[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-s-hertogenbosch-environmental-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":85,"limit":86},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},72,"'s-Hertogenbosch","nl","s-hertogenbosch",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},98,"environmental-law-nl","Environmental Law","NL","2026-07-08T16:56:40.702Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},7,{"min":18,"max":19},"2024-04-23T00:00:00.000Z","2026-07-06T00:00:00.000Z",[],[22,32,41,50,59,68,77],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":30,"updatedAt":31},"1606","ECLI:NL:RBOBR:2026:4762","ecli-nl-rbobr-2026-4762","","RECHTBANK OOST-BRABANT\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SHE 26\u002F1562 OWNATU\n uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 juli 2026 in de zaak tussen\n [verzoekers]\n\n ,\n\nuit [woonplaats] ,\n\nverzoekers\n\nen\n\nGedeputeerde Staten van de provincie Noord- Brabant, het college\n\n(gemachtigde: S.J.S. van Gils en L.A.M. Kroon)\n\nAls derde-partij heeft deelgenomen: Stichting [naam] , vergunninghouder\n\n(gemachtigde: mr. H.C. Lagouw)\n\nSamenvatting\n\n1.1.. De derde-partij is voornemens wijkgebouw [adres] en verpleeghuis [naam] aan de [adres] in [woonplaats] te slopen om daar nieuwbouw te realiseren. In dat kader heeft de derde-partij een omgevingsvergunning aangevraagd voor het verrichten van flora- en fauna-activiteiten als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de Omgevingswet om de gewone dwergvleermuis opzettelijk te verstoren en om voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de gewone dwergvleemuis (opzettelijk) te beschadigen of te vernielen, voor de periodes van 15 april tot en met 15 mei en 15 juli tot en met 15 augustus. Dit geldt vanaf de dag na de bekendingmaking van het besluit tot en met 15 mei 2031.\n\n1.2.. Met het besluit van 12 mei 2026 heeft het college deze omgevingsvergunning met voorschriften aan de derde-partij verleend. Het college is – kort samengevat – van oordeel dat voor het doel van het project geen andere bevredigende oplossing is waarbij minder negatieve effecten op de beschermde soorten optreden en dat er een wettelijk belang is om de negatieve effecten te rechtvaardigen.\n\n1.3.. Verzoekers zijn het niet eens met de verleende omgevingsvergunning. Zij verzoeken daarom om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of de bezwaren van verzoekers tegen de omgevingsvergunning een redelijke kans van slagen hebben. Dat kan een reden zijn om de omgevingsvergunning te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoekers.\n\n1.4.. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek tot schorsing van het bestreden besluit af. Er wordt wel een voorziening getroffen met betrekking tot de geplande werkzaamheden totdat de huidige verblijfplaatsen conform voorschrift 12 van de omgevingsvergunning ongeschikt zijn gemaakt. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2.1.. Vergunninghouder heeft op 23 juli 2025 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 12 mei 2026 toegewezen. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.\n\n2.2.. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 29 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] en [naam] namens verzoekers. Verder waren aanwezig de gemachtigden van het college. Namens de derde-partij was aanwezig [naam] , bijgestaan door de gemachtigde. Ook waren aanwezig [naam] en [naam] , beide werkzaam als ecoloog..\n\nInleiding\n\n3.1.. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten.\n\n3.2.. Vergunninghouder wil nieuwbouw realiseren aan de [adres] (wijkgebouw) en [adres] (verpleeghuis) te [woonplaats] (de locatie). In de nieuwbouw komt een zorglocatie, 18 driekamerappartementen en gesloten parkeergarage. De herontwikkeling vindt plaats in twee fases. In de eerste fase wordt het bestaande verpleeghuis [naam] gesloopt en worden het nieuwe zorgcentrum gerealiseerd. In de tweede fase wordt het bestaande wijkgebouw [naam] gesloopt en wordt gestart met de bouw van de huurappartementen. Een uitgebreide projectomschrijving is opgenomen in het activiteitenplan, dat op 10 maart 2026 definitief is geworden.\n\n3.3.. Om te bepalen of met het project negatieve effecten optreden ten aanzien van de eventueel in het gebied voorkomende beschermde diersoorten heeft vergunninghouder ecologisch onderzoek laten uitvoeren en is gebleken dat de volgende verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis in de bebouwing aanwezig zijn:\n\n- 1 zomerverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis;\n\n- 1 kraamverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis;\n\n- 1 potentiële (massa)winterverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis.\n\nEen essentiële vliegroute voor vleermuizen is wel aanwezig, maar wordt niet aangetast zolang er geen additionele verlichting aanwezig zal zijn.\n\n3.4.. Om het bouwplan te realiseren, moet vergunninghouder de gewone dwergvleermuis verstoren en zijn voorplanting- en rustplaatsen vernielen. Dit is een overtreding van de bepalingen als bedoeld in artikel 11.46, eerste lid onder b en d van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).3.5.. Om deze reden heeft vergunninghouder op 23 juli 2025 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit.De ontheffing is gevraagd op grond van het belang “in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten” zoals genoemd in artikel 8.74k van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).\n\n3.6.. \n\nMet het besluit van 15 mei 2026 heeft het college de aangevraagde omgevingsvergunning verleend met voorschriften. De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling resulteert in het opheffen van vaste rust- en verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis, maar zal door het nemen van maatregelen geen wezenlijke invloed hebben op de instandhouding van het soort. Maatregelen bestaan onder anderen uit dat het ongeschikt maken van de huidige verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis moet plaatsvinden in de periode van 15 april tot en met 15 mei of 15 juli tot en met 15 augustus. Ongeschikt maken mag uitsluitend plaatsvinden nadat een voorafgaande controle\n\ndoor een deskundige ecoloog heeft vastgesteld dat de verblijfplaatsen niet (meer) in\n\ngebruik zijn. Verder bestaan de maatregelen uit het realiseren van tijdelijke en permanente mitigatie voor de gewone dwergvleermuis en het werken buiten kwetsbare periode van de gewone dwergvleermuis. Het college heeft hierbij niet bepaald dat het besluit vier weken later in werking treedt (en dus geen toepassing gegeven aan artikel 16.79, tweede lid van de Omgevingswet).\n\n3.7.. Verzoekers wonen op verschillende adressen aan [adres] en [adres] en hebben tegen de omgevingsvergunning bezwaar gemaakt en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n4.1.. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Het wettelijk kader dat relevant is voor de beoordeling van dit geschil is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.\n\n4.2.. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter moet de voorlopige voorziening tot schorsing van het bestreden besluit worden afgewezen. Er is wel aanleiding om een voorziening te treffen met betrekking tot de geplande stripwerkzaamheden voordat het ongeschikt maken van de vleermuisverblijfplaatsen is uitgevoerd conform voorschrift 12 van de omgevingsvergunning De voorzieningenrechter legt dit hierna uit.\n\nHebben verzoekers spoedeisend belang bij de beoordeling door de voorzieningenrechter?\n\n5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekers spoedeisend belang hebben bij een beoordeling door de voorzieningenrechter, nu vergunninghouder op korte termijn gebruik wil maken van de omgevingsvergunning.\n\nZijn verzoekers belanghebbenden?\n\n6. Bij de beoordeling of een natuurlijke persoon belanghebbende is bij een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit is bepalend of de handelingen waarvoor de omgevingsvergunning is verleend ruimtelijke uitstraling hebben op de woon- en leefomgeving van de betrokkene. De ruimtelijke uitstraling van het project dat mede door de ontheffing mogelijk wordt gemaakt - in dit geval in dit geval de bouw van de zorglocatie en woningen - is bij die beoordeling niet van belang.\n\n6.1. In dit geval is de ontheffing verleend voor het opzettelijk verstoren en het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de gewone dwergvleermuis.\n\n6.2. Uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over de Wet natuurbescherming-ontheffing kan worden afgeleid dat bij een afstand van meer dan 100 meter het niet aannemelijk is dat de ontheffing (nu de omgevingsvergunning) invloed zal hebben op de betreffende directe woon- en leefomgeving.Verzoekers wonen in dit geval echter op een afstand van minder dan 100 meter van de projectlocatie, waarbij de dichtstbijzijnde woningen zijn gelegen op een afstand van ongeveer 25 meter van de projectlocatie en ongeveer 45 meter van plaatsen waar vleermuizen verblijven. Gelet op de hiervoor genoemde afstanden acht de voorzieningenrechter het aannemelijk dat het gebruiken van de verleende omgevingsvergunning ruimtelijke uitstraling heeft op de woon- en leefomgeving van verzoekers.Dat geldt in ieder geval voor verzoekers 3 en 5 die schuin tegenover de locatie wonen. Dit betekent dat de voorzieningenrechter voor deze verzoekers zonder meer toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek en dat in het midden kan blijven of de overige verzoekers een rechtstreeks betrokken belang hebben.\n\nHet verzoek\n\n7. Het verzoek strekt tot schorsing van de verleende omgevingsvergunning ter voorkoming van onomkeerbare gevolgen voor de beschermde fauna (de gewone dwergvleermuis). Volgens verzoekers start vergunninghouder ten onrechte op 6 juli 2026 met de sloopwerkzaamheden. Verzoekers hebben verzocht een voorziening te treffen die van kracht blijft totdat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een uitspraak heeft gedaan in een lopende procedure over het bestemmingsplan.\n\nAanvang sloopwerkzaamheden op 6 juli 2026\n\n8. Vergunninghouder heeft aangegeven dat zij voornemens is om vanaf 6 juli 2026 te starten met werkzaamheden. Het zou gaan om stripwerkzaamheden die volgens haar geen invloed zouden hebben op de aanwezige beschermde soort (de gewone dwergvleermuizen) en daarom zijn toegestaan. Vanaf 15 juli 2026 (afhankelijk van weersomstandigheden maar niet eerder) gaat vergunninghouder beginnen met ongeschikt maken van de bebouwing voor de vleermuizen. Ook de stripwerkzaamheden zullen daarna naar alle waarschijnlijkheid nog plaatsvinden. Vanaf 17 augustus 2026 zal worden gestart met de sloopwerkzaamheden.\n\n8.1.. Uit de omgevingsvergunning blijkt dat het ongeschikt maken van de bebouwing voor vleermuizen voorafgaand aan de werkzaamheden moet plaatsvinden in de periode van 15 april tot 15 mei of van 15 juli tot 15 augustus. Dit om te zorgen dat de vleermuizen weg zijn voordat aan de sloop van de bebouwing wordt begonnen. De sloopwerkzaamheden mogen pas plaatsvinden als na een controleronde is vastgesteld dat er geen vleermuizen meer aanwezig zijn en pas na expliciete toestemming van de ecoloog. In de voorschriften is ook bepaald dat alle werkzaamheden moeten plaatsvinden volgens het activiteitenplan dat aan de omgevingsvergunning is gehecht. Hierin is het volgende bepaald: “Voordat de bebouwing kan worden gesloopt, dient voorkomen te worden dat op moment van de werkzaamheden nog vleermuizen aanwezig zijn in de bebouwing. De bebouwing dient dan ook ongeschikt gemaakt te worden, waarbij de vleermuizen de mogelijkheid krijgen om uit zichzelf te vertrekken voordat de sloop plaatsvindt.” In voorschrift 1 is bepaald dat met werkzaamheden en\u002Fof activiteiten alle handelingen worden bedoeld die invloed hebben op de beschermde soorten, zoals het ongeschikt maken van de verblijfplaatsen.\n\n8.2. Tijdens de zitting is gebleken dat het hoogst waarschijnlijk is dat er nog vleermuizen in de bebouwing aanwezig zijn in verband met de kraamperiode.\n\n8.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat ook de door vergunninghouder bedoelde stripwerkzaamheden werkzaamheden zijn die vallen binnen het bereik van de vergunning. Het zijn handelingen die invloed kunnen hebben op de vleermuizen. De voorzieningenrechter beschouwt stripwerkzaamheden als onderdeel van de sloopwerkzaamheden. Het verrichten van de stripwerkzaamheden voordat de vleermuisverblijfplaatsen ongeschikt zijn gemaakt, is dus een handeling in strijd met algemeen voorschrift 6 van de omgevingsvergunning. Het uitvoeren van de stripwerkzaamheden vanaf 6 juli 2026 vóór het ongeschikt maken van de stripwerkzaamheden is dus verboden op grond van artikel 5.5, eerste lid onder g, van de Omgevingswet. Het is ook een economisch delict als bedoeld in artikel 1a, eerste lid in combinatie met artikel 6, eerste lid onder 1 van de Wet op de economische delicten.\n\n8.4. Het college geeft terecht aan dat dit een kwestie is van handhaving, en heeft ter zitting ook aangegeven dat steekproefsgewijs controles worden uitgevoerd. Het college heeft niet aangegeven of de uitvoering van stripwerkzaamheden is toegestaan en lijkt dit te laten afhangen van de aard van de werkzaamheden tijdens de controles. Gelet op het voorgaande oordeel dat stripwerkzaamheden onderdeel zijn van de sloopwerkzaamheden ziet de voorzieningenrechter aanleiding bij wijze van voorlopige voorziening expliciet te verbieden dat stripwerkzaamheden worden verricht voordat het ongeschikt maken van de vleermuisverblijfplaatsen is uitgevoerd conform voorschrift 12 van de omgevingsvergunning.\n\n8.5. Volledigheidshalve wijst de voorzieningenrechter er op dat het uitvoeren van de werkzaamheden, in de wetenschap dat er hoogstwaarschijnlijk vleermuizen in de bebouwing aanwezig zijn in verband met de kraamperiode, mede gelet op de te treffen voorlopige voorziening, wordt beschouwd als een overtreding van de specifieke zorgplicht in 11.27 eerste lid onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving. Nu hoogstwaarschijnlijk vleermuizen aanwezig zijn en de bebouwing op korte termijn ongeschikt wordt gemaakt voor vleermuizen, kan van vergunninghouder redelijkerwijze worden verwacht dat zij voor die tijd geen werkzaamheden uitvoert teneinde verstoring van de vleermuizen te voorkomen. Mocht een vleermuis als gevolg van verstoring door deze werkzaamheden overlijden, is sprake van een overtreding van artikel 11.46 eerste lid onder a, van het Bal omdat vergunninghouder dan willens en wetens de niet te verwaarlozen kans aanvaardt dat een beschermd dier wordt gedood .Dan is sprake van zogenoemde voorwaardelijke opzet.Daaronder valt dan bijvoorbeeld ook werkzaamheden aan een gebouw, waarvan je kunt verwachten dat het direct of indirecte schadelijke effecten heeft op de aanwezige vleermuizen en\u002Fof hun verblijfplaats.\n\nHeeft het bezwaar een redelijke kans van slagen?\n\n9. Dan resteert de vraag of de bezwaren van verzoekers tegen de omgevingsvergunning een redelijke kans van slagen hebben. Dat kan een reden zijn om de omgevingsvergunning te schorsen.\n\nToetsingskader\n\n10. De verleende omgevingsvergunning moet worden beoordeeld op grond van artikel 8.74 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Op grond van dit artikel wordt een omgevingsvergunning uitsluitend verleend indien is voldaan aan elk van de daarin genoemde voorwaarden, die voor zover hier van belang luiden:\n\n- er bestaat geen andere bevredigende oplossing;\n\n- op grond van het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieuwezenlijke gunstige effecten;\n\n- de maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort.\n\nDwingende redenen van groot openbaar belang\n\n11. Volgens verzoekers kan de omgevingsvergunning niet worden verleend op grond van \"dwingende redenen van groot openbaar belang\". Het maatschappelijke argument van ‘wijkintegratie’ en de realisatie van een gecombineerde multifunctionele accommodatie (MFA) wordt op oneigenlijke wijze als een deken over het ene project wordt gelegd. Zij wijzen erop dat de specifieke kwetsbare doelgroep in het verzorgingstehuis geenszins zelfstandig zal of kan participeren in het openbare wijkleven of de geplande MFA. Voor zover de nieuwbouw daarnaast voorziet in reguliere huisvesting (zoals in de woontoren), geldt dat voor die bewoners geen sprake is van een specifieke, dwingende zorgbehoefte die de aantasting van beschermde fauna rechtvaardigt.\n\n11.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de huidige gebouw niet voldoet aan de (psychiatrische) ondersteuningsbehoefte van haar huidige bewoners. Zij zijn daarom op een andere locatie ondergebracht, maar kunnen hier niet blijven. Door het realiseren van een multifunctionele accommodatie met onder andere een gezamenlijke buurthuiskamer, waar ook zowel bewoners van de wijk als bewoners van de zorglocatie kunnen komen, verbetert de wijkintegratie. Ten slotte wordt ook het belang van woningbouw vermeld ter onderbouwing van het wettelijk belang. Er wordt verwezen naar de woningopgave van de gemeente Oss. Het betreft hier sociale huurwoningen waar in de gemeente Oss grote vraag naar is. Dit project draagt ook weer bij om aan de woningopgave te voldoen.\n\n11.2. Vergunninghouder wijst erop dat het vaste rechtspraak is dat woningbouw onder omstandigheden kan worden aangemerkt als een maatschappelijke reden van sociale of economische aard, op basis waarvan sprake kan zijn van een groot openbaar belang op een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit te verlenen. Uit de Woonagenda 2025-2207 volgt dat de gemeente Oss tot 2024 10.000 extra woningen wil bouwen. Op grond van de Regionale Woondeal zal Oss in de periode tot 2023 5217 sociale huurwoningen moeten bouwen. Het staat niet ter discussie dat er een dringende behoefte bestaat aan sociale huurwoningen.\n\n11.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college in de behoefte aan een zorglocatie en woningen, een dwingende reden van groot openbaar belang heeft mogen zien. Het college heeft voldoende onderbouwd dat er behoefte is aan een zorglocatie voor zware zorg in de regio omdat de huidige bewoners uit noodzaak elders zijn ondergebracht, maar daar niet kunnen blijven. Doordat de nieuwbouw vertraging heeft opgelopen neemt de wachtlijst en de urgentie toe. Ook is er lokale behoefte aan woningbouw. Het college heeft daarbij gewezen op de woningopgave in de regio Oss van 600 woningen per jaar. De 18 te realiseren appartementen kunnen daaraan bijdragen. De voorzieningenrechter kan deze toelichting volgen en ziet geen reden hieraan te twijfelen.\n\nAndere bevredigende oplossing\n\n12. Verzoekers voeren aan dat ten onrechte het alternatief dat door verzoekers op 20 juni 2025 is aangedragen, na een quickscan is afgewezen omdat het niet past binnen de intern gestelde financiële kaders. Nadere uitwerking leert dat een alternatief wel haalbaar is en de volledige sloop overbodig maakt en meer zorgwoningen oplevert.\n\n12.1.. Het college heeft gesteld dat verzoekers het door hen voorgedragen alternatief niet nader hebben onderbouwd. Het kan daardoor niet reageren op de vraag of dit een redelijk alternatief zou zijn voor de uitvoering van het project. De vraag of er alternatieven beschikbaar zijn kan door het college alleen worden betrokken wanneer het doel van het project ook bereikt zou kunnen worden op een manier die tot minder effecten zou leiden voor de aanwezige flora en fauna. Het doel van dit project is het realiseren van 18 driekamerappartementen, een gesloten parkeergarage en een zorglocatie. Uit nader onderzoek, niet enkel uit de QuickScan, is gebleken dat de doelen van het project niet kunnen worden gehaald met enkel renovatie. Met renovatie kunnen namelijk minder appartementen worden gerealiseerd, buitenruimten kunnen niet worden geïnstalleerd en de duurzaamheidseisen kunnen niet worden gehaald met renovatie. Ten slotte zou ook bij renovatie de spouwmuur verloren gaan, hetgeen leidt tot het verlies van verblijfplaatsen.\n\n12.2. Vergunninghouder wijst erop dat het door verzoekers voorgestelde alternatief qua uitgangspunten een geheel ander bouwplan betreft en dus geen alternatief bevat voor haar wensen, die van BrabantZorg en de gemeente. Uit hoofdstuk 3 van de presentatie van verzoekers \"Voorstel van een alternatief ontwerp\" blijken de verschillen. Het programma van verzoekers behelst 74 zorgappartementen, terwijl het programma van vergunninghouder 48 zorgappartementen, 18 woningen en een MFA. Nu het niet om hetzelfde bouwplan gaat, is het ook geen alternatief.\n\n12.3.. \n\nDe voorzieningenrechter is van oordeel dat het college in het bestreden besluit heeft mogen stellen dat er geen andere bevredigende oplossing is voor het project, die minder effect heeft op de gewone dwergvleermuis. Het college heeft toegelicht dat uit nader onderzoek is gebleken dat de doelen van het project niet kunnen worden gehaald met enkel renovatie. Met renovatie kunnen namelijk minder appartementen worden gerealiseerd, buitenruimten kunnen niet worden geïnstalleerd en de duurzaamheidseisen kunnen niet worden gehaald met renovatie. Daarbij acht de voorzieningenrechter het voldoende aannemelijk dat bij renovatie de spouwmuren ook verloren gaan en dat leidt tot het verlies van verblijfplaatsen.\n\nGunstige staat van instandhouding\n\n13. Verzoekers stellen dat de voorgestelde mitigerende maatregelen niet effectief zijn, omdat verzuimd zou zijn om de toekomstige fysieke gebruikssituatie te betrekken. De beoogde locaties voor de permanente voorzieningen zullen zich namelijk in de nabijheid zullen bevinden van installaties zoals warmtepompen- en luchtbehandelingskasten.\n\n13.1. Het college heeft gesteld dat verzoeker verwijst naar de permanente inbouwvoorzieningen die pas tijdens de nieuwbouw worden geplaatst. Het college merkt op dat deze grond daarom niet spoedeisend is, aangezien de permanente voorzieningen niet op korte termijn worden geplaatst. Ten overvloede overweegt het college dat de exacte locaties van de inbouwkasten voor de zomerverblijfplaats en de kraamverblijfplaats nog moeten worden afgestemd met de initiatiefnemer in verband met de nieuwbouw. Alleen voor de massawinterverblijfplaats is de exacte locatie al bekend. Met de opsomming van eigenschappen en maatregelen ten aanzien van de permanente voorzieningen opgenomen op pagina 11 van de verleende omgevingsvergunning wordt de effectiviteit van de voorzieningen gewaarborgd.\n\n13.2. Vergunninghouder heeft daaraan toegevoegd dat vleermuizen veel geluiden niet waarnemen. Als er al enig geluid waarneembaar (voor mensen) zou zijn op de locaties van de permanente nestkasten, dan betekent dat dus niet dat die geluiden ook voor vleermuizen waarneembaar zouden zijn, laat staat dat dat zou betekenen dat deze geluiden tot verstoring zou leiden. Het is vergunninghouder op dit moment niet duidelijk óf en zo ja hoeveel trillingen de installaties veroorzaken. Hij gaat dit onderzoeken en zal zo nodig de locaties van de permanente voorzieningen hierop afstemmen.\n\n13.3. De voorzieningenrechter overweegt dat met de beschrijving van de eigenschappen en maatregelen en de in de voorschriften vervatte verplichting tijdelijke en permanente voorzieningen te treffen, in het bestreden besluit voldoende is geborgd dat er voldoende alternatieve verblijfsmogelijkheden in de directe omgeving behouden blijven tijdens en na uitvoering van de werkzaamheden. Mede in combinatie met het ongeschikt maken van de verblijfplaatsen buiten de kwetsbare periode, heeft het college voldoende bewerkstelligt dat door deze maatregelen en verplichtingen de gunstige staat van instandhouding niet in het geding komt.\n\n13.4.. Bij de volledige heroverweging in bezwaar moet nog wel meer concreet worden geborgd waar precies de exacte locaties van de permanente inbouwvoorzieningen van de vier inbouwkasten voor de zomerverblijfplaats en twee inbouwkasten voor de kraamverblijfplaats geplaatst moeten worden. De enkele verplichting om de locatie af te stemmen met vergunninghouder in verband met de nieuwbouw is onvoldoende. De voorzieningenrechter beschouwt de permanente voorzieningen als een mitigerende maatregel en dat de locaties van deze inbouwkasten ten tijde van de besluitvorming bepaald hadden moeten zijn. De voordelige effecten van de maatregel moeten bij mitigerende maatregelen namelijk op voorhand vaststaan. Zolang er onduidelijkheid blijft bestaan waar deze inbouwkasten worden gerealiseerd, staat niet vast dat met deze mitigerende maatregelen voldoende is geborgd dat geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populatie van de gewone dwergvleermuis in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. De voorzieningenrechter ziet hierin geen reden om het besluit te schorsen omdat de nieuwbouw niet op korte termijn gerealiseerd zal zijn en het college dit nog in bezwaar kan herstellen.\n\nOnderzoeken niet uitgevoerd conform het protocol\n\n14. Verzoekers voeren aan dat de brondata uit het Activiteitenplan fundamentele protocolfouten aantonen. Verzoekers geven hierbij aan dat in de nacht van 18 op 19 augustus 2025 opeenvolgende onderzoeksronden binnen één etmaal zijn samengepropt in plaats van 10 dagen tussentijd. Verzoekers verwijzen naar de reactie van de eigen onafhankelijke deskundige van de initiatiefnemer (Twisk) waarin schriftelijk wordt bevestigd dat deze najaarsronden niet voldoen aan de richtlijn van het vleermuisprotocol.\n\n14.1. Het college stelt dat verzoekers verwijzen naar processtuk 10, de aanvullingen van 24 april 2026. Hierin is het volgende opgenomen: “De genoemde bezoeken op 7 en 19 augustus voldoen aan de richtlijnen van het Vleermuisprotocol ten aanzien van onderzoek naar massa-winterverblijven, maar werd in het plangebied geen zwermgedrag waargenomen. Bij de bezoeken op 18 augustus en 8 september werd vroeger gestart en werd rond middernacht (18augustus) af een uur ervoor (8 september) gestopt, waarmee deze ronden niet voldoen aan de richtlijn in het Vleermuisprotocol voor massa-winterverblijven. Uit een vergelijking met de hiervoor beschreven informatie over zwermgedrag bij bekende massa winterverblijven kan echter geconcludeerd worden dat ook op 18 augustus de kans groot was dat zwermende gewone dwergvleermuizen zouden zijn waargenomen als er een massa winterverblijfplaats aanwezig was. Dat er alleen op 18 augustus, bijna anderhalf uur voor middernacht, vijf zwermende gewone dwergvleermuizen werden waargenomen, en niet tijdens de overige drie bezoeken die zijn uitgevoerd, maakt het zeer onwaarschijnlijk dat in de gebouwen aan de [adres] in [woonplaats] een massa-winterverblijfplaats van gewone dwergvleermuizen aanwezig is.” Deze afwijking waar verzoekers naar verwijzen gaat enkel over de potentiële massawinterverblijfplaats. In het bestreden besluit is hierover opgenomen dat er in de nazomerzwermperiode 5 gewone dwergvleermuizen zijn waargenomen. Deze vleermuizen keerden regelmatig terug rondom de kozijnen van één van de raampartijen aan de westzijde van het (voormalig) verpleeghuis, wat erop wijst dat de verblijfplaats zich ergens langs de kozijnen bevindt. Deze waarneming heeft plaatsgevonden om 22:33 uur. Gelet op het tijdstip, aantal individuen en de periode in het jaar, kan niet worden uitgesloten dat deze verblijfplaats een massawinterverblijfplaats betreft. Daarom wordt deze als zodanig beschouwd. De afwijking ten opzichte van het Vleermuisprotocol op twee van de dagen voldoen dus niet aan het Vleermuisprotocol. Echter, door het beschouwen van deze verblijfplaats als winterverblijfplaats en het nemen van maatregelen ten aanzien van deze massawinterverblijfplaats, komt de staat van instandhouding van de gewone dwergvleermuis niet in het geding.