[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-utrecht-asylum-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":26,"total":16,"page":25,"limit":193},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},63,"Utrecht","nl","utrecht",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},37,"asylum-law-nl","Asylum Law","NL","2026-07-08T16:53:25.948Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},29,{"min":18,"max":19},"2024-06-10T00:00:00.000Z","2026-07-02T00:00:00.000Z",[21],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"121984","Wet op de inkomstenbelasting","",1,[27,37,46,55,64,72,79,86,94,102,110,118,126,135,143,150,159,166,175,184],{"id":28,"ecli":29,"slug":30,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":31,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":33,"sourceTimestamp":34,"parsedAt":35,"updatedAt":36},"1116","ECLI:NL:RBDHA:2026:18646","ecli-nl-rbdha-2026-18646","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.34524\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. B. Temeltasch),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. J. Raaijmakers).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 20 juni 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.\n\nDe minister heeft de rechtbank op 20 juni 2026 op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 29 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen I.A. Remizova. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.\n\n2. Eiser stelt de Russische nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1992. Op 20 juni 2026 is hij aangekomen op [luchthaven] en heeft hij een asielaanvraag ingediend. De minister heeft diezelfde dag een besluit over de toegangsweigering uitgesteld en aan eiser een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd.\n\nGronden van de maatregel\n\n3. In de maatregel heeft de minister overwogen dat aanleiding bestaat om te veronderstellen dat eiser binnen de reikwijdte van de Asiel- en Migratiebeheerverordening valt, omdat hij in het bezit is van een door Frankrijk afgegeven Schengenvisum. De minister heeft op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd, omdat er volgens verweerder een risico bestaat dat eiser zal onderduiken. In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:\n\na. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen of een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;\n\nr. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; en\n\ns. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.\n\n4. Eiser heeft de juistheid van de gronden niet bestreden, maar heeft aangevoerd dat de gronden, het niet beschikken over voldoende middelen van bestaan en het niet hebben van een vaste woon-\u002Fverblijfplaats, gelden voor iedere aan de grens asiel verzoekende vreemdeling. Deze gronden dienen te worden voorzien van een individuele toelichting.\n\n5. De rechtbank is van oordeel dat de grond onder a feitelijk juist is. Door het indienen van een asielaanvraag aan de grens heeft eiser niet voldaan aan de voorwaarden van het aan hem verleende Schengenvisum. De gronden onder r en s zijn ook feitelijk juist en voldoende toegelicht. Door het niet beschikken over voldoende middelen en het niet hebben van een vaste woon-\u002Fverblijfplaats bestaat het risico dat eiser zich onttrekt aan het toezicht en dat hij de voorbereidingen van zijn vertrek dan wel verwijderingsprocedure belemmert. Dat deze gronden van toepassing zijn op (vrijwel) iedere asielzoeker, maakt niet dat die gronden niet aan eiser kunnen worden tegengeworpen.\n\nDe gronden kunnen tezamen de maatregel dragen.\n\nLichter middel\n\n6. Eiser voert aan dat de minister al voorafgaand aan de opheffing had moeten volstaan met een lichter middel dan de vrijheidsontnemende maatregel, omdat de minister in het bestreden besluit niet heeft gemotiveerd waarom in dit geval niet met het toepassen van een lichter middel kon worden volstaan. De motivering in de maatregel is van algemene aard en geldt voor iedere vreemdeling die aan de grens asiel aanvraagt. De motivering is niet toegespitst op de situatie van eiser. Eiser heeft een geldig paspoort, hij heeft meegewerkt aan de grensprocedure en er is geen enkele aanwijzing die duidt op vluchtgevaar of een onderdruikrisico.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat eiser niet heeft betwist dat hij aan de grens een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend terwijl hij niet aan de toegangsvoorwaarden voldeed, en dat hij daarmee voldoet aan de voorwaarden voor toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw.\n\n8. Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.\n\n9. De rechtbank is van oordeel dat uit het proces-verbaal van gehoor blijkt dat aan eiser in voldoende mate duidelijk is gemaakt dat het aan hem was om eventuele bijzondere feiten of omstandigheden met betrekking tot zijn persoonlijke belangen aan te voeren die tot het oordeel konden leiden dat de minister diende af te zien van het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregel. Desgevraagd heeft eiser verklaard te begrijpen dat hij naar een gesloten detentiecentrum moet en heeft hij aangegeven dat hij hoopt dat zijn asielaanvraag in behandeling wordt genomen. Hij heeft verder aangegeven geen gezondheidsproblemen te hebben, geen familieleden in de Europese unie te hebben en op de vraag of er andere omstandigheden zijn die aanleiding moeten geven om zijn asielaanvraag in vrijheid af te wachten heeft eiser geantwoord dat die er niet zijn.\n\n10. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de minister in de maatregel heeft kunnen volstaan met de motivering dat geen minder dwingende maatregel kan worden toegepast zonder het grensbewakingsbelang prijs te geven en dat eiser geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die zouden moeten leiden tot de conclusie dat de maatregel onevenredig bezwarend is. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nKwetsbaarheids- en medische beoordeling\n\n11. Eiser voert voorts aan dat de minister ten onrechte geen kwetsbaarheids- en medische beoordeling heeft uitgevoerd. Eiser behoort tot een groep die naar vaste rechtspraak en beleid als potentieel kwetsbaar wordt aangemerkt. Omdat de minister heeft nagelaten deze beoordeling te maken ontbreekt er een deugdelijke grondslag.\n\n12. De minister heeft ter zitting toegelicht dat eiser is gescreend alvorens de maatregel is opgelegd en dat tijdens deze screening niet is gebleken van kwetsbaarheid of medische omstandigheden.\n\n13. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding voor twijfel aan het standpunt van de minister dat er een kwetsbaarheids- en medische beoordeling is uitgevoerd. De rechtbank betrekt hierbij dat ook het proces-verbaal van gehoor voorafgaand aan de maatregel geen aanknopingspunten biedt voor het feit dat er sprake zou zijn van kwetsbaarheid of medische problematiek.\n\nConclusie\n\n14. Ook ambtshalve toetsend is de rechtbank niet gebleken dat de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is opgelegd of onrechtmatig voortduurt.\n\n15. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.\n\n16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- wijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. W.A. Berghuis, rechter, in aanwezigheid van mr.L.S. Lodder, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 2 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 januari 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC2998.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18646","2026-07-07T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:04.962Z",{"id":38,"ecli":39,"slug":40,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":41,"fullText":42,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":43,"sourceTimestamp":44,"parsedAt":35,"updatedAt":45},"1584","ECLI:NL:RBDHA:2026:18523","ecli-nl-rbdha-2026-18523","2026-06-30T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.9713\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. W.G. Fischer),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van de minister, waarin zijn bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard.\n\n1.1.. Omdat over de uitkomst van deze zaak geen twijfel bestaat, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nVrijstelling van betaling griffierecht\n\n2. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van betaling van het griffierecht. De rechtbank wijst het verzoek toe.\n\nFeiten\n\n3. De zaak is begonnen met de beëindiging van de Landelijke Vreemdelingenvoorziening (LVV) in de gemeente Utrecht. De LVV (ook wel de ‘bed-bad-brood’ regeling genoemd) bood opvang en begeleiding bij terugkeer aan vreemdelingen die illegaal in Nederland verbleven. Eind 2024 heeft de minister aan diverse van deze vreemdelingen kenbaar gemaakt dat de opvang en de begeleiding op grond van de LVV in Utrecht vanaf 1 januari 2025 stopt. Eiser heeft een dergelijk besluit gekregen. Hij is het hier niet mee eens en heeft hiertegen bezwaar gemaakt.\n\n3.1.. \n\nIn het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat eiser geen (proces)belang meer heeft bij de behandeling van het bezwaarschrift, omdat eiser geen gebruik meer maakt of hoeft te maken van de opvang op grond van de LVV.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n4. De rechtbank is van oordeel dat de minister het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat geen sprake is van procesbelang. Het beroep is dus kennelijk ongegrond.\n\n4.1.. Het is vaste rechtspraak dat procesbelang het belang is dat een betrokkene heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het erom gaat of het doel dat die betrokkene voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. Een betrokkene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk.\n\n4.2.. In het bestreden besluit staat dat eiser een herhaalde asielaanvraag heeft ingediend, waarop nog niet is beslist. Als gevolg hiervan heeft eiser recht op opvang van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa). De rechtbank heeft geen aanleiding om aan te nemen dat eiser geen gebruik maakt van deze opvangmogelijkheid.\n\n4.3.. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het bestreden besluit. De vraag naar de rechtmatigheid van de beëindiging van de opvang op grond van de LVV heeft voor eiser dan ook geen feitelijke betekenis meer. Hij heeft immers een andere vorm van opvang gekregen. Verder is gesteld noch gebleken dat de LVV-opvang voor eiser voordelen kent ten opzichte van de opvang van het COa. De minister heeft dan ook terecht bepaald dat eisers procesbelang bij de bezwaarprocedure daarom is komen te vervallen.\n\n5. Verder wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn af.\n\n5.1.. De redelijke termijn voor het doorlopen van een bezwaar- en beroepsprocedure is in beginsel twee jaar. Die termijn is hier nog niet overschreden. Desondanks kan er schade zijn als gevolg van een te lange bezwaarfase. Die schade moet worden onderbouwd. Van een dergelijke onderbouwing is niet gebleken.\n Conclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 30 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:515).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18523","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:28.431Z",{"id":47,"ecli":48,"slug":49,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":50,"fullText":51,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":52,"sourceTimestamp":53,"parsedAt":35,"updatedAt":54},"1698","ECLI:NL:RBDHA:2026:17131","ecli-nl-rbdha-2026-17131","2026-06-24T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.3339\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. C.T.W. van Dijk),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. G.T. Cambier).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De minister heeft namelijk niet deugdelijk gemotiveerd dat in de provincies Al Mahra en Hadramaut, Jemen, geen sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c van de Kwalificatieverordening(artikel 15c). Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiser heeft op 20 juli 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.\n\n2.1.. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 12 november 2024 afgewezen als kennelijk ongegrond. Bij uitspraak van 13 december 2024heeft de rechtbank het daartegen door eiser ingestelde beroep gegrond verklaard. Bij uitspraak van 28 juli 2025heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) de uitspraak van de rechtbank bevestigd.\n\n2.2.. