[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-rotterdam-social-security-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":57,"limit":58},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},61,"Rotterdam","nl","rotterdam",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},44,"social-security-nl","Social Security","NL","2026-07-08T16:53:39.844Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},4,{"min":18,"max":19},"2026-05-27T00:00:00.000Z","2026-06-23T00:00:00.000Z",[],[22,33,40,49],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"1453","ECLI:NL:RBROT:2026:7183","ecli-nl-rbrot-2026-7183","","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROT 25\u002F9830\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juni 2026 in de zaak tussen\n [eiser], uit [plaatsnaam], eiser\n\nen\n\nde Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV\n\n(gemachtigde: [naam]).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over een aan eiser toegekend voorschot vanaf 7 juli 2025 op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Eiser is het niet eens met de hoogte van het voorschot en heeft beroep ingesteld.\n\n1.1.. Hierna heeft het UWV een definitief besluit genomen over de hoogte van de WIA-uitkering vanaf 7 juli 2025. Eiser heeft daarom geen belang meer bij een beoordeling van het voorschotbesluit. De rechtbank komt in deze uitspraak dan ook tot het oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is.\n\nProcesverloop\n\n2. Met het primaire besluit van 8 juli 2025 heeft het UWV bepaald dat eiser vanaf 7 juli 2025 recht heeft op een voorschot op zijn WIA-uitkering. Met het bestreden besluit van 24 oktober 2025 is het UWV bij dat besluit gebleven. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.\n\n2.1.. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.2.. Eiser heeft een nader stuk ingediend.\n\n2.3.. De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn ouders en de gemachtigde van het UWV.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3. Eiser is op 10 juli 2023 arbeidsongeschikt geraakt. Hij heeft op 10 april 2025 een WIA-uitkering aangevraagd. Vervolgens heeft het UWV het primaire besluit genomen. In dit besluit is aan eiser vanaf 7 juli 2025 een voorschot op zijn WIA-uitkering toegekend ter hoogte van € 1.881,81 bruto per maand, exclusief vakantiegeld. Dit voorschot is vastgesteld aan de hand van het loon dat eiser in de referteperiode (1 juli 2022 tot en met 30 juni 2023) ontving bij zijn toenmalige werkgevers (Ordina Business consulting en de Erasmus Universiteit Rotterdam). Hiermee heeft het UWV vastgesteld dat eisers dagloon € 133,49 is, wat een maandloon van € 2.032,38 bruto oplevert.Exclusief 8% vakantiegeld is dat € 1.881,81 bruto. In bezwaar heeft het UWV het primaire besluit gehandhaafd.\n\n4. Op 17 december 2025 heeft het UWV een inhoudelijk besluit genomen op eisers aanvraag voor een WIA-uitkering. Daarin heeft het UWV bepaald dat eiser vanaf 7 juli 2025 recht heeft op een loongerelateerde WIA-uitkering ter hoogte van € 2.016,23 bruto per maand, exclusief vakantiegeld. Gelet op dit besluit van 17 december 2025 dient de vraag te worden beantwoord of eiser nog voldoende procesbelang heeft bij een uitspraak over de hoogte van de WIA-uitkering als voorschot.\n\n5. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep is sprake van voldoende procesbelang als het resultaat dat de indiener van het (hoger)beroepschrift met het indienen van het (hoger) beroep nastreeft daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een enkel formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van voldoende procesbelang.\n\n6. De rechtbank is van oordeel dat eiser geen procesbelang meer heeft bij een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van 24 oktober 2025. Met het besluit van 17 december 2025 is namelijk een inhoudelijk besluit genomen op eisers aanvraag voor een WIA-uitkering over dezelfde periode als waarvoor het voorschot was toegekend. De rechtbank zal het beroep daarom niet-ontvankelijk verklaren. Dit betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk zal beoordelen.