[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-s-hertogenbosch-asylum-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":59,"limit":60},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},72,"'s-Hertogenbosch","nl","s-hertogenbosch",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},37,"asylum-law-nl","Asylum Law","NL","2026-07-08T16:53:25.948Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},4,{"min":18,"max":19},"2025-10-16T00:00:00.000Z","2026-07-03T00:00:00.000Z",[],[22,33,42,51],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"1568","ECLI:NL:RBDHA:2026:18519","ecli-nl-rbdha-2026-18519","","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats ‘s-Hertogenbosch\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.35195\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. W.M. Blaauw),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\n(gemachtigde: mr. J.A.A. Willems).\n\nProcesverloop\n\n1. Met het bestreden besluit van 24 juni 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n1.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n1.2.. De rechtbank heeft partijen op 25 juni 2026 uitgenodigd voor de behandeling van de zaak op zitting. Partijen hebben vervolgens ingestemd met schriftelijke afdoening van de zaak en de behandeling ter zitting op 25 juni 2026 is niet door gegaan.\n\n1.3.. Eiser heeft op 29 juni 2026 beroepsgronden ingediend. De minister heeft daarop op 1 juli 2026 gereageerd. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek op 3 juli 2026 gesloten.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nKan de kennisgeving van de minister worden ingetrokken door eiser?\n\nFeiten en omstandigheden\n\n2. Nadat de rechtbank de kennisgeving van de inbewaringstelling van eiser had ontvangen, is onmiddellijk het tijdstip van het onderzoek ter zitting bepaald.Gemachtigde van eiser heeft daarop contact opgenomen met de rechtbank en aangegeven dat hij op dat tijdstip verhinderd is. De dag van de zitting heeft hij, verdeeld over het land, meerdere bewaringszittingen en van hem kan niet verwacht worden dat hij overal kan verschijnen. Gemachtigde van eiser heeft aangegeven de zaak te willen intrekken en heeft vervolgens een intrekkingsverklaring aan het digitale dossier toegevoegd. De rechtbank heeft daarop contact opgenomen met de gemachtigde van eiser en aangegeven dat de behandeling van de zaak wordt voorgezet, ondanks de aan het digitale dossier toegevoegde intrekkingsverklaring. De gemachtigde van eiser heeft vervolgens verzocht de zaak schriftelijk te behandelen. De minister heeft ingestemd met schriftelijke behandeling.\n\nStandpunt eiser\n\n3. In de gronden van beroep van 29 juni 2026 persisteert eiser bij zijn intrekking. Namens eiser is nogmaals aangegeven dat het voor zijn gemachtigde niet mogelijk is om op meerdere plaatsen tegelijkertijd op bewaringszittingen te verschijnen en in dat kader wordt gewezen op de (on)mogelijkheden voor het CIV om meerdere zaken van één gemachtigde gebundeld te laten plannen bij een zittingsplaats. Indien de intrekking door de rechtbank niet wordt geaccepteerd dan hoort eiser graag waarom dat zo is en verzoekt hij de rechtbank de maatregel van bewaring ambtshalve te beoordelen.\n\nStandpunt minister\n\n4. De minister stelt zich op het standpunt dat, gelet op artikel 94, vijfde lid van de Vw 2000 en artikel 11, derde lid, van de Opvangrichtlijnhet beroep door middel van een kennisgeving niet kan worden ingetrokken door (de gemachtigde van) de vreemdeling. Op het moment dat een kennisgeving door (de gemachtigde van) de vreemdeling kan worden ingetrokken, heeft dat tot gevolg dat de rechtmatigheid van de bewaring niet (meer) door de rechter wordt getoetst. Dit is strijdig met artikel 11, derde lid, van de Opvangrichtlijn omdat de rechtmatigheid van de bewaring in een dergelijk geval ongetoetst blijft.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n5. Bij deze beoordeling gaat het om een maateregel van bewaring die is opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw 2000 en deze maatregel van bewaring duurde tot het moment van sluiting van het onderzoek nog voort.\n\n5.1.. Omdat het gaat om een maatregel op grond van artikel 59b van de Vw 2000 is de Opvangrichtlijn van toepassing. Uit artikel 11, tweede lid, van de Opvangrichtlijn volgt dat bewaring wordt bevolen door rechterlijke of administratieve instanties. Artikel 11, derde lid, van de Opvangrichtlijn bepaalt dat wanneer de bewaring wordt bevolen door een administratieve instantie, de lidstaten er ambtshalve of op verzoek van de verzoeker, of beide, voor zorgen dat de rechtmatigheid van de bewaring door de rechter met spoed wordt getoetst.\n\n5.2.. In artikel 94, eerste lid van de Vw 2000 is opgenomen dat de minister onverwijld na de bekendmaking van een besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in de artikel 59b van de Vw 2000 de rechtbank hiervan in kennis stelt.\n\n5.3.. Dit betekent dat de wetgever ervoor gekozen heeft de toetsing van de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring ambtshalve aan de rechter voor te leggen door middel van het verzenden van een kennisgeving. De mogelijkheid voor het instellen van beroep door de vreemdeling is niet (meer) opgenomen in de Vw 2000. Dat dit een bewuste keuze is, blijkt expliciet uit de Memorie van Toelichting (MvT)waarin is opgenomen dat:\n\n“In dit wetsvoorstel wordt artikel 94, eerste lid, Vw 2000 aangepast aan de keuze van de regering om enkel ambtshalve beroep open te stellen tegen een vrijheidsontnemende maatregel. De vreemdeling hoeft daardoor niet zelf beroep in te stellen. In verband met de kortere uitspraaktermijn in bewaringszaken wordt in het voorgestelde artikel 94, eerste lid, Vw 2000 opgenomen dat de Minister van Asiel en Migratie de rechtbank onverwijld in kennis stelt van een besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel na de bekendmaking daarvan.\n\nAanvankelijk werd beoogd zowel de ambtshalve toetsing door de rechter als de mogelijkheid voor de vreemdeling om zelf beroep in te stellen, open te houden. Naar aanleiding van de consultatiereacties, in het bijzonder met betrekking tot de uitvoerbaarheid, kiest de regering ervoor alleen nog de ambtshalve toetsing door de rechter te behouden, waarbij de rechtbank onverwijld na de bekendmaking in kennis wordt gesteld van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel. Dit levert namelijk minder administratieve lasten op voor de uitvoering en de rechtspraak en zorgt ervoor dat de kortere uitspraaktermijn optimaal kan worden benut.”\n\n5.4.. Gelet op de bewoordingen van artikel 11 van de Opvangrichtlijn, waarin is aangegeven dat de lidstaat er ambtshalve ofop verzoek van de verzoeker,ofbeide voor zorgdraagt dat de rechtmatigheid van de bewaring zo spoedig mogelijk wordt getoetst, heeft de wetgever er dus voor kunnen kiezen het eerste beroep ter toetsing van de inbewaringstelling telkens in te leiden met een kennisgeving en daarmee alleen de ambtshalve weg open te stellen.\n\n5.5.. Ter waarborging van de spoedige rechterlijke toetsing is in artikel 11, derde lid, van de Opvangrichtlijn eveneens bepaald dat deze toets zo snel mogelijk wordt afgerond, rekening houdend met de omstandigheden van elk geval, en uiterlijk 15 dagen of, in uitzonderlijke omstandigheden, uiterlijk 21 dagen na de aanvang van de bewaring. Indien de in de eerste alinea bedoelde rechterlijke toetsing ambtshalve wordt uitgevoerd en niet binnen 21 dagen na de aanvang van de bewaring is afgerond, wordt de betrokken verzoeker onmiddellijk vrijgelaten. Deze bepalingen uit de Opvangrichtlijn zijn opgenomen in artikel 94, vijfde lid, van de Vw 2000.\n\n5.6.. Voorgaande betekent dat de spoedige rechtelijke toetsing van het opleggen van de maatregel van bewaring alleen kan worden ingeleid via de kennisgeving daarvan door de minister en dat met deze kennisgeving vervolgens ook de verplichting ontstaat voor de rechtbank om de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring te toetsen.\n\n5.7.. Hoewel in artikel 94, eerste lid, tweede volzin van de Vw 2000 is bepaald dat wanneer de kennisgeving is ontvangen, de vreemdeling wordt geacht beroep te hebben ingesteld, betekent dit niet dat het de vreemdeling ook vrijstaat de met een beroep gelijkgestelde kennisgeving in te trekken. Als deze mogelijkheid open zou staan dan wordt het de rechtbank onmogelijk gemaakt te voldoen aan de bepalingen uit de Opvangrichtlijn zoals deze zijn opgenomen in artikel 94, vijfde lid van de Vw 2000. De rechtbank kan dan immers niet binnen 15, uiterlijk 21 dagen de rechterlijke toetsing uitvoeren. De consequentie daarvan is dat de maatregel van bewaring moet worden opgeheven na 21 dagen.\n\n5.8.. De rechtbank verwijst in dit kader ook naar het arrest C.B.X. (ambtshalve toetsing van de bewaring) van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof). Hoewel dit arrest is gewezen onder de werking van de inmiddels herziene Opvangrichtlijn van 2013, gelden de uitgangspunten uit dat arrest onverkort. In de punten 92 en 93 van het arrest benadrukt het Hof dat, het door de Uniewetgever vastgestelde strikte kader voor bewaring en voortduring van een bewaringsmaatregel, tot een situatie leidt die niet geheel te vergelijken valt met een bestuursrechtelijk geschil waarin het initiatief en de afbakening van het geschil bij de partijen berusten. Voor de rechterlijke autoriteit geldt de verplichting om ambtshalve vast te stellen of een uit het Unierecht voortvloeiende voorwaarde voor de rechtmatigheid van een dergelijke maatregel niet is nageleefd. De rechtbank overweegt dat, nu alleen met het verzenden van de kennisgeving de maatregel van bewaring aan de rechtbank ter toetsing kan worden voorgelegd, de rechtbank de rechtmatigheid daarvan ook alleen via die weg kan en ook moet beoordelen. Dat in bestuursrechtelijke geschillen een ingesteld beroep kan worden ingetrokken, doet niet af aan de uit de Opvangrichtlijn volgende verplichting voor de rechterlijke autoriteit om een aan de rechtbank voorgelegde maatregel van bewaring, spoedig te toetsen, ook al heeft de vreemdeling daaraan -kennelijk- geen behoefte.\n\n5.9.. Daarbij komt dat de door het Hof genoemde strikte kaders met de huidige Opvangrichtlijn nog strikter zijn geworden, nu een niet tijdige rechterlijke toets tot onmiddellijke invrijheidsstelling leidt. Een mogelijkheid voor de vreemdeling om deze rechtelijke toets onmogelijk te maken door de met een beroep gelijkgestelde kennisgeving in te trekken en daarmee zijn invrijheidstelling te bewerkstelligen, verdraagt zich naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet met de doelstellingen van het Unierecht.\n\n5.10.. Dit betekent dat de rechtbank, in ieder geval zolang de vrijheidsontneming nog voortduurt, de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring die is ingeleid met de kennisgeving moet kunnen toetsen, ook als de vreemdeling daarop geen prijs stelt en de kennisgeving, die wordt aangemerkt als een beroep, wil intrekken.\n\n5.11.. In de concrete zaak van eiser betekent dit dat de rechtbank, nu eiser geen inhoudelijke gronden heeft ingediend, het opleggen en het voortduren van de maatregel ambtshalve zal beoordelen.