[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-s-hertogenbosch-drug-offences-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":91,"limit":92},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},72,"'s-Hertogenbosch","nl","s-hertogenbosch",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},110,"drug-offences-nl","Drug Offences","NL","2026-07-08T16:56:56.630Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},8,{"min":18,"max":19},"2022-12-01T00:00:00.000Z","2026-06-25T00:00:00.000Z",[],[22,33,42,51,59,67,75,83],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"1346","ECLI:NL:GHSHE:2026:1787","ecli-nl-ghshe-2026-1787","","Parketnummer : 20-000539-23\n\nUitspraak : 25 juni 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof\n\n's-Hertogenbosch\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 8 februari 2023, in de strafzaak met parketnummer 01-993318-21 tegen:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1967,\n\nwonende te [adres] .\n\n1. Hoger beroep\n\nBij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het tenlastegelegde bewezenverklaard, dit gekwalificeerd als ‘deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde, vijfde lid en 10a eerste lid van de Opiumwet’, de verdachte hiervoor strafbaar verklaard en toepassing gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, inhoudende dat de verdachte ter zake schuldig is verklaard zonder dat aan hem daarvoor een straf is opgelegd.\n\nDe officier van justitie heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.\n\n2. Onderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden en een geldboete ter hoogte van € 40.000,00 subsidiair een door het hof te bepalen duur aan vervangende hechtenis.\n\nDe verdediging heeft primair bepleit dat het hof de officier van justitie niet-ontvankelijk zal verklaren in de vervolging. Subsidiair heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof voor wat betreft het door de rechtbank bewezenverklaarde en een straftoemetingsverweer gevoerd, en gelet hierop bepleit dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.\n\n3. Ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging\n\nDe verdediging heeft bepleit dat het hof (alsnog) de officier van justitie niet-ontvankelijk zal verklaren. Daartoe is – kort weergegeven – het volgende aangevoerd.\n\nAan de verdachte is in de onderhavige zaak tenlastegelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan deelneming aan een criminele organisatie in de zin van de Opiumwet. Deze tenlastelegging is uitsluitend gebaseerd op de Opiumwetfeiten waarvoor de verdachte reeds in de onderzoeken Hammond I (het lab in Zaandam ) en Hammond II (het hof begrijpt: 26Bluffton; het lab in Montfoort ) – is veroordeeld.\n\nDaarmee bestaat geen wezenlijk verschil tussen de tenlastegelegde concrete handelingen en gedragingen van de verdachte in de onderhavige zaak enerzijds, en de tenlastegelegde (en bewezenverklaarde) gedragingen van de verdachte in de zaken Hammond I en 26Bluffton anderzijds. Dit maakt dat – in de onderhavige zaak – sprake is van een vervolging die in strijd is met het ne bis in idem-beginsel dan wel met de beginselen van een behoorlijke procesorde, aldus de verdediging.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nIn zijn arrest van 23 maart 2021 (ECLI:NL:HR:2021:387) heeft de Hoge Raad – voor zover relevant – als volgt overwogen:\n\n“3.3.2\n\nWanneer (…) de eerste vervolging betrekking heeft op het door de verdachte begaan zijn van een concreet delict en de tweede vervolging het deelnemen aan een criminele organisatie betreft, staat het ne bis in idem-beginsel in de weg aan die latere vervolging voor het deelnemen aan een criminele organisatie als die deelneming van de verdachte op niets anders betrekking heeft dan het begaan van het concrete delict waarvoor de verdachte al is vervolgd. Het begaan van een concreet delict zal echter slechts in uitzonderlijke gevallen de deelneming aan een criminele organisatie geheel omvatten. Artikel 140 Sr heeft immers betrekking op het deelnemen aan een criminele organisatie die het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. Dat betekent dat het deelnemen door de verdachte zeker niet noodzakelijkerwijs hoeft te bestaan uit het door hem begaan zijn van een (enkel) concreet delict, terwijl artikel 140 Sr ook niet meer eist dan dat de organisatie het oogmerk heeft misdrijven te plegen.\n\n3.3.3\n\nVervolging wegens het deelnemen aan een criminele organisatie is dus in ieder geval wel mogelijk indien de tenlastelegging ook ziet op andere deelnemingsgedragingen dan het begaan zijn van het concrete delict waarvoor de verdachte al is vervolgd en\u002Fof op andere delicten waarop het oogmerk van de organisatie is gericht. (…)”\n\nHet hof ziet zich dan ook voor de vraag gesteld of de in de onderhavige zaak tenlastegelegde deelneming aan een criminele organisatie ‘op niets anders betrekking heeft dan op het begaan van de concrete delicten waarvoor de verdachte eerder is vervolgd’. Het hof beantwoordt deze vraag ontkennend. Daarbij wordt het volgende vooropgesteld.\n\nIn Hammond I is de verdachte vervolgd wegens – kort gezegd –:\n\nhet (mede)plegen van voorbereidingshandelingen ex artikel 10a van de Opiumwet, gepleegd in de periode van 19 december 2019 tot en met 11 maart 2020 in Zaandam ;\n\nhet (mede)plegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, gepleegd in de periode van 19 december 2019 tot en met 11 maart 2020 in Zaandam ;\n\nhet (mede)plegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, gepleegd op 11 maart 2020 in Zaandam .\n\nIn 26Bluffton is de verdachte vervolgd wegens – kort gezegd –:\n\nhet (mede)plegen van voorbereidingshandelingen ex artikel 10a van de Opiumwet, gepleegd in de periode van 28 april 2020 tot en met 6 augustus 2020 in Montfoort ;\n\nhet (mede)plegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B\u002FD dan wel C, van de Opiumwet gegeven verbod’, gepleegd op 6 augustus 2020 in Montfoort .\n\nIn de onderhavige zaak (Hammond II) is aan de verdachte tenlastegelegd dat hij in de periode van 1 januari 2020 tot en met 16 februari 2021 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. Deze tenlastelegging bestrijkt daarmee een ruimere periode dan die waarvoor de verdachte eerder is vervolgd. Immers, de tenlastegelegde periode van de deelname aan een criminele organisatie ziet tevens op onderstaande tussenliggende periodes :\n\nde periode van 12 maart 2020 tot en met 27 april 2020 en\n\nde periode van 7 augustus 2020 tot en met 16 februari 2021.\n\nMet name in de eerstgenoemde periode heeft reeds vanaf 30 maart 2020 veelvuldig contact plaatsgevonden tussen de gebruikers van de EncroChat-accounts [accountnaam 1] (uit de verklaring van [medeverdachte] blijkt dat hij gebruikmaakte van dat account) en [accountnaam 2] (later is de verdachte als gebruiker van dit account geïdentificeerd). In die berichten wordt ook al gesproken over de productie van synthetische drugs en onderwerpen die daaraan raken, waaronder grondstoffen en apparatuur.\n\nTer illustratie daarvan wijst het hof op:\n\n- EncroChat-berichten van 2 april 2020 waarin [medeverdachte] de verdachte erop wijst dat de dag ervoor weer een groot lab in Friesland is ontmanteld en dat zij (het hof begrijpt: [medeverdachte] en de verdachte) voorzichtiger en goed samen moeten werken, waarop dit door de verdachte wordt beantwoord met een emoticon van een ‘duim omhoog’.\n\n- SkyECC-berichten van 7 juli 2020 waarin [medeverdachte] in een groepschat aangeeft dat hij al 15 jaar ‘draait’ (het hof begrijpt – gelet op de inhoud van andere chatgesprekken en gelet op dossierpagina 1363 van zaaksdossier 2 – dat hiermee op het produceren van synthetische drugs wordt gedoeld) met ‘ [verdachte] ’ (de bijnaam van de verdachte), een lange periode die ook grotendeels buiten de concrete delicten valt waarvoor de verdachte in Hammond I en 26Bluffton reeds is vervolgd.\n\nDergelijke berichten zijn weliswaar niet rechtstreeks te herleiden tot de concrete delicten waarvoor de verdachte eerder is veroordeeld (de labs in Montfoort en Zaandam ) maar kunnen wel degelijk relevant zijn voor het al dan niet bestaan van een criminele organisatie en het oogmerk daarvan, evenals voor verdachtes mogelijke deelneming aan die organisatie.\n\nHet hof concludeert dan ook dat de concrete delicten waarvoor de verdachte in de onderzoeken Hammond I en 26Bluffton reeds is veroordeeld niet de gehele (in de onderhavige zaak tenlastegelegde) deelneming van de verdachte aan een criminele organisatie omvatten.\n\nGelet hierop is het hof van oordeel dat geen sprake is van een vervolging in strijd met het ne bis in idem-beginsel.\n\nOp dezelfde gronden is het hof van oordeel dat geen sprake is van een vervolging die in strijd is met de beginselen van een behoorlijke procesorde, waarbij – anders dan bij de gestelde vervolging in strijd met het ne bis in idem-beginsel – ook nog kan worden opgemerkt dat het bestaan van een criminele organisatie, die immers bestaat uit de onderlinge verbanden daarbinnen, niet zelden pas op een later moment in het onderzoek in volle omvang duidelijk wordt. Ook in zoverre is – anders dan in het door de raadsvrouw aangehaalde voorbeeld waarin éérst wordt vervolgd ter zake van deelneming aan een criminele organisatie en pas daarna voor concrete delicten door die organisatie gepleegd – op voorhand niet onbegrijpelijk dat de verdachte pas later is vervolgd voor zijn deelneming aan deze criminele organisatie, terwijl hij eerder al werd vervolgd wegens concrete delicten waaraan (ook) betekenis toekomt in het kader van de onderhavige verdenking.\n\n Daarbij merkt het hof ten slotte nog op dat aan het Openbaar Ministerie (de officier van justitie) de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. Een dergelijke beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde.\n\nUitzonderlijke gevallen als hiervoor bedoeld, kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij inbreuken op het beginsel van gerechtvaardigd vertrouwen en het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging (het verbod van willekeur), maar daarvan is in het onderhavige geval geen sprake.\n\nGelet op het vorenstaande ziet het hof dan ook geen aanleiding (niet wegens strijd met het ne bis in idem-beginsel noch wegens strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde) om de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging. Het hof verwerpt het verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.\n\n4 Vonnis waarvan beroep\n\nHet hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep met aanvulling van de gronden en met uitzondering van de beslissing van de rechtbank om toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, en aldus de verdachte schuldig te verklaren zonder aan hem een straf op te leggen. In zoverre zal het hof het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw recht doen. Het hof zal daarbij ook de toepasselijke wettelijke voorschriften vervangen.\n\nVoor wat betreft de gronden vult het hof deze aan met de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, van welke verklaring de inhoud – net als van de bewijsmiddelen van de rechtbank – niet zal worden uitgewerkt gelet op het in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering bepaalde.\n\nHet hof heeft daarbij gelet op de inhoud van de verklaringen van de verdachte, afgelegd op de terechtzittingen in eerste aanleg en in hoger beroep, alsmede op de procespositie van de verdediging. Het hof neemt daarbij voorts in aanmerking dat in hoger beroep – met uitzondering van een (formeel) verweer strekkende tot de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging – door de verdediging expliciet is verzocht het vonnis van de rechtbank, waaronder mede begrepen de daarin gehanteerde bewezenverklaring en bewijsvoering, te bevestigen en dat daarbij slechts een straftoemetingsverweer is gevoerd.\n\n5. Op te leggen straf\n\n5.1. \n\nStandpunt verdediging\n\nDe verdediging heeft bepleit dat het hof de verdachte schuldig zal verklaren zonder aan hem een straf op te leggen. Daartoe is – kort weergegeven – bepleit dat de verdachte voor zijn betrokkenheid bij de labs Zaandam (Hammond I, in cassatieberoep maar geen cassatiemiddelen ingediend terwijl de termijn daarvoor reeds verstreken is en de Hoge Raad dit cassatieberoep niet-ontvankelijk zal verklaren) en Montfoort (26Bluffton, inmiddels onherroepelijk) in totaal al een gevangenisstraf van 10 jaren opgelegd heeft gekregen.\n\nVerder is sprake van tijdsverloop, een bekennende proceshouding, is de verdachte de afgelopen 7 jaar niet in aanraking met politie of justitie gekomen en zijn de persoonlijke omstandigheden van de verdachte – in het bijzonder zijn leeftijd en gezondheid – zodanig dat een gevangenisstraf de verdachte zwaarder zal treffen dan een gezonde verdachte.\n\nDaarbij is voorts bepleit niet – zoals door de advocaat-generaal is gevorderd – over te gaan tot oplegging van een geldboete, nu de verdachte nog een schuld van € 200.000,00 heeft en hij minimaal 66 jaar oud is wanneer hij uit de gevangenis zou komen met daardoor – mede vanwege zijn medische situatie – nauwelijks tot geen verdiencapaciteit. Oplegging van een geldboete zou daarom de facto neerkomen op een extra ‘gevangenisstraf’ omdat de verdachte dan vervangend gehecht zou worden, aldus de verdediging\n\n5.2. \n\nOordeel hof\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.\n\n5.2.1. \n\nAard en ernst van de feiten\n\nHet feit dat ten laste van de verdachte bewezen is verklaard, heeft betrekking op deelneming aan een criminele organisatie, waarvan is vastgesteld dat die niet alleen het oogmerk had om feiten zoals bedoeld in artikel 10 en 10a van de Opiumwet te plegen, maar in welk verband dergelijke feiten ook daadwerkelijk zijn gepleegd.\n\nHet hof waagt zich niet aan een rangorde voor wat betreft de schadelijkheid van verschillende soorten synthetische drugs waarmee deze criminele organisatie – waaronder de verdachte in het bijzonder – zich bezighield, maar het is een feit van algemene bekendheid dat metamfetamine in ieder geval behoort tot een van de meer schadelijke varianten. Niet alleen voor wat betreft de toxiciteit (zowel acuut als chronisch) heeft metamfetamine een zeer schadelijk effect op de gezondheid van de gebruikers. Ook heeft het een hoog verslavingspotentieel, nog daargelaten de negatieve sociaaleconomische gevolgen (verlies van werk of woonruimte, al dan niet als indirect gevolg van verstoorde sociale verhoudingen of relaties) die een dergelijke verslaving met zich kan brengen.\n\nDe productie van, de handel in en het gebruik van dergelijke harddrugs leidt bovendien tot vele andere vormen van ernstige en ondermijnende criminaliteit en vormt (direct of indirect) een bron van overlast voor de samenleving. De belangen in de handel en productie worden niet zelden beschermd door gebruikmaking van geweld en\u002Fof bedreiging daarmee, en ook van het witwassen van de winsten gaat een corrumperende en ondermijnende werking uit voor de economie en – daarmee – de maatschappij.\n\nTen slotte gaat de productie van dergelijke harddrugs regelmatig gepaard met gevaren voor de directe omgeving. Daarbij valt in ieder geval te denken aan brandgevaar, ontploffingsgevaar en gevaar voor het vrijkomen van giftige gassen. De opgeslagen en gebruikte (vaak zware) chemicaliën zijn immers aan ieder vorm van controle of handhaving onttrokken. Maar ook schade als gevolg van illegale dumpingen en lozingen van drugsafval zijn een grote maatschappelijke kostenpost. De verdachte heeft er geen blijk van gegeven acht te hebben geslagen op deze gevaren en gevolgen.\n\n5.2.2. \n\nRol verdachte\n\nTen laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het deelnemen aan een criminele organisatie die als oogmerk heeft het plegen van Opiumwetdelicten, in het bijzonder gericht op de productie van synthetische drugs. De verdachte heeft in die criminele organisatie niet slechts een noodzakelijke\u002Fonmisbare rol vervuld bij de concrete delicten die door de organisatie werden voorbereid en uitgevoerd, maar ook een moeilijk vervangbare rol. De verdachte fungeerde immers als ‘ kok ’ en leverde de kennis en kunde voor de eigenlijke productie van de metamfetamine, waaronder kennis over alles dat nodig was om deze productie op te starten en door te laten draaien. Hoe belangrijk zijn kennis was, blijkt wel uit het berichtenverkeer met betrekking tot alles wat er ontbrak en niet goed was aan de productielocatie in Montfoort . Hoewel de verdachte daarmee formeel geen aansturende rol had, bepaalde hij wel degelijk in belangrijke mate wat er nodig was en kwam de organisatie ook in beweging wanneer hij iets nodig had.\n\n5.2.3. \n\nPersoonlijke omstandigheden\n\nHet hof heeft bij de strafoplegging acht geslagen op de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 15 april 2026, betreffende het justitiële verleden van de verdachte. Hieruit blijkt dat hij – voorafgaand aan het bewezenverklaarde – meermalen onherroepelijk is veroordeeld ter zake van Opiumwetdelicten, meer in het bijzonder voor harddrugsfeiten.\n\nVoorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Uit het onderzoek ter terechtzitting is hieromtrent gebleken dat de verdachte kanker heeft, leeft met een stoma, en arbeidsongeschikt is geraakt. Wel krijgt hij thuiszorg en bijstand van zijn vrouw, die werkt. Naar aanleiding van zijn medische problematiek heeft hij ook psychologische klachten ontwikkeld. Verder wordt de verdachte – zo blijkt uit het advies van een medisch adviseur van de DJI d.d. 5 maart 2026 – detentiegechikt geacht op voorwaarde van initiële plaatsing in het Justitieel Centrum voor Somatische Zorg (JCvSZ).\n\n5.2.4. \n\nStraf\n\nUit het hiervoor aangehaalde arrest van de Hoge Raad d.d. 23 maart 2021 (ECLI:NL:HR:2021:387) blijkt dat ‘de eventueel in de eerste vervolging voor het begaan van het concrete delict opgelegde straffen een voor de straftoemeting relevante omstandigheid kunnen vormen bij een latere vervolging en veroordeling voor het deelnemen aan een criminele organisatie’. Het hof ziet ook in de onderhavige zaak aanleiding om bij de strafoplegging rekening te houden met het feit dat de verdachte eerder is bestraft wegens zijn strafbare betrokkenheid bij de drugslabs in Zaandam (Hammond I) en Montfoort (26Bluffton), en verdachtes deelneming aan een criminele organisatie in overwegende mate – hoewel niet uitsluitend – berust op zijn betrokkenheid bij die drugslabs. In die eerdere bestraffingen ziet het hof aanleiding om in de onderhavige zaak aan de verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.\n\nAlles afwegende is het hof van oordeel dat oplegging van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden is. Het hof ziet daarbij in het geval van de verdachte, gelet op zijn leeftijd, medische situatie en veroordelingen in Hammond I en 26Bluffton, geen aanleiding om naast deze voorwaardelijke gevangenisstraf ook een geldboete aan de verdachte op te leggen.\n\nMet het opleggen van een voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.\n\nAnders door de verdediging bepleit ziet het hof geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Het hof acht het feit waarvoor de verdachte wordt veroordeeld (mede bezien tegen de achtergrond van zijn relevante recidive) daarvoor te ernstig en zijn rol daarin te bepalend. Ook de persoonlijkheid van de verdachte, de omstandigheden waaronder het feit is begaan dan wel die zich nadien hebben voorgedaan, maken niet dat het hof dat een passende afdoening acht.\n\n5.3. Redelijke termijn5.3.1. \n\nDuur van de redelijke termijn in hoger beroep\n\nDe advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat in de onderhavige zaak een redelijke termijn moet worden gehanteerd die langer is dan de gebruikelijke redelijke termijn, wegens de complexiteit van het onderzoek, zodanig dat geen sprake is van een overschrijdingvan de redelijke termijn en derhalve evenmin een vermindering van de op te leggen straf dient plaats te vinden.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHoewel het klopt dat een redelijke termijn van – in de onderhavige zaak – 24 maanden slechts een uitgangspunt vormt waarvan kan worden afgeweken (zie HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, rov. 3.13.1) acht het hof geen omstandigheden aanwezig die daartoe aanleiding geven.\n\nDe onderhavige zaak en de zaken tegen de medeverdachten zijn misschien niet eenvoudig en compact van aard, maar gelet op het beperkte aantal feitencomplexen en medeverdachten niet zodanig dat deze een langere redelijke termijn rechtvaardigen. Bovendien blijkt uit het schriftelijk requisitoir in eerste aanleg nu juist dat het (alomvattende) Hammond nu juist in verschillende delen is opgesplitst om de individuele onderzoeken (Hammond I, II (en 26Bluffton) en III) behapbaar te houden.\n\nOok de invloed van de verdediging op het procesverloop maakt dit niet anders. In de onderhavige zaak zijn immers geen onderzoekswensen ingediend.\n\nHet hof merkt daarbij op dat de eerste regiezitting in hoger beroep pas in augustus 2024 heeft plaatsgevonden en aldus ongeveer 1,5 jaar na het instellen van hoger beroep door de officier van justitie en de verdediging. Dat heeft ten dele te maken met de agenda’s van het hof en de verdediging maar mag niet voor rekening van de verdachte komen.\n\nConcluderend gaat het hof dan ook uit van een redelijke termijn van 24 maanden voor de behandeling van de onderhavige zaak in hoger beroep.\n\n5.3.2. \n\nOverschrijding van de redelijke termijn\n\nDe redelijke termijn in eerste aanleg is aangevangen op 11 januari 2022 met de uitreiking van de inleidende dagvaarding aan de verdachte in persoon, en geëindigd op 8 februari 2023 met het wijzen van het vonnis waarvan beroep door de rechtbank. Aldus is geen sprake van een overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg.\n\nDe redelijke termijn in hoger beroep is aangevangen op 22 februari 2023 met het instellen van hoger beroep door de officier van justitie en eindigt heden, 25 juni 2026, met het wijzen van het onderhavige arrest. De redelijke termijn van 24 maanden is daarmee in hoger beroep overschreden met ongeveer 16 maanden. Van bijzondere omstandigheden die deze overschrijding kunnen rechtvaardigen is het hof niet gebleken.\n\nGelet op de aard en duur van de op te leggen straf zal het hof echter volstaan met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden.\n\n6. Toepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing is gegrond op artikel 11b van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c en 63 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nvernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissing van de rechtbank om toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van8 (acht) maanden;\n\nbepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;\n\nbevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. A.M.G. Smit, voorzitter,\n\nmr. N.I.B.M. Buljevic en mr. M. van der Horst, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. J.A.A. Vulto, griffier,\n\nen op 25 juni 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\n PD verdachte [medeverdachte] , p. 187 e.v. proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte] d.d. 15 september 2021 om 11.22 uur.\n\n ZD2, p. 876 t\u002Fm 888 proces-verbaal identificatie gebruiker EncroChatnaam [accountnaam 2] , op ambtseed opgemaakt en ondertekend d.d. 11 februari 2021.\n\n ZD2, p. 1240 e.v..\n\n ZD2, p. 1244.\n\n ZD5, p. 224 proces-verbaal van bevindingen sky groepschat Montfoort proces-verbaalnummer 26-Hammond-02747.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1787","2026-07-07T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:17.066Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":37,"fullText":38,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":39,"sourceTimestamp":40,"parsedAt":31,"updatedAt":41},"1280","ECLI:NL:GHSHE:2026:1139","ecli-nl-ghshe-2026-1139","2026-03-26T00:00:00.000Z","Parketnummer : 20-001528-21\n\nUitspraak : 9 april 2026\n\nTEGENSPRAAKArrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof's-Hertogenbosch\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 16 juni 2021, in de strafzaak met parketnummer 01-880060-18 tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 1977,\n\nwonende te [adres 1] .\n\nHoger beroep\n\nBij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde. De rechtbank heeft het onder 1 tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als\n\n‘medeplegen van: om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden of te bevorderen zich en een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van het feit verschaffen, en voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij en zijn mededader(s) wisten dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit’ en de verdachte daarvoor veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de rechtbank de inbeslaggenomen personenauto Ford Transit, voorzien van het kenteken [kenteken 1] verbeurdverklaard.\n\nVan de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOntvankelijkheid van het hoger beroep\n\nHet van de zijde van de verdachte ingestelde hoger beroep is blijkens de akte instellen hoger beroep d.d. 17 juni 2021 onbeperkt ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank en richt zich aldus mede tegen de vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde. Aangezien een verdachte gelet op het bepaalde in artikel 404 van het Wetboek van Strafvordering geen hoger beroep kan instellen tegen een vrijspraak, zal de verdachte in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.\n\nAl hetgeen hierna wordt overwogen heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank – met aanvulling van gronden – zal bevestigen, met uitzondering van de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest.\n\nDe verdediging heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de verdediging een straftoemetingsverweer gevoerd.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet hof verenigt zich – met verbetering en aanvulling van gronden – met het beroepen vonnis, voor zover dat aan zijn oordeel is onderworpen, en zal het vonnis dan ook bevestigen, behalve voor wat betreft de door de rechtbank opgelegde sancties. