden haar niet vinden. Ze hebben zich gemeld bij het politiebureau in Weert. Ook de politie heeft gezocht, maar zonder resultaat.\n\nDe volgende ochtend, op 30 juli 2023, kwamen ze er achter dat [slachtoffer] via een tikkie geld had gekregen van ene [verdachte] . Ze meldden dit aan de politie in Weert. Uit onderzoek van de politie komt vervolgens onder die naam de verdachte naar voren, die woonachtig is in Weert, in de straat waar [slachtoffer] volgens de “find my phone”-app zou moeten verblijven. De politie gaat naar de woning van de verdachte. Daar treffen ze [slachtoffer] aan, in haar ondergoed en ze lijkt onder invloed van verdovende middelen te zijn. [slachtoffer] wordt herenigd met haar ouders. Zij doen aangifte tegen de verdachte van seksueel misbruik en onttrekking aan het ouderlijk gezag.\n\nBewijsmiddelen\n\nFeit 1\n\nDe rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in de periode van 29 tot en met 30 juli 2023 ontucht heeft gepleegd met de toen 14-jarige [slachtoffer] . De rechtbank zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte het tenlastegelegde heeft bekend en door of namens hem met betrekking tot dit feit geen vrijspraak is bepleit:\n\nde bekennende verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van 5 juli 2024;\n\nhet proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden.\n\nFeiten 2, 3 en 4\n\nDe aangifte van [naam 1]vermeldt – zakelijk weergegeven – onder meer:\n\nIk doe aangifte van onttrekken aan het ouderlijk gezag van mijn minderjarige dochter [slachtoffer] . [slachtoffer] is 14 jaar oud en is geboren op [geboortedatum] .\n\nGister, zaterdag 29 juli 2023, is [slachtoffer] omstreeks 19.30 uur vertrokken met de fiets. Zij zou bij een vriendin, [naam 2] , gaan logeren. Ik belde [slachtoffer] om 20.20 uur, maar ze nam niet op. Om 20.25 uur zag ik dat ik een bericht van [slachtoffer] kreeg waarin ze zei: 'Ik ben ff bezig, ik bel je zo wel'. Ik gaf aan dat ik nu meteen gebeld wilde worden. Ik zag dat [slachtoffer] enkele minuten later schreef: 'Mam wacht ff' . Ik bleef [slachtoffer] bellen en appen, maar kreeg geen contact met haar. Om 20.49 uur zag ik dat [slachtoffer] stuurde dat ze bij [naam 2] was en dat ik haar moest vertrouwen. Ik stuurde weer terug: 'Bel me nu'. Hierna kreeg ik helemaal geen contact meer. Ik ging vervolgens naar het politiebureau in Weert. We zijn blijven zoeken in Weert, samen met de politie, maar konden [slachtoffer] niet vinden.\n\nVanochtend, zondag 30 juli 2023, zag [naam 3] op de rekening van [slachtoffer] dat zij een Tikkie had gestuurd en dat er 18 euro op haar rekening was bijgeschreven, gestort door [verdachte] . [naam 3] heeft de politie gebeld en ik heb de naam [verdachte] en het rekeningnummer ook doorgegeven aan de politie in Weert. De politie is naar een adres gegaan en even later kwamen zij met [slachtoffer] terug.\n\nIn een informatief gesprek zeden heeft het slachtoffer [slachtoffer] , d.d. 3 augustus 2023– zakelijk weergegeven – onder meer het volgende verklaard:\n\n [slachtoffer] is 14 jaar en woont in [plaatsnaam] .\n\n [verdachte] en [slachtoffer] hebben 2 keer eerder afgesproken, het ging goed, ze hadden een relatie en ze wilden een stapje verder gaan. Ze hebben elkaar via Snapchat leren kennen ongeveer 2 maanden geleden.\n\nOngeveer een week geleden heeft ze foto’s van de lul van [verdachte] ontvangen. [slachtoffer] heeft meerdere bikinifoto’s gestuurd naar [verdachte] . Ze heeft ook een foto van zichzelf naakt onder de douche gestuurd. Hierop is alles te zien.\n\n [verdachte] weet dat [slachtoffer] 14 jaar oud is. Dit hebben ze online al met elkaar besproken. [verdachte] had [slachtoffer] ouder ingeschat. [verdachte] is 35 volgens [slachtoffer] .\n\n [verdachte] heeft [slachtoffer] op zaterdag 29 juli 2023 om 19:30 uur opgehaald op het station in [plaatsnaam] . Hierna zijn ze met de trein terug naar Weert gegaan.