[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-rotterdam-disability-rights-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":26,"total":16,"page":25,"limit":61},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},61,"Rotterdam","nl","rotterdam",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},46,"disability-rights-nl","Disability Rights","NL","2026-07-08T16:53:53.126Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},4,{"min":18,"max":19},"2025-03-04T00:00:00.000Z","2026-06-03T00:00:00.000Z",[21],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"121843","Wet op de huurtoeslag","",1,[27,37,46,54],{"id":28,"ecli":29,"slug":30,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":31,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":33,"sourceTimestamp":34,"parsedAt":35,"updatedAt":36},"328","ECLI:NL:RBROT:2026:7506","ecli-nl-rbrot-2026-7506","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROT 25\u002F5845\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juni 2026 in de zaak tussen\n [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college\n\n(gemachtigde: mr. drs. M.A.C. Kooij).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het college om geen Europese gehandicaptenparkeerkaart voor passagiers (EGP-P) aan de dochter van eiseres toe te kennen. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college terecht de aanvraag voor een EGP-P heeft afgewezen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. De dochter van eiseres heeft op 17 oktober 2024 een aanvraag ingediend voor een EGP-P. Het college heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 30 december 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 30 juni 2025 op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.\n\n2.1.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 30 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigde van het college.\n\nTotstandkoming van het bestreden besluit\n\n3. Op 11 november 2024 heeft een arts van het Team Sociaal Medische Advisering (SMA) een medisch advies uitgebracht naar aanleiding van de aanvraag van de dochter van eiseres. Uit dit advies blijkt – voor zover relevant – dat de dochter van eiseres een aantoonbare loopbeperking heeft van langdurig aard, dat zij van deur tot deur continu afhankelijk is van de bestuurder en dat de maximale loopafstand wordt geschat op 250-500 meter. Zij wordt dus in staat geacht om meer dan 100 meter zelfstandig te lopen en er zijn ook geen aantoonbare andere ernstige beperkingen, anders dan een loopbeperking.\n\n3.1.. \n\nMet het primaire besluit heeft het college de aanvraag van eiseres afgewezen, omdat de dochter van eiseres niet voldoet aan criteria voor een EGP-P. Met het bestreden besluit heeft het college zijn standpunt gehandhaafd. Het college is van mening dat de dochter van eiseres niet voldoet aan de wettelijke vereisten voor een EGP-P en dat de\n\nSMA-arts een volledig beeld heeft gehad van haar medische situatie. Ook is er volgens het college geen reden om de hardheidsclausule toe te passen. Anders dan de loopbeperking is er geen andere aantoonbare ernstige beperking die het toekennen van de kaart alsnog rechtvaardigt, aldus het college.\n\nStandpunt eiseres\n\n4. Eiseres voert aan dat de aanvraag ten onrechte is afgewezen, terwijl de dochter van eiseres een erkende medische diagnose heeft. Zij heeft nog steeds, net als een aantal jaar geleden toen er wel een EGP-P is verstrekt, continu intensieve begeleiding nodig. De situatie van de dochter is dus onveranderd en haar beperkingen rechtvaardigen het alsnog toekennen van een EGP-P.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n5. Het college kan een EGP-P verstrekken als er voldaan is aan de bij ministeriele regeling gestelde criteria.Voor een gehandicaptenkaart kunnen in aanmerking komen – voor zover voor de uitspraak van belang – passagiers van motorvoertuigen op meer dan twee wielen en van brommobielen, die ten gevolge van een aandoening of gebrek een aantoonbare loopbeperking hebben van langdurige aard, waardoor zij – met de gebruikelijke loophulpmiddelen – in redelijkheid niet in staat zijn zelfstandig een afstand van meer dan 100 meter aan een stuk te voet te overbruggen en die voor het vervoer van deur tot deur continu afhankelijk zijn van de hulp van de bestuurderen bestuurders en passagiers van motorvoertuigen op meer dan twee wielen en van brommobielen, andere dan bedoeld onder a en b, die ten gevolge van een aandoening of gebrek aantoonbare ernstige beperkingen, andere dan loopbeperkingen hebben.\n\n5.1.. De rechtbank overweegt als volgt. De SMA-arts heeft de dochter van eiseres gezien tijdens een spreekuur, heeft een lichamelijk en oriënterend psychologisch onderzoek verricht, heeft nadere vragen gevragen gesteld en het medisch dossier als ook de specialistenbrief van 24 september 2024 bestudeerd. De SMA-arts heeft vervolgens geconcludeerd dat de dochter van eiseres met haar loopbeperking meer dan 100 meter zelfstandig kan lopen. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan het medisch advies van de SMA-arts. Eiseres heeft ook geen medische stukken overgelegd waaruit blijkt dat haar dochter minder dan 100 meter zelfstandig kan lopen. De brief van 28 januari 2019 waar eiseres naar verwijst betreft de medische situatie van de dochter zes jaar geleden. De arts heeft in het aanvullend advies van 19 mei 2025 toegelicht dat zij destijds onder andere afhankelijk was van sondevoeding. Zes jaar geleden was de conclusie dat de dochter van eiseres minder dan 100 meter kan lopen, maar de huidige medische situatie is nu anders en op dat punt verbeterd. Dit betekent dat de dochter van eiseres als passagier niet in aanmerking komt voor een EGP-P, omdat zij niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 1, eerste lid, onder b van de Regeling gehandicaptenkaart.\n\n5.2.. Ook het beroep op de hardheidsclausuleslaagt niet. Volgens de toelichting op de Regeling gehandicaptenkaart (Staatscourant 2001, 130, pagina 12) gaat het bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling om een hardheidsclausule die kan worden toegepast als de aanvrager van de kaart ten gevolge van een aandoening of gebrek een aantoonbare ernstige beperking heeft anders dan een loopbeperking, die het hebben van een gehandicaptenparkeerkaart rechtvaardigt.\n\n5.3.. De SMA-arts bevestigt in het aanvullend advies van 19 mei 2025 dat de dochter van eiseres snel overprikkeld is en geen situationeel bewustzijn heeft in een openbare ruimte en daarom nog steeds afhankelijk is van begeleiding. Wel concludeert de SMA-arts dat de neurologische aandoening voldoende onder controle is. Dat wat door eiseres is aangevoerd is door de SMA-arts meegewogen in het oordeel dat er geen sprake is van een aantoonbare ernstige beperking anders dan een loopbeperking. De rechtbank kan zich voorstellen dat het voor eiseres niet gemakkelijk is, maar heeft geen aanknopingspunten om anders te oordelen.