[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-rotterdam-local-taxes-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":26,"total":16,"page":25,"limit":54},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},61,"Rotterdam","nl","rotterdam",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},152,"local-taxes-nl","Local Taxes","NL","2026-07-08T17:00:05.844Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},3,{"min":18,"max":19},"2024-10-02T00:00:00.000Z","2026-06-26T00:00:00.000Z",[21],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"121826","Verordening","",1,[27,37,46],{"id":28,"ecli":29,"slug":30,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":31,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":33,"sourceTimestamp":34,"parsedAt":35,"updatedAt":36},"1137","ECLI:NL:RBROT:2026:7385","ecli-nl-rbrot-2026-7385","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROT 24\u002F9800\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2026 in de zaak tussen\n [eiser], uit [plaatsnaam], eiser\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam\n\n(gemachtigden: [naam 1] en [naam 2]).\n\nSamenvatting\n\n1. Eiser heeft zeven paspoppen uitgestald op de stoep voor zijn winkelpand. De heffingsambtenaar heeft een aanslag precariobelasting opgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar een onjuist tarief gehanteerd, omdat niet aannemelijk is dat de oppervlakte van de paspoppen in totaal meer dan een vierkante meter beslaat. Het beroep is gegrond. Eiser hoeft de aanslag precariobelasting niet te betalen.\n\nProcesverloop\n\n2. Met het besluit van 25 juni 2024 heeft de heffingsambtenaar een aanslag precariobelasting aan eiser opgelegd.\n\n2.1.. Met de uitspraak op bezwaar van 18 oktober 2024 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser tegen het besluit van 25 juni 2024 ongegrond verklaard.\n\n2.2.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar.\n\n2.3.. De rechtbank heeft het beroep behandeld op de zitting van 4 juni 2026. Hieraan heeft de gemachtigden van de heffingsambtenaar deelgenomen. Eiser is met bericht van verhindering niet verschenen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3. De heffingsambtenaar heeft een aanslag precariobelasting van € 243,60 voor het belastingjaar 2023 aan eiser opgelegd vanwege de aanwezigheid van paspoppen op de stoep voor het winkelpand van eiser aan de Noordmolenstraat 27 in Rotterdam.\n\n4. Eiser betoogt dat de heffingsambtenaar ten onrechte een aanslag heeft opgelegd. De paspoppen stonden zo uitgestald, dat deze onder de vrijstelling van de precariobelasting vallen.\n\n5. Voor de beoordeling van het beroep zijn de volgende regels van belang. Onder de naam ‘precariobelasting’ wordt een directe belasting geheven ter zake van het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond.De belasting worden geheven naar de oppervlakte in vierkante meters van de voorwerpen.Het tarief van de precariobelasting is voor voorwerpen die bij een vestiging behoren nihil, indien de oppervlakte niet meer is dan een vierkante meter.\n\n6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar ten onrechte een aanslag precariobelasting van € 243,60 aan eiser opgelegd. Op de foto die de heffingsambtenaar heeft overgelegd, staan in totaal zeven paspoppen opgesteld aan weerszijden van de ingang van het winkelpand. De heffingsambtenaar heeft op de zitting erkend dat het op basis van de foto niet duidelijk is dat de oppervlakte van de paspoppen in totaal meer dan een vierkante meter beslaat. Dat betekent dat de heffingsambtenaar een onjuist tarief heeft gehanteerd en de aanslag in zoverre ten onrechte is opgelegd. De beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is gegrond, omdat de uitspraak op bezwaar in strijd is met artikel 5, vierde lid, van de Verordening. De rechtbank zal de uitspraak op bezwaar vernietigen en zelf in de zaak voorzien door de aanslag eveneens te vernietigen.Dat betekent dat eiser de aanslag precariobelasting niet hoeft te betalen.\n\n8. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het betaalde griffierecht aan eiser vergoeden. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt de uitspraak op bezwaar van 18 oktober 2024;\n\nvernietigt de aanslag precariobelasting van 25 juni 2024;\n\nbepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;\n\nbepaalt dat de heffingsambtenaar het betaalde griffierecht van € 51,- aan eiser vergoedt.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.J.P. Ferwerda, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. T.M. Helleman, griffier. Uitgesproken op 26 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nDeze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Den Haag waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Den Haag vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Artikel 2 van de Verordening precario- en reclamebelasting 2023 van de gemeente Rotterdam (de Verordening).\n\n Artikel 4, eerste lid, van de Verordening.\n\n Artikel 5, vierde lid, aanhef en onder a, van de Verordening.\n\n Artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7385","2026-06-25T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:06.114Z",{"id":38,"ecli":39,"slug":40,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":41,"fullText":42,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":43,"sourceTimestamp":44,"parsedAt":35,"updatedAt":45},"1995","ECLI:NL:RBROT:2026:6165","ecli-nl-rbrot-2026-6165","2026-05-29T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROT 24\u002F6064\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 mei 2026 in de zaak tussen\n [naam] , uit [woonplaats] , eiser\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam\n\n(gemachtigde: mr. R.P.M.M. Mols).\n\nProcesverloop\n\n1. Met het besluit van 29 september 2023 heeft de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak [adres] MO001 voor het belastingjaar 2023 vastgesteld op € 562.000,- op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) en aanslagen onroerendezaakbelasting aan eiser opgelegd.\n\n1.1.. Met de uitspraak op bezwaar van 21 juni 2024 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser tegen het besluit van 29 september 2023 ongegrond verklaard.\n\n1.2.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar.\n\n1.3.. De rechtbank heeft het beroep op de zitting van 13 maart 2026 behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de heffingsambtenaar.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nTotstandkoming van de uitspraak op bezwaar\n\n2. Eiser is eigenaar van de onroerende zaak. Het is een kantoorpand uit 1908 met een vloeroppervlakte van 237 m². De heffingsambtenaar heeft de onroerende zaak aangemerkt als niet-woning en aan eiser aanslagen onroerendezaakbelasting voor eigenaren en gebruikers van een niet-woning opgelegd. Met de uitspraak op bezwaar is de heffingsambtenaar daarbij gebleven.\n\nObjectafbakening\n\n3. Eiser betoogt dat de heffingsambtenaar de onroerende zaak onjuist heeft afgebakend. De onroerende zaak bestaat uit drie verdiepingen, die aan verschillende bedrijven worden verhuurd. Iedere verdieping moet als een afzonderlijk WOZ-object worden beschouwd.\n\n3.1.. Voor de beoordeling van deze beroepsgrond zijn de volgende regels van belang. Voor de toepassing van de Wet WOZ wordt als één onroerende zaak aangemerkt een gedeelte van een eigendom dat blijkens zijn indeling is bestemd om als een afzonderlijk geheel te worden gebruikt.Om als afzonderlijk geheel te kunnen worden gebruikt, moet het gedeelte redelijk afsluitbaar zijn en zo kunnen worden gescheiden van de overige gedeelten van het gebouw.Bij een gebouwd eigendom dat als kantoor wordt gebruikt, is vereist dat dit gedeelte over alle voor een kantoorruimte noodzakelijke voorzieningen beschikt, waaronder een toiletvoorziening.\n\n3.2.. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. De onroerende zaak heeft drie verdiepingen. Iedere verdieping wordt aan een ander bedrijf verhuurd. Op iedere verdieping is een toiletvoorziening aanwezig. Deze voorzieningen zijn bereikbaar via het gemeenschappelijke trappenhuis. De kantoorruimtes op iedere verdieping zijn afsluitbaar, maar de toiletvoorzieningen bevinden zich in het niet-afsluitbare gedeelte van het gemeenschappelijke trappenhuis.\n\n3.