\n\n7. De rechtbank overweegt ter informatie van partijen nog het volgende. Eiser heeft in het beroepschrift en op de zitting gronden ingebracht die zien op de vaststelling van de (hoogte van) het dagloon, op basis waarvan de hoogte van het voorschot op zijn WIA-uitkering is vastgesteld. Op de zitting heeft eiser verklaard dat hij tegen het besluit van 17 december 2025 bezwaar heeft gemaakt en dat hij daarbij gronden heeft ingediend die zien op de medische beoordeling. De rechtbank geeft eiser mee dat hij de gronden die hij in de procedure over het voorschotbesluit heeft ingebracht over het dagloon ook in de bezwaarprocedure tegen het besluit van 17 december 2025 kan inbrengen. Daarnaast verzoekt de rechtbank het UWV het bezwaar van eiser tegen het besluit van 17 december 2025 voortvarend op te pakken.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.E.C. Debets, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 23 juni 2026.\n\nde griffier is verhinderd te tekenen\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n € 133,49 × 21,75 × 0,7 = € 2.032,38.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7183","2026-06-22T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:21.863Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":37,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":38,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":39},"1455","ECLI:NL:RBROT:2026:7204","ecli-nl-rbrot-2026-7204","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROT 25\u002F8926\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juni 2026 in de zaak tussen\n [eiser], uit [plaatsnaam], eiser\n\n(gemachtigde: mr. S. van der Eijk)\n\nen\n\nde Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV\n\n(gemachtigde: [naam]).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over een terugvordering van te veel ontvangen uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Eiser is het hier niet mee eens en heeft beroep ingesteld.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Wel krijgt eiser een vergoeding van de gemaakte proceskosten en het griffierecht. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Met het primaire besluit van 12 maart 2025 heeft het UWV bepaald dat eiser een bedrag van € 18.384,82 bruto aan te veel betaalde Wajong-uitkering moet terugbetalen. Met het bestreden besluit van 26 september 2025 is het UWV bij dat besluit gebleven. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.\n\n2.1.. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.2.. Eiser heeft nadere stukken ingediend.\n\n2.3.. De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van partijen.\n\nBeoordeling door de rechtbankWaar gaat het om in deze zaak?\n\n3. Eiser ontving een Wajong-uitkering. Omdat hij naast zijn Wajong-uitkering inkomsten uit werk had, ontving hij de Wajong-uitkering in de vorm van een voorschot. Het UWV heeft met het primaire besluit, dat in het bestreden besluit in stand is gebleven, eisers recht op Wajong-uitkering over de periode van 16 januari 2023 tot en met 31 december 2023 definitief berekend en bepaald dat eiser in totaal € 18.384,82 bruto te veel heeft ontvangen. Dit bedrag moet eiser terugbetalen aan het UWV. Eiser is het hier niet mee eens en voert in beroep aan dat het UWV wegens dringende redenen van de terugvordering had moeten afzien.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n4. Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van te veel ontvangen Wajong-uitkering vanwege inkomsten uit werk. Wat partijen verdeeld houdt, is of sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien.\n\n5. De rechtbank is van oordeel dat het UWV geen aanleiding heeft hoeven zien om op grond van dringende redenen geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Het UWV heeft bij de oorzaak en bij de gevolgen van de terugvordering alle relevante feiten en omstandigheden bij de beoordeling van de dringende reden voldoende meegewogen. Over de oorzaak heeft het UWV toegelicht dat eiser verplicht is zijn inkomsten als zelfstandige aan het UWV te melden en dat het UWV eiser met de brieven van 19 juni 2019 en 1 augustus 2022 heeft gewezen op zijn verplichting om wijzigingen in zijn situatie aan het UWV door te geven. Gelet op deze brieven was eiser van deze verplichting op de hoogte en had het op zijn weg gelegen om tijdig zijn inkomsten als zelfstandige aan het UWV door te geven. Dat eisers inkomsten als zelfstandige bij de Belastingdienst bekend waren, ontslaat eiser niet van zijn verplichting om deze inkomsten te melden aan het UWV. Bovendien heeft het UWV ter zitting toegelicht dat de Belastingdienst de gegevens over eisers werkzaamheden als zelfstandige pas aan het UWV doorgeeft nadat de aangifte inkomstenbelasting bij de Belastingdienst is gedaan. In dit geval heeft het UWV pas bij eisers verzoek om beëindiging van zijn Wajong-uitkering geconstateerd dat eiser sinds 16 januari 2023 met zijn onderneming staat ingeschreven in de Kamer van Koophandel. Daarnaast blijkt uit een rapportage van 11 juli 2024 dat eiser in het eerste kwartaal van 2023 omzet had, maar dat vanwege uitstel voor de aangifte inkomstenbelasting destijds (op 11 juli 2024) nog niet bekend was of eiser winst had in 2023. Om die reden is pas met het primaire besluit van 12 maart 2025 de Wajong-uitkering over de periode van 16 januari 2023 tot en met 31 december 2023 teruggevorderd.