\n\n5.4.. Gelet op het voorgaande, heeft het college zich mogen baseren op het advies van de SMA-arts en dus terecht de aanvraag van de dochter van eiseres afgewezen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college terecht de aanvraag voor een EGP-P heeft afgewezen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. N. Shahani, rechter, in aanwezigheid van E.J. van den Doel, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 3 juni 2026.\n\nDe griffier is verhinderd te tekenen.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Artikel 49, eerste lid, van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer.\n\n Artikel 1, eerste lid, onder b, van de Regeling gehandicaptenkaart.\n\n Artikel 1, eerste lid, onder d, van de Regeling gehandicaptenkaart.\n\n Artikel 1, eerste lid, onder d, van de Regeling gehandicaptenkaart.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7506","2026-06-29T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:24.634Z",{"id":38,"ecli":39,"slug":40,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":41,"fullText":42,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":43,"sourceTimestamp":44,"parsedAt":35,"updatedAt":45},"292","ECLI:NL:RBROT:2026:7145","ecli-nl-rbrot-2026-7145","2026-05-29T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROT 26\u002F3279\n uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 mei 2026 in de zaak tussen\n \n [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker\n\n(gemachtigde: mr. J.J.A Leemans),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college\n\n(gemachtigde: mr. S. Ercan).\n\nInleiding\n\n1. Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een Europese gehandicaptenparkeerkaart voor een bestuurder. Het college heeft deze aanvraag met een besluit van 5 augustus 2025 (het primaire besluit) afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.\n\n2. In een uitspraak van 28 oktober 2025 heeft de voorzieningenrechter dit verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.\n\n3. Met een besluit van 3 april 2026 op het bezwaar van verzoeker (het bestreden besluit) heeft het college de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.\n\n4. Over dit verzoek gaat deze uitspraak. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 13 mei 2026 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van het college.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n5. Verzoeker lijdt aan ernstige astma. Verzoeker beschikte over een Europese gehandicaptenparkeerkaart voor een bestuurder (een gehandicaptenparkeerkaart), die op 3 oktober 2025 is verlopen. Op 5 juni 2025 heeft verzoeker een aanvraag om verlenging van de gehandicaptenparkeerkaart ingediend. Met het primaire besluit heeft het college de aanvraag van verzoeker afgewezen. Volgens het college is verzoeker namelijk in redelijkheid in staat om zelfstandig (eventueel met gebruik van hulpmiddelen) een afstand van meer dan 100 meter aan één stuk te overbruggen. Het college heeft dit standpunt gebaseerd op een medisch advies van [arts 1] (hierna: [arts 1] ), arts bij het Team Sociaal Medische Advisering (hierna: Team SMA) van 4 augustus 2025.\n\n6. In de bezwaarfase heeft verzoeker [arts 2] (hierna: [arts 2] ), als arts verbonden aan het expertisebureau Trompetter & partners, verzocht een contra-expertise uit te voeren. [arts 2] is in zijn rapport van 22 januari 2026 tot de conclusie gekomen, kort gezegd, dat verzoeker niet in staat is om in redelijkheid een afstand van meer dan 100 meter aan één stuk lopend af te leggen.\n\n7. In een e-mail van 27 februari 2026 heeft [arts 3] , een andere arts van het Team SMA, hierop gereageerd, mede namens [arts 1] . In deze e-mail hebben de artsen geconcludeerd dat het rapport van [arts 2] geen aanleiding geeft om het eerdere medische advies te herzien.\n\n8. Het college heeft vervolgens in het bestreden besluit de afwijzing van de aanvraag voor een gehandicaptenparkeerkaart gehandhaafd.\n\nHet standpunt van verzoeker\n\n9. Verzoeker is het niet eens met de afwijzing van de gehandicaptenparkeerkaart. Hij voert daartoe aan dat onvoldoende is gemotiveerd waarom verzoeker in het verleden wel in aanmerking kwam voor een gehandicaptenparkeerkaart en op dit moment niet meer. De arts van het Team SMA heeft een te theoretische benadering gehanteerd bij het onderzoek en heeft onvoldoende rekening gehouden met de aard en de variabiliteit van de aandoening van verzoeker. Het college heeft bovendien een aanvullend rapport van [arts 2] van 26 maart 2026 ten onrechte niet bij het bestreden besluit betrokken. Ook heeft het college het fair play-beginsel geschonden door geen onafhankelijke derde deskundige in te schakelen. Verzoeker wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat aan hem tijdelijk een gehandicaptenparkeerkaart wordt verstrekt, totdat op het beroep is beslist.\n\nHeeft verzoeker een spoedeisend belang?\n\n10. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor de beslissing op het bezwaar of het beroep niet kan worden afgewacht.\n\n11. Voldoende aannemelijk is geworden dat de afwijzing substantiële gevolgen heeft voor de mobiliteit van verzoeker. Evenals in de uitspraak van 28 oktober 2025 zal de voorzieningenrechter daarom een spoedeisend belang aannemen.\n\nHerhaald verzoek om een voorlopige voorziening\n\n12. Naar vaste rechtspraak is de beslissing op een verzoek om een voorlopige voorziening tijdens de bezwaarprocedure in beginsel bedoeld om te gelden totdat op het bezwaar is beslist en – wanneer vervolgens beroep wordt ingesteld – de rechtbank op dat beroep heeft beslist. Een herhaald verzoek om een voorlopige voorziening kan alleen voor toewijzing in aanmerking komen als de verzoeker een beroep doet op nieuwe feiten of omstandigheden die toewijzing van zo’n verzoek kunnen rechtvaardigen. Dit is het geval als sprake is van ernstige onvolkomenheden in de eerdere uitspraak van de voorzieningenrechter of van een belangrijke wijziging van de relevante feiten en omstandigheden.\n\n13. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is sprake van een belangrijke wijziging van de relevante feiten en omstandigheden, nu verzoeker in de bezwaarfase een tegenrapport heeft overgelegd waarvan de conclusie afwijkt van de medische beoordeling van de arts van het Team SMA. De voorzieningenrechter zal het verzoek om voorlopige voorziening dus inhoudelijk behandelen. Dit is tussen partijen overigens niet in geschil.\n\nWat zijn de toepasselijke regels?\n\n14. Op grond van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling gehandicaptenparkeerkaart (de Regeling) kunnen voor een gehandicaptenparkeerkaart in aanmerking komen bestuurders van motorvoertuigen op meer dan twee wielen en van brommobielen, die ten gevolge van een aandoening of gebrek een aantoonbare loopbeperking hebben van langdurige aard, waardoor zij – met de gebruikelijke hulpmiddelen – in redelijkheid niet in staat zijn zelfstandig een afstand van meer dan 100 meter aan één stuk te voet te overbruggen.\n\n15. Op grond van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling kunnen voor een gehandicaptenparkeerkaart in aanmerking komen bestuurders en passagiers van motorvoertuigen op meer dan twee wielen en van brommobielen, andere dan bedoeld onder a en b, die ten gevolge van een aandoening of gebrek aantoonbare ernstige beperkingen, andere dan loopbeperkingen hebben.