\n\nVerbalisant [naam 4]heeft onderzoek gedaan naar de telefoon van het slachtoffer en relateert – zakelijk weergegeven – als volgt:\n\nOp zondag 30 juli 2023 heeft om 13.30 uur te Weert een informatief gesprek plaatsgevonden met [slachtoffer] (geboortedatum [geboortedatum] ). In dit gesprek gaf [slachtoffer] aan dat de gesprekken met de verdachte [verdachte] (geboortedatum [geboortegegevens] ) hebben plaatsgevonden via Snapchat.\n\nIk zag dat er in de chat gesproken wordt over het kopen van een treinticket. Ik zag dat [verdachte] om 17.37 uur vroeg ‘Heb je ticket’ en dat [slachtoffer] om 17.37 uur antwoordde met ‘Thanksss’.\n\n [verdachte] :\n\nKoop nu wel. Welke e-mail moet die heen, je ticket\n\nIk ( [slachtoffer] )\n\n [e-mail]\n\nTijdens het studioverhoor heeft het slachtoffer [slachtoffer]– zakelijk weergegeven – onder meer het volgende verklaard:\n\nV: Wat had jij [verdachte] over jezelf verteld voordat jullie elkaar ontmoet hadden?\n\nG: Dat ik veertien was. (…) Hij weet ook dat ik een zus heb. Dat m’n ouders zijn gescheiden. Dat ik op Mavo zit, in de toen, volgens mij nog tweede. (…)\n\nV: Toen jij op zaterdag 29 juli 2023 van huis vertrok, dacht je moeder dat je naar je vriendin [naam 2] ging.\n\nG: Ja\n\nV: Wat had jij daarover tegen [verdachte] gezegd?\n\nG: Hij wist wel dat ik tegen m’n ouders had gezegd dat ik had gezegd dat ik bij [naam 2] ging slapen.\n\nV: Heb je wel eens filmpjes van jezelf gestuurd naar [verdachte] , waarop seksuele handelingen te zien zijn?\n\nG: Ja\n\nDe verdachte verklaartin een verhoor bij de politie – zakelijk weergegeven – onder meer;\n\nV: Wat voor soort foto’s heb jij van haar ontvangen?\n\nA: Naaktfoto’s. (…)Toen kreeg ik een kort filmpje waarin ze met een haarborstel tekeer ging. Ze deed die in haar vagina. Toen zei ik al: doe eens rustig aan, straks maak je dingen kapot daar.\n\nV: Hoe weet je dat zij het was op dat filmpje?\n\nA: Ze had het echt constant over die borstel.\n\nV: Waarop je haar later kon herkennen?\n\nA: Ik herkende haar wel toen ik haar eenmaal zag afgelopen zaterdag.\n\nV: Welke foto’s heb jij naar haar gestuurd?\n\nA: Gewoon, mijn lul.\n\nV: Heb je ook video’s gestuurd?\n\nA: Korte video’s ja.\n\nV: Wat is daarop te zien?\n\nA: Video’s van mezelf en met mijn ex heb ik weleens een keer een video gemaakt.\n\nBewijsoverwegingen\n\nMinderjarigheid\n\nUit de bovenstaande bewijsmiddelen volgt dat [slachtoffer] ten tijde van de ten laste gelegde feiten 14 jaar oud was en derhalve minderjarig.\n\nDe rechtbank acht ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte dit wist. [slachtoffer] heeft bij de politie in het informatief gesprek zeden verklaard dat zij haar leeftijd aan de verdachte heeft verteld en daarna tijdens het studioverhoor heeft zij deze verklaring herhaald. De rechtbank heeft geen aanleiding te twijfelen aan de verklaring van [slachtoffer] . Daar komt bij dat de rechtbank de verklaring van de verdachte, dat hij niet wist dat [slachtoffer] minderjarig was en dat zij had gezegd 18 jaar te zijn, juist niet geloofwaardig acht. De rechtbank betrekt hierbij dat in het e-mailadres van [slachtoffer] dat in het bezit van de verdachte was het getal [geboortejaar] staat vermeld, zijnde het geboortejaar van [slachtoffer] . Ook wist de verdachte dat [slachtoffer] op de mavo zat en tegen haar moeder een smoesje had verzonnen, omdat zij anders geen toestemming zou krijgen elders te overnachten.\n\nT.a.v. feit 2: Opzettelijk onttrekken aan wettig gezag\n\nZoals gezegd volgt uit de bewijsmiddelen dat [slachtoffer] minderjarig was en dat de verdachte dit wist. Uit de bovengenoemde bewijsmiddelen volgt bovendien dat de ouders van [slachtoffer] in de periode van 29 tot en met 30 juli 2023 geruime tijd niet op de hoogte waren van haar verblijfplaats, geen contact met haar konden krijgen en haar niet konden vinden, terwijl [slachtoffer] (naar achteraf bleek) gedurende die tijd in gezelschap van de verdachte was en in zijn woning heeft verbleven. Dit brengt de rechtbank bij de vraag of de verdachte [slachtoffer] hierdoor heeft onttrokken aan het wettig gezag. De rechtbank overweegt dat in het geval een minderjarige zelf het initiatief neemt om de ouderlijke woning te verlaten, het niet van belang is of degene die de minderjarige opvangt \u002F of waar de minderjarige daarna verblijft, heeft bijgedragen aan de besluitvorming van de minderjarige om weg te lopen. Het is in die situatie vervolgens wel vereist dat de verdachte een beslissende invloed heeft gehad op de (voortdurende) scheiding tussen de minderjarige en degene die het gezag uitoefent.