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 14 januari 2026 opnieuw afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n2.3.. De rechtbank heeft het beroep op 12 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. M.E. Buijsse als waarnemer van de gemachtigde van eiser, A. Karim als tolk en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nHet asielrelaas\n\n3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft de Jemenitische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 2003 in de Verenigde Arabische Emiraten (VAE), waar hij altijd heeft gewoond. Zijn stiefvader heeft tegen de Houthi’s gezegd dat hij werkt voor de inlichtingendienst van de VAE, waarna er een arrestatiebevel tegen hem is uitgevaardigd. Eiser vreest ook dat hij bij terugkeer naar Jemen gedwongen zal worden gerekruteerd door de Houthi’s. Ook vreest hij dat de Houthi’s hem zullen beschuldigen van spionage, omdat hij in de VAE heeft gewoond. Verder vreest hij voor de algemene onveilige situatie in Jemen.\n\nHet bestreden besluit\n\n4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:\n\n1. identiteit, nationaliteit en herkomst;\n\n2. problemen met de Houthi’s en het hieruit komende arrestatiebevel.\n\n4.1.. De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. De problemen met de Houthi’s en het hieruit komende arrestatiebevel acht de minister niet geloofwaardig. Die beoordeling staat met de uitspraken van de rechtbank en de Afdeling in de eerdere procedure in rechte vast.\n\n4.2.. Dat eiser uit Jemen komt, betekent volgens de minister niet dat hij vluchteling is. De asielmotieven zijn niet te herleiden tot één van de (vervolgings)gronden van het Vluchtelingenverdrag. Eiser loopt volgens de minister ook geen reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Jemen. Aangezien eiser geen herkomstgebied heeft in Jemen, mag van hem verwacht worden dat hij zich vestigt in de provincies Al Mahra, Hadramaut of Socotra, waar geen sprake is van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. Met de beleidswijziging van 17 oktober 2025 inzake de beoordeling van artikel 15c ten aanzien van Jemen, zoals neergelegd in paragraaf C7\u002F19.4.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), is volgens de minister voldaan aan de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025. In de bijlage ‘15c beoordeling Jemen’ van 18 juni 2025 bij de Kamerbrief van de minister van 8 oktober 2025 is volgens de minister de beoordeling van artikel 15c voor de verschillende provincies uitgebreid uiteengezet, evenals de wijze waarop de humanitaire situatie daarbij is betrokken. De minister wijst er ook op dat de Afdeling in de uitspraak van 16 juli 2025, rechtsoverweging 4.2 heeft overwogen dat humanitaire omstandigheden niet doorslaggevend of bepalend zijn in de globale beoordeling van artikel 15c. Volgens de minister is niet aannemelijk dat handelingen die indirect gevolgen hebben voor de humanitaire situatie en globaal betrokken moeten worden, tot een fundamenteel andere weging leiden. De minister acht verder de vrees van eiser voor gedwongen rekrutering en voor beschuldiging van spionage niet aannemelijk. De minister concludeert dat de asielaanvraag wordt afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat eiser zich niet tijdig heeft gemeld voor asiel.\n\nArtikel 15c van de Kwalificatieverordening\n\n5. Eiser voert aan dat het beleid van de minister over de gradaties van willekeurig geweld in Jemen onvoldoende is gemotiveerd. Dat betekent ook dat de minister geen binnenlands vestigingsalternatief kan tegenwerpen. Eiser verwijst hierbij naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 25 november 2025. Eiser verwijst ook naar de brief van VluchtelingenWerk Nederland ‘Jemen – vestigingsalternatief Al-Mahra en Hadramaut’ van 5 januari 2026. Hieruit blijkt onder andere dat UNHCR en UK Home Office van mening zijn dat een binnenlands vestigingsalternatief in Jemen waarschijnlijk geen redelijke optie is. Uit de brief blijkt ook dat er sinds 30 december 2025 in Jemen een ongekende escalatie van spanningen is opgetreden nadat STC-troepen begin december de controle over Hadramaut en Al Mahra hadden overgenomen. Eiser heeft op de zitting nog aangevoerd dat de minister de humanitaire omstandigheden ook had moeten betrekken in het kader van de afzonderlijke beoordeling van het risico op schending van artikel 3 van het EVRM.\n\n6. De rechtbank overweegt als volgt. Op de zitting is gebleken dat eiser de redenering van de minister dat hij geen herkomstgebied heeft in Jemen en dat daarom verwacht wordt dat hij naar één van de veiligste provincies gaat, op zich niet betwist. Op de zitting heeft de minister Socotra als mogelijke provincie van terugkeer laten vallen, omdat dit eiland mogelijk heel lastig te bereizen is. Het geschil beperkt zich dus tot de vraag of eiser kan terugkeren naar de provincie Hadramaut of Al Mahra.\n\n7. In de eerdere procedure van eiser is artikel 15c ook aan de orde geweest. In de uitspraak van 28 juli 2025 verwijst de Afdeling naar de uitspraak van 16 juli 2025, waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat de minister de beoordeling in het beleid in paragraaf C7\u002F19.4.2 van de Vc 2000 of in Jemen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie die valt onder artikel 15c, niet deugdelijk heeft gemotiveerd. Bij deze beoordeling zijn namelijk niet alle relevante omstandigheden globaal in aanmerking genomen. Gelet op deze uitspraak, onder 4.2, 6 en 6.1, had de rechtbank terecht overwogen dat de minister niet deugdelijk had gemotiveerd hoe hij de slechte humanitaire situatie in Jemen in combinatie met de andere door betrokkene overgelegde informatie over het actuele geweldsniveau en andere relevante omstandigheden weegt in de beoordeling in het kader van artikel 15c.\n\n8. De rechtbank oordeelt dat de minister het beleid voor Jemen, meer specifiek dat in de provincies Al Mahra en Hadramaut geen sprake is een situatie zoals bedoeld in artikel 15c, nog altijd niet deugdelijk heeft gemotiveerd. Zij licht dit als volgt toe.\n\n8.1.. In de bijlage bij de Kamerbrief, p. 3 is toegelicht dat Al Mahra en Hadramaut (vrijwel) gevrijwaard waren van gevechtshandelingen en gewelddadigheden. Daaruit wordt de conclusie getrokken dat in deze provincies geen sprake is van een gewapend conflict. Vervolgens staat er over de humanitaire omstandigheden het volgende: ‘Ook de humanitaire situatie in deze delen van Jemen is meegenomen in de beoordeling. De humanitaire situatie in geheel Jemen is weliswaar precair, maar blijkens het ambtsbericht wordt deze situatie in de provincies Al Mahra, Hadramaut en Socotra niet beïnvloed of aangewakkerd door de gehanteerde oorlogsmethoden. Om deze reden worden deze provincies buiten beschouwing gelaten in de 15c beoordeling.’\n\n8.2.. De rechtbank acht deze motivering onvoldoende. In het Algemeen ambtsbericht Jemen van april 2025 staat niet dat de humanitaire situatie in Al Mahra en Hadramaut niet wordt beïnvloed of aangewakkerd door de gehanteerde oorlogsmethoden. De minister heeft op de zitting toegelicht dat bedoeld is dat volgens het Algemeen ambtsbericht in deze provincies geen sprake is van een gewapend conflict, en dat daaruit voortvloeit dat de humanitaire situatie dus niet door een gewapend conflict beïnvloed kan zijn. Deze visie lijkt er echter van uit te gaan dat de provincies geheel op zichzelf staan. Dat volgt de rechtbank niet, omdat niet is onderbouwd dat deze provincies volledig zelfvoorzienend zijn, bijvoorbeeld op het terrein van voedselvoorziening. Dat betekent dat de toevoer en doorvoer van voedsel ook kan worden beïnvloed door gewapende conflicten in omliggende provincies. Ook in provincies waar het geweld minder hevig is, kan de humanitaire situatie dus het directe of indirecte gevolg zijn van het handelen en\u002Fof nalaten van een actor van ernstige schade in het kader van willekeurig geweld. De rechtbank heeft in de uitspraak van 11 mei 2026bijvoorbeeld gewezen op de invloed van escalatie in de Rode Zee op de voedselvoorziening en de gevolgen van de door strijdende partijen gebruikte oorlogsmethoden op de toegang tot water en voedsel. De rechtbank ziet niet in waarom deze informatie (en andere informatie over de humanitaire omstandigheden als gevolg van het handelen van de strijdende partijen) bij de beoordeling van de provincies Al Mahra en Hadramaut niet betrokken zou hoeven worden. De minister heeft dus onvoldoende gemotiveerd dat Al Mahra en Hadramaut buiten beschouwing kunnen worden gelaten in de 15c beoordeling, enkel omdat in die provincies geen sprake zou zijn van een gewapend conflict. En daarmee heeft de minister ook niet deugdelijk gemotiveerd dat in de provincies Al Mahra en Hadramaut geen sprake is een situatie zoals bedoeld in artikel 15c.\n\n9. Het voorgaande betekent dat het beroep gegrond is. Het beleid dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt is niet deugdelijk gemotiveerd. Dat betekent dat de minister een nieuwe beoordeling over artikel 15c moet maken. De rechtbank ziet geen aanleiding om de huidige veiligheidssituatie in Al Mahra en Hadramaut te bespreken. De minister moet namelijk opnieuw de actuele situatie beoordelen als hij een nieuw besluit neemt. Omdat het beroep gegrond is, hoeven de overige beroepsgronden in het kader van artikel 15c, over de vrees voor rekrutering en verdenking van spionage, en de op de zitting aangevoerde beroepsgrond over het betrekken van de humanitaire omstandigheden in het kader van artikel 3 van het EVRM, ook niet besproken te worden.\n\nConclusie en gevolgen\n\n10. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.\n\n10.1.. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.\n\n10.2.. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit van 14 januari 2026;\n\n- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;\n\n- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op 24 juni 2026\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Verordening (EU) 2024\u002F1347.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2024:21921.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:3514.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:3153.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2025:22462.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:3153.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2026:13161, overweging 19.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17131","2026-06-25T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:34.170Z",{"id":56,"ecli":57,"slug":58,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":59,"fullText":60,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":61,"sourceTimestamp":62,"parsedAt":35,"updatedAt":63},"590","ECLI:NL:RBDHA:2026:18746","ecli-nl-rbdha-2026-18746","2026-06-19T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AWB 26\u002F5053\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. W.G. Fischer),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van de minister waarin zijn bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard.\n\n1.1.. Omdat over de uitkomst van deze zaak geen twijfel bestaat, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nVrijstelling van betaling griffierecht\n\n2. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van betaling van het griffierecht. De rechtbank wijst het verzoek toe.\n\nFeiten\n\n3. De zaak is begonnen met de beëindiging van de Landelijke Vreemdelingenvoorziening (LVV) in de gemeente Utrecht. De LVV (ook wel de ‘bed-bad-brood’ regeling genoemd) bood opvang en begeleiding bij terugkeer aan vreemdelingen die illegaal in Nederland verbleven. Eind 2024 heeft de minister aan diverse van deze vreemdelingen kenbaar gemaakt dat de opvang en de begeleiding op grond van de LVV in Utrecht vanaf 1 januari 2025 stopt. Eiser heeft een dergelijk besluit gekregen. Hij is het hier niet mee eens en heeft hiertegen bezwaar gemaakt.\n\n3.1.. \n\nIn het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat eiser geen (proces)belang meer heeft bij de behandeling van het bezwaarschrift, omdat eiser geen gebruik meer maakt of hoeft te maken van de opvang op grond van de LVV.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n4. De rechtbank is van oordeel dat de minister het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat geen sprake is van procesbelang. Het beroep is dus kennelijk ongegrond.\n\n4.1.. Het is vaste rechtspraak dat procesbelang het belang is dat een betrokkene heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het erom gaat of het doel dat die betrokkene voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. Een betrokkene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk.\n\n4.2.. In het bestreden besluit staat dat eiser een herhaalde asielaanvraag heeft ingediend, waarop nog niet is beslist. Als gevolg hiervan heeft eiser recht op opvang van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa). De rechtbank heeft geen aanleiding om aan te nemen dat eiser geen gebruik maakt van deze opvangmogelijkheid.\n\n4.3.. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het bestreden besluit. De vraag naar de rechtmatigheid van de beëindiging van de opvang op grond van de LVV heeft voor eiser dan ook geen feitelijke betekenis meer. Hij heeft immers een andere vorm van opvang gekregen. Verder is gesteld noch gebleken dat de LVV-opvang voor eiser voordelen kent ten opzichte van de opvang van het COa. De minister heeft dan ook terecht bepaald dat eisers procesbelang bij de bezwaarprocedure daarom is komen te vervallen.