\n\nHet verzoek om een voorlopige voorziening wordt toegewezen\n\n16. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het verzoek om een voorlopige voorziening dient te worden toegewezen. De voorzieningenrechter licht dit oordeel als volgt toe. Het oordeel van de voorzieningenrechter is niet bindend in de beroepsprocedure.\n\n17. Het college heeft de weigering van de aanvraag om een gehandicaptenparkeerkaart gebaseerd op het medisch advies van de arts van het Team SMA van 4 augustus 2025 en op de e-mail van de twee artsen van het Team SMA van 27 februari 2026. Het bestuursorgaan mag, indien door een arts in zijn hoedanigheid van medisch deskundige aan een bestuursorgaan een medisch advies is uitgebracht, dit advies betrekken bij zijn beoordeling van een aanvraag, mits het op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze is opgesteld.Indien de betrokkene een tegenrapport overlegt, moet worden beoordeeld of er op basis daarvan aanknopingspunten zijn voor twijfel aan de juistheid van het medisch advies.\n\n18. Verzoeker heeft met het rapport van [arts 2] een uitgebreid gemotiveerd rapport met een tegengestelde conclusie overgelegd. In het rapport van [arts 2] is onder meer vermeld dat, hoewel verzoeker met zijn longfunctie over een redelijke inspanningstolerantie en duurbelastbaarheid beschikt, de prikkelgevoeligheid van de luchtwegen, door specifieke en aspecifieke prikkels, maakt dat de longfunctie frequent veel beperkter is. In de e-mail van 27 februari 2026 hebben de artsen van het Team SMA hierop gereageerd. In deze e-mail is onder meer vermeld dat de gevoeligheid voor aspecifieke prikkels niet naar voren komt uit de medische informatie. De artsen zien geen reden om van het eerdere advies terug te komen. In zijn nadere rapport van 26 maart 2026 heeft [arts 2] op deze e-mail gereageerd. Hierin is onder meer vermeld dat [arts 2] de conclusie van de artsen van het Team SMA dat verzoeker niet voldoet aan de voorwaarden voor een gehandicaptenparkeerkaart, niet redelijk vindt en niet passend bij de medische situatie van verzoeker. [arts 2] heeft er in zijn nadere rapport op gewezen dat een maximale loopafstand altijd een schatting is en dat de geschatte maximale afstand van 100-250 op zijn beperktst nog voldoet aan de voorwaarden voor verlening van een gehandicaptenparkeerkaart. Het college heeft dit nadere rapport niet voorgelegd aan een arts van het Team SMA.\n\n19. Hoewel het nadere rapport van [arts 2] op het punt van de aspecifieke prikkels niet geheel duidelijk is, heeft de voorzieningenrechter toch te veel twijfel aan de juistheid van de door de artsen van Team SMA getrokken conclusie dat verzoeker in redelijkheid in staat is zelfstandig een afstand van meer dan 100 meter aan één stuk te voet te overbruggen. Hierbij is met name ook het volgende van belang. Uit het medisch advies van 4 augustus 2025 blijkt dat de arts van het Team SMA zelf ook uitgaat van een forse en aantoonbare loopbeperking als gevolg van de chronische luchtwegaandoening van verzoeker. Verder staat in het advies: “Schatting van de maximale loopafstand: 100-250 meter”. De arts schat dus in dat verzoeker in het slechtste geval maximaal 100 meter lopend kan overbruggen. Daarvan uitgaande zou verzoeker wél in aanmerking komen voor een gehandicaptenparkeerkaart. Dat is immers het geval als verzoeker niet in staat is om zelfstandig een afstand van “meer dan” 100 meter aan één stuk te voet te overbruggen. Ook als de schatting van de maximale loopafstand zo moet worden begrepen dat verzoeker wel iets meer dan 100 meter zou moeten kunnen lopen, neemt dit de twijfel niet weg. De geschatte maximale afstand komt dan nog steeds heel dicht bij de afstand die wel recht geeft op een gehandicaptenparkeerkaart.\n\n20. De voorzieningenrechter betrekt verder bij zijn oordeel dat bovenaan de reactie van de artsen van het Team SMA op het rapport van [arts 2] is vermeld: “Nee, deze contra-expertise geeft geen aanleiding het eerdere advies te herzien. Allereerst het is afkomstig van een commercieel adviesbureau. Deze moet u per definitie direct opzij leggen.” Hoewel het college hiervan in het bestreden afstand heeft genomen en heeft benadrukt dat de artsen wel inhoudelijk op het rapport van [arts 2] zijn ingegaan, draagt deze opmerking niet bij aan het vertrouwen dat het rapport van [arts 2] voldoende serieus is genomen.\n\n21. Er bestaat al met al op dit moment te veel twijfel of het bestreden besluit in beroep stand zal houden. Nu daarnaast verzoeker vóór 3 oktober 2025 jarenlang wel over een gehandicaptenparkeerkaart heeft beschikt en hij genoegzaam heeft toegelicht dat het ontbreken van een zo’n kaart voor hem een substantiële belemmering van zijn mobiliteit betekent, ziet de voorzieningenrechter aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening, inhoudend dat het college verzoeker moet behandelen als ware hij in het bezit van een gehandicaptenparkeerkaart voor een bestuurder, tot vier weken nadat de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het beroep.Conclusie en gevolgen\n\n22. De voorzieningenrechter zal het verzoek toewijzen en de voorlopige voorziening treffen dat verzoeker moet worden behandeld als ware hij in het bezit van een gehandicaptenparkeerkaart voor een bestuurder, tot vier weken nadat de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het beroep.\n\n23. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet het college het griffierecht van € 200,- aan verzoeker vergoeden. Ook krijgt verzoeker een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en heeft aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-. Het rapport van [arts 2] is ook in de beroepsprocedure ingediend. Over de vraag of het college ook de kosten van dat rapport dient te vergoeden, zal in de beroepsprocedure een beslissing genomen worden.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n- treft de voorlopige voorziening dat het college verzoeker moet behandelen als ware hij in het bezit van een gehandicaptenparkeerkaart voor een bestuurder, tot vier weken na de uitspraak op het beroep;\n\n- bepaalt dat het college het griffierecht van € 200,- aan verzoeker moet vergoeden;\n\n- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten van verzoeker.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.D.F. Oskam, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2026.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 7 september 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2141.\n\n In het medische advies is verwezen naar Richtlijn gehandicaptenkaart 2022 van de Vereniging Artsen Volksgezondheid.\n\n Zie de uitspraak van de Raad van 23 juni 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1609.\n\n Vergelijk de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:516, en van de Raad van 8 september 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2238.