\n\n5.12.. Naar aanleiding van het standpunt van de gemachtigde van eiser dat hij niet in staat was te verschijnen op de door de rechtbank geplande zitting en daarom geen andere keuze had dan een intrekkingsverklaring aan het digitale dossier toevoegen, merkt de rechtbank nog het volgende op. De gemachtigde had in dat geval had kunnen verzoeken om verplaatsing van de zitting naar een andere dag of tijdstip of, zoals uiteindelijk ook is gebeurd, in overleg met eiser kunnen verzoeken de zaak schriftelijk af te doen.\n\nDe aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring\n\n6. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op het vaststellen van de identiteit of nationaliteit en het vaststellen van de gegevens die ten grondslag liggen aan een aanvraag en die niet zouden kunnen worden verkregen indien de aanvrager niet in vreemdelingenbewaring zou worden gehouden, met name wanneer sprake is van een onderduikrisico.\n\n6.1.. In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:\n\na. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;\n\nb. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;\n\nc. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;\n\nd. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;\n\np. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;\n\nq. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;\n\nr. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;\n\ns. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.\n\nKunnen de door de minister vermelde gronden de maatregel dragen?\n\n7. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die door de minister in de maatregel van vreemdelingenbewaring zijn opgenomen, niet betwist. Ook naar het ambtshalve oordeel van de rechtbank kunnen deze gronden, bezien in samenhang met de daarop in de maatregel gegeven toelichting, het bestaan van een risico op onderduiken dragen.\n\nLeidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?\n\n8. De rechtbank overweegt dat ook de ambtshalve rechtmatigheidsbeoordeling van de maatregel van vreemdelingenbewaring niet tot de conclusie leidt dat het opleggen van de maatregel en het voortduren daarvan tot het moment van het sluiten van het onderzoek onrechtmatig was.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- wijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.H. van Marle, rechter, in aanwezigheid van mr. D.E. Maas, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 3 juli 2026.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000.\n\n Dit volgt uit artikel 94, vierde lid, van de Vw 2000.\n\n Richtlijn (EU) 2024\u002F1346 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming\n\n MvT, 2025-2026, 36 871, nr. 3, pagina 84 e.v.\n\n Arrest van 8 november 2022, C, B, en X, ECLI:EU:C:2022:858\n\n Richtlijn 2013\u002F33\u002FEU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (herschikking)\n\n Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18519","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:27.508Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":37,"fullText":38,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":39,"sourceTimestamp":40,"parsedAt":31,"updatedAt":41},"1058","ECLI:NL:RBDHA:2026:17042","ecli-nl-rbdha-2026-17042","2026-06-18T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats ‘s-Hertogenbosch\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.2885\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam] , [V-nummer] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. Y.G.F.M. Coenders),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister\n\n(gemachtigde: mr. S. Hendriks).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar asielaanvraag. De minister heeft met het bestreden besluit van 16 januari 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarnaast heeft de minister ambtshalve besloten dat eiseres niet in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning zoals bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) en dat geen uitstel van vertrek om medische redenen wordt verleend. Verder heeft de minister aan eiseres een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van vier weken opgelegd.\n\n1.1. De rechtbank heeft het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, G. Dogruyol als tolk (tolkennummer 1102) en de gemachtigde van de minister. Aansluitend op de behandeling ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.Beoordeling door de rechtbank\n\nWat oordeelt de rechtbank?\n\n2. De rechtbank beoordeelt of de minister de asielaanvraag van eiseres terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.\n\n2.1. De rechtbank verklaart het beroep gegrond omdat de minister het bestreden besluit onzorgvuldig heeft voorbereid en ondeugdelijk heeft gemotiveerd. In dit besluit heeft de minister namelijk onvoldoende betekenis toegekend aan het feit dat eiseres als Gülenaanhanger behoort tot een risicoprofiel en zich daarmee ook onvoldoende rekenschap gegeven van de zorgelijke mensenrechtensituatie voor Gülenisten in Turkije. Daarbij betrekt de rechtbank dat de minister door te volstaan met het aanmerken van (toegedichte) Gülenaanhangers als risicoprofiel, gegeven de veiligheidssituatie en positie van Gülenisten, te weinig duiding en invulling heeft gegeven aan het begrip ‘risicoprofiel’ in het door hem gevoerde gebonden landenbeleid inzake Turkije. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nHet asielrelaas\n\n3. Eiseres, geboren op [geboortedag] 2001 en van Turkse nationaliteit, heeft op 20 mei 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend en legt hieraan het volgende ten grondslag.\n\n3.1. Eiseres is opgegroeid in een gezin dat actief was binnen de (in Turkije verboden) Gülenbeweging en heeft op onderwijsinstellingen gezeten die zijn gelinkt aan deze beweging. Daarnaast heeft eiseres deelgenomen aan activiteiten die door de Gülenbeweging werden georganiseerd. In 2018 is de zus van eiseres, [naam] , door de Turkse autoriteiten ten onrechte in staat van beschuldiging gesteld en in verzekering gesteld omdat ze de door de autoriteiten verboden app Bylock op haar telefoon zou hebben gebruikt. Ondanks dat [naam] de telefoon niet zelf had gebruikt is zij in tweede instantie op 27 maart 2023 veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaar en drie maanden. Omdat [naam] had verklaard dat zij haar telefoon aan haar zus had gegeven, is ook eiseres opgeroepen door de rechtbank. Eiseres is daarop bij de rechtbank als getuige gehoord, waarna bleek dat de persoonsgegevens van eiseres waren verwisseld met die van haar andere zus [naam] . Tegen [naam] is vervolgens op 13 februari 2019 een bevel tot aanhouding uitgevaardigd op basis van de registratie van gesprekken op Bylock. Ook had een huisgenoot van [naam] een belastende verklaring tegen haar afgelegd. In 2020 heeft [naam] in Nederland asiel aangevraagd en gekregen. Eiseres heeft Turkije in april 2023 verlaten en is met behulp van een visum naar Nederland gereisd. Omdat in maart 2023 de straf van haar zus [naam] was bevestigd en de nieuwsberichten uit Turkije over willekeurige arrestaties van Gülenisten steeds negatiever werden, heeft eiseres in Nederland na het verstrijken van haar visum een asielaanvraag ingediend.\n\n3.2. \n\nEiseres heeft verklaard dat zij bang is dat ze bij terugkeer naar Turkije – net als haar zussen – wordt gearresteerd vanwege haar bij de autoriteiten bekende banden met de Gülenbeweging. Volgens eiseres blijkt ook dat ze vanwege die banden gevaar loopt omdat de Turkse autoriteiten nog steeds Gülenisten arresteren zonder enige grond. Eiseres wijst erop dat de Turkse inlichtingendienst gegevens van Bylock heeft gemanipuleerd en dat het Europees Hof van de Rechten van de Mens heeft vastgesteld dat Turkije daarmee de mensenrechten heeft geschonden. Desondanks gaan de autoriteiten volgens eiseres gewoon door met het onrechtmatig vastzetten van mensen. Verder heeft eiseres verklaard dat haar oom in voorarrest heeft gezeten. De autoriteiten hebben toen gedreigd dat ook zijn gezin zou worden opgepakt. Daarnaast is ook een vriendin van eiseres van de universiteit, [naam] , in Turkije gearresteerd in verband met activiteiten voor de Gülenbeweging. Eiseres was toen al in Nederland. Deze vriendin kwam in Turkije ook bij eiseres thuis en is daarna gearresteerd, mogelijk omdat de autoriteiten denken dat sprake is van hergroepering van de Gülenbeweging.\n\nDe besluitvorming\n\n4. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:\n\nidentiteit, nationaliteit en herkomst;\n\nbetrokkenheid bij de Gülenbeweging.\n\n4.1. De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig. Daarnaast acht de minister ook de betrokkenheid van eiseres bij de Gülenbeweging geloofwaardig, evenals dat de zussen van eiseres in de negatieve belangstelling staan van de Turkse autoriteiten vanwege hun betrokkenheid bij de Gülenbeweging. Eiseres is volgens de minister evenwel niet erin geslaagd om haar eigen vrees bij terugkeer aannemelijk te maken op basis van individuele omstandigheden. Eiseres komt daarom volgens de minister niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw 2000.\n\n4.2. Omdat eiseres niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd toen dat mogelijk was en niet is gebleken van een verschoonbare reden voor het niet onverwijld melden, heeft de minister de asielaanvraag van eiseres op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw 2000 afgewezen als kennelijk ongegrond.\n\nHet standpunt van eiseres\n\n5. Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en heeft daartegen beroep ingesteld en beroepsgronden geformuleerd. Op deze beroepsgronden wordt hierna ingegaan. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe omvang van het geding\n\n6. Eiseres heeft in haar beroepsgronden van 30 januari 2025 aangevoerd dat de beleidswijzigingen van 1 december 2023 (WBV 2023\u002F24) en 1 juli 2024 (WBV 2024\u002F12) ten onrechte op haar zaak zijn toegepast omdat de wettelijke beslistermijn in haar zaak was verstreken op het moment dat het beleid werd gewijzigd. Ter zitting heeft eiseres deze beroepsgrond laten vallen, zodat deze geen nadere bespreking behoeft.\n\n6.1.. Dit betekent dat tussen partijen niet (langer) in geschil is dat op de zaak van eiseres het beleid moet worden toegepast zoals dat gold ten tijde van het nemen van het bestreden besluit. Het bestreden besluit dateert van 16 januari 2025 en op dat moment was ten aanzien van Turkije het landgebonden asielbeleid van toepassing zoals neergelegd in paragraaf C7\u002F34.3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).