\n\n5. Verder wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn af.\n\n5.1.. De redelijke termijn voor het doorlopen van een bezwaar- en beroepsprocedure is in beginsel twee jaar. Die termijn is hier nog niet overschreden. Desondanks kan er schade zijn als gevolg van een te lange bezwaarfase. Die schade moet worden onderbouwd. Van een dergelijke onderbouwing is niet gebleken.\n\n Conclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:515).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18746","2026-07-08T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:38.300Z",{"id":65,"ecli":66,"slug":67,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":59,"fullText":68,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":69,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":35,"updatedAt":71},"1827","ECLI:NL:RBDHA:2026:18256","ecli-nl-rbdha-2026-18256","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AWB 26\u002F4977\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. W.G. Fischer),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van de minister waarin zijn bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard.\n\n1.1.. Omdat over de uitkomst van deze zaak geen twijfel bestaat, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nVrijstelling van betaling griffierecht\n\n2. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van betaling van het griffierecht. De rechtbank wijst het verzoek toe.\n\nFeiten\n\n3. De zaak is begonnen met de beëindiging van de Landelijke Vreemdelingenvoorziening (LVV) in de gemeente Utrecht. De LVV (ook wel de ‘bed-bad-brood’ regeling genoemd) bood opvang en begeleiding bij terugkeer aan vreemdelingen die illegaal in Nederland verbleven. Eind 2024 heeft de minister aan diverse van deze vreemdelingen kenbaar gemaakt dat de opvang en de begeleiding op grond van de LVV in Utrecht vanaf 1 januari 2025 stopt. Eiser heeft een dergelijk besluit gekregen. Hij is het hier niet mee eens en heeft hiertegen bezwaar gemaakt.\n\n3.1.. \n\nIn het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat eiser geen (proces)belang meer heeft bij de behandeling van het bezwaarschrift, omdat eiser geen gebruik meer maakt of hoeft te maken van de opvang op grond van de LVV.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n4. De rechtbank is van oordeel dat de minister het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat geen sprake is van procesbelang. Het beroep is dus kennelijk ongegrond.\n\n4.1.. Het is vaste rechtspraak dat procesbelang het belang is dat een betrokkene heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het erom gaat of het doel dat die betrokkene voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. Een betrokkene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk.\n\n4.2.. In het bestreden besluit staat dat eiser een herhaalde asielaanvraag heeft ingediend, waarop nog niet is beslist. Als gevolg hiervan heeft eiser recht op opvang van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa). De rechtbank heeft geen aanleiding om aan te nemen dat eiser geen gebruik maakt van deze opvangmogelijkheid.\n\n4.3.. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het bestreden besluit. De vraag naar de rechtmatigheid van de beëindiging van de opvang op grond van de LVV heeft voor eiser dan ook geen feitelijke betekenis meer. Hij heeft immers een andere vorm van opvang gekregen. Verder is gesteld noch gebleken dat de LVV-opvang voor eiser voordelen kent ten opzichte van de opvang van het COa. De minister heeft dan ook terecht bepaald dat eisers procesbelang bij de bezwaarprocedure daarom is komen te vervallen.\n\n5. Verder wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn af.\n\n5.1.. De redelijke termijn voor het doorlopen van een bezwaar- en beroepsprocedure is in beginsel twee jaar. Die termijn is hier nog niet overschreden. Desondanks kan er schade zijn als gevolg van een te lange bezwaarfase. Die schade moet worden onderbouwd. Van een dergelijke onderbouwing is niet gebleken.\n\n Conclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:515).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18256","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:40.728Z",{"id":73,"ecli":74,"slug":75,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":59,"fullText":76,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":77,"sourceTimestamp":62,"parsedAt":35,"updatedAt":78},"575","ECLI:NL:RBDHA:2026:18738","ecli-nl-rbdha-2026-18738","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AWB 26\u002F5043\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiseres] , eiseres\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. W.G. Fischer),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit van de minister waarin haar bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard.\n\n1.1.. Omdat over de uitkomst van deze zaak geen twijfel bestaat, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nVrijstelling van betaling griffierecht\n\n2. Eiseres heeft verzocht om vrijstelling van betaling van het griffierecht. De rechtbank wijst het verzoek toe.\n\nFeiten\n\n3. De zaak is begonnen met de beëindiging van de Landelijke Vreemdelingenvoorziening (LVV) in de gemeente Utrecht. De LVV (ook wel de ‘bed-bad-brood’ regeling genoemd) bood opvang en begeleiding bij terugkeer aan vreemdelingen die illegaal in Nederland verbleven. Eind 2024 heeft de minister aan diverse van deze vreemdelingen kenbaar gemaakt dat de opvang en de begeleiding op grond van de LVV in Utrecht vanaf 1 januari 2025 stopt. Eiseres heeft een dergelijk besluit gekregen. Zij is het hier niet mee eens en heeft hiertegen bezwaar gemaakt.\n\n3.1.. \n\nIn het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat eiseres geen (proces)belang meer heeft bij de behandeling van het bezwaarschrift, omdat eiseres geen gebruik meer maakt of hoeft te maken van de opvang op grond van de LVV.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n4. De rechtbank is van oordeel dat de minister het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat geen sprake is van procesbelang. Het beroep is dus kennelijk ongegrond.\n\n4.1.. Het is vaste rechtspraak dat procesbelang het belang is dat een betrokkene heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het erom gaat of het doel dat die betrokkene voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. Een betrokkene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk.\n\n4.2.. In het bestreden besluit staat dat eiseres een herhaalde asielaanvraag heeft ingediend, waarop nog niet is beslist. Als gevolg hiervan heeft eiseres recht op opvang van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa). De rechtbank heeft geen aanleiding om aan te nemen dat eiseres geen gebruik maakt van deze opvangmogelijkheid.\n\n4.3.. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het bestreden besluit. De vraag naar de rechtmatigheid van de beëindiging van de opvang op grond van de LVV heeft voor eiseres dan ook geen feitelijke betekenis meer. Zij heeft immers een andere vorm van opvang gekregen. Verder is gesteld noch gebleken dat de LVV-opvang voor eiseres voordelen kent ten opzichte van de opvang van het COa. De minister heeft dan ook terecht bepaald dat het procesbelang van eiseres bij de bezwaarprocedure daarom is komen te vervallen.\n\n5. Verder wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn af.\n\n5.1.. De redelijke termijn voor het doorlopen van een bezwaar- en beroepsprocedure is in beginsel twee jaar. Die termijn is hier nog niet overschreden. Desondanks kan er schade zijn als gevolg van een te lange bezwaarfase. Die schade moet worden onderbouwd. Van een dergelijke onderbouwing is niet gebleken.\n\n Conclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:515).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18738","2026-07-13T00:28:37.544Z",{"id":80,"ecli":81,"slug":82,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":59,"fullText":83,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":84,"sourceTimestamp":62,"parsedAt":35,"updatedAt":85},"584","ECLI:NL:RBDHA:2026:18740","ecli-nl-rbdha-2026-18740","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AWB 26\u002F5049\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. W.G. Fischer),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van de minister waarin zijn bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard.\n\n1.1.. Omdat over de uitkomst van deze zaak geen twijfel bestaat, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nVrijstelling van betaling griffierecht\n\n2. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van betaling van het griffierecht. De rechtbank wijst het verzoek toe.\n\nFeiten\n\n3. De zaak is begonnen met de beëindiging van de Landelijke Vreemdelingenvoorziening (LVV) in de gemeente Utrecht. De LVV (ook wel de ‘bed-bad-brood’ regeling genoemd) bood opvang en begeleiding bij terugkeer aan vreemdelingen die illegaal in Nederland verbleven. Eind 2024 heeft de minister aan diverse van deze vreemdelingen kenbaar gemaakt dat de opvang en de begeleiding op grond van de LVV in Utrecht vanaf 1 januari 2025 stopt. Eiser heeft een dergelijk besluit gekregen. Hij is het hier niet mee eens en heeft hiertegen bezwaar gemaakt.\n\n3.1.. \n\nIn het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat eiser geen (proces)belang meer heeft bij de behandeling van het bezwaarschrift, omdat eiser geen gebruik meer maakt of hoeft te maken van de opvang op grond van de LVV.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n4. De rechtbank is van oordeel dat de minister het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat geen sprake is van procesbelang. Het beroep is dus kennelijk ongegrond.\n\n4.1.. Het is vaste rechtspraak dat procesbelang het belang is dat een betrokkene heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het erom gaat of het doel dat die betrokkene voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. Een betrokkene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk.\n\n4.2.. In het bestreden besluit staat dat eiser een herhaalde asielaanvraag heeft ingediend, waarop nog niet is beslist. Als gevolg hiervan heeft eiser recht op opvang van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa). De rechtbank heeft geen aanleiding om aan te nemen dat eiser geen gebruik maakt van deze opvangmogelijkheid.\n\n4.3.. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het bestreden besluit. De vraag naar de rechtmatigheid van de beëindiging van de opvang op grond van de LVV heeft voor eiser dan ook geen feitelijke betekenis meer. Hij heeft immers een andere vorm van opvang gekregen. Verder is gesteld noch gebleken dat de LVV-opvang voor eiser voordelen kent ten opzichte van de opvang van het COa. De minister heeft dan ook terecht bepaald dat eisers procesbelang bij de bezwaarprocedure daarom is komen te vervallen.\n\n5. Verder wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn af.\n\n5.1.. De redelijke termijn voor het doorlopen van een bezwaar- en beroepsprocedure is in beginsel twee jaar. Die termijn is hier nog niet overschreden. Desondanks kan er schade zijn als gevolg van een te lange bezwaarfase. Die schade moet worden onderbouwd. Van een dergelijke onderbouwing is niet gebleken.\n\n Conclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:515).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18740","2026-07-13T00:28:38.080Z",{"id":87,"ecli":88,"slug":89,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":90,"fullText":91,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":92,"sourceTimestamp":90,"parsedAt":35,"updatedAt":93},"1708","ECLI:NL:RBDHA:2026:13788","ecli-nl-rbdha-2026-13788","2026-05-27T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: NL24.21723 en NL24.33955\n uitspraak van de meervoudige kamer in de zaken tussen\n [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser,\n\n [eiseres], V-nummer: [V-nummer] , eiseres,\n\nmede namens hun minderjarige kinderen:\n\n [minderjarige 1]en[minderjarige 2] ,\n\nhierna samen: eisers,\n\n(gemachtigde: mr. S.J. Koolen),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister,\n\n(gemachtigde: mr. E.C. Pietermaat).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvragen van eisers als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvragen.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvragen niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Eisers hebben aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Zij zijn van Venezolaanse nationaliteit. Eiser is geboren op [geboortedatum 1] 1987 en eiseres op [geboortedatum 2] 1991. De minister heeft met de bestreden besluiten van 28 mei 2024 de aanvragen in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.