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7145","2026-06-19T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:22.984Z",{"id":47,"ecli":48,"slug":49,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":50,"fullText":51,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":52,"sourceTimestamp":34,"parsedAt":35,"updatedAt":53},"317","ECLI:NL:RBROT:2026:7499","ecli-nl-rbrot-2026-7499","2026-05-27T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROT 25\u002F1037\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 mei 2026 in de zaak tussen\n [eiser] , uit [woonplaats] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. N. Roos),\n\nen\n\nde Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, UWV\n\n(gemachtigde: [gemachtigde] ).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een Wajong-uitkering. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV terecht de aanvraag van eiser heeft afgewezen.Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Het UWV heeft de aanvraag van eiser voor een Wajong-uitkering met het primaire besluit van 22 juli 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 17 december 2024 op het bezwaar van eiser is het UWV bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.\n\n2.1.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. S.C. van Paridon als waarnemer van de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV.\n\nTotstandkoming bestreden besluit\n\n3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1992 in [geboorteplaats] . Op zijn dertiende is hij naar [stad] verhuisd waar hij tot en met zijn vijfentwintigste heeft gewoond.\n\n3.1.. Op 12 juli 2024 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wajong.\n\n3.2.. Met het besluit van 22 juli 2024 heeft het UWV de aanvraag afgewezen, omdat eiser op zijn achttiende verjaardag niet in Nederland of een land van de EU, EER of Zwitserland woonde. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.\n\n3.3.. Met het bestreden besluit van 17 december 2024 op het bezwaar van eiser heeft het UWV de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd. Het UWV stelt zich op het standpunt dat eiser niet als ingezetene van Nederland kan worden aangemerkt omdat hij op zijn achttiende verjaardag niet in Nederland woonde. Volgens het UWV is ook niet gebleken van een duurzame band van persoonlijke aard tussen eiser en Nederland.\n\nWettelijk kader\n\n4. De wet- en regelgeving die van belang is voor deze zaak, staat in de bijlage bij deze uitspraak.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nIngezetene in de zin van de Wajong\n\n5. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser op [datum] 2010, de dag dat hij achttien jaar is geworden, niet in Nederland woonde maar in [stad] . Wat partijen nog verdeeld houdt is de vraag of eiser op zijn achttiende verjaardag een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had en hij dus als ingezetene in de zin van de Wajong moet worden aangemerkt.\n\n5.1.. Eiser voert aan dat de duurzame band van persoonlijk aard tussen hem en Nederland altijd heeft blijven bestaan. Hierbij is volgens eiser van belang dat hij in Nederland is geboren, alleen de Nederlandse nationaliteit heeft, enkel de Nederlandse taal spreekt en dat hij tot zijn dertiende in Nederland heeft gewoond. Hij is gevormd naar het in Nederland geldende gemeenschappelijk systeem van normen en waarden. Eiser heeft zich altijd alleen maar Nederlander gevoeld. De enkele omstandigheid dat eiser vanaf zijn dertiende tot en met zijn vijfentwintigste buiten Nederland heeft gewoond is volgens eiser onvoldoende om te kunnen concluderen dat er geen sprake is van een duurzame band van persoonlijke aard tussen hem en Nederland. Alle feiten en omstandigheden moeten worden meegenomen en eiser verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 22 juli 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:2838).\n\n5.2.. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep komt het er bij de beoordeling naar de omstandigheden van ingezetenschap op aan of deze van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland. Die duurzame band hoeft niet sterker te zijn dan de band met enig ander land, zodat voor een woonplaats hier te lande niet noodzakelijk is dat het middelpunt van iemands maatschappelijke leven zich in Nederland bevindt.\n\n5.3.. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval niet kan worden geconcludeerd dat eiser op zijn achttiende verjaardag een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had en dus als ingezetene kan worden aangemerkt. Weliswaar heeft hij een groot deel van zijn jeugd in Nederland doorgebracht, maar dat gegeven maakt niet dat eiser op zijn achttiende een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had. Ook het in bezit zijn van de Nederlandse nationaliteit, het spreken van de Nederlandse taal en de enkele stelling dat eiser de intentie had om naar Nederland te verhuizen en zich altijd Nederlander heeft gevoeld, maken niet dat sprake is van een dergelijke band.\n\n5.4.. Naar het oordeel van de rechtbank is de situatie van eiser niet vergelijkbaar met de door eiser aangehaalde uitspraak van de Raad van 22 juli 2016. In die zaak was de betrokkene door zijn ouders gedurende een periode bij familie in het buitenland ondergebracht in de hoop dat hij op een alternatieve wijze kon worden geholpen om van zijn aandoening af te komen. De ouders van de betrokkene bleven in Nederland wonen en bezochten hem diverse keren per jaar. Ook verbleef de betrokkene jaarlijks in de zomer gedurende twee maanden bij zijn ouders in Nederland en bleef hij voor de ziektekosten meeverzekerd bij zijn ouders. Van soortgelijke omstandigheden is in het geval van eiser niet gebleken.\n\n5.5.. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nEvenredigheidsbeginsel\n\n6. Eiser heeft verder een beroep gedaan op het evenredigheidsbeginsel en verwijst hierbij naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 29 mei 2024.Eiser voert aan dat sprake is van bijzondere omstandigheden omdat hij vanaf zijn geboorte tot en met zijn dertiende levensjaar in Nederland heeft verbleven en niet uit eigen wil Nederland heeft verlaten. Hij was afhankelijk van de keuze die zijn ouders hebben gemaakt om naar [stad] te verhuizen. Volgens eiser heeft de wetgever deze gevolgen, namelijk dat eiser onder deze omstandigheden niet in aanmerking komt voor een Wajong-uitkering, niet dan wel onvoldoende overzien en niet als zodanig geaccepteerd. Om die redenen is er in dit geval aanleiding om tot een andere uitkomst te komen dan de uitkomst waartoe strikte toepassing van de wet leidt.\n\n6.1.. De rechtbank overweegt dat de Wajong, een wet in formele zin, niet kan worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel. Dit is slechts anders als in bepaald geval de toepassing van een bepaling vanwege bijzondere omstandigheden waarmee de wetgever bij het maken van de wetgeving geen rekening heeft gehouden, in strijd zou kunnen komen met een fundamenteel rechtsbeginsel of (ander) ongeschreven recht. Dit is bijvoorbeeld het geval als de gevolgen van de toepassing van de wettelijke bepaling niet overeenkomt met wat de wetgever kan hebben bedoeld of voorzien.