\n\nHet beleid met ingang van 1 juli 2024\n\n7. De minister heeft in het bestreden besluit gesteld dat eiseres als Gülenaanhanger behoort tot een risicoprofiel onder paragraaf C2\u002F2.4 van de Vc 2000. Daarbij heeft de minister erop gewezen dat door middel van WBV 2024\u002F12 de Vc 2000 is aangepast en het nieuwe risicoprofielenbeleid in werking getreden. Het gevolg hiervan is dat de minister niet langer beoordeelt of sprake is van geringe of beperkte indicaties die de vrees bij terugkeer aannemelijk zouden maken. Volgens het nieuwe beleid wordt beoordeeld of er feiten en omstandigheden bestaan die op eiseres persoonlijk zien, waardoor een gegronde vrees voor vervolging of reëel risico op ernstige schade kan worden aangenomen. Dit betekent dat ondanks dat eiseres als (toegedicht) Gülenaanhanger valt onder een risicoprofiel het volgens de minister aan eiseres is om aannemelijk te maken dat zij persoonlijk ook daadwerkelijk een risico loopt bij terugkeer. Volgens de minister is eiseres daarin niet geslaagd. In dat kader werpt de minister aan eiseres tegen dat zij zelf geen persoonlijke problemen heeft ondervonden vanwege het zijn van Gülenist en ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij persoonlijk in de negatieve aandacht van de Turkse autoriteiten staat of zal komen te staan. In zoverre heeft eiseres haar vrees volgens de minister onvoldoende geïndividualiseerd.\n\n7.1.. Eiseres heeft ter zitting aangevoerd dat deze aanwijzing als risicoprofiel een lege huls is en niet meer is dan een uitroepteken voor de beslisambtenaar, aangezien de bewijslast voor eiseres als Gülenaanhanger niet anders is dan voor elke andere asielzoeker uit Turkije. Voor beide categorieën geldt immers het individualiseringsvereiste, dat wil zeggen dat de asielzoeker zijn gestelde vrees aannemelijk moet maken op basis van individuele omstandigheden. Aangenomen moet echter worden dat de minister ten aanzien van Gülenisten eerder tot vluchtelingschap dient te concluderen, gelet op dat wat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft overwogen in haar uitspraak van 25 maart 2026.Eiseres wijst erop dat in die uitspraak is overwogen dat de minister bij de beoordeling van asielaanvragen van Gülenisten rekening moet houden met de zorgelijke mensenrechtensituatie voor Gülenisten in Turkije, zoals beschreven in de ambtsberichten.De minister moet deze betrekken bij zijn oordeel of dat wat een Gülenist naar voren heeft gebracht, voldoende is om tot vluchtelingschap te concluderen. Eiseres betoogt dat op geen enkele manier uit het bestreden besluit blijkt dat de minister rekening heeft gehouden met deze zorgelijke mensenrechtensituatie. Dit klemt volgens eiseres te meer omdat haar twee zussen, zoals door de minister ook niet is bestreden, allebei worden vervolgd door de Turkse autoriteiten voor lidmaatschap van de FETÖ en ook haar vriendin is opgepakt vanwege lidmaatschap van de FETÖ. Deze associaties leveren volgens eiseres indicaties op op grond waarvan dient te worden aangenomen dat ook zij bij terugkeer naar Turkije gegronde vrees voor vervolging heeft.\n\n7.2.. De rechtbank volgt eiseres in haar betoog dat noch uit het landgebonden asielbeleid voor Turkije zoals neergelegd in paragraaf C7\u002F34.3.2 van de Vc 2000 (gelezen in samenhang met het risicoprofielenbeleid zoals neergelegd in paragraaf C2\u002F2.4 van de Vc 2000), noch uit het bestreden besluit blijkt welke betekenis toekomt aan het aanmerken van (toegedichte) Gülenaanhangers als risicoprofiel en welke gevolgen dit heeft voor de beoordeling van asielaanvragen van (toegedichte) Gülenaanhangers, zoals eiseres.\n\n7.3.. Zo vermeldt het landgebonden asielbeleid voor Turkije uitsluitend dat de minister voor Turkije (toegedichte) Gülenaanhangers aanwijst als risicoprofiel, zonder daarbij toe te lichten welke betekenis toekomt aan deze aanwijzing. Ook het algemene risicoprofielenbeleid zoals neergelegd in paragraaf C2\u002F2.4 van de Vc 2000 maakt dit onvoldoende duidelijk. Weliswaar heeft de minister in de eerste twee alinea’s van dit risicoprofielenbeleid vermeld wanneer hij een groep als risicoprofiel kan aanwijzen en welke elementen daarbij worden betrokken, maar tegelijkertijd leidt de rechtbank uit het beleid af dat de beoordeling van het risico bij terugkeer van iemand die behoort tot een risicoprofiel zich niet onderscheidt van de beoordeling van het risico bij terugkeer van iemand die niet behoort tot een risicoprofiel. In beide gevallen geldt immers het individualiseringsvereiste, geldt er geen aangepaste bewijslastverdeling en beoordeelt de minister op basis van individuele factoren of de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Met het behoren tot een risicoprofiel heeft de vreemdeling dus geen andere uitgangspositie dan een vreemdeling uit hetzelfde land die niet tot dat risicoprofiel behoort.\n\n7.4.. Uit de laatste twee alinea’s van het algemene risicoprofielenbeleid in paragraaf C2\u002F2.4 blijkt evenmin welke betekenis toekomt aan de aanwijzing van een groep als risicoprofiel en wat het bij de beoordeling van het risico bij terugkeer voor verschil maakt of iemand wel of niet behoort tot een groep die is aangemerkt als risicoprofiel. Weliswaar vermeldt de laatste alinea van het beleid dat, als een vreemdeling binnen een risicoprofiel valt, de IND de individuele omstandigheden van het geval beoordeelt afgezet tegen de positie van de groep en algemene veiligheidssituatie in het land van herkomst, maar ook dit vormt geen duidelijk onderscheidende beoordeling ten opzichte van de beoordeling van iemand die niet binnen een risicoprofiel valt. In beide gevallen geldt immers dat aan de hand van de individuele omstandigheden, de verrichte activiteiten en eventuele eerdere gebeurtenissen wordt beoordeeld of de vreemdeling een reëel risico op vervolging of ernstige schade loopt of heeft gelopen. Het is en blijft daarmee onduidelijk waarin het verschil in de beoordeling zit wanneer iemand wel of niet behoort tot een groep die is aangewezen als risicoprofiel, terwijl de (voorganger van de) minister impliceert dat dat verschil er wel is. In de brief van de (toenmalig) Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 5 maart 2024, over onder meer het herzien van het groepenbeleid, licht deze namelijk toe dat de kwalificatie als risicoprofiel evenwel moet worden gezien als een “uitroepteken” waarmee wordt aangegeven dat een bepaald profiel in algemene zin een bepaalde mate van risico kan lopen in een bepaald land van herkomst. Verder vermeldt de brief van 5 maart 2024 dat de positie van een groep waartoe een vreemdeling behoort en het risico dat leden van deze groep lopen in het land van herkomst dienen te worden betrokken bij de beoordeling van het risico bij terugkeer. Hoe kwetsbaarder de positie van de groep waartoe de vreemdeling behoort, des te eerder heeft de vreemdeling, gelet op zijn individuele feiten en omstandigheden bij terugkeer naar het land van herkomst, een gegronde vrees voor vervolging of ernstige schade. De algemene en individuele omstandigheden werken als communicerende vaten.\n\n7.5.. Het beeld dat de minister daarmee richting de buitenwereld schetst met het begrip “risicoprofiel” en de verwachtingen die hij daarmee wekt als het gaat om zijn beoordeling van asielaanvragen, verdraagt zich niet met de constatering dat het voor de beoordeling van het risico bij terugkeer in feite geen verschil maakt of iemand wel of niet behoort tot een groep die is aangewezen als risicoprofiel. Het is evenwel aan de minister om aan de betekenis en gevolgen hiervan voor de uitvoeringspraktijk verdere duiding en\u002Fof invulling te geven in het (landgebonden) asielbeleid, omdat anders sprake is van zinledig beleid dat bovendien kan leiden tot onduidelijkheid in de uitvoeringspraktijk, waarmee ook de rechtszekerheid in het geding komt. De rechtbank wijst in dit kader op de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2022, waarin de Afdeling tot een vergelijkbaar oordeel kwam ten aanzien van het begrip ‘verhoogde aandacht’.\n\n7.6.. Door in het landgebonden asielbeleid te volstaan met het aanmerken van (toegedichte) Gülenaanhangers als risicoprofiel geeft de minister naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende duiding aan de veiligheidssituatie en positie van Gülenisten in Turkije, alleen al omdat de minister daarmee niet duidelijk maakt van welke mate van kwetsbaarheid hij bij de positie van Gülenaanhangers in Turkije uitgaat. Dit terwijl de (voorganger van de) minister in voornoemde brief van 5 maart 2024 zelf benoemt dat (1) met de positie van de groep waartoe de vreemdeling behoort en het risico dat leden van deze groep lopen rekening moet worden gehouden en dat (2) de mate van kwetsbaarheid van invloed is op het bereiken van de lat om vrees voor vervolging of ernstige schade aannemelijk te achten. In zoverre mist in het landgebonden asielbeleid voor Turkije zoals neergelegd in paragraaf C7\u002F34.3.2 van de Vc 2000 gelezen in samenhang met het risicoprofielenbeleid zoals neergelegd in paragraaf C2\u002F2.4 van de Vc 2000 voldoende duiding van de veiligheidssituatie én de positie van (toegedichte) Gülenisten in Turkije.\n\n7.7.. Bij wat is overwogen in rechtsoverweging 7.6 acht de rechtbank tevens van belang dat de zorgelijke mensenrechtensituatie voor Gülenisten in Turkije – ook blijkens het algemeen ambtsbericht Turkije van februari 2025 – nog steeds wordt gekenmerkt door een willekeurige aard van vervolging van (toegedichte) Gülenisten en een situatie waarbij mensen relatief makkelijk worden verdacht van betrokkenheid bij de Gülenbeweging. Hoewel de Afdeling in eerdergenoemde uitspraak van 25 maart 2026 heeft geoordeeld dat de strafrechtelijke vervolging van Gülenisten niet ongericht is en dat niet elke Gülenist in gelijke mate het risico loopt op strafrechtelijke vervolging, lopen bepaalde categorieën personen wel een groter risico om strafrechtelijk te worden vervolgd. Het gaat dan met name om Gülenisten binnen het justitiële en veiligheidsapparaat, maar blijkens het ambtsbericht van 2025was er in de verslagperiode ook een restcategorie van personen die werden verdacht, zoals burgers die gedetineerde Gülenisten en\u002Fof hun familieleden ondersteunden en hierom door de Turkse autoriteiten werden verdacht van het ‘herstructureren’ van de Gülenbeweging. Omdat eiseres in het nader gehoor heeft verklaard dat haar zussen [naam] en [naam] – waarvan vaststaat dat zij strafrechtelijk zijn vervolgd wegens betrokkenheid met de Gülenbeweging – geld naar haar hebben overgemaakt en eiseres zelf haar zus [naam] financieel heeft ondersteund toen [naam] in de gevangenis zat, kan niet zonder meer worden gezegd dat eiseres niet behoort tot de hiervoor bedoelde (rest)categorie die in de verslagperiode een groter risico liep om strafrechtelijk te worden vervolgd. Dit geldt temeer nu eiseres heeft verklaard dat een vriendin van de universiteit – die eveneens heeft deelgenomen aan activiteiten voor de Gülenbeweging en die bij eiseres thuis kwam – later ook nog is gearresteerd in Turkije op verdenking van betrokkenheid bij de Gülenbeweging.\n\nWat betekent dit voor de zaak van eiseres?