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.\n\nVerbetering van gronden\n\nDe bewijsmiddelen die door de rechtbank in de bewijsbijlage bij het vonnis zijn opgenomen, behoeven op een aantal punten verbetering. Ten behoeve van de leesbaarheid zullen de door de rechtbank uitgewerkte bewijsmiddelen worden geschrapt en worden deze vervangen door de hierna in de bewijsbijlage opgenomen bewijsmiddelen.\n\nAanvulling van gronden\n\nBewijsmiddelen\n\nIn aanvulling op de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen komt de bewezenverklaring mede te berusten op de volgende bewijsmiddelen.\n\nHet proces-verbaal van getuigenverhoor van de getuige [medeverdachte 1] door de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit gerechtshof, d.d. 14 november 2023, voor zover inhoudende als verklaring van de getuige:\n\nU vraagt mij of ik iets kan vertellen over de stand van zaken in mijn eigen strafzaak. Ik ben\n\nveroordeeld, omdat de Nederlanders chemicaliën hadden ingekocht.\n\nU vraagt mij of ik in het kort kan vertellen welke producten ik produceerde dan wel\n\nverhandelde in de periode april, mei 2018. We produceren rond de 300 producten. Vloeibaar\n\nwasmiddel, waspoeder, zoutzuur en aceton.\n\nU vraagt mij of ik het adres [adres 2] me iets zegt. Als ik het me goed\n\nherinner dan was dat ook een garagebox op een groot terrein.\n\nU vraagt mij of ik me kan herinneren of ik in de periode van april tot en met mei met een\n\nbestelwagen naar Nederland ben gereden. Ik weet niet of het deze periode was. Maar als ik\n\nga, dan ga ik met een bestelbusje. Want in een kofferbak past het niet.\n\nU vraagt mij of ik ooit naar Nederland ben gereden en geen spullen heb afgeleverd, maar dat\n\nik ze mee terug naar Duitsland heb genomen. Nee.\n\nHet proces-verbaal van getuigenverhoor van de getuige [medeverdachte 2] door de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit gerechtshof, d.d. 14 november 2023, voor zover inhoudende als verklaring van de getuige:\n\nU vraagt mij waarvoor ik veroordeeld ben. Ik ben veroordeeld voor het smokkelen van\n\nchemicaliën. Ik heb twee keer gereden.\n\nU vraagt mij of ik zelf als bestuurder heb opgetreden, toen ik zojuist verklaarde dat ik twee\n\nkeer had gereden. We zijn met twee voertuigen gegaan. Ik ben in beide gevallen bestuurder\n\ngeweest.\n\nU vraagt mij wie de andere bestuurder van het andere voertuig was. De heer [medeverdachte 1] .\n\nU vraagt mij of ik beide keren vanuit Duitsland vertrokken ben. Ja, beide keren.\n\nU vraagt mij of ik beide keren in Nederland terecht ben gekomen. Ja.\n\nU vraagt mij of ik wist welke producten ik vervoerde. Ik wist wel dat er\n\nchemicaliën in zaten.\n\nU vraagt mij of ik beide keren naar hetzelfde adres ben gereden. Ja.\n\nU vraagt mij of ik me dat adres kan herinneren. Nee, ik ben enkel achter mijn collega\n\naangereden.\n\nU vraagt mij of ik me nog kan herinneren wat voor merk die bestelauto had. Volgens mij\n\neen Volkswagen Transporter.\n\nU vraagt mij welk merk de auto van de heer [medeverdachte 1] had. Ik denk ook een Volkswagen\n\nTransporter, maar dat weet ik niet zeker.\n\nU vraagt mij of ik veroordeeld ben voor de twee data die ook in het vonnis staan. Ja, dat is\n\njuist.\n\nDe getuige is veroordeeld voor medeplichtigheid. De twee feiten vonden plaats op 10 april\n\n2018 en 18 april 2018. Art. 3 GÜG.\n\nDe Duitse rechter houdt uit het Duitse vonnis voor dat het zou gaan om afleveringen op de\n\nlocatie [adres 2] , [locatie 1] .\n\nU vraagt mij of ik me kan herinneren of ik twee keer op hetzelfde adres in Nederland ben\n\ngeëindigd. Ik ben alleen maar achter mijn collega aangereden, maar volgens mij wel.\n\nU vraagt mij of beide bestelbussen in beide gevallen bij hetzelfde adres aangekomen zijn.\n\nJa.\n\nU vraagt mij of de spullen die in de bestelbussen zaten beide keren in Nederland zijn gelost.\n\nMijn auto is gelost, natuurlijk.\n\nU vraagt mij of ook de auto van de heer [medeverdachte 1] was gelost. Ja.\n\nU vraagt mij hoe ik wist dat ik chemicaliën aan het vervoeren was. Dat is me verteld door\n\nverdachte [medeverdachte 1] .\n\nU vraagt mij hoe de producten in de auto eruit zagen. De producten zaten in jerrycans.\n\nU vraagt mij of ik iets mee terug heb genomen uit Nederland . Nee.\n\nEen vertaling van een vonnis van het Kantongerecht Velbert , 8 april 2022, voor zover inhoudende:\n\nVonnis\n\nIn de strafzaak tegen\n\n1. De heer [medeverdachte 1] ,\n\ngeboren op [geboortedag 2] 1975 in [geboorteplaats 2] ,\n\nDuitse staatsburger, gescheiden,\n\nwonende in [adres 3] ,\n\n2. De heer [medeverdachte 2] ,\n\ngeboren op [geboortedag 3] 1982 in [geboorteplaats 3] , [functie] ,\n\nDuitse staatsburger, ongehuwd,\n\nwonende in [adres 4] ,\n\nwegens de handel in precursoren in strijd met § 3 GÜG e.a.\n\nheeft het kantongerecht van Velbert\n\nop basis van de openbare rechtszitting van 18-03-2022\n\nrechterlijk besloten:\n\nDe verdachte [medeverdachte 1] wordt wegens de opzettelijke commerciële handel in precursoren in strijd met § 3 GÜG in vijf gevallen veroordeeld tot een gecombineerde gevangenisstraf van één jaar en elf maanden met verplichte betaling van de onkosten.\n\nDe tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf wordt voorwaardelijk opgelegd.\n\nTen aanzien van de verdachte [medeverdachte 1] wordt de verbeurdverklaring van € 16.000 als schadevergoeding bevolen.\n\nDe verdachte [medeverdachte 2] wordt wegens de medeplichtigheid aan de handel in precursoren in strijd met § 3 GÜG in twee gevallen veroordeeld tot een gecombineerde geldboete van 90 dagtarieven van ieder € 50 met verplichte betaling van de onkosten.\n\nTen aanzien van de verdachte [medeverdachte 2] wordt de verbeurdverklaring van een schadevergoeding ten bedrage van € 600 bevolen.\n\nRedenen:\n\nVerdachte [medeverdachte 1] heeft uiterlijk in maart 2018 besloten om een doorlopende inkomstenbron van enige omvang te verwerven door met winstoogmerk aceton te kopen en te verkopen aan Nederlandse afnemers, waarbij de aceton - zoals verdachte wist en beoogde - zou worden gebruikt bij de vervaardiging van drugs, te weten ecstasypillen met de werkzame stof MDMA. Verder wist de verdachte dat aceton een precursor was in de zin van de Duitse Wet op het toezicht van precursoren.\n\nAls gevolg van zijn beslissing heeft de verdachte [medeverdachte 1] vervolgens als vermeend werknemer van het feitelijk inactieve bedrijf [bedrijf 1] , [adres 5] , grote hoeveelheden aceton gekocht bij het bedrijf [bedrijf 2] in Mönchengladbach . Het bedrijf [bedrijf 2] leverde de voor [bedrijf 1] bestemde aceton telkens volgens opdracht in blauwe jerrycans op het terrein van [bedrijf 3] , [adres 6] t\u002Fm [adres 7] . Vervolgens werden de stickers van het bedrijf [bedrijf 2] van de jerrycans verwijderd en op sommige jerrycans vervangen door stickers van het bedrijf [bedrijf 3] . De verdachte [medeverdachte 1] vervoerde alle geleverde jerrycans aceton vervolgens van Velbert naar Nuenen in Nederland in een huurvoertuig van [bedrijf 4] , in sommige gevallen in twee huurvoertuigen met medewerking van medeverdachte [medeverdachte 2] . Hierbij stonden de opnieuw geëtiketteerde jerrycans rechtstreeks bij de te openen achterdeur van de bestelauto’s geplaatst in geval van een politie- of douanecontrole. In Nederland zou de aceton door onbekende daders worden gebruikt om ecstasypillen te maken.\n\nMeer in detail vervoerde de verdachte [medeverdachte 1] in de volgende gevallen de jerrycans aceton die door het bedrijf [bedrijf 2] in Mönchengladbach voor het bedrijf [bedrijf 1] naar Velbert werden geleverd, naar Nuenen naar een industrieterrein aan [adres 2] , en wel naar [locatie 1] .\n\n1e dossier 3\n\nop 10-04-2018 samen met de medeverdachte [medeverdachte 2] in twee huurvoertuigen 1.600 kilogram aceton (64 jerrycans x 25 kg aceton), die de verdachte [medeverdachte 1] voor 1.872,00 euro (exclusief de prijs van de jerrycans) bij het bedrijf [bedrijf 2] heeft gekocht en contant heeft betaald;\n\nterwijl de verdachte [medeverdachte 1] de bestelauto met het kenteken [kenteken 2] gebruikte om de helft van de jerrycans te vervoeren, gebruikte de verdachte [medeverdachte 2] de bestelauto met het kenteken [kenteken 3] om 32 jerrycans aceton te vervoeren.\n\n2e dossier 4\n\nop 18-04-2018, wederom samen met medeverdachte [medeverdachte 2] , in twee huurvoertuigen 1.600 kilogram aceton (64 jerrycans x 25 kg aceton), die de verdachte [medeverdachte 1] voor 1.872,00 euro (exclusief de prijs van de jerrycans) bij het bedrijf [bedrijf 2] heeft gekocht en contant heeft betaald; terwijl de verdachte [medeverdachte 1] de bestelauto met het kenteken [kenteken 3] gebruikte om de helft van de jerrycans te vervoeren, gebruikte de verdachte [medeverdachte 2] de bestelauto met het kenteken [kenteken 4] om 32 jerrycans aceton te vervoeren.\n\n3e dossier 5\n\nin ieder geval op 03-05-2018 in de gehuurde bestelauto met het kenteken [kenteken 3] , 800 kilogram aceton (32 jerrycans x 25 kg aceton), die hij op 24-04-2018 bij het bedrijf [bedrijf 2] bestelde en die op 26-04-2018 naar Velbert werden uitgeleverd; de verdachte [medeverdachte 1] betaalde de koopprijs van 936 euro (exclusief de prijs van de jerrycans) contant bij de levering.\n\n4e dossier 6\n\nOp 02-05-2018 bestelde de verdachte [medeverdachte 1] 1.600 kilogram aceton bij het bedrijf [bedrijf 2] , die op 07-05-2018 werden geleverd op het gebruikelijke adres van het bedrijf [bedrijf 3] in Velbert . De verdachte [medeverdachte 1] vervoerde telkens 800 kilogram aceton in de gehuurde bestelauto met het kenteken [kenteken 3] naar zijn afnemers in Nederland , en wel op 08-05-2018 naar het voornoemde magazijn in Nuenen .\n\n5e dossier 7\n\nReeds op 14-05-2018 leverde het bedrijf [bedrijf 2] op basis van een bestelling van de verdachte [medeverdachte 1] op 08-05-2018 nog eens 800 kilogram aceton op het gebruikelijke adres van het bedrijf [bedrijf 3] te Velbert , die de verdachte [medeverdachte 1] op 15-05-2018 in een huurvoertuig met het kenteken [kenteken 5] naar voormeld magazijn in Nuenen vervoerde.\n\nDe verdachte [medeverdachte 1] ontving van zijn afnemers minimaal 2.000,00 euro voor elke geleverde 800 kilogram aceton (punt 1: € 4.000, punt 2: € 4.000, punt 3: € 2.000, punt 4: € 4.000, punt 5: € 2.000). De verdachte [medeverdachte 1] betaalde de medeverdachte [medeverdachte 2] € 300,00 voor elke transportrit.\n\nDe procedure met betrekking tot de beschuldiging van de illegale handel in verdovende middelen ten aanzien van de verdachte [medeverdachte 1] werd overeenkomstig § 154a lid 2 Duits W.v.Sv. beperkt. Ten aanzien van de beklaagde [medeverdachte 2] werd de procedure met betrekking tot de desbetreffende medeplichtigheid hieraan c.q. de aflevering van verdovende middelen overeenkomstig § 154a lid 2 Duits W.v.Sv. beperkt\n\nDe bevindingen over de feiten van de zaak zijn gebaseerd op de volledig bekennende verklaringen van de verdachten, aan de waarheid waarvan de rechtbank geen enkele twijfel heeft.\n\nBewijsoverwegingen\n\nHet hof verenigt zich met de bewijsoverwegingen van de rechtbank en vult deze op de volgende punten aan.\n\nDe verdediging heeft aangevoerd dat het plaatsen van een camera, gericht op het pand aan [adres 2] , is geschied zonder dat voor de volledige periode dat opnamen zijn gemaakt het daarvoor vereiste bevel van een officier van justitie was afgegeven en hierdoor sprake is van een onherstelbaar vormverzuim.\n\nIn dat kader stelt het hof vast dat door het Openbaar Ministerie in Wuppertal ( Duitsland ) een rechtshulpverzoek is gedaan aan het Arrondissementsparket Oost-Brabant. De Duitse autoriteiten verzochten om de volgende onderzoeksmaatregelen uit te voeren:\n\n- Langdurige observatie met technische hulpmiddelen met betrekking tot de verdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] , alsmede de in Nederland actieve daders die de chemicaliën in ontvangst nemen of ophalen en transporteren.\n\nArtikel 9, eerste lid, van de Richtlijn 2014\u002F41\u002FEU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken houdt in:\n\nDe uitvoerende autoriteit erkent het overeenkomstig deze richtlijn toegezonden EOB zonder verdere formaliteiten en zorgt voor de tenuitvoerlegging ervan op dezelfde wijze en onder dezelfde voorwaarden als waren de betrokken onderzoeksmaatregelen bevolen door een autoriteit van de uitvoerende staat, tenzij die autoriteit beslist zich te beroepen op een van de gronden voor weigering van erkenning of tenuitvoerlegging of een van de gronden voor uitstel, zoals bepaald in deze richtlijn.\n\nNaar aanleiding van het verzoek van de Duitse autoriteiten is door de officier van justitie in Nederland een bevel grensoverschrijdende stelselmatige observatie (artikel 126g van het Wetboek van Strafvordering) afgegeven. Dit bevel bevindt zich ook in het dossier (pagina’s 383-385). Ingevolge het bepaalde in artikel 126g, derde lid, kan de officier van justitie ook bepalen dat ter uitvoering van het bevel een technisch hulpmiddel – zoals een (heimelijk geplaatste) camera – kan worden aangewend, voor zover daarmee geen vertrouwelijke communicatie wordt opgenomen. Uit de inhoud van het dossier volgt dat heimelijk een camera is geplaatst op [adres 2] , met zicht op de roldeur van de [locatie 2] , [locatie 3] en [locatie 1] . Blijkens het zich in het dossier bevindende bevel d.d. 11 april 2018 dient dit schriftelijk bevel ter bevestiging van het eerder mondeling gegeven bevel van 27 maart 2018. Het is het hof niet gebleken dat het bevel eerder op schrift is gesteld. Gelet hierop stelt het hof vast dat het mondelinge bevel niet binnen drie dagen na 27 maart 2018 door de officier van justitie op schrift is gesteld. Naar het oordeel van het hof is daarmee niet voldaan aan het in artikel 126g, zesde lid, van het Wetboek van Strafvordering neergelegde wettelijke vereiste. Naar het oordeel van het hof levert dit – nu het bevel niet alsnog binnen drie dagen op schrift kan worden gesteld – een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek op. Het belang dat met het geschonden voorschrift wordt gediend ziet op de controleerbaarheid en transparantie van het gegeven bevel. Nu het mondeling gegeven bevel achteraf – weliswaar te laat – alsnog ter bevestiging op schrift is gesteld en hierdoor – en ook overigens – geen nadeel voor de verdachte is ontstaan, kan naar het oordeel van het hof worden volstaan met de (enkele) constatering van het vormverzuim. Het hof zal hier dan ook geen gevolgen als bedoeld in artikel 359a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering aan verbinden.\n\nVoor zover de verdediging naar voren heeft gebracht dat zij niet de mogelijkheid heeft gehad om de gemaakte camerabeelden te controleren omdat de gemaakte camerabeelden niet meer beschikbaar zijn, overweegt het hof als volgt.\n\nHet hof merkt op dat het in het algemeen de voorkeur verdient camerabeelden – indien aanwezig – aan het dossier toe te voegen. Op die manier bestaat de mogelijkheid dat die camerabeelden op enig moment in de procedure (door een van de procesdeelnemers) kunnen worden bekeken en gecontroleerd. Het is in zoverre dan ook ongelukkig dat de gemaakte camerabeelden niet meer beschikbaar zijn. Die omstandigheid impliceert naar het oordeel van het hof echter niet dat daarmee ook sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek dat tot enig rechtsgevolg moet leiden. Hierbij neemt het hof mede in aanmerking dat de gemaakte camerabeelden door verbalisanten zijn bekeken en dat door hen in processen-verbaal van bevindingen die in de wettelijke vorm zijn opgemaakt is gerelateerd wat daarop is waar te nemen. Het hof ziet geen aanleiding om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die processen-verbaal te twijfelen. Van de zijde van de verdediging is ook niet weersproken dat hetgeen door verbalisanten op de camerabeelden is waargenomen en hetgeen in de processen-verbaal van bevindingen daaromtrent is geverbaliseerd onjuist is. Het verweer van de verdediging wordt derhalve in zoverre verworpen.\n\nVoorts merkt het hof als aanvulling op de bewijsoverwegingen van de rechtbank nog het volgende op.\n\nOp basis van de inhoud van het dossier acht het hof – met de rechtbank – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte opzettelijk grondstoffen, chemicaliën en andere voorwerpen voorhanden heeft gehad ten behoeve van de productie van synthetische drugs en met een of meer anderen gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen tot het opzettelijk vervaardigen van amfetamine en\u002Fof MDMA heeft getracht te verschaffen. Bij dit oordeel neemt het hof, in aanvulling op de bewijsoverwegingen van de rechtbank, in het bijzonder in aanmerking dat in de periode van 10 april 2018 tot en met 31 mei 2018 vanuit Duitsland meerdere leveringen van chemicaliën hebben plaatsgevonden, welke leveringen zijn afgeleverd aan het adres [adres 2] , [locatie 1] . Uit de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , die zij ten overstaan van de raadsheer-commissaris hebben afgelegd, blijkt dat zij chemicaliën hebben afgeleverd en niets mee terug naar Duitsland hebben genomen. Door het kantongerecht Velbert in Duitsland zijn zij ook veroordeeld ter zake van verschillende leveringen van chemicaliën. Uit dit vonnis blijkt dat het gaat om leveringen van aceton. Voorts stelt het hof vast dat in de nacht van 22 mei 2018 op 23 mei 2018 in [locatie 1] een groot aantal blikken en jerrycans zijn aangetroffen. Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] blijkt dat hij de aangetroffen goederen nader heeft onderzocht en deze middels een analyseapparaat heeft getest. Uit dit onderzoek is gebleken dat het ging om methanol en aceton. [verbalisant] heeft in zijn proces-verbaal van bevindingen opgenomen dat er monsters zijn genomen, welke ter analyse werden aangeboden aan het Nederlands Forensisch Instituut. Het hof stelt – met de verdediging – vast dat onduidelijkheid bestaat over de vraag of er ook daadwerkelijk monsters zijn genomen van de in [locatie 1] aangetroffen stoffen die ter nadere analyse naar het Nederlands Forensisch Instituut zouden zijn verzonden. In het dossier heeft het hof daaromtrent geen stukken aangetroffen. Dit maakt naar het oordeel van het hof echter niet dat moet worden getwijfeld aan de juistheid en betrouwbaarheid van hetgeen [verbalisant] overigens in het door hem op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal heeft geverbaliseerd. Ook in de omstandigheid dat het proces-verbaal van bevindingen op 13 september 2018 is opgemaakt, ziet het hof geen reden om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van het proces-verbaal van bevindingen.\n\nUit de inhoud van het dossier blijkt niet alleen dat de verdachte de huurder van [locatie 1] was. Op basis van de inhoud van het dossier stelt het hof ook vast dat het voertuig van de verdachte, een Ford Transit met kenteken [kenteken 1] , aanwezig was bij [locatie 1] op\u002Fomstreeks het moment dat een levering vanuit Duitsland had plaatsgevonden. Nu uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte de gebruiker van voornoemd voertuig was, concludeert het hof dat het de verdachte is geweest die toen ook steeds aanwezig is geweest. Zo blijkt dat op 18 april 2018, omstreeks 11.00 uur, door twee voertuigen met een Duits kenteken ( [kenteken 3] en [kenteken 4] ) leveringen zijn gedaan en verdachtes voertuig toen voor [locatie 1] stond geparkeerd. De twee Duitse voertuigen vertrokken vervolgens weer om 11:09 uur, waarna om 11:18 uur [locatie 1] werd afgesloten en even later de verdachte met zijn voertuig vertrok. Op 3 mei 2018 was de verdachte omstreeks 09:11 uur in [locatie 1] aanwezig en heeft hij zijn bus achteruit [locatie 1] ingereden. Omstreeks 09:28 kwam verdachtes bus uit de loods gereden, werd deze bij de ingang van de loods geparkeerd en ging omstreeks 09:37 uur een Duits voertuig met kenteken [kenteken 3] verdachtes loods in. Het Duitse voertuig is vervolgens om 10:00 uur weer de loods uitgereden, en de verdachte reed ongeveer een minuut later ook weg. Ten aanzien van 15 mei 2018 blijkt dat (eveneens) omstreeks 11:00 uur een levering heeft plaatsgevonden, dat het voertuig met het Duitse kenteken [kenteken 5] om 11:14 uur weer bij verdachtes loods vertrok en dat om 11:15 uur de verdachte met zijn Ford Transit is weggereden. Voorts stelt het hof vast dat de verdachte met zijn voertuig meerdere keren van [locatie 1] naar [locatie 2] is gereden en bij die gelegenheden enige tijd in [locatie 2] is geweest. In [locatie 2] werden – evenals in [locatie 1] – ook diverse jerrycans en vaten met chemicaliën aangetroffen.\n\n [locatie 2] werd gehuurd door medeverdachte [medeverdachte 4] . De verdachte en medeverdachte [medeverdachte 4] kennen elkaar. Over de redenen van de vervoersbewegingen heeft de verdachte niet willen verklaren.\n\nIn het dossier is gerelateerd dat de in [locatie 2] en in [locatie 1] aangetroffen jerrycans qua uiterlijk, volume (30 liter) en inhoud (aceton) soortgelijk zijn. Gelet op het vorenstaande kan naar het oordeel van het hof dan ook buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat de verdachte goederen met zijn voertuig vanuit [locatie 1] heeft verplaatst naar [locatie 2] . In dit verband neemt het hof bovendien nog in aanmerking dat uit de inhoud van de bewijsmiddelen blijkt dat de leveringen vanuit Duitsland telkens zijn afgeleverd aan [adres 2] , [locatie 1] . Niet is gebleken dat leveringen (direct) zijn afgeleverd aan [adres 2] , [locatie 2] .\n\nVoor de uit Duitsland afkomstige chemicaliën die bij [locatie 1] , de loods van de verdachte, zijn afgeleverd, noch voor de in [locatie 1] aangetroffen aceton noch voor de diverse vervoersbewegingen tussen [locatie 1] en [locatie 2] van de medeverdachte [medeverdachte 4] , noch voor het feit dat de verdachte ook toegang had tot de [locatie 2] , noch voor de aanwezigheid van de voor productie van synthetische drugs benodigde chemicaliën en goederen in [locatie 2] , waardoor een verdenking van het tenlastegelegde in de rede ligt, heeft de verdachte, hoewel de feiten daar wel om schreeuwen, een aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring gegeven. Bij gebrek aan een dergelijke verklaring laten de feiten zich niet anders begrijpen dan dat de verdachte met zijn medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] nauw en bewust heeft samengewerkt om de opzettelijke vervaardiging van amfetamine en\u002Fof MDMA voor te bereiden. Het verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt in zoverre verworpen.\n\nOp te leggen sanctie\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest en een geldboete van € 40.000,00.\n\nDe verdediging heeft bepleit dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf en (eventueel) een voorwaardelijke gevangenisstraf. Daartoe is – kort gezegd – naar voren gebracht dat de rechtbank aan medeverdachte [medeverdachte 5] een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd 2 jaren heeft opgelegd en de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep heeft gevorderd dat medeverdachte [medeverdachte 4] zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden. In de zaak tegen de verdachte dient bij het bepalen van de op te leggen straf aansluiting te worden gezocht bij voornoemde sancties, aldus de verdediging. Bovendien dient bij de strafoplegging rekening te worden gehouden met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede met de overschrijding van de redelijke termijn.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof heeft bij de bepaling van de op te leggen sanctie gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.\n\nBij het bepalen van de op te leggen sanctie neemt het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking.\n\nTen laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het voorhanden hebben van grote hoeveelheden grondstoffen\u002Fchemicaliën en (laboratorium)benodigdheden die nodig zijn voor de productie van synthetische drugs. Evenals de rechtbank ziet het hof verdachtes rol in het geheel als die van coördinator. Het hof wijst in dit verband in het bijzonder op verdachtes aanwezigheid op momenten dat goederen werden geleverd en de ontmoetingen die hij onder andere met leveranciers heeft gehad. De verdachte heeft als coördinator een cruciale rol gehad. Gelet op verdachtes rol ziet het hof aanleiding om aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen van langere duur dan zoals die door de rechtbank aan [medeverdachte 5] is opgelegd en door de advocaat-generaal in de zaak tegen [medeverdachte 4] is gevorderd. Het hof houdt bij de strafoplegging rekening met de omstandigheid dat synthetische drugs allerlei gevaren voor de gezondheid van de gebruikers daarvan kunnen opleveren, terwijl die gebruikers hun mogelijke verslaving hieraan veelal door ander crimineel handelen proberen te bekostigen, ten gevolge waarvan de samenleving op die wijze ook schade wordt berokkend. De verdachte heeft zich van voornoemde belangen kennelijk niets aangetrokken. Ook rekent het hof de verdachte aan dat hij op geen enkele wijze openheid van zaken heeft gegeven. Het uitgangspunt bij een feit als het onderhavige is – in het bijzonder gelet op de aard en ernst van het feit en de rol van de verdachte – een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.\n\nTen aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 8 december 2025. Uit dit uittreksel blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde handelen eerder onherroepelijk is veroordeeld. Die veroordelingen dateren evenwel van langer geleden en hebben te maken met andersoortige strafbare feiten dan het thans bewezenverklaarde. Het hof zal voornoemde omstandigheid dan ook niet ten nadele van de verdachte bij het bepalen van de (hoogte van de) op te leggen sanctie meewegen.\n\nNaar het oordeel van het hof kan gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde handelen niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Oplegging van een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf – zoals door de verdediging is bepleit – acht het hof onvoldoende recht doen aan de aard en ernst van het bewezenverklaarde en derhalve niet passend.