\n\n6.2.. Naar het oordeel van de rechtbank is van zo’n situatie geen sprake. Het is de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever geweest om de kring van uitkeringsgerechtigden te beperken tot personen die op hun achttiende verjaardag als ingezetenen van Nederland kunnen worden beschouwd.De Wajong geeft de wetgever ook de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur de kring van ingezetenen uit te breiden en te beperken.Niet in geschil is dat eiser ook op grond daarvan niet kan worden aangemerkt als ingezetene. Er moet dus worden aangenomen dat de wetgever de gevolgen van het begrip ingezetene in aanmerking heeft genomen, namelijk dat iemand die voor zijn achttiende verjaardag naar het buitenland is verhuisd en op zijn achttiende verjaardag niet in Nederland woont, geen recht heeft op een Wajong-uitkering. Dat eiser als dertienjarig kind volledig afhankelijk was van zijn ouders die hebben besloten om met hem naar [stad] te verhuizen, is dus geen bijzondere omstandigheid waarmee de wetgever geen rekening heeft gehouden en waarvan hij de gevolgen niet heeft overzien.\n\n6.3.. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het UWV terecht de aanvraag van eiser voor een Wajong-uitkering heeft afgewezen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. N. Shahani, rechter, in aanwezigheid van E.J. van den Doel, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026.\n\nde griffier is verhinderd te tekenen.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nBijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels\n\nWet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten\n\nArtikel 1:2 Ingezetene\n\n1. Ingezetene in de zin van deze wet en de daarop berustende bepalingen is de natuurlijke persoon, die in Nederland woont.\n\n2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan, in afwijking van het eerste lid, uitbreiding dan wel beperking worden gegeven aan het begrip ingezetene.\n\n3. Voor de persoon die op grond van het tweede lid als ingezetene wordt aangemerkt, doch buiten Nederland woont, gelden de bepalingen van deze wet, met inachtneming van de specifieke regels die in deze wet ten aanzien van deze persoon zijn gesteld.\n\nArtikel 1:3 Woonplaats\n\n1. Waar een natuurlijk persoon woont wordt naar de omstandigheden beoordeeld.\n\n(…)\n\nArtikel 1a:1 Jonggehandicapte\n\n1. Jonggehandicapte is de ingezetene die:\n\na. op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft;\n\nb. na de in onderdeel a bedoelde dag als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en in het jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop dit is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was.\n\n2. De ingezetene die op de dag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, beperkingen ondervindt als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling, maar op grond van het eerste lid niet aangemerkt wordt als jonggehandicapte, wordt alsnog jonggehandicapte in de zin van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen, indien hij binnen vijf jaar na die dag duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, indien dit voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij beperkingen als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling ondervond, op de dag, bedoeld in onderdeel a of b.\n\nBesluit uitbreiding en beperking kring ingezetenen Wajong\n\nArtikel 2. Uitbreiding van de kring van ingezetenen\n\nVoor de toepassing van de wet wordt mede verstaan onder ingezetene: de persoon, die buiten Nederland woont en die op grond van artikel 2, 3, 5 of 8 van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 verplicht verzekerd is voor de volksverzekeringen.\n\nArtikel 3. Eigen kind, aangehuwd kind of pleegkind van ontwikkelingswerker\n\n1. Voor de toepassing van de wet wordt mede verstaan onder ingezetene: het eigen kind, het aangehuwde kind of het pleegkind van de persoon, die is uitgezonden om door de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking aan te wijzen werkzaamheden in het kader van ontwikkelingssamenwerking te verrichten, dat gedurende het tijdvak, waarin bedoelde werkzaamheden worden verricht tot de huishouding van die persoon behoort, tenzij het kind gedurende bedoeld tijdvak werkzaamheden verricht.\n\n2. Het eerste lid is niet van toepassing op het pleegkind van de aldaar bedoelde persoon, dat eerst gedurende het tijdvak, waarin de in het eerste lid bedoelde werkzaamheden worden verricht, tot diens huishouding is gaan behoren.\n\n3. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder pleegkind verstaan een kind dat als een eigen kind wordt onderhouden en opgevoed.\n\n Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.\n\n ECLI:NL:CRVB:2012:BX5908 r.o. 4.3.\n\n ECLI:NL:CRVB:2021:2901 r.o. 4.3.\n\n ECLI:NL:CRVB:2024:1119.\n\n ECLI:NL:CRVB:2017:2622 en ECLI:NL:CRVB:2025:1508.\n\nECLI:NL:CRVB:2024:1119 r.o. 4.5.\n\n Artikel 1:2, tweede lid, van de Wajong.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7499","2026-07-13T00:28:24.157Z",{"id":55,"ecli":56,"slug":57,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":58,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":59,"sourceTimestamp":18,"parsedAt":35,"updatedAt":60},"303","ECLI:NL:RBROT:2025:2705","ecli-nl-rbrot-2025-2705","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROT 24\u002F2901\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 maart 2025 in de zaak tussen\n \n [eiser], uit [woonplaats], eiser\n\n(gemachtigde: mr. M. el Idrissi),\n\nen\n\nStichting Urgentiebepaling Woningzoekenden Rijnmond, verweerder\n\n(gemachtigden: mr. S. Ercan en mr. S.B.H. Fijneman).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de toewijzing van een urgentieverklaring op basis van de urgentiegrond medische noodzaak.\n\n1.1.. Met het bestreden besluit van 8 februari 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij dat besluit gebleven.\n\n1.2.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Ook heeft eiser de voorzieningenrechter verzocht een voorlopig voorziening te treffen. Bij uitspraak van 15 november 2023 (zaaknummer: ROT 23\u002F6965) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het verzoek afgewezen.\n\n1.3.. De rechtbank heeft het beroep op 9 december 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van verweerder.