\n\n8. Gelet hierop en op wat eiseres naar voren heeft gebracht over haar achtergrond en banden met de Gülenbeweging en de door haar familieleden ondervonden problemen vanwege hun betrokkenheid bij de Gülenbeweging, waaronder strafvervolging, heeft de minister zijn standpunt over de aannemelijkheid van haar vrees voor vervolging bij terugkeer onvoldoende deugdelijk gemotiveerd. Het standpunt van de minister komt er immers in de kern op neer dat hij aan eiseres tegenwerpt dat zij haar persoonlijke vrees niet aannemelijk heeft gemaakt op basis van individuele omstandigheden omdat zij tot op heden zélf niet in de negatieve belangstelling van de autoriteiten heeft gestaan en er onvoldoende aanwijzingen zijn dat dit bij terugkeer wel het geval zal zijn. De door de minister verrichtte beoordeling wijkt niet inzichtelijk en\u002Fof wezenlijk af van de beoordeling van verzoeken van asielzoekers die niet behoren tot het risicoprofiel van Gülenisten. Bovendien laat deze beoordeling niet zien dat en op welke wijze daarbij betekenis is toegekend aan de zorgelijke mensenrechtensituatie voor Gülenisten in Turkije.\n\n8.1.. De rechtbank concludeert dan ook dat de minister in het bestreden besluit, door zich te baseren op het landgebonden asielbeleid voor Turkije zoals neergelegd in paragraaf C7\u002F34.3.2 van de Vc 2000 gelezen in samenhang met het risicoprofielenbeleid zoals neergelegd in paragraaf C2\u002F2.4 van de Vc 2000, onvoldoende betekenis heeft toegekend aan het feit dat eiseres als Gülenaanhanger behoort tot een risicoprofiel en zich daarmee ook onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de zorgelijke mensenrechtensituatie voor Gülenisten in Turkije.\n\n Conclusie en gevolgen\n\n9. Gelet op het vorenstaande is het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd. Het bestreden besluit komt daarom in aanmerking voor vernietiging wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank ziet geen aanleiding voor finale geschillenbeslechting. Dat betekent dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen. Wat overigens is aangevoerd, behoeft daarom geen bespreking meer.\n\n9.1.. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank de minister in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van de samenhangende beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,00 en een wegingsfactor 1)\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit;\n\ndraagt de minister op een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiseres met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen;\n\nveroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,00.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. de Jong - Nibourg, rechter, in aanwezigheid van H.J. Renders, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 18 juni 2026\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n ECLI:NL:RVS:2026:1607.\n\n Rechtsoverweging 7.10.\n\n Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 19 637, nr. 3211, p. 5.\n\n ECLI:NL:RVS:2022:985, rechtsoverwegingen 7 tot en met 7.3.\n\n Algemeen ambtsbericht Turkije van februari 2025.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17042","2026-06-23T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:01.974Z",{"id":43,"ecli":44,"slug":45,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":46,"fullText":47,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":48,"sourceTimestamp":49,"parsedAt":31,"updatedAt":50},"1707","ECLI:NL:RBDHA:2026:13959","ecli-nl-rbdha-2026-13959","2026-05-19T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats ’s-Hertogenbosch\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL23.21211\n einduitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. Y.E. Verkouter),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, daaronder tevens verstaan diens ambtsvoorgangers, de minister\n\n(gemachtigden: mr. H. Toonders en mr. L.S. Hartog).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 30 juni 2023 (het bestreden besluit) heeft de minister de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Daarnaast heeft de minister ambtshalve niet aan eiser een reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verstrekt. Evenmin heeft de minister aan eiser uitstel van vertrek verleend op grond van artikel 64 van de Vw 2000.\n\nEiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe minister heeft een verweerschrift ingediend.\n\nDe meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats heeft het beroep op 16 oktober 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen I.A.O. Bah. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. H. Toonders.\n\nDe rechtbank heeft op 11 december 2024 tussenuitspraak gedaan. Bij die tussenuitspraak is het onderzoek heropend en de minister in de gelegenheid gesteld om het in het bestreden besluit geconstateerde gebrek te herstellen dat ziet op de weigering om aan eiser een reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) te verstrekken. Iedere verdere beslissing is aangehouden.\n\nDe minister heeft de rechtbank op 19 december 2024 bericht gebruik te maken van de door de rechtbank geboden mogelijkheid om het gebrek te herstellen. Daarbij heeft de minister aangekondigd dat eiser aanvullend zal worden gehoord.\n\nEiser is op 4 februari 2025 aanvullend gehoord.\n\nDe minister heeft op 25 maart 2025 een aanvullende motivering gegeven ten aanzien van de ambtshalve beoordeling van de reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM. Eiser heeft hierop gereageerd op 21 december 2025.\n\nDe minister heeft op 6 maart 2026 een verweerschrift ingediend.\n\nHet onderzoek is voortgezet op de zitting van de meervoudige kamer van 10 maart 2026. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. L.S. Hartog.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nDe tussenuitspraak\n\n1. In de tussenuitspraak van 11 december 2024 heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet (alsnog) in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning op grond van het AMV-buitenschuldbeleid. Echter, met betrekking tot het standpunt van de minister dat eiser evenmin in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM, is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en ondeugdelijk is gemotiveerd.\n\n1.1.. De minister heeft zijn weigering om aan eiser een reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM te verstrekken onder meer gebaseerd op het feit dat eiser niet nader heeft geconcretiseerd en gemotiveerd in welke mate hij in Nederland is geworteld en geïntegreerd. Volgens de minister valt dat evenmin af te leiden uit eisers verklaringen en de overige voorhanden zijnde informatie.\n\n1.2.. De rechtbank heeft overwogen dat, hoewel bij de beoordeling van verblijfsaanspraken als deze het in beginsel aan de vreemdeling is om feiten te stellen en te onderbouwen op grond waarvan hij aanspraak meent te kunnen maken op regulier verblijf, dit in zaken zoals deze iets genuanceerder ligt. Vaststaat immers dat de uiteindelijke besluitvorming van de minister forse vertraging heeft opgelopen wegens gebreken in eerdere besluitvorming. Onder die omstandigheden past het niet om eiser tegen te werpen dat hij zijn verblijfsaanspraken onvoldoende heeft geconcretiseerd en onderbouwd, wanneer de minister eiser hierover niet opnieuw heeft gehoord of anderszins uitdrukkelijk heeft uitgenodigd hierover actuele informatie te verstrekken. Daarbij is in dit geval van belang dat de minister zijn beoordeling ten aanzien van artikel 8 van het EVRM in het voornemen van 17 april 2023 en het bestreden besluit heeft gebaseerd op een drietal aanmeldgehoren uit 2019, een eerste gehoor uit 2020 en het rapport van nader gehoor van 3 augustus 2020. Deze gehoren waren ten tijde van de bestreden besluitvorming (ruim) drie jaar oud en gaven daarmee geen actueel beeld van (onder meer) eisers privéleven.\n\n1.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister door niet actief het effect van dit tijdsverloop te onderzoeken, het bestreden besluit voor wat betreft de ambtshalve beoordeling van de reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM onvoldoende zorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd. Op dit punt vertoont het bestreden besluit daarom een gebrek.\n\nGewijzigde omstandigheden ná de tussenuitspraak\n\n2. Deze einduitspraak bouwt in beginsel voort op de tussenuitspraak zoals hiervoor weergegeven. Dat betekent dat de rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank immers niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 24 augustus 2011en 15 augustus 2012.\n\n2.1.. In het onderhavige geval is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een dergelijk uitzonderlijk geval. De rechtbank ziet aanleiding om terug te komen van haar oordeel in de tussenuitspraak dat de minister zich in het bestreden besluit afdoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet (alsnog) in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning op grond van het AMV-buitenschuldbeleid. Reden daarvoor is dat het oordeel van de rechtbank op dit punt nadien onmiskenbaar onjuist is gebleken. In het verweerschrift van 6 maart 2026 heeft de minister immers aangegeven dat hij niet langer aan eiser tegenwerpt dat bij terugkeer naar Guinee adequate opvang voor hem beschikbaar was in opvanghuis Maison du Bonheur, terwijl de rechtbank dit standpunt in de tussenuitspraak heeft gevolgd en het eerdergenoemde oordeel van de rechtbank hierop is gebaseerd. Ter toelichting op dit gewijzigde standpunt heeft de minister verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 4 juli 2025waarop ook eiser in zijn reactie van 21 december 2025 heeft gewezen. Hierin heeft de Afdeling geoordeeld dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat voor die vreemdeling adequate opvang aanwezig is bij het opvanghuis Maison du Bonheur onder meer omdat uit het Thematisch ambtsbericht Guinee van 1 mei 2020 niet blijkt dat het opvanghuis ook kinderen boven de vijftien jaar opvangt. Daarnaast heeft de rechtbank in die zaak volgens de Afdeling terecht overwogen dat de minister zich niet in lijn met het arrest TQ van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 januari 2021(het arrest TQ) ervan heeft overtuigd dat er bij het opvanghuis plek is voor die vreemdeling. De minister had volgens de Afdeling moeten onderzoeken in hoeverre Maison du Bonheur in het individuele geval van die vreemdeling adequate opvang biedt. Dat heeft de minister niet gedaan. De minister betoogt in hoger beroep slechts dat de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) in soortgelijke zaken contact heeft gehad met de oprichtster van Maison du Bonheur en zij verwijst naar de openbare website van het weeshuis. Dat acht de Afdeling onvoldoende. De minister heeft in onderhavige zaak in het verweerschrift van 6 maart 2026 toegelicht dat hij naar aanleiding van deze uitspraak opvanghuis Maison du Bonheur niet langer tegenwerpt aan personen ouder dan vijftien jaar, tenzij de DT&V in individuele gevallen concludeert dat er opvang beschikbaar is in deze voorziening. Ook in eisers geval werpt de minister dit opvanghuis niet langer tegen.\n\n2.2.. Bij het oordeel dat sprake is van een uitzonderlijk geval in vorenbedoelde zin betrekt de rechtbank dat de rechtszekerheid zich niet verzet tegen het terugkomen van het in de tussenuitspraak gegeven oordeel over adequate opvang in opvanghuis Maison du Bonheur. De minister erkent dat dit standpunt bij nader inzien niet deugt, waarna eiser op de zitting van 6 maart 2026 heeft betoogd dat er niet alleen aanleiding bestaat terug te komen van dit oordeel in de tussenuitspraak, maar dat de rechtbank hiertoe zelfs verplicht is. Tussen partijen is dus niet in geschil dat het eerdere oordeel van de rechtbank onmiskenbaar onjuist is. Het terugkomen op dit oordeel komt voor partijen dus niet onverwacht.