\n\nHet hof heeft zich tevens rekenschap gegeven van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep. De redelijke termijn is in eerste aanleg aangevangen op 17 september 2018, de dag waarop de verdachte in verzekering is gesteld. Aan die handeling kon de verdachte immers in redelijkheid de verwachting ontlenen dat tegen hem door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zou worden ingesteld. De rechtbank heeft eerst op 16 juni 2021 vonnis gewezen. De behandeling in eerste aanleg is dan ook niet met een eindvonnis afgerond binnen twee jaar na de aanvang van de hiervoor genoemde termijn. De redelijke termijn is in eerste aanleg met een periode van ongeveer 9 maanden overschreden. Deze overschrijding van de redelijke termijn valt naar het oordeel van het hof gedeeltelijk te wijten aan de omstandigheid dat de behandeling van de zaak tweemaal op verzoek van de verdediging is aangehouden. Tegelijkertijd stelt het hof vast dat de behandeling van de zaak op 13 mei 2020 is aangehouden en dat de zaak vervolgens pas weer op de terechtzitting van 29 april 2021 is aangebracht. Dit tijdsverloop valt naar het oordeel van het hof niet aan de verdachte toe te rekenen.\n\nVan de zijde van de verdachte is vervolgens op 17 juni 2021 hoger beroep ingesteld.\n\nHet hof wijst het onderhavige arrest op 9 april 2026. Het hof stelt vast dat het niet binnen twee jaren nadat het hoger beroep is ingesteld tot een einduitspraak is gekomen. In hoger beroep is de redelijke termijn met een periode van 2 jaren en ongeveer 10 maanden overschreden. Tijdens de behandeling van de zaak in hoger beroep zijn weliswaar nog verschillende getuigen gehoord, maar dat vormt naar het oordeel van het hof geen rechtvaardiging voor voornoemde aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Naar het oordeel van het hof is het recht op een behandeling in hoger beroep binnen een redelijke termijn dan ook geschonden. Het hof is van oordeel dat deze schending van de redelijke termijn dient te leiden tot strafvermindering.\n\nZonder deze overschrijdingen van de redelijke termijn zou een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest passend zijn geweest. Rekening houdend met de overschrijdingen van de redelijke termijn, zal het hof in plaats daarvan de verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.\n\nTenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.\n\nBeslag\n\nMet de rechtbank heeft het hof geconstateerd dat de verdachte schriftelijk afstand heeft gedaan van de goederen die onder de nummers 2 tot en met 22 op de beslaglijst staan vermeld. Nu het beslag daarmee is beëindigd, hoeft daarover niet meer te worden beslist.\n\nHet hof is van oordeel dat de op de lijst van inbeslaggenomen goederen onder 1 genoemde bestelauto, een Ford Transit voorzien van het kenteken [kenteken 1] – vatbaar is verbeurdverklaring, nu het een voorwerp is met behulp waarvan het bewezenverklaarde is gepleegd. Hoewel het voertuig op naam van een ander is gesteld, volgt uit het dossier dat deze Ford Transit langdurig in gebruik was bij de verdachte. Bovendien heeft de verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij de inbeslaggenomen Ford Transit graag terug wenst te krijgen. Naar het oordeel van het hof is op grond van deze feiten en omstandigheden komen vast te staan dat de Ford Transit aan de verdachte toebehoort. Het hof zal voornoemde bestelauto dan ook verbeurdverklaren. Hierbij heeft het hof rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen 33, 33a, 47 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 10a van de Opiumwet, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover dat aan het oordeel van het hof is onderworpen, doch uitsluitend ten aanzien van de door de rechtbank opgelegde sancties en doet in zoverre opnieuw recht.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van21 (eenentwintig) maanden.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVerklaart verbeurdhet in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:\n\nFord Transit voorzien van het kenteken [kenteken 1] .\n\nBevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. A.C. Bosch, voorzitter,\n\nmr. R.G.A. Beaujean en mr. H.A.T.G. Koning, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. T.H.J. Menting, griffier,\n\nen op 9 april 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\nmr. H.A.T.G. Koning is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.\n\n Onder dit kopje wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar dossierpagina’s van het doorgenummerde einddossier van de politie Oost-Brabant, dienst regionale recherche, onderzoek Wellington\u002FOBRAA18211, sluitingsdatum 26 april 2019, pagina 1 - pagina 966. Alle tot bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1139","2026-04-30T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:13.695Z",{"id":43,"ecli":44,"slug":45,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":46,"fullText":47,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":48,"sourceTimestamp":49,"parsedAt":31,"updatedAt":50},"762","ECLI:NL:GHSHE:2024:2187","ecli-nl-ghshe-2024-2187","2024-07-03T00:00:00.000Z","Parketnummer : 20-002672-23\n\nUitspraak : 3 juli 2024\n\nTEGENSPRAAKArrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof's-Hertogenbosch\n\ngewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 26 september 2023 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 03-110821-21, 03-136274-23 en 03-173579-23, en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 03-192020-19, tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,\n\nthans uit anderen hoofde verblijvende in [PI] .\n\nHoger beroep\n\nBij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van het in de zaak met parketnummer 03-110821-21 onder feit 2 tenlastegelegde. De verdachte is ter zake van:\n\n ‘ ‘opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd’ (parketnummer 03-110821-21 feit 1 en parketnummer 03-136274-23);\n\n ‘ ‘opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen’ (parketnummer 03-110821-21 feit 3);\n\n ‘ ‘wederspannigheid’ (parketnummer 03-110821-21 feit 4);\n\n ‘ ‘diefstal’ (parketnummer 03-173579-23 feit 1);\n\n ‘ ‘diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels’ (parketnummer 03-173579-23 feit 2),\n\nveroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] gedeeltelijk toegewezen, te weten tot € 494,25, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 juli 2023, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel, en de vordering voor het meerdere afgewezen. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] is gedeeltelijk toegewezen, te weten tot € 9,06, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 januari 2021, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel, en voor het meerdere afgewezen. Tot slot heeft de politierechter de tenuitvoerlegging gelast van de voorwaardelijk opgelegde straf onder parketnummer 03-192020-19, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken, met aftrek van voorarrest.\n\nVan de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het hoger beroep voor zover het is gericht tegen het in de zaak met parketnummer 03-110821-21 onder feit 2 tenlastegelegde. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de overige tenlastegelegde feiten bewezen zal verklaren en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de tenuitvoerlegging zal gelasten van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 3 weken onder parketnummer 03-192020-19. Tot slot heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] en de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] toe zal wijzen conform de wijze waarop de politierechter dat heeft gedaan.\n\nDe verdediging heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring van de feiten en de vorderingen van de benadeelde partijen gerefereerd aan het oordeel van het hof. Voorts heeft de verdediging een straftoemetingsverweer gevoerd. Ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging heeft de verdediging primair bepleit dat deze dient te worden afgewezen en subsidiair bepleit dat de proeftijd dient te worden verlengd.\n\nOntvankelijkheid hoger beroep\n\nDe verdachte is door de politierechter vrijgesproken van hetgeen aan hem in de zaak met parketnummer 03-110821-21 onder 2 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nAl hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover thans nog aan de orde – tenlastegelegd dat:\n\nonder parketnummer 03-110821-21:\n\n 1. hij op of omstreeks 22 februari 2021 te Maastricht opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 75,81 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en\u002Fof ongeveer 877,5 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde cocaïne en\u002Fof heroïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\n3. hij in of omstreeks de periode van 16 januari 2021 tot en met 22 januari 2021 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen, opzettelijk en wederrechtelijk een enkelband, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [benadeelde 2] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en\u002Fof weggemaakt;\n\n4. hij op of omstreeks 22 februari 2021 te Maastricht, zich met geweld en\u002Fof bedreiging met geweld, heeft verzet tegen (een) ambtena(a)r(en), [verbalisant 1] (hoofdagent van politie Eenheid Limburg) en\u002Fof [verbalisant 2] (hoofdagent van politie Eenheid Limburg) en\u002Fof [verbalisant 3] (aspirant van Politie Eenheid Limburg) en\u002Fof [verbalisant 4] (hoofdagent van politie Eenheid Limburg) en\u002Fof [verbalisant 5] (brigadier van politie Eenheid Limburg) en\u002Fof [verbalisant 6] (hoofdagent van politie Eenheid Limburg), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn\u002Fhun bediening, te weten aanhouding van verdachte, door zich met kracht los te rukken en\u002Fof zich te bewegen in tegengestelde richting dan daar waar voornoemde ambtena(a)re(en) hem trachtte(n) te bewegen;\n\nonder parketnummer 03-136274-23:\n\n hij op of omstreeks 2 juni 2023 te Maastricht opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 10 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende methamfetamine en\u002Fof ongeveer 2,5 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en\u002Fof 0,6 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde methamfetamine en\u002Fof heroïne en\u002Fof cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\nonder parketnummer 03-173579-23:\n\n 1. hij op of omstreeks 13 juli 2023 te Maastricht een pinpas, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om deze\u002Fhet zich wederrechtelijk toe te eigenen;\n\n2. hij op of omstreeks 13 juli 2023 te Maastricht een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om die\u002Fhet zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en\u002Fof dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel door onbevoegd gebruik te maken van de bankpas van die [benadeelde 1] .\n\nDe in de tenlastelegging voorkomende taal- en\u002Fof schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 03-110821-21 onder 1, 3 en 4, het in de zaak met parketnummer 03-136274-23 en het in de zaak met parketnummer 03-173579-23 onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:\n\nonder parketnummer 03-110821-21:\n\n 1. hij op 22 februari 2021 te Maastricht opzettelijk aanwezig heeft gehad 75,81 gram cocaïne en 877,5 gram heroïne, zijnde cocaïne en heroïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;\n\n3. hij in de periode van 16 januari 2021 tot en met 22 januari 2021 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen, opzettelijk en wederrechtelijk een enkelband die aan [benadeelde 2] toebehoorde, heeft vernield;\n\n4. hij op 22 februari 2021 te Maastricht, zich met geweld heeft verzet tegen ambtenaren [verbalisant 1] (hoofdagent van politie Eenheid Limburg) en [verbalisant 2] (hoofdagent van politie Eenheid Limburg) en [verbalisant 3] (aspirant van Politie Eenheid Limburg) en [verbalisant 4] (hoofdagent van politie Eenheid Limburg) en [verbalisant 5] (brigadier van politie Eenheid Limburg) en [verbalisant 6] (hoofdagent van politie Eenheid Limburg), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten aanhouding van verdachte, door zich met kracht los te rukken en zich te bewegen in tegengestelde richting dan daar waar voornoemde ambtenaren hem trachtten te bewegen;\n\nonder parketnummer 03-136274-23:\n\nhij op 2 juni 2023 te Maastricht opzettelijk aanwezig heeft gehad 10 gram methamfetamine en 2,5 gram heroïne en 0,6 gram cocaïne, zijnde methamfetamine en heroïne en cocaïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;\n\nonder parketnummer 03-173579-23:\n\n 1. hij op 13 juli 2023 te Maastricht een pinpas die aan [benadeelde 1] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen;\n\n2. hij op 13 juli 2023 te Maastricht een hoeveelheid geld die aan [benadeelde 1] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel door onbevoegd gebruik te maken van de bankpas van die [benadeelde 1] .\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewijsmiddelen\n\nNu de verdachte de tenlastegelegde feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, volstaat het hof met de navolgende opsomming van de bewijsmiddelen, als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering:\n\nIn de zaak met parketnummer 03-110821-21:\n\nHet proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] d.d. 22 februari 2021 (p. 1-3);\n\nHet proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 3] , [verbalisant 4] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] d.d. 22 februari 2021 (p. 4-5);\n\nEen geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten: een kennisgeving van inbeslagneming (p. 6-7);\n\nEen geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten: een kennisgeving van inbeslagneming (p. 8-9);\n\nEen geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten: een kennisgeving van inbeslagneming (p. 10-11);\n\nEen geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten: een kennisgeving van inbeslagneming (p. 12-13);\n\nHet proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van verbalisanten [verbalisant 7] en [verbalisant 8] d.d. 9 maart 2021, inclusief bijlagen (rapporten NFiDENT) (p. 24-38);\n\nHet proces-verbaal van aangifte door [aangever] d.d. 2 februari 2021, inclusief bijlagen (p. 39-48);\n\nDe bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van dit hof d.d. 19 juni 2024.\n\nIn de zaak met parketnummer 03-136274-23:\n\nHet proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d. 2 juni 2023 (p. 5-6);\n\nHet proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 9] en [verbalisant 10] d.d. 2 juni 2023 (p. 8-11);\n\nEen geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten: een kennisgeving van inbeslagneming (p. 26-27);\n\nHet proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van verbalisanten [verbalisant 10] en [verbalisant 11] d.d. 2 juni 2023 (p. 35);\n\nHet proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van verbalisanten [verbalisant 12] en [verbalisant 8] d.d. 26 juni 2023 (p. 37-40);\n\nEen geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten: een rapport NFiDENT (p. 43);\n\nEen geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten: een rapport NFiDENT (p. 44);\n\nEen geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten: een rapport NFiDENT (p. 45);\n\nEen geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten: een rapport NFiDENT (p. 46);\n\nDe bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van dit hof d.d. 19 juni 2024.\n\nIn de zaak met parketnummer 03-173579-23:\n\nHet proces-verbaal van aangifte door [benadeelde 1] d.d. 13 juli 2023 (p. 6-10);\n\nHet proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever [benadeelde 1] d.d. 14 juli 2024 (p. 12);\n\nHet proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 13] en [verbalisant 14] d.d. 13 juli 2023 (p. 17-18);\n\nHet proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 15] en [verbalisant 16] d.d. 13 juli 2023 (p. 20-21);\n\nHet proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 17] d.d. 13 juli 2023 (p. 23);\n\nHet proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 19] en [verbalisant 16] d.d. 13 juli 2023 (p. 25-26);\n\nHet proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 17] d.d. 13 juli 2023 (p. 28-29);\n\nDe bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van dit hof d.d. 19 juni 2024.Bewijsoverwegingen\n\nDe beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.\n\nElk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet in de zaak met parketnummer 03-110821-21 onder 1 en in de zaak met parketnummer 03-136274-23 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\nopzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod,\n\nmeermalen gepleegd.\n\nHet in de zaak met parketnummer 03-110821-21 onder 3 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nHet in de zaak met parketnummer 03-110821-21 onder 4 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\nwederspannigheid.\n\nHet in de zaak met parketnummer 03-173579-23 onder 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\ndiefstal.\n\nHet in de zaak met parketnummer 03-173579-23 onder 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\ndiefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.\n\nOp te leggen sanctie\n\nTer terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging bepleit dat het hof – gelet op de geest en strekking van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht – toepassing zal geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en dat aan de verdachte aldus geen straf of maatregel zal worden opgelegd. Daartoe is – kort gezegd – aangevoerd dat aan de verdachte bij vonnis van de rechtbank Limburg d.d. 12 juni 2024 de ISD-maatregel voor de duur van 2 jaren is opgelegd en dat hij gemotiveerd is om behandelingen te volgen. Indien en voor zover aan de verdachte een straf zou worden opgelegd, dan zou dat de behandelingen van de ISD-maatregel doorkruizen. Subsidiair heeft de verdediging het hof verzocht om oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf of een onvoorwaardelijke taakstraf.\n\nHet hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.\n\nHet hof heeft daarbij in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.\n\nTen laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het meermalen opzettelijk aanwezig hebben van harddrugs, het vernielen van een enkelband, wederspannigheid, diefstal van een pinpas en diefstal van een grote hoeveelheid geld door die pinpas te gebruiken. Met de diefstallen en vernieling heeft de verdachte blijk gegeven geen respect te hebben voor andermans eigendomsrecht. Ook zorgen deze feiten voor schade en hinder bij de betrokkenen. Door zich met kracht los te rukken uit de handen van politieambtenaren en zich in een andere richting te bewegen, heeft de verdachte blijk gegeven zich niets aan te trekken van het openbaar gezag en heeft hij de politieambtenaren gehinderd in de rechtmatige uitoefening van hun taak. Voorts heeft de verdachte opzettelijk hoeveelheden harddrugs aanwezig gehad. Hiermee heeft de verdachte bijgedragen aan de instandhouding van het illegale drugscircuit, welke handel vaak allerlei maatschappelijk onwenselijke effecten bevordert, onder meer de daarmee gepaard gaande criminaliteit. Daarnaast is het algemeen bekend dat harddrugs grote gevaren voor de gezondheid van de gebruikers opleveren. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.\n\nHet hof heeft bij de straftoemeting gelet op de omstandigheid dat de verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 23 april 2024, reeds eerder ter zake van soortgelijke feiten onherroepelijk is veroordeeld. Deze veroordelingen hebben de verdachte er kennelijk niet van weerhouden zich schuldig te maken aan de tenlastegelegde feiten. Uit voornoemd uittreksel blijkt voorts dat artikel 63 van het Wetboek van Strafecht van toepassing is.\n\nTevens heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. In dat kader heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij spijt heeft van zijn daden, momenteel clean is, aan zichzelf wil werken en zelf om oplegging van de ISD-maatregel heeft gevraagd.\n\nNaar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Het hof heeft daarbij gelet op de volgende omstandigheden:\n\n- de omstandigheid dat de verdachte reeds eerder ter zake soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld;\n\n- de mate waarin het bewezenverklaarde schade bij de betrokkenen teweeg heeft gebracht;\n\n- de omstandigheid dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan 6 strafbare feiten en\n\n- de omstandigheid dat hard drugs als de onderhavige, eenmaal in handen van gebruikers, grote gevaren voor de gezondheid van die gebruikers opleveren, terwijl die gebruikers hun verslaving vaak door diefstal of ander crimineel handelen trachten te bekostigen, waardoor aan de samenleving ernstige schade wordt berokkend.\n\nIn het gegeven dat de verdachte bij vonnis van de rechtbank Limburg van 12 juni 2024 (parketnummer 03-327366-23) de ISD-maatregel voor de duur van 2 jaren is opgelegd en dat de verdachte in dat kader een behandeling zal gaan volgen, ziet het hof, anders dan de verdediging, geen aanleiding om aan de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde handelen geen straf of maatregel op te leggen. Een dergelijke afdoening doet onvoldoende recht aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten.\n\nGelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte, kan naar het oordeel van het hof eveneens niet worden volstaan met een taakstraf of geheel voorwaardelijke gevangenisstraf zoals door de verdediging is bepleit. Het hof ziet echter, met het oog op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals deze ter terechtzitting in hoger beroep aan de orde zijn gekomen, wel aanleiding om een groot gedeelte van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen.\n\nAlle omstandigheden afwegende acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met aftrek, passend en geboden. Daarbij zal een proeftijd van 1 jaar worden opgelegd omdat daarmee naar het oordeel van het hof kan worden volstaan.\n\nMet oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]\n\nDe benadeelde partij [benadeelde 1] heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ingediend. Bij het vonnis waarvan beroep is de vordering gedeeltelijk toegewezen tot een totaalbedrag van € 494,25, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 juli 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.\n\nHet procesdossier bevat geen gespecificeerde vordering tot schadevergoeding. De vordering is ter terechtzitting ook niet nader toegelicht door de benadeelde partij. Het is het hof daardoor niet duidelijk wat het totaalbedrag van de vordering is, uit welke schadeposten de vordering is opgebouwd en of deze schadeposten het rechtstreekse gevolg zijn van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte. Het hof is daarom van oordeel dat behandeling van deze vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. De benadeelde partij kan daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.\n\nProceskosten\n\nDe benadeelde partij zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten aan de zijde van de verdachte en begroot deze op nihil.\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]\n\nDe benadeelde partij [benadeelde 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 10,96. Bij het vonnis waarvan beroep is de vordering gedeeltelijk toegewezen tot een totaalbedrag van € 9,06, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 januari 2021 tot aan de dag der algehele voldoening. De vordering is voor het meerdere afgewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.\n\nDe verdediging heeft de vordering ter terechtzitting in hoger beroep niet betwist.\n\nUit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat aan de benadeelde partij [benadeelde 2] als gevolg van verdachtes in de zaak met parketnummer 03-110821-21 onder 3 bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade is toegebracht. De verdachte heeft immers ter terechtzitting verklaard dat hij de strap van de enkelband heeft vernield. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is. Het hof zal de vordering dan ook volledig toewijzen. De vordering is niet weersproken en komt het hof ook overigens niet onrechtmatig of ongegrond voor.\n\nWettelijke rente\n\nAangezien geen factuur is overgelegd, zal het hof het toe te wijzen bedrag vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 april 2021, zijnde de dag waarop de vordering is ingediend.\n\nProceskosten\n\nHet hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij. Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest door de benadeelde partij nog te maken kosten.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nOp grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde 2] is toegebracht tot een bedrag van € 10,96. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.\n\nHet hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 april 2021 tot aan de dag der algehele voldoening,nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.\n\nVordering tenuitvoerlegging\n\nDe officier van justitie in het arrondissement Limburg heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 weken, opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg van 17 januari 2020 onder parketnummer 03-192020-19. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.\n\nHet hof is ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van oordeel dat, nu gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt, de tenuitvoerlegging van de gehele voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf dient te worden gelast. Het hof ziet in hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht geen aanleiding om de vordering af te wijzen dan wel de bij voormeld vonnis vastgestelde proeftijd te verlengen.