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n2. Eiser woont in Rotterdam en heeft op 25 augustus 2023 een aanvraag ingediend voor het verkrijgen van een urgentieverklaring, omdat zijn huidige woning niet langer voldoet vanwege zijn medische problemen. De woning bevindt zich op de vierde verdieping en eiser moet daarvoor zes trappen op. Eiser heeft aangegeven dat hij vanwege zijn medische situatie geen trap kan lopen, althans niet tot de vierde verdieping. Een arts van het team Sociaal Medische Advisering (SMA) heeft op verzoek van verweerder advies uitgebracht over de situatie van eiser. De conclusie van de arts SMA is dat bij eiser sprake is van chronische progressieve problematiek met een onvoorspelbaar beloop en veel onverwachte exacerbaties, waardoor de mobiliteit beperkt is en ook is er sprake van verminderde inspanningstolerantie. Er is geen sprake van een medisch stabiele situatie en traplopen is een zware inspanning voor hem. Hij kan volgens de arts maximaal één trap op en in verband met hoogtevrees durft eiser ook niet hoog te wonen. De problematiek is van dien aard, ernst en beloop dat er sprake is van een leven ontwrichtende woonsituatie op medische gronden. Er is volgens de arts SMA sprake van een medisch urgente situatie, waardoor eiser op zeer korte termijn (binnen drie maanden) een passende woning moet hebben. Verweerder heeft bij besluit van 19 oktober 2023 de urgentieverklaring toegekend op basis van ‘medische noodzaak’. Om het huisvestingsprobleem op te lossen heeft verweerder, mede gelet op het advies van een adviserend arts, het volgende zoekprofiel vastgesteld:\n\nFlatwoning met lift, gelijkvloers en maximaal op de 1e verdieping\n\nMinimaal twee en maximaal twee slaapkamers\n\nMaximale kale huurprijs ter hoogte van € 693,60\n\nUrgentieregio Hart van Rotterdam\n\n3. Met het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de woonruimtetypering is gekozen om te voorkomen dat een wooncarrièrekan worden gemaakt. Eiser heeft in bezwaar aangegeven dat hij het zoekprofiel uitgebreid wenst te zien zodat hij sneller een passende woning kan vinden. Verweerder is van mening dat dit geen grond is om het zoekprofiel uit te breiden. Ten aanzien van de maximale huurprijs stelt verweerder zich op het standpunt dat de huurprijs is gebaseerd op het gehanteerde principe van het passend toewijzen van een urgentieverklaring waarvoor het inkomen bepalend is. Ook hier geldt dat met een urgentieverklaring geen wooncarrière moet worden gemaakt. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de hardheidsclausule niet toegepast kan worden aangezien er geen sprake is van een bijzondere, onvoorziene omstandigheid die gelet op het doel van de Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2020 (de Verordening) redelijkerwijs tot een wijziging van het zoekprofiel zou moeten leiden. Ten tijde van de behandeling van het beroep op de zitting was eiser toegelaten tot de tweede fase, waarin bemiddeld wordt om passende woonruimte te vinden. Dit had nog geen resultaat.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n4. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van de toewijzing van de urgentieverklaring met bovenstaand zoekprofiel. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.\n\n5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\n5.1.. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.\n\nHeeft verweerder een passend zoekprofiel vastgesteld?\n\n6. Eiser voert aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het vastgestelde zoekprofiel voldoende is om het huisvestingsprobleem op te lossen. Eiser meent dat hij met dit zoekprofiel niet binnen een redelijke termijn een geschikte woning kan vinden. Verweerder heeft ten onrechte geen waarde toegekend aan het feit dat hij al maanden zonder enig succes reageert op woningen; het woningaanbod is zeer beperkt en de concurrentie is groot. Ook heeft verweerder onvoldoende gewicht toegekend aan zijn medische situatie die maakt dat hij met spoed dient te verhuizen. Eiser wil dat het zoekprofiel wordt aangevuld met een ander woningtype, een eengezinswoning, een woning met drie slaapkamers en dat de maximale huurprijs wordt verhoogd naar € 808,06 (maximum voor huurtoeslag). Daarnaast voert eiser aan dat het opnemen van een maximale huurprijs in het algemeen onrechtmatig is.\n\n6.1.. Uit een recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat in het algemeen een zoekprofiel niet in strijd is met de Huisvestingswet 2014. Gemeenten zijn op grond van deze wet verantwoordelijk voor een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van de schaars beschikbare sociale huurwoningen. Hierbij geldt als uitgangspunt dat iedere urgent woningzoekende een woning krijgt toegewezen die aansluit op zijn of haar situatie. De vraag wanneer een woning passend is hangt af van de situatie van de aanvrager. Vast staat dat niet iedere sociale huurwoning passend is voor iedere urgent woningzoekende. Het is tegen deze achtergrond dat het college het beperkt aantal woningen dat beschikbaar komt, toekent aan woningzoekenden die dat type woning het hardst nodig hebben. Dit betekent dat doorgaans de grotere woningen, met meer slaapkamers worden toegekend aan (grote) gezinnen. Het toekennen van een woning met meer dan twee slaapkamers aan een huishouden bestaande uit een echtpaar en één kind betekent dat een groter gezin (nog) langer moet wachten op passende woonruimte, terwijl voor het echtpaar met één kind in beginsel woonruimte met twee slaapkamers passend is. Het opnemen van een zoekprofiel bij een urgentieverklaring, waarmee verweerder waarborgt dat met de urgentieverklaring geen inbreuk wordt gemaakt op een evenwichtige en rechtvaardige woonruimteverdeling, is daarom niet in strijd met de Huisvestingswet 2014.\n\n6.2.. Het huishouden van eiser bestaat uit drie personen; eiser zelf, zijn echtgenote en zijn dochtertje. Overeenkomstig artikel 3.4. van bijlage I bij de Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2020 (de bijlage) heeft verweerder aan eiser een voorrangsverklaring toegekend voor een woning met twee slaapkamers. In het advies van de arts van het team SMA staat opgenomen dat een aparte slaapkamer niet noodzakelijk is. Dit onderdeel van het zoekprofiel acht de rechtbank, gelet op wat hiervoor onder 6.1. is overwogen, niet onevenredig. De daartegen gerichte beroepsgrond slaagt daarom niet.\n\nWoonruimtetype6.3.. Verweerder heeft de arts SMA gevraagd of een benedenwoning noodzakelijk is. De arts heeft die vraag ontkennend beantwoord en geadviseerd dat volstaan kan worden met een woning op maximaal de eerste etage, ongeacht de aanwezigheid van een lift. Verweerder heeft dit advies opgevolgd en het zoekprofiel als hiervoor onder 2. weergegeven vastgesteld. Hierbij heeft verweerder kennelijk als uitgangspunt genomen dat eiser geen trap mag lopen en daarom een lift als eis gesteld.6.4.. De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat het aanbod dat past bij dit voor eiser vastgestelde zoekprofiel, een flatwoning met lift op maximaal de eerste verdieping, beperkt is. Voor alle woonlagen boven de eerste verdieping komt eiser niet in aanmerking en ook de flatwoning zonder lift valt af. De kans op succes is daarmee veel kleiner dan voor andere woningzoekenden met een urgentieverklaring die kunnen reageren op elke verdieping van een flatgebouw met lift. En de andere woningzoekenden met een urgentieverklaring voor het woningtype flatgebouw kunnen ook reageren op een vrijgekomen woning waarop eiser wel mag reageren. Dat eiser na ruim een jaar waarin hij voldoende inspanningen heeft geleverd nog altijd geen andere woning heeft gevonden, lijkt hiervan een bevestiging te zijn. De rechtbank is van oordeel dat door het zoekprofiel (woningtype) van eiser de kans dat hij spoedig een woning toegewezen krijgt