\n\n2.3.. Het voorgaande betekent dat de rechtbank in deze einduitspraak niet zal voortbouwen op de tussenuitspraak waar dit het oordeel over de beschikbaarheid van adequate opvang in Guinee betreft. De rechtbank zal in deze einduitspraak de actuele standpunten van partijen hierover beoordelen. Voor het overige blijft de rechtbank bij wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist. De einduitspraak bouwt in zoverre voort op de tussenuitspraak.\n\nReguliere verblijfsvergunning op grond van het AMV-buitenschuldbeleid\n\nHet standpunt van de minister\n\n3. De minister heeft zich in het verweerschrift van 6 maart 2026 op het standpunt gesteld dat weliswaar niet langer aan eiser wordt tegengeworpen dat er in Guinee voor hem adequate opvang beschikbaar was in opvanghuis Maison du Bonheur, maar dat dit niet betekent dat eiser in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning op grond van het AMV-buitenschuldbeleid. Daartoe betoogt de minister dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt welke inspanningen hij heeft verricht om contact te krijgen met zijn familie in Guinee. Aldaar zou eiser nog zijn moeder, twee broertjes en een zusje hebben. Ook een tracingsverzoek via het Rode Kruis heeft eiser volgens de minister niet aannemelijk gemaakt. Weliswaar zegt eiser dat hij contact heeft opgenomen met het Rode Kruis, maar hij onderbouwt dit niet. Daarom kon volgens de minister gedurende de besluitvorming nog geen adequate opvang worden vastgesteld. De minister wijst erop dat de asielgehoren ook tellen als onderzoek. Er zijn daar namelijk ook vragen gesteld over bijvoorbeeld familie, documenten, herkomst en het contact met het Rode Kruis. Ook is in het nader gehoor van 3 augustus 2020 nog aandacht besteed aan de leeftijdsregistratie van [geboortedatum] 1997 in Spanje, wat relevant is voor de vaststelling van de identiteit. De minister stelt dat hij door eiser te horen en doordat eiser zijn gestelde inspanningen niet heeft onderbouwd voortvarend heeft gehandeld, al kon er ten tijde van de besluitvorming (nog) geen adequate opvang worden vastgesteld. Om die reden komt eiser volgens de minister niet in aanmerking voor een reguliere vergunning op grond van het AMV-buitenschuldbeleid.\n\nHet oordeel van de rechtbank\n\n4. De rechtbank stelt voorop dat, zoals ook in de tussenuitspraak is overwogen, het bestreden besluit is genomen ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank van 24 december 2021. In deze uitspraak heeft de rechtbank – kort gezegd – geoordeeld dat eiser een geslaagd beroep deed op het arrest TQ. Zij overwoog daartoe dat niet in geschil is dat eiser is geboren op [geboortedatum] 2002 en dat eiser ten tijde van de asielaanvraag van 27 augustus 2019 minderjarig was (bijna zeventien jaar oud). Volgens de rechtbank is niet gebleken dat de minister alvorens een terugkeerbesluit uit te vaardigen heeft onderzocht of er voor eiser in Guinee adequate opvang is. Eiser heeft weliswaar verklaard dat zijn moeder, twee van zijn broers en een zus nog in Guinee verblijven, maar hij heeft daaraan ook toegevoegd dat hij niet weet of ze nog in de wijk Dar el Salam in Conakry verblijven omdat hij al lang geen contact meer met hen heeft gehad. De minister had deze verklaringen niet kenbaar betrokken in zijn besluit van 2 december 2020. De rechtbank oordeelde dat de minister zich hoe dan ook niet ervan heeft overtuigd dat er voor eiser als niet-begeleide minderjarige adequate opvang is, terwijl het op grond van het arrest TQ wel op zijn weg ligt om dat concreet te onderzoeken. Deze uitspraak staat in rechte vast en dit uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven oordeel vormt in zoverre het uitgangspunt van de beoordeling van het in deze procedure bestreden besluit en de nadere motivering van de minister.\n\n4.1.. De rechtbank stelt verder vast dat de minister ter uitvoering van de opdracht van de rechtbank in de uitspraak van 24 december 2021 in het bestreden besluit heeft gewezen op opvanghuis Maison du Bonheur dat volgens de minister aanvankelijk als algemene opvangvoorziening kon dienen in het kader van adequate opvang. Dat standpunt heeft de minister zoals hiervoor overwogen inmiddels verlaten. Om die reden ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of de minister inmiddels op andere wijze alsnog onderzoek heeft gedaan naar voor eiser in Guinee beschikbare adequate opvang ten tijde van zijn minderjarigheid. Daarvan is de rechtbank niet gebleken. De minister heeft immers geen ander, aanvullend onderzoek verricht naar de beschikbaarheid van adequate opvang dan te wijzen op opvanghuis Maison du Bonheur en daarnaast andermaal te betogen dat hij wél onderzoek heeft verricht naar adequate opvang bij familie, te weten tijdens de asielgehoren in 2020. Voor dat laatste standpunt is in deze procedure geen plaats omdat al in rechte vaststaat dat de minister zich destijds hoe dan ook niet ervan heeft overtuigd dat er voor eiser als niet-begeleide minderjarige adequate opvang is terwijl het wel op zijn weg lag om dat concreet te onderzoeken.\n\n4.2.. Het voorgaande betekent dat de minister onvoldoende uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van 24 december 2021 en dat de rechtbank ook niet toekomt aan een beoordeling van het betoog van de minister dat hij wel voldoende onderzoek heeft verricht in het licht van het gestelde gebrek aan medewerking aan de zijde van eiser.\n\n4.3.. Het beroep is al om die reden gegrond en het bestreden besluit moet in zoverre dan ook worden vernietigd. Nu de minister al met de uitspraak van 24 december 2021 expliciet de mogelijkheid is geboden opnieuw te onderzoeken of er destijds adequate opvang voor eiser aanwezig was in Guinee en de minister evenwel hiervan onvoldoende gebruik heeft gemaakt, acht de rechtbank het niet opportuun de minister deze kans opnieuw te geven. Daarbij betrekt de rechtbank dat eisers aanvraag dateert uit 2019 en dat daarop tot op heden nog altijd niet onherroepelijk is beslist. De consequentie daarvan is dat de rechtbank concludeert dat in Guinee voor eiser tot zijn achttiende verjaardag geen adequate opvang beschikbaar was. Dat betekent dat de minister zal worden opgedragen aan eiser een vergunning te verlenen op grond van het AMV-buitenschuldbeleid tot zijn achttiende verjaardag.\n\nReguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM\n\n5. Het oordeel van de rechtbank over het recht op een AMV-buitenschuldvergunning heeft ook gevolgen voor de beoordeling van de aanspraak op een reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM. Nu deze gevolgen pas kenbaar zijn als gevolg van deze uitspraak, heeft de minister logischerwijs deze gevolgen niet betrokken bij de aanvullende motivering. In het kader van de finale geschilbeslechting heeft de rechtbank tijdens de zitting de minister in de gelegenheid gesteld hierover een standpunt in te nemen. De minister heeft ter zitting erkend dat het recht op een AMV-buitenschuldverlening gevolgen heeft voor de beoordeling van de aanspraak op een reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM. Daarbij heeft de minister toegelicht dat hij nog geen standpunt kan innemen over de omvang en invulling van deze gevolgen. Als gevolg hiervan kan de rechtbank niet beoordelen of de minister het in de tussenuitspraak geconstateerd gebrek heeft hersteld. De rechtbank kan daarom ook niet beoordelen of de rechtsgevolgen van dit deel van het bestreden besluit in stand kunnen worden gelaten, dan wel dat de rechtbank zelf in de zaak kan voorzien. Dit leidt tot de conclusie dat dit onderdeel van het bestreden besluit nog steeds in strijd is met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht en in zoverre moet worden vernietigd. Gezien het voorgaande zal de rechtbank de minister ook opdragen in zoverre een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen.\n\n5.1.. Daarom zal de rechtbank de minister (ook) opdragen, gelet op het feit dat eiser inmiddels meerderjarig is, om binnen twee weken, dan wel binnen zes weken indien de minister het aanvullend horen van eiser aangewezen acht, opnieuw te beslissen over de aanspraak van eiser op een reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM. Daarbij zal de minister moeten betrekken wat het betekent dat eiser tot zijn achttiende in aanmerking kwam voor een AMV-buitenschuldvergunning, met name bij de vraag of eiser vanaf zijn achttiende in aanmerking komt voor voortgezet verblijf op grond van bijvoorbeeld artikel 7 van het Handvest dan wel artikel 8 van het EVRM.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij aan eiser een reguliere verblijfsvergunning is geweigerd op grond van het AMV-buitenschuldbeleid en artikel 8 van het EVRM. De rechtbank zal de minister opdragen aan eiser een AMV-buitenschuldvergunning te verstrekken tot zijn achttiende verjaardag. Daarnaast zal de rechtbank de minister opdragen binnen twee weken, dan wel zes weken, met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen, opnieuw te beslissen op de aanspraak van eiser op een reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM.\n\n6.1.. Omdat het beroep gegrond is ziet de rechtbank aanleiding om de minister te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 3.269,00 waarbij voor de proceshandelingen van de gemachtigde van eiser 1 punt wordt toegekend voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 1 punt voor de nadere zitting na tussenuitspraak, 0,5 punt voor de schriftelijke zienswijze na bestuurlijke lus, met een waarde per punt van € 934,00 en wegingsfactor 1.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het besluit van 30 juni 2023 voor zover daarbij niet ambtshalve aan eiser een reguliere verblijfsvergunning is verstrekt op grond van het AMV-buitenschuldbeleid en artikel 8 van het EVRM;\n\ndraagt de minister op om binnen twee weken, dan wel zes weken indien eiser opnieuw wordt gehoord, een besluit te nemen met inachtneming van wat in de uitspraak is overwogen:\n\nveroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 3.269,00.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. de Jong - Nibourg, voorzitter, en mr. F.M.E. Schulmer en mr. R. Barzilay, leden, in aanwezigheid van mr. A.A.M.J. Smulders, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.\n\n ECLI:NL:RVS:2011:BR5704.\n\n ECLI:NL:RVS:2012:BX4694.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:3033.\n\n C-441\u002F19, ECLI:EU:C:2021:9.\n\n NL20.21808.