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is hier sprake van een beslissende invloed door de verdachte. De verdachte is [slachtoffer] vanuit Weert in [plaatsnaam] gaan ophalen, heeft haar treinkaartje betaald en wist dat zij continu gebeld werd door haar bezorgde ouders en zus. De verdachte moet dus hebben geweten dat haar familie zich zorgen maakte. Van een volwassen man (zoals verdachte is) mag dan worden verwacht dat hij zelf de ouders van [slachtoffer] belt om de situatie te bespreken. De verdachte heeft dit echter niet gedaan. Integendeel. Hij heeft haar gedurende de nacht bij zich gehouden, seks met haar gehad, met haar drugs gebruikt en ook de volgende ochtend geen aanstalten gemaakt haar te overreden terug naar huis te gaan. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte door te handelen zoals hij heeft gedaan, [slachtoffer] met (voorwaardelijk) opzet heeft onttrokken aan het wettig gezag.\n\nDe rechtbank acht het tenlastegelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.\n\nT.a.v. feit 3: Aanbieden pornografische afbeeldingen aan minderjarigen\n\nDe verdachte heeft bekend dat hij foto’s van zijn ontblote penis en een korte video waar hij seksuele handelingen verricht met zijn ex naar [slachtoffer] heeft gestuurd. [slachtoffer] was op dat moment 14 jaar oud. Zoals hiervoor reeds overwogen acht de rechtbank bewezen dat de verdachte wist dat ze pas 14 was. De afbeeldingen zijn bovendien van zodanig expliciet seksuele aard, dat vertoning daarvan aan personen beneden de leeftijd van 16 jaar een risico op schade met zich brengt.\n\nDe rechtbank acht het tenlastegelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.\n\nT.a.v. feit 4: Bezitten en verwerven van kinderpornografie\n\nDe rechtbank overweegt dat de door [slachtoffer] verstuurde foto en filmpje binnen de context waarin zij zijn gestuurd een onmiskenbare seksuele strekking hadden. Het feit dat de beelden zich niet in het dossier bevinden acht de rechtbank in dit geval niet relevant, nu het slechts om een zeer geringe hoeveelheid gaat, duidelijk is wat hier op te zien is en met name om welke persoon het gaat. Doordat duidelijk is dat [slachtoffer] de persoon op de afbeeldingen is, is duidelijk dat het om een minderjarige gaat en dat de verdachte dit wist.\n\nDe rechtbank acht het tenlastegelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.3.4. \n\nDe bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht bewezen dat de verdachte\n\nT.a.v. feit 1:\n\nin de periode van 29 juli 2023 tot en met 30 juli 2023 in de gemeente Weert, meermalen, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] ;\n\nT.a.v. feit 2:\n\nin de periode van 29 juli 2023 tot en met 30 juli 2023 in de gemeente Weert opzettelijk een minderjarige, te weten [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , heeft onttrokken aan het wettig over haar gesteld gezag;\n\nT.a.v. feit 3 primair:\n\nin de periode van 1 juni 2023 tot en met 30 juli 2023 in Nederland afbeeldingen, waarvan de vertoning schadelijk is te achten voor personen beneden de leeftijd van 16 jaar, te weten foto's en video's waarop zijn, verdachtes, ontblote penis te zien is en waarop te zien is dat hij, verdachte, seksuele handelingen verricht met\u002Fbij een (volwassen) vrouw, via Snapchat, althans via een chatprogramma heeft verstrekt aan een minderjarige van wie hij wist dat deze jonger was dan 16 jaar, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] );\n\nT.a.v. feit 4:\n\nop één of meer tijdstippen in de periode van 1 juni 2023 tot en met 30 juli 2023 in de gemeente Weert afbeeldingen, te weten een foto en een video van seksuele gedragingen, waarbij [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] ) is betrokken heeft verworven en in bezit gehad, welke seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit:\n\nhet met een borstel vaginaal penetreren van het eigen lichaam door die [slachtoffer] en\n\nhet geheel naakt poseren door die [slachtoffer] , waarbij de afbeelding telkens een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en\u002Fof strekt tot seksuele prikkeling.