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 63, 180, 310, 311 en 350 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 03-110821-21 onder 2 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 03-110821-21 onder 1, 3 en 4, het in de zaak met parketnummer 03-136274-23 en het in de zaak met parketnummer 03-173579-23 onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het in de zaak met parketnummer 03-110821-21 onder 1, 3 en 4, het in de zaak met parketnummer 03-136274-23 en het in de zaak met parketnummer 03-173579-23 onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van9 (negen) maanden.\n\nBepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van1 (één) jaaraan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]\n\nVerklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het in de zaak met parketnummer 03-110821-21 onder 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 10,96 (tien euro en zesennegentig cent) ter zake van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 april 2021 tot aan de dag der voldoening.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 03-110821-21 onder 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 10,96 (tien euro en zesennegentig cent) als vergoeding voor materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 april 2021 tot aan de dag der voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 1 (één) dag kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBeveelt de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg van 17 januari 2020, parketnummer 03-192020-19, te weten van: een gevangenisstrafvoor de duur van3 (drie) weken.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. dr. A.R. Hartmann, voorzitter,\n\nmr. A.J. Henzen en mr. dr. M.J.M.A. van der Put, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. I.A.M.H. Hermans, griffier,\n\nen op 3 juli 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\n Onder dit kopje wordt telkens verwezen naar dossierpagina’s van het doorgenummerde dossier van de politie Eenheid Limburg, registratienummer PL2300-2021027903, sluitingsdatum 9 april 2021, doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 64. Alle tot bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten.\n\n Onder dit kopje wordt telkens verwezen naar dossierpagina’s van het doorgenummerde dossier van de politie Eenheid Limburg, registratienummer PL2300-2023084417, sluitingsdatum 25 juli 2023, doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 46. Alle tot bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten.\n\n Onder dit kopje wordt telkens verwezen naar dossierpagina’s van het doorgenummerde dossier van de politie Eenheid Limburg, registratienummer PL2300-2023109016, sluitingsdatum 17 juli 2023, doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 77. Alle tot bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2024:2187","2024-07-08T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:46.959Z",{"id":52,"ecli":53,"slug":54,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":55,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":56,"sourceTimestamp":57,"parsedAt":31,"updatedAt":58},"1168","ECLI:NL:GHSHE:2022:4829","ecli-nl-ghshe-2022-4829","Parketnummer : 20-002169-17\n\nUitspraak : 1 december 2022\n\nTEGENSPRAAK\n\nVerkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof\n\n's-Hertogenbosch\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg van 7 juli 2017, in de strafzaak met parketnummer 03-721524-13 tegen:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,\n\nwonende te [adres 1] .\n\nHoger beroep\n\nDe verdachte is – kort gezegd – bij vonnis waarvan beroep door de rechtbank vrijgesproken ter zake van het onder 2B tenlastegelegde (het medeplegen van de handel in softdrugs) en ter zake van het tenlastegelegde onder\n\n1A (het medeplegen van het buiten het grondgebied brengen van harddrugs, meermalen gepleegd),\n\n1B (het medeplegen van de handel in harddrugs, meermalen gepleegd),\n\n2A (het medeplegen van het buiten het grondgebied brengen van softdrugs, meermalen gepleegd),\n\n3 (deelneming aan een criminele organisatie),\n\n4 (het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van hoeveelheden heroïne en cocaïne in een aantal panden, meermalen gepleegd) en\n\n5 (het medeplegen van voorbereidingshandelingen harddrugs door het voorhanden hebben van gekochte, geprepareerde en gewaarmerkte telefoons met telefoonkaarten, meermalen gepleegd),\n\nveroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van het voorarrest. Verder heeft de rechtbank beslist op het beslag.\n\nVan de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOntvankelijkheid van het hoger beroep\n\nHet hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak van hetgeen aan hem onder 2B is tenlastegelegd. Het onder 2 tenlastegelegde dient – gelet op de zinsnede ‘en\u002Fof’ – taalkundig als alternatief\u002Fcumulatief te worden opgevat. Uit het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en tevens in hoger beroep, leidt het hof af dat het Openbaar Ministerie de tenlastelegging klaarblijkelijk zo heeft willen opstellen dat een vrijspraak voor het ene feit, niet automatisch leidt tot een vrijspraak van het andere feit. Het hof zal aldus – in navolging van het oordeel van de rechtbank zoals deze in het vonnis waarvan beroep is vervat – uitgaan van een cumulatieve tenlastelegging.\n\nNu het gaat om gevoegde feiten, staat er – gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering – voor de verdachte tegen de beslissing tot vrijspraak van het onder 2B tenlastegelegde geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep voornoemde gegeven vrijspraak.\n\nAl hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, zal bevestigen met aanvulling van de gronden waarop dit berust en met uitzondering van de opgelegde straf en – in zoverre opnieuw rechtdoende – de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, met aftrek van het voorarrest.\n\nDe verdediging heeft, op de gronden zoals nader in de pleitnota verwoord, partiële vrijspraak bepleit van het onder 4 tenlastegelegde. Met betrekking tot het onder 1A, 1B, 2A, 3 en 5 heeft de verdediging zich gerefereerd ten aanzien van de bewezenverklaring van de rechtbank. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank en het ook overigens niet te verenigen is met de hierna te geven beslissingen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n1. \n\nA.\n\nhij (meermalen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 19 november 2013 in de gemeente Rotterdam en\u002Fof in de gemeente Gouda en\u002Fof in een of meer gemeente(n) in de provincie Limburg en\u002Fof (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet), (telkens) (grote) hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof amfetamine en\u002Fof MDMA en\u002Fof tenamfetamine en\u002Fof N-ethyl MDA, zijnde heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof amfetamine en\u002Fof MDMA en\u002Fof tenamfetamine en\u002Fof N-ethyl MDA (telkens) een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, immers heeft verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), althans alleen,(telkens) opzettelijk die heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof amfetamine en\u002Fof MDMA en\u002Fof tenamfetamine en\u002Fof N-ethyl MDA, buiten het grondgebied van Nederland gebracht en\u002Fof met bestemming Frankrijk en\u002Fof België, althans met bestemming naar het buitenland, vervoerd en\u002Fof doen vervoeren, (onder meer) hierin bestaande dat die heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof amfetamine en\u002Fof MDMA en\u002Fof tenamfetamine en\u002Fof N-ethyl MDA werd verkocht aan Belgische en\u002Fof Franse klanten;\n\nen\u002Fof\n\nB.\n\nhij (meermalen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 19 november 2013 in de gemeente Rotterdam en\u002Fof in de gemeente Gouda en\u002Fof in een of meer gemeente(n) in de provincie Limburg en\u002Fof (elders) in Nederland en\u002Fof in België en\u002Fof in Frankrijk, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft bereid en\u002Fof bewerkt en\u002Fof verwerkt en\u002Fof verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fof vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, (telkens) (grote) hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof amfetamine en\u002Fof MDMA en\u002Fof tenamfetamine en\u002Fof N-ethyl MDA, zijnde heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof amfetamine en\u002Fof MDMA en\u002Fof tenamfetamine en\u002Fof N-ethyl MDA (telkens) een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I;\n\n2. \n\nA.\n\nhij (meermalen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 19 november 2013 in de gemeente Rotterdam en\u002Fof in de gemeente Gouda en\u002Fof in een of meer gemeente(n) in de provincie Limburg en\u002Fof (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet), (telkens) (grote) hoeveelheden hennep en\u002Fof hasjiesj, zijnde hennep en\u002Fof hasjiesj (telkens) een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, immers heeft verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), althans alleen, (telkens) opzettelijk die hennep en\u002Fof hasjiesj, buiten het grondgebied van Nederland gebracht en\u002Fof met bestemming Frankrijk en\u002Fof België, althans met bestemming naar het buitenland, vervoerd en\u002Fof doen vervoeren, (onder meer) hierin bestaande dat die hennep en\u002Fof hasjiesj werd verkocht of verstrekt aan Belgische en\u002Fof Franse klanten;\n\n3. \n\nhij in of omstreeks de periode van 26 februari 2013 tot en met 19 november 2013, in de gemeente Rotterdam en\u002Fof in de gemeente Gouda en\u002Fof in een of meer gemeente(n) in de provincie Limburg en\u002Fof (elders) in Nederland en\u002Fof in België en\u002Fof in Frankrijk, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie werd gevormd door een (duurzaam) samenwerkingsverband van meerdere personen, te weten (inclusief hij, verdachte, zelf):\n\n [medeverdachte 1] en\u002Fof [medeverdachte 2] en\u002Fof [medeverdachte 3] en\u002Fof [medeverdachte 4] en\u002Fof [verdachte] en\u002Fof\n\n [medeverdachte 5] en\u002Fof [medeverdachte 6] en\u002Fof [medeverdachte 7] en\u002Fof [medeverdachte 8] en\u002Fof\n\n [medeverdachte 9] en\u002Fof [medeverdachte 10] en\u002Fof [medeverdachte 11] en\u002Fof [medeverdachte 12] en\u002Fof één of meer ander(e) perso(o)n(en) en welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en\u002Fof vijfde lid en\u002Fof artikel 10a, eerste lid, en\u002Fof artikel 11, derde, vierde en\u002Fof vijfde lid van de Opiumwet, namelijk\n\n- het buiten het grondgebied van Nederland brengen van (grote) hoeveelheden heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof amfetamine en\u002Fof hennep en\u002Fof hasjiesj en\u002Fof\n\n- het bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren van (grote) hoeveelheden heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof amfetamine en\u002Fof hennep en\u002Fof hasjiesj en\u002Fof\n\n- het aanwezig hebben van (grote) hoeveelheden heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof amfetamine en\u002Fof hennep en\u002Fof hasjiesj;\n\n4. \n\nhij op of omstreeks 19 november 2013 in de gemeente Valkenburg aan de Geul en\u002Fof in de gemeente Eijsden-Margraten en\u002Fof in de gemeente Rotterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad:\n\n- in een pand aan [adres 2] , ongeveer 878,6 gram heroïne en\u002Fof ongeveer 70,55 gram cocaïne en\u002Fof\n\n- in een pand aan [adres 3] , ongeveer 510 gram heroïne en\u002Fof ongeveer 422 gram heroïne en\u002Fof ongeveer 19 gram cocaïne en\u002Fof\n\n- in een pand aan [adres 4] , ongeveer 3151 gram heroïne en\u002Fof ongeveer 139 gram cocaïne,\n\nin elk geval (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en\u002Fof cocaïne, zijnde heroïne en\u002Fof cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\n5. \n\nhij in of omstreeks de periode van 26 februari 2013 tot en met 19 november 2013 in de gemeente Valkenburg aan de Geul en\u002Fof in de gemeente Gouda en\u002Fof in de gemeente Rotterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland brengen van (een) hoeveelheid\u002Fhoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof amfetamine en\u002Fof MDMA en\u002Fof tenamfetamine en\u002Fof N-ethyl MDA, zijnde heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof amfetamine en\u002Fof MDMA en\u002Fof tenamfetamine en\u002Fof N-ethyl MDA (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, een of meerdere (speciaal daarvoor aangekochte, geprepareerde en\u002Fof gewaarmerkte) mobiele telefoontoestel(len) met telefoonkaartje(s) voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en\u002Fof verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat\u002Fdie mobiele telefoontoestel(len) en\u002Fof telefoonkaartje(s) bestemd was\u002Fwaren tot het plegen van dat\u002Fdie feit(en).\n\nDe in de tenlastelegging voorkomende taal- en\u002Fof schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nVerbeterde lezing van het onder feit 2A tenlastegelegde\n\nHet hof overweegt ter zake van de dagvaarding van het onder feit 2A tenlastegelegde het volgende.\n\nHet ten tijde van deze tenlastelegging (en bewezenverklaring) geldende artikel 2 van de Opiumwet houdt, voor zover relevant, in dat het verboden is een middel als bedoeld op lijst I van de Opiumwet buiten het grondgebied van Nederland te brengen, dan wel een dergelijk middel te telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren.\n\nOnder feit 2A wordt de verdachte – kort gezegd – verweten dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van hennep en\u002Fof hasjiesj, door die hennep en\u002Fof hasjiesj te verkopen aan Belgische en\u002Fof Franse klanten. Het kernverwijt daarbij is de uitvoer van softdrugs, terwijl de verkoop van softdrugs de nadere verfeitelijking daarvan is. Het hof is van oordeel dat – tegen de achtergrond van de inhoud van het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep – de tenlastelegging bezwaarlijk anders kan worden begrepen, en het ook de kennelijke bedoeling van de steller van de tenlastelegging is geweest, om het verwijt te formuleren dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de uitvoer van hennep en\u002Fof hasjiesj door deze hennep en\u002Fof hasjiesj te verkopen of te verstrekken aan de buitenlandse klanten.\n\nGelet daarop zal het hof de tenlastelegging verbeterd lezen in dier voege dat het aan de tenlastelegging de woorden ‘of verstrekt’ zal toevoegen. Het hof is van oordeel dat de verdachte als gevolg van deze uitleg en verbeterde lezing van de tenlastelegging, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet in zijn verdediging geschaad.\n\nPartiële vrijspraak van het onder 4 tenlastegelegde feit ( [adres 4] )\n\nDe verdachte wordt – kort gezegd – bij het onder feit 4 tenlastegelegde onder meer verweten dat hij, al dan niet tezamen en in vereniging met (een) ander(en), op of omstreeks 19 november 2013 heroïne en\u002Fof cocaïne opzettelijk aanwezig heeft gehad in het pand\n\naan [adres 4] .\n\nHet standpunt van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte samen met anderen in een drietal panden harddrugs aanwezig gehad, zodat het onder 4 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het hof de verdachte dient vrij te spreken van het opzettelijk aanwezig hebben van heroïne en cocaïne in het pand aan [adres 4] , nu niet kan worden bewezen dat de verdachte betrokkenheid heeft gehad met betrekking tot dit pand en aldus – zo begrijpt het hof – wetenschap c.q. beschikkingsmacht ten aanzien van de aangetroffen verdovende middelen ontbreekt.\n\nHet oordeel van het hof\n\nHet hof stelt voorop dat voor de vraag of de verdachte opzettelijk drugs aanwezig heeft gehad als bedoeld in artikel 2, onder C van de Opiumwet, op grond van bestendige jurisprudentie vereist is dat: a) de drugs zich in de ‘machtssfeer’ van de verdachte bevinden en, b) dat de verdachte op de hoogte is van de aanwezigheid van de drugs.\n\nVoor wat betreft het eerste vereiste geldt dat om te kunnen aannemen dat verdovende middelen zich in de machtssfeer van de verdachte bevinden, uit feiten en omstandigheden – al dan niet in hun onderlinge samenhang beschouwd – dient te kunnen worden afgeleid dat de verdachte een zodanige macht kon uitoefenen over de verdovende middelen dat de verdachte geacht kan worden die verdovende middelen aanwezig te hebben gehad. Daarbij is niet doorslaggevend aan wie die drugs toebehoren. Er hoeft daarnaast ook geen sprake te zijn van enige beschikkings- of beheersbevoegdheid ten aanzien van die drugs.\n\nVoor wat betreft het tweede vereiste geldt dat die wetenschap\u002Fhet opzet ook kan worden ingevuld in de vorm van voorwaardelijk opzet, waarbij de verdachte ten minste bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard op het aanwezig zijn van de drugs (vgl. HR 23 september 1980, ECLI:NL:HR:1980:AC6985; HR 28 mei 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC8903; HR 15 september 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC4312 en HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3696).\n\nNaar het oordeel van het hof is uit het dossier onvoldoende gebleken dat de verdachte op (of omstreeks) 19 november 2013 wetenschap c.q. beschikkingsmacht had van de aangetroffen heroïne en cocaïne in het pand in [adres 4] .\n\nDat de verdachte wel zal worden veroordeeld ter zake van deelneming aan een criminele organisatie in de periode van 20 september 2013 tot en met 19 november 2013 maakt dit\n\nniet anders.\n\nHet hof is van oordeel dat wat betreft de panden aan [adres 5] en aan [adres 2] wel een bewezenverklaring kan volgen en verwijst hiertoe naar de uit de bewijsmiddelen voortkomende feiten en omstandigheden.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1A, 1B, 2A, 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:\n\n1.\n\nA.\n\nmeermalen omstreeks de periode van 10 mei 2013 tot en met 19 november 2013 in de provincie Limburg, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet) (grote) hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne of cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, immers heeft verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededaders, telkens opzettelijk die heroïne en\u002Fof cocaïne, met bestemming Frankrijk en\u002Fof België doen vervoeren, hierin bestaande dat die heroïne en\u002Fof cocaïne werd(en) verkocht aan Belgische en\u002Fof Franse klanten;\n\nen\n\nB.\n\nmeermalen omstreeks de periode van 10 mei 2013 tot en met 19 november 2013 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk heeft bereid en\u002Fof bewerkt en\u002Fof verwerkt en\u002Fof verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fof vervoerd (grote) hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne of cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I;\n\n2. \n\nA.\n\nmeermalen omstreeks de periode van 10 mei 2013 tot en met 19 november 2013 in de provincie Limburg, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet) hoeveelheden hennep of hasjiesj, zijnde hennep en hasjiesj een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, immers heeft verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededaders, opzettelijk die hennep en hasjiesj met bestemming Frankrijk en\u002Fof België doen vervoeren, hierin bestaande dat die hennep en\u002Fof hasjiesj werd verkocht of verstrekt aan Belgische en\u002Fof Franse klanten;\n\n3. \n\nomstreeks de periode van 10 mei 2013 tot en met 19 november 2013, in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie werd gevormd door een duurzaam samenwerkingsverband van meerdere personen, te weten (inclusief hij, verdachte, zelf):\n\n [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] en\n\n [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8] en [medeverdachte 13] en [medeverdachte 10] en [verdachte] en\u002Fof één of meer ander(e) perso(o)n(en) en welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid en artikel 10a, eerste lid, en\u002Fof artikel 11, vierde lid van de Opiumwet, namelijk\n\n- het buiten het grondgebied van Nederland brengen van (grote) hoeveelheden heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof hennep en\u002Fof hasjiesj en\n\n- het bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren van (grote) hoeveelheden heroïne en\u002Fof cocaïne en\n\n- het aanwezig hebben van (grote) hoeveelheden heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof hennep en\u002Fof hasjiesj;\n\n4. \n\nop 19 november 2013 in de gemeente Valkenburg aan de Geul en in de gemeente\n\nEijsden-Margraten en in de gemeente Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad:\n\n- in een pand aan [adres 2] , 878,5 gram heroïne en 70,55 gram cocaïne en\n\n- in een pand aan [adres 5] , ongeveer 510 gram heroïne en ongeveer 422 gram heroïne en ongeveer 19 gram cocaïne,\n\nzijnde heroïne en cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;\n\n5. \n\nomstreeks de periode van 10 mei 2013 tot en met 19 november 2013 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland brengen van hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne of cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, speciaal daarvoor aangekochte, geprepareerde en gewaarmerkte mobiele telefoontoestellen met telefoonkaartjes voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en verdachtes mededaders wisten dat die mobiele telefoontoestellen en telefoonkaartjes bestemd waren tot het plegen van die feiten.\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewijsmiddelen en -overwegingen\n\nDe beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.\n\nElk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.\n\nHet hof zal – indien tegen dit arrest beroep in cassatie wordt ingesteld – de bewijsvoering en bewijsoverwegingen opnemen in een aanvulling op dit arrest, welke aanvulling dan aan dit arrest wordt gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 1A bewezenverklaarde levert op:\n\nmedeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.\n\nHet onder 1B bewezenverklaarde levert op:\n\nmedeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.\n\nHet onder 2A bewezenverklaarde levert op:\n\nmedeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op:\n\ndeelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde lid, vierde lid en vijfde lid, artikel 10a, eerste lid en artikel 11, vierde lid van de Opiumwet.\n\nHet onder 4 bewezenverklaarde levert op:\n\nmedeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.\n\nHet onder 5 bewezenverklaarde levert op:\n\nmedeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.\n\nOp te leggen sanctie\n\nHet hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.\n\nHet standpunt van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft – rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep – gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, met aftrek van het voorarrest.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft een strafmaatverweer gevoerd. Zij heeft daartoe naar voren gebracht dat de verdachte verantwoordelijkheid neemt voor zijn gedragingen. Daarnaast is de redelijke termijn fors overschreden, hetgeen strafvermindering tot gevolg dient te hebben. De raadsman heeft in dat kader verwezen naar jurisprudentie hieromtrent. Voorts heeft de verdediging verzocht om rekening te houden met de gewijzigde VI-regeling. Gelet op het vorenstaande, verzoekt zij het hof om aan de verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die de reeds in voorarrest doorgebracht tijd overstijgt, al dan met oplegging van (daarnaast) een voorwaardelijke straf met een proeftijd van 1 jaar.\n\nHet oordeel van het hof\n\nHet hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.\n\nHet hof neemt in het bijzonder het volgende in aanmerking.\n\nHet gaat in het onderzoek Seville om een criminele organisatie die zich bezighield met diverse overtredingen van de Opiumwet met betrekking tot heroïne, cocaïne en – in mindere mate – hennep en hasjiesj, waaronder de verlengde uitvoer van voornoemde drugs naar Frankrijk en België. De criminele organisatie werkte op een professionele manier, in die zin dat er een duidelijke taakverdeling was, er een zogenaamde ‘telefooncarrousel’ bestond en er cadeautjes – in de vorm van hennep of hasjiesj – werden meegegeven aan de klanten. Heroïne was bovendien beschikbaar in verschillende kwaliteiten met bijbehorende prijzen en er was een min of meer standaard werkwijze, waarbij de klanten uit Frankrijk of België (meermalen) van tevoren belden hoe laat hij\u002Fzij er zal zijn, waarna door het lid van de criminele organisatie een plek werd genoemd en waarna de drugs ofwel direct – al dan niet in een reserveband – werden geleverd ofwel werden geleverd nadat de koper(s) het in een (vakantie)woning hadden geproefd. Blijkens het dossier heeft de organisatie in de bewezenverklaarde periode grote hoeveelheden van met name heroïne uitgevoerd naar Frankrijk en België. De criminele organisatie bestond uit een aantal personen die in wisselende samenstelling hebben geopereerd. Dit betroffen in ieder geval [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 10] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 4] , [verdachte] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 8] en [medeverdachte 13] . In verband daarmee heeft de verdachte zich eveneens schuldig gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen van harddrugs door het voorhanden hebben van gekochte, geprepareerde en gewaarmerkte telefoons met telefoonkaarten, ten behoeve van voornoemde telefooncarrousel.\n\nDoor deel te nemen aan een dergelijke organisatie hebben de verdachte en zijn medeverdachten geen oog gehad voor de maatschappelijke problemen die de handel in drugs met zich meebrengt. Niet alleen op het gebied van de effecten van het gebruik van verdovende middelen voor de volksgezondheid, maar ook vanwege het feit dat de handel in en de uitvoer van harddrugs gepaard gaat met diverse vormen van criminaliteit die zorgen voor schade en overlast voor de maatschappij; mede omdat drugsverslaafden, om in hun dagelijkse behoefte te voorzien, vaak vermogensdelicten plegen. Criminele organisaties als deze hebben bovendien een ontwrichtend effect op de rechtsorde, door de interne normen en omgangsvormen die worden gehanteerd, en door de winsten die dergelijke organisaties maken en die op enig moment weer in de bovenwereld geïnvesteerd worden. Op deze wijze vindt vermenging van de (illegale) onderwereld met de (legale) bovenwereld plaats. Dit werkt ontwrichtend en ondermijnend voor de maatschappij. De verdachte heeft zich om al deze gevolgen niet bekommerd en slechts gehandeld uit winstbejag.