\n\n2.1.. Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. De minister heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. Eisers hebben daarna aanvullende gronden en stukken ingediend.2.2.. De rechtbank heeft op 7 februari 2025 het onderzoek ter zitting geopend en de beroepen aan de orde gesteld. Omdat er geen tolk beschikbaar was, hebben eisers verzocht om de zitting aan te houden. De rechtbank heeft de behandeling van de zaken geschorst en eisers verzocht een nadere toelichting te geven op verschillende ingediende bronnen. De rechtbank heeft de minister in de gelegenheid gesteld hierop te reageren.\n\n2.3.. Eisers hebben op 13 februari 2025 gereageerd. De minister heeft op 5 maart 2025 gereageerd. Eisers hebben daarna nog verschillende stukken overgelegd.\n\n2.4.. De rechtbank heeft de beroepen op 31 juli 2025 op zitting behandeld. Daarna heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. Op 7 augustus 2025 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de beroepen verwezen naar de meervoudige kamer.\n\n2.5.. De rechtbank heeft partijen uitgenodigd voor de behandeling van de beroepen door de meervoudige kamer op de zitting van 13 januari 2026. Eisers en hun gemachtigde zijn verschenen. De minister is niet verschenen. De rechtbank heeft daarom het onderzoek geschorst en de beroepen niet inhoudelijk behandeld.\n\n2.6.. Het onderzoek ter zitting door de meervoudige kamer heeft vervolgens plaatsgevonden op 5 maart 2026. Hieraan hebben deelgenomen: eisers en hun gemachtigde, A.N. van den Berg - Barrio als tolk en de gemachtigde van de minister. Na de behandeling heeft de rechtbank het onderzoek op 5 maart 2026 gesloten. Bij de sluiting van het onderzoek heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht de uitspraaktermijn met zes weken te verlengen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3. De rechtbank zal in deze uitspraak eerst de asielrelazen en de bestreden besluiten weergeven. Daarna zal de rechtbank aan de hand van de beroepsgronden ingaan op asielmotieven die de minister niet geloofwaardig heeft bevonden. Vervolgens zal de rechtbank ingaan op de risicobeoordeling en de zwaarwegendheid van de geloofwaardig bevonden asielmotieven. Dit doet de rechtbank eerst in de zaak van eiser en daarna in de zaak van eiseres.\n\nDe asielrelazen\n\n4. Eisers leggen aan hun asielaanvragen het volgende ten grondslag. Eiser is sinds 2005 politiek actief. Hij was in Venezuela sociaal leider en steunde de partij Acción Democrática. In 2014 heeft eiser besloten om officieel lid te worden van Acción Democrática. Vanaf toen begonnen de problemen. Eiser kreeg telefonisch bedreigingen vanwege zijn politieke activiteiten. Deze bedreigingen werden steeds erger en veranderden in doodsbedreigingen. In januari 2018 is eiser twee keer fysiek aangevallen door de colectivos. Daarvan heeft eiser aangifte gedaan bij het Openbaar Ministerie en bij het CICPC. Eiser vreest bij terugkeer voor zijn leven en dat van zijn gezin. Eiser vreest voor de regering, decolectivos, de nationale garde en alle Venezolaanse autoriteiten.\n\n4.1.. Eiseres heeft verklaard dat zij in 2014 lid is geworden van Acción Democrática en dat vanaf 2015 de problemen begonnen vanwege haar politieke activiteiten. Eiseres en eiser kregen dreigtelefoontjes, waarin werd gezegd dat zij moesten stoppen met hun politieke activiteiten. Eiseres is op 11 november 2017 ontslagen op haar werk vanwege haar politieke overtuiging. Eiseres was werkzaam in een regeringsgezind ziekenhuis. Eiseres en eiser zijn op 12 januari 2018 fysiek mishandeld door de colectivosen zij hebben hier beiden aangifte van gedaan. Twee dagen later is eiser nogmaals mishandeld. Vervolgens hebben eisers besloten om naar Colombia te vertrekken, waar zij vier jaar hebben verbleven. Daarna zijn eisers via Spanje naar Nederland gereisd. Eiseres vreest bij terugkeer om gefolterd of vermoord te worden.\n\nDe bestreden besluiten\n\n5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:\n\nIdentiteit, nationaliteit en herkomst;\n\nLidmaatschap bij de Acción Democrática;\n\nPolitieke activiteiten;\n\nPolitieke overtuiging;\n\nProblemen vanwege de politieke activiteiten.\n\n5.1.. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:\n\nIdentiteit, nationaliteit en herkomst;\n\nLidmaatschap bij de Acción Democrática;\n\nPolitieke activiteiten;\n\nPolitieke overtuiging;\n\nProblemen vanwege de politieke activiteiten.\n\n6. De minister vindt de politieke activiteiten en de problemen vanwege de politieke activiteiten van eisers niet geloofwaardig. Ten aanzien van eiseres vindt de minister ook het lidmaatschap van Acción Democrática niet geloofwaardig.\n\n6.1.. De minister vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst en de politieke overtuiging van eisers geloofwaardig. Ook vindt de minister het lidmaatschap van eiser van Acción Democrática geloofwaardig. De minister vindt de geloofwaardig geachte asielmotieven niet zo zwaarwegend dat eisers gegronde vrees hebben voor vervolging of een reëel risico lopen op ernstige schade bij terugkeer. De minister vindt dat er geen sprake is van een zodanig sterke politieke overtuiging dat de vrees gegrond is en dat eisers bescherming op grond van het Vluchtelingenverdrag nodig hebben. Eisers behoren ook niet tot een risicogroep als bedoeld in paragraaf C2\u002F3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Eiser is alleen lid van de partij, maar de politieke activiteiten en de daaruit voortkomende problemen zijn ongeloofwaardig geacht. Ten aanzien van de activiteiten op sociale media ziet de minister niet in dat eisers, na lang niet meer politiek actief te zijn geweest, nu ineens politiek actief zijn op sociale media. De minister vindt dat van eisers terughoudendheid mag worden verwacht wat betreft de toekomstige politieke activiteiten bij terugkeer naar Venezuela, omdat niet geloofwaardig is dat zij in het verleden politiek actief zijn geweest. Verder vindt de minister dat uit de overgelegde stukken volgt dat eisers fysiek zijn aangevallen en dat eiser verwondingen heeft opgelopen, maar hieruit blijkt niet dat eisers te vrezen hebben voor ernstige schade of vervolging. De minister concludeert daarom dat de asielaanvragen ongegrond zijn.\n\nDe geloofwaardigheidsbeoordeling: politieke activiteiten (eiser)\n\nWisselend verklaard over het zijn van sociaal leider\n\n7. Eiser voert aan dat hij zijn verklaringen in de zienswijze nog mag aanvullen en dat hij in het nader gehoor en in zijn reactie op het nader gehoor verduidelijking heeft gegeven van zijn activiteiten als sociaal leider. Deze verduidelijking is ook in lijn met zijn eerdere verklaringen. De minister had nadere vragen moeten stellen indien dit onduidelijk was. Ook vindt eiser dat zijn verklaringen niet wisselend zijn.\n\n8. De rechtbank volgt het standpunt van de minister dat eiser wisselend heeft verklaard over het zijn van sociaal leider. Eiser heeft enerzijds verklaard dat hij de partij ondersteunde, dat men eiser begon te volgen, en als er een buurtgenoot was in de gemeenschap die iets nodig had dan wist eiser dat via de politici te bereiken voor die persoon.Anderzijds heeft eiser verklaard dat hij, voordat hij lid werd van de partij, alleen op de partij stemde en dus geen ondersteuning bood. De minister heeft eiser ook kunnen tegenwerpen dat hij in de correcties en aanvullingen en in de zienswijze niet heeft verduidelijkt waarom hij hier wisselend over heeft verklaard.\n\nAlgemeen verklaard over de gehouden toespraken\n\n9. Eiser voert aan dat hij zijn verklaringen in de zienswijze nog mag aanvullen en vindt dat de hoormedewerker op dit punt niet goed heeft doorgevraagd. Eiser stelt dat niet van belang is dat hij benoemt aan hoeveel en aan welke evenementen hij heeft deelgenomen en wat zijn rol daarin was, maar dat het gaat om de vraag of hij actief was.\n\n10. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser algemeen heeft verklaard over de toespraken die hij heeft gehouden. De minister heeft eiser kunnen tegenwerpen dat hij algemeen heeft verklaard over de inhoud van de toespraken. Zo heeft eiser heel algemeen verklaard dat de toespraken gingen over dat ‘we door moesten gaan met de strijd, dat de strijd niet achterwege kon worden gelaten, en dat we niet moesten stoppen met het ondersteunen van de strijd omdat dan alles wat we tot nu toe hadden gedaan tot niets zou hebben gediend’.Ook heeft de minister kunnen tegenwerpen dat eiser geen antwoord geeft op de vraag hoe vaak hij deze toespraken hield.De rechtbank volgt de minister in het standpunt dat van eiser als woordvoerder mag worden verwacht dat hij (meer) voorbeelden had kunnen benoemen over wat hij in deze toespraken zei en een schatting had kunnen geven van het aantal toespraken dat hij heeft gehouden. De rechtbank vindt ook dat de hoormedewerker hierover voldoende heeft doorgevraagd. Het enkel aanvullen van de verklaringen in de zienswijze zonder nader te onderbouwen waarom eiser hierover in eerste instantie algemeen heeft verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende.\n\nTegenstrijdige verklaringen over het gebruik van sociale media\n\n11. Eiser is van mening dat zijn verklaringen over het gebruik van sociale media niet tegenstrijdig zijn met de verklaringen van eiseres hierover.\n\n12. De rechtbank volgt het standpunt van eiser dat zijn verklaringen over het gebruik van sociale media niet tegenstrijdig zijn met de verklaringen van eiseres hierover. De minister werpt eiser tegen dat hij geen gebruik heeft gemaakt van sociale media om zijn volgers te bereiken, maar dat eiseres heeft verklaard dat zij samen foto’s publiceerden, berichten plaatsten op sociale media en dat de demonstraties die georganiseerd werden op Facebook werden geplaatst.De rechtbank stelt vast dat eiser in de correcties en aanvullingen heeft uitgelegd dat hij niet via sociale media contact hield met zijn volgers, maar via de telefoon. Hij publiceerde wel foto’s van bijeenkomsten en marsen op Facebook. De rechtbank is van oordeel dat de minister deze toelichting van eiser onvoldoende heeft betrokken in het bestreden besluit.\n\nDocumenten onderbouwen de verklaringen niet\n\n13. Eiser wijst op de statuten van Acción Democrática en stelt dat wanneer iemand lid is van de partij, iemand ook actief is. Volgens eiser betekent dit dat het geloofwaardige lidmaatschap in de geloofwaardigheidsbeoordeling over zijn politieke activiteiten moet worden betrokken. Eiser vindt het te ver gaan dat een onjuiste datum op een verklaring van een politiek lid maakt dat dit alle geloofwaardigheid van de andere overgelegde documenten wegneemt. De overgelegde brieven zijn opgesteld door de partij en onderbouwen eisers verklaringen. Dat de verklaring van [persoon1] niet in detail benoemt aan hoeveel en aan welke evenementen eiser heeft deelgenomen en wat zijn rol was, is volgens eiser niet van belang omdat het gaat om de vraag of eiser politiek actief was.\n\n14. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de documenten de verklaringen van eiser over zijn politieke activiteiten niet onderbouwen. Eiser heeft bij het nader gehoor foto’s van letsel, foto’s met personen, een Colombiaanse aangifte en Colombiaanse aanplakbiljetten overgelegd. De rechtbank volgt de minister in het standpunt dat hieruit niet volgt dat eiser heeft deelgenomen aan protestmarsen en dat deze documenten daarom geen onderbouwing zijn van zijn politieke activiteiten.\n\n14.1.. Verder heeft eiser bij zijn zienswijze verschillende verklaringen van politici overgelegd, namelijk drie verklaringen van [persoon2] van 26 januari 2022, van 5 december 2023 en van 24 september 2024 en een verklaring van [persoon1] van 12 december 2023. De minister heeft terecht gesteld dat de verklaringen van [persoon2] van 5 december 2023 en van 26 januari 2022 tegenstrijdig aan elkaar zijn. In de verklaring van 5 december 2023 staat dat eiser vanaf 2005 actief lid is voor Acción Democrática en in de verklaring van 26 januari 2022 staat dat eiser vanaf 2014 actief is voor Acción Democrática. Ook heeft de minister eiser kunnen tegenwerpen dat de verklaring van 5 december 2023 tegenstrijdig is aan eisers eigen verklaring, namelijk dat hij in 2014 lid werd van Acción Democrática.De rechtbank volgt daarom het standpunt van de minister dat deze verklaringen tegenstrijdig zijn aan elkaar en de politieke activiteiten niet onderbouwen. Ook uit de verklaring van 24 september 2024 volgt niet waarom eiser als actief lid wordt beschouwd en op welke manier hij zich heeft ingezet voor Acción Democrática, zodat ook deze verklaring eisers verklaringen over zijn politieke activiteiten niet onderbouwd. Verder heeft de minister kunnen tegenwerpen dat uit de verklaring van [persoon1] niet blijkt aan welke evenementen en demonstraties eiser heeft deelgenomen, hoe vaak hij hieraan heeft deelgenomen of wat eisers rol was bij deze evenementen en demonstraties. De rechtbank volgt de minister daarom in het standpunt dat ook dit document niet onderbouwt dat eiser politieke activiteiten voor Acción Democrática heeft verricht.