\n\n5.1.. Wat betreft de gevolgen van de terugvordering heeft eiser erop gewezen dat hij de afgelopen jaren veel heeft meegemaakt. Zijn partner is nog niet zo lang geleden overleden. Daarnaast kampt hij met medische klachten, waaronder spannings- en angstklachten, en schuldenproblematiek, waaronder een forse schuld aan het CJIB. Ten aanzien van de psychische klachten heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat deze klachten dermate ernstig zijn dat hij de informatie over zijn inkomsten als zelfstandige niet tijdig aan het UWV kon doorgeven. Ten aanzien van de financiële gevolgen heeft eiser niet met nadere stukken aannemelijk gemaakt dat de gestelde financiële slechte situatie zodanig is dat de terugvordering voor hem onaanvaardbare financiële en sociale gevolgen heeft. Onder deze omstandigheden heeft het UWV dan ook geen aanleiding hoeven zien om van terugvordering af te zien.\n\n6. Omdat het UWV in het bestreden besluit bij de belangenafweging in het kader van de dringende redenen slechts is ingegaan op de gestelde financiële gevolgen van de terugvordering en niet ook op de oorzaak en andere gestelde (niet-financiële) gevolgen van de terugvordering, bevat het bestreden besluit een motiveringsgebrek. Op de zitting heeft het UWV alsnog een belangenafweging in het kader van de dringende reden gemaakt als bedoeld in de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep.Gelet hierop zal de rechtbank het gebrek passeren, omdat aannemelijk is dat eiser hierdoor niet is benadeeld. Ook als dit gebrek zich niet zou hebben voorgedaan, zou een besluit met een gelijke uitkomst zijn genomen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Van dringende redenen om van terugvordering af te zien is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Het UWV heeft dus terecht tot terugvordering van het te veel betaalde bedrag aan Wajong-uitkering besloten. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.\n\n8. Gelet op het motiveringsgebrek ziet de rechtbank wel aanleiding te bepalen dat het UWV het betaalde griffierecht moet vergoeden aan eiser. Ook moet het UWV de door eiser gemaakte proceskosten vergoeden. De vergoeding voor de proceskosten is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep ongegrond;\n\nbepaalt dat het UWV het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden;\n\nbepaalt dat het UWV de proceskosten tot een bedrag van € 1.868,- aan eiser moet vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.E.C. Debets, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 23 juni 2026.\n\nde griffier is verhinderd te tekenen\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Als bedoeld in artikel 2:59, vijfde lid van de Wajong.\n\n Vgl. ECLI:NL:CRVB:2024:726, r.o. 4.3.4, en ECLI:NL:CRVB:2025:1333, r.o. 4.8.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7204","2026-07-13T00:29:21.946Z",{"id":41,"ecli":42,"slug":43,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":44,"fullText":45,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":46,"sourceTimestamp":47,"parsedAt":31,"updatedAt":48},"1508","ECLI:NL:RBROT:2026:7066","ecli-nl-rbrot-2026-7066","2026-06-16T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROT 26\u002F4287\n\nproces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 juni 2026 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen\n \n [verzoeker 1] en [verzoeker 2], uit [plaatsnaam], verzoekers\n\nen\n\nde Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, de SVB\n\n(gemachtigde: mr. G.E. Eind).\n\nInleiding\n\n1. Met het besluit van 8 september 2025 heeft de SVB een bedrag van € 7.064,99 van verzoekers teruggevorderd. Met het bestreden besluit van 17 februari 2026 heeft de SVB het terugvorderingsbedrag verlaagd naar € 5.257,68. Verzoekers hebben hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.\n\n2. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 16 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekers, [naam] (namens verzoekers) en de gemachtigde van de SVB.