\n\nHet hof heeft gelet op de rol die de verdachte binnen deze organisatie heeft gehad, in die zin dat hij een belangrijke rol heeft vervuld als uitvoerder en het gaat om aanzienlijke hoeveelheden verdovende middelen.\n\nTen aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof voorts nog gelet op de inhoud van het verdachte betreffende Uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 18 augustus 2022, waaruit volgt dat de verdachte eerder onherroepelijk voor strafbare feiten is veroordeeld.\n\nNaar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.\n\nAlles afwegende acht het hof oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren en 6 maanden, met aftrek van voorarrest, in beginsel passend en geboden.\n\nIn hetgeen de verdediging heeft aangevoerd ziet het hof geen aanleiding om tot een andersluidend oordeel te komen.\n\nDe verdediging heeft in hoger beroep in het kader van de strafoplegging aangevoerd dat rekening moet worden gehouden met de Wet Straffen en beschermen, nu de feiten van vóór de inwerkingtreding van die wet dateren. Het hof overweegt hieromtrent het volgende. De wetgever heeft niet voorzien in overgangsrecht en daaruit leidt het hof af dat het kennelijk niet de bedoeling van de wetgever is geweest dat in gevallen waarin de feiten van vóór de inwerkingtreding van de Wet Straffen en beschermen dateren, rekening wordt gehouden met die wet, in die zin dat een lagere straf wordt opgelegd zodat de verdachte eenzelfde aantal jaren van zijn straf zou moeten uitzitten als wanneer hij niet in appel zou zijn gegaan. Anders dan de verdediging ziet het hof geen aanleiding om in afwijking daarvan wél rekening te houden met de inwerkingtreding van de Wet Straffen en beschermen.\n\nHet verweer wordt verworpen.\n\nMet betrekking tot het procesverloop overweegt het hof nog als volgt.\n\nRedelijke termijn\n\nHet hof heeft zich tevens rekenschap gegeven van de redelijke termijn. Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Deze termijn vangt aan vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem of haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.\n\nBij de vraag of sprake is van een schending van de redelijke termijn moet rekening worden gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de processuele houding van verdachte, de aard en ernst van het ten laste gelegde, de ingewikkeldheid van de zaak en de mate van voortvarendheid waarmee deze strafzaak door de justitiële autoriteiten is behandeld.\n\nIn de onderhavige zaak is de redelijke termijn aangevangen op 19 november 2013, de dag waarop verdachte in verzekering is gesteld. De rechtbank heeft vonnis gewezen op 7 juli 2017. De behandeling in eerste aanleg is derhalve niet afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na de aanvang van de hiervoor genoemde termijn. Er is in eerste aanleg sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met bijna één jaar en acht maanden.\n\nDe verdachte heeft op 12 juli 2017 hoger beroep ingesteld. Het hof wijst dit arrest op 1 december 2022. In hoger beroep is aldus tevens sprake van een termijnoverschrijding, nu de behandeling in hoger beroep niet is afgerond met een eindarrest binnen twee jaar na het instellen van het hoger beroep. Deze overschrijding van de redelijke termijn bedraagt bijna drie jaar en vijf maanden.\n\nEen deel van de overschrijding in eerste aanleg en in hoger beroep vindt echter zijn rechtvaardiging in de omvang en de complexiteit van het onderzoek. Deze strafzaak maakt deel uit van het onderzoek Seville, een omvangrijk politieonderzoek waarbij in hoger beroep dertien verdachten gelijktijdig terechtstaan. In deze zaken zijn zowel in eerste aanleg als in hoger beroep vele getuigen verzocht, en ook toegewezen, welke deels woonachtig zijn in het buitenland. Bovendien hebben de coronamaatregelen de voortgang van het onderzoek vertraagd. Naar het oordeel van het hof is daarmee sprake van bijzondere omstandigheden die de redelijke termijn – zowel in eerste aanleg als in hoger beroep – met één jaar verlengt. In eerste aanleg is derhalve nog sprake van termijnoverschrijding van acht maanden en in hoger beroep van twee jaar en vijf maanden.\n\nHet hof ziet in voornoemde overschrijdingen aanleiding om een andere straf op te leggen dan het zou hebben gedaan zonder die termijnoverschrijdingen. Het hof is van oordeel dat, indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren en 6 maanden, met aftrek van voorarrest, op zijn plaats zou zijn geweest. Rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn van berechting, zal het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, met aftrek van voorarrest, opleggen.\n\nTenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.\n\nInbeslaggenomen goederen\n\nOp pagina 78 van het vonnis heeft de rechtbank omtrent de inbeslaggenomen goederen het volgende overwogen.\n\n‘De aangetroffen valse ID-kaart en een vals rijbewijs (beslagnummers 8 en 9) dienen te worden onttrokken aan het verkeer vanwege die valsheid.\n\nTijdens de doorzoeking in de woning waar de verdachte is aangetroffen, is € 420,75 in beslag genomen (beslagnummer 19). Nu de rechtbank bewezen heeft verklaard dat de verdachte betrokken is bij de handel in verdovende middelen, gaat de rechtbank ervan uit dat de verdachte dit bedrag heeft verdiend met de drugshandel. Daarom zal dit bedrag verbeurd worden verklaard.\n\nVan de in beslag genomen gsm’s, het verpakkingsmateriaal, het oplaadapparaat en de notities (beslagnummers 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 10 tot en met 18) is komen vast te staan dat zij gebruikt zijn tijdens het onderzoek en dat met behulp hiervan de drugshandel is gepleegd of voorbereid. Deze voorwerpen zal de rechtbank daarom ook verbeurd verklaren.’\n\nHet hof sluit zich aan bij deze overweging en neemt deze beslissing over. In aanvulling daarop overweegt het hof nog dat het wat betreft de verbeurdverklaarde goederen heeft gelet op de draagkracht van de verdachte.2\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen 33, 33a, 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 3, 10, 10a, 11 en 11b van de Opiumwet, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2B tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1A, 1B, 2A, 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 1A, 1B, 2A, 3, 4 en 5 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van3 (drie) jaren.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVerklaart verbeurdde in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:\n\nzie beslagportal 1 2.00 STK Oplaadapparaat NOKIA + ONBEKEND EU052.01.02.003;\n\nzie beslagportal 2 1.00 STK verpakkingsmateriaal LYCAMOBIEL EU052.01.04.010;\n\nzie beslagportal 3 1.00 STK Document EU052.01.04.011;\n\nzie beslagportal 4 1.00 STK Brief EU052.01.04.012;\n\nzie beslagportal 5 1.00 STK Papier met notities en tel.nrs EU052.01.04.013;\n\nzie beslagportal 6 1.00 STK Oplaadapparaat NOKIA EU052.01.06.001;\n\nzie beslagportal 7 1.00 STK Papier kwitantie EU052.01.07.007;\n\nzie beslagportal 10 1.00 STK verpakkingsmateriaal LYCAMOBIEL EU052.03.02.001;\n\nzie beslagportal 11 1.00 STK GSM BLACKBERRY 9780 EU052.01.07.001;\n\nzie beslagportal 12 1.00 STK GSM NOKIA 100 EU052.01.02.001;\n\nzie beslagportal 13 1.00 STK GSM NOKIA 100 EU052.01.02.002;\n\nzie beslagportal 14 1.00 STK GSM NOKIA 103 EU052.01.04.001;\n\nzie beslagportal 15 1.00 STK GSM NOKIA 1280 EU052.02.05.001;\n\nzie beslagportal 16 1.00 STK GSM NOKIA EU052.01.05.002;\n\nzie beslagportal 17 1.00 STK GSM NOKIA 100 + lader EU052.02.05.005;\n\nzie beslagportal 18 1.00 STK GSM NOKIA 1280 356359\u002F05\u002F490353\u002F9 EU052.01.07.002;\n\nzie beslagportaal 19 Geld Nederlands 30-556590;\n\nBeveelt de onttrekking aan het verkeervan de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:\n\nzie beslagportal 8 1.00 STK Identiteitsbewijs VALSE ID-kaart Belgisch EU052.03.01.001;\n\nzie beslagportal 9 1.00 STK Rijbewijs VALS RIJBW. Belgisch EU052.03.01.002.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. A.M.G. Smit, voorzitter,\n\nmr. C.P.J. Scheele en mr. M.M. Koevoets, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. L.G. Gersen en mr. J.P.T.G. van den Uithoorn, griffiers,\n\nen op 1 december 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2022:4829","2023-03-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:07.848Z",{"id":60,"ecli":61,"slug":62,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":63,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":64,"sourceTimestamp":65,"parsedAt":31,"updatedAt":66},"755","ECLI:NL:GHSHE:2022:4831","ecli-nl-ghshe-2022-4831","Parketnummer : 20-002252-17\n\nUitspraak : 1 december 2022\n\nTEGENSPRAAK\n\nVerkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof\n\n's-Hertogenbosch\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg van 7 juli 2017, in de strafzaak met parketnummer 03-721227-13 tegen:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,\n\nwonende te [adres 1] .\n\nHoger beroep\n\nDe verdachte is – kort gezegd – bij vonnis waarvan beroep door de rechtbank vrijgesproken ter zake van het onder 2B tenlastegelegde (het medeplegen van de handel in softdrugs) en ter zake van het tenlastegelegde onder\n\n1A (het medeplegen van het buiten het grondgebied brengen van harddrugs, meermalen gepleegd),\n\n1B (het medeplegen van de handel in harddrugs, meermalen gepleegd),\n\n2A (het medeplegen van het buiten het grondgebied brengen van softdrugs, meermalen gepleegd),\n\n3 (deelneming aan een criminele organisatie),\n\n4 (het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van hoeveelheden heroïne en cocaïne in een aantal panden, meermalen gepleegd) en\n\n5 (het medeplegen van voorbereidingshandelingen harddrugs door het voorhanden hebben van gekochte, geprepareerde en gewaarmerkte telefoons met telefoonkaarten, meermalen gepleegd),\n\nveroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, met aftrek van het voorarrest.\n\nVerder heeft de rechtbank met betrekking tot de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen de teruggave aan de verdachte gelast van geld en een personenauto verbeurd verklaard.\n\nVan de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOntvankelijkheid van het hoger beroep\n\nHet hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak van hetgeen aan hem onder 2B is tenlastegelegd. Het onder 2 tenlastegelegde dient – gelet op de zinsnede ‘en\u002Fof’ – taalkundig als alternatief\u002Fcumulatief te worden opgevat. Uit het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en tevens in hoger beroep, leidt het hof af dat het Openbaar Ministerie de tenlastelegging klaarblijkelijk zo heeft willen opstellen dat een vrijspraak voor het ene feit, niet automatisch leidt tot een vrijspraak van het andere feit. Het hof zal aldus – in navolging van het oordeel van de rechtbank zoals deze in het vonnis waarvan beroep is vervat – uitgaan van een cumulatieve tenlastelegging.\n\nNu het gaat om gevoegde feiten, staat er – gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering – voor de verdachte tegen de beslissing tot vrijspraak van het onder 2B tenlastegelegde geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep voornoemde gegeven vrijspraak.\n\nAl hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde straf en – in zoverre opnieuw rechtdoende – de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren, met aftrek van het voorarrest.\n\nDe verdediging heeft, op de gronden zoals nader in de pleitnota verwoord, integrale vrijspraak bepleit. Subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd. Met betrekking tot het beslag heeft de verdediging verzocht het inbeslaggenomen voertuig aan de verdachte terug te geven.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank en het ook overigens niet te verenigen is met de hierna te geven beslissingen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover nog aan de orde in hoger beroep – tenlastegelegd dat:\n\n1. \n\nA.\n\nhij (meermalen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 19 november 2013 in de gemeente Rotterdam en\u002Fof in de gemeente Gouda en\u002Fof in een of meer gemeente(n) in de provincie Limburg en\u002Fof (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet), (telkens) (grote) hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof amfetamine en\u002Fof MDMA en\u002Fof tenamfetamine en\u002Fof N-ethyl MDA, zijnde heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof amfetamine en\u002Fof MDMA en\u002Fof tenamfetamine en\u002Fof N-ethyl MDA (telkens) een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, immers heeft verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), althans alleen, (telkens) opzettelijk die heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof amfetamine en\u002Fof MDMA en\u002Fof tenamfetamine en\u002Fof N-ethyl MDA, buiten het grondgebied van Nederland gebracht en\u002Fof met bestemming Frankrijk en\u002Fof België, althans met bestemming naar het buitenland, vervoerd en\u002Fof doen vervoeren, (onder meer) hierin bestaande dat die heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof amfetamine en\u002Fof MDMA en\u002Fof tenamfetamine en\u002Fof N-ethyl MDA werd verkocht aan Belgische en\u002Fof Franse klanten;\n\nen\u002Fof\n\nB.\n\nhij (meermalen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 19 november 2013 in de gemeente Rotterdam en\u002Fof in de gemeente Gouda en\u002Fof in een of meer gemeente(n) in de provincie Limburg en\u002Fof (elders) in Nederland en\u002Fof in België en\u002Fof in Frankrijk, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft bereid en\u002Fof bewerkt en\u002Fof verwerkt en\u002Fof verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fof vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, (telkens) (grote) hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof amfetamine en\u002Fof MDMA en\u002Fof tenamfetamine en\u002Fof N-ethyl MDA, zijnde heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof amfetamine en\u002Fof MDMA en\u002Fof tenamfetamine en\u002Fof N-ethyl MDA (telkens) een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I;\n\n2. \n\nA.\n\nhij (meermalen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 19 november 2013 in de gemeente Rotterdam en\u002Fof in de gemeente Gouda en\u002Fof in een of meer gemeente(n) in de provincie Limburg en\u002Fof (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet), (telkens) (grote) hoeveelheden hennep en\u002Fof hasjiesj, zijnde hennep en\u002Fof hasjiesj (telkens) een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II,immers heeft verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), althans alleen,(telkens) opzettelijk die hennep en\u002Fof hasjiesj, buiten het grondgebied van Nederland gebracht en\u002Fof met bestemming Frankrijk en\u002Fof België, althans met bestemming naar het buitenland, vervoerd en\u002Fof doen vervoeren, (onder meer) hierin bestaande dat die hennep en\u002Fof hasjiesj werd verkocht of verstrekt aan Belgische en\u002Fof Franse klanten;\n\n3. \n\nhij in of omstreeks de periode van 26 februari 2013 tot en met 19 november 2013, in de gemeente Rotterdam en\u002Fof in de gemeente Gouda en\u002Fof in een of meer gemeente(n) in de provincie Limburg en\u002Fof (elders) in Nederland en\u002Fof in België en\u002Fof in Frankrijk, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie werd gevormd door een (duurzaam) samenwerkingsverband van meerdere personen, te weten (inclusief hij, verdachte, zelf):\n\n [medeverdachte 1] en\u002Fof [medeverdachte 2] en\u002Fof [medeverdachte 3] en\u002Fof [medeverdachte 4] en\u002Fof [medeverdachte 5] en\u002Fof\n\n [medeverdachte 12] en\u002Fof [medeverdachte 6] en\u002Fof [medeverdachte 7] en\u002Fof [verdachte] en\u002Fof\n\n [medeverdachte 8] en\u002Fof [medeverdachte 9] en\u002Fof [medeverdachte 10] en\u002Fof [medeverdachte 11] en\u002Fof één of meer ander(e) perso(o)n(en) en welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en\u002Fof vijfde lid en\u002Fof artikel 10a, eerste lid, en\u002Fof artikel 11, derde, vierde en\u002Fof vijfde lid van de Opiumwet, namelijk\n\n- het buiten het grondgebied van Nederland brengen van (grote) hoeveelheden heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof amfetamine en\u002Fof hennep en\u002Fof hasjiesj en\u002Fof\n\n- het bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren van (grote) hoeveelheden heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof amfetamine en\u002Fof hennep en\u002Fof hasjiesj en\u002Fof\n\n- het aanwezig hebben van (grote) hoeveelheden heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof amfetamine en\u002Fof hennep en\u002Fof hasjiesj;\n\n4. \n\nhij op of omstreeks 19 november 2013 in de gemeente Valkenburg aan de Geul en\u002Fof in de gemeente Eijsden-Margraten en\u002Fof in de gemeente Rotterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad:\n\n- in een pand aan [adres 2] , ongeveer 878,6 gram heroïne en\u002Fof ongeveer 70,55 gram cocaïne en\u002Fof\n\n- in een pand aan [adres 3] , ongeveer 510 gram heroïne en\u002Fof ongeveer 422 gram heroïne en\u002Fof ongeveer 19 gram cocaïne en\u002Fof\n\n- in een pand aan [adres 4] , ongeveer 3151 gram heroïne en\u002Fof ongeveer 139 gram cocaïne,\n\nin elk geval (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en\u002Fof cocaïne, zijnde heroïne en\u002Fof cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\n5. \n\nhij in of omstreeks de periode van 26 februari 2013 tot en met 19 november 2013 in de gemeente Valkenburg aan de Geul en\u002Fof in de gemeente Gouda en\u002Fof in de gemeente Rotterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland brengen van (een) hoeveelheid\u002Fhoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof amfetamine en\u002Fof MDMA en\u002Fof tenamfetamine en\u002Fof N-ethyl MDA, zijnde heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof amfetamine en\u002Fof MDMA en\u002Fof tenamfetamine en\u002Fof N-ethyl MDA (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, een of meerdere (speciaal daarvoor aangekochte, geprepareerde en\u002Fof gewaarmerkte) mobiele telefoontoestel(len) met telefoonkaartje(s) voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en\u002Fof verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat\u002Fdie mobiele telefoontoestel(len) en\u002Fof telefoonkaartje(s) bestemd was\u002Fwaren tot het plegen van dat\u002Fdie feit(en).\n\nDe in de tenlastelegging voorkomende taal- en\u002Fof schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nAanvullende overweging omtrent de verbeterde lezing van het onder feit 2A tenlastegelegde\n\nHet hof overweegt ter zake van de dagvaarding van het onder feit 2A tenlastegelegde ambtshalve het volgende.\n\nHet ten tijde van deze tenlastelegging (en bewezenverklaring) geldende artikel 2 van de Opiumwet houdt, voor zover relevant, in dat het verboden is een middel als bedoeld op lijst I van de Opiumwet buiten het grondgebied van Nederland te brengen, dan wel een dergelijk middel te telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren.\n\nOnder feit 2A wordt de verdachte – kort gezegd – verweten dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van hennep en\u002Fof hasjiesj, door die hennep en\u002Fof hasjiesj te verkopen aan Belgische en\u002Fof Franse klanten. Het kernverwijt daarbij is de uitvoer van softdrugs, terwijl de verkoop van softdrugs de nadere verfeitelijking daarvan is. Het hof is van oordeel dat – tegen de achtergrond van de inhoud van het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep – de tenlastelegging bezwaarlijk anders kan worden begrepen, en het ook de kennelijke bedoeling van de steller van de tenlastelegging is geweest, om het verwijt te formuleren dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de uitvoer van hennep en\u002Fof hasjiesj door deze hennep en\u002Fof hasjiesj te verkopen of te verstrekken aan de buitenlandse klanten.\n\nGelet daarop zal het hof de tenlastelegging en bewezenverklaring verbeterd lezen in dier voege dat het aan de tenlastelegging de woorden ‘of verstrekt’ zal toevoegen. Het hof is van oordeel dat de verdachte als gevolg van deze uitleg en verbeterde lezing van de tenlastelegging, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet in zijn verdediging is geschaad.\n\nVrijspraak feit 4\n\nDe verdachte wordt – kort gezegd – bij het onder feit 4 tenlastegelegde verweten dat hij, al dan niet tezamen en in vereniging met (een) ander(en), op of omstreeks 19 november 2013 heroïne en\u002Fof cocaïne opzettelijk aanwezig heeft gehad in een drietal panden in Nederland (te Berg en Terblijt, Margraten en Rotterdam).\n\nHet standpunt van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte samen met anderen in een drietal panden harddrugs aanwezig heeft gehad, zodat het onder 4 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 4 tenlastegelegde. Zij heeft daartoe, samengevat, aangevoerd dat bij de verdachte zowel betrokkenheid bij die panden, wetenschap als beschikkingsmacht over de aangetroffen harddrugs ontbreekt. De omstandigheid dat de verdachte mogelijk lid is geweest van een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van Opiumwetdelicten maakt dat niet anders, nu een lid van een criminele organisatie niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor (alle) (handels)voorraad.\n\nHet oordeel van het hof\n\nHet hof heeft, met de verdediging, uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 4 tenlastegelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Het hof overweegt daartoe als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat voor de vraag of de verdachte opzettelijk drugs aanwezig heeft gehad als bedoeld in artikel 2, onder C van de Opiumwet, op grond van bestendige jurisprudentie vereist is dat: a) de drugs zich in de ‘machtssfeer’ van de verdachte bevinden en, b) dat de verdachte op de hoogte is van de aanwezigheid van de drugs.\n\nVoor wat betreft het eerste vereiste geldt dat om te kunnen aannemen dat verdovende middelen zich in de machtssfeer van de verdachte bevinden, uit feiten en omstandigheden – al dan niet in hun onderlinge samenhang beschouwd – dient te kunnen worden afgeleid dat de verdachte een zodanige macht kon uitoefenen over de verdovende middelen dat de verdachte geacht kan worden die verdovende middelen aanwezig te hebben gehad. Daarbij is niet doorslaggevend aan wie die drugs toebehoren. Er hoeft daarnaast ook geen sprake te zijn van enige beschikkings- of beheersbevoegdheid ten aanzien van die drugs.\n\nVoor wat betreft het tweede vereiste geldt dat die wetenschap\u002Fhet opzet ook kan worden ingevuld in de vorm van voorwaardelijk opzet, waarbij de verdachte ten minste bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard op het aanwezig zijn van de drugs (vgl. HR 23 september 1980, ECLI:NL:HR:1980:AC6985; HR 28 mei 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC8903; HR 15 september 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC4312 en HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3696).\n\nIn het licht van deze vooropstelling, overweegt het hof als volgt.\n\nUit tapgesprekken tussen [medeverdachte 1] en de verdachte op 16 en 19 oktober en 14 november 2013 kan weliswaar worden afgeleid dat de verdachte ‘iets’ uit een voorraad pakt, maar het hof kan aan de hand van de genoemde tapgesprekken, of de overige inhoud van het procesdossier, niet vaststellen dat de verdachte op (om omstreeks) 19 november 2013 wetenschap had van – en beschikkingsmacht over – de aangetroffen heroïne en cocaïne in de panden aan [adres 2] , [adres 5] en [adres 4] . Dat de verdachte wel zal worden veroordeeld ter zake van deelneming aan een criminele organisatie in de periode van 20 september 2013 tot en met 19 november 2013 maakt dit niet anders.\n\nHet hof zal de verdachte aldus vrijspreken van hetgeen aan hem onder 4 tenlastegelegd is.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1A, 1B, 2A, 3 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:\n\n1.\n\nA.\n\nmeermalen in de periode van 1 juni 2013 en met 19 november 2013 in de provincie Limburg, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet) (grote) hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne of cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, immers heeft verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededaders, telkens opzettelijk die heroïne en\u002Fof cocaïne, met bestemming Frankrijk en\u002Fof België doen vervoeren, hierin bestaande dat die heroïne en\u002Fof cocaïne werd verkocht aan Belgische en\u002Fof Franse klanten;\n\nen\n\nB.\n\nmeermalen in de periode van 1 juni 2013 tot en met 19 november 2013 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk heeft bereid en\u002Fof bewerkt en\u002Fof verwerkt en\u002Fof verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fof vervoerd (grote) hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne of cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I;\n\n2. \n\nA.