\n\nConclusie politieke activiteiten\n\n15. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de minister niet ten onrechte de politieke activiteiten van eiser niet geloofwaardig heeft geacht. Dat de rechtbank de minister niet volgt in de tegenwerping dat eisers tegenstrijdig hebben verklaard over het gebruik van sociale media, maakt het voorgaande niet anders.\n\nDe geloofwaardigheidsbeoordeling: problemen vanwege de politieke activiteiten (eiser)\n\n16. De rechtbank heeft hiervoor al overwogen dat de minister de politieke activiteiten niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. De minister heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiser daardoor niet kan worden gezien als activist en dat daarom niet kan worden ingezien waarom eiser doelwit zou worden van de Venezolaanse autoriteiten. De minister heeft aan zijn standpunt dat de problemen vanwege de politieke activiteiten ongeloofwaardig zijn in het bestreden besluit en het daarin ingelast voornemen echter ook ten grondslag gelegd dat eisers wisselend hebben verklaard over de bedreigingen, de verklaringen over de aangifte ongerijmd zijn, eisers tegenstrijdig hebben verklaard over dat zij in de gaten worden gehouden door de Venezolaanse regering, hun verblijf in Colombia opmerkelijk is en de overgelegde documenten de verklaringen niet onderbouwen. Om het geschil zoveel mogelijk te beslechten, zal de rechtbank hieronder ingaan op de beroepsgronden die eisers hiertegen hebben aangevoerd.\n\nEisers hebben wisselend verklaard over de bedreigingen\n\n17. Eiser stelt dat hij nooit heeft verklaard dat de doodsbedreigingen in 2015 begonnen. Uit zijn verklaringen kan voldoende worden afgeleid dat het gaat om bedreigingen rond 2017 en niet vanaf 2015. Verder stelt eiser dat de termen ‘wekelijks’ en ‘elke week’ verschillende termen zijn en dat het niet onbegrijpelijk is dat deze termen een andere betekenis kunnen hebben.\n\n18. De rechtbank volgt de minister niet in het standpunt dat eisers wisselend hebben verklaard over de bedreigingen. Eiser heeft verklaard dat hij vanaf 2015 bedreigingen ontving. In het nader gehoor verklaart eiser dat tegen hem werd gezegd ‘Je bent een ellendige verrader, stop met wat je aan het doen bent of het komt je duur te staanen‘je gaat het met je leven betalen, we weten waar je woont’.Verder heeft eiser verklaard dat de telefoontjes in 2017 inmiddels doodsbedreigingen waren.De rechtbank is van oordeel dat eisers verklaringen over wanneer de bedreigingen ontstonden en wanneer dit (volgens hem) doodsbedreigingen werden niet wisselend zijn. Ook vindt de rechtbank dat eisers niet wisselend hebben verklaard over de frequentie van de bedreigingen. Eiseres heeft namelijk verklaard dat de bedreigingen in 2015 begonnen en dat zij twee of drie keer per week een telefoontje of een sms kregen, dan werd er even gestopt en toen begon het opnieuw.Eiser heeft verklaard dat er soms een maand voorbij ging, soms langer, maar dat als er een protestmars was geweest de bedreigingen ook wel eens wekelijks waren.De rechtbank is van oordeel dat deze verklaringen van eisers over de frequentie van de bedreigingen niet wisselend zijn en volgt niet het standpunt van de minister dat uit de verklaringen van eiseres volgt dat er meer bedreigingen waren dan uit de verklaringen van eiser naar voren komt. Dat eiser op een gegeven moment de bedreigingen voor eiseres verborgen hield, maakt naar het oordeel van de rechtbank ook niet dat de hiervoor weergegeven verklaringen van eisers over de frequentie wisselend zijn.\n\nVerklaringen over de aangifte na de mishandeling zijn ongerijmd\n\n19. Eiser vindt het niet ongerijmd dat hij aangifte heeft gedaan ondanks zijn vrees voor de autoriteiten. Eiser wijst op verschillende zaken waarin de asielaanvraag door de minister is ingewilligd en waarin de desbetreffende vreemdeling ook aangifte had gedaan ondanks de vrees voor de autoriteiten.\n\n20. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de verklaringen over de aangifte ongerijmd zijn. De rechtbank stelt vast dat Bureau Documenten de aangifte niet vals of vervalst heeft bevonden. Verder vindt de minister het aannemelijk dat eiseres in eerste instantie een fout heeft gemaakt met het benoemen van een ander bestuursorgaan waar aangifte is gedaan, zodat de rechtbank niet volgt dat de minister desondanks deze fout toch tegenwerpt omdat deze volgens de minister te laat is gecorrigeerd. De rechtbank kan de minister ook niet volgen in het standpunt dat het ongerijmd is dat eiser vreest voor de Venezolaanse autoriteiten maar vervolgens wel ervoor kiest om aangifte bij die autoriteiten te doen wegens ontvoering. Dat eiser wel aangifte heeft gedaan van de aanval en de ontvoering en niet van de bedreigingen, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat eisers ongerijmd hebben verklaard over de aangifte. Eisers hebben toegelicht dat het belangrijk is om aangifte te doen om de feiten vast te leggen en om hierop terug te kunnen vallen als het regime verandert.\n\nVerblijf in Colombia is opmerkelijk\n\n21. Eiser betoogt dat het feit dat hij Venezuela op een legale manier en zonder problemen kon in- en uitreizen geen afbreuk doet aan de geloofwaardigheid. Eisers verklaringen hierover zeggen namelijk niets over het feit dat hij is aangevallen en is bedreigd door de colectivos. Eiser stelt dat de weergave in de zienswijze over het paspoort inderdaad geen juiste weergave is, maar de uitleg van de minister dat eiser de zaken probeert te verdraaien en dat eisers te kwader trouw zijn, bevestigt het vermoeden van eisers dat de minister niet objectief en neutraal naar de zaak heeft gekeken. Eiser voert verder aan dat tijdens het gehoor verschillende vertalingen voor het woordsacarzijn gebruikt, wat ‘halen’ betekent, maar in de context van Venezuela een afspraak voor het ‘krijgen’ of ‘aanvragen’ (van het paspoort) is. Eiser heeft de aanvraag zelf (in persoon) ingediend, terwijl de afspraak is gemaakt met behulp van een vriendin van zijn vrouw. Daarna is het paspoort door iemand anders opgehaald met behulp van de partij.\n\n22. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het verblijf van eisers in Colombia opmerkelijk is. De minister heeft het opmerkelijk mogen vinden dat eisers stellen te vrezen voor de Venezolaanse autoriteiten, maar vervolgens vanuit Colombia naar Venezuela terugreizen om een paspoort en een uitreisstempel bij deze autoriteiten aan te vragen. De verklaringen van eiseres dat zij degene was die het paspoort heeft verlengd en niet eiser, en de verklaring van eiser dat hij is teruggegaan naar Venezuela om een paspoort en een uitreisstempel te regelen – wat daar ook van zij – nemen niet weg dat eisers (volgens de correcties en aanvullingen) wel beiden in 2021 zijn teruggegaan naar Venezuela om het paspoort te verlengen c.q. aan te vragen. Dit heeft de minister opmerkelijk mogen vinden. Verder heeft de minister ook kunnen tegenwerpen dat eisers vier jaar lang in Colombia hebben kunnen verblijven zonder problemen te krijgen met de Venezolaanse autoriteiten.\n\nDocumenten onderbouwen de verklaringen niet\n\n23. Eiser stelt dat hij verschillende documenten heeft overgelegd die de problemen vanwege de politieke activiteiten onderbouwen: een aangifte van zijn moeder, een WhatsApp-bericht van zijn zus, verklaringen van politici over zijn politieke activiteiten, verklaringen van het OM en een medische verklaring van eiseres, foto’s van zijn verwondingen en de aangifte van eiser over de bedreigingen. Eiser begrijpt niet dat het bewijs en de stelling (van de minister) dat het geloofwaardig is dat eiser is neergeschoten niet in positieve zin door de minister worden meegewogen in de beoordeling van de vraag of de aanvallen geloofwaardig zijn. Eiser stelt dat het geweld willekeurig is, zodat niet is vereist dat de precieze activiteiten geloofwaardig zijn om toch te worden vervolgd.Eiser stelt zich op het standpunt dat al deze documenten onderbouwen dat eiser met geweld is aangevallen vanwege zijn politieke activiteiten. Eiser heeft ook bewijs overgelegd dat zijn moeder nog altijd wordt vervolgd. Ook uit eiser zich nog altijd actief tegen het regime op sociale media.\n\n24. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de documenten de verklaringen van eiser over de problemen vanwege zijn politieke activiteiten niet onderbouwen.\n\n24.1.. Ten aanzien van de medische documenten over de verwondingen van eiser en de psychische klachten van eiseres, volgt de rechtbank het standpunt van de minister dat deze documenten een weergave zijn van eisers eigen verklaringen en daarom niet objectief zijn. De minister heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat de foto’s verwondingen laten zien, maar dat hieruit niet kan worden opgemaakt hoe deze verwondingen zijn opgelopen en de foto’s daarom niet aantonen dat eiser deze verwondingen heeft opgelopen als gevolg van problemen vanwege zijn politieke activiteiten.\n\n24.2.. Ook heeft de minister kunnen tegenwerpen dat de aangifte bij het OM een weergave is van eisers eigen verklaringen en daarom niet als objectief is aan te merken. De rechtbank is verder van oordeel dat, ook als wel van de medische documenten en de aangifte wordt uitgegaan, eisers met die documenten onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat eiser vanwege zijn politieke activiteiten is aangevallen, gelet op de omstandigheid dat de minister de politieke activiteiten van eiser niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht.\n\n24.3.. Ten aanzien van de documenten die eiser heeft overgelegd die volgens hem ondersteunen dat zijn moeder is bedreigd en aangevallen door de colectivos,heeft de minister zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser hiermee niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege zijn politieke activiteiten problemen heeft. Eiser heeft verklaard dat zijn moeder is aangevallen vanwege de politieke activiteiten die eiser in Nederland heeft uitgevoerd. Omdat eiser op 12 februari 2023 iets op sociale media heeft gepost, zou zijn moeder op 16 mei 2023 en op 17 november 2023 zijn bedreigd. De minister heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt kunnen stellen dat niet aannemelijk is dat de moeder recent is bedreigd en dat de daders op zoek zijn naar eiser. De minister heeft terecht erop gewezen dat eiser sinds 2018 Venezuela heeft verlaten en heeft opmerkelijk mogen achten dat de moeder pas vijf jaar nadat eiser is vertrokken uit Venezuela problemen zou hebben ondervonden. De minister heeft hierbij kunnen betrekken dat de aangifte en klacht zijn gebaseerd op verklaringen van de moeder, geen objectieve weergave zijn van feiten en dat niet is gebleken wie de daders waren en waarom de vermeende aanval zou hebben plaatsgevonden. De rechtbank volgt de minister in het standpunt dat uit de aangifte en klacht van de moeder niet volgt dat deze verband houden met de politieke activiteiten van eiser in Nederland. Ook volgt de rechtbank dat het Whatsapp-bericht van eisers zus het voorgaande niet aannemelijk maakt, omdat het geen objectieve onderbouwing betreft. Dat de daders al sinds vorig jaar op zoek zijn naar eiser en naar hem vragen, zoals in dit bericht staat, blijkt ook niet uit andere verklaringen (van eisers) of documenten.\n\n24.4.. De rechtbank concludeert dat uit het samenstel van de verklaringen van eiser en de documenten volgt dat eiser is aangevallen, maar dat de minister zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser hiermee niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit was vanwege zijn politieke activiteiten. De rechtbank volgt de minister in het standpunt dat de politieke activiteiten niet geloofwaardig zijn zodat eiser niet kan worden gezien als (politiek) activist. Gelet hierop, heeft de minister kunnen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege zijn politieke activiteiten is bedreigd en aangevallen en doelwit is geworden van de Venezolaanse autoriteiten.\n\nConclusie problemen vanwege politieke activiteiten\n\n23. Hoewel de rechtbank van oordeel is dat de minister niet heeft mogen tegenwerpen dat eisers wisselend hebben verklaard over de bedreigingen en dat de verklaringen over de aangifte ongerijmd zijn, is de rechtbank van oordeel dat de minister niet ten onrechte de problemen vanwege de politieke activiteiten van eiser ongeloofwaardig heeft geacht omdat eiser dit niet aannemelijk heeft gemaakt.\n\n23.1.. Omdat de minister zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de politieke activiteiten en de problemen vanwege deze politieke activiteiten ongeloofwaardig zijn, wordt niet toegekomen aan de vraag of sprake is van omkering van de bewijslast als bedoeld in artikel 31, vijfde lid, van de Vw.