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:13959","2026-05-28T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:34.568Z",{"id":52,"ecli":53,"slug":54,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":55,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":56,"sourceTimestamp":57,"parsedAt":31,"updatedAt":58},"1424","ECLI:NL:RBDHA:2025:21513","ecli-nl-rbdha-2025-21513","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats ‘s-Hertogenbosch\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL24.23513\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser], V-nummer: [nummer], eiser\n\n(gemachtigde: mr. I.M. van Kuilenburg),\n\nen\n\nminister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. M.H.S. Volker).\n\nProcesverloop\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: asielaanvraag). Verweerder heeft de asielaanvraag met het bestreden besluit van 4 juni 2024 niet in behandeling genomen omdat Kroatië – gelet op de Dublinverordening (Verordening EU nr. 604\u002F2013) – verantwoordelijk is voor de asielaanvraag op grond van artikel 30 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).\n\n1.1. Eiser heeft hangende het beroep een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend (NL24.30184). Dit verzoek is bij uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats van 6 augustus 2024 toegewezen. De voorzieningenrechter heeft bij wijze van voorlopige voorziening verweerder verboden eiser over te dragen aan Kroatië totdat op het beroep is beslist.\n\n1.2. De rechtbank heeft het beroep op 20 augustus 2024 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en R.H. Por Koros Jamalabad als tolk. De rechtbank heeft het onderzoek tijdens deze zitting aangehouden, in afwachting van de procedure bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State over de situatie voor Dublinterugkeerders in Kroatië.\n\n1.3. Op 29 augustus 2024 heeft eiser nadere medische stukken overgelegd. Verweerder heeft hier op 4 november 2024 op gereageerd.\n\n1.4. Op 7 maart 2025 heeft verweerder aangegeven dat een onderzoek door Bureau Medische Advisering (BMA) is opgestart. Eiser heeft op 14 mei 2025 de rechtbank desgevraagd aangegeven dat – inmiddels – de benodigde gegevens daarvoor aan verweerder zijn verstrekt.\n\n1.5. Verweerder heeft op 12 juni 2025 het BMA-advies overgelegd. Op 16 juni 2025 heeft verweerder in dat kader een standpunt ingenomen. Eiser heeft hier desgevraagd op 15 juli 2025 op gereageerd.\n\n1.6. De rechtbank heeft het beroep op 14 oktober 2025 op een nadere zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk voor eiser is verschenen A.R. Izadkhast (2781). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nBeoordeling door de rechtbankFeiten en omstandigheden\n\n2. Eiser heeft op 23 december 2023 een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft op 14 februari 2024 aan Bulgarije verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening. Bulgarije heeft dit verzoek afgewezen op 20 februari 2024, omdat Kroatië op grond van artikel 23, derde lid, van de Dublinverordening verantwoordelijk is geworden voor eisers asielverzoek. Daarop heeft Nederland op 22 februari 2024 Kroatië verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening. Kroatië heeft dit verzoek aanvaard op 7 maart 2024 op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening.\n\nBestreden besluit\n\n3. Nadat verweerder op 18 maart 2024 daartoe een voornemen kenbaar heeft gemaakt, heeft hij bij het bestreden besluit de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30 van de Vw 2000. Dit besluit is – kort samengevat – als volgt gemotiveerd.\n\n3.1.. Volgens verweerder is Kroatië verantwoordelijk voor de asielaanvraag van eiser. De termijn voor de Dublinclaim – die volgens verweerder drie maanden is – is niet verstreken. De datum van de loopbrief is 7 december 2023, dus verweerder had tot 7 maart 2024 de tijd om een claimverzoek uit te brengen. Nu dit op 22 februari 2024 is gedaan, is er tijdig geclaimd. Daarom kan niet worden geconcludeerd dat de verantwoordelijkheid nu bij Nederland ligt op grond van artikel 23, derde lid, van de Dublinverordening. Wat betreft het claimakkoord stelt verweerder dat de autoriteiten van Kroatië het terugnameverzoek hebben geaccepteerd op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening. Uit de bewoordingen van dit artikel volgt dat een claimakkoord dat gebaseerd is op dit vijfde lid ziet op de situatie waarin een vreemdeling een asielaanvraag heeft ingediend in een lidstaat en de lidstaat heeft verlaten gedurende het proces van het onderzoek naar de vraag of mogelijk een andere lidstaat verantwoordelijk is (ECLI:EU:C:2019:280 (H. en R.), paragrafen 47-50). Op grond van dit artikel is Kroatië verplicht om eiser terug te nemen om de procedure tot bepaling van die lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming af te ronden. Dat de verantwoordelijkheid van Kroatië voor de inhoudelijke behandeling van het asielverzoek van eiser nog niet onherroepelijk vaststaat, doet niet af aan de rechtmatigheid van het claimakkoord. Wat betreft de betwisting van het hebben ingediend van een asielaanvraag in Kroatië, stelt verweerder dat uit Eurodac blijkt dat eiser een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend in Kroatië. Uit vaste jurisprudentie volgt dat verweerder er van mag uitgaan dat deze informatie juist is. Eisers verklaring dat hij geen asiel heeft aangevraagd in Kroatië wordt dus niet gevolgd.\n\n3.2.. Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat hij ten aanzien van Kroatië in algemene zin van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan. Volgens verweerder is in Kroatië niet gebleken van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en opvangvoorzieningen die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid halen, zoals is bedoeld in het arrest Jawo van het HvJ-EU van 19 maart 2019 (ECLI:EU:C:2019:218). Eiser is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat de situatie in Kroatië door de hiervoor bedoelde ondergrens zakt. Verweerder verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling van 13 september 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:3411). Bij die uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat Nederland aan zijn onderzoekplicht heeft voldaan ten aanzien van de situatie in Kroatië voor Dublinclaimanten. Op basis van de bevindingen uit dat onderzoek mag wat betreft Kroatië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden uitgegaan, aldus de Afdeling. Verweerder stelt voorts dat de autoriteiten van Kroatië middels het claimakkoord hebben gegarandeerd dat zij eisers asielverzoek inhoudelijk zullen behandelen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij als Dublinclaimant na overdracht te maken zal krijgen met pushbacks. De verklaringen van eiser over wat hij heeft meegemaakt in Kroatië en over de situatie in Kroatië leiden niet tot de conclusie dat er sprake is van structurele tekortkomingen van de asielprocedure in Kroatië. Bij voorkomende problemen kan eiser in Kroatië naar de daartoe aangewezen (hogere) autoriteiten of de daarvoor aangewezen instanties gaan. Niet gebleken is dat deze autoriteiten eiser niet kunnen of willen helpen en tevens is niet gebleken dat eiser voldoende inspanningen heeft verricht om zijn klacht in Kroatië kenbaar te maken. Eiser heeft zijn stellingen niet nader onderbouwd en heeft geen (recente) documenten overgelegd waaruit blijkt dat Kroatië zich tegenover eiser niet aan zijn internationale verplichtingen houdt.\n\n3.3.. De medische omstandigheden vormen volgens verweerder geen reden om de asielaanvraag in behandeling te nemen. Eiser heeft geen (recente) medische documenten overgelegd. Er zijn ook geen aanwijzingen dat Nederland het meest geschikte land is om eiser te behandelen. Kroatië kent dezelfde medische verzorgingsmogelijkheden als Nederland en daarom mag worden verwacht dat Kroatië eisers medische problemen net zo goed kan behandelen. Bij toestemming vindt een uitwisseling van eisers medische gegevens plaats tussen Nederland en Kroatië zodat Kroatië over bijzondere medische behoeften kan worden geïnformeerd. Van een situatie als bedoeld in het arrest C.K. tegen Slovenië van het HvJ-EU van 16 februari 2017 (ECLI:EU:C:2017:127; hierna arrest C.K.), is niet gebleken en er wordt ook geen aanleiding gezien om een medisch onderzoek op te starten. Verweerder wijst er verder op dat, ondanks de eerdere aankondiging, er nog geen documenten zijn overgelegd over de gestelde behandeling voor psychische problemen zijn overgelegd. Dit kan alsnog in beroep.\n\n3.4.. Verweerder vindt tenslotte dat er geen reden is om de aanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening aan zich te trekken. Er is namelijk niet gebleken van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht getuigt van een onevenredige hardheid. De aangevoerde omstandigheden (mishandeld door de autoriteiten van Kroatië en slachtoffer van mensenrechtenschendingen) zijn niet relevant bij de beoordeling of er sprake is van bijzondere individuele omstandigheden. Deze hebben namelijk betrekking op de vraag of Kroatië zijn internationale verplichtingen niet nakomt, en daarvoor bestaan geen aanwijzingen (ECLI:NL:RVS:2014:3164)\n\nStandpunt eiser\n\n4. Eiser heeft op de hierna te bespreken gronden beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\nBeoordeling rechtbank\n\nOmvang geding\n\n5. De rechtbank stelt allereerst vast dat eiser tijdens de zitting heeft aangegeven dat zijn beroepsgronden ten aanzien van de betwisting van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, voor zover deze betrekking hebben op systeemfouten in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Kroatië, komen te vervallen, gelet op de nieuwe Afdelingsjurisprudentie op dit punt. De rechtbank heeft eiser tijdens de zitting voorts uitdrukkelijk de vraag gesteld of hij met zijn beroepsgronden óók een beroep wenst te doen op de discretionaire bevoegdheid van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Dit is gevraagd omdat de rechtbank dit voorafgaand aan de zitting niet duidelijk kon opmaken uit het beroepschrift. Eiser heeft hierop niet kenbaar gemaakt dat dit het geval is en heeft aangegeven dat het hem te doen is om de medische overdrachtsbeletselen, die volgens eiser maken dat verweerder op grond van de Dublinverordening verplicht is de asielaanvraag van eiser te behandelen en niet – zoals in het geval van de discretionaire bevoegdheid – onverplicht.\n\n6. De rechtbank zal, gelet op het voorgaande, ingaan op eisers beroepsgronden inzake het door hem gestelde voorwaardelijke claimakkoord en op de door hem gestelde medische overdrachtsbeletselen.\n\nVoorwaardelijkheid claimakkoord\n\n7. Eiser voert aan dat sprake lijkt te zijn van een voorwaardelijk claimakkoord, namelijk om door te gaan met de beoordeling wie verantwoordelijk is voor eiser. Daarom zou verweerder navraag moeten doen om te bezien wat er aan de hand is en of er inderdaad wel van kan worden uitgegaan dat de behandeling van het asielverzoek in Kroatië gegarandeerd is. Volgens eiser is niet gegarandeerd dat het asielverzoek in Kroatië in behandeling zal worden genomen. Eiser voert aan dat het bij artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening juist gaat om (de verplichting om) met het oog op afronding van de Dublinprocedure te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling. In deze situatie is de verantwoordelijkheid voor het asielverzoek nog niet vastgesteld. Daarnaast stelt eiser dat uit het claimakkoord blijkt dat Kroatië een beroep doet op (impliciete) intrekking van het asielverzoek, maar dat verweerder ten onrechte niet nader heeft onderzocht en onderbouwd of Kroatië een beroep doet op de uitzondering van de hoofdregel uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) in de zaak H. en R. tegen Nederland van 2 april 2019 (ECLI:EU:C:2019:280).