\n\nmeermalen in de periode van 1 juni 2013 tot en met 19 november 2013 in de provincie Limburg, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet) hoeveelheden hennep of hasjiesj, zijnde hennep en hasjiesj een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, immers heeft verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededaders, opzettelijk die hennep en hasjiesj met bestemming Frankrijk en\u002Fof België doen vervoeren, hierin bestaande dat die hennep en\u002Fof hasjiesj werd verkocht of verstrekt aan Belgische en\u002Fof Franse klanten;\n\n3. \n\nin de periode van 1 juni 2013 tot en met 19 november 2013, in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie werd gevormd door een duurzaam samenwerkingsverband van meerdere personen, te weten (inclusief hij, verdachte, zelf):\n\n [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] en [medeverdachte 12] en\n\n [medeverdachte 6] en [verdachte] en [medeverdachte 8] en [medeverdachte 9] en\u002Fof één of meer ander(e) perso(o)n(en) en welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid en artikel 10a, eerste lid, en\u002Fof artikel 11, vierde lid van de Opiumwet, namelijk\n\n- het buiten het grondgebied van Nederland brengen van (grote) hoeveelheden heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof hennep en\u002Fof hasjiesj en\n\n- het bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren van (grote) hoeveelheden heroïne en\u002Fof cocaïne en\n\n- het aanwezig hebben van (grote) hoeveelheden heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof hennep en\u002Fof hasjiesj;\n\n5. \n\nin de periode van 1 juni 2013 tot en met 19 november 2013 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland brengen van\n\nhoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne of cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, speciaal daarvoor aangekochte, geprepareerde en gewaarmerkte mobiele telefoontoestellen met telefoonkaartjes voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en verdachtes mededaders wisten dat die mobiele telefoontoestellen en telefoonkaartjes bestemd waren tot het plegen van die feiten.\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewijsmiddelen en -overwegingen\n\nDe beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.\n\nElk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.\n\nHet hof zal – indien tegen dit arrest beroep in cassatie wordt ingesteld – de bewijsvoering en bewijsoverwegingen opnemen in een aanvulling op dit arrest, welke aanvulling dan aan dit arrest wordt gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 1A bewezenverklaarde levert op:\n\nmedeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.\n\nHet onder 1B bewezenverklaarde levert op:\n\nmedeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.\n\nHet onder 2A bewezenverklaarde levert op:\n\nmedeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op:\n\ndeelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde lid, vierde lid en vijfde lid, artikel 10a, eerste lid en artikel 11, vierde lid van de Opiumwet.\n\nHet onder 5 bewezenverklaarde levert op:\n\nmedeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.\n\nOp te leggen sanctie\n\nHet standpunt van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft – rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep – gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren, met aftrek van het voorarrest.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft (subsidiair) een strafmaatverweer gevoerd, in die zin dat is bepleit om de aan de verdachte op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf te beperken tot de tijd die hij in voorarrest heeft gezeten, en dat daarnaast wordt volstaan met oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf of de maximum taakstraf per bewezenverklaard feit. Volgens de verdediging is sprake van een excessieve overschrijding van de redelijke termijn waardoor de keuze voor de strafmodaliteit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet langer opportuun is. De verdediging heeft daarbij gewezen op de omstandigheid dat de verdachte na de onderhavige feiten niet met justitie in aanraking is geweest.\n\nHet oordeel van het hof\n\nHet hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.\n\nHet hof neemt in het bijzonder het volgende in aanmerking.\n\nHet gaat in het onderzoek Seville om een criminele organisatie die zich bezighield met diverse overtredingen van de Opiumwet met betrekking tot heroïne, cocaïne en – in mindere mate – hennep en hasjiesj, waaronder de verlengde uitvoer van voornoemde drugs naar Frankrijk en België. De criminele organisatie werkte op een professionele manier, in die zin dat er een duidelijke taakverdeling was, er een zogenaamde ‘telefooncarrousel’ bestond en er cadeautjes – in de vorm van hennep of hasjiesj – werden meegegeven aan de klanten. Heroïne was bovendien beschikbaar in verschillende kwaliteiten met bijbehorende prijzen en er was een min of meer standaard werkwijze, waarbij de klanten uit Frankrijk of België (meermalen) van tevoren belden hoe laat hij\u002Fzij er zal zijn, waarna door het lid van de criminele organisatie een plek werd genoemd en waarna de drugs ofwel direct – al dan niet in een reserveband – werden geleverd ofwel werden geleverd nadat de koper(s) het in een (vakantie)woning hadden geproefd. Blijkens het dossier heeft de organisatie in de bewezenverklaarde periode grote hoeveelheden van met name heroïne uitgevoerd naar Frankrijk en België. De criminele organisatie bestond uit een aantal personen die in wisselende samenstelling hebben geopereerd. Dit betroffen in ieder geval [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 9] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 12] , [medeverdachte 7] , [verdachte] en [medeverdachte 8] . In verband daarmee heeft de verdachte zich eveneens schuldig gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen van harddrugs door het voorhanden hebben van gekochte, geprepareerde en gewaarmerkte telefoons met telefoonkaarten, ten behoeve van voornoemde telefooncarrousel.\n\nDoor deel te nemen aan een dergelijke organisatie hebben de verdachte en zijn medeverdachten geen oog gehad voor de maatschappelijke problemen die de handel in drugs met zich meebrengt. Niet alleen op het gebied van de effecten van het gebruik van verdovende middelen voor de volksgezondheid, maar ook vanwege het feit dat de handel in en de uitvoer van harddrugs gepaard gaat met diverse vormen van criminaliteit die zorgen voor schade en overlast voor de maatschappij; mede omdat drugsverslaafden, om in hun dagelijkse behoefte te voorzien, vaak vermogensdelicten plegen. Criminele organisaties als deze hebben bovendien een ontwrichtend effect op de rechtsorde, door de interne normen en omgangsvormen die worden gehanteerd, en door de winsten die dergelijke organisaties maken en die op enig moment weer in de bovenwereld geïnvesteerd worden. Op deze wijze vindt vermenging van de (illegale) onderwereld met de (legale) bovenwereld plaats. Dit werkt ontwrichtend en ondermijnend voor de maatschappij. De verdachte heeft zich om al deze gevolgen niet bekommerd en slechts gehandeld uit winstbejag.\n\nHet hof heeft gelet op de rol die de verdachte binnen deze organisatie heeft gehad, in die zin dat hij gedurende een relatief korte periode betrokken is geweest bij de bewezenverklaarde feiten, en hij binnen de organisatie fungeerde als drugsrunner.\n\nvan verdachte heeft het hof voorts nog gelet op de inhoud van het verdachte betreffende Uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 18 augustus 2022, waaruit volgt dat de verdachte eerder onherroepelijk voor strafbare feiten is veroordeeld, zij het niet voor soortgelijke feiten.\n\nNaar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.\n\nAlles afwegende acht het hof oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, in beginsel passend en geboden.\n\nIn hetgeen de verdediging heeft aangevoerd ziet het hof geen aanleiding om tot een andersluidend oordeel te komen. Dat verdachte sinds deze strafzaak niet meer in aanraking is geweest met politie en justitie, werkt – anders dan de raadsman stelt – niet strafmatigend. Het niet plegen van strafbare feiten is immers de norm.\n\nMet betrekking tot het procesverloop overweegt het hof nog als volgt.\n\nRedelijke termijn\n\nHet hof heeft zich tevens rekenschap gegeven van de redelijke termijn. Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Deze termijn vangt aan vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem of haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.\n\nBij de vraag of sprake is van een schending van de redelijke termijn moet rekening worden gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de processuele houding van verdachte, de aard en ernst van het ten laste gelegde, de ingewikkeldheid van de zaak en de mate van voortvarendheid waarmee deze strafzaak door de justitiële autoriteiten is behandeld.\n\nIn de onderhavige zaak is de redelijke termijn aangevangen op 19 december 2013, de dag waarop verdachte in verzekering is gesteld. De rechtbank heeft vonnis gewezen op 7 juli 2017. De behandeling in eerste aanleg is derhalve niet afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na de aanvang van de hiervoor genoemde termijn. Er is in eerste aanleg sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met ongeveer één jaar en zeven maanden.\n\nDe verdachte heeft op 13 juli 2017 hoger beroep ingesteld. Het hof wijst dit arrest op 1 december 2022. In hoger beroep is aldus tevens sprake van een termijnoverschrijding, nu de behandeling in hoger beroep niet is afgerond met een eindarrest binnen twee jaar na het instellen van het hoger beroep. Deze overschrijding van de redelijke termijn ongeveer bijna drie jaar en vijf maanden.\n\nEen deel van de overschrijding in eerste aanleg en in hoger beroep vindt echter zijn rechtvaardiging in de omvang en de complexiteit van het onderzoek. Deze strafzaak maakt deel uit van het onderzoek Seville, een omvangrijk politieonderzoek waarbij in hoger beroep dertien verdachten gelijktijdig terechtstaan. In deze zaken zijn zowel in eerste aanleg als in hoger beroep vele getuigen verzocht, en ook toegewezen, welke deels woonachtig zijn in het buitenland. Bovendien hebben de coronamaatregelen de voortgang van het onderzoek vertraagd. Naar het oordeel van het hof is daarmee sprake van bijzondere omstandigheden die de redelijke termijn – zowel in eerste aanleg als in hoger beroep – met één jaar verlengt. In eerste aanleg is derhalve nog sprake van termijnoverschrijding van zeven maanden en in hoger beroep van twee jaar en vijf maanden.\n\nHet hof ziet in voornoemde overschrijdingen aanleiding om een andere straf op te leggen dan het zou hebben gedaan zonder die termijnoverschrijdingen. Het hof is van oordeel dat, indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, op zijn plaats zou zijn geweest. Rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn van berechting, zal het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden, met aftrek van voorarrest, opleggen.\n\nTenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.\n\nInbeslaggenomen goederen\n\nDe verdediging heeft het hof met betrekking tot het beslag naar voren gebracht dat er nog altijd beslag rust op de Marokkaanse bankrekening en het appartement van de vader van de verdachte. Verzocht is om het onder de verdachte in beslag genomen voertuig – naar het hof begrijpt: de Audi A4 – gekentekend [kenteken] – aan hem terug te geven.\n\nOp pagina 81 van het vonnis heeft de rechtbank omtrent de inbeslaggenomen goederen het volgende overwogen.\n\n‘De rechtbank is van oordeel dat het inbeslaggenomen geldbedrag van € 473,00 dient te worden teruggegeven aan de beslagene. Het is op basis van het dossier immers niet duidelijk of dit geld afkomstig is uit de drugshandel of uit een legale bron, te weten zijn uitkering. In dat geval kan geen verbeurdverklaring van het geld worden uitgesproken.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen auto wel verbeurd dient te worden verklaard. Immers is dit de auto die [verdachte] op naam had genomen en uit het procesdossier blijkt dat met deze auto meerdere strafbare feiten zijn gepleegd.’\n\nHet hof sluit zich aan bij deze overweging en neemt deze beslissing over. In aanvulling daarop overweegt het hof nog dat het wat betreft het verbeurdverklaarde goed heeft gelet op de draagkracht van de verdachte.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen 33, 33a, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 3, 10, 10a, 11 en 11b van de Opiumwet, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2B tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 4 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1A, 1B, 2A, 3 en 5 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 1A, 1B, 2A, 3 en 5 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van16 (zestien) maanden.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVerklaart verbeurdhet in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:\n\n- zie besl.portaal 1 1.00 STK Personenauto [kenteken] , AUDI A4 QUATRO VTG20.001;\n\nGelast de teruggaveaan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:\n\n- zie lijst Ligom 23 Geld Nederlands WI067 03.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. A.M.G. Smit, voorzitter,\n\nmr. C.P.J. Scheele en mr. M.M. Koevoets, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid mr. J.P.T.G. van den Uithoorn, griffier,\n\nen op 1 december 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2022:4831","2023-03-09T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:46.652Z",{"id":68,"ecli":69,"slug":70,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":71,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":72,"sourceTimestamp":73,"parsedAt":31,"updatedAt":74},"1169","ECLI:NL:GHSHE:2022:4827","ecli-nl-ghshe-2022-4827","Parketnummer : 20-000840-18\n\nUitspraak : 1 december 2022\n\nTEGENSPRAAK\n\nVerkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof\n\n's-Hertogenbosch\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg van 7 juli 2017 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken met parketnummers 03-700688-13 en\n\n03-700254-14, tegen:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,\n\nwonende te [adres 1] .\n\nHoger beroep\n\nDe verdachte is – kort gezegd – bij vonnis waarvan beroep door de rechtbank in de zaak met parketnummer 03-700688-13 vrijgesproken ter zake van het onder 2B tenlastegelegde (het medeplegen van de handel in softdrugs) en ter zake van het tenlastegelegde onder\n\n1A (het medeplegen van het buiten het grondgebied brengen van harddrugs, meermalen gepleegd),\n\n1B (het medeplegen van de handel in harddrugs, meermalen gepleegd),\n\n2A (het medeplegen van het buiten het grondgebied brengen van softdrugs, meermalen gepleegd),\n\n3 (deelneming aan een criminele organisatie),\n\n4 (het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van hoeveelheden heroïne en cocaïne in een aantal panden, meermalen gepleegd),\n\n5 (het medeplegen van voorbereidingshandelingen harddrugs door het voorhanden hebben van gekochte, geprepareerde en gewaarmerkte telefoons met telefoonkaarten, meermalen gepleegd),\n\n6 (het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van softdrugs),\n\nveroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren, met aftrek van het voorarrest. Verder heeft de rechtbank beslist op het beslag.\n\nTen slotte is de officier van justitie in de zaak met parketnummer 03-700254-14 niet-ontvankelijk verklaard.\n\nVan de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang en ontvankelijkheid van het hoger beroep\n\nBij appelakte van 7 juli 2017 is namens de verdachte onbeperkt hoger beroep ingesteld in de zaak met parketnummer 03-700688-13.\n\nHet hoger beroep moet, blijkens het vorenoverwogene en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, worden begrepen als uitdrukkelijk te zijn beperkt tot hetgeen ten laste is gelegd onder parketnummer 03-700688-13 en niet tegen de niet-ontvankelijk verklaring van de officier van justitie in zijn vervolging van de dubbel ten laste gelegde feiten onder het gevoegde parketnummer 03-700254-14.\n\nDaarnaast is het onbeperkt appel van de verdachte mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak van hetgeen aan hem in de zaak met parketnummer 03-700688-13 onder 2B is tenlastegelegd. Het in de zaak met parketnummer 03-700688-13 onder 2 tenlastegelegde dient – gelet op de zinsnede ‘en\u002Fof’ – taalkundig als alternatief\u002Fcumulatief te worden opgevat. Uit het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep, leidt het hof af dat het Openbaar Ministerie de tenlastelegging klaarblijkelijk zo heeft willen opstellen dat een vrijspraak voor het ene feit, niet automatisch leidt tot een vrijspraak van het andere feit. Het hof zal aldus –in navolging van het oordeel van de rechtbank zoals deze in het vonnis waarvan beroep is vervat – uitgaan van een cumulatieve tenlastelegging.\n\nNu het gaat om gevoegde feiten, staat er – gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering – voor de verdachte tegen de beslissing tot vrijspraak van het in de zaak met parketnummer 03-700688-13onder 2B tenlastegelegde geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep voornoemde gegeven vrijspraak.\n\nAl hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, zal bevestigen met aanvulling van de gronden waarop dit berust en met uitzondering van de opgelegde straf en – in zoverre opnieuw rechtdoende – de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, met aftrek van het voorarrest.\n\nDe verdediging heeft bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 1A, 2, 3, 4, 5 en 6 tenlastegelegde en partiële vrijspraak bepleit van het onder 1B tenlastegelegde. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet hof zal het beroepen vonnis – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – gedeeltelijk vernietigen en gedeeltelijk bevestigen.\n\nHet hof verenigt zich met het beroepen vonnis, behalve voor wat betreft de bewezenverklaring van feit 3 (met dien verstande dat die bewezenverklaring komt te luiden als hierna vermeld), de kwalificaties van het onder 1A, 1B en\n\n3 bewezenverklaarde, de door de rechtbank genomen beslagbeslissing met betrekking tot de beslagnummers 1 en 10 en de opgelegde straf. In zoverre zal het beroepen vonnis worden vernietigd. Bijgevolg zullen de daarmee samenhangende overwegingen worden vervangen zoals hierna te melden. Omwille van de leesbaarheid zal het hof ten aanzien van alle bewezenverklaarde feiten de bewezenverklaring hieronder opnemen.\n\nHet hof ziet voorts aanleiding om:\n\n- het vonnis aan te vullen met een overweging omtrent het verbeterd lezen van de tenlastelegging voor wat betreft het onder 2A tenlastegelegde;\n\n- de toepasselijke wettelijke voorschriften te vervangen op de wijze als hierna vermeld;\n\n- de bewijsvoering te vervangen. Het hof zal – indien tegen dit arrest beroep in cassatie wordt ingesteld – de bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen opnemen in een aanvulling op dit arrest, welke aanvulling dan aan dit arrest wordt gehecht.\n\nVerbeterde lezing van het onder feit 2A tenlastegelegde\n\nHet hof overweegt ter zake van de dagvaarding van het onder feit 2A tenlastegelegde ambtshalve het volgende.\n\nHet ten tijde van deze tenlastelegging (en bewezenverklaring) geldende artikel 2 van de Opiumwet houdt, voor zover relevant, in dat het verboden is een middel als bedoeld op lijst I van de Opiumwet buiten het grondgebied van Nederland te brengen, dan wel een dergelijk middel te telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren.\n\nOnder feit 2A wordt de verdachte – kort gezegd – verweten dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van hennep en\u002Fof hasjiesj, door die hennep en\u002Fof hasjiesj te verkopen aan Belgische en\u002Fof Franse klanten. Het kernverwijt daarbij is de uitvoer van softdrugs, terwijl de verkoop van softdrugs de nadere verfeitelijking daarvan is. Het hof is van oordeel dat – tegen de achtergrond van de inhoud van het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep – de tenlastelegging bezwaarlijk anders kan worden begrepen, en het ook de kennelijke bedoeling van de steller van de tenlastelegging is geweest, om het verwijt te formuleren dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de uitvoer van hennep en\u002Fof hasjiesj door deze hennep en\u002Fof hasjiesj te verkopen of te verstrekken aan de buitenlandse klanten.\n\nGelet daarop zal het hof de tenlastelegging en bewezenverklaring verbeterd lezen in dier voege dat het aan de tenlastelegging de woorden ‘of verstrekt’ zal toevoegen. Het hof is van oordeel dat de verdachte als gevolg van deze uitleg en verbeterde lezing van de tenlastelegging, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet in zijn verdediging is geschaad.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1A, 1B, 2A, 3, 4, 5 en 6 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij:\n\n1. \n\nA.\n\nmeermalen in de periode van 15 mei 2013 tot en met 19 november 2013 in de provincie Limburg, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet) (grote) hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, immers heeft verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededaders, telkens opzettelijk die heroïne en\u002Fof cocaïne met bestemming Frankrijk en\u002Fof België doen vervoeren, hierin bestaande dat die heroïne en\u002Fof cocaïne werd(en) verkocht aan Belgische en Franse klanten\n\nen\n\nB.\n\nmeermalen in de periode van 15 mei 2013 tot en met 19 november 2013 in Nederland en\u002Fof in België, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk heeft bereid en\u002Fof bewerkt en\u002Fof verwerkt en\u002Fof verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fof vervoerd (grote) hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne of cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I;\n\n2. \n\nA.\n\nmeermalen in de periode van 15 mei 2013 tot en met 19 november 2013 in de provincie Limburg, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet) hoeveelheden hennep of hasjiesj, zijnde hennep en hasjiesj een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, immers heeft verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededaders, telkens opzettelijk die hennep en\u002Fof hasjiesj met bestemming Frankrijk en\u002Fof België doen vervoeren, hierin bestaande dat die hennep en\u002Fof hasjiesj werd(en) verkocht of verstrekt aan Belgische en Franse klanten;\n\n3. \n\nin de periode van 15 mei 2013 tot en met 19 november 2013 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie werd gevormd door een duurzaam samenwerkingsverband van meerdere personen, te weten (inclusief hij, verdachte, zelf):\n\n [medeverdachte 1] en [verdachte] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en\u002Fof vijfde lid en\u002Fof artikel 10a, eerste lid, en\u002Fof artikel 11, vierde lid van de Opiumwet, namelijk\n\n- het buiten het grondgebied van Nederland brengen van (grote) hoeveelheden heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof hennep en\u002Fof hasjiesj en\n\n- het bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren van (grote) hoeveelheden heroïne en\u002Fof cocaïne en\n\n- het aanwezig hebben van (grote) hoeveelheden heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof hennep en\u002Fof hasjiesj;\n\n4. \n\nop 19 november 2013 in de gemeente Eindhoven en de gemeente Gouda, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland brengen van heroïne en\u002Fof cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen:\n\n- in een pand aan [adres 2] ongeveer 62.850 gram van een mengsel van coffeïne en paracetamol en\n\n- in een pand aan [adres 3] 860 gram inositol,\n\nvoorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en verdachtes mededaders telkens wisten of ernstige redenen hadden te vermoeden, dat die bestemd waren tot het plegen van die feiten;\n\n5. \n\nop 19 november 2013 in de gemeente Eindhoven, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad:\n\n- in een pand aan [adres 2] ongeveer 3.900 gram heroïne,\n\n- in een pand aan [adres 2] ongeveer 200 gram cocaïne,\n\nzijnde cocaïne en heroïne middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;\n\n6. \n\nop 19 november 2013 in de gemeente Eindhoven, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad in een pand aan [adres 2] 123 gram hasjiesj, zijnde hasjiesj een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde: vervanging van de kwalificaties van de feiten 1A, 1B en 3\n\nDe kwalificaties van de navolgende bewezenverklaarde feiten worden vervangen, in die zin dat deze als volgt komen te luiden:\n\nHet onder 1A bewezenverklaarde levert op:\n\nmedeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.\n\nHet onder 1B bewezenverklaarde levert op:\n\nmedeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op:\n\ndeelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde lid, vierde lid en vijfde lid, artikel 10a, eerste lid en artikel 11, vierde lid van de Opiumwet.\n\nDe overige kwalificaties worden door het hof bevestigd en blijven aldus in stand.\n\nOp te leggen sanctie\n\nHet standpunt van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft – rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep – gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, met aftrek van voorarrest.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft (subsidiair) een straftoemetingsverweer gevoerd, in die zin dat is verzocht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de periode die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, en daarnaast eventueel een voorwaardelijke gevangenisstraf of een taakstraf zal opleggen. Voorts heeft de verdediging in het kader van de strafoplegging aangevoerd dat rekening dient te worden gehouden met de gevolgen van de Wet straffen en beschermen, in werking getreden op 1 juli 2021, voor de voorwaardelijke invrijheidstelling van de verdachte alsmede met de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep.\n\nHet oordeel van het hof\n\nHet hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.\n\nHet hof neemt in het bijzonder het volgende in aanmerking.