dermate klein is dat het zoekprofiel in zoverre, in aanmerking genomen de medische urgentie, een onevenredige beperking vormt.6.5.. In het kader van de verkenning van de mogelijkheden voor finale geschilbeslechting overweegt de rechtbank het volgende. Op medische gronden heeft verweerder het zoekprofiel beperkt tot een flatwoning metlift op maximaal de eerste verdieping. Daarmee valt af de begane grond van een flatwoningzonderlift. Niet valt in te zien, ook niet gelet op het medisch rapport, waarom zo’n woning niet passend zou zijn. Verder geldt dat overeenkomstig artikel 3.3. vierde lid, van de Bijlage de typering van de woonruimte dusdanig wordt gekozen dat sprake is van een standaard woonruimtetype. Dit betekent: alle woonruimtetypen met uitzondering van eengezinswoningen en benedenwoningen. Hiervan kan door het bestuursorgaan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden daarvoor aanleiding zijn. Een urgentieverklaring wordt dus afgegeven voor een standaard woonruimtetype, tenzij er iets bijzonders aan de hand is. Hoewel de arts SMA een benedenwoning medisch niet noodzakelijk heeft geacht, kan een benedenwoning wel een oplossing vormen voor het woonprobleem. Het komt immers tegemoet aan de beperkingen die samenhangen met traplopen en hoogtevrees. Gelet op de beperktheid van het zoekprofiel ten aanzien van het woningtype, is sprake van een bijzonderheid die afwijking van het standaard woonruimtetype kan rechtvaardigen. Gelet op het voorgaande is het zoekprofiel te beperkt vastgesteld, is het beroep gegrond en dient het bestreden besluit te worden vernietigd.\n\nMaximale huurprijs6.6.. Verweerder heeft in het zoekprofiel een maximale huurprijs opgenomen en heeft toegelicht dat daarmee toepassing is gegeven aan 3.3. lid 2 onder c van de Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2020. Op grond van dit artikel moet volgens verweerder met het oog op passende toewijzing van woningen een bij het inkomen passende maximale huurprijs in het zoekprofiel worden opgenomen. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 16 oktober 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4175) is de rechtbank van oordeel dat het opnemen van een maximale huurprijs in het zoekprofiel onrechtmatig is. De Afdeling heeft overwogen dat op grond van artikel 46, tweede lid, van de Woningwet 2015, gelezen in samenhang met artikel 20, tweede lid, van de Wet op de huurtoeslag, als een woningzoekende in aanmerking wil komen voor een woning, een inkomenstoets moet worden uitgevoerd. Tot een bepaalde inkomensgrens geldt een maximumhuurprijs (‘aftoppingsgrens’). Dit wordt ook ‘passend toewijzen’ genoemd. Het moet voorkomen dat huishoudens een woning krijgen toegewezen die zij niet kunnen betalen en dat de uit te keren bedragen aan huurtoeslagen te hoog oplopen. Woningcorporaties zijn gehouden om 95% van de woning passend toe te wijzen, in 5% van de gevallen kunnen zij hiervan afwijken. Het inkomen van eiser valt onder de aftoppingsgrens. Dit betekent dat hij in oktober 2023 op basis van passend toewijzen een woning kon huren met een huurprijs van maximaal € 693,60. Zoals de Afdeling heeft overwogen is het is echter de taak van de woningcorporatie en niet die van het college om te bepalen wanneer zij de uitzondering van 5% toepast. Door het opnemen van een maximale huurprijs kan eiser echter niet met zijn urgentieverklaring reageren op woningen boven deze grens en heeft verweerder daarmee op voorhand uitgesloten dat een woningcorporatie kan afwijken van de norm voor passend toewijzen. Zo’n afwijking zou juist in een geval als dat van eiser de woningcorporatie de mogelijkheid kunnen bieden om meer maatwerk te leveren en eiser zo sneller een andere woning te kunnen bieden. Verweerder heeft aangevoerd dat in de zaak die voorlag bij de Afdeling de vastgestelde maximale huurprijs geen grondslag had in een verordening of beleid. Het enkele feit dat in de Verordening van de gemeente Rotterdam een bepaling is opgenomen over het bij urgentieverlening vaststellen van een maximale huurprijs en dat daarbij een toelichting staat over het principe van passend toewijzen, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Hoewel de Afdeling overweegt dat het college heeft nagelaten te motiveren waarom het een maximum huurprijs in het zoekprofiel heeft opgenomen, volgt uit de uitspraak van de Afdeling ook dat het niet slechts gaat om een (herstelbaar) motiveringsgebrek, maar om een voorwaarde die gelet op het wettelijk stelsel niet mocht worden gesteld. Dit betekent dat artikel 3.3. lid 2 onder c van de Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2020 in strijd is met de uit de Woningwet volgende systematiek van toewijzen van huurwoningen en in zoverre onverbindend moet worden geacht. Het bestreden besluit kan daarom ook op dit punt niet in stand blijven. Deze beroepsgrond slaagt.\n\n6.7.. De rechtbank merkt daarbij op dat het ontbreken van een maximale huurprijs in het zoekprofiel geenszins inhoudt dat eiser dan altijd aanspraak kan maken op een woning met een huurprijs hoger dan € 693,60. Woningcorporaties zijn verplicht om minimaal 95% van de woningen passend toe te wijzen. Er bestaat geen verplichting om in het geval van eiser van de uitzondering gebruik te maken. Eiser maakt nog steeds meer kans door te reageren op woningen onder deze grens. Daarnaast beperkt het in het zoekprofiel opgenomen woningtype en het aantal kamers de maximale huurprijs. Anders gezegd, de grootste woningen kosten het meest, maar daarvoor komt eiser vanwege de terechte beperkingen ten aanzien van het woningtype en het aantal kamers al niet in aanmerking.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is gegrond, omdat verweerder in het zoekprofiel het woningtype onevenredig heeft beperkt en ten onrechte een maximale huurprijs heeft opgenomen. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.\n\n8. Met het oog op de definitieve beslechting van het geschil ziet de rechtbank aanleiding om zelf te voorzien in de zaak en met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb nu zelf een beslissing te nemen. De rechtbank bepaalt dat de begane grond van een flatwoning zonderlift en een gelijkvloerse benedenwoning worden toegevoegd aan het zoekprofiel. Tot slot bepaalt de rechtbank dat het zoekprofiel geen maximale huurprijs bevat. Hiermee komt het zoekprofiel van eiser als volgt te luiden:\n\nFlatwoning metlift gelijkvloers en maximaal op de 1e verdieping, of;\n\nFlatwoning zonderlift, begane grond, gelijkvloers, of;\n\nBenedenwoning, gelijkvloers;\n\nMinimaal 2 en maximaal 2 slaapkamers;\n\nUrgentieregio Hart van Rotterdam.\n\n9. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 647,-. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907,-. Eiser heeft in bezwaar gevraagd om vergoeding van de proceskosten. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.108,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het besluit van 8 februari 2024;\n\n- herroept het besluit van 19 oktober 2023 ten aanzien van het in het zoekprofiel opgenomen woningtype en de maximale huurprijs van € 693,60;\n\n- bepaalt het zoekprofiel als volgt:\n\nFlatwoning metlift gelijkvloers en maximaal op de 1e verdieping, of;\n\nFlatwoning zonderlift, begane grond, gelijkvloers, of;\n\nBenedenwoning, gelijkvloers;\n\nMinimaal twee en maximaal twee slaapkamers;\n\nUrgentieregio Hart van Rotterdam.