\n\n3. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\nWat is er gebeurd?\n\n4. Verzoekers ontvangen AOW en een pensioen van de ABP. Omdat ze hiermee onder het sociaal minimum komen, ontvangen ze van de SVB een AIO-uitkering. Dit is een extra bedrag voor mensen in Nederland die geen volledige AOW ontvangen en verder geen of weinig inkomsten hebben.\n\n5. In 2025 is de ABP erachter gekomen dat verzoekers over een lange periode te weinig pensioen hebben gekregen. Zij hebben daarom een nabetaling ontvangen. De SVB heeft vervolgens een bedrag van € 5.257,68 aan te veel ontvangen AIO-uitkering van verzoekers teruggevorderd. Verzoekers hebben over deze terugvordering een beroepsprocedure lopen bij de rechtbank (ROT 26\u002F2792).\n\nWaar gaat het in deze zaak om?\n\n6. De SVB heeft berekend hoeveel verzoekers per maand terug zouden kunnen betalen. Met het bestreden besluit van 1 mei 2026 heeft de SVB bepaald dat de schuld van verzoekers bij de SVB vanaf juni 2026 wordt verrekend met hun AIO-uitkering, waardoor zij elke maand € 150,- (twee keer € 75,-) minder uitbetaald krijgen. Verzoekers zijn het hier niet mee eens. Zij willen met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat zij voorlopig niets hoeven terug te betalen, totdat de rechtbank uitspraak heeft gedaan in de hoofdzaak over de terugvordering. De SVB heeft toegezegd dat er niet wordt verrekend totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan.\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek af\n\n7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.\n\n8. De voorzieningenrechter heeft nagedacht over de vraag of het verzoek om een voorlopige voorziening samenhangt met het besluit over de terugvordering of met het besluit over de verrekening. Verzoekers hebben bij het indienen van het verzoek verwezen naar de beroepszaak over de terugvordering. Dit is ook het meest praktisch. De SVB hoeft de brief van verzoekers van 5 mei 2026 daarom niet aan te merken als een bezwaarschrift tegen de verrekening.\n\n9. De voorzieningenrechter heeft de mogelijkheid om ook onmiddellijk uitspraak te doen in de beroepszaak, maar doet dat in deze zaak niet. Dit komt omdat hij het dossier over de beroepszaak niet heeft gelezen en hierdoor weet hij niet of verzoekers in de beroepsprocedure nog iets hebben aangevoerd waar hij nog een oordeel over moet geven. De rechtbank zal dus op een later moment de beroepszaak behandelen.\n\n10. De voorzieningenrechter heeft gekeken naar de terugvordering en hij verwacht dat het beroep weinig kans van slagen heeft. Tijdens de zitting is uitgelegd dat het pensioen van de ABP en de AIO-uitkering communicerende vaten zijn. De hoogte van de AIO-uitkering is afhankelijk van de hoogte van het pensioen van de ABP. In 2025 is gebleken dat verzoekers jarenlang te weinig pensioen hebben ontvangen. Dit betekent ook dat verzoekers jarenlang te veel AIO-uitkering hebben gekregen. Verzoekers hoefden er niet op bedacht te zijn dat zij te weinig pensioen kregen. Zij kregen elke maand het pensioen waar zij recht op dachten te hebben. Maar in 2025 werd de situatie anders en hebben zij een nabetaling gekregen van het ABP. In de brieven van het ABPstaat de waarschuwing dat de nabetaling gevolgen kan hebben voor toeslagen en andere uitkeringen, en dat een andere uitkering misschien wel terugbetaald moet worden. Verzoekers hebben ervoor gekozen om het geld van de nabetaling te schenken aan hun (klein)kinderen, omdat zij al jaren op het sociaal minimum leven en nooit iets extra’s kunnen geven aan hun (klein)kinderen. De nabetaling was echter een dooie mus, want onder de streep hebben verzoekers geen recht op méér geld dan wat ze in het verleden hebben gekregen. Meer pensioen betekent namelijk minder AIO-uitkering als aanvulling op dat pensioen. Verzoekers hebben de nabetaling al uitgegeven, maar de SVB mocht dit bedrag als te veel betaalde AIO-uitkering wel van verzoekers terugvorderen. En omdat verzoekers het geld niet in één keer kunnen terugbetalen, mag de SVB elke maand een bedrag verrekenen met de AIO-uitkering om het bedrag in delen terug te krijgen. Verzoekers zijn het er niet mee eens dat de SVB de AIO-uitkering over 15 jaar terugvordert, maar als zij een nabetaling krijgen over de afgelopen 15 jaar, dan mag er ook over 15 jaar worden teruggevorderd. De SVB maakt verzoekers geen verwijt, maar eigenlijk hadden zij de nabetaling opzij moeten zetten. Het is vervelend dat verzoekers nu elke maand € 150,- minder AIO-uitkering ontvangen, maar het gaat om gemeenschapsgeld en de SVB moet daar wel zorgvuldig mee omgaan. In wat verzoekers verder op de zitting hebben verteld, ziet de voorzieningenrechter ook geen reden waarom de SVB, ondanks dat het bevoegd is om terug te vorderen, dat tóch niet zou mogen doen. De voorzieningenrechter verwacht dus dat de rechtbank het beroep ongegrond zal verklaren en daarom vindt de voorzieningenrechter dat de SVB nu al mag verrekenen en daarmee niet hoeft te wachten tot de uitspraak in de hoofdzaak.