\n\n14.2. Vergunninghouder merkt op dat haar deskundige (Twisk) in zijn rapport 'Beoordeling verblijfplaats gewone dwergvleermuis, [adres] , [woonplaats] ' concludeert dat er geen massawinterverblijfplaats aanwezig is. Hij stelt dat de twee door Sweco uitgevoerd bezoeken op 7 en 19 augustus aan de richtlijnen van het Vleermuisprotocol voldoen. Dat is ook voldoende. De andere twee uitgevoerde rondes hadden een ander doel, namelijk het waarnemen van paar- en baltsgedrag. Deze hoeven dus ook niet volgens het massawinterprotocol uitgevoerd te worden.\n\n14.3. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter is er geen aanleiding om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het aan de besluitvorming ten grondslag gelegde onderzoeken. Weliswaar heeft Het collefge toegelicht dat sprake is van afwijking ten opzichte van het Vleermuisprotocol op twee van de dagen en die voldoen dus niet aan het Vleermuisprotocol. Echter, door het beschouwen van deze verblijfplaats als winterverblijfplaats en het nemen van maatregelen ten aanzien van deze massawinterverblijfplaats, komt de staat van instandhouding van de gewone dwergvleermuis niet in het geding. Verder is in het activiteitenplan van 15 september 2025 inderdaad een fout geslopen. Er staat 15 juli 2025 in de voetteksten, maar dat had de datum van 15 september 2025 moeten zijn. Dat maakt niet dat de gehele besluitvorming onzorgvuldig is en dat de omgevingsvergunning daarom niet verleend had mogen worden. Hierin ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.\n\nTransportroute en volksgezondheid\n\n15 Verzoekers stellen dat de route van de vrachtwagen in de sloopmelding anders loopt dan de route die is opgenomen in rapporten van de Aeriusberekeningen. Nu de vergunning expliciet eist dat verstoring van de fauna te allen tijde moet worden voorkomen, dwingt deze gewijzigde rijroute tot een hernieuwde ecologische beoordeling. De totale sloop van de huidige bebouwing vormt bovendien een acute bedreiging voor zowel de volksgezondheid als de lokale fauna.\n\n15.1. Het college stelt dat de AERIUS-berekeningen geen onderdeel uitmaken van het bestreden besluit. Deze procedure heeft geen betrekking op een Natura 2000-activiteit. Het college wijst erop dat het in de procedurele overwegingen van het besluit hebben overwogen dat er een toestemming op basis van andere wet- en regelgeving van toepassing kan zijn. Verzoekers hebben verder niet aangevoerd hoe de gekozen transportroute een zware belasting vormt qua trillingen en geluid.\n\n15.2.. Vergunninghouder merkt hierover op dat de vrachtwagens de route zullen rijden zoals aangegeven in de sloopmelding. Op het moment dat de vrachtwagen van de sloop gaan rijden, zullen de vleermuizen zich niet meer in de te slopen gebouwen bevinden vanwege de ontmoedigingsmaatregelen. Er zijn voor deze periode tijdelijke voorzieningen aangebracht op de woningen. Slechts een deel van de locaties van de tijdelijke voorzieningen ligt langs de aanvoerroute van de vrachtwagen. Dit is bovendien op redelijke grote afstand. Bovendien zal het zware verkeer als gevolg van de sloop geen significant effect hebben ten opzichte van het reeds bestaande zware verkeer op de verschillende omliggende straten.\n\n15.3.. Het bestreden besluit ziet niet op de stikstofemissies vanwege transport. Tijdens de zitting is voldoende aannemelijk geworden dat de verblijfplaatsen niet dicht in de buurt bij de transportroute zitten. Het college heeft dit gesteld en eisers hebben het niet weersproken. De voorzieningenrechter acht het op grond daarvan onvoldoende aannemelijk dat de transportroute zal leiden tot verstoring.\n\n15.4.. Verzoekers maken zich zorgen vanwege de stofoverlast door de sloop van de huidige bebouwing die een acute bedreiging zou vormen voor zowel de volksgezondheid als de lokale fauna. Vergunninghouder mag op grond van voorschrift 1 van de verleende omgevingsvergunning geen werkzaamheden uitvoeren die invloed hebben op een beschermde soort. Daarmee is voldoende geborgd dat de transporten een acute dreiging kunnen vormen voor de lokale (beschermde) fauna. De volksgezondheid is niet een belang dat het college bij deze besluitvorming heeft hoeven te betrekken.\n\nConclusie en gevolgen\n\n16. Teneinde iedere verwarring omtrent de stripwerkzaamheden weg te nemen, ziet de voorzieningenrechter aanleiding bij wijze van voorlopige voorziening expliciet te verbieden dat stripwerkzaamheden worden verricht voordat het ongeschikt maken van de vleermuisverblijfplaatsen is uitgevoerd conform voorschrift 12 van de omgevingsvergunning. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning in redelijkheid kunnen verlenen en ziet hij hierin geen reden om het bestreden besluit te schorsen en wijst hij het verzoek voor het overige af.\n\n17 Omdat het verzoek gedeeltelijk wordt toegewezen moet het college de door verzoekers betaalde griffierechten vergoeden. Er is geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\nverbiedt bij wijze van voorlopige voorziening expliciet dat stripwerkzaamheden worden verricht voordat het ongeschikt maken van de vleermuisverblijfplaatsen is uitgevoerd conform voorschrift 12 van de omgevingsvergunning;\n\nwijst het verzoek om voorlopige voorziening voor het overige af;\n\nbepaalt dat het college het griffierecht van € 200 aan verzoekers moet vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H. M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.M.C. van Og, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 6 juli 2026.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\nBijlage\n\nWettelijk kader\n\nArtikel 5.1. tweede lid van de Omgevingswet\n\n2Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:\n\na.een bouwactiviteit,\n\nb.een milieubelastende activiteit,\n\nc.een lozingsactiviteit op:\n\n1°.een oppervlaktewaterlichaam,\n\n2°.een zuiveringtechnisch werk,\n\nd.een wateronttrekkingsactiviteit,\n\ne.een mijnbouwlocatieactiviteit,\n\nf.een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot:\n\n1°.een weg,\n\n2°.een waterstaatswerk,\n\n3°.een luchthaven,\n\n4°.een hoofdspoorweg, lokale spoorweg of bijzondere spoorweg,\n\n5°.een installatie in een waterstaatswerk,\n\ng.een flora- en fauna-activiteit,\n\nvoor zover het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.\n\nArtikel 11.27 Bal\n\n1. Degene die een flora- en fauna-activiteit of een activiteit als bedoeld in artikel 11.22, eerste lid, onder b tot en met g, verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 11.23, is verplicht:\n\na.alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;\n\nb.voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en\n\nc.als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.\n\n2. voor flora- en fauna-activiteiten houdt deze plicht in ieder geval in dat:\n\na.voorafgaand aan het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid van die locatie van:\n\n1°.van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten, genoemd in bijlage I bij de vogelrichtlijn, en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van die richtlijn;\n\n2°.van nature in Nederland in het wild levende dieren of planten van soorten, genoemd in de bijlagen II, IV en V bij de habitatrichtlijn;\n\n3°.dieren of planten van soorten, genoemd in bijlage IX of in de rode lijsten, bedoeld in artikel 2.19, vijfde lid, onder a, onder 3°, van de wet; en\n\n4°.voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats;\n\nb.als deze aanwijzingen er zijn: wordt vastgesteld of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten;\n\nc.als die gevolgen niet kunnen worden uitgesloten: wordt nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten;\n\nd.alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om die nadelige gevolgen te voorkomen;\n\ne.tijdens en na het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben; en\n\nf. het verrichten van de activiteit wordt gestaakt als de nadelige gevolgen toch niet worden voorkomen, of, als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is, passende herstelmaatregelen worden getroffen.\n\n3 Voor de uitoefening van de jacht en activiteiten om populaties van in het wild levende dieren te beheren of om schade door dieren te bestrijden houdt deze plicht in ieder geval in, dat een ieder die een in het wild levend dier doodt of vangt voorkomt dat het dier onnodig lijdt.\n\nArtikel 11.46 Bal\n\nHet verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor:\n\na. het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn,bijlage IIbij het verdrag van Bern ofbijlage Ibij het verdrag van Bonn;\n\nb. het opzettelijk verstoren van dieren als bedoeld onder a;\n\nc. het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren van dieren als bedoeld onder a;\n\nd. het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a; en\n\ne. het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b, bij de habitatrichtlijn ofbijlage Ibij het verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied.\n\nArtikel 8.74k Besluit kwaliteit leefomgeving\n\n1Voor zover een aanvraag een omgevingsvergunning betrekking heeft op een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.46, eerste lid,11.47, eerste lid, of11.48 van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als:\n\na.er geen andere bevredigende oplossing voor het verrichten van de activiteit bestaat;\n\nb.de activiteit nodig is:\n\n1°.in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;\n\n2°.voor het voorkomen van ernstige schade aan met name gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom;\n\n3°.in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;\n\n4°.voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daarvoor benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten; of\n\n5°.om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de omgevingsvergunning vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, respectievelijk een beperkt bij de omgevingsvergunning vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben; en\n\nc.de activiteit geen afbreuk doet aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.\n\n2Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een flora- en fauna-activiteit als bedoeld inartikel 11.46, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgevingtot beperking van de omvang van een populatie van dieren van soorten als bedoeld in dat lid, worden bij de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b, alleen de belangen, bedoeld in dat onderdeel onder 1°, 2° en 3°, in aanmerking genomen.\n\n3Een omgevingsvergunning als bedoeld in het tweede lid wordt alleen verleend aan een faunabeheereenheid, tenzij de noodzaak ontbreekt voor het verrichten van de activiteiten door tussenkomst van een faunabeheereenheid. In dat geval kan de omgevingsvergunning ook worden verleend aan een wildbeheereenheid of aan anderen.\n\n Artikel 5.1. tweede lid onder g van de Omgevingswet\n\nZie de uitspraak van de Afdeling van 24 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3682\n\n Zie de uitspraken van de Afdeling van 29 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1830, 19 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4197 en van 10 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1234.\n\nZie de uitspraak van de Afdeling van 24 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3682\n\n voorschrift 1 van de vergunning\n\nZie onder meer uit de uitspraak van de Afdeling van 25 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1423.\n\nZie onder meer uit de uitspraak van de Afdeling van 25 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1423.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:4762","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:29.306Z",{"id":33,"ecli":34,"slug":35,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":36,"fullText":37,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":38,"sourceTimestamp":39,"parsedAt":30,"updatedAt":40},"662","ECLI:NL:GHSHE:2026:1742","ecli-nl-ghshe-2026-1742","2026-06-26T00:00:00.000Z","Parketnummer : 20-003319-24\n\nUitspraak : 26 juni 2026\n\nTEGENSPRAAKArrest van de economische kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 13 december 2024, in de strafzaak met parketnummer 96-315596-23 tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,\n\nwonende te [adres] .\n\nHoger beroep\n\nBij vonnis waarvan beroep is de eerder uitgevaardigde strafbeschikking vernietigd en is de verdachte ter zake van ‘overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan’ veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van\n\n€ 420,00, subsidiair 8 dagen hechtenis.\n\nVan de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, zal bewezen verklaren hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd en de verdachte zal veroordelen tot een voorwaardelijke geldboete van € 300,00 met een proeftijd van 2 jaren.\n\nDe verdediging heeft primair vrijspraak bepleit. Met betrekking tot de afdoening heeft de verdediging primair verzocht dat het hof toepassing zal geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en subsidiair dat het hof zal volstaan met de oplegging van een geheel voorwaardelijke straf met een proeftijd van 1 jaar.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de economische politierechter.\n\nTenlastelegging\n\nHet hof zal de tenlastelegging verbeterd lezen (cursief weergegeven) in die zin dat de tenlastelegging komt te luiden dat:\n\nzij op of omstreeks 12 mei 2023 te Deurne op of in de omgeving van [straatnaam] zich van afvalstoffen, te wetenhout en\u002Fof plastic en\u002Fof papier en\u002Fof zilverfolie en\u002Fof metalen kabeltjes, althans een of meer afvalstoffen, heeft ontdaan door deze – al dan niet in verpakking – buiten een inrichting te verbranden.\n\nDe in de tenlastelegging voorkomende taal- en\u002Fof schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\nzij op 12 mei 2023 te Deurne op of in de omgeving van [straatnaam] zich van afvalstoffen, te weten plastic en papier en metalen kabeltjes heeft ontdaan door deze – al dan niet in verpakking – buiten een inrichting te verbranden.\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewijsmiddelen\n\nIn het geval tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op dit arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.\n\nBewijsoverwegingen\n\nDe beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de\n\nfeiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.\n\nTer terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging vrijspraak bepleit vanwege het ontbreken van overtuigend bewijs. Hiertoe heeft de raadsvrouw van de verdachte aangevoerd dat het proces-verbaal milieu d.d. 8 juni 2023 door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] is opgemaakt en ondertekend, maar dat uit de inhoud van het proces-verbaal volgt dat er niets door verbalisant [verbalisant 2] wordt geconstateerd en er enkel waarnemingen van verbalisant [verbalisant 1] zijn weergegeven. Derhalve is er sprake van waarnemingen van één verbalisant en kan niet met zekerheid worden vastgesteld wat er is verbrand, nu het mogelijk is dat de verbalisant zich heeft vergist en er afvalstoffen zijn waargenomen van een eerder stookmoment. In het dossier zijn bovendien geen duidelijke foto’s aanwezig, dan wel een duidelijke omschrijving van hetgeen is waargenomen in de oven\u002Fbarbecue, aldus de verdediging.\n\nHet hof overweegt hieromtrent het navolgende.\n\nVoorafgaand aan de inhoud van het proces-verbaal milieu d.d. 8 juni 2023 is opgenomen ‘Wij verbalisanten, [verbalisant 1] , hoofdagent, Basisteam Peelland, Politie Brabant Zuid-Oost, [verbalisant 2] , hoofdagent, Basisteam Peelland, Politie Brabant Zuid-Oost, verklaren het volgende’ en het proces-verbaal is vervolgens op 8 juni 2023 op ambtsbelofte opgemaakt, gesloten en ondertekend door beide verbalisanten. Gelet op het voorgaande ziet het hof geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat verbalisant [verbalisant 2] zich – zoals het pleidooi van de verdediging ten aanzien van (de vorm van) het proces-verbaal zou impliceren – heeft gedistantieerd van hetgeen in het proces-verbaal is gerelateerd. Hoewel in het proces-verbaal schijnbaar enkel waarnemingen van verbalisant [verbalisant 1] zijn weergegeven en deze bovendien in de eerste persoon enkelvoud zijn geschreven, begrijpt het hof het proces-verbaal zo dat deze waarnemingen overeenstemmen met die van de medeondertekenaar van dit proces-verbaal. Evenmin in het gegeven dat in het dossier geen gedetailleerde foto’s dan wel een meer gedetailleerde omschrijving aanwezig is van hetgeen is waargenomen, ziet het hof een reden om te twijfelen aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de waarnemingen waarover door beide verbalisanten op ambtsbelofte in hun proces-verbaal is gerelateerd en gaat het hof dan ook uit van de juistheid van hetgeen hierin is gerelateerd.\n\nHoewel de in het dossier aanwezige foto’s wellicht niet heel scherp zijn, geven deze foto’s geen steun aan de verklaring van de verdachte dat er geen afvalstoffen zijn verbrand, nu op deze foto’s wel een (deel van een) voorwerp is te zien dat geen hout betreft. Het verweer dat dit mogelijk een afvalstof betreft van een eerder stookmoment behoeft geen verdere bespreking, nu het hof hiervoor heeft overwogen uit te gaan van de juistheid en de betrouwbaarheid van het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal en hieruit blijkt dat verbalisant [verbalisant 1] en, naar het hof begrijpt, ook verbalisant [verbalisant 2] een sterke brandlucht roken waaruit duidelijk kon worden opgemaakt dat deze afkomstig was van kunststofverbranding.\n\nHet tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging wordt mitsdien verworpen.\n\nResumerend acht het hof, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\novertreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit, zijnde een overtreding, is strafbaar.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.\n\nOp te leggen sanctie\n\nHet hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.\n\nHet hof heeft in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.\n\nTen laste van de verdachte is bewezenverklaard dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan het zich ontdoen van afvalstoffen door deze buiten een inrichting te verbranden. Hiermee heeft zij een voorschrift van de Wet Milieubeheer overtreden. Het belang van dat voorschrift is de bescherming van bodem en milieu. Door haar handelen heeft de verdachte dit belang veronachtzaamd.\n\nTen aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 2 maart 2026, betrekking hebbend op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen.\n\nVoorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. In dat kader heeft het hof acht geslagen op het e-mailbericht van [hulpverlener] , ambulant hulpverlener bij [bedrijf] , d.d. 11 juni 2026. Hieruit volgt dat zij intensief is betrokken bij de verdachte en de verdachte op diverse leefgebieden hulp nodig heeft. Hulpverlening komt twee keer per week op huisbezoek om alle zaken die spelen op te pakken en daarnaast is er veelvuldig telefonisch contact. De verdachte ervaart veel stress. Financieel heeft zij het zwaar en extra kosten zouden zwaar op haar budget drukken. Er is weinig financiële draagkracht. De verdachte heeft te kampen met ADHD en is voortdurend overbelast, aldus de ambulant begeleider. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte naar voren gebracht dat zij een uitkering ontvangt en een weekbudget heeft van € 83,00, waarvan zij moeilijk kan rondkomen.\n\nGelet op de ernst van het bewezenverklaarde, onder andere dat het een milieudelict betreft en de mogelijke overlast die omwonenden hebben ondervonden van het bewezenverklaarde, is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met toepassing van het rechterlijk pardon, zoals bedoeld in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en verzocht door de verdediging.\n\nAlles afwegende acht het hof, in het bijzonder gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, de oplegging van een onvoorwaardelijke geldboete niet wenselijk. Het hof is van oordeel dat de oplegging van een geheel voorwaardelijke geldboete van € 300,00, subsidiair 3 dagen hechtenis, passend en geboden. Anders dan de verdediging ziet het hof aanleiding om hieraan een proeftijd van 2 jaren te verbinden.\n\nBij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.\n\nMet oplegging van een voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23 en 24c van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 10.2 van de Wet milieubeheer, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking d.d. 22 mei 2023 onder CJIB nummer [nummer] .\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een geldboetevan€ 300,00 (driehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door3 (drie) dagen hechtenis.\n\nBepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. A.R. Hartmann, voorzitter,\n\nmr. W.F. Koolen en mr. H.A.T.G. Koning, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. J. de Leijer, griffier,\n\nen op 26 juni 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1742","2026-07-02T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:41.799Z",{"id":42,"ecli":43,"slug":44,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":47,"sourceTimestamp":48,"parsedAt":30,"updatedAt":49},"1011","ECLI:NL:RBOBR:2026:3855","ecli-nl-rbobr-2026-3855","2026-06-04T00:00:00.000Z","RECHTBANK OOST-BRABANT\n\nZittingsplaats 's-Hertogenbosch\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SHE 25\u002F586\n uitspraak van de meervoudige kamer van 4 juni 2026 in de zaak tussen\n [eiser] , uit [plaats] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. V. Wösten),\n\nen\n\nhet college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant, het college\n\n(gemachtigde: [naam] ).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam], uit [plaats] .\n\nSamenvatting\n\n1. In deze uitspraak oordeelt de rechtbank voor de tweede keer dat het college de afwijzing van een verzoek van eiseres om handhavend op te treden tegen de varkenshouderij van de derde-partij onvoldoende heeft onderbouwd. Deze uitspraak is daarmee helaas een herhaling van zetten in de zoektocht naar een oplossing voor het probleem van de PAS-melders, een probleem dat zeven jaar geleden is ontstaan en dat de bestuursrechter niet kan oplossen. De rechtbank geeft de terugkoppeling aan de wetgever dat het de hoogste tijd is om gevolg te geven aan de verplichting op basis van artikel 22.21 van de Omgevingswet en zorg te dragen voor een betekenisvol programma met kans van slagen om de problematiek van de PAS-melders op te lossen. De rechtbank roept partijen op om in overleg te treden om zelf in dit geval een regeling te treffen.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiseres heeft op 24 augustus 2021 het college verzocht om handhavend op te treden wegens het handelen in strijd met artikel 2.7 van de Wet natuurbescherming. Het college heeft dit verzoek afgewezen in het besluit van 26 november 2021.\n\n2.1.. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt, dat het college met toepassing van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ter behandeling als beroep aan de rechtbank heeft doorgezonden. In de uitspraak van 16 februari 2022heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het besluit van 26 november 2021 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres met inachtneming van de uitspraak. Deze uitspraak is onherroepelijk.\n\n2.2.. Naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank heeft het college op 20 januari 2025 een nieuw besluit op bezwaar genomen (het bestreden besluit), waarbij het college het bezwaar ongegrond heeft verklaard en het afwijzingsbesluit onder aanpassing van de motivering in stand heeft gelaten.\n\n2.3.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n2.4.. De rechtbank heeft het beroep op 21 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college. Namens de derde-partij zijn verschenen [naam] en [naam] .\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nFeiten\n\n3. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.\n\nDe derde-partij exploiteert een varkenshouderij aan [adres] te [woonplaats] . Het bedrijf ligt in de nabijheid van verschillende Natura 2000-gebieden waaronder het Natura 2000-gebied [naam] .\n\nHet bedrijf beschikt over een revisievergunning van 7 oktober 2014 voor meerdere stallen met een totale ammoniakemissie van 3.208,42 kg NH3\u002Fjr. Hierbij zijn ook verklaringen van geen bedenkingen (vvgb) afgegeven door het college en door het college van gedeputeerde staten van de provincie Limburg. Op 15 februari 2016 heeft het bedrijf een melding op grond van het Programma Aanpak Stikstof (PAS) ingediend. Dit hield verband met het (in afwijking van de eerdere revisievergunning) volledig traditioneel huisvesten van 1.706 biggen. Dit resulteert in een totale emissie van 3.856,42 kg NH3\u002Fjr. Het college heeft deze melding geaccepteerd, omdat de stikstofdepositie onder de toen geldende wettelijke grenswaarde (1 mol\u002Fha\u002Fjr) bleef. Op 29 november 2016 is hiervoor ook een omgevingsvergunning verleend.\n\nOp 29 mei 2019 verklaarde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) artikel 2.12 van het Besluit natuurbescherming (Bnb) onverbindend, omdat het PAS niet voldeed aan de eisen in artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn (richtlijn 92\u002F43\u002FEEG). Dat betekende dat voor activiteiten die waren gemeld onder die regeling alsnog een vergunning op basis van de Wnb (de natuurvergunning) nodig was. Zo ook voor het bedrijf van de derde-partij.