\n\n8. Dit betoog slaagt niet. Kroatië is met het terugnameverzoek van Nederland akkoord gegaan op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening “in order to continue to determine responsibility for the person mentioned above”. Daarmee heeft Kroatië erkend dat zij moet vaststellen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek. Kroatië had die procedure nog niet afgerond en wil het onderzoek naar de verantwoordelijkheidsvaststelling voortzetten. Dat Kroatië de vaststellingsprocedure op grond van de Dublinverordening nog niet heeft afgerond en dus ook nog niet heeft vastgesteld dat Kroatië daadwerkelijk verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielverzoek, betekent niet dat verweerder het bestreden besluit niet mocht nemen en evenmin dat eiser niet mag worden overgedragen aan Kroatië. Uit de bewoordingen van voornoemd artikel volgt dat een claimakkoord dat gebaseerd is op het vijfde lid van artikel 20 van de Dublinverordening ziet op de situatie waarin een vreemdeling een asielverzoek heeft ingediend in een lidstaat en de lidstaat heeft verlaten gedurende het proces van het onderzoek naar de vraag of mogelijk een andere lidstaat verantwoordelijk is (zie ook het door eiser genoemde arrest van het HvJ-EU van 2 april 2019, ECLI:EU:C:2019:280, par. 47-50). In par. 81 van dit arrest heeft het HvJ-EU voorts overwogen dat in de in artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening bedoelde gevallen een overdracht in beginsel zal kunnen plaatsvinden zonder dat de verantwoordelijkheid van de aangezochte lidstaat voor de behandeling van het asielverzoek vooraf is vastgesteld. Op grond van dit artikel is Kroatië verplicht om eiser terug te nemen om de procedure tot bepaling van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek af te ronden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de omstandigheid dat de verantwoordelijkheid van Kroatië voor de inhoudelijke behandeling van het asielverzoek nog niet onherroepelijk vaststaat, niet afdoet aan de rechtmatigheid van het claimakkoord.\n\n9. De rechtbank is verder van oordeel dat er geen reden voor verweerder was om hierover navraag te doen bij de autoriteiten van Kroatië. Uit par. 80-84 van voornoemd arrest volgt dat Nederland niet verplicht was om, voordat zij een terugnameverzoek bij Kroatië indiende, op grond van de Dublinverordening te onderzoeken of Kroatië ook daadwerkelijk de lidstaat is die verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek. Eiser heeft voorts geen informatie verstrekt waaruit blijkt dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek. Nederland heeft daarom terecht een terugnameverzoek ingediend bij de Kroatische autoriteiten en het is vervolgens aan de Kroatische autoriteiten om te bepalen of zij daadwerkelijk verantwoordelijk zijn, of dat een andere lidstaat dit is.Medische overdrachtsbeletselen\n\n10. Eiser voert aan hij onder behandeling is vanwege depressie en dat hij\n\ninmiddels suïcidaal is geworden vanwege de angst te moeten terugkeren naar Kroatië.\n\nDaarbij doet hij een beroep op het arrest C.K. van het HvJ-EU, de uitspraak van de Afdeling van 3 november 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2980), alsook de uitspraak van de Afdeling van\n\n21 maart 2024 (ECLI:NL:2024:1199), waarin een risico op schending van artikel 3 van het EVRM is aangenomen doordat mogelijk geen psychische gezondheidszorg in Kroatië beschikbaar is. Ter onderbouwing heeft eiser in de fase van beroep op 24 juni 2024 medische stukken ingebracht, te weten zijn patiëntdossier van 14 juni 2024 en een brief van de praktijkondersteuner huisartsen voor geestelijke gezondheidszorg van 24 juni 2024. Volgens de gemachtigde van eiser lijkt het dat de ernstige psychische problemen van eiser, met name het serieuze suïcidegevaar, gekoppeld is aan de vrees voor uitzetting en dat gedwongen deportatie zeer ernstige en onomkeerbare gevolgen kan hebben en daarom (mogelijk) strijdig is met artikel 3 van het EVRM.\n\n11. In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat hij op dat moment geen grond zag voor medische overdrachtsbeletselen in het geval van eiser en evenmin reden zag om nader onderzoek hiernaar te laten doen (zie ook onder 4.3). Na het overleggen door eiser van de voornoemde medische stukken op 24 juni 2024 heeft verweerder aangegeven dat deze medische stukken geen objectieve gegevens betreffen die aantonen dat de overdracht aan Kroatië onomkeerbare gevolgen heeft voor de gezondheidstoestand van eiser, zoals bedoeld in het arrest C.K. Daarbij wijst verweerder op de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 30 april 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:10137) die door de Afdeling is omarmd en bevestigd bij uitspraak van 13 mei 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2017). Zo wordt in de brief van 24 juni 2024 vermeld dat eiser verklaart suïcidale gedachten te hebben, maar blijkt uit het patiëntdossier dat deze suïcidale gedachten\u002Fpogingen niet bevestigd kunnen worden (aantekening van 14 juni 2024). Alleen op 30 april 2024 is de eerste en enige melding gemaakt dat verzoeker heeft verklaard soms de gedachten te hebben om “het” daadwerkelijk te doen maar dat hij daartoe geen plannen heeft. Ook verder volgt uit het patiëntdossier geen medische (psychische) diagnoses, maar slechts enkele beschrijvingen van vermoeidheid, slecht slapen, piekeren en stress. Uit de aangeleverde informatie blijkt volgens verweerder niet van concrete aanknopingspunten om Bureau Medische Advisering (BMA) advies te vragen om de gevolgen van de overdracht in kaart te brengen.\n\n12. Eiser heeft hierop vervolgens – desgevraagd – gereageerd op 7 augustus 2024. Eiser geeft kort gezegd aan dat hij het standpunt van verweerder niet volgt, te meer gezien het zeer matig beschikbaar zijn van medische zorg in Kroatië. Er is volgens eiser wél aanleiding om een BMA-advies op te vragen. De beschrijving van de symptomen (depressie en PTSS) door de praktijkondersteuner GGZ acht eiser voldoende. In het patiëntdossier is verder vermeld dat er wel eens zelfmoordgedachten zijn. Ambtshalve is de gemachtigde van eiser bovendien ermee bekend dat de bevindingen van de praktijkondersteuner GGZ niet in het patiëntdossier staan – waarom weet zij ook niet. Eiser meent dat de brief van de praktijkondersteuner GGZ wel degelijk relevante informatie geeft over de gevolgen van overdracht aan Kroatië. Tenslotte stelt eiser in deze reactie dat hij vanwege zijn psychische problematiek als kwetsbaar te zien is en dat om die reden aanvullende garanties van de Kroatische autoriteiten nodig zijn.\n\n13. Op 22 augustus 2025 heeft eiser een nadere verklaring van de praktijkondersteuner Zakia Elasri overgelegd (gedateerd 22 augustus 2024). Hierin staat onder meer vermeld: “Suïcide gevaar na deportatie Kroatië vind ik zelf wel reëel aanwezig, omdat zijn depressieve klachten ernstig zijn. Ik weet ook zeker dat zijn depressieve klachten zullen afnemen als de Dublin eraf zal gaan.”\n\n14. Op 4 november 2024 heeft verweerder gereageerd op voornoemde aanvullende verklaring. Hij ziet daarin geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Eventuele benodigde medische zorg is volgens verweerder eveneens beschikbaar in Kroatië en de Kroatische autoriteiten zullen desgevraagd op de hoogte worden gebracht van de medische situatie van eiser. Bovendien betreft het een brief van een praktijkondersteuner, en niet van een arts, en wordt daarin geen diagnose gesteld. Eveneens ziet verweerder geen concrete onderbouwing waarop wordt gebaseerd dat er een reëel verhoogd risico op\n\nsuïcide is bij overdracht dan wel dat de psychische klachten zullen afnemen als van een Dublinoverdracht wordt afgezien.\n\n15. In de brief van 7 maart 2025 heeft verweerder zich vervolgens op het standpunt gesteld dat er uit een oogpunt van zorgvuldigheid aanleiding is ontstaan het BMA alsnog te vragen om advies uit te brengen. Eiser heeft de hiertoe vereiste medische machtiging verstrekt en heeft een aanvullend schrijven van de praktijkondersteuner GGZ van 25 februari 2025 overgelegd.\n\n16. Verweerder heeft op 12 juni 2025 het BMA-advies (gedateerd 13 juni 2025) overgelegd. In dit advies staat vermeld dat eiser onder behandeling staat (medicatie en psychotherapie), dat de behandeling in principe tijdelijk van aard is maar net is gestart en dat op basis van de aanwezige informatie niet is aan te geven hoe lang de behandeling precies zal gaan duren. Verder staat vermeld dat uit informatie van de behandelaar naar voren komt dat sprake is van PTSS en een depressieve stoornis, dat eiser symptomen vertoont van aanhoudende somberheid, slaapproblemen, nachtmerries, verminderde eetlust, concentratieproblemen en gevoelens van hopeloosheid, en dat volgens de praktijkondersteuner GGZ sprake is van een verhoogd risico op suïcidaliteit indien eiser terug moet keren naar Kroatië. De BMA-arts concludeert dat eiser kan reizen indien sprake is van een fysieke overdracht, en dat geadviseerd wordt om een psychiatrisch verpleegkundige mee te laten reizen. Deze kan eiser begeleiding bieden, de medicatie in beheer houden en een fysieke overdracht doen aan een behandelaar.\n\n17. Verweerder heeft zich in zijn brief van 16 juni 2025 onder verwijzing naar dit advies op het standpunt gesteld dat eiser – onder bepaalde reisvoorwaarden – kan worden overgedragen aan Kroatië.\n\n18. Eiser heeft in zijn brief van 15 juli 2025 desgevraagd aangegeven dat de BMA-arts de medische toestand van eiser erkent alsmede het verhoogde risico op suïcidaliteit indien eiser zou worden overgedragen. Verder noemt de BMA-arts voorzorgsmaatregelen, maar kan geen enkele concrete waarborg geboden worden voor de feitelijke overdracht (bijvoorbeeld een arts\u002Finstelling in Kroatië). Niet is onderzocht dat de noodzakelijke medische continuïteit daadwerkelijk geboden kan worden. Gezien wat bekend is over de opvang en medische zorg in Kroatië – die notoir slecht is – kan er niet zonder meer van worden uitgegaan dat dit gegarandeerd zal zijn. Die daadwerkelijke toegang tot de medische zorg is volgens eiser wel vereist, gelet op het arrest C.K. Er mag niet uitsluitend worden afgegaan op het interstatelijk vertrouwensbeginsel; vereist is een volledige en casuïstische beoordeling. Eiser heeft bovendien zelf geen enkel vertrouwen in de Kroatische autoriteiten, gezien de eerdere zeer slechte behandeling door hen. Overdracht zal voor eiser reden voor zelfmoord zijn.\n\n19. De rechtbank overweegt als volgt.