\n\nConclusie en gevolgen\n\n11. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de SVB maandelijks het bedrag van € 150,- mag inhouden op de AIO-uitkering. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\n12. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep openstaat.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2026 door mr. V. van Dorst, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier.\n\nDe voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te tekenen\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen (AIO)\n\n De brief van 28 januari 2025 aan verzoekster en de brief van 28 april 2025 aan verzoeker.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7066","2026-06-19T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:24.585Z",{"id":50,"ecli":51,"slug":52,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":53,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":54,"sourceTimestamp":55,"parsedAt":31,"updatedAt":56},"317","ECLI:NL:RBROT:2026:7499","ecli-nl-rbrot-2026-7499","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROT 25\u002F1037\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 mei 2026 in de zaak tussen\n [eiser] , uit [woonplaats] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. N. Roos),\n\nen\n\nde Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, UWV\n\n(gemachtigde: [gemachtigde] ).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een Wajong-uitkering. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV terecht de aanvraag van eiser heeft afgewezen.Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Het UWV heeft de aanvraag van eiser voor een Wajong-uitkering met het primaire besluit van 22 juli 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 17 december 2024 op het bezwaar van eiser is het UWV bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.\n\n2.1.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. S.C. van Paridon als waarnemer van de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV.\n\nTotstandkoming bestreden besluit\n\n3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1992 in [geboorteplaats] . Op zijn dertiende is hij naar [stad] verhuisd waar hij tot en met zijn vijfentwintigste heeft gewoond.\n\n3.1.. Op 12 juli 2024 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wajong.\n\n3.2.. Met het besluit van 22 juli 2024 heeft het UWV de aanvraag afgewezen, omdat eiser op zijn achttiende verjaardag niet in Nederland of een land van de EU, EER of Zwitserland woonde. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.\n\n3.3.. Met het bestreden besluit van 17 december 2024 op het bezwaar van eiser heeft het UWV de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd. Het UWV stelt zich op het standpunt dat eiser niet als ingezetene van Nederland kan worden aangemerkt omdat hij op zijn achttiende verjaardag niet in Nederland woonde. Volgens het UWV is ook niet gebleken van een duurzame band van persoonlijke aard tussen eiser en Nederland.\n\nWettelijk kader\n\n4. De wet- en regelgeving die van belang is voor deze zaak, staat in de bijlage bij deze uitspraak.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nIngezetene in de zin van de Wajong\n\n5. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser op [datum] 2010, de dag dat hij achttien jaar is geworden, niet in Nederland woonde maar in [stad] . Wat partijen nog verdeeld houdt is de vraag of eiser op zijn achttiende verjaardag een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had en hij dus als ingezetene in de zin van de Wajong moet worden aangemerkt.