\n\nDe rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:\n\nT.a.v. feit 1:\n\nmet iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam\n\nT.a.v. feit 2:\n\nopzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over haar gesteld gezag\n\nT.a.v. feit 3 primair:\n\neen afbeelding, bevattende een afbeelding waarvan de vertoning schadelijk is te achten voor personen beneden de leeftijd van zestien jaar, verstrekken aan een minderjarige van wie hij weet dat deze jonger is dan zestien jaar\n\nT.a.v. feit 4:\n\neen afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken verwerven en in bezit hebben\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.\n\n5. De strafbaarheid van de verdachte\n\nDe verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.\n\n6. De straf en\u002Fof de maatregel6.1. \n\nDe vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering en een locatieverbod voor het adres van de moeder, de vader, het werk en de school van [slachtoffer] .\n\nDe officier van justitie heeft bij de formulering van zijn strafeis rekening gehouden met de ernst van de feiten, de impact van het handelen op [slachtoffer] en haar omgeving en de persoonlijke omstandigheden en proceshouding van de verdachte. De officier van justitie acht als strafverzwarende omstandigheden het aanbieden van cocaïne aan [slachtoffer] en dat de verdachte haar heeft ontmaagd. Strafverminderend acht de officier van justitie dat de seks consensueel is geweest en de verdachte op eigen initiatief hulp heeft gezocht.\n\n6.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft verzocht te volstaan met een gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de duur van het voorarrest gecombineerd met een voorwaardelijk deel, waar de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd aan verbonden kunnen worden en daarnaast een taakstraf. Zij benadrukt dat het van groot belang is dat de verdachte niet naar de gevangenis gaat.6.3. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nBij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.\n\nErnst van de feiten\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen bij de toentertijd 14-jarige [slachtoffer] , welke tevens bestonden uit het seksueel binnendringen van haar lichaam. De verdachte was op dat moment 35 jaar oud. Hij heeft haar meegenomen naar zijn huis om met haar seks te hebben en heeft haar daarbij cocaïne aangeboden. Zij heeft dit aanvankelijk geweigerd, maar nadat hij bleef aandringen heeft zij het toch gebruikt. Om seks met haar te kunnen hebben, heeft hij [slachtoffer] in [plaatsnaam] opgehaald en heeft haar treinkaartje naar Weert betaald. [slachtoffer] is vervolgens een hele avond, nacht en ochtend onbereikbaar geweest voor haar familie. De verdachte wist dit ook, omdat zij veelvuldig door hen gebeld werd. Dit heeft bij de ouders (en zus) enorme onrust en spanningen veroorzaakt. Daarnaast heeft hij als volwassen man foto’s van zijn ontblote penis en filmpjes waarop seksuele handelingen te zien zijn naar de minderjarige [slachtoffer] gestuurd. Confrontatie met dergelijke afbeeldingen en filmpjes kan schadelijk zijn voor de ontwikkeling van jeugdigen en zij dienen hiertegen beschermd te worden. Tot slot heeft de verdachte een naaktfoto en -filmpje van [slachtoffer] verworven en in zijn bezit gehad.\n\nDe bewezenverklaarde ontucht bestond onder meer uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer] . Hoewel van dwang niet is gebleken, dient een meisje op die leeftijd beschermd te worden. De wetgever heeft er juist voor gekozen om seks met personen onder de 16 jaar ongeclausuleerd strafbaar te stellen, omdat deze jongeren zich in een kwetsbare ontwikkelingsfase bevinden en zij vaak onvoldoende in staat zijn om hun seksuele integriteit te bewaken en de draagwijdte van hun gedrag te overzien.