\n\nOp 22 april 2021 heeft het bedrijf bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) een verzoek tot legalisatie ingediend.\n\nOp 24 augustus 2021 heeft eiseres het college verzocht handhavend op te treden tegen 50 bedrijvenlocaties, waaronder het bedrijf van de derde-partij. Naar aanleiding hiervan heeft de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant op 22 november 2021 een controle uitgevoerd. Ook op 24 juli 2024 heeft de Omgevingsdienst een controle bij het bedrijf van de derde-partij uitgevoerd.\n\nBeoordeling beroepsgronden\n\n4. Eiseres stelt vast dat door de gewijzigde uitvoering van stal 1 sprake is van een toename van ammoniakemissies zonder de daarvoor benodigde natuurvergunning. De PAS-melding die is gedaan in verband met de gewijzigde uitvoering van de stal heeft geen betekenis meer. Dus is sprake van een overtreding van artikel 2.7 van de Wnb. De staat van instandhouding in het Natura 2000-gebied [naam] is slecht met een zeer forse overschrijding van de kritische depositiewaarde (KDW) bij het natuurtype “Herstellend hoogveen”. Er is geen concreet zicht op legalisatie. Dit kan niet worden gevonden in het legalisatieprogramma voor PAS melders. Het college heeft de cumulatieve effecten niet onderzocht.\n\n4.1.. Onder verwijzing naar drie uitspraken van de Afdeling van 28 februari 2024maakt het college in het bestreden besluit een belangenafweging tussen het bedrijfsbelang van de PAS-melder en het natuurbelang. Omdat de depositie volgens het college gering is en zich tijdelijk voordoet, namelijk tot maximaal medio 2025 (wanneer het bedrijf in aanmerking zou moeten komen voor een legalisatietraject wat betreft de natuurvergunning), weegt het college het bedrijfsbelang van de derde-partij zwaarder. Het college kwantificeert dit met een berekening van de periode waarin het instandhoudingsdoel in 2030 is bereikt conform de doelstelling in de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) als deze tijdelijke emissie niet plaatsvindt. Het college berekent een tijdswinst van minder dan 1 uur in 2030 bij handhavend optreden.\n\n4.2.. De derde-partij vraagt aandacht voor haar kant van het verhaal. Zij heeft destijds gebruik gemaakt van de wettelijke mogelijkheden en niet geïnvesteerd in een stalsysteem omdat zij een PAS-melding kon doen. Nu voelt ze zich daar achteraf voor bestraft. Ze staat met de rug tegen de muur, want het bedrijf kan niet zomaar minder biggen gaan houden. Het achteraf aanbrengen van het stalsysteem is veel duurder en bovendien in strijd met de Omgevingsverordening Noord-Brabant waarin bij nieuwbouw andere emissiearme stalsystemen worden voorgeschreven. Zij wil (mede vanuit dierenwelzijn) investeren in een nieuwe stal, maar heeft daarvoor een nieuwe natuurvergunning nodig en het college verleent nu geen natuurvergunningen. Zij verkeert sinds 2019 in onzekerheid en ze wil een stip aan de horizon om naartoe te werken.\n\n4.3.. De Afdeling heeft in de hiervoor genoemde uitspraken van 28 februari 2024 uiteengezet dat er ruimte kan bestaan om tijdelijk af te zien van handhavend optreden tegen PAS-melders, mits het college kan motiveren dat er een redelijk evenwicht is tussen de belangen van de PAS-melders en het natuurbelang. Over de eisen die aan deze motivering worden gesteld overwoog de Afdeling onder 1.6 van deze uitspraken: “De Afdeling ziet echter in (1) de individuele belangen van de PAS-melders, (2) de rechtszekerheid die PAS-melders aan het PAS-regime mochten ontlenen, (3) de verschillende uitlatingen van de overheid na de PAS-uitspraak dat PAS-melders zullen worden gelegaliseerd, (4) het legalisatieprogramma dat ervan uitgaat dat medio 2025 alle PAS-melders een natuurvergunning kunnen aanvragen, en (5) het feit dat het legalisatieprogramma in uitvoering is en de bedrijven daarin de mogelijke stappen hebben ondernomen, bijzondere omstandigheden die voor het college aanleiding kunnen zijn om handhavend optreden onevenredig te achten in verhouding tot het natuurbelang en tot medio 2025 af te zien van handhavend optreden. Of daadwerkelijk kan worden afgezien van handhavend optreden, kan het college echter pas beoordelen nadat het de vraag heeft beantwoord of er een redelijk evenwicht is tussen de belangen van de PAS-melders en de belangen die worden gediend met handhavend optreden (het natuurbelang). Hiervoor is nodig dat de gevolgen van het niet handhavend optreden voor de natuur in beeld zijn en zijn afgewogen voor tenminste dezelfde periode, dus tot uiterlijk medio 2025. Aan het natuurbelang kan in die afweging tegemoet worden gekomen door het treffen van maatregelen. Als daarvoor wordt gekozen dan moeten die maatregelen ten minste gelden tot medio 2025. Wanneer die maatregelen inhouden dat bepaalde activiteiten die stikstofdepositie veroorzaken stoppen, moet vaststaan dat in die periode de activiteiten die zijn betrokken in de maatregelen, niet kunnen worden hervat.”\n\n4.4.. Tussen partijen is niet in geschil dat het bedrijf van de derde-partij in werking is in afwijking van de omgevingsvergunning uit 2014 en dat het bedrijf in overtreding was van artikel 2.7 van de Wnb (thans artikel 5.1, eerste lid onder e, van de Omgevingswet).\n\n4.5.. \n\nDe rechtbank stelt vast dat in het bestreden besluit de individuele belangen van de derde-partij niet in kaart zijn gebracht. Dit had het college wel moeten doen. Daarnaast is in het bestreden besluit geen aandacht besteed aan de staat van instandhouding van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden. De waardering van dit belang vergt meer dan een abstracte berekening van de tijdswinst die kan worden geboekt met handhavend optreden. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in rechtsoverweging 9.3 van de uitspraak van de Afdeling van 15 mei 2024.\n\nBovendien is het bestreden besluit gebaseerd op de veronderstelling dat medio 2025 sprake zal zijn van een concreet zicht op legalisatie. Eisers hebben dit terecht in twijfel getrokken want dat concreet zicht op legalisatie was er niet medio 2025. Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch oordeelde hetzelfde in rechtsoverweging 3.2.3.8 van het arrest van 17 februari 2026: “Op grond van voormeld artikel is op 28 februari 2022 het Legalisatieprogramma PAS-meldingen vastgesteld. [X B.V] heeft een aanvraag tot legalisatie gedaan. Na afloop van de periode van 3 jaar, op 28 februari 2025, heeft dit programma voor veel PAS-melders, waaronder [X B.V], niet tot legalisatie van hun activiteiten (projecten) geleid omdat er te weinig stikstofruimte beschikbaar was om de activiteiten van alle PAS-melders te legaliseren als bedoeld in artikel 22.21. Ow.”Het bestreden besluit is om deze drie redenen onvoldoende gemotiveerd.\n\n5. Eiseres stelt dat de feitelijke werking van de luchtwassers in de overige stallen ten onrechte niet is gecontroleerd.\n\n5.1.. \n\nIn het handhavingsverzoek is verzocht om op te treden tegen het in werking zijn van het bedrijf zonder natuurvergunning. Er is niet verzocht om op te treden tegen het in werking zijn van het bedrijf in afwijking van de revisievergunning uit 2014 met de bijbehorende verklaringen van geen bedenkingen. Anders dan eiseres stelt, valt dit ook niet in het handhavingsverzoek te lezen. In de uitspraak van 16 februari 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat het college in het verzoek van eiseres geen aanleiding heeft hoeven zien om de werking van de combiluchtwassers te controleren. Eiseres heeft tegen dit onderdeel van de uitspraak geen hoger beroep ingesteld. De rechtbank ziet geen aanleiding om op dit oordeel terug te komen. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit zal worden vernietigd.\n\n6.1.. Desgevraagd heeft de derde-partij ter zitting toegelicht welke aanpassingen moeten worden gedaan aan het bedrijf om in werking te zijn conform de omgevingsvergunning van 2014. Het aanbrengen van het daarin genoemde systeem in stal 1 (mestopvang in water in combinatie met een mestafvoersysteem, stalsysteem BWL 2006.07.V1) vergt een aanzienlijke investering en is bovendien in afwijking van artikel 3.99 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant, omdat dit systeem niet wordt genoemd in bijlage VI. Het college heeft echter niet kunnen aangeven welke betekenis wordt gehecht aan dit belang.\n\n6.2.. De rechtbank gaat ervan uit dat het college het natuurbelang en de staat van instandhouding van de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden, zoals die worden beschreven in de verschillende natuurdoelanalyses en adviezen van de Ecologische Autoriteit en de daaruit voortvloeiende noodzaak om herstelmaatregelen te treffen, onderschrijft. De slechte staat van diverse Natura 2000-gebieden is in meerdere uitspraken van deze rechtbank vastgesteld.Het college heeft niet kunnen aangeven welke betekenis wordt gehecht aan dit belang.\n\n6.3.. Op basis van artikel 22.21 van de Omgevingswet is de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur gehouden om, uit een oogpunt van rechtszekerheid tezamen met gedeputeerde staten van de provincies, zorg te dragen voor het legaliseren van de projecten met een geringe stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden die voldeden aan de voorwaarden van artikel 2.12 van het Bnb, zoals dat luidde op 28 mei 2019. Hiervoor dient de Minister vóór 1 mei 2026 een programma vast te stellen met maatregelen om de in het eerste lid bedoelde projecten te legaliseren. Het programma bevat primair gerichte maatregelen voor het verminderen van stikstofemissie. De in het programma opgenomen maatregelen worden uitgevoerd vóór 1 maart 2028. Het college heeft ter zitting gewezen op een conceptprogramma dat op 17 april 2026 ter consultatie ter inzage is gelegd. Verder heeft het college bevestigd dat de verplichting in artikel 22.21 van de Omgevingswet in combinatie met het programma niet zou leiden tot een ander besluit dan het bestreden besluit. Gelet op de korte termijn voor de zitting hebben partijen hier niet op kunnen reageren. Bovendien is het geen definitief programma en worden er slechts algemene oplossingsrichtingen in voorgesteld. De rechtbank ziet geen aanleiding het conceptprogramma te betrekken bij deze procedure.\n\n6.4.. De rechtbank ziet in de hierboven genoemde omstandigheden geen aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten of het college in de gelegenheid te stellen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Er is ook overigens geen enkele aanleiding voor het bieden van een ruime hersteltermijn of een handhavingsmoratorium als in de uitspraken van de Afdeling van 18 december 2024.De rechtbank ziet nu geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. Het college krijgt nogmaals de opdracht om een nieuw (inmiddels derde) besluit te nemen op het verzoek van eiseres. Het is inmiddels bijna 7 jaar geleden dat artikel 2.12 van het Bnb onverbindend werd verklaard. De rechtbank draagt het college op dit besluit te nemen binnen zes maanden na dagtekening van deze uitspraak. De rechtbank gaat ervan uit dat dit het laatste besluit zal zijn.\n\n6.5.. Deze uitspraak is een herhaling van zetten. Partijen en de natuur komen hiermee niet dichterbij een oplossing en er komt geen stip op de horizon. Deze uitspraak verschilt daarmee niet met uitspraken van andere rechtbanken.De rechtbank geeft de terugkoppeling aan de wetgever dat het de hoogste tijd is om gevolg te geven aan artikel 22.21 van de Omgevingswet en zorg te dragen voor een betekenisvol programma met kans van slagen.\n\n6.6.. De rechtbank roept partijen wel op om met elkaar in overleg te gaan over een oplossing in deze zaak. Ten behoeve van dit overleg geeft de rechtbank partijen het volgende mee voor het overleg over hun rechtspositie en opstelling bij dit overleg.\n\nIn intrekkingszaken, waaronder de eerdergenoemde uitspraak van 16 april 2025, heeft de rechtbank overwogen dat artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn niet absoluut is maar wordt beperkt door artikel 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.. De rechtbank is bovendien bekend met het feit dat eiseres in andere zaken zich bereid heeft verklaard om water bij de wijn te doen als er maar maatregelen worden genomen. Dit is onder meer het geval in de zaak SHE 25\u002F579 waar vandaag om die reden een tussenuitspraak wordt gedaan. Overleg kan een snellere route zijn naar het door eiseres gewenste natuurherstel.\n\nIn navolging van rechtsoverweging 3.20 van het eerdergenoemde arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch wijst de rechtbank de derde-partij erop dat de vrijheid van ondernemerschap en het recht op ongestoord genot van eigendom niet onbeperkt zijn, maar worden beperkt door artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn. Van de derde-partij mag dus enige inspanning worden verwacht, zeker nu de wetgever en de rechtspraak geen aanleiding hebben gezien voor een generaal pardon voor PAS-melders.\n\nHet college heeft er terecht op gewezen dat het aan de landelijke wetgever is om stappen te maken in dit traject, maar de provincie Noord-Brabant heeft ook strenge eisen gesteld aan de stalsystemen van nieuwe stallen in artikel 3.99 van de Omgevingsverordening. Dit beperkt de derde-partij bij het renoveren van stal 1. Het college is wel het bevoegd gezag bij de verlening van de (eventueel) noodzakelijke natuurvergunning ter legalisatie.\n\n6.7.. Omdat het beroep gegrond wordt verklaard, moet het college de door eiseres betaalde griffierechten vergoeden. Zij krijgt ook een vergoeding van de proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting) met een waarde per punt van € 934,00 en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank;\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit;\n\ndraagt het college op een nieuw besluit te nemen binnen zes maanden na dagtekening van deze uitspraak met inachtneming van deze uitspraak;\n\nbepaalt dat het college het griffierecht van € 385,00 aan eiseres moet vergoeden;\n\nveroordeelt het college tot betaling van € 1.868,00 aan proceskosten aan eiseres.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M Verhoeven, voorzitter, en mr. J. Heijerman en mr. C.N. van der Sluis, leden, in aanwezigheid van mr. A.F. Hooghuis, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 4 juni 2026.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n ECLI:NL:RBOBR:2022:670\n\n ECLI:NL:RVS:2024:844, ECLI:NL:RVS:2024:852 en ECLI:NL:RVS:2024:838\n\n ECLI:NL:RVS:2024:2051\n\n ECLI:NL:GHSHE:2026:364\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van deze rechtbank van 16 april 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:2327\n\n ECLI:NL:RVS:2022:4923\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de rechtbank Gelderland van 12 februari 2025 (ECLI:NL:RBGEL:2025:1141)","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:3855","2026-06-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:58.941Z",{"id":51,"ecli":52,"slug":53,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":54,"fullText":55,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":56,"sourceTimestamp":57,"parsedAt":30,"updatedAt":58},"1010","ECLI:NL:RBOBR:2026:3621","ecli-nl-rbobr-2026-3621","2026-05-28T00:00:00.000Z","RECHTBANK OOST-BRABANT\n\nZittingsplaats 's-Hertogenbosch\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: SHE 25\u002F3318 OWHAND SHE 25\u002F3647 OWHAND\n uitspraak van de meervoudige kamer van 28 mei 2026 in de zaak tussen\n [eiseres] , uit [vestigingsplaats] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. W.J.W. van Eijk),\n\nen\n\nhet college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant,het college\n\n(gemachtigden: P. Hoefnagels, R. Adriaens en P. Thijssen).\n\nSamenvatting\n\nDeze uitspraak gaat over drie aan eiseres opgelegde lasten onder dwangsom in verband met overtredingen van haar afvalstoffenbedrijf aan de [adres] te [vestigingsplaats] . De uitspraak gaat ook over de invordering van verbeurde dwangsommen van in totaal € 1.000.000,- wegens overtreding van de eerste last. Eiseres is het niet met deze besluiten eens en heeft daarom beroep ingesteld.\n\nDe rechtbank komt tot het oordeel dat de drie lasten onder dwangsom rechtmatig zijn. De herstelmaatregelen zijn bij de derde last echter te dwingend geformuleerd. De rechtbank vernietigt dat onderdeel van het bestreden besluit. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van dat besluit in stand omdat inmiddels duidelijk is dat het eiseres vrij staat om een keuze te maken voor herstelmaatregelen. Het beroep tegen het invorderingsbesluit is ongegrond.\n\nOnder 1. staat het procesverloop. Onder 2. staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot de bestreden besluiten. De beoordeling van de lasten onder dwangsom staat onder 3. tot en met 5. Onder 6. staat de beoordeling van het invorderingsbesluit. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.\n\nProcesverloop\n\n1. Met het besluit van 2 april 2025 heeft het college aan eiseres drie lasten onder dwangsom opgelegd voor haar afvalstoffenbedrijf aan de [adres] te [vestigingsplaats] , te weten: I. Partijen shredderresidu. Eiseres dient overtreding van artikel 2.11, eerste lid, aanhef en onder a t\u002Fm c van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) te beëindigen en beëindigd te houden. Dit kan zij bijvoorbeeld doen door alle partijen shredderresidu die ten tijde van dit besluit nog aanwezig zijn (ca. 5.700 ton) volledig af te voeren naar een daarvoor erkende inzamelaar\u002Fverwerker. Wanneer na 14 mei 2025 wordt geconstateerd dat er nog shredderresidu op het terrein van het bedrijf van eiseres aanwezig is, wordt een dwangsom verbeurd van € 250.000,- per constatering, waarbij maximaal 1 dwangsom per week wordt verbeurd tot een maximum te verbeuren bedrag van € 1.000.000,-.\n\nII. Bodemlozing bluswater\u002Fkoelwater\u002Fhemelwater langs het bedrijf nabij de N279. Eiseres dient een herhaling van overtreding van artikel 2.11, eerste lid, a t\u002Fm c van het Bal te voorkomen. Dit kan zij bijvoorbeeld doen door de partij shredderresidu die nu tegen de ommuring ligt en natgehouden werd, zodanig ver van de muur af te halen dat water dat uit de partij shredderresidu vrijkomt niet meer door de ommuring in de bodem loopt. Wanneer na 9 april 2025 wordt geconstateerd dat bluswater\u002Fkoelwater\u002Fhemelwater van het terrein door de ommuring van het bedrijf in de bodem uitspoelt, wordt een dwangsom verbeurd van € 15.000,- per etmaal waarop een herhaling van de overtreding wordt vastgesteld tot een maximum te verbeuren bedrag van € 60.000,-.\n\nIII. Afvoeren van afvalwater anders dan via het gemeentelijk riool. Eiseres dient herhaling van overtreding van voorschrift 3.1.1 van de omgevingsvergunning te voorkomen. Dit kan zij doen door bijvoorbeeld bluswater\u002Fkoelwater\u002Fhemelwater op te vangen c.q. op te slaan en naar een erkende ontvanger\u002Fverwerker af te voeren. Wanneer na 9 april 2025 wordt geconstateerd dat afvalwater niet opgevangen wordt en naar een daarvoor erkende ontvanger\u002Fverwerker wordt afgevoerd, wordt een dwangsom verbeurd van € 50.000,- per etmaal waarop het college herhaling constateert met een maximum te verbeuren dwangsom van € 300.000,-.\n\nEiseres mag weer afvalwater van het bedrijf op het rioolstelsel lozen zodra zij heeft aangetoond dat de kwaliteit van het afvalwater daaraan niet in de weg staat. Daarvoor zal tenminste nodig zijn dat de partijen shredderresidu volledig weg zijn. Het college laat zich adviseren door het waterschap om te bepalen of de afvalwaterkwaliteit acceptabel is.1.1.. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.1.2.. Bij brief van 13 mei 2025 heeft eiseres het college verzocht om de begunstigingstermijn van de last onder I op te schorten dan wel te verlengen omdat zij niet in staat is om voor het aflopen van de begunstigingstermijn al het shredderresidu af te voeren.1.3.. Bij uitspraak van 2 juli 2025 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening gedeeltelijk toegewezen.\n\n1.4.. \n\nMet het bestreden besluit van 21 oktober 2025 op het bezwaar van eiseres heeft het college last II ongewijzigd gehandhaafd. Het college heeft de lasten I en III als volgt aangepast: I. Eiseres dient overtreding van artikel 2.11, eerste lid, aanhef en onder a t\u002Fm c van het Bal te beëindigen en beëindigd te houden. Dit kan bijvoorbeeld door alle partijen shredderresidu die ten tijde van het besluit in primo aanwezig waren, volledig af te voeren naar een daarvoor erkende inzamelaar\u002Fverwerker. Het college verwijst hierbij ook naar het plan van aanpak dat is verstrekt op 7 februari 2025, waarbij ook een plattegrond is meegestuurd waarop de partijen shredderresidu zijn weergegeven. Het college gaat ervan uit dat op het moment van verzenden van het besluit in primo nog ca. 5.700 ton shredderresidu af te voeren valt. Het college gaat er daarnaast van uit dat 1.000 ton per week afvoeren mogelijk is. Wanneer het college na 23 juli 2025 overtreding van artikel 2.11, eerste lid, aanhef en onder a tot en met c, van het Bal constateert en er in zoverre nog shredderresidu als hiervoor bedoeld op het terrein van het bedrijf aanwezig is, wordt een dwangsom verbeurd van € 250.000,- per constatering, waarbij maximaal 1 dwangsom per week wordt verbeurd tot een maximum te verbeuren bedrag van € 1.000.000,- (4 dwangsommen). De opslag van nieuwe partijen shredderresidu die na 2 juli 2025 binnenkomen, is toegestaan mits deze afzonderlijk worden opgeslagen, niet worden vermengd met andere partijen en overeenkomstig de omgevingsvergunning worden geregistreerd. Als dit laatste niet gebeurt, dan wordt het shredderresidu geacht deel uit te maken van de partij shredderresidu die er vóór 3 juli 2025 lag en waar de last op ziet. De bewijslast hiervoor ligt bij eiseres.\n\nIII. Eiseres dient overtreding van voorschrift 3.1.1 van haar omgevingsvergunning te voorkomen. Dit kan zij bijvoorbeeld doen door bluswater\u002Fkoelwater\u002Fhemelwater op te vangen c.q. op te slaan en naar een erkende ontvanger\u002Fverwerker af te voeren. Wanneer het college na 9 april 2025 constateert dat afvalwater niet opgevangen wordt en naar een daarvoor erkende ontvanger\u002Fverwerker wordt afgevoerd, wordt een dwangsom verbeurd van € 50.000,- per etmaal waarop het college herhaling constateert, tot een maximum te verbeuren bedrag van € 300.000,- (6 dwangsommen). Eiseres mag weer afvalwater op het rioolstelsel lozen, zodra het shredderresidu – waarop last I ziet – is afgevoerd, het bedrijfsriool is gereinigd en het bedrijfsterrein waar het shredderresidu is opgeslagen, is gereinigd. Wanneer eiseres er voor kiest om de resterende partijen shredderresidu af te dekken, mag zij lozen van afvalwater op het gemeentelijk riool ook hervatten. Het college moet dan wel eerst geconstateerd hebben dat de afdekking doeltreffend is en eiseres hebben medegedeeld dat hij met de getroffen maatregelen instemt. Verder heeft het college de begunstigingstermijn verlengd tot 23 juli 2025.\n\n1.5.. Met het besluit van 24 oktober 2025 heeft het college besloten de wegens overtreding van last I verbeurde dwangsommen, ten bedrage van € 1.000.000,- in te vorderen (het invorderingsbesluit).\n\n1.6.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar van 21 oktober 2025. Dit beroep is geregistreerd als SHE 25\u002F3318.\n\n1.7.. Het college heeft het door eiseres tegen het invorderingsbesluit ingediende bezwaarschrift ter behandeling als beroep doorgezonden aan de rechtbank. Omdat het beroep tegen de lasten onder dwangsom van rechtswege ook wordt aangemerkt als beroep tegen het invorderingsbesluit, beschouwt de rechtbank het door het college doorgezonden bezwaarschrift tegen het invorderingsbesluit als aanvullend beroepschrift. Dit is bij de rechtbank geregistreerd als SHE 25\u002F3647.1.8.. Eiseres heeft de voorzieningenrechter verzocht om het invorderingsbesluit te schorsen. Bij uitspraak van 24 december 2025 heeft de voorzieningenrechter het invorderingsbesluit bij wijze van ordemaatregel geschorst. De voorzieningenrechter heeft bepaald dat partijen worden uitgenodigd op een nader te bepalen zitting om te beoordelen of toepassing moet worden gegeven aan artikel 8:87, eerste lid, van de Awb.1.9.. Het college heeft op het beroep van eiseres en op het verzoek om een voorlopige voorziening gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.10.. Eiseres heeft op 19 en 26 februari 2026 nadere stukken ingediend.1.11. De rechtbank heeft de beroepen op 3 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, [naam] (voor eiseres) en [naam] (voor eiseres) en de gemachtigden van het college. De zitting heeft in het openbaar plaatsgevonden. Op verzoek van eiseres heeft de rechtbank de deuren alleen gesloten voor de behandeling van gegevens over de financiële positie van het bedrijf.\n\n Feiten en omstandigheden\n\n2. Eiseres exploiteert aan de [adres] in [vestigingsplaats] een bedrijf dat handelt in metaal, afkomstig van metaalschroot dat ter plaatse wordt opgeslagen en verwerkt. Op het buitenterrein wordt onder meer shredderresidu afkomstig uit metaalrecycling opgeslagen. Het bedrijf ligt op een bedrijventerrein en wordt begrensd door de spoorlijn [vestigingsplaats] aan de zuidzijde, de provinciale wegen [nummer] aan de noordzijde en de [nummer] aan de westzijde en een bedrijfshal voor logistieke doeleinden aan de oostzijde.2.1.. Het college heeft voor de gehele inrichting van eiseres op 8 juni 2021 een (revisie) omgevingsvergunning verleend. Deze omgevingsvergunning is aan te merken als een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit op grond van de Omgevingswet.2.2.. Er zijn meerdere controles uitgevoerd door toezichthouders van de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (de ODZOB).\n\nOp 23 oktober 2024 heeft een toezichthouder een sterke chemische (plastic)geur ter hoogte van het bedrijf van eiseres waargenomen.\n\nOp 20 november 2024 is vastgesteld dat onder meer aan de voet van het grote depot met shredderresidu, aan de noord- en noordoostzijde, sprake is geweest van brand. Deze brand is door eiseres zelf gedoofd door het met een shovel uit de opslag weg te nemen.\n\nIn een brief van 14 januari 2025 heeft het college eiseres medegedeeld dat de ODZOB tijdens op 8 en 20 november 2024 gehouden controles heeft vastgesteld dat op het terrein van het bedrijf van eiseres shredderresidu (circa 40.000 m3) werd opgeslagen waarin een brandonveilige situatie als gevolg van broei is ontstaan. Hierbij is onder meer vastgesteld dat de maximaal toegestane opslaghoogte van afvalstoffen op het buitenterrein wordt overschreden en dat vrijkomende afvalstoffen (waaronder shredderresidu) onvoldoende worden gescheiden en gescheiden bewaard.