\n\n- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde bestreden besluit van 8 februari 2024;\n\n- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 3.108,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Dingemanse, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Blokhuis, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2025.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nBijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving\n\nWoningwet 2015\n\nArtikel 46\n\n2. De toegelaten instelling gaat slechts overeenkomsten van huur en verhuur aan, voor zover aan ten minste een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen percentage van huishoudens als eerstbedoeld of laatstbedoeld in artikel 20, tweede lid, van de Wet op de huurtoeslag, die een huishoudinkomen hebben dat niet hoger is dan het voor het betrokken huishouden toepasselijke bedrag, bedoeld in artikel 14 van die wet, woongelegenheden waarvoor huurtoeslag ontvangen kan worden op grond van die wet worden verhuurd met een huurprijs van ten hoogste het in artikel 20, tweede lid, van die wet eerstgenoemde respectievelijk laatstgenoemde bedrag. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen huishoudens worden uitgezonderd van en nadere voorschriften worden gegeven omtrent de toepassing van de eerste volzin. Bij ministeriële regeling kunnen eisen worden gesteld aan de wijze waarop de inkomensvaststelling door de toegelaten instelling plaatsvindt.\n\nWet op de huurtoeslag\n\nArtikel 20\n\n2. De aftoppingsgrens is:\n\na. € 650,43 per maand als het huishouden van de huurder, afgezien van eventuele onderhuurders en personen die tot diens huishouden behoren, uit één of twee personen bestaat;\n\nb. € 697,07 per maand als het huishouden van de huurder, afgezien van eventuele onderhuurders en personen die tot diens huishouden behoren, uit drie of meer personen bestaat.\n\nVerordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2020:\n\nArtikel 2.3.8. Voorrang voor bezitters van een urgentie- of herhuisvestingsverklaring\n\n1. Een huishouden dat wegens een persoonlijke noodsituatie of wegens sloop of ingrijpende verbetering van zijn woonruimte een (andere) woonruimte nodig heeft en geen gebruik kan maken van een voorliggende voorziening, kan in aanmerking komen voor een urgentieverklaring, dan wel een herhuisvestingsverklaring.\n\n2. In Bijlage I bij deze verordening is aangegeven:\n\na. door wie, bij wie en de wijze waarop de in het vorige lid bedoelde verklaringen kunnen worden aangevraagd,\n\nb. door wie en de gronden waarop deze verklaringen worden verstrekt,\n\nc. de inhoud van deze verklaringen en\n\nd. de gevolgen die deze verklaringen hebben voor de positie op de woningmarkt van de bezitter ervan.\n\nVerordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2020 bijlage I:\n\nArtikel 2.5. Hardheidsclausule\n\n1. Het bestuursorgaan dat belast is met het beslissen op aanvragen om een urgentieverklaring is, indien strikte toepassing van deze verordening zou leiden tot weigering van een urgentieverklaring, bevoegd om toch een urgentieverklaring toe te kennen indien:\n\na. weigering van een urgentieverklaring leidt tot een schrijnende situatie; en,\n\nb. sprake is van bijzondere, bij het vaststellen van de verordening onvoorziene, omstandigheden die gelet op het doel van de verordening redelijkerwijs toch tot een grond voor de verlening van een urgentieverklaring zouden kunnen zijn.\n\n2. Het in het eerste lid bedoelde bestuursorgaan registreert de gevallen waarin met toepassing van het in het eerste lid bepaalde een urgentieverklaring wordt verleend. De registratie bevat ten minste de datum waarop de urgentieverklaring wordt verleend en de specifieke omstandigheden van het geval die leiden tot de verlening van de urgentieverklaring. De registraties worden besproken in het in artikel 2.5.2 van de verordening bedoelde overleg.\n\nArtikel 3.3. Het woonruimtetype\n\n1. In het zoekprofiel wordt het woonruimtetype opgenomen dat nodig is voor de oplossing van het huisvestingsprobleem.\n\n2. Het woonruimtetype bevat in ieder geval de volgende elementen:\n\na. het slaapkamertal van de woonruimte\n\nb. de typering van de woonruimte;\n\nc. de huurprijs waarbij woonruimte passend wordt geacht voor het huishoudinkomen van aanvrager.\n\n3. De typering van de woonruimte wordt dusdanig gekozen dat de houder met de urgentieverklaring geen wooncarrière kan maken, tenzij het maken van wooncarrière uitsluitend het gevolg is van het afhankelijk zijn van een woonruimtetype dat noodzakelijk is voor het oplossen van het huisvestingsprobleem. Onder wooncarrière wordt verstaan: het verhuizen naar een type woonruimte dat naar de maatstaf van een redelijk handelend woningzoekende als gewilder beschouwd moet worden.\n\n4. De typering van de woonruimte wordt dusdanig gekozen dat sprake is van een standaard woonruimtetype. Dit betekent: alle woonruimtetypen met uitzondering van eengezinswoningen en benedenwoningen. Hiervan kan door het bestuursorgaan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden daarvoor aanleiding zijn.\n\n5. Indien de toepasselijke urgentiegrond of de samenstelling van het ingevolge artikel 2.1.1 van de verordening aangewezen deel van de woonruimtevoorraad daartoe naar het oordeel van het bestuursorgaan dat op de aanvraag om urgentieverklaring beslist aanleiding geeft, kan naast het in het vorige lid bedoelde woonruimtetype een tweede woonruimtetype in het zoekprofiel worden opgenomen. Dit tweede woonruimtetype is alleen van toepassing in de tweede fase van de urgentie en bovendien op woonruimte gelegen in de gemeente van het college van burgemeester en wethouders dat de urgentieverklaring verleend heeft.\n\nArtikel 3.4. Slaapkamertal\n\n1. Het in het woonruimtetype op te nemen slaapkamertal van de urgentie wordt bepaald aan\n\nde hand van de grootte en samenstelling van het huishouden dat houder is van de urgentieverklaring, overeenkomstig de onderstaande tabel.\n\nAantal personen dat deel uitmaakt van het huishouden\n\nNadere beschrijving van de samenstelling van het huishouden\n\nAantal slaapkamers\n\n3\n\n2 ouders* en kind\n\n2\n\n* of daaraan, gelet op de zorg van het inwonende kind of de inwonende kinderen, gelijk te stellen persoon of personen zoals voogd, pleeg- of stiefouder.\n\n Onder wooncarrière wordt volgens artikel 3.3, derde lid, van bijlage I bij de Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam verstaan: het verhuizen naar een type woonruimte dat naar maatstaf van een redelijk handelend woningzoekende als gewilder moet worden beschouwd.\n\n Zie overweging 5.2. van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 oktober 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4175).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2025:2705","2026-07-13T00:28:23.510Z",20]