\n\nGegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer (eiser)\n\n24. Eiser stelt dat hij uit een politieke familie komt. Eiser staat dicht bij zijn broer die is verkozen tot gemeenteraadslid en behoort tot de oppositie. Eisers broer is eerder ook aangevallen. Daarnaast heeft eiser aangetoond dat hij vanuit Nederland politiek actief is. Volgens de uitspraak van de Afdeling van 22 maart 2023blijkt uit algemene informatie dat mensen die politiek actief zijn een verhoogd risico lopen als zij dichtbij belangrijke leden van de oppositie in Venezuela staan, zeker als dat familieleden zijn. Dat heeft de minister niet betrokken in de beoordeling. Eiser stelt dat van belang is dat het geloofwaardig is dat hij lid is van Acción Democrática en dat hij zich online is gaan uiten ruim voor de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft op verschillende bronnen (sociale media posts) gewezen waaruit volgt dat hij zich in Nederland politiek actief uit. Verder wijst eiser op verschillende bronnenwaaruit volgt dat terugkeerders het risico lopen om te worden gedetineerd. Eiser vindt daarom dat de minister onvoldoende heeft onderzocht en ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat eisers bij terugkeer naar Venezuela geen vrees hebben voor vervolging of ernstige schade.\n\n24.1.. Eisers stellen zich verder op het standpunt dat zij bij terugkeer gevaar lopen, omdat het aannemelijk is dat zij vanwege hun uitingen op sociale media in de negatieve aandacht staan van de Venezolaanse autoriteiten. Eisers hebben een rapport van [persoon3] overgelegd waarin de algemene situatie in Venezuela voor wat betreft telefooncontroles wordt beschreven. Eisers stellen dan ook dat zij bij terugkeer een reëel risico lopen gelet op de inhoud van hun telefoons en de (sociale media) activiteiten die zij in Nederland hebben verricht. Verder hebben eisers een rapport van [persoon4] en een rapport van [persoon5] ingebracht ter onderbouwing van hun standpunten.\n\nLidmaatschap van Acción Democrática en risicoprofiel\n\n25. In het landgebonden beleidten aanzien van Venezuela is bepaald dat oppositieleden en politiek activisten worden aangemerkt als risicoprofiel.De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet valt onder dit risicoprofiel. De minister vindt geloofwaardig dat eiser lid is van Acción Democrática, maar dat betekent niet dat eiser per definitie onder het risicoprofiel valt. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat eiser lid is van een oppositiepartij die is opgehouden te bestaan. Dat betekent dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij lid is van een oppositiepartij. Eiser valt daarom ook niet onder het risicoprofiel ‘oppositielid’. Verder is de rechtbank van oordeel dat eiser niet kan worden gevolgd in zijn betoog dat hij een politiek activist is, aangezien zijn gestelde politieke activiteiten ongeloofwaardig zijn bevonden. Weliswaar uit eiser zich in Nederland politiek op sociale media, maar dat is onvoldoende om hem aan te merken als oppositielid of politiek activist. De rechtbank is daarom met de minister van oordeel dat het lidmaatschap van Acción Democrática niet maakt dat eiser bij terugkeer heeft te vrezen voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade.\n\nPolitieke overtuiging en uitingen op sociale media in Nederland\n\n26. De minister stelt zich op het standpunt dat het gegeven dat eiser lid is van Acción Democrática, dat hij een politieke overtuiging heeft en dat zijn familieleden politiek actief zijn, niet maakt dat voor eiser bij terugkeer naar Venezuela gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade bestaat. De minister vindt de politieke overtuiging niet dusdanig sterk, dat hij hierdoor heeft te vrezen voor vervolging. Daarbij vindt de minister van belang dat eiser oppervlakkig en algemeen heeft verklaard over waarom hij voor Acción Democrática heeft gekozen en weinig tot niet onder woorden kan brengen wat de standpunten van de partij zijn. Ook zijn de politieke activiteiten – en de daaruit voortkomende problemen – van eiser niet geloofwaardig bevonden en is eiser al jaren weg uit Venezuela. Dat eiser zich na aankomst in Nederland pas politiek is gaan uiten op sociale media en dat hij zijn broer politiek adviseert is ook geen reden om aan te nemen dat eiser bij terugkeer heeft te vrezen. De minister vindt het niet aannemelijk dat eiser hierdoor in de negatieve belangstelling van de Venezolaanse autoriteiten staat, omdat eisers bereik op sociale media niet groot is aangezien hij niet veel volgers heeft en niet is gebleken dat de autoriteiten op de hoogte zijn van zijn sociale media account of zijn adviesrol. De minister vindt daarom dat van eiser terughoudendheid mag worden verwacht wat betreft zijn toekomstige politieke activiteiten bij terugkeer naar Venezuela.\n\n27. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling kan van een vreemdeling niet worden verlangd dat hij zich bij terugkeer naar het land van herkomst terughoudend opstelt in de uitoefening van zijn geloof of politieke overtuiging. Wanneer de minister geloofwaardig acht dat een vreemdeling in Nederland politieke activiteiten heeft ontplooid en niet heeft bestreden dat deze voortkomen uit een politieke overtuiging, kan niet van die vreemdeling worden verwacht dat hij zich bij terugkeer onthoudt van dergelijke activiteiten om vervolging te voorkomen.\n\n27.1.. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in het arrest Y. en Z., en later in het arrest S. en A., uiteengezet hoe moet worden beoordeeld of sprake is van een gegronde vrees voor vervolging wegens een (toegedichte) politieke overtuiging. Relevante elementen voor deze beoordeling zijn de sterkte van de overtuiging van de betrokkene en eventueel verrichte activiteiten om die overtuiging uit te dragen. Het is niet vereist dat de overtuiging van de betrokkene zo diepgeworteld is dat hij bij terugkeer naar zijn land van herkomst het uiten ervan niet achterwege zou kunnen laten. Volgens het arrest moet een uitputtend en grondig onderzoek worden verricht naar de relevante omstandigheden, waarbij zowel de specifieke persoonlijke situatie van de betrokkene als de bredere context van het land van herkomst in aanmerking moeten worden genomen.\n\n27.2.. Het betoog van eiser dat zijn broer politiek actief is en eiser daarom een risico loopt bij terugkeer, slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheid dat eisers broer politiek actief is, niet betekent dat eiser daarom zal worden gemonitord en in de negatieve belangstelling van de Venezolaanse autoriteiten staat. Weliswaar volgt uit openbare landeninformatie en uit de rechtspraakdat niet alleen activisten (die significantie kritiek uiten) te maken kunnen krijgen met geweld door de autoriteiten ofcolectivos.Ook worden mensen in Venezuela vrij makkelijk gezien als tegenstander van het regime en worden familieleden van opposanten van het regime soms tot doelwit gemaakt. Eiser heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege de politieke activiteiten van zijn broer in de negatieve belangstelling van de Venezolaanse autoriteiten staat. Uit het rapport van [persoon4] volgt dat de bezigheden van eisers broer als politicus voor een oppositiepartij niet automatisch betekenen dat eiser zelf in het dagelijks leven in de gaten zal worden gehouden. Daarvoor zou eiser bekend moeten staan als een politiek activist, en zoals volgt uit rechtsoverweging 25 heeft de minister het ongeloofwaardig mogen achten dat eiser politieke activiteiten heeft verricht en is eiser daarom niet aan te merken als een politiek activist. Verder heeft de rechtbank hiervoor ook al overwogen dat uit de aangifte en klacht van de moeder van eiser niet blijkt dat dit verband houdt met activiteiten van eiser. Dat familieleden van eiser politiek actief zijn en problemen zouden hebben ondervonden, is daarom onvoldoende om aannemelijk te achten dat eiser daardoor in de negatieve belangstelling van de Venezolaanse autoriteiten is komen te staan.\n\n27.3.. Over het risico dat eiser zou lopen vanwege zijn politieke overtuiging en politieke uitingen, stelt de rechtbank voorop dat eiser heeft verklaard dat hij de berichten die hij in Venezuela op sociale media heeft geplaatst en waarin hij zich politiek heeft geuit, heeft verwijderd. De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat deze politieke uitingen geen reëel risico voor vervolging of ernstige vrees (meer) opleveren bij terugkeer.\n\n27.4.. Wat betreft de politieke overtuiging en de politieke uitingen van eiser in Nederland, stelt de rechtbank vast dat niet in geschil is dat eiser een politieke overtuiging heeft en lid is van Acción Democrática. De minister vindt het ook geloofwaardig dat eiser in Nederland politieke uitingen heeft gedaan op sociale media en een petitie gericht aan de Venezolaanse autoriteiten met zijn naam heeft getekend.\n\n27.5.. De minister heeft zich in het kader van de zwaarwegendheid echter op het standpunt gesteld dat de politieke overtuiging van eiser niet zo sterk is en dat niet aannemelijk is dat de Venezolaanse autoriteiten op de hoogte zijn van eisers politieke uitingen op sociale media. Tijdens de zitting heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat monitoring van sociale media, routinecontroles van (de inhoud van) telefoons en grenscontroles door de Venezolaanse autoriteiten plaatsvinden, maar dat er onvoldoende informatie is of deze controles en monitoring leiden tot arrestaties of een risico op vervolging. De minister stelt dat het feit dat de Venezolaanse autoriteiten sociale media monitoren daarom niet ertoe leidt dat iedereen die terugkeert in de problemen komt. Eisers hebben volgens de minister niet aannemelijk gemaakt de autoriteiten op de hoogte zijn van hun sociale media posts of politieke uitingen in Nederland. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat het aannemelijk is dat de telefoons van eisers bij terugkeer zullen worden doorzocht, maar dat van hen wat betreft uitingen op sociale media een bepaalde mate van terughoudend mag worden verwacht, bijvoorbeeld door het verwijderen van berichten op sociale media.\n\n27.6.. De rechtbank volgt de minister daarin niet. De minister acht immers aannemelijk dat eiser een politieke overtuiging heeft, lid is van Acción Democrática, zich in Nederland politieke heeft geuit op sociale media en een petitie gericht aan de Venezolaanse autoriteiten met zijn naam heeft getekend. De rechtbank is van oordeel dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd hoe de geloofwaardig geachte politieke overtuiging van eiser en de kennelijke uitingen daarvan zich verhouden tot de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Daaruit volgt immers dat geen terughoudendheid mag worden verwacht van een politieke overtuiging. De rechtbank ziet in dat kader niet in dat van eiser kan worden verlangd dat hij bij terugkeer zijn politieke uitingen op sociale media verwijderd. Verder is van belang dat uit bronnen volgt dat monitoring van sociale media, routinecontroles van (de inhoud van) telefoons en grenscontroles door de Venezolaanse autoriteiten plaatsvinden. In dat licht heeft de minister ondeugdelijk gemotiveerd dat eiser bij terugkeer geen risico loopt op vervolging of ernstige schade. Het is voor de rechtbank onduidelijk op welke informatie de minister baseert dat het - ondanks voormelde monitoring en controles - niet aannemelijk is dat eiser bij terugkeer een risico zal lopen. Dit heeft de minister ook tijdens de zitting niet nader kunnen toelichten. Bovendien volgt uit het Algemeen Ambtsbericht Venezuela 2020 dat de Venezolaanse autoriteiten personen hebben aangeklaagd en veroordeeld voor de inhoud op sociale media.De rechtbank ziet in eisers verklaringen in combinatie met de aangehaalde landeninformatie en overgelegde bronnenvoldoende aanleiding voor de conclusie dat de minister nader moet motiveren in hoeverre eiser in de negatieve belangstelling staat of kan komen te staan vanwege zijn politieke overtuiging en sociale media activiteiten in Nederland en gelet op het risico op controles bij terugkeer. Hierbij weegt de rechtbank ook mee dat het meest recente Algemeen Ambtsbericht over Venezuela alweer dateert van 2020 en dus ruim vijf jaar oud is. De minister moet bij zijn beoordeling recente landeninformatie betrekken en ook de politieke uitingen van eiser op sociale media betrekken. De minister kan niet volstaan met de stelling dat het onaannemelijk is dat eiser in de negatieve belangstelling staat omdat zijn bereik op sociale media beperkt is en hij niet veel volgers heeft.\n\nConclusie vrees voor vervolging en risico op ernstige schade\n\n28. De rechtbank is van oordeel dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser geen gegronde vrees heeft voor vervolging en geen reëel risico loopt op ernstige schade vanwege zijn politieke overtuiging en sociale media activiteiten in Nederland. De rechtbank zal het beroep daarom gegrond verklaren.