\n\nOp 31 januari 2025 is na een melding van geuroverlast door een toezichthouder broei in afvalbergen van het bedrijf geconstateerd.\n\nOp 7 februari 2025 heeft eiseres op verzoek van de ODZOB een afvoerplan voor het shredderresidu aangeleverd. Op 24 februari 2025 is eiseres gestart met afvoeren.\n\nOp 14 februari 2025 heeft een periodieke controle ter plaatse door een toezichthouder plaatsgevonden. Er zijn sporen van brand en broei geconstateerd (locatie B). In het gesprek tussen de toezichthouders van de ODZOB en de heren [naam] en [naam] is, in gezamenlijkheid, de conclusie getrokken dat afvoer de enige oplossing is in het geval van deze grootschalige opslag.2.3.. Bij brief van 21 februari 2025 heeft het college aan eiseres het voornemen kenbaar gemaakt tot het opleggen van een last onder dwangsom om herhaling te voorkomen van overtreding van artikel 5.5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Omgevingswet en (1) voorschrift 2.2.1 van de omgevingsvergunning door het verspreid raken van foliesnippers buiten het terrein van het bedrijf, (2.) voorschrift 8.1.1 van de omgevingsvergunning door het veroorzaken van geur buiten de grenzen van het bedrijf door het opslaan van shredderresidu. Eiseres heeft een zienswijze ingediend tegen dit voornemen.\n\n2.4.. Hierna zijn opnieuw meerdere controles uitgevoerd door toezichthouders van de ODZOB.\n\nOp 14 en 15 maart 2025 heeft een controle door een toezichthouder plaatsgevonden. Op deze data hebben zich twee branden voorgedaan in een partij shredderresidu op het terrein van het bedrijf (locatie B).\n\nBij e-mail van 21 maart 2025 heeft eiseres melding gedaan van de ongewone voorvallen. Zij heeft hierbij aangegeven dat de partij waar tweemaal brand is geweest, preventief wordt natgehouden. Ook heeft eiseres aangegeven dat 1.000 ton materiaal per week zal worden afgevoerd naar erkende afvalverwerkers en dat zal worden gestreefd naar 1.250 ton per week.\n\nOp 19, 22 en 23 maart 2025 hebben opnieuw controles plaatsgevonden. Omdat hierbij is geconstateerd dat het afvloeiende, mogelijk ernstig verontreinigde, blus- en koelwater richting de nabijgelegen rioolput stroomde, heeft de toezichthouder eiseres gesommeerd het lozen op het gemeentelijk riool te staken totdat de waterkwaliteit is onderzocht en het waterschap akkoord geeft voor hervatting.\n\nOp 24 maart 2025 heeft een toezichthouder bij een schouw aan de buitenzijde van het terrein geconstateerd dat langs de afscheidingsmuur ter hoogte van depot B een aanzienlijke hoeveelheid afvalwater onbeschermd in de bodem is geïnfiltreerd. Het betreft met name koel- en bluswater. Het bedrijf heeft geen maatregelen getroffen om dit te voorkomen. Er zijn ook monsters genomen van het afvalwater.2.5.. Bij e-mail van 26 maart 2025 heeft het waterschap Aa en Maas de ODZOB meegedeeld dat het betreffende afvalwater giftig is voor het bacteriële zuiveringsproces van de RWZI. Dat blijkt uit de uitslagen van de genomen monsters. Het waterschap deelt mee dat het afvalwater van eiseres niet kan worden ontvangen.\n\n2.6.. Bij het besluit van 2 april 2025 (het dwangsombesluit) heeft het college de drie lasten onder dwangsom aan eiseres opgelegd.\n\n2.7.. Op 12 mei 2025 heeft het college eiseres op haar verzoek een omgevingsvergunning verleend voor onder meer het plaatsen van een nieuwe zeefinstallatie. Het college heeft met dit besluit ook enkele voorschriften (2.2.1, 7.2.1 en 7.2.2) van de omgevingsvergunning van 8 juni 2021 ambtshalve gewijzigd en voorschriften toegevoegd met betrekking tot het voldoen aan de BBT-conclusies voor afvalbehandeling met betrekking tot het aspect milieubeheersysteem en geluid.\n\n2.8.. \n\nBij e-mail van 16 mei 2025 heeft eiseres het college meegedeeld dat zij na 15 april 2025 de volgende acties heeft uitgevoerd:\n\n• het reinigen en leegpompen van haar bedrijfsriolering waar bluswater in aanwezig was;\n\n• het afvoeren van dit afvalwater naar een erkend verwerker;\n\n• het laten uitvoeren van de monstername (24 april 2025) en de analyse van het water in het bedrijfsriool na leegpompen\u002Freiniging na een regenbui.\n\nEiseres vraagt het college in deze e-mail om het lozen van afvalwater op het gemeentelijk riool te mogen hervatten.\n\n2.9.. Bij e-mail van 23 mei 2025 heeft de ODZOB eiseres laten weten dat nog niet kan worden ingestemd met het lozen van afvalwater op het gemeentelijk riool.\n\n2.10.. Bij brief van 11 juli 2025 heeft het college eiseres, conform het advies van het waterschap Aa en Maas meegedeeld dat zij lozing van afvalwater op het riool mag hervatten zodra het shredderresidu – waarop last I ziet – is afgevoerd, het riool is gereinigd en het bedrijfsterrein waar het was opgeslagen is gereinigd. Wanneer eiseres ervoor kiest om de resterende partijen shredderresidu af te dekken, mag zij lozen van afvalwater op het riool ook hervatten. Het college moet dan wel eerst geconstateerd hebben dat de afdekking doeltreffend is en eiseres meegedeeld hebben dat het met de getroffen maatregelen instemt. Het college houdt er onverkort aan vast dat het shredderresidu op 23 juli 2025 moet zijn afgevoerd.\n\n2.11.. Na afloop van de voor last I gestelde begunstigingstermijn heeft het college op 24 juli 2025, 1 augustus 2025, 11 augustus 2025 en 19 augustus 2025 controles laten verrichten. Hierbij is telkens geconstateerd dat niet werd voldaan aan last I. Dit heeft geleid tot het invorderingsbesluit.\n\nOordeel van de rechtbankLast I: afvoer shredderresidu\n\nIs sprake van een overtreding van de specifieke zorgplicht?\n\n3. Volgens eiseres is het college niet bevoegd handhavend op te treden wegens schending van de in artikel 2.11 van het Bal neergelegde zorgplicht. Het opslaan van shredderresidu is vergund in voorschrift 2.3.1 van de omgevingsvergunning van 8 juni 2021. In die vergunning zijn voorschriften gesteld om geur-, broei- en brandgevaar te voorkomen en te beperken (voorschrift 8.1.2). Eiseres houdt zich hieraan. Als het college dit onvoldoende acht, had het op de weg van het college gelegen extra voorschriften hierover op te nemen in de vergunning. De zorgplicht is niet bedoeld voor situaties waarin een vergunning had kunnen (en moeten) voorzien. Daarbij komt dat eiseres met extra maatregelen die zij heeft getroffen en nog altijd treft om geurhinder en brand- en broeigevaar te voorkomen dan wel te beperken, invulling geeft aan haar zorgplicht. Sinds het voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom tot en met 18 december 2026 is ruim 11.458 ton shredderresidu afgevoerd. De nog aanwezige partijen worden gezeefd, waarbij de fijne fractie wordt gescheiden van de grovere fractie. Als de temperatuur van het residu oploopt, worden de partijen nat gehouden. Er is een brandwacht ingesteld die dit 24\u002F7 controleert en bijhoudt in een logboek. Van schending van artikel 2.11 van het Bal is volgens eiseres geen sprake, laat staan van een evidenteschending.\n\n3.1.. \n\nHet college erkent dat de opslag van shredderresidu is vergund. Dat geldt echter niet voor de nadelige gevolgen die voor de fysieke leefomgeving (zijn) ontstaan door de opslag van shredderresidu waarin zich broei en branden manifesteerden. De vergunningvoorschriften hebben betrekking op het voorkomen van broei, maar in de vergunning is niet geregeld wat te doen als broei en brand eenmaal is ontstaan. De specifieke zorgplicht werkt aanvullend naast vergunningvoorschriften en algemene regels en leent zich volgens het college juist bij uitstek om niet vergunde nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving spoedig te doen beëindigen. Als eenmaal brand is ontstaan in het shredderresidu, waardoor nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving ontstaan en blijven voortduren én de kans bestaat op een nieuwe brand, schieten de vergunningvoorschriften tekort. Handhaven wegens handelen in strijd met de in artikel 2.11 Bal opgenomen specifieke zorgplicht is dan volgens het college gerechtvaardigd. De “extra” maatregelen waarop eiseres doelt zoals temperatuurmetingen en het bijhouden van een logboek, zijn geen maatregelen om de nadelige gevolgen van broei en brand te beëindigen, maar maatregelen om broei en brand te voorkomen. Die maatregelen moeten al worden getroffen op grond van de vergunning (voorschrift 8.1.2).\n\nNaast geuroverlast, heeft de broei en brand ertoe geleid dat er blusactiviteiten hebben plaatsgevonden en een waterscherm in gebruik is geweest. Hierdoor hebben schadelijke, zo niet zeer zorgwekkende, emissies plaatsgevonden naar lucht, water en bodem. Eiseres heeft ook elders een onderneming gehad ( [naam] ), waar hetzelfde materiaal werd opgeslagen en waarin ook branden hebben plaatsgevonden. Zij had dan ook redelijkerwijs kunnen weten dat hier nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving door (kunnen) ontstaan. Ook had zij volgens het college kunnen weten dat alleen met het zo snel mogelijk afvoeren van de betreffende partijen shredderresidu de schadelijke emissies zo snel als mogelijk konden worden beëindigd.\n\n3.2.. Op grond van artikel 2.11 van het Bal is degene die een milieubelastende activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 2.2, verplicht a) alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b) voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c) als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.\n\nOp grond van het tweede lid van artikel 2.11 houdt deze zorgplicht voor milieubelastende activiteiten in ieder geval in dat: a. alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen; (…) d. geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt; e. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de wet.\n\nIn artikel 2.13 van het Bal wordt de bevoegdheid gegeven om maatwerkvoorschriften of vergunningvoorschriften te stellen over onder meer artikel 2.11 van het Bal.3.3.. De rechtbank stelt voorop dat eiseres beschikt over een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit. Handhaving van de zorgplicht in artikel 2.11 van het Bal komt in dat geval alleen in beeld als de omgevingsvergunning geen specifieke voorschriften bevat voor een bepaald milieuaspect, bij ongebruikelijke activiteiten, in bijzondere omstandigheden, of als de (doel- en middel)voorschriften ontoereikend zijn om de nadelige gevolgen in voldoende mate te voorkomen. Uit een oogpunt van rechtszekerheid moet deze aanvullende werking van de specifieke zorgplicht naar het oordeel van de rechtbank beperkt worden opgevat als voor een bepaald milieuaspect specifieke (doel- of middel)voorschriften zijn gesteld en een vergunninghouder de activiteiten op de gebruikelijke wijze uitoefent. Een overtreding op grond van de specifieke zorgplicht in artikel 2.11 Bal kan naar het oordeel van de rechtbank alleen aan de orde zijn als hetzelfde resultaat niet kan worden bereikt met een voorschrift dat al aan de omgevingsvergunning is verbonden.3.4.. Als overtreding van de specifieke zorgplicht aan de orde is, moet voor de vergunninghouder redelijkerwijs zijn te voorzien wat de overtreding in een concreet geval inhoudt.Als er voldoende tijd is, kan dat door de vergunninghouder te laten weten wat van hem wordt verwacht, in overleg te treden over ongedaanmaking van de overtreding, een maatwerkvoorschrift (in het vooruitzicht) te stellen of een (ontwerp voor) wijziging van de voorschriften van de omgevingsvergunning kenbaar te maken. De nadelige gevolgen van een overtreding van de specifieke zorgplicht kunnen in een concrete situatie echter meebrengen dat daar niet op kan worden gewacht. Dan is de vraag aan de orde of directe handhaving op grond van overtreding van de specifieke zorgplicht mogelijk is.\n\n3.5.. Directe handhaving op de specifieke zorgplicht is naar het oordeel van de rechtbank mogelijk bij evidente overtredingen. De activiteit moet evident in strijd zijn met de zorgplicht in artikel 2.11 van het Bal.Daarvan is sprake in situaties waarin het handelen of nalaten van degene die de activiteit verricht onmiskenbaar in strijd is met de zorgplicht. Directe handhaving van het overtreden van de specifieke zorgplicht is niet gerechtvaardigd als de betrokkene redelijkerwijs niet kon weten wat in het concrete geval een goede invulling is van de specifieke zorgplicht. De rechtbank wijst ter onderbouwing op de wetsgeschiedenis van de Omgevingswet en het Bal.\n\n3.6.. Het college heeft lasten onder dwangsom opgelegd omdat broei en brand was ontstaan in het shredderresidu. Dat veroorzaakte volgens het college dusdanig nadelige gevolgen voor het milieu, dat het shredderresidu zo snel mogelijk moest worden verwijderd. Gelet op de aanvullende werking van de zorgplicht bespreekt de rechtbank eerst of het college de lasten had kunnen baseren op de overtreding van één of meer vergunningvoorschriften.\n\n3.7.. Op grond van voorschrift 2.3.1 van de omgevingsvergunning van 8 juni 2021 is de opslag van bepaalde afvalstoffen toegestaan. Hieronder valt onder meer het shredderresidu. Uit voorschrift 2.2.4 volgt dat afvalstoffen maximaal één jaar mogen worden opgeslagen. Ten tijde van het dwangsombesluit lag het shredderresidu er nog niet langer dan één jaar. Deze voorschriften waren op dat moment niet overtreden en konden dus niet aan de lasten ten grondslag worden gelegd.\n\n3.8.. Voorschrift 2.5.2 van de omgevingsvergunning houdt in dat de hoogte van de opgeslagen afvalstoffen niet hoger mag zijn dan de ommuring ter plaatse van de opslag. Dit voorschrift kon ook niet aan de lasten ten grondslag worden gelegd omdat het college beoogt dat al het shredderresidu volledig wordt verwijderd, ongeacht de hoogte.\n\n3.9.. In de omgevingsvergunning zijn voorschriften gesteld om geur-, broei- en brandgevaar te voorkomen dan wel te beperken. Eiseres wijst op voorschrift 8.1.2. In dit voorschrift is echter niet geregeld wat moet worden gedaan nadatbroei en brand zijn ontstaan. Dat is ook niet geregeld in andere vergunningvoorschriften. De omgevingsvergunning biedt geen basis om eiseres te gelasten een partij shredderresidu waarin broei en brand is ontstaan versneld af te voeren om verdere milieuverontreiniging te voorkomen. De vergunningvoorschriften zijn naar het oordeel van de rechtbank ontoereikend om de nadelige gevolgen in voldoende mate te voorkomen. Dat betekent dat de specifieke zorgplicht in artikel 2.11 van het Bal in beeld komt. De stelling van eiseres dat de omgevingsvergunning had kunnen en moeten voorzien in voorschriften voor de situatie na het ontstaan van broei en brand, doet hieraan niet af. Als een onderwerp niet in de omgevingsvergunning is geregeld, dient de vergunninghouder de eisen van de specifieke zorgplicht in artikel 2.11 van het Bal in acht te nemen. De specifieke zorgplicht heeft hier een aanvullende werking.\n\n3.10.. \n\nNaar het oordeel van de rechtbank was ten tijde van het dwangsombesluit van 2 april 2025 sprake van een evidente schending van de specifieke zorgplicht in artikel 2.11 van het Bal. Hierbij neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.\n\nBij de op 8 en 20 november 2024 gehouden controle is geconstateerd dat de maximaal toegestane opslaghoogte van afvalstoffen op het buitenterrein werd overschreden en dat vrijkomende afvalstoffen (waaronder shredderresidu) onvoldoende werden gescheiden en gescheiden bewaard. Hierdoor is een brandonveilige situatie en ook daadwerkelijk brand ontstaan in de partijen shredderresidu die afkomstig zijn van het bedrijf [naam] van eiseres. Ook op 14 februari 2025 zijn sporen van brand en broei geconstateerd. Tijdens het gesprek dat toen heeft plaatsgevonden tussen de toezichthouders van de ODZOB en de heren [naam] en [naam] hebben zij samen de conclusie getrokken dat afvoer de enige oplossing is in het geval van deze grootschalige opslag.\n\nNa de verkoop van [naam] op 18 februari 2025, is eiseres met de hierdoor vrijgekomen financiële middelen op 24 februari 2025 begonnen met het afvoeren van shredderresidu. Daarna zijn er nog branden geweest in het shredderresidu op 14 en 15 maart 2025, ten gevolge waarvan (nog meer) verontreiniging van zowel lucht, bodem als (riool)water heeft kunnen plaatsvinden. Gelet op het voorgaande heeft het college terecht overwogen dat de opslag van shredderresidu, afkomstig van eiseresses toenmalige bedrijf [naam] , de broei en vervolgens de branden die erin zijn ontstaan, gepaard gaan met geuremissie en rookontwikkeling. Via de lucht zijn schadelijke stoffen in de leefomgeving terechtgekomen. Ook heeft het college terecht overwogen dat blus\u002Fkoelwater van het residu in de bodem infiltreert en dat via die route schadelijke - zo niet zeer zorgwekkende - stoffen in de bodem terecht zijn gekomen en\u002Fof terechtkomen en dat het water buiten de inrichting weglekt. Hiermee staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de opslag van het aanwezige shredderresidu nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving heeft opgeleverd en een groot risico blijft opleveren voor de fysieke leefomgeving. In de gegeven omstandigheden was evident dat de partijen shredderresidu die aanwezig waren in november 2024 zo spoedig mogelijk hadden moeten worden afgevoerd. Dat was ten tijde van het dwangsombesluit op 2 april 2025 nog niet gerealiseerd. Het college heeft dan ook tot de conclusie mogen komen dat eiseres evident in strijd heeft gehandeld met de specifieke zorgplicht in artikel 2.11 van het Bal. Dat betekent dat het college bevoegd was een last onder dwangsom op te leggen.\n\nDe beroepsgrond slaagt niet.\n\nIs last I te verstrekkend?\n\n3.11.. Eiseres voert aan dat de herstelmaatregel, volledige afvoer van het shredderresidu, te verstrekkend is. Zij wijst erop dat de opslag van shredderresidu is vergund. Zij wijst ook op paragraaf 4.104 “Opslaan van goederen” van het voorkomen of te beperken.3.12.. Het college vindt de last niet te verstrekkend. Het materiaal moet al periodiek worden afgevoerd. De last vergt slechts dat het afvoeren eerder plaatsvindt. Als eenmaal broei en brand is ontstaan, is het niet mogelijk een minder verstrekkende maatregel op te leggen om de emissie van schadelijke stoffen te doen beëindigen, aldus het college.3.13.. De rechtbank acht het niet onevenredig dat het college, om te voorkomen dat opnieuw branden uitbreken, van eiseres verlangt dat zij alhet op dat moment aanwezige shredderresidu afvoert. Het college beoogt met last I te voorkomen dat opnieuw brand en broei in de partij shredderresidu uitbreken en dat (verdere) verontreiniging van lucht, bodem en riolering (water) plaatsvindt. Omdat zich al branden en broei hebben voorgedaan in deze partij shredderresidu, en dat gevaar voor de omgeving heeft opgeleverd, heeft het college naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid de afvoer van de hele partij kunnen gelasten. Dat inmiddels door afvoer een kleinere partij ter plaatse resteert, maakt niet dat geen (nieuwe) branden en broei zouden kunnen ontstaan.\n\nDe beroepsgrond slaagt niet.\n\nIs de begunstigingstermijn te kort?3.14.. De begunstigingstermijn is in het bestreden besluit verlengd van 15 mei 2025 naar 23 juli 2025. Eiseres voert aan dat de begunstigingstermijn nog steeds te kort is. Eiseres is niet in staat gebleken om al het shredderresidu voor 23 juli 2025 af te voeren. De afnemers konden in een bepaalde periode wekelijks maar een bepaalde hoeveelheid aan. Bovendien lieten de beschikbare financiële middelen geen grotere wekelijkse afvoer toe. Verder zijn in het afvoerplan van eiseres per abuis ook partijen verwerkingsmateriaal als residu vermeld. Na het opstellen van het plan is een veranderingsvergunning in werking getreden voor onder andere een zeef. Dat maakt het mogelijk om de aanwezige partijen metaalafvalstoffen ten behoeve van verdere verwerking te zeven. Ten tijde van het bestreden besluit (21 oktober 2025) was het aanwezige volume residu flink verminderd en waren er extra maatregelen getroffen. Daardoor waren er volgens eiseres geen milieubelangen (meer) in het geding die zich tegen een langere termijn verzetten.3.15.. Het college stelt zich op het standpunt dat eiseres in staat was om al het shredderresidu vóór 23 juli 2025 af te voeren. Het college wijst erop dat eiseres in februari 2025 zelf een plan heeft opgesteld voor de afvoer van het shredderresidu. Hierin is een afvoerintensiteit opgenomen van circa 1.000 ton per week. Ook hierna hebben nog twee branden plaatsgevonden. Omdat de gevolgen voor de fysieke leefomgeving in ernstige mate toenamen, heeft het college verlangd om de volledige afvoer binnen afzienbare maar volgens het afvoerplan redelijke en haalbare termijn uit te voeren (1.000 ton per week). De ontvangers van het shredderresidu hebben bevestigd dat zij 1.000 ton per week kunnen ontvangen. Er zijn bovendien meerdere partijen die shredderresidu afnemen. Van het bedrijf mag worden verwacht dat het liquide middelen reserveert voor het afvoeren van restfracties. De veranderingsvergunning voor een zeef leidt er volgens het college niet toe dat de begunstigingstermijn te kort is.3.16.. Op grond van artikel 5:32a, tweede lid, van de Awb wordt bij een last onder dwangsom die strekt tot het ongedaan maken van een overtreding of het voorkomen van verdere overtreding, een termijn gesteld gedurende welke de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd. Dat is de zogeheten begunstigingstermijn. Aan het college komt bij het bepalen van de lengte van de begunstigingstermijn enige vrijheid toe. Bij het bepalen van de lengte van de begunstigingstermijn geldt als uitgangspunt dat deze termijn niet wezenlijk langer mag worden gesteld dan noodzakelijk is om de overtreding te kunnen opheffen. Een begunstigingstermijn mag ook niet wezenlijk korter worden gesteld dan nodig is om de overtreding te kunnen opheffen.3.17.. De begunstigingstermijn is naar het oordeel van de rechtbank niet onredelijk kort. Het college heeft bij het bepalen van de begunstigingstermijn mogen uitgaan van de inschatting dat het mogelijk is om ongeveer 1.000 ton per week shredderresidu af te voeren. Hierbij heeft het college rekening mogen houden met het afvoerplan dat eiseres zelf heeft opgesteld. De twee afnemers van het shredderresidu hebben bevestigd dat afvoer van 1.000 ton per week mogelijk is. De stelling van eiseres dat de afnemers deze hoeveelheid in werkelijkheid niet kunnen verwerken, wijkt af van wat de afnemers hierover hebben meegedeeld. Eiseres heeft deze afwijkende stelling niet onderbouwd. Daarom gaat de rechtbank daaraan voorbij. De stelling van eiseres dat zij onvoldoende liquiditeitsruimte had om het shredderresidu vóór 23 juli 2025 af te voeren, slaagt niet. Het college heeft terecht naar voren gebracht dat van eiseres mag worden verwacht dat zij liquide middelen reserveert voor de vereiste afvoer van het shredderresidu. De inwerkingtreding van de veranderingsvergunning voor onder andere een nieuwe zeefinstallatie, leidt evenmin tot het oordeel dat de begunstigingstermijn te kort is. De veranderingsvergunning noodzaakt niet tot vertraging in de afvoer van het shredderresidu. Dat eiseres met behulp van de veranderingsvergunning andere keuzes wil maken bij de afvoer van het shredderresidu en daardoor meer tijd nodig zou hebben voor de afvoer, komt voor haar rekening en risico. De stelling van eiseres dat er na het afvoeren van een gedeelte van het shredderresidu geen milieubelangen meer zijn die zich tegen een langere termijn verzetten, slaagt niet. Zoals hiervoor al is overwogen heeft het college onder dwangsom verwijdering van de volledige partij shredderresidu mogen gelasten. De begunstigingstermijn mag niet langer worden gesteld dan noodzakelijk is om dat te realiseren.\n\nDe beroepsgrond slaagt niet.\n\nIs de dwangsom onevenredig hoog?3.18. De hoogte van de dwangsom van € 250.000,- per keer en € 1.000.000,- in totaal is volgens eiseres niet evenredig. Het college heeft de dwangsom aan de hoge kosten van afvoeren van de afvalstoffen gekoppeld. Dat kan alleen als er een voordeel voor eiseres bestaat bij het niet afvoeren. Dat voordeel is er niet omdat de afvalstoffen volgens voorschrift 2.2.4 sowieso binnen één jaar moeten worden afgevoerd. Bovendien mag eiseres de stoffen volgens de omgevingsvergunning opslaan. De dwangsom van € 1.000.000,- staat volgens eiseres niet in verhouding tot de overtreding en zij is ook niet in staat om dit bedrag te voldoen.\n\n3.19.. Het college heeft de hoogte van de dwangsom gekoppeld aan de kosten van afvoer. Van de dwangsom moet een prikkel uitgaan om overtredingen te beëindigen zonder dat dwangsommen worden verbeurd. Een erkende ontvanger\u002Fverwerker hanteert een tarief van ongeveer € 142,- per ton. Volgens het college moest ten tijde van het handhavingsbesluit nog ongeveer 5.700 ton shredderresidu worden afgevoerd. De kosten daarvan zijn 5.700 x € 142,- = € 809.400,-. Om de werking van de dwangsom als prikkel te waarborgen, is van een hoger maximum van € 1.000.000,- uitgegaan.3.20.. Op grond van artikel 5:32b, derde lid, van de Awb dienen de dwangsombedragen in redelijke verhouding te staan tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom.\n\n3.21.. Het opleggen van een last onder dwangsom heeft ten doel de overtreder te bewegen tot naleving van de voor hem geldende regels. Van de dwangsom moet een zodanige prikkel uitgaan dat de opgelegde last wordt uitgevoerd zonder dat een dwangsom wordt verbeurd.Om dit doel te bereiken kan de hoogte van het bedrag worden afgestemd op het financiële voordeel dat een overtreder kan verwachten als hij de last niet uitvoert. Gelet hierop heeft het college de hoogte van de dwangsommen naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid kunnen afstemmen op de geschatte kosten van het afvoeren van de afvalstoffen. Het college heeft daarbij voor een hoger maximumbedrag mogen kiezen dan de geschatte totale kosten van het afvoeren. De stelling dat eiseres die kosten op een later moment toch al zou moeten maken omdat de afvalstoffen binnen een jaar moeten worden afgevoerd, leidt niet tot de conclusie dat het bedrag aan dwangsommen te hoog is.\n\n3.22.. Het gaat om een overtreding met ernstige gevolgen voor het milieu. De rechtbank kan eiseres dan ook niet volgen in de stelling dat een maximumbedrag van € 1.000.000,- niet in verhouding staat tot de overtreding.\n\n3.23.. De stelling dat eiseres niet in staat is dat bedrag te voldoen, is in dit kader niet relevant. De financiële draagkracht van de overtreder kan in beginsel geen rol spelen bij het bepalen van de hoogte van de dwangsom.Daartoe overweegt de rechtbank dat van een dwangsom die naar draagkracht zou worden vastgesteld, geen zodanige prikkel zou uitgaan dat de opgelegde last wordt uitgevoerd om te voorkomen dat een dwangsom wordt verbeurd.