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar de onroerende zaak juist afgebakend. De verdiepingen zijn niet blijkens hun indeling bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt. Het afsluitbare gedeelte van de kantoorruimtes beschikt niet over alle noodzakelijke voorzieningen, nu de toiletvoorzieningen per verdieping zijn gelegen op het niet-afsluitbare gedeelte van het gemeenschappelijke trappenhuis. Om als afzonderlijke geheel te kunnen gelden in de zin van de Wet WOZ, moet de toiletvoorziening zich bevinden in het afsluitbare gedeelte van de kantoorruimte. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nAanslag onroerendezaakbelasting voor gebruikers\n\n4. Eiser betoogt dat de heffingsambtenaar ten onrechte aan hem een aanslag onroerendezaakbelasting voor gebruikers heeft opgelegd. Hij is eigenaar van het hele pand, maar alle verdiepingen worden verhuurd, waarvan slechts één verdieping aan het bedrijf van eiser.\n\n4.1.. Voor de beoordeling van deze beroepsgrond zijn de volgende regels van belang. Ter zake van binnen de gemeente gelegen onroerende zaken kan onder de naam onroerende-zaakbelastingen worden geheven een belasting van degenen die onroerende zaken gebruiken.Bij de gebruikersbelasting wordt gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven.\n\n4.2.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar de aanslag onroerendezaakbelasting voor gebruikers terecht aan eiser opgelegd. Eiser heeft de verdiepingen in gebruik gegeven aan zijn huurders. Op grond van de Verordening wordt eiser dan aangemerkt als gebruiker voor de gebruikersbelasting en is hij bevoegd die belasting te verhalen op zijn huurders. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nBelastingtarief voor niet-woningen\n\n5. Eiser is het niet eens met het belastingtarief voor niet-woningen. Het verschil tussen de aanslag onroerendezaakbelasting voor het belastingjaar 2022 en het belastingjaar 2023 is onevenredig. Dit grote verschil is volgens eiser ingegeven door winstbejag van de gemeente en gefabriceerd om kosten te dekken. De naastgelegen woningen, die ook deels bedrijfsruimten zijn, zijn voor een veel lagere bedrag aangeslagen. Daarmee is sprake van rechtsongelijkheid.\n\n5.1.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar terecht een aanslag onroerendezaakbelasting opgelegd tegen het belastingtarief voor niet-woningen. De onroerende zaak van eiser is aangemerkt als niet-woning en eiser heeft die kwalificatie niet betwist. Voor een niet-woning geldt het tarief van 0,3682% van de WOZ-waarde.De heffingsambtenaar heeft onbetwist gesteld dat de naastgelegen panden zijn aangemerkt als woning, waarvoor het lagere tarief van 0,0652% van de WOZ-waarde geldt. De gemeenteraad is grotendeels vrij in het vaststellen van de tarieven van de onroerendezaakbelastingen.Niet is gebleken van een onredelijke en willekeurige belastingheffing die de wetgever niet voor ogen kan hebben gehad bij het toekennen van de bevoegdheid om onroerendezaakbelastingen in te voeren. Evenmin is gebleken dat de nadelige gevolgen van het tarief voor niet-woningen onevenredig zijn in verhouding tot de met de tariefstelling te dienen doelen.De enkele stelling dat de aanslag onroerendezaakbelasting in het belastingjaar 2023 hoger is dan in het belastingjaar 2022, is daarvoor onvoldoende. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nWOZ-waarde\n\n6. Eiser heeft op de zitting herhaaldelijk verklaard dat hij het eens is met de WOZ-waarde die de heffingsambtenaar heeft vastgesteld. Eiser handhaaft echter zijn bezwaren tegen de waarderingsmethoden die de heffingsambtenaar heeft gebruikt. Eiser is het ook niet eens met de kwalificatie van de onroerende zaak als monument. De rechtbank laat de bezwaren van eiser tegen de gebruikte waarderingsmethoden onbesproken, omdat eiser bij een bespreking geen belang heeft, nu hij het eens is met de vastgestelde WOZ-waarde. Op de zitting heeft de heffingsambtenaar toegelicht dat met de uitspraak op bezwaar geen monumentale status aan de onroerende zaak van eiser is toegekend, maar dat bij de waardering slechts is gezocht naar objecten die, net als de onroerende zaak, een monumentale uitstraling hebben. Conclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.J.P. Ferwerda, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. T.M. Helleman, griffier. Uitgesproken op 29 mei 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nDeze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Den Haag waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Den Haag vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Artikel 16, aanhef en onder c, van de Wet WOZ.