\n\n5.1.. Eiser voert aan dat de duurzame band van persoonlijk aard tussen hem en Nederland altijd heeft blijven bestaan. Hierbij is volgens eiser van belang dat hij in Nederland is geboren, alleen de Nederlandse nationaliteit heeft, enkel de Nederlandse taal spreekt en dat hij tot zijn dertiende in Nederland heeft gewoond. Hij is gevormd naar het in Nederland geldende gemeenschappelijk systeem van normen en waarden. Eiser heeft zich altijd alleen maar Nederlander gevoeld. De enkele omstandigheid dat eiser vanaf zijn dertiende tot en met zijn vijfentwintigste buiten Nederland heeft gewoond is volgens eiser onvoldoende om te kunnen concluderen dat er geen sprake is van een duurzame band van persoonlijke aard tussen hem en Nederland. Alle feiten en omstandigheden moeten worden meegenomen en eiser verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 22 juli 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:2838).\n\n5.2.. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep komt het er bij de beoordeling naar de omstandigheden van ingezetenschap op aan of deze van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland. Die duurzame band hoeft niet sterker te zijn dan de band met enig ander land, zodat voor een woonplaats hier te lande niet noodzakelijk is dat het middelpunt van iemands maatschappelijke leven zich in Nederland bevindt.\n\n5.3.. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval niet kan worden geconcludeerd dat eiser op zijn achttiende verjaardag een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had en dus als ingezetene kan worden aangemerkt. Weliswaar heeft hij een groot deel van zijn jeugd in Nederland doorgebracht, maar dat gegeven maakt niet dat eiser op zijn achttiende een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had. Ook het in bezit zijn van de Nederlandse nationaliteit, het spreken van de Nederlandse taal en de enkele stelling dat eiser de intentie had om naar Nederland te verhuizen en zich altijd Nederlander heeft gevoeld, maken niet dat sprake is van een dergelijke band.\n\n5.4.. Naar het oordeel van de rechtbank is de situatie van eiser niet vergelijkbaar met de door eiser aangehaalde uitspraak van de Raad van 22 juli 2016. In die zaak was de betrokkene door zijn ouders gedurende een periode bij familie in het buitenland ondergebracht in de hoop dat hij op een alternatieve wijze kon worden geholpen om van zijn aandoening af te komen. De ouders van de betrokkene bleven in Nederland wonen en bezochten hem diverse keren per jaar. Ook verbleef de betrokkene jaarlijks in de zomer gedurende twee maanden bij zijn ouders in Nederland en bleef hij voor de ziektekosten meeverzekerd bij zijn ouders. Van soortgelijke omstandigheden is in het geval van eiser niet gebleken.\n\n5.5.. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nEvenredigheidsbeginsel\n\n6. Eiser heeft verder een beroep gedaan op het evenredigheidsbeginsel en verwijst hierbij naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 29 mei 2024.Eiser voert aan dat sprake is van bijzondere omstandigheden omdat hij vanaf zijn geboorte tot en met zijn dertiende levensjaar in Nederland heeft verbleven en niet uit eigen wil Nederland heeft verlaten. Hij was afhankelijk van de keuze die zijn ouders hebben gemaakt om naar [stad] te verhuizen. Volgens eiser heeft de wetgever deze gevolgen, namelijk dat eiser onder deze omstandigheden niet in aanmerking komt voor een Wajong-uitkering, niet dan wel onvoldoende overzien en niet als zodanig geaccepteerd. Om die redenen is er in dit geval aanleiding om tot een andere uitkomst te komen dan de uitkomst waartoe strikte toepassing van de wet leidt.\n\n6.1.. De rechtbank overweegt dat de Wajong, een wet in formele zin, niet kan worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel. Dit is slechts anders als in bepaald geval de toepassing van een bepaling vanwege bijzondere omstandigheden waarmee de wetgever bij het maken van de wetgeving geen rekening heeft gehouden, in strijd zou kunnen komen met een fundamenteel rechtsbeginsel of (ander) ongeschreven recht. Dit is bijvoorbeeld het geval als de gevolgen van de toepassing van de wettelijke bepaling niet overeenkomt met wat de wetgever kan hebben bedoeld of voorzien.\n\n6.2.. Naar het oordeel van de rechtbank is van zo’n situatie geen sprake. Het is de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever geweest om de kring van uitkeringsgerechtigden te beperken tot personen die op hun achttiende verjaardag als ingezetenen van Nederland kunnen worden beschouwd.De Wajong geeft de wetgever ook de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur de kring van ingezetenen uit te breiden en te beperken.Niet in geschil is dat eiser ook op grond daarvan niet kan worden aangemerkt als ingezetene. Er moet dus worden aangenomen dat de wetgever de gevolgen van het begrip ingezetene in aanmerking heeft genomen, namelijk dat iemand die voor zijn achttiende verjaardag naar het buitenland is verhuisd en op zijn achttiende verjaardag niet in Nederland woont, geen recht heeft op een Wajong-uitkering. Dat eiser als dertienjarig kind volledig afhankelijk was van zijn ouders die hebben besloten om met hem naar [stad] te verhuizen, is dus geen bijzondere omstandigheid waarmee de wetgever geen rekening heeft gehouden en waarvan hij de gevolgen niet heeft overzien.