\n\n3.24.. Gelet op de ernst van de overtreding en het financiële voordeel van het niet uitvoeren van de last, heeft het college naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid voor een dwangsom van € 250.000,- per week met een maximum van € 1.000.000,- kunnen kiezen.\n\nDe beroepsgrond slaagt niet.\n\nLast II: lozen afvalwater4. Eiseres heeft tijdens de zitting aangegeven dat haar beroep niet tegen deze last is gericht. De rechtbank zal deze last dan ook niet beoordelen.\n\nLast III: niet mogen lozen op het gemeentelijk riool\n\n5. Op grond van vergunningvoorschrift 3.1.1 mag bedrijfsafvalwater uitsluitend in een openbaar vuilwaterriool worden gebracht, als door de samenstelling, eigenschappen of hoeveelheid hiervan: a. de doelmatige werking niet wordt belemmerd van een openbaar vuilwaterriool (…). Tussen partijen is niet in geschil dat met het lozen van verontreinigd bluswater\u002Fhemelwater de doelmatige werking van het rioolsysteem is belemmerd. Dat betekent dat vergunningvoorschrift 3.1.1 is overtreden. Het college was dan ook bevoegd om een last onder dwangsom op te leggen om herhaling van deze overtreding te voorkomen. Is last III te verstrekkend?5.1.. In het bestreden besluit staat dat eiseres herhaling van de overtreding bijvoorbeeld dient te voorkomen door bluswater\u002Fkoelwater\u002Fhemelwater op te vangen c.q. op te slaan en naar een erkende ontvanger\u002Fverwerker af te voeren. Wanneer het college na afloop van de begunstigingstermijn constateert dat afvalwater niet opgevangen wordt en naar een daarvoor erkende ontvanger\u002Fverwerker wordt afgevoerd, wordt een dwangsom verbeurd. Eiseres mag weer afvalwater van het bedrijf op het rioolstelsel lozen zodra het shredderresidu - waarop last I ziet - is afgevoerd, het bedrijfsriool is gereinigd en het bedrijfsterrein waar het shredderresidu is opgeslagen is gereinigd. Eiseres mag het lozen van afvalwater op het gemeentelijk riool ook hervatten wanneer zij ervoor kiest om de resterende partijen shredderresidu af te dekken. Het college moet dan wel eerst geconstateerd hebben dat de afdekking doeltreffend is en met de getroffen maatregelen instemmen.5.2.. Deze last is volgens eiseres te verstrekkend. De eis dat pas weer met het lozen van afvalwater mag worden aangevangen als alle partijen shredderresidu volledig zijn afgevoerd of afgedekt en het terrein en riolering zijn schoongemaakt, gaat te ver. Opslaan van shredderresidu is vergund. Met het afvoeren van de partijen waarin zich brand heeft voorgedaan, het schoonvegen van dat gedeelte van het terrein en het reinigen van het riool, is weer sprake van een representatieve bedrijfssituatie. De omgevingsvergunning vereist niet dat afvalstoffen worden afgedekt. Van overtreding van vergunningvoorschrift 3.1.1 is geen sprake meer. Uit recente monsterneming van het afvalwater is gebleken dat het veel schoner is dan kort na de broeibranden. Eiseres heeft de indruk dat het college via handhaving probeert de normstelling in de vergunning aan te scherpen. Dat is onrechtmatig. Als het college bepaalde stoffen niet aanvaardbaar acht, ligt het op de weg van het college om concrete lozingsnormen per parameter op te nemen in de omgevingsvergunning, aldus eiseres.\n\n5.3.. Volgens het college zijn nog niet alle partijen shredderresidu waarin zich broei en branden manifesteerden afgevoerd. Zolang dat niet is gebeurd, kan verontreiniging die is ontstaan door brand en broei blijven uitspoelen. Omdat eiseres er niet voor heeft gekozen om de partijen af te dekken, is het volgens het college niet mogelijk om hemelwater buiten beschouwing te laten, omdat dit één afvalstroom vormt met blus- en koelwater.5.4.. Op grond van artikel 5:32a, eerste lid, van de Awb omschrijft de last onder dwangsom te nemen herstelmaatregelen. De last moet in combinatie met de herstelmaatregelen zodanig duidelijk en concreet geformuleerd zijn dat degene tot wie de last is gericht niet in het duister hoeft te tasten over wat gedaan moet worden om toepassing van de aangekondigde dwangmaatregelen te voorkomen.Een last is dwingend. Herstelmaatregelen zijn dat niet. Een lastgevingmoet de overtreder vrijlaten in de keuze voor de toepassing van een herstelmaatregel. De grondslag voor de lastgeving ligt namelijk uitsluitend in het feit dat er een overtreding is van een bepaald voorschrift. Een lastgeving mag daarom nooit verder strekken dan het ongedaan maken van deze overtreding.\n\n5.5.. De rechtbank stelt voorop dat de omschrijving van last III niet te verstrekkend is. De last houdt in dat eiseres herhaling van overtreding van voorschrift 3.1.1 van de omgevingsvergunning moet voorkomen.\n\n5.6.. Vervolgens is aan de orde of de herstelmaatregelen niet te dwingend zijn geformuleerd. In het bestreden besluit is aangegeven dat eiseres herhaling van de overtreding bijvoorbeeldkan voorkomen door bluswater\u002Fkoelwater\u002Fhemelwater op te vangen c.q. op te slaan en naar een erkende ontvanger\u002Fverwerker af te voeren. Uit deze formulering volgt dat het slechts om een voorbeeld gaat. In het bestreden besluit staat echter ook het volgende: “U mag weer afvalwater van uw bedrijf op het rioolstelsel lozen, zodra het shredderresidu -waarop last I ziet - is afgevoerd, het bedrijfsriool is gereinigd en het bedrijfsterrein waar het shredderresidu is opgeslagen is gereinigd. Wanneer u er voor kiest om de resterende partijen shredderresidu af te dekken, mag u lozen van afvalwater op het gemeentelijke riool ook hervatten. Wij moeten dan wel eerst geconstateerd hebben dat de afdekking doeltreffend is en u meegedeeld hebben dat wij met de getroffen maatregelen instemmen”.5.7.. Het college heeft dus twee herstelmaatregelen genoemd: afvoer van het shredderresidu in combinatie met reiniging en afdekking van het shredderresidu. De rechtbank kan en zal in het midden laten of deze twee herstelmaatregelen verder gaan dan nodig is om herhaling van de overtreding van vergunningvoorschrift 3.1.1 te voorkomen. Het staat eiseres volgens de systematiek van artikel 5:32a, eerste lid, van de Awb immers vrij om ook voor andere herstelmaatregelen te kiezen.Indien mogelijk kan zij zelf voor minder vergaande herstelmaatregelen kiezen. De door het college gekozen formulering wekt echter de indruk dat eiseres geen keuzevrijheid heeft en alleen maar op deze twee wijzen aan vergunningvoorschrift 3.1.1 mag voldoen. Daarmee wordt de keuzevrijheid van eiseres ten onrechte beperkt. Vergunningvoorschrift 3.1.1 bevat een resultaatsverplichting voor de kwaliteit van het afvalwater. Het vergunningvoorschrift geeft geen middelen aan waarmee dat resultaat moet worden bereikt. Vaststaat dat het shredderresidu in elk geval gedeeltelijk is afgevoerd. Het bedrijf van eiseres beschikt inmiddels over apparatuur om beter te kunnen monitoren of in het resterende shredderresidu de temperatuur naar brandgevaarlijke hoogten stijgt. Ook is sprake van meer toezicht. Uit het advies van het waterschap Aa en Maas (waterkwaliteitsbeheerder) van 2 juli 2025 naar aanleiding van een analyserapport van 16 juni 2025 van op 6 juni 2025 bemonsterd afvalwater blijkt dat de kwaliteit van het afvalwater toen nog niet voldoende verbeterd was. Niet uitgesloten is echter dat de kwaliteit van het afvalwater inmiddels wel voldoende is verbeterd. Als met behulp van analyseresultaten van bemonsterd afvalwater zou worden aangetoond dat de kwaliteit van het afvalwater zodanig is verbeterd dat geen sprake meer is van een belemmering van de doelmatige werking van het rioolsysteem, zou geen sprake meer zijn van overtreding van voorschrift 3.1.1 van de omgevingsvergunning. In dat geval zou het mogelijk moeten zijn om de lozing op het gemeentelijke riool te hervatten. Die mogelijkheid lijkt echter te worden uitgesloten door het college. Op dit punt is de formulering van het bestreden besluit niet juist. De rechtbank zal dit onderdeel van het bestreden besluit dan ook vernietigen wegens strijd met artikel 5:32a, eerste lid, van de Awb.\n\nDe beroepsgrond slaagt.\n\n5.8.. De rechtbank ziet aanleiding om het geschil op dit punt finaal te beslechten. Last III is rechtmatig. Gelet op het voorgaande had het college eiseres echter vrij moeten laten om zo mogelijk voor andere herstelmaatregelen te kiezen. Uit deze uitspraak blijkt dat eiseres zelf mag kiezen op welke wijze zij aan vergunningvoorschrift 3.1.1 zal voldoen. Nu hierover duidelijkheid bestaat, ziet de rechtbank aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen onderdeel van het bestreden besluit in stand te laten.\n\nIs de dwangsom onevenredig hoog?\n\n5.9.. De hoogte van de dwangsom is € 50.000,- per etmaal waarop het college herhaling constateert, tot een maximum te verbeuren bedrag van € 300.000,-. Volgens eiseres is dit niet evenredig. Voor de nadere onderbouwing van deze beroepsgrond verwijst zij naar wat is opgemerkt ter bestrijding van de hoogte van de dwangsom verbonden aan last I. Volgens eiseres kan het college in redelijkheid geen aansluiting zoeken bij de kosten die afvoer naar een erkende verwerker met zich brengen.\n\n5.10.. Het college wijst erop dat er voldoende prikkel uit moet gaan van de hoogte van de dwangsom om eiseres ertoe te bewegen aan de last te voldoen. Het college ziet niet in waarom het voor het bepalen van de dwangsomhoogte niet kan uitgaan van afvoerkosten van afvalwater op een andere wijze dan lozing via het riool.\n\n5.11.. De rechtbank acht ook deze dwangsommen niet onevenredig hoog. Daartoe wijst zij op wat zij onder 3.20 tot en met 3.24 heeft overwogen. Het college heeft de hoogte van deze dwangsom in redelijkheid kunnen afstemmen op de kosten van de afvoer van het afvalwater op een andere wijze dan via het riool. Volgens de inschatting van het college zou eiseres per etmaal minimaal € 30.000,- moeten uitgeven voor afvoer via een erkende verwerker. Ervan uitgaande dat van een dwangsombedrag een zodanige prikkel moet uitgaan, dat de opgelegde last wordt uitgevoerd zonder dat een dwangsom wordt verbeurd, heeft het college voor een maximumbedrag mogen kiezen dat hoger is dan de geschatte totale kosten van het afvoeren.\n\nDe beroepsgrond slaagt niet.\n\nInvordering wegens overtreding van last I\n\n6. In het invorderingsbesluit heeft het college vermeld dat op 24 juli 2025, 1 augustus 2025, 11 augustus 2025 en 19 augustus 2025 controles zijn uitgevoerd waarbij is vastgesteld dat eiseres niet heeft voldaan heeft aan last I. Het aanwezige shredderresidu is niet volledig verwijderd. Daarmee zijn volgens het college vier dwangsommen à € 250.000,- per keer verbeurd. Het gaat in totaal om een bedrag van € 1.000.000,-.\n\n6.1.. Tussen partijen is niet in geschil dat de volledige partij shredderresidu op de hiervoor genoemde data inderdaad nog niet volledig was afgevoerd. Dat betekent dat eiseres in strijd heeft gehandeld met last I. Zij heeft van rechtswege bij elke constatering een dwangsom van € 250.000,- verbeurd. Het gaat om vier dwangsommen van € 250.000,-. Het college was dan ook bevoegd om over te gaan tot invordering van € 1.000.000,-.\n\n6.2.. Eiseres verzoekt om de beroepsgronden tegen de opgelegde last onder dwangsom ook aan te merken als de beroepsgronden tegen het invorderingsbesluit.\n\n6.3.. Dit verzoek leidt niet tot het door eiseres gewenste resultaat. In een procedure tegen een invorderingsbeschikking kan de belanghebbende in beginsel niet met succes gronden naar voren kan brengen die hij tegen de last onder dwangsom naar voren heeft gebracht of had kunnen brengen. Dit kan alleen in uitzonderlijke gevallen. Een uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld worden aangenomen indien evident is dat er geen overtreding is gepleegd en\u002Fof betrokkene geen overtreder is. De rechtbank is niet gebleken dat zich in dit geval een dergelijk uitzonderlijk geval voordoet.\n\n6.4.. Eiseres voert aan dat het bedrag van € 1.000.000,- te hoog en onvoldoende aanwezig is om dat te kunnen betalen. De invordering van dit bedrag brengt het bedrijf volgens eiseres serieus in financiële problemen.\n\n6.5.. De rechtbank stelt voorop dat bij een besluit tot invordering van een verbeurde dwangsom aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht moet worden toegekend.Een andere opvatting zou namelijk afdoen aan het gezag dat moet uitgaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Steun voor dit uitgangspunt kan worden gevonden in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Awb.Hierin is vermeld dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dat verbeurde dwangsommen dus worden ingevorderd.Alleen in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien. 6.6. Volgens vaste rechtspraak hoeft het bestuursorgaan bij een besluit over invordering van verbeurde dwangsommen in beginsel geen rekening te houden met de vraag of de overtreder in staat is om de verbeurde dwangsommen te voldoen. De financiële draagkracht van de overtreder kan immers in de regel pas in de executiefase ten volle worden gewogen. Als hierover een geschil ontstaat, is de rechter die belast is met de beslechting daarvan bij uitstek in de positie hierover een oordeel te geven. Voor een uitzondering op dit beginsel bestaat slechts aanleiding, indien evident is dat de overtreder gezien zijn financiële draagkracht niet in staat zal zijn de verbeurde dwangsommen (volledig) te betalen.Op de overtreder rust de last aannemelijk te maken dat dit het geval is. Hij dient daartoe zodanige informatie te verstrekken dat een betrouwbaar en volledig inzicht wordt verkregen in zijn financiële situatie en de gevolgen die het betalen van de verbeurde dwangsommen zou hebben. Ook de liquiditeitspositie van de overtreder kan in de regel pas in de executiefase ten volle worden gewogen. In dit kader is onder meer van belang dat het college bevoegd is om een betalingsregeling te treffen voor verbeurde dwangsommen.\n\n6.7.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij gezien haar financiële draagkracht of andere financiële aspecten evident niet in staat zal zijn de verbeurde dwangsommen te betalen. Zij heeft naar het oordeel van de rechtbank geen zodanige informatie verstrekt dat een betrouwbaar en volledig inzicht wordt gegeven over haar financiële situatie, de gevolgen die het betalen van de verbeurde dwangsommen zou hebben en de mogelijkheid om deze financiële last binnen de holding te dragen waartoe eiseres behoort.\n\nDe beroepsgronden tegen het invorderingsbesluit slagen niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep tegen het bestreden besluit van 21 oktober 2025 is gegrond. De enige fout is echter slechts dat de twee herstelmaatregelen om gevolg te geven aan last III te dwingend zijn geformuleerd. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen voor zover het college heeft nagelaten eiseres vrij te laten in de keuze voor de toepassing van een herstelmaatregel. Voor het overige blijft dit besluit in stand. Last I, II en III blijven dus gelden. Zoals onder 5.8. is overwogen, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde onderdeel van het bestreden besluit in stand.\n\n7.1.. Omdat het beroep tegen het bestreden besluit van 21 oktober 2025 gegrond is, moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt zij ook een vergoeding van haar proceskosten. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een (aanvullend) beroepschrift ingediend en heeft de zitting van de rechtbank bijgewoond. De vergoeding bedraag daarom in totaal € 1.868,-.\n\n8. Het beroep tegen het invorderingsbesluit van 24 oktober 2025 is ongegrond. In deze zaak bestaat dan ook geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. 8.1. De rechtbank merkt op dat het invorderingsbesluit tot de datum van deze uitspraak was geschorst. Met deze uitspraak vervalt de schorsing.Om te voorkomen dat eiseres onverwacht met de gevolgen van het invorderingsbesluit wordt geconfronteerd, ziet de rechtbank aanleiding om de schorsing van het invorderingsbesluit te verlengen tot zes weken na de bekendmaking van de uitspraak.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nin SHE 25\u002F3318\n\nverklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 21 oktober 2025 gegrond;\n\nvernietigt dit besluit voor zover het college heeft nagelaten eiseres in lastgeving III vrij te laten in de keuze voor de toepassing van een herstelmaatregel;\n\nbepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van dit besluit in stand blijven;\n\nbepaalt dat het college het griffierecht van € 385,- aan eiseres moet vergoeden;\n\nveroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres;\n\nin SHE 26\u002F3647\n\nverklaart het beroep tegen het invorderingsbesluit ongegrond;\n\nverlengt de schorsing van het invorderingsbesluit tot zes weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak.\n\n Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Hutten, voorzitter, en mr. K.A. Maarschalkerweerd en mr. R.H.W. Frins, leden, in aanwezigheid van mr.M.P.C. Moers-Anssems, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 28 mei 2026.\n\ngriffier\n\nDe voorzitter is niet in de gelegenheid de uitspraak te ondertekenen.\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Dat staat in artikel 5:39 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Artikel 8:62, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb maakt dat mogelijk.\n\nStb.2018, 293, p. 519.\n\n De rechtbank sluit hiermee aan bij het eerdere oordeel van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 2 juli 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:3947 en bij jurisprudentie van de Afdeling. Zie o.m. de uitspraak van de Afdeling van 10 augustus 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR4631.\n\nZie bijvoorbeeld Kamerstukken II, 2019\u002F20, 34 986, nr. W, p. 9-10 enStb. 2018, 293, p. 526.\n\n Zie bijv. de uitspraak van de Afdeling van 25 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2808.\n\n Zie bijv. de uitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3496.\n\n Zie bijv. de uitspraak van de Afdeling van 6 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:321.\n\n Zie bijv. de uitspraak van de Afdeling van 15 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:41.\n\n Een lastgeving is de last en de herstelmaatregelen.\n\n Zie bijv. de uitspraak van de Afdeling van 20 augustus 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AI1247.\n\n Zie bijv. de uitspraak van de Afdeling van 9 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1218.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:466.\n\nKamerstukken II2003\u002F04, 29 702, nr. 3, p. 115\n\nKamerstukken II2003\u002F04, 29 702, nr. 3, p. 115\n\n Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 17 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:584.\n\n Artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb maakt dat mogelijk.\n\n Dat volgt uit artikel 8:85, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb.\n\n Artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb maakt dat mogelijk.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:3621","2026-05-27T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:58.862Z",{"id":60,"ecli":61,"slug":62,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":63,"fullText":64,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":65,"sourceTimestamp":66,"parsedAt":30,"updatedAt":67},"471","ECLI:NL:RBOBR:2025:2983","ecli-nl-rbobr-2025-2983","2025-05-27T00:00:00.000Z","RECHTBANK OOST-BRABANT\n\nZittingsplaats 's-Hertogenbosch\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: SHE 24\u002F2537, 24\u002F2659, 24\u002F2708, 24\u002F2709, 24\u002F2712, 24\u002F2844 en 24\u002F3941\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 27 mei 2025 in de zaken tussen\n\n1. [eisers 1]\n\n ,(SHE 24\u002F2537)\n\n(gemachtigde: [naam] )2. [eisers 2] , (SHE 24\u002F2659)\n\n3. [eisers 3] .(SHE 24\u002F2708)\n\n(gemachtigden: mr. T.I.P. Jeltema en mr. S. Huijbers)\n\n4. [eisers 4] , (SHE 24\u002F2709)\n\n(gemachtigden: mr. A. Collignon en mr. C.C. van Druten)\n\n5. [eisers 5] , (SHE 24\u002F2712)\n\n6. [eisers 6](SHE 24\u002F2844)\n\n(gemachtigde [naam] )\n\n7. [eisers 7] (SHE 24\u002F3941)\n\nallen uit Eindhoven, gezamenlijk te noemen: eisers,\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven, het college\n\n(gemachtigden: mr. A.M. Huiswoud, J.J.B. Lodewijks en L.J.L. van den Oever).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over het verkeersbesluit van het college ten aanzien van het instellen van een nul-emissiezone voor bedrijfs- en vrachtauto’s per 1 januari 2025 (het verkeersbesluit). Eisers zijn het daar niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank hun beroepen.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het verkeersbesluit onzorgvuldig is voorbereid ten aanzien van de gemaakte belangenafweging voor het gedeelte van het bedrijvengebied ‘De Kade’ dat binnen de Ring ligt. Het verkeersbesluit kan voor zover het gaat om dit bedrijvengebied niet in stand blijven. Voor het overige is de rechtbank van oordeel dat het verkeersbesluit wel in stand kan blijven. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\n1.2.. Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het verkeersbesluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Onder 5 staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.\n\nProcesverloop\n\n2. Het college heeft in het verkeersbesluit van 4 juni 2024 besloten tot het instellen van een nul-emissiezone voor bedrijfs- en vrachtauto’s per 1 januari 2025.\n\n2.1.. Eisers hebben hiertegen afzonderlijk beroep ingesteld. Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.2.. De rechtbank heeft de beroepen op 8 april 2025 gelijktijdig op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van eisers onder nummer 1, 3 en 4 en de gemachtigden van het college. Eiseres 5, die tevens de gemachtigde is van eiseres 6, heeft zich voor de zitting afgemeld. Verder waren aanwezig namens eisers 2 [naam] en eiser 7. Ter zitting hebben ook andere vertegenwoordigers van partijen het woord gevoerd.\n\nFeiten en omstandigheden\n\n3. Bij besluit van 15 mei 2007heeft het college met ingang van 1 juli 2007 besloten tot het instellen van een milieuzone voor de binnenstad van de gemeente Eindhoven. In de milieuzone werden alleen schone (nieuwere) vrachtwagens toegelaten met een euronorm van minimaal 4 of minimaal 2 of 3, mits voorzien van een gecertificeerd roetfilter. Deze milieuzone omvatte het gebied binnen de Ring van de gemeente Eindhoven. Ventwegen van de Ring aan de centrumzijde vielen daarbij in de milieuzone, met uitzondering van ventwegen ter hoogte van de Beukenlaan en de Hugo van der Goeslaan. In dit besluit is destijds onderbouwd waarom de zone ook een deel van bedrijventerrein ‘De Kade’ (Campina) omvat. Omdat de uitstralingseffecten van deze zone ten aanzien van de luchtkwaliteit aanzienlijk groter zijn dan bij de keuze voor een kleiner gebied is de milieuzone begrensd door de Ring. Het besluit is uitgevoerd door middel van het bord C7, vrachtwagenverbod, waardoor het in beginsel voor iedere vrachtwagen verboden was om in de milieuzone te rijden. Schonere vrachtwagens waarvoor het verbod niet gold, konden een ontheffing vragen om in de milieuzone te rijden.\n\n3.1.. Op 11 november 2019is de landelijke harmonisatie inzake milieuzones gepubliceerd, waarin de mogelijkheid is opgenomen om per 1 januari 2025 een nul-emissiezone voor bedrijfs- en vrachtauto’s in te voeren.\n\n3.2.. In het BO-MIRTin 2019 is afgesproken dat in de provincie Noord-Brabant toegewerkt wordt naar het instellen van 5 tot 12 nul-emissiezones Stadslogistiek in gemeenten en dat de provincie de gemeenten daarin ondersteunt.\n\n3.3.. Op 16 september 2020 heeft de raad van de gemeente Eindhoven de ambitie vastgesteld om in 2030 in het gebied binnen de Ring een nul-emissiezone voor alle mobiliteit in te stellen.\n\n3.4.. Bij besluit van 25 november 2020heeft het college het verkeersbesluit van 15 mei 2007 met ingang van 1 januari 2021 gewijzigd in een verkeersbesluit voor vrachtverkeer én bussen. De omvang van de milieuzone is daarbij ongewijzigd gebleven.\n\n3.5.. In 2021 heeft het college samen met het Rijk, diverse gemeenten en vertegenwoordigende partijen uit het bedrijfsleven diverse afspraken vastgelegd in de landelijke Uitvoeringsagenda Stadslogistiek (UAS). De UAS, ondertekend op 9 februari 2021, is een concrete uitwerking van het landelijke Klimaatakkoord van 28 juni 2019 waarin de invoering van een nul-emissiezone voor stadslogistiek per 1 januari 2025 in 30 tot 40 gemeentes is opgenomen.\n\n3.6.. Het college heeft op 18 juli 2023 op grond van artikel 3:10, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) besloten tot het toepassen van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure. Een ontwerp van het verkeersbesluit heeft tussen 7 november en 18 december 2023 ter inzage gelegen. De zienswijzen die hierop zijn binnengekomen zijn in de ‘Nota van beantwoording zienswijzen ontwerp verkeersbesluiten nul-emissiezone en milieuzone’ van een reactie voorzien.\n\nHet verkeersbesluit\n\n3.7.. Met het verkeersbesluit heeft het college besloten een nul-emissiezone in te voeren door een zonaal uitgevoerde geslotenverklaring voor bedrijfs- en vrachtauto’s, met uitzondering van emissieloze voertuigen in te stellen door middel van het plaatsen van de borden model C22c met onderbord C22c1 en borden model C22d volgens bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). Deze gesloten verklaring geldt voor alle straten gelegen binnen de Ring van Eindhoven. Het college heeft verder besloten tot opheffing van de geslotenverklaring vanwege de milieuzone voor vrachtauto’s met een dieselmotor door middel van het verwijderen van de onderborden model C22a9 en het plaatsen van de onderborden model C22a7 onder de reeds geplaatste borden C22a volgens bijlage 1 van het RVV 1990. In het verkeersbesluit heeft het college verder bepaald dat aanvullend op de wettelijke overgangsregeling voor vrachtwagens zoals bedoeld in artikel 86e, vijfde lid, onder c van de RVV 1990 ook overige vrachtauto’s, zijnde niet oplegger-trekkers met emissieklasse 6 met een datum eerste toelating vanaf 1 januari 2017 tot 1 januari 2020, tot 1 januari 2028 toegang hebben tot de nul-emissiezone door middel van een algemene ontheffing.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nIs eiser 7 ontvankelijk in zijn beroep?