\n\n HR 4 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM6698.\n\n Hof Arnhem-Leeuwarden 14 maart 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:2105.\n\n Artikel 220, aanhef en onder a, van de Gemeentewet.\n\n Artikel 1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Verordening onroerende-zaakbelasting 2023 van de gemeente Rotterdam (de Verordening).\n\n Artikel 5, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening.\n\n Artikel 219, tweede lid, en artikel 220f, eerste lid, van de Gemeentewet.\n\n Vgl. Hof Den Haag 31 januari 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:114.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:6165","2026-05-28T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:49.187Z",{"id":47,"ecli":48,"slug":49,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":50,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":51,"sourceTimestamp":52,"parsedAt":35,"updatedAt":53},"1604","ECLI:NL:RBROT:2024:9837","ecli-nl-rbrot-2024-9837","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROT 23\u002F2712\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 oktober 2024 in de zaak tussen\n \n [eiser] , uit [plaats] , eiser,\n\ngemachtigde: mr. A. Bakker,\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de gemeente [plaats] ,\n\ngemachtigde: mr. R.P.M.M. Mols.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van 8 maart 2023.\n\n1.1.. De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak [adres] in [plaats] (de woning) per 1 januari 2021 (de waardepeildatum) vastgesteld op € 339.000,- (de beschikking). Met deze waardevaststelling is aan eiser ook de aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente [plaats] voor het jaar 2022 opgelegd (de aanslag).\n\n1.2.. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de WOZ-waarde gehandhaafd.\n\n1.3.. De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.4.. Eiser heeft nadere stukken ingediend.\n\n1.5.. De rechtbank heeft het beroep op 1 augustus 2024 op zitting behandeld. Aan de zitting hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de heffingsambtenaar. Namens de heffingsambtenaar is ook [taxateur] verschenen.\n\nFeiten\n\n2. Eiser is eigenaar van de woning, een twee-onder-één-kapwoning uit het jaar 1981. De woning heeft een gebruiksoppervlakte van 131 m² en een perceeloppervlakte van 250 m². De woning heeft een garage.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar de waarde van de woning per 1 januari 2021 niet te hoog heeft vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.\n\nHeeft de heffingsambtenaar aannemelijk gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld?\n\n4. Eiser betoogt dat de waarde van de woning ten hoogste € 268.000,- bedraagt. De heffingsambtenaar heeft slechts in algemene bewoordingen aangegeven dat met eventuele verschillen tussen de woning en niet met name genoemde vergelijkingsobjecten rekening zou zijn gehouden. Eiser bestrijdt dat de heffingsambtenaar rekening heeft gehouden met de verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten. Eiser bestrijdt bij gebrek aan wetenschap dat de objectkenmerken van de vergelijkingsobjecten juist zijn. De heffingsambtenaar heeft niet duidelijk aangegeven welk deel van het perceel onder de vrijstelling voor waterverdedigingswerken valt. Eiser stelt dat de heffingsambtenaar geen rekening heeft gehouden met de slechte ligging van de woning nabij een bedrijventerrein en een gebied met kassen. Ter onderbouwing van zijn standpunten heeft eiser een WOZ-deskundigenrapport van 19 juli 2024 en overzichten van ‘De Juiste Waarde B.V.’ overgelegd. Ook heeft eiser informatie van Vastgoedpro (prijsontwikkeling woningen) overgelegd. De heffingsambtenaar heeft volgens eiser geen rekening gehouden met het achterstallig onderhoud en de minder goede voorzieningen van de woning.\n\n5. Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de woning bepaald op de waarde die aan de woning dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever ‘de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding’.De heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat hij de waarde van de woning niet te hoog heeft vastgesteld.\n\n6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar aannemelijk gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. Uit het door verweerder overgelegde taxatierapport blijkt dat de waarde van de woning is bepaald door middel van een methode van systematische vergelijking met woningen waarvan marktgegevens beschikbaar zijn, waarbij de verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten voldoende zijn toegelicht. De vergelijkingsobjecten ( [vergelijkingsobject 1] , [vergelijkingsobject 2] , [vergelijkingsobject 3] , [vergelijkingsobject 4] en [vergelijkingsobject 5] ) zijn bruikbaar bij de waardering, omdat deze op de belangrijkste waardebepalende kenmerken, zoals ligging, type en gebruiksoppervlakte voldoende vergelijkbaar zijn met de woning. De gemiddelde gecorrigeerde vierkantemeterprijs van de vergelijkingsobjecten is hoger dan de vierkantemeterprijs van de woning.\n\n7. Wat eiser heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Met de matrix heeft de heffingsambtenaar voldoende inzichtelijk gemaakt hoe de onderlinge verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten zijn verdisconteerd. In de matrix heeft de heffingsambtenaar de waarde van de objectonderdelen vermeld. Het besluit is terzake voldoende gemotiveerd. Eiser heeft de juistheid van die objectkenmerken niet (gemotiveerd) betwist.\n\n7.1. Op de zitting heeft eiser verklaard dat de ligging van de woning aan of op een waterverdedigingswerk en nabij een bedrijventerrein en een gebied met kassen geen punten van geschil meer zijn. De rechtbank zal deze stellingen (en in combinatie daarmee het beroep op het zorgvuldigheids- en het rechtszekerheidsbeginsel) daarom verder niet bespreken. Eiser heeft zijn stelling dat de heffingsambtenaar geen rekening heeft gehouden met de verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten, uitsluitend onderbouwd, door te wijzen op het verschil in bouwjaar waardoor met gebruikmaking van andere NEN-normen is gebouwd, hetgeen vooral tot verschil in de mogelijkheid tot energiebesparing leidt. Eiser heeft niet onderbouwd dat verweerder het onderhoudsniveau en het niveau van de voorzieningen van de woning anders had moeten waarderen dan hij heeft gedaan.\n\n7.2. In het door eiser overgelegde WOZ-deskundigenrapport wordt de waarde onderbouwd met verkoopcijfers van woningen die weliswaar een bouwjaar hebben dat meer overeenkomt met dat van de woning, maar die zijn gelegen in een andere wijk. De heffingsambtenaar heeft ter zitting uitgelegd dat de wijk waarin de woning van eiser ligt ( [wijk 1] ) een ander waardeniveau heeft dan de wijk waarin de woningen zijn gelegen waarmee in het door eiser overgelegde taxatierapport wordt vergeleken ( [wijk 2] ). De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat de vergelijkingsobjecten in het taxatierapport van eiser daardoor minder goed bruikbaar zijn.\n\n7.3. Tot slot is in de matrix van de heffingsambtenaar sprake van een bandbreedte van € 76.111,- (door het verschil) tussen de vierkantemeterprijs van de woning en de gemiddelde gecorrigeerde vierkantemeterprijs van de vergelijkingsobjecten, waarin eventuele nadere verschillen, waaronder die in bouwjaar, geacht kunnen worden te zijn verdisconteerd. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de WOZ-waarde van de woning hetzelfde blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. C. Laukens, rechter, in aanwezigheid van mr.Y.W. Geerts, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2024.\n\nDe griffier is verhinderd\n\nde uitspraak te ondertekenen\n\ngriffier\n\nrechter\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Den Haag waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.\n\n Kamerstukken II 1992\u002F93, 22 885, nr. 3, blz. 44.\n\n HR 14 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU4300.\n\n € 2.539 - € 1.958 * 131 = € 76.11.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2024:9837","2024-10-09T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:29.204Z",20]