\n\nDe beoordeling van het bestreden besluit van eiseres\n\n29. Eiseres stelt dat zij tegen het regime in Venezuela is, en heeft te vrezen voor vervolging omdat zij in de zorg werkte. Eiseres voert verder aan dat zij wel lid was van Acción Democrática en ook politiek actief was. Zij betoogt dat zij is ontslagen vanwege haar politieke overtuiging. Het enkele feit dat in de officiële verklaring van haar werkgever niet staat dat zij is ontslagen vanwege haar overtuiging, betekent volgens eiseres niet dat haar verklaringen hierover ongeloofwaardig zijn. Eiseres ziet niet in waarom het weigeren om mee te doen aan pro-regime activiteiten geen mening is zoals is bedoeld met een politieke overtuiging.\n\nDe geloofwaardigheidsbeoordeling (eiseres)\n\nLidmaatschap van Acción Democrática\n\n30. De rechtbank is van oordeel dat de minister het lidmaatschap van eiseres van Acción Democrática niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Eiseres heeft dit standpunt van de minister ongemotiveerd bestreden. De rechtbank volgt de minister daarom in de tegenwerpingen dat zij oppervlakkig en summier heeft verklaard over het lidmaatschap en over wat haar aanspreekt binnen de partij, en dat haar algemene kennis van Acción Democrática summier is.\n\nPolitieke activiteiten\n\n31. Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister de politieke activiteiten van eiseres niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. De minister heeft eiseres kunnen tegenwerpen dat zij tegenstrijdig heeft verklaard over de verrichte activiteiten, aangezien eiseres enerzijds heeft verklaard dat zij demonstraties organiseerde en vergaderingen en flyers uitdeelde bij mensen thuis, terwijl eiseres later heeft verklaard dat zij hier enkel aan deelnam maar wel meehielp bij de stembureaus. In de zienswijze licht eiseres vervolgens toe dat zij haar partner hielp met het uitdelen van flyers en water en voedsel uitdeelde bij de kieslokalen, terwijl eiseres in de gehoren niet heeft verklaard dat zij voor het voedsel en het water zorgde. De rechtbank volgt het standpunt van de minister dat de verklaringen in het gehoor dat eiseres flyers verspreidde, aanwezig was bij bijeenkomsten en meehielp op stembureaus niet overeenkomen met het overgelegde document waaruit volgt dat eiseres de functie van coördinator van de logistiek bij de verkiezingen zou hebben bekleed.\n\nProblemen vanwege politieke activiteiten\n\n32. De rechtbank is ook van oordeel dat de minister de problemen vanwege politieke activiteiten ongeloofwaardig heeft kunnen vinden. De rechtbank volgt het standpunt van de minister dat uit de ontslagbrief niet kan worden afgeleid dat eiseres is ontslagen vanwege haar politieke uiting op het werk. In de brief staat namelijk dat eiseres in het ziekenhuis heeft gewerkt totdat zij op 11 november 2017 ontslag heeft genomen. Ook heeft de minister terecht geconcludeerd dat de door eiseres overgelegde landeninformatie dit deel van haar asielrelaas niet ondersteunt, aangezien die informatie gaat over gevaren voor zorgmedewerkers die zich uiten over hoe de Covid-19 situatie werd aangepakt en niet over zorgmedewerkers die problemen hebben ondervonden nadat zij kritiek hebben geuit op de regering.\n\nGegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer (eiseres)\n\n33. De rechtbank volgt eiseres in het standpunt dat de minister in de zwaarwegendheidsbeoordeling niet kenbaar heeft betrokken dat uit het niet willen meedoen aan pro-Maduro activiteiten op haar werk volgt dat eiseres niet voor de overheid is. Uit het bestreden besluit volgt ook niet expliciet dat de minister het niet geloofwaardig vindt dat eiseres heeft geweigerd om op haar werk aan deze activiteiten mee te doen. De rechtbank leidt daaruit af dat deze verklaring daarom wel geloofwaardig is bevonden en daarom moet deze verklaring worden getoetst op zwaarwegendheid.\n\n34. Hoewel de minister het niet willen meedoen aan pro-Maduro activiteiten niet kenbaar in de zwaarwegendheidsbeoordeling heeft betrokken, is de rechtbank van oordeel dat dit onvoldoende zwaarwegend is om tot de conclusie te komen dat eiseres hierom een gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade. Weliswaar heeft eiseres haar politieke overtuiging geuit door te weigeren deel te nemen aan politieke activiteiten op haar werk, maar de minister heeft deugdelijk gemotiveerd dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij hierdoor problemen heeft ondervonden of in de negatieve belangstelling is komen te staan. De minister heeft zich in dit verband verder terecht op het standpunt gesteld dat uit landeninformatie niet blijkt dat personen die werkzaam zijn in de zorg een verhoogd risico lopen. Verder heeft de minister terecht bij zijn beoordeling betrokken dat haar lidmaatschap van Acción Democrática, politieke activiteiten en de daaruit voortvloeiende problemen ongeloofwaardig zijn bevonden en eiseres verder geen kritiek heeft geuit. De minister heeft zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat de politieke overtuiging van eiseres niet zodanig sterk is dat zij op zichzelf daardoor een risico loopt.\n\n35. Het voorgaande neemt niet weg dat de familieband tussen eiser en eiseres en het belang van eisers om niet van elkaar te worden gescheiden, maakt dat sprake is van een dusdanige samenhang tussen de zaken dat ook in het bestreden besluit ten aanzien van eiseres op het punt van de risicobeoordeling sprake is van een motiveringsgebrek. Eiseres is immers als gezinslid van eiser met hem meegekomen naar Nederland en de rechtbank heeft hiervoor onder rechtsoverweging 28 geoordeeld dat de minister ten aanzien van eiser ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser geen gegronde vrees heeft voor vervolging en geen reëel risico loopt op ernstige schade vanwege zijn politieke overtuiging en sociale media activiteiten in Nederland. De rechtbank is van oordeel dat de minister daarom ook ten aanzien van eiseres een nieuw besluit zal moeten nemen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n36. De minister heeft de aanvragen van eisers ten onrechte afgewezen als ongegrond. De beroepen zijn gegrond omdat de bestreden besluiten in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn genomen. De rechtbank vernietigt daarom de bestreden besluiten. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.\n\n37. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister nieuwe besluiten moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken. De rechtbank ziet geen aanleiding om hieraan een dwangsom te verbinden.\n\n38. Omdat de beroepen gegrond zijn krijgen eisers een vergoeding van hun proceskosten. Omdat sprake is van samenhangende zaken worden de zaken voor wat betreft de hoogte van de proceskosten beschouwd als één zaak. De kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.736,- (1 punt voor het indienen van de beroepschriften en 3 punten voor het verschijnen op de zittingen van 31 juli 2025, 13 januari 2026 en 5 maart 2026 met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eisers een toevoeging is verleend, moet de minister deze vergoeding betalen aan de gemachtigde.\n\n39. De rechtbank wijst het verzoek van eisers toe om de minister te veroordelen in de kosten van de expert [persoon3] . De rechtbank acht de kosten van dit door eisers ingebrachte rapport redelijk, mede gelet op het feit dat aan de zijde van de minister weinig tot geen actuele bronnen zijn ingebracht. Op grond van artikel 2, aanhef en onder b, van het Bpb, gelezen in samenhang met artikel 8:36, tweede lid, van de Awb wordt het uurtarief voor deskundigenonderzoek forfaitair bepaald overeenkomstig de Wet tarieven in strafzaken. Op grond van artikel 6 van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 komt een tarief van ten hoogste € 184,42 per uur voor vergoeding in aanmerking. Uit de door de eisers overgelegde factuur blijkt dat de deskundige voor het opgestelde rapport € 300,- in rekening heeft gebracht. Ondanks dat de deskundigenkosten niet nader zijn gespecificeerd, acht de rechtbank deze kosten redelijk.\n\n40. De totale proceskostenvergoeding bedraagt dus € 4.036,- (namelijk € 3.736,- en € 300,-)\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart de beroepen gegrond;\n\nvernietigt de bestreden besluiten van 28 mei 2024;\n\ndraagt de minister op om binnen 6 weken nieuwe besluiten te nemen op de aanvragen van eisers met inachtneming van deze uitspraak;\n\nveroordeelt de minister in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 4.036,-, waarvan € 3.736,- is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en € 300,- aan kosten van de deskundige.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, voorzitter, en mr. N.M. Spelt en mr. A. Skerka, leden, in aanwezigheid van Z.P. de Wilde, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 27 mei 2026.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.\n\n Vreemdelingenwet 2000.\n\n Cuerpo de Investigaciones Científicas, Penales y Criminalísticas, is belast met misdaadonderzoeken en valt onder het ministerie van Binnenlandse Zaken, Justitie en Vrede.\n\n Zie pagina 16 nader gehoor.\n\n Zie pagina’s 17 en 18 nader gehoor.\n\n Zie pagina’s 17 en 18 nader gehoor.\n\n Zie pagina 17 nader gehoor.\n\n Zie pagina 15 nader gehoor eiseres.\n\n Zie pagina 5 nader gehoor.\n\n Zie pagina 7 van het bestreden besluit.\n\n Zie pagina 9 nader gehoor.\n\n Zie pagina 10 nader gehoor.\n\n Zie pagina 12 nader gehoor eiseres.\n\n Zie pagina 9 nader gehoor.\n\n Eiser wijst op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 22 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1054.\n\n ECLI:NL:RVS:2023:1054.\n\n Us Department of State, 2022, Country Reports on Human Rights Practices, Amnesty International report Venezuela, nieuwsartikel van NBC news van 11 februari 2022 over het uitzetten van Venezolanen uit de VS.\n\n Paragraaf C7\u002F36.3.2 van de Vc.\n\n Ten tijde van het de besluitvorming merkte de minister oppositieleden die significante kritiek uiten op de autoriteiten en\u002Fof gezien hun positie in staat zijn om de bevolking te mobiliseren en politiek activisten aan als risicoprofiel.\n\n ECLI:NL:RVS:2019:1970.\n\n Hof van Justitie van de Europese Unie, van 5 september 2012 (Y en Z), ECLI:EU:C:2012:518\n\n Hof van Justitie van de Europese Unie, van 21 september 2023 (S en A), ECLI:EU:C:2023:688.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 22 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1054.\n\n Zie hoofdstuk 3.8.2. van het Algemeen Ambtsbericht Venezuela juni 2020.\n\n Waaronder het rapport van [persoon4] en het rapport van [persoon5] .\n\n Pagina’s 4 en 15 nader gehoor eiseres.\n\n Pagina 15 nader gehoor eiseres.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:13788","2026-07-13T00:29:34.644Z",{"id":95,"ecli":96,"slug":97,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":98,"fullText":99,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":100,"sourceTimestamp":34,"parsedAt":35,"updatedAt":101},"1086","ECLI:NL:RBDHA:2026:18639","ecli-nl-rbdha-2026-18639","2026-05-12T00:00:00.000Z","uitspraak\n\nRECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.13176\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser] , eiser,\n\nV-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. A.S. Sewman),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nProcesverloop\n\nDeze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend, omdat de minister volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: aanvraag).\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank vindt het in deze zaak niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting.1\n\n2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.2\n\nIs het beroep van eiser ontvankelijk en gegrond?\n\n3. De minister heeft de aanvraag op 10 augustus 2025 ontvangen. De beslistermijn is zes maanden.3 Binnen die termijn heeft de minister niet beslist op de aanvraag. Eiser heeft de minister op 19 februari 2026 en dus tijdig in gebreke gesteld. Voorts heeft eiser meer dan twee weken na de ingebrekestelling beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing. Het beroep is daarom ontvankelijk en kennelijk gegrond.\n\n1. Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n2 Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb.\n\n3 Artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Aanvankelijk heeft de minister de beslistermijn onder toepassing van WBV 2025\u002F4 met negen maanden verlengd. De minister heeft deze WBV echter weer ingetrokken (IB 2025\u002F28). Als gevolg hiervan geldt voor alle asielaanvragen die zijn ingediend vanaf 1 januari 2025 weer een beslistermijn van zes maanden.\n\nWelke nadere beslistermijn legt de rechtbank aan de minister op?