\n\nHet juridisch kader\n\n20. Het HvJ-EU heeft in het arrest C.K. geoordeeld dat overdracht van een asielzoeker achterwege dient te blijven indien dit een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van diens gezondheidstoestand zou inhouden. Onder die omstandigheden zou die overdracht namelijk een onmenselijke en vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (Handvest) vormen. Het HvJ-EU heeft in de paragrafen 75 en 76 van het arrest C.K. – verkort weergegeven – overwogen dat in de situatie dat de vreemdeling voornoemde gegevens overlegt, het aan de autoriteiten is om iedere ernstige twijfel over de weerslag van de overdracht op de gezondheidstoestand van de betrokkene weg te nemen, en dat daarbij, wanneer sprake is van een ernstige psychische aandoening, niet mag worden volstaan met te kijken naar de gevolgen van het fysieke vervoer van de betrokkene van een lidstaat naar een andere, maar rekening gehouden moet worden met alle aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen die uit de overdracht zouden voortvloeien.\n\n21. De Afdeling heeft in navolging hiervan overwogen (zie de uitspraak van 3 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2980, onder 7) dat uit het arrest C.K. volgt dat wanneer een asielzoeker objectieve gegevens overlegt die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen aantonen waartoe een overdracht zelf zou kunnen leiden, verweerder bij het nemen van het overdrachtsbesluit moet beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen. Die vergewisplicht treedt onder meer in wanneer het risico dat een asielzoeker suïcide zal plegen als gevolg van zijn of haar overdracht door een medisch deskundige als reëel of hoog is ingeschat. Zie in dat verband de uitspraken van de Afdeling van 21 december 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:4303, onder 4) en 22 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2845, onder 2.2). In dat geval vereist de vergewisplicht dat verweerder de gerezen twijfel over de weerslag van de overdracht op de gezondheid van een vreemdeling deugdelijk gemotiveerd wegneemt. Verweerder kan in beginsel met het uitvoeren van de door het BMA vastgestelde reisvereisten voorafgaand aan, tijdens of direct na de reis, de gerezen twijfel over een schending van artikel 3 van het EVRM (dan wel artikel 4 van het Handvest) als gevolg van de overdracht zelf wegnemen (zie de uitspraak van de Afdeling van 24 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1566). In bijzondere omstandigheden volstaat het echter niet om de gerezen twijfel over de weerslag van de overdracht op de gezondheidstoestand van de betrokkene weg te nemen door (enkel) te verwijzen naar de reisvoorwaarden die het BMA heeft opgesteld – bijvoorbeeld in een geval waarin (meerdere) behandelaren hebben gesteld dat het risico op suïcide als (zeer) hoog moet worden ingeschat in geval van een overdracht aan de lidstaat en dat dit risico te relateren is aan die overdracht (zie de uitspraak van de Afdeling van 18 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3297, onder 3.5-3.7).\n\n22. Uit de jurisprudentie van de Afdeling volgt verder dat de vraag of de overdracht van een betrokkene met een bijzonder slechte gezondheidstoestand op zich een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de gezondheidstoestand inhoudt, zoals bedoeld in par. 73-75 van het arrest C.K., moet worden onderscheiden van de vraag of in die andere lidstaat na de overdracht voor die betrokkene passende medische zorg aanwezig is, zoals beschreven in par. 70-72 van dat arrest (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 8 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:986, onder 6). Zowel de overdracht op zich als de afwezigheid van passende medische zorg, kunnen namelijk een reëel risico op een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest tot gevolg hebben.\n\n23. De rechtbank stelt vast – mede gelet op de behandeling ter zitting – dat in deze zaak het eiser te doen is om de gevolgen van de overdracht aan Kroatië op zich en de beschikbaarheid van passende medische zorg in Kroatië. De rechtbank zal beide punten in het hiernavolgende dan ook bespreken.\n\nDe gevolgen van de overdracht op zich\n\n24. Zoals uit de hiervoor aangehaalde rechtspraak volgt is het uitgangspunt dat verweerder de gerezen twijfel over de weerslag van de overdracht op de gezondheid van een betrokkene kan wegnemen door het BMA om advies te vragen en – vervolgens – toe te zeggen de in het BMA-advies opgenomen reisvereisten te zullen opvolgen (zie in dit kader ook de door verweerder ter zitting aangehaalde, recente uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4774).\n\n25. De BMA-arts heeft in de zaak van eiser aangegeven dat eiser kan reizen indien een fysieke overdracht wordt geregeld. Door het BMA is in dit kader geadviseerd om een psychiatrisch verpleegkundige mee te laten reizen die eiser begeleiding kan bieden, de medicatie in beheer kan houden en een fysieke overdracht kan doen aan een behandelaar. De laatstgenoemde fysieke overdracht aan een instelling\u002Farts is het meest vergaande reisvereiste dat het BMA kan adviseren (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4458, onder 2.5).\n\n26. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval verweerder de gerezen twijfel heeft weggenomen door te verwijzen naar het uitvoeren van de door het BMA opgestelde reisvereisten. In dit verband laat de rechtbank meewegen dat eiser – ondanks het feit dat de rechtbank hem daartoe uitdrukkelijk in de gelegenheid heeft gesteld bij brief van 9 oktober 2025 – geen nadere, actuele medische informatie heeft overgelegd. Ook is onduidelijk gebleven wat de precieze diagnose is die bij eiser is gesteld en wat de aard van de behandeling is die hij ondergaat. Ter zitting heeft eiser erop gewezen dat – naast het feit dat hij medicatie gebruikt voor zijn psychische klachten – hij eens in de twee weken een afspraak heeft met de praktijkondersteuner GGZ. Gedurende deze procedure is onduidelijk gebleven waar deze praktijkondersteuner precies op baseert dat sprake is van een reëel verhoogd risico op suïcide bij overdracht dan wel dat de psychische klachten van eiser zullen afnemen als van een overdracht wordt afgezien. Verder zijn er geen andere behandelaren in beeld – eiser heeft hier althans niet op gewezen – die het door de praktijkondersteuner gestelde reële risico op suïcide bevestigen. Ook in het patiëntdossier is hiervoor geen onderbouwing te vinden en zijn geen gedocumenteerde suïcidepogingen opgenomen. Daarin staat wel, zoals eiser heeft aangevoerd, het volgende vermeld (bij de datum 30 april 2024) “droomt vaak dat hij van een hoog hoogte valt. soms heeft hij zelfs die gedachtens om het daadwerkelijk te gaan doen. heeft geen plannen.” Hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank nog niet van een concreet suïciderisico. Na 30 april 2024 wordt in het patiëntdossier over dit onderwerp verder niets meer vermeld en eiser heeft – naar aanleiding van de opvraag van de rechtbank op 9 oktober 2025 – ook geen geactualiseerd patiëntdossier overgelegd.\n\n27. Anders dan waar eiser van uitgaat hoeft het BMA in een Dublinprocedure – juist omdat verweerder in beginsel uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van de in de andere lidstaat aanwezige medische zorg (zie ook de artikelen 17 tot en met 19 van de Opvangrichtlijn) – voorts niet te specificeren bij welke concrete instelling\u002Farts de benodigde zorg beschikbaar is na overdracht. Eiser heeft er ter zitting op gewezen dat dit specificeren altijd vereist is in medische zaken waarin het gaat om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw 2000, maar de rechtbank wijst erop dat in deze zaak niet een uitzetting naar het land van herkomst maar een overdracht op grond van de Dublinverordening aan de orde is. Dat is een andere context, omdat in zo’n geval overgedragen\u002Fuitgezet wordt naar een andere lidstaat van de Europese Unie – waarbij verweerder er in beginsel van uit mag gaan dat in die andere lidstaat het Europese asielrecht nageleefd wordt.\n\n28. In de aan de orde zijnde omstandigheden ziet de rechtbank gelet op het voorgaande geen reden voor het oordeel dat verweerder in dit geval met het opvolgen van de door het BMA opgestelde reisvereisten de gerezen twijfel niet heeft weggenomen.\n\n29. Het voorgaande laat onverlet dat de rechtbank uit het dossier afleidt dat eiser kampt met verschillende psychische klachten. De rechtbank wil deze klachten geenszins bagatelliseren. De informatie omtrent deze psychische klachten is echter bij de huidige stand van zaken onvoldoende om aannemelijk te achten dat bij overdracht – ondanks de in dat kader door verweerder te treffen maatregelen – sprake zal zijn van een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de gezondheidstoestand van eiser, als gevolg waarvan die overdracht achterwege moet blijven.\n\nDe aanwezigheid van medische zorg in Kroatië\n\n30. Eiser heeft betwist dat in Kroatië voor hem passende medische zorg aanwezig is. Hij heeft er ter zitting in dit kader op gewezen dat uit het meest recente AIDA-rapport (update 2024) van augustus 2025 blijkt van problemen met de (mentale) gezondheidszorg in Kroatië.\n\n31. Dit betoog slaagt niet. In het kader van de beschikbaarheid van passende medische zorg in de andere lidstaat mag verweerder, zoals hiervoor al is aangegeven, in beginsel uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit betekent dat het in beginsel aan eiser is om te staven dat de voor zijn ernstige fysieke of mentale aandoening benodigde medische zorg in de verantwoordelijke lidstaat ontbreekt (zie de uitspraak van de Afdeling van 24 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:586).\n\n32. De rechtbank overweegt dat de Afdeling in haar uitspraak van 19 juni 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2484) heeft overwogen dat adequate psychische gezondheidszorg op dat moment wel (weer) beschikbaar is in Kroatië. De informatie in het door eiser genoemde AIDA-rapport heeft de Afdeling nog niet bij haar beoordeling in de laatstgenoemde uitspraak kunnen betrekken, nu die informatie van een latere datum is. De rechtbank kan uit de relevante paragrafen in dit rapport (pag. 114 e.v.) echter niet afleiden dat de gezondheidszorg in Kroatië op dit punt meer recent wel door de ondergrens zakt, en wijst erop dat eiser dit zelf ook niet concreet heeft gemaakt door te verwijzen naar specifieke passages uit dit rapport. De rechtbank overweegt verder dat uit pag. 117-118 van het rapport wél af te leiden valt dat psychische gezondheidszorg voor asielzoekers beschikbaar was en dat er in dat kader ook verwijzingen plaatsvonden naar psychiatrisch specialisten. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding om in dit kader tot een ander oordeel te komen dan de Afdeling in haar uitspraak van 19 juni 2024.\n\nConclusie en gevolgen\n\n33. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.W.A.M.M. Delauw, rechter, in aanwezigheid van mr. M.W. Venderbos, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 16 oktober 2025\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:21513","2025-11-14T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:20.502Z",1,20]