\n\n4. Eiser heeft op 18 november 2024 een bezwaarschrift ingediend bij het college. Met toepassing van artikel 6:15 van de Awb heeft het college dit bezwaarschrift ter behandeling als beroepschrift doorgestuurd naar de rechtbank. Omdat het hier gaat om een verkeersbesluit dat met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure tot stand is gekomen, stond tegen het verkeersbesluit van 4 juni 2024 geen bezwaar, maar uitsluitend beroep open.\n\n4.1.. De rechtbank stelt vast dat het verkeersbesluit op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt door middel van plaatsing in het Gemeenteblad van 4 juni 2024. Daarbij wijst de rechtbank erop dat dit volgt uit artikel 3:42 van de Awb waarin staat dat bekendmaking van besluiten die niet tot een of meer belanghebbenden zijn gericht door middel van een openbare kennisgeving geschiedt, zoals in dit geval door middel van publicatie in het elektronisch beschikbare Gemeenteblad. Eiser 7 had dus uiterlijk op 16 juli 2024 beroep moeten instellen, maar hij heeft dit niet gedaan.\n\n4.2.. Als iemand een beroepschrift te laat indient, moet de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaren. Alleen als het niet tijdig indienen van het beroepschrift verontschuldigbaar is, laat de rechtbank niet-ontvankelijk verklaring op grond van die te late indiening achterwege.Eiser stelt dat hij pas op de hoogte kwam van het besluit toen hij een brief kreeg van de gemeente Eindhoven waarin hij geïnformeerd werd over de nul-emissiezone. Hij is pas recent eigenaar geworden van een bestelauto.\n\n4.3.. In dat wat eiser aanvoert ziet de rechtbank geen verontschuldigbare reden voor het te laat indienen van zijn beroepschrift. Eiser is door de gemeente Eindhoven geïnformeerd over de nul-emissiezone toen hij zich registreerde als eigenaar van een bedrijfsauto. Dit doet er echter niet aan af dat het verkeersbesluit al op 4 juni 2024 op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt en dat eiser toen al beroep had moeten instellen. Dat het besluit toen mogelijk nog geen impact op hem had omdat hij nog geen bedrijfsauto had, maakt niet dat hij nadien nog beroep kan instellen. Het beroep van eiser 7 is dus niet-ontvankelijk.\n\nZijn eisers 2, 5 en 6 belanghebbenden?\n\n4.4.. Het college stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat de eisers 2, 5 en 6 geen belanghebbenden zijn omdat zij niet rechtstreeks in hun belang worden getroffen, aangezien het verkeersbesluit niet geldt voor personenauto’s. Daarnaast is volgens het college het enkele feit dat er voor eventueel onderhoud van hun eigendommen externen moeten worden ingehuurd, die in beginsel niet zouden voldoen aan het verkeersbesluit en daardoor gezocht moet worden naar andere partijen met daarbij volgens eisers hogere kosten, niet een zodanig bijzonder, individueel van andere weggebruikers te onderscheiden belang dat maakt dat ze als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt. Hier is volgens het college meer sprake van een afgeleid belang.\n\n4.5.. Zoals overigens ook door eiseres 3 terecht is betoogd, betreft dit verkeersbesluit een besluit dat gaat over het al dan niet toestaan van activiteiten die een aanzienlijk effect kunnen hebben op het milieu. Met dit verkeersbesluit worden immers nog uitsluitend emissieloze bedrijfs- en vrachtauto’s binnen de Ring toegestaan. De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 juli 2022 waarin is overwogen dat een besluit op grond van de Wegenverkeerswet onder omstandigheden als een omgevingsrechtelijke zaak kan worden beschouwd.De rechtbank beschouwt het verkeersbesluit ook als een omgevingsrechtelijk besluit. Daarom kan aan belanghebbenden niet worden tegengeworpen dat zij geen zienswijze over het ontwerpbesluit hebben ingediend. Voor niet-belanghebbenden geldt dat zij ook beroep kunnen instellen tegen omgevingsrechtelijke besluiten, als zij een zienswijze naar voren hebben gebracht over het ontwerpbesluit of hen niet verweten kan worden dat zij dit niet hebben gedaan.Eisers 2, 5 en 6 zijn inwoners binnen de Ring respectievelijk de vertegenwoordiger daarvan. Reeds om die reden kan niet worden volgehouden dat zij geen belanghebbenden zijn bij dit verkeersbesluit. Het verkeersbesluit beoogt de leefomgeving van in het bijzonder inwoners van Eindhoven te verbeteren en het raakt hen in die zin rechtstreeks. Daarbij komt dat, voor zover de rechtbank heeft kunnen vaststellen, in ieder geval eisers 2 en 5 ook een zienswijze hebben ingediend, zodat, zelfs al zouden ze niet-belanghebbend zijn, zij op grond van voormelde jurisprudentie toch ontvankelijk zouden zijn. Het verweer dat eisers 2, 5 en 6 niet ontvankelijk zijn, slaagt dus niet. Wel brengt het college terecht naar voren dat dit verkeersbesluit niet gaat over personenauto’s. De rechtbank zal dus niet ingaan op het betoog van eisers 2 voor zover het gaat over het weren van personen-dieselauto’s.\n\nIs het besluit zorgvuldig voorbereid ten aanzien van het feitelijk effect op het milieu?\n\n4.6.. Eisers 1 betogen dat het college het verkeersbesluit heeft genomen op basis van onvolledige en onbetrouwbare rapportages. Zij wijzen er verder op dat de meetpunten voor luchtkwaliteit binnen en buiten de Ring sinds 2018 geen duidelijk verschil laten zien en eisers 3 wijzen erop dat met de nul-emissiezone slechts beperkte milieuwinst wordt behaald en dat de grootste milieuwinst wordt behaald door beperkingen op de Ring zelf en de Geldropseweg te treffen. Over dit betoog overweegt de rechtbank het volgende.\n\n4.7.. Naar het oordeel van de rechtbank mocht het college op grond van het rapport van bureau CE Delftconcluderen dat van de invoering van de zero-emissie voor deze categorie motorvoertuigen een positief effect op de luchtkwaliteit binnen de Ring te verwachten valt door vermindering van fijnstof en CO2-uitstoot ter plaatse. Het betoog van eisers 2 dat de productie van elektrische motorvoertuigen op zichzelf ook een belasting voor het milieu kan vormen doet er niet aan af dat van het gebruik van elektrische motorvoertuigen binnen de Ring wel degelijk een positief effect te verwachten is op de luchtkwaliteit voor de inwoners van Eindhoven. Datzelfde geldt voor het betoog van eisers 1 dat houtstook en CV-ketels vervuilender zijn dan diesel euro 5 vrachtwagens en bestelbussen. De rechtbank sluit niet uit dat de luchtkwaliteit mogelijk niet op alle plekken binnen de Ring even veel zal verbeteren. Eisers 3 betogen terecht dat de Ring zelf ook als een bron vervuiling wordt gezien. Inwoners die direct naast de Ring wonen zullen dus ook mogelijk een minder grote verbetering ervaren. Echter, naar het oordeel van de rechtbank zal er hoe dan ook een positief effect zijn. Eisers 1 hebben gewezen op metingen die huns inziens aantonen dat de bestaande milieuzone waarbij vervuilende dieselvrachtwagens en bestelbussen geweerd worden, slechts een beperkt effect hebben op de luchtkwaliteit. De rechtbank merkt hierover op dat het instellen van een milieuzone zonder adequate handhaving niet tot de beoogde milieuverbetering zal leiden. Zoals de rechtbank verderop zal bespreken is er lange tijd door het college een beleid gevoerd waarbij het niet naleven van de reeds bestaande milieuzone slechts beperkt is gehandhaafd en dat beleid is zelfs ook zo gecommuniceerd naar bepaalde partijen. Daarmee valt te verwachten dat de ingestelde milieuzone minder effect heeft gehad op de luchtkwaliteit dan die had kunnen hebben bij adequate handhaving. Echter, dit vormt geen grond om te concluderen dat het college de grenzen van zijn beoordelingsruimte tot het instellen van een nul-emissiezone in dit opzicht heeft overschreden of dat het verkeersbesluit in dit opzicht onzorgvuldig is voorbereid. Gelet op het voorgaande, is voldaan aan het in artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wvw 1994 gestelde vereiste dat het verkeersbesluit een feitelijk effect op het milieu moet hebben. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat met deze maatregel een milieubelang wordt gediend. Dat het verkeersbesluit in dit opzicht onzorgvuldig is voorbereid of dat de grenzen van de beoordelingsruimte ten aanzien van het feitelijk effect op het milieu zijn overschreden volgt de rechtbank dus niet. De betogen slaagt niet.\n\nIs het verkeersbesluit zorgvuldig voorbereid ten aanzien van de belangenafweging voor eisers 2, 5 en 6 en pakt het verkeersbesluit voor hen onevenredig uit?4.8.. Eisers 2, 5 en 6 betogen dat het besluit voor hen onevenredig uitpakt omdat zij vrezen dat het onderhoud van een woning duurder wordt doordat dienstverleners de woning niet goed meer kunnen bereiken. Eiseres 6 betoogt dat zij in haar keuzevrijheid wordt beperkt en mogelijk niet meer kan doorgaan met haar voorkeursleveranciers.\n\n4.9.. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden uitgesloten dat eisers enige economische nadelige gevolgen kunnen ondervinden van het verkeersbesluit. Echter in dat wat eisers aanvoeren ziet de rechtbank, rekening houdend met de beleidsruimte die het college heeft, onvoldoende aanleiding om tot de conclusie te komen dat het verkeersbesluit in dit opzicht onvoldoende zorgvuldig is voorbereid of dat het verkeersbesluit tot een onevenredig nadeel leidt ten opzichte van de doelen die met het verkeersbesluit worden gediend. Daarbij wijst de rechtbank erop dat het college bij het verkeersbesluit een belangenafweging heeft gemaakt waarbij politieke en bestuurlijke inzichten een belangrijke rol spelen. De bestuursrechter heeft niet tot taak om de waarde of het maatschappelijke gewicht dat aan de betrokken belangen moet worden toegekend naar eigen inzicht vast te stellen. Daarbij komt dat het verkeersbesluit vergezeld gaat van een pakket aan maatregelen die voorzien in enerzijds een ruime overgangsperiode voor het verkeersbesluit en anderzijds diverse ontheffingsmogelijkheden waarvan aangenomen kan worden dat daarmee eventuele nadelige gevolgen van het verkeersbesluit voor particulieren als eiseres 2, 5 en 6 in voldoende mate worden geadresseerd. Het betoog van eisers 2, 5 en 6 slaagt daarom niet en daarmee is hun beroep ongegrond.\n\nIs het verkeersbesluit zorgvuldig voorbereid ten aanzien van de belangenafweging voor eisers 1, 3 en 4?\n\n4.10.. Eisers 1, 3 en 4 zijn allemaal ondernemers die hun bedrijf binnen de Ring uitoefenen. Eisers 1 doen dit op het bedrijventerrein aan de Hallenweg, gelegen op enige afstand binnen de Ring. Eisers 3 en 4 zijn bedrijven (of vertegenwoordigers daarvan) gelegen in het Bedrijvengebied ‘De Kade’ dat deels binnen en deels buiten de Ring is gelegen en aan beide kanten aan de Ring grenst. Alvorens in te gaan op hun betogen ten aanzien van de zorgvuldige voorbereiding en de belangenafweging, zal de rechtbank stilstaan bij de omvang van de nul-emissiezone en de vraag of met de nul-emissiezone de bestaande milieuzone is uitgebreid.\n\nOmvang nul-emissiezone4.11.. Eisers 3 en 4 voeren aan dat met de huidige nul-emissiezone de oorspronkelijke milieuzone met bedrijventerrein ‘De Kade’ is uitgebreid. Zij wijzen erop dat zij dus altijd al uitgezonderd waren van de milieuzone en dat het onevenredig is om hierin nu verandering aan te brengen. Volgens het college klopt dit niet en is de huidige nul-emissiezone een voortzetting van de al in 2007 ingestelde milieuzone. Hierover overweegt de rechtbank als volgt.\n\n4.12.. \n\nZoals blijkt uit de besluitvorming die is geschetst in rechtsoverweging 3 van deze uitspraak, maakte het deel van bedrijventerrein ‘De Kade’ dat binnen de Ring ligt, altijd al deel uit van de bestaande milieuzone. Met het huidige verkeersbesluit wordt de bestaande milieuzone dus niet uitgebreid. In de praktijk werd echter een deel van de milieuzone uit 2007 niet gehandhaafd. Dit leidt de rechtbank af uit het Raadsvoorstel vervolgaanpak Nul-emissiezone binnen de Ring. Hierin staat het volgende: “Het verkeersbesluit Milieuzone (2007) besloeg het hele gebied binnen de Ring. Door bestuurlijke afspraken met organisaties uit het bedrijfsleven en met Bedrijvenkontakt De Kade is toen besloten om het handhavingsgebied voorlopig te beperken tot globaal het gebied ten zuiden van het spoor (rood), Tongelre binnen de Ring uit te sluiten van handhaving en het bedrijventerrein De Kade buiten de milieuzone te houden (blauw)., Verkeers-juridisch klopt deze situatie niet; door een goede communicatie is er de afgelopen 11 jaar slechts incidenteel verwarring geweest over het onderscheid van de gebieden van handhaving en gedogen. Op raadsvragen heeft het college destijds geantwoord dat de extra inspanning van handhaving niet opweegt ten opzichte van de opbrengst in verbetering van luchtkwaliteit. In het perspectief van een nul-emissiezone binnen de Ring en het verder autoluw maken van het centrum is het een logische stap om het handhavingsgebied op korte termijn één op één af te stemmen met de feitelijke begrenzing. Bedrijventerrein De Kade valt daarmee nog altijd buiten de milieuzone. Voor de vergroting van het handhavingsgebied kiezen we voor een zorgvuldige communicatie met een gewenningsperiode van vier maanden vanaf 1 januari 2021; vanaf 1 -5-2021 wordt effectief gehandhaafd, en zo nodig beboet. In het toegevoegde handhavingsgebied staan circa 110 vrachtwagens geregistreerd in de emissieklassen 0 t\u002Fm 3 (RDW). Eigenaren van deze vrachtauto's zullen maatregelen moeten nemen om aan de toegangseisen te voldoen. Ook voor hen geldt: het bestaande ontheffingenbeleid voor de milieuzone blijft van kracht.”. Verder op pagina 16 in het raadsvoorstel wordt een tijdslijn gegeven:“2021 1 januari 2021: Uitbreiding handhavingsgebied tot gehele milieuzone binnen de Ring exclusief De Kade (eerste vier maanden, tot 1 mei 2021 gewenningsperiode) (…)\n\n2025 Invoering Nul-emissiezone bedrijfs- en vrachtwagens, bussen en touringcars en een milieuzone voor diesel personenauto’s vanaf emissieklasse 5 binnen de Ring, beide inclusief De Kade;”\n\n Op pagina 9 van het raadsvoorstel is het gebied binnen de Ring waar niet wordt gehandhaafd als volgt aangeduid:\n\nDe rechtbank stelt vast dat het gebied wordt begrensd door de straten: Ruysdaelbaan, Willem van Konijnenburglaan, Tongelresestraat, Kanaaldijk-zuid, Breitnerstraat, Lucas Gasselstraat en Dirk Boutslaan, de Hugo van der Goeslaan en de Jeroen Boschlaan (de Ring zelf).\n\n4.13.. De rechtbank leidt hieruit af dat de Milieuzone uit 2007 ook het bedrijventerrein De Kade, voor zover dit was gelegen binnen de Ring, omvatte maar dat op dit bedrijventerrein werd afgezien van handhaving van dit verkeersbesluit. Pas vanaf 1 mei 2021 werd bestuurlijk besloten effectief te gaan handhaven op de gehele milieuzone, maar daarbij werd nog steeds van handhaving afgezien voor wat betreft het bedrijventerrein ‘De Kade’. Verwarrend is dat hiermee wel de suggestie wordt gewekt dat bedrijventerrein ‘De Kade’ nimmer onder de bestaande milieuzone binnen de Ring zou hebben gevallen, althans dat voor dit bedrijventerrein een uitzondering werd gemaakt in samenspraak met Bedrijvenkontakt De Kade.\n\n4.14.. De rechtbank trekt uit het voorgaande de conclusie dat de huidige nul-emissiezone met dit verkeersbesluit niet uitgebreid wordt ten opzichte van de bestaande milieuzone. Voor betrokken ondernemers van bedrijventerrein ‘De Kade’ is echter voorstelbaar dat dit niet duidelijk was. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat in het raadsvoorstel handhaving en de invoering van de milieuzone door elkaar lijken te lopen. Feitelijk was er dus wel sprake van een milieuzone en een juridisch te handhaven verkeersbesluit. Echter, de naleving van deze milieuzone werd structureel voor wat betreft bedrijventerrein ‘De Kade’, en tot mei 2021 ook voor sommige andere gebieden binnen de Ring, niet gehandhaafd. Deze situatie valt vanuit rechtsgelijkheid en de beginselplicht tot handhaving niet goed uit te leggen. Daarnaast wordt door het instellen van een milieuzone die vervolgens structureel niet wordt gehandhaafd afbreuk gedaan aan de effectiviteit van het verkeersbesluit. Dat dit in verkeers-juridische zin niet helemaal klopt is dus voorzichtig uitgedrukt. Het is onjuist. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat tegen een verkeersbesluit wel rechtsbescherming wordt geboden, maar tegen het wijzigen of beëindigen van een handhavings- of gedoogbeleid géén rechtsbescherming wordt geboden. De vraag is vervolgens wat dit betekent voor de rechtmatigheid van dit verkeersbesluit dat voor eisers 3 en 4 een veel verdere strekking heeft dan de eerdere milieuzone die op het bedrijventerrein nooit werd gehandhaafd (en waarvan eisers 3 en 4 dus ook nooit nadelige gevolgen hebben ondervonden).\n\n4.15.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college de gevolgen van de milieuzone voor eisers 3 en 4 onderschat. Het college had het gedoogbeleid moeten betrekken bij de belangenafweging. Het college heeft in de belangen van bedrijventerrein ‘De Kade’ kennelijk altijd aanleiding gezien om de bedrijven tegemoet te komen voor wat betreft het niet handhaven van de milieuzone. De bestaande milieuzone gold voor hen slechts op papier. Dit maakt dat van het college verwacht mocht worden dat het in het bijzonder ten aanzien van dit bedrijventerrein de nodige kennis zou vergaren omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen bij dit verkeersbesluit.\n\n4.16.. Daar geeft het verkeersbesluit onvoldoende blijk van. Het verkeersbesluit stelt het bedrijventerrein ‘De Kade’ gelijk aan andere bedrijventerreinen binnen de Ring en stelt dat het gebied vrijwel geen industriële activiteiten meer kent, maar voornamelijk detailhandel. Verder wijst het college voor wat betreft eiseres 4 op de mogelijkheid om een ontheffing te vragen indien elektrische voertuigen met een haakarm niet beschikbaar zijn. Ook wijst het college erop dat de betrokken bedrijven zich al sinds het besluit van de gemeenteraad in 2020 op dit besluit hadden kunnen voorbereiden en dat de bedrijvengebieden steeds meer omringd worden door woningen.\n\n4.17.. Het college heeft echter verzuimd om zelf voor het nemen van het verkeersbesluit op zorgvuldige wijze na te gaan of het besluit voor deze belanghebbenden geen onevenredige gevolgen heeft zoals het college die kennelijk eerder wel zag toen het besloot om de milieuzone voor (bezoekers van) eisers 3 en 4 niet te handhaven. Dit verdraagt zich ook niet goed met de eerder in het raadsvoorstel gelegde nadruk op samenspraak of en hoe de milieuzone en de nul-emissiezone mogelijk zou worden gemaakt in dit bedrijvengebied. Het verkeersbesluit geeft er onvoldoende blijk van dat het voldoende heeft geïnventariseerd wat voor soort bedrijven er zijn gevestigd, hoe zij door dit besluit worden geraakt of de eventuele nadelen wel kunnen worden weggenomen met ontheffingen. En, als de gevolgen van het verkeersbesluit niet kunnen worden gemitigeerd, of dit nog evenredig is in verhouding tot de met het verkeersbesluit te dienen doelen. Hierbij zou zwaar moeten wegen dat dit bedrijventerrein grenst aan de Ring waar geen nul-emissiezone geldt. Dit betekent dat het betoog van eisers 3 en 4 slaagt. Het verkeersbesluit, voor zover het gaat om de instelling van de nul-emissie zone op het bedrijvengebied ‘De Kade’ binnen de Ring, is onzorgvuldig voorbereid en komt wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank zal de overige beroepsgronden van eisers 3 en 4 die zien op de gemaakte belangenafweging, niet beoordelen omdat eerst het college deze belangen beter zal moeten inventariseren en zal moeten wegen.\n\n4.18.. Voor eisers 1 komt de rechtbank tot een andere conclusie. Eisers 1 zijn, naar zij zelf stellen, of werkzaam in, of huurder of eigenaar van een pand op de Hallenweg in Eindhoven. Net als bedrijventerrein ‘De Kade’ is de Hallenweg altijd binnen de bestaande milieuzone gevallen. Anders dan het bedrijventerrein ‘De Kade’ is het gebied altijd ook binnen de zone gevallen waarin wel gehandhaafd werd. Uit het eerder aangehaalde raadsvoorstel volgt niet dat de Hallenweg op dit vlak een uitzonderingspositie had. Dat, zoals eisers 1 ter zitting hebben gesteld, er nooit een bon is uitgedeeld, maakt niet dat dit berust op een formeel standpunt van het college. Eisers 1 hebben dus altijd rekening kunnen en moeten houden met het feit dat zij werkzaam zijn binnen een milieuzone en hadden bedacht kunnen zijn op handhaving van deze zone jegens hen en hun bezoekers. Tegen deze achtergrond is de rechtbank van oordeel dat het college voldoende kennis heeft vergaard omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen en dat jegens eisers 1 in dit opzicht voldoende onderzoek is verricht. Het college heeft aan eisers 1 kunnen tegenwerpen dat het pakket van overgangsregelingen, vrijstellingen en ontheffingen voldoende maatwerk biedt voor deze ondernemers. Eisers 1 hebben niet geconcretiseerd waarom dit voor hen anders zou moeten liggen. Het betoog dat eisers 1 voeren is algemeen van aard en weinig toegespitst op hun daadwerkelijke situatie. Eisers 1 voeren aan dat een uitzondering voor het bedrijventerrein Hallenweg makkelijk is te realiseren. Dit neemt echter niet weg dat het bedrijventerrein is omgeven door woningen en dat deze woningen wel gebaat zijn bij de zero emissiezone. Het college heeft de belangen voldoende in kaart gebracht en heeft in redelijkheid kunnen besluiten tot instelling van de zero emissiezone op het bedrijventerrein Hallenweg. Het verkeersbesluit is jegens eisers 1 niet onvoldoende zorgvuldig voorbereid en niet onevenredig.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. Het beroep van eiser 7 is niet-ontvankelijk. De beroepen van eisers 1, 2, 5 en 6 zijn ongegrond. Dit betekent dat zij het door hen betaalde griffierecht niet terugkrijgen en ook geen vergoeding krijgen van de door hen eventueel gemaakte proceskosten.\n\n5.1.. De beroepen van eisers 3 en 4 zijn gegrond omdat het verkeersbesluit jegens hen onzorgvuldig is voorbereid. Dit heeft tot gevolg dat het verkeersbesluit voor zover het gaat om de instelling van de nul-emissiezone op het bedrijvengebied De Kade binnen de Ring, begrensd door de Ruysdaelbaan, Willem van Konijnenburglaan, Tongelresestraat, Kanaaldijk-zuid, Breitnerstraat, Lucas Gasselstraat en Dirk Boutslaan, de Hugo van der Goeslaan en Jeroen Boschlaan (de Ring zelf), wordt vernietigd. Het college dient daarom het door eisers 3 en 4 betaalde griffierecht te vergoeden. De rechtbank veroordeelt het college verder in de door eisers 3 en 4 gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep van eiser 7 niet-ontvankelijk;\n\n- verklaart de beroepen van eisers 1, 2, 5 en 6 ongegrond;\n\n- verklaart het beroep van eisers 3 en 4 gegrond;\n\n- vernietigt het verkeersbesluit tot het instellen van een nul-emissiezone voor zover het gaat om de instelling van de nul-emissie zone op het bedrijvengebied ‘De Kade’ binnen de Ring; begrensd door de Ruysdaelbaan, Willem van Konijnenburglaan, Tongelresestraat, Kanaaldijk-zuid, Breitnerstraat, Lucas Gasselstraat en Dirk Boutslaan, de Hugo van der Goeslaan en Jeroen Boschlaan (de Ring zelf),\n\n- bepaalt dat het college het griffierecht van (totaal) € 365,- aan eisers 3 moet vergoeden;\n\n- bepaalt dat het college het griffierecht van € 365,- aan eisers 4 moet vergoeden;\n\n- veroordeelt het college in de proceskosten van eisers 3 tot een bedrag van (totaal) € 1.814,-\n\n- veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres 4 tot een bedrag van € 1.814,-\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.M.L. Wijnen, voorzitter, en mr. M.J.H.M. Verhoeven en mr. J.H.G van den Broek, leden, in aanwezigheid van mr. A.F. Hooghuis, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 27 mei 2025.\n\nde griffier is buiten staat\n\nde uitspraak te ondertekenen\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nWettelijk kader\n\nOp grond van artikel 2, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) kunnen de krachtens deze wet vastgestelde regels strekken tot:\n\na. het verzekeren van de veiligheid op de weg;\n\nb. het beschermen van weggebruikers en passagiers;\n\nc. het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan;\n\nd. het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer.\n\nOp grond van het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel kunnen de krachtens deze wet vastgestelde regels voorts strekken tot: het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer.\n\nOp grond van het derde lid, aanhef en onder a, kunnen de krachtens deze wet vastgestelde regels voorts strekken tot het bevorderen van een doelmatig of zuinig energiegebruik.\n\nOp grond van artikel 15, eerste lid, van de WVW 1994 geschiedt de plaatsing of verwijdering van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verkeerstekens, en onderborden voor zover daardoor een gebod of verbod ontstaat of wordt gewijzigd, krachtens een verkeersbesluit.\n\nOp grond van artikel 21 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW) vermeldt de motivering van het verkeersbesluit in ieder geval welke doelstelling of doelstellingen met het verkeersbesluit worden beoogd. Daarbij wordt aangegeven welke van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de wet genoemde belangen ten grondslag liggen aan het verkeersbesluit. Indien tevens andere van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de wet genoemde belangen in het geding zijn, wordt voorts aangegeven op welke wijze de belangen tegen elkaar zijn afgewogen.\n\n Kenmerk 07bstorr03.\n\n Staatsblad 2019, 398\n\n Bestuurlijke Overleggen – Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport\n\n Kenmerk 5467185.\n\n Dit volgt uit artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)\n\n Dit volgt uit artikel 6:11 van de Awb\n\n ECLI:NL:RVS: 2022:1981.\n\n ECLI:NL:RVS:2021:1755.\n\n Op weg naar emissievrije mobiliteit in Eindhoven, CE Delft, mei 2023. Te raadplegen via https:\u002F\u002Fwww.eindhoven.nl\u002Fsites\u002Fdefault\u002Ffiles\u002F2023-12\u002FBijlage_22_-_Op_weg_naar_emissievrije_mobiliteit_in_Eindhoven_mei_2023%5B1%5D.pdf.\n\n ECLI:NL:RVS:2019:190.\n\nRaadsvoorstel Nul-emissiezone binnen de Ring van 16 september 2020 (https:\u002F\u002Fraadsinformatie.eindhoven.nl\u002Fdocument\u002F11740850\u002F1\u002FRaadsvoorstel+Nul-emissiezone+binnen+de+Ring?connection_type=1&connection_id=6948936)","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2025:2983","2025-05-26T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:32.141Z",{"id":69,"ecli":70,"slug":71,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":72,"fullText":73,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":74,"sourceTimestamp":75,"parsedAt":30,"updatedAt":76},"761","ECLI:NL:GHSHE:2024:2468","ecli-nl-ghshe-2024-2468","2024-07-26T00:00:00.000Z","Parketnummer : 20-000535-22\n\nUitspraak : 26 juli 2024\n\nTEGENSPRAAKArrest van de economische kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de meervoudige economische kamer van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 21 februari 2022, in de strafzaak met parketnummer 82-205241-21 tegen:\n\n [verdachte]\n\nStatutair gevestigd te [adres] ,\n\ngedagvaard als:\n [maatschap] ,\n\nstatutair gevestigd te [adres] .