\n\nDoor zijn handelen heeft de verdachte op ernstige wijze inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en lichamelijke en seksuele integriteit van het slachtoffer. De ervaring leert dat veel slachtoffers van dit soort feiten zich, vanwege hun jonge leeftijd, pas op latere leeftijd realiseren wat er daadwerkelijk is gebeurd en daarvan nog lang nadelige gevolgen kunnen ondervinden. Dat de handelingen consensueel waren, doet daar niet aan af.\n\nPersoon van de verdachte\n\nDe rechtbank heeft bij de bepaling van de soort en hoogte van de straf kennis genomen van het strafblad van 11 juni 2024 en rekening gehouden met het over de verdachte uitgebrachte reclasseringsadvies van 1 maart 2024. In dit rapport komt naar voren dat de verdachte een slecht sociaal ingebedde, eenzame, man is, die een problematische relatie heeft met zijn moeder en hoge behoefte heeft aan genegenheid. Het niet hebben van een relatie ervaart hij als een gemis. De reclassering adviseert bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden.\n\nStraf\n\nDe eis van de officier van justitie begrijpt de rechtbank in het licht van hetgeen voor soortgelijke feiten wordt opgelegd. De rechtbank is evenwel van oordeel dat een lagere straf dient te worden opgelegd, met name omdat van dwang geen sprake is geweest, het initiatief tot afspreken van beide kanten lijkt te zijn gekomen, er sprake was van een emotionele band tussen [slachtoffer] en de verdachte en mede gelet op de persoonlijke omstandigheden. Naar het oordeel van de rechtbank kan echter niet worden volstaan met een straf zoals door de verdediging is bepleit. De bewezenverklaarde feiten zijn daarvoor te ernstig, waarbij de rechtbank in strafverzwarende zin met name meeweegt het forse leeftijdsverschil, dat de verdachte de 14-jarige [slachtoffer] meermaals cocaïne heeft aangeboden en samen met haar heeft gebruikt, alsmede het feit dat hij de familie van [slachtoffer] al die tijd in onzekerheid heeft gelaten over waar zij was.\n\nAlles afwegend is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar passend en geboden is. De rechtbank zal daarbij de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden opleggen. De rechtbank zal geen locatieverbod opleggen, omdat er geen aanwijzingen zijn dat de verdachte [slachtoffer] heeft opgezocht of zal gaan opzoeken en de verdachte middels het contactverbod al op geen enkele wijze direct of indirect contact met [slachtoffer] mag opnemen.\n\nTenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet of tot het moment dat de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling aan de orde is, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering.\n\n7. De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel7.1. \n\nDe vordering van de benadeelde partij\n\nDe benadeelde partij vordert schadevergoeding tot een bedrag van 117.045,78 euro. Deze vordering is opgebouwd uit de navolgende posten:\n\nreis- en parkeerkosten voor de moeder van [slachtoffer] : 544,22 euro\n\nreis- en parkeerkosten voor de vader van [slachtoffer] : 490,07 euro\n\nmorning-after pil: 11,49 euro\n\nimmateriële schade: 16.000,- euro\n\nverhoging immateriële en materiële schade: 100.000,- euro.\n\nDe benadeelde partij heeft verzocht de post ‘verhoging immateriële en materiële schade’ niet ontvankelijk te verklaren omdat dit is opgenomen met het oog op een eventueel hoger beroep en nog niet voorziene schade.\n\nDe benadeelde heeft verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.7.2. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie acht de vordering ten aanzien van de onderbouwde materiële en immateriële schade geheel toewijsbaar, te vermeerderen met de wettelijke rente. Voorts heeft hij gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.\n\nTen aanzien van het voorschot, de verhoging immateriële en materiële schade voor een bedrag van 100.000,- euro, heeft de officier van justitie geconcludeerd dat de benadeelde partij voor dat deel van de vordering niet ontvankelijk dient te worden verklaard.7.3. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering ten aanzien van de materiële schade, gelet op de onvoldoende onderbouwing, dient te worden afgewezen. Niet is gebleken welke afspraken voor [slachtoffer] noodzakelijk waren, met bijvoorbeeld afspraakbevestigingen. De vordering ten aanzien van de immateriële schade wordt tot een bedrag van 10.000,- euro niet door de verdediging betwist.\n\nTen aanzien van de verhoging van de vordering met een bedrag van 100.000,- euro stelt de verdediging zich op het standpunt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.7.4. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank is van oordeel dat door [slachtoffer] schade is geleden en dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van het bewezenverklaarde.\n\nDe rechtbank acht een bedrag van 365,58 euro ten aanzien van de materiële schade toewijsbaar. Dit bedrag bestaat uit de kosten voor de morning-after pil en de reiskosten die de ouders van [slachtoffer] hebben gemaakt door op 29 en 30 juli van [plaatsnaam] naar Weert en terug te rijden. De rechtbank acht deze kosten aannemelijk en in zoverre voldoende onderbouwd. De verder opgegeven reiskosten zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. De rechtbank is van oordeel dat het een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, wanneer de benadeelde partij nu in de gelegenheid zou worden gesteld de vordering op dat onderdeel nader te onderbouwen.\n\nVoor het nadeel dat niet uit vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding omdat zij in haar persoon is aangetast. De rechtbank stelt de door de benadeelde partij geleden immateriële schade vast op een bedrag van 10.000,- euro. De vordering is in zoverre niet betwist en komt de rechtbank niet onredelijk of ongegrond voor. De rechtbank ziet in de onderbouwing van de vordering en gelet op de toegewezen schadebedragen in vergelijkbare zaken op dit moment geen aanleiding tot toewijzing van het meerdere en zal de benadeelde partij derhalve voor het overige niet ontvankelijk verklaren. Zij zal de benadeelde partij eveneens niet ontvankelijk verklaren in haar vordering voor zover deze ziet op de verhoging van de materiële en immateriële schade van een bedrag van 100.000,- euro nu dit deel van de vordering niet is onderbouwd.\n\nWettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel\n\nDe rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling van de wettelijke rente over de toegewezen bedragen, te rekenen vanaf 30 juli 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.\n\nDe rechtbank zal hiervoor tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.\n\n8. De wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 240a, 240b, 245, 279 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.\n\n9. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;\n\nspreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;\n\nStrafbaarheid\n\nverklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan9 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van3 jaren;\n\nbeveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\nbepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd van 3 jaren zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;\n\nstelt de volgende bijzondere voorwaarden, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd heeft te voldoen:\n\nMeldplicht bij de reclassering\n\na. de veroordeelde meldt zich binnen drie dagen na het ingaan van de proeftijd bij GGZ reclassering Limburg op het adres [adres 2] (telefoonnummer [telefoonnummer] ). De veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;\n\nAmbulante behandeling (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname)\n\nde veroordeelde laat zich behandelen door De Rooyse Wissel of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start zo spoedig mogelijk. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt.\n\nBij een terugval in middelengebruik of verslechtering van het psychiatrisch ziektebeeld kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal de veroordeelde zich, na goedkeuring door de rechter, laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt;\n\nContactverbod\n\nde veroordeelde heeft of zoekt op geen enkele wijze – direct of indirect – contact met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;\n\nMiddelencontrole\n\nde veroordeelde werkt mee aan controle van het gebruik van cocaïne om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak de veroordeelde wordt gecontroleerd.\n\ngeeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;\n\nvoorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:\n\nten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;\n\nmedewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;\n\nBenadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel\n\nwijst gedeeltelijk toede vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] en veroordeelt de verdachte om aan de benadeelde partij te betalen een bedrag van10.365,58 euro, bestaande uit 365,58 euro materiële schade en 10.000,- euro immateriële schade. Het toegewezen bedrag te vermeerderen met dewettelijke rentevanaf30 juli 2023tot aan de dag der algehele voldoening;\n\nbepaaltdat [slachtoffer] voor de overige gevorderde schade niet-ontvankelijk is en zij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;\n\nveroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;\n\nlegt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer] , van een bedrag van 10.365,58 euro, te vermeerderen met dewettelijke renteover dat bedrag vanaf30 juli 2023tot aan de dag der algehele voldoening, subsidiair86 dagen gijzeling. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;\n\nde verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde partij bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. J.M.E. Kessels, voorzitter, mr. H.E.G. Peters en mr. L. Bastiaans, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.M.N.F. Roelofs, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 19 juli 2024.\n\nBuiten staat\n\nDe griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.\n\nBIJLAGE I: De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd dat\n\n1 hij in of omstreeks de periode van 29 juli 2023 tot en met 30 juli 2023 in de gemeente Weert, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] ; ( art 245 Wetboek van Strafrecht )\n\n2 hij in of omstreeks de periode van 29 juli 2023 tot en met 30 juli 2023 in de gemeente Weert, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk een minderjarige, te weten [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , heeft onttrokken aan het wettig over hem gesteld gezag en\u002Fof aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefende; ( art 279 lid 1 Wetboek van Strafrecht )\n\n3 hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2023 tot en met 30 juli 2023 in de gemeente Weert, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) (een) afbeelding(en), een voorwerp of een gegevensdrager, bevattende (een) afbeelding(en), waarvan de vertoning schadelijk is te achten voor personen beneden de leeftijd van 16 jaar, te weten een of meer foto('s) en\u002Fof video('s) waarop zijn, verdachtes, althans een ontblote (stijve) penis te zien is en\u002Fof waarop te zien is dat hij, verdachte, althans een (volwassen) man aan het masturberen is en\u002Fof waarop te zien is dat hij, verdachte, althans een (volwassen) man, seksuele handelingen verricht met\u002Fbij een (volwassen) vrouw, (via Snapchat, althans via een chatprogramma) heeft verstrekt en\u002Fof aangeboden en\u002Fof vertoond aan een minderjarige van wie hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze jonger was dan 16 jaar, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] ); ( art 240a Wetboek van Strafrecht)\n\nsubsidiairalthans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij in of omstreeks de periode van 1 juni 2023 tot en met 30 juli 2023 in de gemeente Weert, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) een of meer afbeelding(en), waarvan