\n\nHet gaat in het onderzoek Seville om een criminele organisatie die zich bezighield met diverse overtredingen van de Opiumwet met betrekking tot heroïne, cocaïne en – in mindere mate – hennep en hasjiesj, waaronder de verlengde uitvoer van voornoemde drugs naar Frankrijk en België. De criminele organisatie werkte op een professionele manier, in die zin dat er een duidelijke taakverdeling was, er een zogenaamde ‘telefooncarrousel’ bestond en er cadeautjes – in de vorm van hennep of hasjiesj – werden meegegeven aan de klanten. Heroïne was bovendien beschikbaar in verschillende kwaliteiten met bijbehorende prijzen en er was een min of meer standaard werkwijze, waarbij de klanten uit Frankrijk of België (meermalen) van tevoren belden hoe laat hij\u002Fzij er zal zijn, waarna door het lid van de criminele organisatie een plek werd genoemd en waarna de drugs ofwel direct – al dan niet in een reserveband – werden geleverd ofwel werden geleverd nadat de koper(s) het in een (vakantie)woning hadden geproefd. Blijkens het dossier heeft de organisatie in de bewezenverklaarde periode grote hoeveelheden van met name heroïne uitgevoerd naar Frankrijk en België. De criminele organisatie bestond uit een aantal personen die in wisselende samenstelling hebben geopereerd. Dit betroffen in ieder geval [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 8] , [medeverdachte 9] , [medeverdachte 10] , [medeverdachte 11] , [medeverdachte 12] , [medeverdachte 13] en [medeverdachte 14] . In verband daarmee heeft de verdachte zich eveneens schuldig gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen van harddrugs door het voorhanden hebben van gekochte, geprepareerde en gewaarmerkte telefoons met telefoonkaarten, ten behoeve van voornoemde telefooncarrousel.\n\nDoor deel te nemen aan een dergelijke organisatie hebben de verdachte en zijn medeverdachten geen oog gehad voor de maatschappelijke problemen die de handel in drugs met zich meebrengt. Niet alleen op het gebied van de effecten van het gebruik van verdovende middelen voor de volksgezondheid, maar ook vanwege het feit dat de handel in en de uitvoer van harddrugs gepaard gaat met diverse vormen van criminaliteit die zorgen voor schade en overlast voor de maatschappij; mede omdat drugsverslaafden, om in hun dagelijkse behoefte te voorzien, vaak vermogensdelicten plegen. Criminele organisaties als deze hebben bovendien een ontwrichtend effect op de rechtsorde, door de interne normen en omgangsvormen die worden gehanteerd, en door de winsten die dergelijke organisaties maken en die op enig moment weer in de bovenwereld geïnvesteerd worden. Op deze wijze vindt vermenging van de (illegale) onderwereld met de (legale) bovenwereld plaats. Dit werkt ontwrichtend en ondermijnend voor de maatschappij. De verdachte heeft zich om al deze gevolgen niet bekommerd en slechts gehandeld uit winstbejag.\n\nHet hof heeft gelet op de rol die de verdachte binnen deze organisatie heeft gehad, in die zin dat hij een stashlocatie beheerde, “dingen” leverde, zijn auto - gezien het zuigmonster uit de kofferbak - kennelijk gebruikte of ter beschikking stelde om verdovende middelen mee te vervoeren en dat hij in het bezit was van een lijst met namen en telefoonnummers van kopers van verdovende middelen en daarmee over het klantenbestand van de organisatie beschikte.\n\nNaar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.\n\nAlles afwegende acht het hof oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, in beginsel passend en geboden.\n\nIn hetgeen de verdediging heeft aangevoerd ziet het hof geen aanleiding om tot een andersluidend oordeel te komen.\n\nDe verdediging heeft in hoger beroep in het kader van de strafoplegging aangevoerd dat rekening moet worden gehouden met de Wet Straffen en beschermen, nu de feiten van vóór de inwerkingtreding van die wet dateren. Het hof overweegt hieromtrent het volgende. De wetgever heeft niet voorzien in overgangsrecht en daaruit leidt het hof af dat het kennelijk niet de bedoeling van de wetgever is geweest dat in gevallen waarin de feiten van vóór de inwerkingtreding van de Wet Straffen en beschermen dateren, rekening wordt gehouden met die wet, in die zin dat een lagere straf wordt opgelegd zodat de verdachte eenzelfde aantal jaren van zijn straf zou moeten uitzitten als wanneer hij niet in appel zou zijn gegaan. Anders dan de verdediging ziet het hof geen aanleiding om in afwijking daarvan wél rekening te houden met de inwerkingtreding van de Wet Straffen en beschermen.\n\nHet verweer wordt verworpen.\n\nMet betrekking tot het procesverloop overweegt het hof nog als volgt.\n\nRedelijke termijn\n\nHet hof heeft zich tevens rekenschap gegeven van de redelijke termijn. Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Deze termijn vangt aan vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem of haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.\n\nBij de vraag of sprake is van een schending van de redelijke termijn moet rekening worden gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de processuele houding van verdachte, de aard en ernst van het ten laste gelegde, de ingewikkeldheid van de zaak en de mate van voortvarendheid waarmee deze strafzaak door de justitiële autoriteiten is behandeld.\n\nIn de onderhavige zaak is de redelijke termijn aangevangen op 22 april 2014, de dag waarop verdachte in verzekering is gesteld. De rechtbank heeft vonnis gewezen op 7 juli 2017. De behandeling in eerste aanleg is derhalve niet afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na de aanvang van de hiervoor genoemde termijn. Er is in eerste aanleg sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met bijna één jaar en twee maanden.\n\nVerdachte heeft op 7 juli 2017 hoger beroep ingesteld. Het hof wijst dit arrest op 1 december 2022. In hoger beroep is aldus tevens sprake van een termijnoverschrijding, nu de behandeling in hoger beroep niet is afgerond met een eindarrest binnen twee jaar na het instellen van het hoger beroep. Deze overschrijding van de redelijke termijn bedraagt bijna drie jaren en vijf maanden.\n\nEen deel van de overschrijding in eerste aanleg en in hoger beroep vindt echter zijn rechtvaardiging in de omvang en de complexiteit van het onderzoek. Deze strafzaak maakt deel uit van het onderzoek Seville, een omvangrijk politie onderzoek waarbij in hoger beroep dertien verdachten gelijktijdig terechtstaan. In deze zaken zijn zowel in eerste aanleg als in hoger beroep vele getuigen verzocht, en ook toegewezen, welke deels woonachtig zijn in het buitenland. Bovendien hebben de coronamaatregelen de voortgang van het onderzoek vertraagd. Naar het oordeel van het hof is daarmee sprake van bijzondere omstandigheden die de redelijke termijn – zowel in eerste aanleg als in hoger beroep – met één jaar verlengt. In eerste aanleg is derhalve nog sprake van termijnoverschrijding van twee maanden en in hoger beroep van twee jaren en vijf maanden.\n\nHet hof ziet in voormelde overschrijdingen aanleiding om een andere straf op te leggen dan het zou hebben gedaan zonder die termijnoverschrijdingen. Het hof is van oordeel dat, indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, op zijn plaats zou zijn geweest. Rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn van berechting, zal het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van voorarrest, opleggen.\n\nTenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.\n\nBeslag\n\nDe rechtbank heeft in haar vonnis omtrent de inbeslaggenomen geldbedragen – blijkens het dictum en voor zover hier relevant – als volgt beslist:\n\n- gelast de teruggave van het volgende in beslag genomen voorwerp aan de rechthebbende [betrokkene 1] : 30-459324 1 Geld Nederlands ME060.02.03.015;\n\n- gelast de teruggave van het volgende in beslag genomen voorwerp aan de rechthebbenden [betrokkene 2] en [betrokkene 3] :30-459324 10 Geld Nederlands ME060.04.02.001;\n\nAnders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat van de geldbedragen onder beslagnummers 1 en 10 – welke telkens niet onder de verdachte in beslag zijn genomen – de bewaring ten behoeve van de rechthebbende dient te worden gelast. Het hof zal dienovereenkomstig beslissen.\n\nVervanging van de toepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen 33, 33a, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 3, 10, 10a, 11 en 11b van de Opiumwet en zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 03-700688-13 onder 2B tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, ten aanzien van de bewezenverklaring van feit 3, de kwalificaties van het onder 1A, 1B en 3 bewezenverklaarde, de beslagbeslissing ten aanzien van de beslagnummers 1 en 10 en de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.\n\nVerklaart bewezen het onder 3 tenlastegelegde zoals hiervoor is overwogen.\n\nKwalificeert het onder feit 1A, 1B en 3 bewezenverklaarde als hiervoor vermeld.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van18 (achttien) maanden.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nGelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbendevan de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:\n\n30-459324 1 Geld Nederlands ME060.02.03.015;\n\n30-459324 10 Geld Nederlands ME060.04.02.001;\n\nBevestigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige, met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. A.M.G. Smit, voorzitter,\n\nmr. C.P.J. Scheele en mr. M.M. Koevoets, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. L.G. Gersen en mr. J.P.T.G. van den Uithoorn, griffiers,\n\nen op 1 december 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2022:4827","2023-03-02T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:07.890Z",{"id":76,"ecli":77,"slug":78,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":79,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":80,"sourceTimestamp":81,"parsedAt":31,"updatedAt":82},"756","ECLI:NL:GHSHE:2022:4830","ecli-nl-ghshe-2022-4830","Parketnummer : 20-002168-17\n\nUitspraak : 1 december 2022\n\nTEGENSPRAAK\n\nVerkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof\n\n's-Hertogenbosch\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg van 7 juli 2017, in de strafzaak met parketnummer 03-721179-13 tegen:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,\n\nwonende te [adres 1] .\n\nHoger beroep\n\nDe verdachte is – kort gezegd – bij vonnis waarvan beroep:\n\nvrijgesproken van het onder 2B tenlastegelegde en\n\nveroordeeld ter zake van het onder 1A (het medeplegen van het buiten het grondgebied brengen van harddrugs, meermalen gepleegd), 1B (het medeplegen van de handel in harddrugs, meermalen gepleegd), 2A (het medeplegen van het buiten het grondgebied brengen van softdrugs, meermalen gepleegd), 3 (deelneming aan een criminele organisatie), 4 (het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van hoeveelheden heroïne en cocaïne in een aantal panden, meermalen gepleegd), 5 (het medeplegen van voorbereidingshandelingen harddrugs door het voorhanden hebben van gekochte, geprepareerde en gewaarmerkte telefoons met telefoonkaarten) en 6 (het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie) tenlastegelegde, – blijkens het dictum – tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren met aftrek van voorarrest.\n\nVan de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOntvankelijkheid van het hoger beroep\n\nHet hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak van hetgeen aan hem onder 2B is tenlastegelegd. Het onder 2 tenlastegelegde dient – gelet op de zinsnede ‘en\u002Fof’ – taalkundig als alternatief\u002Fcumulatief te worden opgevat. Uit het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en tevens in hoger beroep, leidt het hof af dat het Openbaar Ministerie de tenlastelegging klaarblijkelijk zo heeft willen opstellen dat een vrijspraak voor het ene feit, niet automatisch leidt tot een vrijspraak van het andere feit. Het hof zal aldus – evenals en in navolging van het oordeel van de rechtbank zoals deze in het vonnis waarvan beroep is vervat – uitgaan van een cumulatieve tenlastelegging.\n\nNu het gaat om gevoegde feiten, staat er – gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering – voor de verdachte tegen de beslissing tot vrijspraak van het onder 2B tenlastegelegde geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep voornoemde gegeven vrijspraak.\n\nAl hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep voor zover aan zijn oordeel onderworpen zal bevestigen met inbegrip van de beslissing op het beslag en met uitzondering van de opgelegde straf en met aanvulling van bewijs en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren. De advocaat-generaal heeft zich wat betreft het beslag op het standpunt gesteld dat het hof hieromtrent conform het vonnis van de rechtbank kan beslissen.\n\nDe verdediging heeft vrijspraak van het onder 2A tenlastegelegde bepleit. Zij heeft partiële vrijspraak bepleit van het onder 1A, 1B en 2A tenlastegelegde. Met betrekking tot het onder 3, 4, 5 en 6 tenlastegelegde heeft zij zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Subsidiair heeft zij een strafmaatverweer gevoerd. De verdediging heeft zich met betrekking tot het beslag eveneens gerefereerd aan het oordeel van het hof.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet hof zal het beroepen vonnis – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – gedeeltelijk vernietigen en gedeeltelijk bevestigen.\n\nHet hof verenigt zich met het beroepen vonnis, behalve voor wat betreft de bewezenverklaring van feit 3 (met dien verstande dat die bewezenverklaring komt te luiden als hierna vermeld), de kwalificaties van het onder 1A, 1B, 3 en 5 bewezenverklaarde en de opgelegde hoofdstraf. In zoverre zal het beroepen vonnis worden vernietigd. Bijgevolg zullen de daarmee samenhangende overwegingen worden vervangen zoals hierna te melden. Omwille van de leesbaarheid zal het hof ten aanzien van alle bewezenverklaarde feiten de bewezenverklaring hieronder opnemen.\n\nHet hof ziet voorts aanleiding om:\n\nhet vonnis aan te vullen met een overweging omtrent het verbeterd lezen van de tenlastelegging voor wat betreft het onder 2A tenlastegelegde;\n\nde bewijsvoering te vervangen. Het hof zal – indien tegen dit arrest beroep in cassatie wordt ingesteld – de bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen opnemen in een aanvulling op dit arrest, welke aanvulling dan aan dit arrest wordt gehecht;\n\n- de toepasselijke wettelijke voorschriften te vervangen;\n\n- een aanvullende overweging op te nemen met betrekking tot het beslag.\n\nVerbeterde lezing van het onder feit 2A tenlastegelegde\n\nHet hof overweegt ter zake van de dagvaarding van het onder feit 2A tenlastegelegde het volgende.\n\nHet ten tijde van deze tenlastelegging (en bewezenverklaring) geldende artikel 2 van de Opiumwet houdt, voor zover relevant, in dat het verboden is een middel als bedoeld op lijst I van de Opiumwet buiten het grondgebied van Nederland te brengen, dan wel een dergelijk middel te telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren.\n\nOnder feit 2A wordt de verdachte – kort gezegd – verweten dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van hennep en\u002Fof hasjiesj, door die hennep en\u002Fof hasjiesj te verkopen aan Belgische en\u002Fof Franse klanten. Het kernverwijt daarbij is de uitvoer van softdrugs, terwijl de verkoop van softdrugs de nadere verfeitelijking daarvan is. Het hof is van oordeel dat – tegen de achtergrond van de inhoud van het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep – de tenlastelegging bezwaarlijk anders kan worden begrepen, en het ook de kennelijke bedoeling van de steller van de tenlastelegging is geweest, om het verwijt te formuleren dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de uitvoer van hennep en\u002Fof hasjiesj door deze hennep en\u002Fof hasjiesj te verkopen of te verstrekken aan de buitenlandse klanten.\n\nGelet daarop zal het hof de tenlastelegging verbeterd lezen in dier voege dat het aan de tenlastelegging de woorden ‘of verstrekt’ zal toevoegen. Het hof is van oordeel dat de verdachte als gevolg van deze uitleg en verbeterde lezing van de tenlastelegging, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet in zijn verdediging geschaad.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1A, 1B, 2A, 3, 4, 5 en 6 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij:\n\n1.\n\nA.\n\nmeermalen in de periode van 1 januari 2008 tot en met 19 november 2013 in de provincie Limburg, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet) (grote) hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne of cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, immers heeft verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededaders, telkens opzettelijk die heroïne en\u002Fof cocaïne, met bestemming Frankrijk en\u002Fof België doen vervoeren, hierin bestaande dat die heroïne en\u002Fof cocaïne werd verkocht aan Belgische en\u002Fof Franse klanten;\n\nen\n\nB.\n\nmeermalen in de periode van 1 januari 2008 tot en met 19 november 2013 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk heeft bereid en\u002Fof bewerkt en\u002Fof verwerkt en\u002Fof verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fof vervoerd (grote) hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne of cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I;2. \n\nA.\n\nmeermalen in de periode van 1 januari 2008 tot en met 19 november 2013 in de provincie Limburg, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet) hoeveelheden hennep of hasjiesj, zijnde hennep en hasjiesj een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, immers heeft verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededaders, opzettelijk die hennep en hasjiesj, met bestemming Frankrijk en\u002Fof België, doen vervoeren, hierin bestaande dat die hennep en\u002Fof hasjiesj werd verkocht of verstrekt aan Belgische en\u002Fof Franse klanten;\n\n3. \n\nin de periode van 26 februari 2013 tot en met 19 november 2013, in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie werd gevormd door een duurzaam samenwerkingsverband van meerdere personen, te weten (inclusief hij, verdachte, zelf):\n\n [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [verdachte] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] en\n\n [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8] en [medeverdachte 9] en [medeverdachte 10] en\u002Fof één of meer ander(e) perso(o)n(en) en welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid en artikel 10a, eerste lid, en\u002Fof artikel 11, vierde lid van de Opiumwet, namelijk\n\n- het buiten het grondgebied van Nederland brengen van (grote) hoeveelheden heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof hennep en\u002Fof hasjiesj en\n\n- het bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren van (grote) hoeveelheden heroïne en\u002Fof cocaïne en\n\n- het aanwezig hebben van (grote) hoeveelheden heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof hennep en\u002Fof hasjiesj;\n\n4. \n\nop 19 november 2013 in de gemeente Valkenburg aan de Geul en in de gemeente\n\nEijsden-Margraten en in de gemeente Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad:\n\n- in een pand aan [adres 2] , 878,5 gram heroïne en 70,55 gram cocaïne en\n\n- in een pand aan [adres 3] , ongeveer 510 gram heroïne en ongeveer 422 gram heroïne en ongeveer 19 gram cocaïne en\n\n- in een pand aan [adres 4] , ongeveer 3151 gram heroïne en ongeveer 139 gram cocaïne,\n\nzijnde heroïne en cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;\n\n5. \n\nin de periode van 26 februari 2013 tot en met 19 november 2013 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland brengen van\n\nhoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne of cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, speciaal daarvoor aangekochte, geprepareerde en gewaarmerkte mobiele telefoontoestellen met telefoonkaartjes voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en verdachtes mededaders wisten dat die mobiele telefoontoestellen en telefoonkaartjes bestemd waren tot het plegen van die feiten;\n\n6. \n\nop 19 november 2013, in de gemeente Rotterdam, in een woning aan de [adres 5] , een vuurwapen van categorie III, te weten een pistool (Glock), en munitie van categorie III voorhanden heeft gehad.\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde: vervanging van de kwalificaties van de feiten 1A, 1B, 3 en 5:\n\nDe kwalificaties van de navolgende bewezenverklaarde feiten worden vervangen, in die zin dat deze als volgt komen te luiden:\n\nHet onder 1A bewezenverklaarde levert op:\n\nmedeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.\n\nHet onder 1B bewezenverklaarde levert op:\n\nmedeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op:\n\ndeelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde lid, vierde lid en vijfde lid, artikel 10a, eerste lid en artikel 11, vierde lid van de Opiumwet.\n\nHet onder 5 bewezenverklaarde levert op:\n\nmedeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd.\n\nOp te leggen sanctie\n\nHet standpunt van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft – rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn en met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht – gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft een strafmaatverweer gevoerd. Zij heeft daartoe naar voren gebracht dat de rol van de verdachte niet gelijk kan worden gesteld met die van medeverdachte [medeverdachte 1] en dat de verdachte verantwoordelijkheid neemt voor zijn gedragingen. Daarnaast is de redelijke termijn fors overschreden, hetgeen strafvermindering tot gevolg dient te hebben. De raadsman heeft in dat kader verwezen naar jurisprudentie hieromtrent. Voorts heeft de verdediging verzocht om rekening te houden met de gewijzigde VI-regeling. Gelet op het vorenstaande, verzoekt zij het hof om aan de verdachte een maximale gevangenisstraf voor de duur van vier jaren op te leggen.\n\nHet oordeel van het hof\n\nHet hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.\n\nHet hof neemt in het bijzonder het volgende in aanmerking.\n\nHet gaat in het onderzoek Seville om een criminele organisatie die zich bezighield met diverse overtredingen van de Opiumwet met betrekking tot heroïne, cocaïne en – in mindere mate – hennep en hasjiesj, waaronder de verlengde uitvoer van voornoemde drugs naar Frankrijk en België. De criminele organisatie werkte op een professionele manier, in die zin dat er een duidelijke taakverdeling was, er een zogenaamde ‘telefooncarrousel’ bestond en er cadeautjes – in de vorm van hennep of hasjiesj – werden meegegeven aan de klanten. Heroïne was bovendien beschikbaar in verschillende kwaliteiten met bijbehorende prijzen en er was een min of meer standaard werkwijze, waarbij de klanten uit Frankrijk of België (meermalen) van tevoren belden hoe laat hij\u002Fzij er zal zijn, waarna door het lid van de criminele organisatie een plek werd genoemd en waarna de drugs ofwel direct – al dan niet in een reserveband – werden geleverd ofwel werden geleverd nadat de koper(s) het in een (vakantie)woning hadden geproefd. Blijkens het dossier heeft de organisatie in de bewezenverklaarde periode grote hoeveelheden van met name heroïne uitgevoerd naar Frankrijk en België. De criminele organisatie bestond uit een aantal personen die in wisselende samenstelling hebben geopereerd. Dit betroffen in ieder geval [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 10] , [verdachte] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 8] en [medeverdachte 9] . In verband daarmee heeft de verdachte zich eveneens schuldig gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen van harddrugs door het voorhanden hebben van gekochte, geprepareerde en gewaarmerkte telefoons met telefoonkaarten, ten behoeve van voornoemde telefooncarrousel. Daarnaast heeft de verdachte – in het kader van de criminele organisatie – met enkele medeverdachten op 19 november 2013 in een drietal panden in Nederland in totaal ongeveer 4,5 kilogram heroïne en ruim 200 gram cocaïne opzettelijk aanwezig gehad.\n\nDoor deel te nemen aan een dergelijke organisatie hebben de verdachte en zijn medeverdachten geen oog gehad voor de maatschappelijke problemen die de handel in drugs met zich meebrengt. Niet alleen op het gebied van de effecten van het gebruik van verdovende middelen voor de volksgezondheid, maar ook vanwege het feit dat de handel in en de uitvoer van harddrugs gepaard gaat met diverse vormen van criminaliteit die zorgen voor schade en overlast voor de maatschappij; mede omdat drugsverslaafden, om in hun dagelijkse behoefte te voorzien, vaak vermogensdelicten plegen. Criminele organisaties als deze hebben bovendien een ontwrichtend effect op de rechtsorde, door de interne normen en omgangsvormen die worden gehanteerd, en door de winsten die dergelijke organisaties maken en die op enig moment weer in de bovenwereld geïnvesteerd worden. Op deze wijze vindt vermenging van de (illegale) onderwereld met de (legale) bovenwereld plaats. Dit werkt ontwrichtend en ondermijnend voor de maatschappij. De verdachte heeft zich om al deze gevolgen niet bekommerd en slechts gehandeld uit winstbejag.\n\nHet hof heeft gelet op de rol die de verdachte binnen deze organisatie heeft gehad, in die zin dat hij blijkens het dossier een belangrijke rol had. Net als de rechtbank, is het hof van oordeel dat zijn rol min of meer gelijkwaardig was aan die van [medeverdachte 1] . Hoewel hij hoog in de rangorde zat, had hij zelf ook een uitvoerende rol, door bijvoorbeeld drugs te verstrekken aan de buitenlandse klanten. Het hof weegt in strafmatigende zin mee dat de verdachte gedurende (ongeveer) één jaar niet heeft kunnen deelnemen aan de criminele organisatie vanwege de omstandigheid dat hij gedetineerd was.\n\nDaarnaast heeft de verdachte op 19 november 2013 een met veertien kogelpatronen half (door)geladen vuurwapen voorhanden gehad.\n\nTen aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof voorts nog gelet op de inhoud van het verdachte betreffende Uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 18 augustus 2022, waaruit volgt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van soortgelijke strafbare feiten.\n\nNaar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd; niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.\n\nMet de raadsman is het hof van oordeel dat in het vonnis sprake was van een kennelijke verschrijving in het dictum en dat de rechtbank heeft bedoeld aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van acht jaar op te leggen. Het hof acht, met de rechtbank, een gevangenisstraf van acht jaar in beginsel passend en geboden.