\n\n6.3.. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het UWV terecht de aanvraag van eiser voor een Wajong-uitkering heeft afgewezen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. N. Shahani, rechter, in aanwezigheid van E.J. van den Doel, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026.\n\nde griffier is verhinderd te tekenen.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nBijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels\n\nWet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten\n\nArtikel 1:2 Ingezetene\n\n1. Ingezetene in de zin van deze wet en de daarop berustende bepalingen is de natuurlijke persoon, die in Nederland woont.\n\n2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan, in afwijking van het eerste lid, uitbreiding dan wel beperking worden gegeven aan het begrip ingezetene.\n\n3. Voor de persoon die op grond van het tweede lid als ingezetene wordt aangemerkt, doch buiten Nederland woont, gelden de bepalingen van deze wet, met inachtneming van de specifieke regels die in deze wet ten aanzien van deze persoon zijn gesteld.\n\nArtikel 1:3 Woonplaats\n\n1. Waar een natuurlijk persoon woont wordt naar de omstandigheden beoordeeld.\n\n(…)\n\nArtikel 1a:1 Jonggehandicapte\n\n1. Jonggehandicapte is de ingezetene die:\n\na. op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft;\n\nb. na de in onderdeel a bedoelde dag als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en in het jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop dit is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was.\n\n2. De ingezetene die op de dag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, beperkingen ondervindt als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling, maar op grond van het eerste lid niet aangemerkt wordt als jonggehandicapte, wordt alsnog jonggehandicapte in de zin van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen, indien hij binnen vijf jaar na die dag duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, indien dit voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij beperkingen als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling ondervond, op de dag, bedoeld in onderdeel a of b.\n\nBesluit uitbreiding en beperking kring ingezetenen Wajong\n\nArtikel 2. Uitbreiding van de kring van ingezetenen\n\nVoor de toepassing van de wet wordt mede verstaan onder ingezetene: de persoon, die buiten Nederland woont en die op grond van artikel 2, 3, 5 of 8 van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 verplicht verzekerd is voor de volksverzekeringen.\n\nArtikel 3. Eigen kind, aangehuwd kind of pleegkind van ontwikkelingswerker\n\n1. Voor de toepassing van de wet wordt mede verstaan onder ingezetene: het eigen kind, het aangehuwde kind of het pleegkind van de persoon, die is uitgezonden om door de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking aan te wijzen werkzaamheden in het kader van ontwikkelingssamenwerking te verrichten, dat gedurende het tijdvak, waarin bedoelde werkzaamheden worden verricht tot de huishouding van die persoon behoort, tenzij het kind gedurende bedoeld tijdvak werkzaamheden verricht.\n\n2. Het eerste lid is niet van toepassing op het pleegkind van de aldaar bedoelde persoon, dat eerst gedurende het tijdvak, waarin de in het eerste lid bedoelde werkzaamheden worden verricht, tot diens huishouding is gaan behoren.\n\n3. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder pleegkind verstaan een kind dat als een eigen kind wordt onderhouden en opgevoed.\n\n Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.\n\n ECLI:NL:CRVB:2012:BX5908 r.o. 4.3.\n\n ECLI:NL:CRVB:2021:2901 r.o. 4.3.\n\n ECLI:NL:CRVB:2024:1119.\n\n ECLI:NL:CRVB:2017:2622 en ECLI:NL:CRVB:2025:1508.\n\nECLI:NL:CRVB:2024:1119 r.o. 4.5.\n\n Artikel 1:2, tweede lid, van de Wajong.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7499","2026-06-29T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:24.157Z",1,20]