hij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat die afbeelding(en) aanstotelijk is\u002Fzijn voor de eerbaarheid, te weten een of meer foto('s) en\u002Fof video('s) waarop zijn, verdachtes, althans een ontblote (stijve) penis te zien is en\u002Fof waarop te zien is dat hij, verdachte, althans een (volwassen) man, aan het masturberen is en\u002Fof waarop te zien is dat hij, verdachte, althans een (volwassen) man seksuele handelingen verricht met\u002Fbij een (volwassen) vrouw, anders dan op diens verzoek heeft toegezonden aan een persoon genaamd [slachtoffer] ; ( art 240 ahf\u002Fsub 2 Wetboek van Strafrecht )\n\n4 hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juni 2023 tot en met 30 juli 2023 in de gemeente Weert, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) afbeeldingen, te weten foto's en\u002Fof video's en\u002Fof films - en\u002Fof een gegevensdrager, bevattende afbeeldingen, te weten een telefoon - van seksuele gedragingen, waarbij [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] ), althans iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, heeft verworven en\u002Fof in bezit gehad en\u002Fof zich daartoe door middel van een geautomatiseerd werk en\u002Fof met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang heeft verschaft welke seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit: het met (een) vinger(s)\u002Fhand en\u002Fof een borstel, althans (een) voorwerp(en) oraal, vaginaal en\u002Fof anaal penetreren van het eigen lichaam door die [slachtoffer] , althans een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en\u002Fof het met (een) vinger(s)\u002Fhand en\u002Fof (een) voorwerp(en) betasten en\u002Fof aanraken van het eigen geslachtsdeel, de eigen anus, de eigen billen en\u002Fof borsten door die [slachtoffer] , althans een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en\u002Fof het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van\u002Fdoor die [slachtoffer] , althans een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, waarbij die [slachtoffer] , althans deze persoon gekleed is en\u002Fof opgemaakt is en\u002Fof poseert in een omgeving en\u002Fof met (een) voorwerp(en) en\u002Fof in een erotisch getinte houding (op een wijze) die niet bij haar leeftijd past\u002Fpassen en\u002Fof waarbij die [slachtoffer] , althans deze persoon zich (vervolgens) in opeenvolgende afbeeldingen\u002Ffilmfragmenten van haar kleding ontdoet en\u002Fof (waarna) door het camerastandpunt en\u002Fof de (onnatuurlijke) pose en\u002Fof de wijze van kleden van die [slachtoffer] , althans deze persoon en\u002Fof de uitsnede van de foto's \u002Ffilm(s) nadrukkelijk het (ontblote) geslachtsdeel, de borsten en\u002Fof billen van die [slachtoffer] , althans deze persoon in beeld gebracht worden, (waarbij) de afbeelding (aldus) (telkens) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en\u002Fof strekt tot seksuele prikkeling (één of meer foto('s) en \u002Fof video('s), omschreven en\u002Fof waarover verklaard door [slachtoffer] op p. 12 van het pv en\u002Fof door getuige [naam 1] op p. 17 van het pv en\u002Fof door verdachte op p. 60 van het pv en\u002Fof in het pv bevindingen op p. 23 van het pv); ( art 240b lid 1 Wetboek van Strafrecht )\n\n Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2300-2023119700, gesloten d.d. 4 augustus, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 62.\n\n Proces-verbaal van bevindingen – informatief gesprek zeden d.d. 3 augustus 2023, pg. 12-14.\n\n Proces-verbaal van aangifte [naam 1] d.d. 3 juli 2023, pg. 7-10.\n\n Proces-verbaal van bevindingen – informatief gesprek zeden d.d. 3 augustus 2023, pg. 12-14.\n\n Proces-verbaal van bevindingen – onderzoek telefoon d.d. 31 juli 2023, pg. 22-26.\n\n (Aanvullend) proces-verbaal van studioverhoor met VRH-nummer 2024-05-661067 d.d. 15 mei 2024, pg. 1-18.\n\n Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] d.d. 31 juli 2023, pg. 52-62.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2024:4808","2024-07-24T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:58.711Z",20]