\n\nDe verdediging heeft in hoger beroep in het kader van de strafoplegging aangevoerd dat rekening moet worden gehouden met de Wet Straffen en beschermen, nu de feiten van vóór de inwerkingtreding van die wet dateren. Het hof overweegt hieromtrent het volgende. De wetgever heeft niet voorzien in overgangsrecht en daaruit leidt het hof af dat het kennelijk niet de bedoeling van de wetgever is geweest dat in gevallen waarin de feiten van vóór de inwerkingtreding van de Wet Straffen en beschermen dateren, rekening wordt gehouden met die wet, in die zin dat een lagere straf wordt opgelegd zodat de verdachte eenzelfde aantal jaren van zijn straf zou moeten uitzitten als wanneer hij niet in appel zou zijn gegaan. Anders dan de verdediging ziet het hof geen aanleiding om in afwijking daarvan wél rekening te houden met de inwerkingtreding van de Wet Straffen en beschermen.\n\nMet betrekking tot het procesverloop in deze zaak overweegt het hof nog als volgt.\n\nRedelijke termijn\n\nHet hof heeft zich tevens rekenschap gegeven van de redelijke termijn. Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Deze termijn vangt aan vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem of haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.\n\nBij de vraag of sprake is van een schending van de redelijke termijn moet rekening worden gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de processuele houding van verdachte, de aard en ernst van het ten laste gelegde, de ingewikkeldheid van de zaak en de mate van voortvarendheid waarmee deze strafzaak door de justitiële autoriteiten is behandeld.\n\nIn de onderhavige zaak is de redelijke termijn aangevangen op 19 november 2013, de dag waarop verdachte in verzekering is gesteld. De rechtbank heeft vonnis gewezen op 7 juli 2017. De behandeling in eerste aanleg is derhalve niet afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na de aanvang van de hiervoor genoemde termijn. Er is in eerste aanleg sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met bijna één jaar en acht maanden.\n\nVerdachte heeft op 11 juli 2017 hoger beroep ingesteld. Het hof wijst dit arrest op 1 december 2022. In hoger beroep is aldus tevens sprake van een termijnoverschrijding, nu de behandeling in hoger beroep niet is afgerond met een eindarrest binnen twee jaar na het instellen van het hoger beroep. Deze overschrijding van de redelijke termijn bedraagt bijna drie jaren en vijf maanden.\n\nEen deel van de overschrijding in eerste aanleg en in hoger beroep vindt echter zijn rechtvaardiging in de omvang en de complexiteit van het onderzoek. Deze strafzaak maakt deel uit van het onderzoek Seville, een omvangrijk politie onderzoek waarbij in hoger beroep dertien verdachten gelijktijdig terechtstaan. In deze zaken zijn zowel in eerste aanleg als in hoger beroep vele getuigen verzocht, en ook toegewezen, welke deels woonachtig zijn in het buitenland. Bovendien hebben de coronamaatregelen de voortgang van het onderzoek vertraagd. Naar het oordeel van het hof is daarmee sprake van bijzondere omstandigheden die de redelijke termijn – zowel in eerste aanleg als in hoger beroep – met één jaar verlengt. In eerste aanleg is derhalve nog sprake van termijnoverschrijding van acht maanden en in hoger beroep van twee jaren en vijf maanden.\n\nHet hof ziet in voornoemde overschrijdingen aanleiding om een andere straf op te leggen dan het zou hebben gedaan zonder die termijnoverschrijdingen. Het hof is van oordeel dat, indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht jaren, met aftrek van voorarrest, op zijn plaats zou zijn geweest. Rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn van berechting, zal het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van voorarrest, opleggen.\n\nTenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.\n\nAanvullende overweging met betrekking tot het beslag\n\nHet hof heeft wat betreft de verbeurdverklaring van onderstaande goederen, gelet op de draagkracht van de verdachte:\n\n(2) één GSM, Nokia RH 130 + batterij LO079.06.04.002;\n\n(3) één GSM, Blackberry bold, LO079.06.01.002;\n\n(15) Geld Nederlands, LO079 06 03 001.\n\nVervanging van de toepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen 33, 33a, 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 3, 10, 10a, 11 en 11b van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2B tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, ten aanzien van de bewezenverklaring van feit 3, de kwalificaties van het onder 1A, 1B, 3 en 5 bewezenverklaarde en de opgelegde hoofdstraf en doet in zoverre opnieuw recht.\n\nVerklaart bewezen het onder 3 tenlastegelegde zoals hiervoor is overwogen.\n\nKwalificeert het onder feit 1A, 1B, 3 en 5 bewezenverklaarde als hiervoor vermeld.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van6 (zes) jaren.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nBevestigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige, met inachtneming van het vorenoverwogene.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. A.M.G. Smit, voorzitter,\n\nmr. C.P.J. Scheele en mr. M.M. Koevoets, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. L.G. Gersen, griffier,\n\nen op 1 december 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2022:4830","2023-03-06T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:46.692Z",{"id":84,"ecli":85,"slug":86,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":87,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":88,"sourceTimestamp":89,"parsedAt":31,"updatedAt":90},"1167","ECLI:NL:GHSHE:2022:4833","ecli-nl-ghshe-2022-4833","Parketnummer : 20-002289-17\n\nUitspraak : 1 december 2022\n\nTEGENSPRAAK\n\nVerkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof\n\n's-Hertogenbosch\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg van 7 juli 2017, in de strafzaak met parketnummer 03-720824-13 tegen:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1980,\n\nwonende te [adres 1] .\n\nHoger beroep\n\nDe verdachte is – kort gezegd – bij vonnis waarvan beroep door de rechtbank vrijgesproken ter zake van het onder 2B tenlastegelegde (het medeplegen van de handel in softdrugs) en ter zake van het tenlastegelegde onder\n\n1A (het medeplegen van het buiten het grondgebied brengen van harddrugs, meermalen gepleegd),\n\n1B (het medeplegen van de handel in harddrugs, meermalen gepleegd),\n\n2A (het medeplegen van het buiten het grondgebied brengen van softdrugs, meermalen gepleegd),\n\n3 (deelneming aan een criminele organisatie),\n\n4 (het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van hoeveelheden heroïne en cocaïne in een aantal panden, meermalen gepleegd) en\n\n5 (het medeplegen van voorbereidingshandelingen harddrugs door het voorhanden hebben van gekochte, geprepareerde en gewaarmerkte telefoons met telefoonkaarten, meermalen gepleegd),\n\nveroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van het voorarrest.\n\nVerder heeft de rechtbank twee inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven geldbedragen verbeurd verklaard.\n\nVan de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOntvankelijkheid van het hoger beroep\n\nHet hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak van hetgeen aan hem onder 2B is tenlastegelegd. Het onder 2 tenlastegelegde dient – gelet op de zinsnede ‘en\u002Fof’ – taalkundig als een alternatief\u002Fcumulatief opgestelde tenlastelegging te worden opgevat. Uit het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep, leidt het hof echter af dat het Openbaar Ministerie de tenlastelegging klaarblijkelijk zo heeft willen opstellen dat een vrijspraak voor het ene feit, niet automatisch leidt tot een vrijspraak van het andere feit. Het hof zal aldus – in navolging van het oordeel van de rechtbank zoals deze in het vonnis waarvan beroep is vervat – uitgaan van een cumulatieve tenlastelegging.\n\nNu het gaat om gevoegde feiten, staat er – gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering – voor de verdachte tegen de beslissing tot vrijspraak van het onder 2B tenlastegelegde geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep voornoemde gegeven vrijspraak.\n\nAl hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van het voorarrest.\n\nDe verdediging heeft, op de gronden zoals nader in de pleitnota verwoord, partiële vrijspraak bepleit van het onder 1A, 1B, 2A en 3A en 3B tenlastegelegde, in die zin dat is verzocht de bewezenverklaring periode telkens te beperken op de wijze zoals door de rechtbank bewezen is verklaard. Voorts zijn stellingen ingenomen met betrekking tot stemherkenningen en het gebruik van (mede) aan de verdachte toegeschreven telefoonnummers. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet hof zal het beroepen vonnis – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – gedeeltelijk vernietigen en gedeeltelijk bevestigen.\n\nHet hof verenigt zich met het beroepen vonnis, behalve voor wat betreft de bewezenverklaring van feit 3 (met dien verstande dat die bewezenverklaring komt te luiden als hierna vermeld), de kwalificaties van het onder 1A, 1B en 3 bewezenverklaarde en de opgelegde straf. In zoverre zal het beroepen vonnis worden vernietigd. Bijgevolg zullen de daarmee samenhangende overwegingen worden vervangen zoals hierna te melden. Omwille van de leesbaarheid zal het hof ten aanzien van alle bewezenverklaarde feiten de bewezenverklaring hieronder opnemen.\n\nHet hof ziet voorts aanleiding om:\n\n- het vonnis aan te vullen met een overweging omtrent het verbeterd lezen van de tenlastelegging voor wat betreft het onder 2A tenlastegelegde;\n\n- de bewijsvoering te vervangen. Het hof zal – indien tegen dit arrest beroep in cassatie wordt ingesteld – de bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen opnemen in een aanvulling op dit arrest, welke aanvulling dan aan dit arrest wordt gehecht;\n\n- de motivering van de rechtbank ten aanzien van het beslag (pagina 46 van het vonnis) te vervangen;\n\n- de toepasselijke wettelijke voorschriften te vervangen op de wijze als hierna vermeld.\n\nVerbeterde lezing van het onder feit 2A tenlastegelegde\n\nHet hof overweegt ter zake van de dagvaarding van het onder feit 2A tenlastegelegde ambtshalve het volgende.\n\nHet ten tijde van deze tenlastelegging (en bewezenverklaring) geldende artikel 2 van de Opiumwet houdt, voor zover relevant, in dat het verboden is een middel als bedoeld op lijst I van de Opiumwet buiten het grondgebied van Nederland te brengen, dan wel een dergelijk middel te telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren.\n\nOnder feit 2A wordt de verdachte – kort gezegd – verweten dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van hennep en\u002Fof hasjiesj, door die hennep en\u002Fof hasjiesj te verkopen aan Belgische en\u002Fof Franse klanten. Het kernverwijt daarbij is de uitvoer van softdrugs, terwijl de verkoop van softdrugs de nadere verfeitelijking daarvan is. Het hof is van oordeel dat – tegen de achtergrond van de inhoud van het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep – de tenlastelegging bezwaarlijk anders kan worden begrepen, en het ook de kennelijke bedoeling van de steller van de tenlastelegging is geweest, om het verwijt te formuleren dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de uitvoer van hennep en\u002Fof hasjiesj door deze hennep en\u002Fof hasjiesj te verkopen of te verstrekken aan de buitenlandse klanten.\n\nGelet daarop zal het hof de tenlastelegging en bewezenverklaring verbeterd lezen in dier voege dat het aan de tenlastelegging de woorden ‘of verstrekt’ zal toevoegen. Het hof is van oordeel dat de verdachte als gevolg van deze uitleg en verbeterde lezing van de tenlastelegging, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet in zijn verdediging is geschaad.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1A, 1B, 2A, 3, 4, 5 en 6 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij:\n\n1. \n\nA.\n\nmeermalen in de periode van 10 mei 2013 tot en met 19 november 2013 in de provincie Limburg, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet) (grote) hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne of cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, immers heeft verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededaders, telkens opzettelijk die heroïne en\u002Fof cocaïne met bestemming Frankrijk en\u002Fof België doen vervoeren, hierin bestaande dat die heroïne en\u002Fof cocaïne werd(en) verkocht aan Belgische en Franse klanten\n\nen\n\nB.\n\nmeermalen in de periode van 10 mei 2013 tot en met 19 november 2013 in Nederland en\u002Fof in België, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk heeft bereid en\u002Fof bewerkt en\u002Fof verwerkt en\u002Fof verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fof vervoerd (grote) hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne of cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I;\n\n2. \n\nA.\n\nmeermalen in de periode van 10 mei 2013 tot en met 19 november 2013 in de provincie Limburg, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet) hoeveelheden hennep of hasjiesj, zijnde hennep en hasjiesj een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, immers heeft verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededaders, telkens opzettelijk die hennep en\u002Fof hasjiesj met bestemming Frankrijk en\u002Fof België doen vervoeren, hierin bestaande dat die hennep en\u002Fof hasjiesj werd(en) verkocht of verstrekt aan Belgische en Franse klanten;\n\n3. \n\nin de periode van 10 mei 2013 tot en met 19 november 2013 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie werd gevormd door een duurzaam samenwerkingsverband van meerdere personen, te weten (inclusief hij, verdachte, zelf):\n\n [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [verdachte] en [medeverdachte 3] , en welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en\u002Fof vijfde lid en\u002Fof artikel 10a, eerste lid, en\u002Fof artikel 11, vierde lid van de Opiumwet, namelijk\n\n- het buiten het grondgebied van Nederland brengen van (grote) hoeveelheden heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof hennep en\u002Fof hasjiesj en\n\n- het bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren van (grote) hoeveelheden heroïne en\u002Fof cocaïne en\n\n- het aanwezig hebben van (grote) hoeveelheden heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof hennep en\u002Fof hasjiesj;\n\n4. \n\nop 19 november 2013 in de gemeente Eindhoven en de gemeente Gouda, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland brengen van heroïne en\u002Fof cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen:\n\n- in een pand aan [adres 2] ongeveer 62.850 gram van een mengsel van coffeïne en paracetamol en\n\n- in een pand aan [adres 3] ongeveer 860 gram inositol,\n\nvoorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en verdachtes mededaders telkens wisten of ernstige redenen hadden te vermoeden, dat die bestemd waren tot het plegen van die feiten;\n\n5. \n\nop 19 november 2013 in de gemeente Gouda en de gemeente Eindhoven, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad:\n\n- in een pand aan [adres 3] ongeveer 1.000 gram cocaïne,\n\n- in een pand aan [adres 2] ongeveer 3.900 gram heroïne,\n\n- in een pand aan [adres 2] ongeveer 200 gram cocaïne,\n\nzijnde cocaïne en heroïne middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;\n\n6. \n\nop 19 november 2013 in de gemeente Eindhoven, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad in een pand aan [adres 2] ongeveer 123 gram hasjiesj, zijnde hasjiesj een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde: vervanging van de kwalificaties van de feiten 1A, 1B en 3\n\nDe kwalificaties van de navolgende bewezenverklaarde feiten worden vervangen, in die zin dat deze als volgt komen te luiden:\n\nHet onder 1A bewezenverklaarde levert op:\n\nmedeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.\n\nHet onder 1B bewezenverklaarde levert op:\n\nmedeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op:\n\ndeelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde lid, vierde lid en vijfde lid, artikel 10a, eerste lid en artikel 11, vierde lid van de Opiumwet.\n\nDe overige kwalificaties worden door het hof bevestigd en blijven aldus in stand.\n\nOp te leggen sanctie\n\nHet standpunt van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft – rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep – gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van het voorarrest.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft (subsidiair) een strafmaatverweer gevoerd, in die zin dat is bepleit om de aan de verdachte op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf te beperken tot de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht en dat daarnaast eventueel een voorwaardelijke gevangenisstraf of een taakstraf wordt opgelegd. De verdediging heeft daarbij gewezen op het tijdsverloop in deze zaak, de omstandigheid dat de verdachte zijn leven heeft gebeterd en geen sprake is van recidive.\n\nHet oordeel van het hof\n\nHet hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.\n\nHet hof neemt in het bijzonder het volgende in aanmerking.\n\nHet gaat in het onderzoek Seville om een criminele organisatie die zich bezighield met diverse overtredingen van de Opiumwet met betrekking tot heroïne, cocaïne en – in mindere mate – hennep en hasjiesj, waaronder de verlengde uitvoer van voornoemde drugs naar Frankrijk en België. De criminele organisatie werkte op een professionele manier, in die zin dat er een duidelijke taakverdeling was, er een zogenaamde ‘telefooncarrousel’ bestond en er cadeautjes – in de vorm van hennep of hasjiesj – werden meegegeven aan de klanten. Heroïne was bovendien beschikbaar in verschillende kwaliteiten met bijbehorende prijzen en er was een min of meer standaard werkwijze, waarbij de klanten uit Frankrijk of België (meermalen) van tevoren belden hoe laat hij\u002Fzij er zal zijn, waarna door het lid van de criminele organisatie een plek werd genoemd en waarna de drugs ofwel direct – al dan niet in een reserveband – werden geleverd ofwel werden geleverd nadat de koper(s) het in een (vakantie)woning hadden geproefd. Blijkens het dossier heeft de organisatie in de bewezenverklaarde periode grote hoeveelheden van met name heroïne uitgevoerd naar Frankrijk en België. De criminele organisatie bestond uit een aantal personen die in wisselende samenstelling hebben geopereerd. Dit betroffen in ieder geval [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 8] , [medeverdachte 9] , [medeverdachte 10] , [medeverdachte 11] , [medeverdachte 12] , [medeverdachte 13] en [medeverdachte 14] . In verband daarmee heeft de verdachte zich eveneens schuldig gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen van harddrugs door het voorhanden hebben van gekochte, geprepareerde en gewaarmerkte telefoons met telefoonkaarten, ten behoeve van voornoemde telefooncarrousel.\n\nDoor deel te nemen aan een dergelijke organisatie hebben de verdachte en zijn medeverdachten geen oog gehad voor de maatschappelijke problemen die de handel in drugs met zich meebrengt. Niet alleen op het gebied van de effecten van het gebruik van verdovende middelen voor de volksgezondheid, maar ook vanwege het feit dat de handel in en de uitvoer van harddrugs gepaard gaat met diverse vormen van criminaliteit die zorgen voor schade en overlast voor de maatschappij; mede omdat drugsverslaafden, om in hun dagelijkse behoefte te voorzien, vaak vermogensdelicten plegen. Criminele organisaties als deze hebben bovendien een ontwrichtend effect op de rechtsorde, door de interne normen en omgangsvormen die worden gehanteerd, en door de winsten die dergelijke organisaties maken en die op enig moment weer in de bovenwereld geïnvesteerd worden. Op deze wijze vindt vermenging van de (illegale) onderwereld met de (legale) bovenwereld plaats. Dit werkt ontwrichtend en ondermijnend voor de maatschappij. De verdachte heeft zich om al deze gevolgen niet bekommerd en slechts gehandeld uit winstbejag.\n\nHet hof heeft gelet op de rol die de verdachte binnen deze organisatie heeft gehad, in die zin dat hij een belangrijke rol had, in zijn woning in Eindhoven forse hoeveelheden verdovende middelen en versnijdingsmiddelen zijn aangetroffen en hij ook een uitvoerende rol had, door bijvoorbeeld drugs te vervoeren.\n\nTen aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof voorts nog acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 18 augustus 2022, betrekking hebbende op het justitieel verleden van de verdachte, waaruit volgt dat de verdachte eerder onherroepelijk voor strafbare feiten is veroordeeld.\n\nNaar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.\n\nAlles afwegende acht het hof oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van voorarrest, in beginsel passend en geboden.\n\nIn hetgeen de verdediging heeft aangevoerd ziet het hof geen aanleiding om tot een andersluidend oordeel te komen.\n\nMet betrekking tot het procesverloop overweegt het hof nog als volgt.\n\nRedelijke termijn\n\nHet hof heeft zich tevens rekenschap gegeven van de redelijke termijn. Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Deze termijn vangt aan vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem of haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.\n\nBij de vraag of sprake is van een schending van de redelijke termijn moet rekening worden gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de processuele houding van verdachte, de aard en ernst van het ten laste gelegde, de ingewikkeldheid van de zaak en de mate van voortvarendheid waarmee deze strafzaak door de justitiële autoriteiten is behandeld.\n\nIn de onderhavige zaak is de redelijke termijn aangevangen op 19 november 2013, de dag waarop verdachte in verzekering is gesteld. De rechtbank heeft vonnis gewezen op 7 juli 2017. De behandeling in eerste aanleg is derhalve niet afgerond met een eindvonnis binnen zestien maanden na de aanvang van de hiervoor genoemde termijn. Er is in eerste aanleg sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met bijna 28 maanden.\n\nDe verdachte heeft op 19 juli 2017 hoger beroep ingesteld. Het hof wijst dit arrest op 1 december 2022. In hoger beroep is aldus tevens sprake van een termijnoverschrijding, nu de behandeling in hoger beroep niet is afgerond met een eindarrest binnen twee jaar na het instellen van het hoger beroep. Deze overschrijding van de redelijke termijn bedraagt bijna drie jaren en vijf maanden.\n\nEen deel van de overschrijding in eerste aanleg en in hoger beroep vindt echter zijn rechtvaardiging in de omvang en de complexiteit van het onderzoek. Deze strafzaak maakt deel uit van het onderzoek Seville, een omvangrijk politieonderzoek waarbij in hoger beroep dertien verdachten gelijktijdig terechtstaan. In deze zaken zijn zowel in eerste aanleg als in hoger beroep vele getuigen verzocht, en ook toegewezen, welke deels woonachtig zijn in het buitenland. Een deel van de toegewezen getuigen was bovendien niet (direct) traceerbaar. Ook hebben de coronamaatregelen de voortgang van het onderzoek vertraagd. Naar het oordeel van het hof is daarmee sprake van bijzondere omstandigheden die de redelijke termijn – zowel in eerste aanleg als in hoger beroep – met één jaar verlengt. In eerste aanleg is derhalve nog sprake van termijnoverschrijding van 16 maanden en in hoger beroep van twee jaren en vijf maanden.\n\nHet hof ziet in voornoemde overschrijdingen aanleiding om een lagere straf op te leggen dan het zou hebben gedaan zonder die termijnoverschrijdingen. Het hof is van oordeel dat, indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van voorarrest, op zijn plaats zou zijn geweest. Rekening houdend met de overschrijdingen van de redelijke termijn van berechting, zal het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van voorarrest, opleggen.\n\nTenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.\n\nBeslag\n\nDe rechtbank heeft in haar vonnis met betrekking tot het beslag overwogen:\n\nMet betrekking tot de voorwerpen op de beslaglijst van de verdachte, beslist de rechtbank als volgt.\n\nTwee geldbedragen van € 25.000,00 respectievelijk € 840,00 zijn inbeslaggenomen onder de verdachte op [adres 2] . Dit geld was (deels) verpakt in plastic en lag in de omgeving van de eveneens aldaar aangetroffen verdovende middelen.De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat tussen het geld en de handel in respectievelijk uitvoer van hard- en\u002Fof softdrugs een relatie bestond. De rechtbank acht daarom verbeurdverklaring van beide geldbedragen op zijn plaats.\n\nHet hof schrapt de laatste twee (door het hof onderstreepte) zinnen van deze overweging en vult het vonnis aan, in die zin dat het hof de navolgende overweging daarvoor in de plaats stelt:\n\n- ‘Tegen deze achtergrond en hetgeen overigens is gebleken, zijn deze geldbedragen vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het voorwerpen zijn die de verdachte geheel of ten dele te eigen bate kon aanwenden en geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het onder 1A en 2A bewezenverklaarde zijn verkregen.\n\nHet hof zal deze voorwerpen daarom verbeurd verklaren. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.’\n\nVervanging van de toepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen 33, 33a, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 3, 10, 10a, 11 en 11b van de Opiumwet en zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2B tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, ten aanzien van de bewezenverklaring van feit 3, de kwalificaties van het onder 1A, 1B en 3 bewezenverklaarde en de opgelegde straf.\n\nVerklaart bewezen het onder 3 tenlastegelegde zoals hiervoor is overwogen.\n\nKwalificeert het onder feit 1A, 1B en 3 bewezenverklaarde als hiervoor vermeld.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van4 (vier) jaren.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nBevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. A.M.G. Smit, voorzitter,\n\nmr. C.P.J. Scheele en mr. M.M. Koevoets, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. J.P.T.G. van den Uithoorn, griffier,\n\nen op 1 december 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2022:4833","2023-03-10T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:07.798Z",1,20]