\n\nHoger beroep\n\nBij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van “medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2.3 aanhef en onder a, juncto artikel 2.1 eerste lid aanhef en onder e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht” veroordeeld tot betaling van een geldboete ter hoogte van € 9.000,00 waarvan € 4.500,00 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.\n\nNamens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nGeldigheid van de dagvaarding\n\nAmbtshalve merkt het hof op dat de dagvaarding in hoger beroep, zoals ook in eerste aanleg het geval was, is gericht aan ‘ [maatschap] ’. Ter terechtzitting in eerste aanleg is reeds gebleken dat ‘ [maatschap] ’ niet bestaat. Ook is gebleken dat [vertegenwoordiger verdachte] – naast de besloten vennootschap [bedrijf 2] – maat is in de ‘ [verdachte] ’ en dat hij daarnaast enig aandeelhouder en bestuurder is van de besloten vennootschap [bedrijf 2] Dit komt overeen met de gegevens in het procesdossier. Gelet hierop, is het hof met de rechtbank van oordeel dat de tenaamstelling in de dagvaarding berust op een kennelijke vergissing. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is hierdoor bij de maatschap geen verwarring ontstaan en was bekend welk strafrechtelijk verwijt haar werd gemaakt. Het hof leest daarom de op de dagvaarding vermelde naam van de verdachte ‘ [maatschap] ’ verbeterd als ‘ [verdachte] ’. De verdachte is hierdoor niet in haar belangen geschaad.\n\nUit het dossier blijkt ook dat [vertegenwoordiger verdachte] in persoon de huurovereenkomst van de stallen heeft getekend en dat de stallen bedrijfsmatig door hem werden verhuurd, terwijl blijkens de verklaring van de heer [vertegenwoordiger verdachte] als vertegenwoordiger van de [verdachte] (onder meer) activiteiten ontplooit op het gebied van de verhuur van vastgoed in de agrarische sector. Hieruit leidt het hof af dat [vertegenwoordiger verdachte] namens ‘ [verdachte] ’ de stallen heeft verhuurd. Dat komt overeen met wat [vertegenwoordiger verdachte] tijdens het laatste woord namens de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verklaard.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.\n\nDe raadsman van de verdachte heeft integrale vrijspraak bepleit van de aan de verdachte tenlastegelegde feiten.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet bestreden vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is tenlastegelegd dat:\n\nprimair:\n\nzij in of omstreeks de periode van 1 januari 2020 tot en met 29 april 2020, althans op of omstreeks 27 januari 2020, te [adres] in de gemeente Alphen-Chaam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, als degene die een inrichting dreef aan de [adres] , aldaar, waarin landbouwhuisdieren werden gehouden voor de productie van vlees, melk en\u002Fof eieren, al dan niet opzettelijk, in een dierenverblijf voor de hoofdcategorie varkens (subcategorie biggenopfok (gespeende biggen)) dat was opgericht uiterlijk op 30 juni 2015,\n\nin stal 3a een huisvestingssysteem heeft toegepast met een emissiefactor voor ammoniak van 0,69 kg NH3 per dierplaats per jaar, althans met een emissiefactor voor ammoniak die hoger is dan de maximale emissiewaarde voor ammoniak van 0,21 kg NH3 per dierplaats per jaar die is vermeld in de bij het Besluit emissiearme huisvesting behorende bijlage 1, kolom A, en\u002Fof,\n\nin stal 4a een huisvestingssysteem heeft toegepast met een emissiefactor voor ammoniak van 0,24 kg NH3 per dierplaats per jaar, althans met een emissiefactor voor ammoniak die hoger is dan de maximale emissiewaarde voor ammoniak van 0,21 kg NH3 per dierplaats per jaar die is vermeld in de bij het Besluit emissiearme huisvesting behorende bijlage 1, kolom A;\n\nsubsidiair:[medeverdachte] in of omstreeks de periode van 1 januari 2020 tot en met 29 april 2020, althans op of omstreeks 27 januari 2020, te [adres] in de gemeente Alphen-Chaam, als degene die een inrichting dreef aan de [adres] , aldaar, waarin landbouwhuisdieren werden gehouden voor de productie van vlees, melk en\u002Fof eieren, al dan niet opzettelijk, in een dierenverblijf voor de hoofdcategorie varkens (subcategorie biggenopfok (gespeende biggen)) dat was opgericht uiterlijk op 30 juni 2015,\n\nin stal 3a een huisvestingssysteem heeft toegepast met een emissiefactor voor ammoniak van 0,69 kg NH3 per dierplaats per jaar, althans met een emissiefactor voor ammoniak die hoger is dan de maximale emissiewaarde voor ammoniak van 0,21 kg NH3 per dierplaats per jaar die is vermeld in de bij het Besluit emissiearme huisvesting behorende bijlage 1, kolom A, en\u002Fof,\n\nin stal 4a een huisvestingssysteem heeft toegepast met een emissiefactor voor ammoniak van 0,24 kg NH3 per dierplaats per jaar, althans met een emissiefactor voor ammoniak die hoger is dan de maximale emissiewaarde voor ammoniak van 0,21 kg NH3 per dierplaats per jaar die is vermeld in de bij het Besluit emissiearme huisvesting behorende bijlage 1, kolom A,\n\nbij\u002Ftot het plegen van welk misdrijf zij, verdachte, [medeverdachte] opzettelijk behulpzaam is geweest, althans opzettelijk gelegenheid en\u002Fof middelen heeft verschaft door toen daar onder andere de stal 3a en\u002Fof de stal 4a aan [medeverdachte] te verhuren.\n\nDe in de tenlastelegging voorkomende taal- en\u002Fof schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nVrijspraak\n\nMet de rechtbank is het hof van oordeel dat de verdachte niet kan worden aangemerkt als drijver van de inrichting in de stallen 3a en 4a aan de [adres] . Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep blijkt immers dat de verdachte geen enkele feitelijke zeggenschap had over de varkenshouderij die in die stallen werd geëxploiteerd. Die zeggenschap lag volledig bij [medeverdachte] , die het hof dan ook als drijver van de inrichting kwalificeert (zie hierna in het arrest). Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de verdachte niet desondanks als medepleger van het haar primair tenlastegelegde feit kan worden aangemerkt. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt geenszins dat in de tenlastegelegde periode sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] .\n\nGelet op het voorgaande acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het haar primair tenlastegelegde feit heeft begaan, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken. Het subsidiair aan de verdachte tenlastegelegde feit acht het hof wel wettig en overtuigend bewezen, een en ander zoals hierna is uiteengezet.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n [medeverdachte] in de periode van 1 januari 2020 tot en met 19 april 2020 te [adres] in de gemeente Alphen-Chaam, als degene die een inrichting dreef aan de [adres] waarin landbouwhuisdieren werden gehouden voor de productie van vlees, opzettelijk in een dierenverblijf voor de hoofdcategorie varkens (subcategorie biggenopfok (gespeende biggen)) dat was opgericht uiterlijk op 30 juni 2015,\n\nin stal 3a een huisvestingssysteem heeft toegepast met een emissiefactor voor ammoniak van 0,69 kg NH3 per dierplaats per jaar, althans met een emissiefactor voor ammoniak die hoger is dan de maximale emissiewaarde voor ammoniak van 0,21 kg NH3 per dierplaats per jaar die is vermeld in de bij het Besluit emissiearme huisvesting behorende bijlage 1, kolom A, en\n\nin stal 4a een huisvestingssysteem heeft toegepast met een emissiefactor voor ammoniak van 0,24 kg NH3 per dierplaats per jaar, althans met een emissiefactor voor ammoniak die hoger is dan de maximale emissiewaarde voor ammoniak van 0,21 kg NH3 per dierplaats per jaar die is vermeld in de bij het Besluit emissiearme huisvesting behorende bijlage 1, kolom A,\n\nbij het plegen van welk misdrijf zij, verdachte, [medeverdachte] opzettelijk behulpzaam is geweest door toen daar de stal 3a en de stal 4a aan [medeverdachte] te verhuren.\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewijsmiddelen\n\nTen behoeve van de leesbaarheid van dit arrest worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aan dit arrest gehechte bewijsmiddelenbijlage. De daarin vervatte bewijsmiddelen maken integraal deel uit van dit arrest.\n\nDe beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.\n\nBewijsoverwegingen\n\nIndien en voor zover in dit arrest wordt verwezen naar voorschriften uit wet- en regelgeving, wordt daarmee bedoeld de voorschriften uit wet- en regelgeving zoals die luidden ten tijde van het tenlastegelegde, dus in de periode van 1 januari 2020 tot en met 19 april 2020.\n\nJuridisch kader\n\nOp 1 augustus 2015 is het Besluit emissiearme huisvesting in werking getreden. Dit besluit, dat was gericht aan de (intensieve) veehouderijen, bepaalde de maximale emissiewaarden voor ammoniak waaraan door deze veehouderijen moest worden voldaan. Landelijk werd echter een gedoogbeleid gevoerd, ook wel aangeduid als het Actieplan Ammoniak Veehouderij. Onderdeel van dit actieplan was de stoppersregeling. Veehouderijen die daarvoor waren aangemeld, werden tot 1 januari 2020 vrijgesteld van naleving van de huisvestingsvoorschriften uit het besluit. Wel dienden zij met andere maatregelen een reductie van ammoniakemissie te realiseren. Vanaf 1 januari 2020 moesten de voor de stoppersregeling aangemelde veehouderijen ofwel zijn beëindigd ofwel zodanig zijn aangepast dat alsnog werd voldaan aan de maximale emissiewaarden als opgenomen in het besluit. Op grond van artikel 2, derde lid, van het Besluit emissiearme huisvesting is dat besluit niet van toepassing op veehouderijen die maximaal het aantal dieren houden dat in de vierde kolom van de tabel onder bijlage I wordt genoemd. Voor houders van speenbiggen is dat aantal vastgesteld op 20.\n\nArtikel 5, eerste lid onder a, in combinatie met bijlage I van het Besluit emissiearme huisvesting schrijft voor dat degene die een inrichting drijft waarin landbouwhuisdieren worden gehouden, in een dierenverblijf, dat is opgericht op uiterlijk 30 juni 2015, voor de hoofdcategorie varkens geen huisvestingssystemen toepast met een emissiefactor voor ammoniak die hoger is dan 0,21 kilogram NH3 per dierplaats per jaar.\n\nDe feiten en omstandigheden\n\nOp grond van de inhoud van de bewijsmiddelen stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.\n\n [medeverdachte] , opgericht op 16 december 2012, betreft een onderneming in het exploiteren en het doen exploiteren van intensieve veehouderij, in het bijzonder van fokvarkens- en vermeerderingsbedrijven. [verdachte] is opgericht op 1 januari 2014 en houdt zich in haar – overigens reeds vanaf 1 januari 2004 bestaande – onderneming onder meer bezig met het verhuren van vastgoed in de agrarische sector. Sinds de oprichting van de maatschap heeft zij als maten de heer [vertegenwoordiger verdachte] en de besloten vennootschap [bedrijf 2] . Van deze laatste rechtspersoon is de heer [vertegenwoordiger verdachte] enig aandeelhouder en bestuurder.\n\nVan 1 augustus 2018 tot en met april 2020 huurde [medeverdachte] drie stallen – in het dossier aangeduid als stal 3, stal 4 en stal 6 – van [vertegenwoordiger verdachte] . Deze stallen waren gevestigd aan de [adres] . Uit de huurovereenkomst, gesloten tussen beide partijen, volgt dat van de stallen 3 en 4 enkel de kraamafdelingen en van stal 4 ook de opfokafdeling werden verhuurd. Stal 6 betrof de biggenstal en werd in het geheel aan [medeverdachte] verhuurd.\n\nOp 28 november 2011 is aan [vertegenwoordiger verdachte] een omgevingsvergunning (activiteit milieu) afgegeven voor het houden van onder meer 155 kraamzeugen inclusief biggen tot spenen (71 in stal 3a en 84 in stal 4a) en 1728 gespeende biggen (in stal 6). In oktober 2014 is aan [vertegenwoordiger verdachte] een omgevingsvergunning beperkte milieutoets verleend. Daarbij is het hiervoor genoemde, in de in 2011 verleende omgevingsvergunning opgenomen voorschrift ongewijzigd gebleven. Verder was [vertegenwoordiger verdachte] aangemeld voor de stoppersregeling van het Actieplan Ammoniak Veehouderij.\n\nOp 27 januari 2020 zijn de stallen 3a, 4a en 6 aan de [adres] door een toezichthouder van de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant aan een controle onderworpen. Daarbij is geconstateerd dat in de stallen 3a en 4a meer dieren (speenbiggen) werden gehouden dan op grond van de aan [vertegenwoordiger verdachte] verleende omgevingsvergunning was toegestaan. Ook werd vastgesteld dat in stal 3a een huisvestingssysteem werd toegepast met een emissiefactor voor ammoniak van 0,69 kg NH3 per dierplaats per jaar en in stal 4a een huisvestingssysteem met een emissiefactor voor ammoniak van 0,24 kg NH3 per dierplaats per jaar, met als gevolg dat de huisvestingssystemen van de stallen 3a en 4a niet voldeden aan het bepaalde in artikel 5, eerste lid onder a, van het Besluit emissiearme huisvesting.\n\nDrijver van de inrichting\n\nOp grond van artikel 5, eerste lid onder a, van het Besluit emissiearme huisvesting is degene die een inrichting drijft waarin landbouwhuisdieren worden gehouden, verplicht zich te houden aan de in bijlage I bij dat besluit genoemde maximale emissiewaarden voor ammoniak. De wetgever heeft niet bepaald op grond van welke criteria kan worden vastgesteld wie in een bepaald geval de drijver van een inrichting is. Het begrip “drijverschap” heeft derhalve nader invulling gekregen in de jurisprudentie en literatuur. Daaruit volgt dat, om te bepalen wie een inrichting drijft, van belang is wie feitelijk de zeggenschap heeft over (de exploitatie van) die inrichting en\u002Fof over haar activiteiten alsmede over het gebruik van het onroerend goed ten behoeve van het verrichten van deze activiteiten. De drijver kan zowel een natuurlijke als een rechtspersoon zijn.\n\nOp grond van de inhoud van de bewijsmiddelen stelt het hof vast dat [medeverdachte] houder was van de biggen die in de periode van 1 januari 2020 tot en met de laatste week van april 2020 in stal 3a en stal 4a aan de [adres] waren gehuisvest en ook beschikte over de daarvoor benodigde varkensrechten. Het was [medeverdachte] die de varkenshouderij op de desbetreffende locatie exploiteerde.\n\nHet hof is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat [medeverdachte] de drijver was van de inrichting (in de stallen 3a en 4a) aan de [adres] , waarin speenbiggen werden gehouden. Op haar lag dan ook als drijver van de inrichting de plicht om te voldoen aan artikel 5, eerste lid onder a, van het Besluit emissiearme huisvesting. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat zij aan die plicht in de periode van 1 januari 2020 tot en met 19 april 2020 niet heeft voldaan.\n\nUit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat de verdachte geen enkele feitelijke zeggenschap had over (de exploitatie van) de in de stallen 3a en 4a ingerichte varkenshouderij. Met de rechtbank is het hof derhalve van oordeel dat de verdachte niet (ook) als drijver van voornoemde inrichting kan worden aangemerkt.\n\nOpzet bij (de vertegenwoordiger van) [medeverdachte]\n\nDe vertegenwoordiger van [medeverdachte] heeft op 29 juli 2020 verklaard dat hij wist dat de huisvestingssystemen van stal 3a en 4a vanaf 1 januari 2020 niet aan het Besluit emissiearme huisvesting voldeden. Desalniettemin heeft hij tot de laatste week van april 2020 in deze stallen speenbiggen gehouden. Daarmee heeft de vertegenwoordiger van [medeverdachte] opzettelijk gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 5, eerste lid onder a, van het Besluit emissiearme huisvesting.\n\nToerekening van de verboden gedraging aan [medeverdachte]\n\nHet hof stelt voorop dat een rechtspersoon kan worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit, indien de (verboden) gedraging in kwestie redelijkerwijs aan die rechtspersoon kan worden toegerekend. Die toerekening is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon.\n\nVan een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon kan sprake zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen:\n\nhet gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon,\n\nde gedraging past in de normale bedrijfsvoering of taakuitoefening van de rechtspersoon,\n\nde gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf of in diens taakuitoefening, de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard, waarbij onder bedoeld aanvaarden mede begrepen is het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging.\n\n [medeverdachte] betreft een onderneming in het exploiteren en het doen exploiteren van intensieve veehouderij, in het bijzonder van fokvarkens- en vermeerderingsbedrijven. In de periode van 1 januari 2020 tot en met 19 april 2020 huurde [medeverdachte] de stallen 3a en 4a aan de [adres] . In onder meer deze stallen hield zij speenbiggen en werd haar varkenshouderij geëxploiteerd. Het hof heeft hiervoor reeds vastgesteld dat de huisvestingssystemen in de stallen 3a en 4a aan de [adres] in de periode van 1 januari 2020 tot en met 19 april 2020 niet voldeden aan de huisvestingsvoorschriften van het Besluit emissiearme huisvesting. [medeverdachte] was, als drijver van de in de stallen gevestigde inrichting, verantwoordelijk voor de naleving van deze voorschriften. Bewust heeft zij nagelaten maatregelen te treffen om wel aan de huisvestingsvoorschriften van het Besluit emissiearme huisvesting te voldoen, terwijl zij daartoe wel de mogelijkheid had. Het hof is, gelet op het voorgaande, dan ook van oordeel dat de verboden gedragingen, zoals tenlastegelegd, aan [medeverdachte] kunnen worden toegerekend.\n\nMedeplichtigheid [verdachte]\n\nVan 1 augustus 2018 tot en met april 2020 verhuurde [vertegenwoordiger verdachte] drie stallen – in het dossier aangeduid als stal 3a, stal 4a en stal 6 –, gelegen aan de [adres] , aan [medeverdachte] In de tussen beide partijen gesloten huurovereenkomst is opgenomen dat huurder gehouden is het gehuurde overeenkomstig de bestemming als varkensstallen te gebruiken en het gehuurde daartoe tot beëindiging van deze overeenkomst ook zo ingericht te houden.\n\nUit de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat vanaf 1 januari 2020 de stallen 3a en 4a niet meer voldeden aan de huisvestingsvoorschriften van het Besluit emissiearme huisvesting. Blijkens zijn verklaring van 10 augustus 2020 was [vertegenwoordiger verdachte] hiervan op de hoogte. De latere ontkenning daarvan acht het hof niet overtuigend. Daarbij heeft het hof onder meer in aanmerking genomen dat in het controleverslag van 29 oktober 2018 – de stallen van [vertegenwoordiger verdachte] stonden op dat moment leeg – is opgenomen “dat stal 6 [mogelijk] nog een enkele keer zal worden gebruikt voor het houden van gespeende biggen, aangezien deze voldoet aan het Besluit emissiearme huisvesting maar dan zal hier wel een huurder voor moeten worden gevonden”. Bovendien leidt het hof uit een door [vertegenwoordiger verdachte] zelf opgestelde en ondertekende verklaring van 10 augustus 2020 af dat hij eind december 2019 wist dat de biggen met enige urgentie in de aan [medeverdachte] verhuurde stallen vóór 1 januari 2020 moesten zijn verwijderd en dat “zijn stal per 31-12-2019 dan leeg (zou) zijn”, terwijl – nota bene - de verhuurovereenkomst eigenlijk nog tot eind mei 2020 zou doorlopen.\n\nDoor een huurovereenkomst te sluiten met [medeverdachte] voor de periode van 1 augustus 2018 tot en met mei 2020, waarin expliciet is bepaald dat de gehuurde stallen – te weten de stallen 3a, 4a en 6 – overeenkomstig de bestemming als varkensstallen dienen te worden gebruikt, wetende dat de stallen 3a en 4a vanaf 1 januari 2020 niet (meer) voldeden aan het Besluit emissiearme huisvesting, heeft [vertegenwoordiger verdachte] minst genomen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat door [medeverdachte] vanaf 1 januari 2020 met betrekking tot de stallen 3a en 4a in strijd zou worden gehandeld met dat besluit. Door het sluiten van de huurovereenkomst heeft [vertegenwoordiger verdachte] aan [medeverdachte] de gelegenheid en middelen verschaft tot het plegen van dat strafbare feit.\n\nHet hof merkt nog op dat [vertegenwoordiger verdachte] de huurovereenkomst met [medeverdachte] op persoonlijke titel heeft gesloten. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, zowel in eerste aanleg – zoals dat is beschreven in het proces-verbaal van die zitting – als in hoger beroep, volgt evenwel dat de stallen door [vertegenwoordiger verdachte] in het kader van zijn bedrijf, dat zich immers onder meer richt op het verhuren van vastgoed in de agrarische sector, werden verhuurd. Hieruit leidt het hof af dat [vertegenwoordiger verdachte] namens ‘ [verdachte] ’ de stallen heeft verhuurd. Dat komt overeen met wat [vertegenwoordiger verdachte] tijdens zijn laatste woord ter zitting in eerste aanleg heeft verklaard.\n\nDe periode\n\nNa de controle op 27 januari 2020 is [medeverdachte] begonnen met het leeghalen van de stallen. Vanaf 1 januari 2020 mochten in de stallen 3a, 4a en 6 respectievelijk maximaal 20, 20 en 1728 biggen worden gehouden. Op de veesaldokaart is te zien dat voor het eerst op 20 april 2020 in totaal niet meer dan 1768 biggen werden gehouden op de locatie [adres] . Tot en met 19 april 2020 was daarom zonder meer sprake van een illegale situatie. Het hof acht gelet op het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte] in de periode van 1 januari 2020 tot en met 19 april 2020 heeft gehandeld in strijd met artikel 5, eerste lid onder a, van het Besluit emissiearme huisvesting.\n\nConclusie\n\nOp grond van de inhoud van de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte] in de periode van 1 januari 2020 tot en met 19 april 2020 als drijver van een inrichting aan de [adres] waarin landbouwhuisdieren worden gehouden, in de stallen 3a en 4a een huisvestingssysteem heeft toegepast met een hogere emissiefactor voor ammoniak dan de maximale emissiewaarde voor ammoniak die is vermeld in de bij het Besluit emissiearme huisvesting behorende bijlage 1, kolom A. Daarmee heeft [medeverdachte] gehandeld in strijd met artikel 5, eerste lid onder a, van het Besluit emissiearme huisvesting. Deze overtreding is op grond van artikel 1a van de Wet op de economische delicten in combinatie met artikel 8.40, eerste lid, van de Wet milieubeheer een economisch delict. Door het in voornoemde periode verhuren van de stallen 3a en 4a aan [medeverdachte] , die daarin een varkenshouderij exploiteerde, wetende dat deze stallen vanaf 1 januari 2020 niet (meer) voldeden aan de huisvestingsvoorschriften van het Besluit emissiearme huisvesting, is de verdachte, [verdachte] , medeplichtig geweest aan de door [medeverdachte] begane overtreding van artikel 8.40, eerste lid, van de Wet milieubeheer. De in de huurovereenkomst opgenomen clausules die de verantwoordelijkheid voor het naleven van de vergunningvoorschriften en de toepasselijke wet- en regelgeving op de huurder leggen, ontslaan de verdachte niet van deze strafrechtelijke aansprakelijkheid.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet subsidiair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\nmedeplichtigheid aan overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 8.40, eerste lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.\n\nOp te leggen straf\n\nHet hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan, alsmede op de aard en hoedanigheid van de verdachte rechtspersoon en haar draagkracht, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.\n\nHet hof verenigt zich in grote lijnen met de straf(maat)overwegingen, zoals opgenomen in het vonnis van de rechtbank, en heeft deze, voor zover het zich ermee verenigt, tot de zijne gemaakt. In dit arrest zijn de straf(maat)overwegingen uit het vonnis dan ook voor een groot deel letterlijk overgenomen. Het hof heeft de overwegingen van de rechtbank naar eigen inzicht verbeterd, aangevuld en\u002Fof genuanceerd.\n\nIndien en voor zover in dit arrest wordt verwezen naar voorschriften uit wet- en regelgeving, wordt daarmee bedoeld de voorschriften uit wet- en regelgeving zoals die luidden ten tijde van het bewezenverklaarde, dus in de periode van 1 januari 2020 tot en met 19 april 2020.\n\nTen laste van de verdachte is bewezenverklaard dat zij medeplichtig is geweest aan overtreding van artikel 5, eerste lid onder a, van het Besluit emissiearme huisvesting, begaan door [medeverdachte] . In de periode van 1 augustus 2018 tot en met april 2020 verhuurde de verdachte drie varkensstallen aan [medeverdachte] , wetende dat twee van deze stallen vanaf 1 januari 2020 niet (meer) voldeden aan het hiervoor genoemde besluit. Daarmee heeft zij minst genomen op de koop toegenomen dat vanaf 1 januari 2020 door [medeverdachte] met betrekking tot twee van de door verdachte verhuurde stallen een overtreding zou worden begaan. Dat is ook gebeurd. In de periode van 1 januari 2020 tot en met 19 april 2020 heeft [medeverdachte] in de desbetreffende stallen een huisvestingssysteem toegepast met een emissiefactor voor ammoniak die hoger is dan de destijds op grond van voornoemd besluit toegestane maximale emissiewaarde voor ammoniak. Het Besluit emissiearme huisvesting heeft onder meer tot doel de uitstoot van ammoniak te beperken en daarmee het milieu te beschermen. Met haar handelen heeft de verdachte zich van deze belangen weinig aangetrokken. Dit rekent het hof de verdachte aan.\n\nHet hof heeft acht geslagen op het, de verdachte betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 7 mei 2024, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld.\n\nAlles afwegende, is het hof van oordeel dat de in eerste aanleg door de rechtbank opgelegde en door de advocaat-generaal in hoger beroep gevorderde straf, te weten een geldboete ter hoogte van € 6.000,00 waarvan € 3.000,00 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden is. Met oplegging van deze gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 48, 49, 51 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, artikel 8.40 van de Wet milieubeheer en artikel 5 van het Besluit emissiearme huisvesting, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nvernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nverklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nverklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan;\n\nverklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nverklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;\n\nveroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 6.000,00 (zesduizend euro);\n\nbepaalt dat een gedeelte van de geldboete, groot € 3.000,00 (drieduizend euro), niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. A.J. Henzen, voorzitter,\n\nmr. W.F. Koolen en mr. M. van der Horst, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. S. Kerssies, griffier,\n\nen op 26 juli 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\nMr. A.J. Henzen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2024:2468","2024-07-30T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:46.913Z",{"id":78,"ecli":79,"slug":80,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":81,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":82,"sourceTimestamp":83,"parsedAt":30,"updatedAt":84},"1458","ECLI:NL:RBOBR:2024:1647","ecli-nl-rbobr-2024-1647","RECHTBANK OOST-BRABANT\n\nZittingsplaats 's-Hertogenbosch\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: SHE 22\u002F2745 en SHE 22\u002F2746\n uitspraak van de meervoudige kamer van 23 april 2024 in de zaken tussen\n\nStichting Brabantse Milieufederatie, te Tilburg, eiseres,\n\n(gemachtigde: [naam] )\n\n [eisers] ,allen te [woonplaats] , eisers 2\n\n(gemachtigden: mr. H. Nijman en mr. J. van Eekeren)\n\nen\n\nhet college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant,het college\n\n(gemachtigden: mr. A. Speekenbrink en ing. T.A.M. Hendriks ).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaken deel: [naam] BV, te [vestigingsplaats] , vergunninghouder, gemachtigde mr. R.A.M. Verkoijen.\n\nInleiding\n\n1.1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres en eisers 2 tegen de weigering van het college om aan vergunninghouder een vergunning op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming (Wnb) te verlenen voor het wijzigen van een veehouderij met mestverwerkingsinstallatie aan de [adres] , in de gemeente Bernheze. Het college heeft de vergunning geweigerd omdat volgens het college geen vergunning nodig is (een zogenoemde positieve weigering).\n\n1.2. De rechtbank heeft het beroep op 13 juni 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en mr. M. van der Heijde, de gemachtigde van eisers 2 mr. J.W.C. van Eekeren, eisers 2 [naam] , [naam] en [naam] , de gemachtigden van het college en de gemachtigde van vergunninghouder mr. R.A.M. Verkoijen en [naam] .\n\n1.3. Na de zitting zijn partijen in de gelegenheid gesteld te reageren op nadere stukken van vergunninghouder. Geen van de partijen heeft aangegeven prijs te stellen op een tweede mondelinge behandeling van het beroep. De rechtbank heeft het onderzoek met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gesloten.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt de beroepen van eiseres en eisers 2 tegen de positieve weigering. Eerst geeft de rechtbank een overzicht van de feiten. Daarna duidt de rechtbank het bestreden besluit en het belang dat partijen hebben bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Vervolgens beoordeelt de rechtbank het inhoudelijke besluit.\n\nFeiten\n\n3. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Deze feiten stelt de rechtbank vast op basis van hetgeen partijen hebben aangevoerd in deze procedure alsmede op basis van de uitspraken van deze rechtbank in andere procedures rondom de mestvergistingsinstallatie in Nistelrode, waaronder de uitspraken van deze rechtbank van 4 oktober 2023en 22 december 2022.\n\nIn het verleden was op de [adres] , in de gemeente Bernheze een gemengd bedrijf gevestigd onder meer voor akkerbouw, het houden van legkippen en mestvarkens en een biogas-installatie waarin een gedeelte van de mest werd verwerkt. Dit bedrijf was in eigendom van [naam] BV. Voor dit bedrijf heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bernheze (B&W) op 2 november 1982 een Hinderwetvergunning verleend. In 1999 en 2008 heeft B&W milieuvergunningen verleend. Op 25 februari 2010 is een deel van de vergunning ingetrokken.\n\nHet perceel [adres] is overgenomen door [naam] BV. Op 17 september 2013 heeft B&W aan [naam] B.V. een omgevingsvergunning fase 1 voor milieu (revisievergunning) verleend voor het oprichten en in werking hebben van een mestverwerkingsinstallatie met co-vergisting.\n\nBij besluit van 17 september 2013 heeft B&W aan [naam] BV een beschikking 1e fase verleend voor de uitbreiding met een biogasinstallatie aan de [adres] . Bij besluit van 27 oktober 2014 heeft verweerder aan [naam] BV een beschikking 2e fase verleend voor het bouwen van de installaties.\n\nOp 21 augustus 2015 heeft het college van gedeputeerde staten van de provincie Gelderland een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw 1998) verleend voor een project aan de [adres] , namelijk het in bedrijf hebben van een pluimveehouderij en de daaraan verbonden gevolgen voor het nabijgelegen in de provincie Gelderland gelegen Natura 2000-gebied “Rijntakken”. Hierbij zijn de in 1999 en 2008 verleende milieuvergunningen als referentiesituatie gebruikt. De aanvraag voor deze vergunning is ingediend op\n\n24 februari 2015.\n\nVergunninghouder is sinds 2018 eigenaar van de percelen aan de [adres] .\n\nDe aanvraag voor een vergunning op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb (verder: een natuurvergunning) is ontvangen door het college op 2 november 2020 en heeft betrekking op het wijzigen van een veehouderij met mestverwerkingsinstallatie. De wijzigingen zien op het beëindigen van de varkenshouderij, het houden van 103.652 legkippen in twee stallen, het verhogen van de capaciteit van de mestverwerking en het plaatsen van een nieuwe luchtwasser.\n\nOp 13 augustus 2018 heeft B&W de omgevingsvergunning voor het houden van pluimvee aan de [adres] ingetrokken omdat er gedurende drie jaren geen dieren waren gehouden.\n\nIn een besluit van 7 augustus 2020 heeft het college een aantal voorschriften, die zijn verbonden aan de omgevingsvergunning voor milieu uit 2013 en de veranderingsvergunning uit 2014, voor de installatie aan de [adres] gewijzigd. De rechtbank heeft dit besluit vernietigd in de uitspraak van 19 maart 2021.De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft het hoger beroep van vergunninghouder tegen deze uitspraak ongegrond verklaard in een uitspraak van 23 maart 2022.[naam] V.O.F., een vennootschap onder firma waar vergunninghouder in deelneemt, heeft op 9 mei 2022 een aanvraag ingediend voor de bouw van een andere loods tegen de bestaande loods en toestemming gevraagd voor het bouwen en milieuneutraal wijzigen van de inrichting (als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en e, van de Wabo). Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 12 augustus 2022 buiten behandeling gelaten. Hiertegen heeft [naam] V.O.F. beroep ingesteld en de rechtbank heeft hierop uitspraak gedaan op 22 december 2022.\n\n- [naam] V.O.F. heeft op 6 december 2022 een omgevingsvergunning aangevraagd voor verschillende activiteiten waaronder milieu (revisie, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, en artikel 2.6 van de Wabo). Deze was op het moment van de zitting van de rechtbank door het college al wel volledig bevonden maar nog niet inhoudelijk beoordeeld.\n\nDuiding bestreden besluit en procesbelang\n\n4. Het bestreden besluit is een zogeheten positieve weigering. De aanvraag van vergunninghouder wordt geweigerd, omdat het college zich op het standpunt stelt dat voor de aangevraagde wijziging géén natuurvergunning nodig is. Als het beroep van eisers slaagt, moet mogelijk alsnog een natuurvergunning worden verkregen. Daarom is de rechtbank van oordeel dat sprake is van procesbelang. De rechtbank wijst hiervoor tevens naar de uitspraken van de Afdeling van 17 januari 2024, waarin is overwogen dat tegen een positieve weigering beroep kan worden ingesteld en daarin aan de orde kan worden gesteld of artikel 2.7 van de Wnb in het concrete geval van toepassing is en ruimte biedt voor de verlening van een vergunning. Gelet op deze uitspraken laat de rechtbank verder in het midden wat de betekenis is van het bestreden besluit voor toekomstige projecten (of de positieve weigering kan dienen als referentiesituatie). Daar is de Afdeling in de genoemde uitspraken van 17 januari 2024 ook niet aan toegekomen. De betekenis van een positieve weigering bij een wijziging of uitbreiding van een activiteit of bij wijziging van regelgeving, kan aan de orde worden gesteld in een procedure over een besluit dat in het kader daarvan wordt genomen.\n\n5. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een natuurvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. De aanvraag om een natuurvergunning is ingediend voor 1 januari 2024 zodat in dit geval de Wet natuurbescherming, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft hetgeen overigens ook uit de uitspraken van de Afdeling van 17 januari 2024 volgt.\n\n6. De Natura 2000-gebieden die door het college worden betrokken bij het bestreden besluit (Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek, Rijntakken, Kampina & Oisterwijkse Vennen en Loonse en Drunense Duinen en Leemkuilen) liggen niet in de omgeving van het bedrijf en maken geen deel uit van de leefomgeving van eisers 2. Eisers 2 zijn wel belanghebbenden maar de regels van de Wnb strekken niet tot bescherming van hun belangen maar tot bescherming van de betreffende Natura 2000-gebieden. Gelet op artikel 8:69a, van de Algemene wet bestuursrecht kan hun beroep niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit. Het beroep van eisers 2 behoeft daarom geen verdere inhoudelijke bespreking.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\n7. Eiseres heeft na de zitting erkend dat de vergunning uit 2015 niet is verleend onder het Programma aanpak stikstof (PAS). Deze beroepsgrond zal de rechtbank daarom niet verder bespreken.\n\n8.1. Eiseres stelt dat het college ten onrechte de natuurvergunning uit 1995 van de provincie Gelderland als referentiesituatie hanteert om meerdere redenen: In die vergunning is geen natuurtoestemming verleend voor de in de provincie Noord-Brabant gelegen Natura 2000-gebieden. Eiseres voert aan dat de natuurvergunning uit 2015 geen betrekking had op de biogasinstallatie maar uitsluitend op het pluimveebedrijf op [adres] . Eiseres wijst er verder op dat de omgevingsvergunningen voor het in werking hebben van de inrichting voor de veehouderijtak zijn ingetrokken door B&W in een besluit van 13 augustus 2018.\n\n8.2. Het college is in het bestreden besluit uitgegaan van de natuurvergunning uit 2015 als referentiesituatie. Onder de Nbw 1998 was het college van gedeputeerde staten van de provincie Gelderland het bevoegde gezag, omdat het project hoofdzakelijk gevolgen had voor het, in de provincie Gelderland gelegen, Natura 2000-gebied Rijntakken. Het college heeft destijds geen zienswijzen ingediend op de ontwerpbeschikking van het college van gedeputeerde staten van de provincie Gelderland. Het niet vermelden van Natura 2000-gebieden in de provincie Noord-Brabant wil niet zeggen dat de natuurvergunning uit 2015 niet ziet op Noord-Brabantse Natura 2000-gebieden. Volgens het college heeft die natuurvergunning betrekking op het gehele project aan de [adres] . Dat leidt het college af uit de tekeningen bij deze natuurvergunning en de onderliggende milieuvergunningen waar ook de biogasinstallatie op [adres] staat aangegeven met twee warmtekrachtkoppeling (WKK) installaties. Het college erkent dat bij de vergunningverlening in 2015 geen aandacht is besteed aan deze WKK-installaties maar dat was toen niet gebruikelijk. De natuurvergunning uit 2015 heeft wel formele rechtskracht.\n\n8.3. Vergunninghouder heeft met tekeningen aannemelijk willen maken dat voor de biogasinstallatie al in de Hinderwetvergunning uit 1988 toestemming is verleend. Bovendien is hiervoor op 3 augustus 1982 een bouwvergunning verleend. In 1985 zijn toestemmingen verleend voor een uitbreiding.\n\n8.4. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling moet voor de beantwoording van de vraag of de wijziging of uitbreiding van een bestaand project significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, een vergelijking worden gemaakt tussen de gevolgen van het bestaande project in de referentiesituatie en de gevolgen van het project na wijziging of uitbreiding. Als een natuurvergunning is verleend, geldt de natuurvergunning als referentiesituatie. Als een natuurvergunning ontbreekt, wordt de referentiesituatie ontleend aan de milieutoestemming die gold op de referentiedatum, tenzij nadien een milieutoestemming is verleend met minder nadelige gevolgen voor het betrokken Natura 2000-gebied. Dan geldt die toestemming als referentiesituatie. Een referentiesituatie kan niet worden ontleend aan een natuurvergunning (of milieutoestemming) die is vervallen of geëxpireerd.\n\n8.5. \n\nDe omstandigheid dat in de natuurvergunning alleen wordt gerept over het\n\nNatura 2000-gebied “Rijntakken” wil niet zeggen dat er toen alleen een vergunning is verleend voor de gevolgen voor alleen dit Natura 2000-gebied en niet voor andere gebieden. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2015waarin de Afdeling duidelijk aangeeft dat een natuurvergunning niet wordt verleend voor natuurgebieden, maar voor een project. Dit brengt volgens de Afdeling met zich dat in een vergunning die is verleend op grond van artikel 19d van de Nbw 1998 niet hoeft te worden opgenomen op welke gebieden deze ziet.\n\n8.6. De Afdeling heeft in de uitspraak van 18 november 2020overwogen dat in een natuurvergunning voor een project alle gevolgen moeten worden beoordeeld, ook de transportbewegingen die inherent zijn aan de exploitatie van dat project (een veehouderij). Daarbij moet bijvoorbeeld worden gedacht aan verkeersbewegingen van tractoren en het aan- en afvoerverkeer van vee. Het uitvoeren van die verkeersbewegingen is noodzakelijk voor een veehouderij en is een gevolg van dat project, aldus de Afdeling in die zaak.\n\n8.7. In deze zaak stelt de rechtbank vast dat in de natuurvergunning uit 2015 met geen enkel woord wordt gerept over de biogasinstallatie. De aanvraag betreft het in bedrijf hebben van een pluimveehouderij aan de [adres] . Slechts de gevolgen van het houden van dieren zijn beoordeeld in het betreffende besluit zelf. Naar het oordeel van de rechtbank is een biogasinstallatie niet noodzakelijk voor een veehouderij en ook niet inherent aan een veehouderij. Daarom hoort een biogasinstallatie niet automatisch bij een veehouderij en zal de biogasinstallatie als zodanig specifiek moeten worden benoemd in de vergunning. Dat is niet gebeurd. De omstandigheid dat het niet gebruikelijk was dergelijke installaties te beoordelen, wil niet zeggen dat de biogasinstallatie daarmee automatisch is vergund. Dit is slechts anders als de biogasinstallatie in 2015 nadrukkelijk ook is aangevraagd als onderdeel van het aangevraagde project. Beide partijen wijzen op oude inrichtingstekeningen waarop een biogasinstallatie met twee WKK’s is aangegeven. De rechtbank twijfelt er ook niet aan dat vóór 2015 een biogasinstallatie met twee WKK’s is aangevraagd en dat hiervoor Hinderwetvergunningen, bouwvergunningen en een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4 van de Wet milieubeheer (oud) zijn verleend die ook worden vermeld in de vergunningshistorie in de natuurvergunning uit 2015. De rechtbank leidt hieruit echter niet af dat de biogasinstallatie in 2015 ook uitdrukkelijk is aangevraagd. De tekeningen lijken eerder te zijn overgelegd om de omvang van de referentiesituatie aan te duiden. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat ten tijde van het indienen van de aanvraag voor een natuurvergunning in februari 2015 de biogasinstallatie aan de [adres] op naam stond van [naam] BV. Dit bedrijf dreef de inrichting die alleen en uitsluitend de biogasinstallatie omvatte en beschikte over een omgevingsvergunning milieu uit 2013 die alleen betrekking had op deze activiteit. Het was een aparte inrichting als bedoeld in de Wet milieubeheer. Het is niet vanzelfsprekend dat pluimveehouderij [naam] in 2015 een natuurvergunning zou aanvragen voor een project dat zowel de inrichtingen aan de [adres] als de [adres] zou omvatten, mede gelet op het feit dat dit bedrijf geen eigenaar was van de biogasinstallatie en dus ook geen belang had om een natuurvergunning aan te vragen voor een installatie die niet van haar was. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het college onvoldoende heeft onderbouwd dat de natuurvergunning uit 2015 betrekking heeft gehad op zowel de pluimveehouderij als de biogasinstallatie. Het college heeft de natuurvergunning uit 2015 daarom ten onrechte als referentiesituatie beschouwd voor het aangevraagde project. Deze beroepsgrond slaagt.\n\n9.1. Volgens eiseres worden de activiteiten op [adres] ten onrechte als één project beschouwd. Volgens eiseres is het aangevraagde project dat heeft geleid tot het bestreden besluit een nieuw project. Als wordt gesaldeerd met activiteiten op het buurperceel is sprake van externe saldering, niet interne saldering en is het bestreden besluit in strijd met de Beleidsregel natuurbescherming Noord-Brabant omdat wordt gesaldeerd met een gestaakt bedrijf.\n\n9.2. Het college beschouwt het aangevraagde project als één project en is van mening dat kan worden gesaldeerd met de natuurvergunning uit 2015 ook al zijn de milieutoestemmingen voor de pluimveehouderij ingetrokken en is de pluimveehouderij feitelijk gestaakt.\n\n9.3. Vergunninghouder wijst er op dat zij sinds 2018 eigenaar is van de [adres] . De pluimveehouderijtak is beëindigd en een deel van de vrijkomende emissie wordt met deze aanvraag benut voor een uitbreiding in de vergisting en verwerking.\n\n9.4. In de uitspraak van 20 juli 2016heeft de Afdeling het volgende overwogen: “Uit het voorgaande volgt weliswaar dat de twee locaties gelet op de wijze waarop [vergunninghouder] zijn bedrijfsvoering heeft ingericht organisatorisch één geheel vormen, maar naar het oordeel van de Afdeling volgt daaruit niet dat reeds daarom sprake is van één project waarbij geen afzonderlijke beoordeling van de effecten van beide locaties nodig is. Daarbij acht de Afdeling van belang dat niet gebleken is dat de locaties niet onafhankelijk van elkaar in werking kunnen zijn, dat evenmin gebleken is dat er geen alternatieven bestaan voor het in quarantaine houden van de nieuw aangevoerde geiten en dat de twee locaties op ruime afstand van elkaar, te weten een afstand van ongeveer 1,3 km, van elkaar gelegen zijn.”\n\n9.5. \n\nIn de uitspraak van de Afdeling van 8 november 2017werd het volgende overwogen:\n\n“Weliswaar volgt hieruit dat de twee bedrijven voor een deel organisatorisch met elkaar verbonden zijn, maar naar het oordeel van de Afdeling leidt dat er niet toe dat de activiteiten op de [locatie 1] en de activiteiten op de [locatie 2] als één project moeten worden gezien. Dat het vee van [appellant A] op de [locatie 2] jongvee betreft, dat, zoals [appellanten] ter zitting hebben gesteld, noodzakelijk is voor de continuïteit van zijn melkveehouderij, doet daar niet aan af. In dit verband is van belang dat de gekozen inrichting van de bedrijfsvoering op dit punt gelet op de ligging van de twee bedrijven naast elkaar, weliswaar gunstig is, maar dat niet aannemelijk is geworden dat het opfokken van het jongvee niet op andere wijze georganiseerd zou kunnen worden. Een overeenkomst tot het huisvesten en opfokken van jongvee had bijvoorbeeld met een ander bedrijf gesloten kunnen worden, zodat in het geval voor het bedrijf aan de [locatie 2] geen Nbw-vergunning wordt verleend voor de aangevraagde situatie, dat niet tot gevolg heeft dat het bedrijf van [appellant A] niet kan functioneren. Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat de aangevraagde activiteiten niet als één project kunnen worden aangemerkt, zodat de effecten van de activiteiten op het bedrijf van [appellant A] en de effecten van de activiteiten op het bedrijf van [appellant B] niet gezamenlijk maar afzonderlijk inzichtelijk dienen te worden gemaakt.”\n\n9.6. De rechtbank begrijpt vergunninghouder en het college aldus dat het bestreden besluit ziet op de samenvoeging van twee projecten tot één project waarbij het ene project kan worden ingezet ten behoeve van het andere project door middel van intern salderen.\n\n9.7. Naar het oordeel van de rechtbank is dit een route die niet kan worden gevolgd om meerdere redenen.\n\n De rechtbank stelt voorop dat de installatie aan de [adres] niet nodig is om de pluimveehouderij te exploiteren. De opstallen van de pluimveehouderij zijn niet nodig om de installatie aan de [adres] te exploiteren.\n\n Ten tijde van het bestreden besluit was de installatie op de [adres] een aparte inrichting die was vergund in de vergunning van 2013. Dat geldt overigens ook voor de aangevraagde mestverwerkingsinstallatie. Dat volgt uit de uitspraak van 23 maart 2022 van de Afdeling.Ten tijde van de aanvraag en het bestreden besluit heeft vergunninghouder meerdere aanvragen ingediend met betrekking tot de inrichting aan de [adres] die niet tevens zagen op het perceel [adres] .\n\n Ten tijde van het bestreden besluit waren de milieuvergunningen uit 1999 en 2008 voor de pluimveehouderij aan de [adres] ingetrokken.\n\n Uit hetgeen hierboven is overwogen, volgt bovendien dat met de verlening van de natuurvergunning in 2015 de pluimveehouderij op de [adres] en de installatie op [adres] op dat moment moesten worden beschouwd als twee projecten. Met andere woorden, de [adres] en de [adres] zijn gescheiden projecten.\n\n De eerder vergunde WKK’s op de [adres] waren betrokken in de milieuvergunningen die ten grondslag hebben gelegen aan de natuurvergunning in 2015 en behoorden bij het project van de pluimveehouderij aan de [adres] . Voor de biogasinstallatie was geen natuurvergunning verleend. De in het verleden vergunde WKK’s of de biogasinstallatie op de [adres] kunnen niet dubbel worden ingezet als referentiesituatie ten behoeve van de installatie op de [adres] .\n\n De enkele omstandigheid dat beide percelen weer in eigendom zijn van één partij is onvoldoende om te spreken over één project waarbij intern kan worden gesaldeerd.\n\n9.8. Volgens de rechtbank kunnen de gevolgen van de pluimveehouderij alleen worden betrokken bij het aangevraagde project via externe saldering. In dat geval is wel een natuurvergunning vereist. Bovendien zal het college haar Beleidsregel Natuurbescherming moeten betrekken bij de vergunningverlening. Het college heeft dit ten onrechte niet gedaan in het bestreden besluit.\n\n10.1. Eiseres zet vraagtekens bij de emissiefactoren uit de Regeling Ammoniak en veehouderij. Zij merkt verder op dat de gevolgen van de bouw- en aanlegfase niet inzichtelijk zijn gemaakt.\n\n10.2. Het college merkt op dat de pluimveestallen al zijn vergund in de natuurvergunning van 2015. Het college verwacht dat de gevolgen van de gebruiksfase veel hoger zijn dan de gevolgen van de bouw van de loods voor de mestverwerking.\n\n10.3. De rechtbank ziet geen aanleiding deze beroepsgronden te bespreken. Aan het standpunt van het college ligt namelijk ten grondslag dat het college de installaties aan de [adres] en [nummer] heeft beschouwd als één project en de rechtbank is van oordeel dat de gevolgen van de pluimveehouderij alleen worden betrokken bij het aangevraagde project via externe saldering.\n\n11.1. Eiseres betwijfelt de prestaties van de luchtwasser.\n\n11.2. Het college heeft in het verweerschrift nader toegelicht dat de prestaties van de luchtwasser zijn ontleend aan een vergelijkbare luchtwasser op een andere locatie.\n\n11.3. Eiseres heeft de nadere onderbouwing van het college niet weerlegd en ook de rechtbank ziet geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van deze onderbouwing. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\n12.1. Eiseres vindt dat de gevolgen van de vervoersbewegingen van het verkeer van en naar het bedrijf onvoldoende inzichtelijk zijn gemaakt.\n\n12.2. Het college merkt op dat in de effectberekening in AERIUS het verkeer van en naar de inrichting is verdeeld over de Loosbroekseweg in een totale strook van 1200 meter. Daarna is het verkeer volgens het college opgenomen in het heersend verkeersbeeld.\n\n12.3. Eiseres heeft de nadere onderbouwing van het college niet weerlegd en ook de rechtbank ziet geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van deze onderbouwing. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\n13.1. Eiseres stelt dat niet duidelijk is of de lozing van 80.000 m3 proceswater niet had moeten worden meegenomen in het kader van de Wnb.\n\n13.2. Het college stelt dat de afstand tot de Natura 2000-gebieden meer dan 15 kilometer is. Daardoor kan op voorhand met zekerheid worden uitgesloten dat er significante effecten kunnen ontstaan voor de betrokken instandhoudingsdoelstellingen. De samenstelling van het proceswater is volgens het college niet schadelijk voor het milieu, anders mag er niet op de sloot geloosd worden.\n\n13.3. De rechtbank is van oordeel dat het college terecht op voorhand significante effecten van de lozing van afvalwater heeft uitgesloten.\n\nConclusie en gevolgen\n\n14. Het beroep van eisers 2 is ongegrond, het beroep van eiseres is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en het college opdragen een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van vergunninghouder met inachtneming van deze uitspraak. Omdat het beroep van eiseres gegrond wordt verklaard, moet het college het griffierecht aan eiseres en de reiskosten vergoeden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank\n\n verklaart het beroep van eisers 2 ongegrond;\n\n verklaart het beroep van eiseres gegrond;\n\n vernietigt het bestreden besluit;\n\n draagt het college op een nieuw besluit te nemen binnen zes maanden na dagtekening van deze uitspraak met inachtneming van deze uitspraak;\n\n draagt het college op het door eiseres betaalde griffierecht van € 365,00 en reiskosten van € 22,00 te vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M. Verhoeven, voorzitter, en mr. R. Grimbergen en mr. C.N. van der Sluis, leden, in aanwezigheid van A.J.H, van der Donk, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2024.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n ECLI:NL:RBOBR:2023:4826.\n\n ECLI:NL:RBOBR:2022:5652.\n\n ECLI:NL:RBOBR:2021:1211.\n\n ECLI:NL:RVS:2022:799.\n\n ECLI:NL:RBOBR:2022:5652.\n\n ECLI:NL:RVS:2024:129 en ECLI:NL:RVS:2024:131.\n\n ECLI:NL:RVS:2015:2245.\n\nECLI:NL:RVS:2020:2760.\n\n ECLI:NL:RVS:2016:2017.\n\n ECLI:NL:RVS:2017:3002\n\n ECLI:NL:RVS:2022:799","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2024:1647","2024-04-19T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:22.075Z",1,20]