\n\n4. De rechtbank geeft de minister in beginsel een termijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om alsnog een besluit te nemen. Er kunnen omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat de rechtbank een andere termijn geeft.4 In deze zaak is dit aan de orde.\n\n5. Uit de beschikbare stukken blijkt dat eiser in deze zaak nog niet is gehoord omtrent zijn asielmotieven. De rechtbank bepaalt dat de minister binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een gehoor omtrent de asielmotieven van eiser moet afnemen en binnen acht weken daarna het besluit op de aanvraag bekend moet maken.Legt de rechtbank de minister een rechterlijke dwangsom op?\n\n6. De rechtbank verbindt aan haar uitspraak een dwangsom overeenkomstig het beleid dat de rechtbanken in dit verband hanteren.5 De rechtbank bepaalt in deze zaak dat de minister een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de minister de in de uitspraak bepaalde beslistermijn nu nog overschrijdt. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.\n\nHeeft de minister een bestuurlijke dwangsom verbeurd?\n\n7. Eiser heeft de rechtbank verzocht om “te bepalen dat verweerder de wettelijke dwangsommen is verschuldigd”. De rechtbank vat dit op als een verzoek tot het vaststellen van de hoogte van de bestuurlijke dwangsom.\n\n8. Met ingang van 15 april 2025 zijn in vreemdelingenzaken de wettelijke bepalingen met betrekking tot de bestuurlijke dwangsom niet meer van kracht.6 Dit is slechts anders als de minister vóór 15 april 2025 niet tijdig heeft beslist én de minister eveneens vóór die datum in gebreke is gesteld. Deze omstandigheid doet zich in deze zaak niet voor. De rechtbank kan de hoogte van de verbeurde dwangsom daarom niet vaststellen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en dat de minister binnen zestien weken alsnog een besluit op de aanvraag bekend moet maken. Als de minister dat niet doet, verbeurt hij een dwangsom.\n\n10. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser ook een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. De minister moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag, omdat eiser een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5).\n\n4 Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.\n\n5 Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb. Zie https:\u002F\u002Fwww.rechtspraak.nl\u002FOnderwerpen\u002FOverheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd\u002FPaginas\u002Fextra-dwangsom.aspx.\n\n6 Stb. 2025, 96.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;\n\ndraagt de minister op om binnen acht weken na de dag van verzending van de uitspraak een nader gehoor af te nemen en binnen acht weken na het nader gehoor een besluit op de aanvraag bekend te maken, in ieder geval binnen zestien wekenna de dag van verzending van deze uitspraak;\n\nbepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;\n\nveroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,- .\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van R.M. Houmad, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\n12 mei 2026\n\nDocumentcode: [Documentcode]\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18639","2026-07-13T00:29:03.300Z",{"id":103,"ecli":104,"slug":105,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":106,"fullText":107,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":108,"sourceTimestamp":34,"parsedAt":35,"updatedAt":109},"1089","ECLI:NL:RBDHA:2026:18640","ecli-nl-rbdha-2026-18640","2026-05-06T00:00:00.000Z","uitspraak\n\nRECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.13707\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , eiser,\n\nV-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. A.D. Kupelian),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nProcesverloop\n\nDeze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend, omdat de minister volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: aanvraag).\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank vindt het in deze zaak niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting.1\n\n2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.2\n\nIs het beroep van eiser ontvankelijk en gegrond?\n\n3. De minister heeft de aanvraag op 1 augustus 2024 ontvangen. De minister moet in beginsel uiterlijk binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag beslissen.3\n\n1. Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n2 Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb.\n\n3 Artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Aanvankelijk heeft de minister de beslistermijn onder toepassing van WBV 2023\u002F26 met negen maanden verlengd. De minister heeft deze WBV echter weer ingetrokken (IB 2025\u002F28). Als gevolg hiervan geldt voor alle asielaanvragen die zijn ingediend vanaf 1 januari 2024 weer een beslistermijn van zes maanden.\n\n4. Eiser komt uit Syrië. Met ingang van 14 december 2024 tot en met 13 juni 2025 gold voor asielaanvragen van vreemdelingen uit Syrië een besluitmoratorium.4 De beslistermijn voor asielaanvragen die vóór of tijdens de werking van het besluitmoratorium werden ontvangen, is verlengd met één jaar tot ten hoogste 21 maanden.5\n\n5. De minister diende uiterlijk op 1 februari 2026 te beslissen op de aanvraag\n\n(1 augustus 2024 + zes maanden + één jaar, tot in totaal ten hoogste 21 maanden). Eiser heeft de minister op 13 februari 2026 in gebreke gesteld. Vervolgens heeft eiser op\n\n12 maart 2026, meer dan twee weken na de ingebrekestelling, beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag. De ingebrekestelling en het beroep zijn tijdig ingediend. Het beroep is dus ontvankelijk en gegrond.\n\nWelke nadere beslistermijn legt de rechtbank aan de minister op?\n\n6. De rechtbank geeft de minister in beginsel een termijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om alsnog een besluit te nemen. Er kunnen omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat de rechtbank een andere termijn geeft.6 In deze zaak is dit aan de orde.\n\n7. Bij het bepalen van een passende nadere beslistermijn maakt de rechtbank een afweging. Daarbij houdt zij rekening met het belang van zowel snelle als zorgvuldige besluitvorming.7 Dat de beslistermijn van 21 maanden waarbinnen de behandelingsprocedure dient te worden afgerond in dit geval is overschreden, is één van de aspecten die de rechtbank in deze afweging meeweegt. Ook houdt de rechtbank er rekening mee dat uit de beschikbare stukken blijkt dat eiser nog niet is gehoord omtrent zijn asielmotieven. De rechtbank bepaalt daarom dat de minister binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend moet maken.De rechtbank verbindt een rechterlijke dwangsom aan de uitspraak\n\n8. De rechtbank verbindt aan haar uitspraak een dwangsom overeenkomstig het beleid dat de rechtbanken in dit verband hanteren.8 De rechtbank bepaalt in deze zaak dat de minister een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de minister de in de uitspraak bepaalde beslistermijn nu nog overschrijdt. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.Conclusie en gevolgen\n\n9. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en dat de minister binnen een termijn van acht weken alsnog een besluit op de aanvraag bekend moet maken. Als de minister dat niet doet, verbeurt hij een dwangsom.\n\n10. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser ook een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. De minister moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten\n\n4 Stct. 2024, 41538.\n\n5 Artikel 43, eerste lid, van de Vw en artikel 2 van het Besluit tot het instellen van een besluitmoratorium en vertrekmoratorium voor vreemdelingen afkomstig uit Syrië.\n\n6 Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.\n\n7 ECLI:NL:RVS:2020:1560.\n\n8 Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb. Zie https:\u002F\u002Fwww.rechtspraak.nl\u002FOnderwerpen\u002FOverheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd\u002FPaginas\u002Fextra-dwangsom.aspx.\n\nbestuursrecht dit een vast bedrag, omdat eiser een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt\n\n€ 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,-en een wegingsfactor 0,5).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;\n\ndraagt de minister op om binnen acht wekenna de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken;\n\nbepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;\n\nveroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van\n\nR.M. Houmad, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\n06 mei 2026\n\nDocumentcode: [Documentcode]\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18640","2026-07-13T00:29:03.461Z",{"id":111,"ecli":112,"slug":113,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":114,"fullText":115,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":116,"sourceTimestamp":34,"parsedAt":35,"updatedAt":117},"1092","ECLI:NL:RBDHA:2026:18641","ecli-nl-rbdha-2026-18641","2026-05-01T00:00:00.000Z","uitspraak\n\nRECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.14268\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser], eiser, V-nummer: [V-nummer] , (gemachtigde: mr. E. Stap),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nProcesverloop\n\nDeze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend, omdat de minister volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: aanvraag).\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank vindt het in deze zaak niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting.1\n\n2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.2\n\nIs het beroep van eiser ontvankelijk en gegrond?\n\n3. De minister heeft de aanvraag op 14 december 2024 ontvangen. De beslistermijn is zes maanden.3 Binnen die termijn heeft de minister niet beslist op de aanvraag. Eiser heeft de minister op 21 februari 2026 en dus tijdig in gebreke gesteld. Voorts heeft eiser meer dan twee weken na de ingebrekestelling beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing. Het beroep is daarom ontvankelijk en kennelijk gegrond.\n\n1. Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n2 Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb.\n\n3 Artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Aanvankelijk heeft de minister de beslistermijn onder toepassing van WBV 2023\u002F26 met negen maanden verlengd. De minister heeft deze WBV echter weer ingetrokken (IB 2025\u002F28). Als gevolg hiervan geldt voor alle asielaanvragen die zijn ingediend vanaf 1 januari 2024 weer een beslistermijn van zes maanden.\n\nWelke nadere beslistermijn legt de rechtbank aan de minister op?\n\n4. De rechtbank geeft de minister in beginsel een termijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om alsnog een besluit te nemen. Er kunnen omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat de rechtbank een andere termijn geeft.4 In deze zaak is dit aan de orde.\n\n5. Uit de beschikbare stukken blijkt dat eiser in deze zaak nog niet is gehoord omtrent zijn asielmotieven. De rechtbank bepaalt dat de minister binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een gehoor omtrent de asielmotieven van eiser moet afnemen en binnen acht weken daarna het besluit op de aanvraag bekend moet maken.De rechtbank verbindt een rechterlijke dwangsom aan de uitspraak\n\n6. De rechtbank verbindt aan haar uitspraak een dwangsom overeenkomstig het beleid dat de rechtbanken in dit verband hanteren.5 De rechtbank bepaalt in deze zaak dat de minister een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de minister de in de uitspraak bepaalde beslistermijn nu nog overschrijdt. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-. De rechtbank ziet geen aanleiding om een andere hoogte van de dwangsom op te leggen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en dat de minister binnen een termijn van zestien weken alsnog een besluit op de aanvraag bekend moet maken. Als de minister dat niet doet, verbeurt hij een dwangsom.\n\n8. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser ook een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. De minister moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag, omdat eiser een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5).\n\n4 Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.\n\n5 Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb. Zie https:\u002F\u002Fwww.rechtspraak.nl\u002Fonderwerpen\u002Foverheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd\u002Fextra-dwangsom.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;\n\ndraagt de minister op om binnen acht weken na de dag van verzending van de uitspraak een nader gehoor af te nemen en binnen acht weken na het nader gehoor een besluit op de aanvraag bekend te maken, in ieder geval binnen zestien wekenna de dag van verzending van deze uitspraak;\n\nbepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;\n\nveroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van\n\nR.M. Houmad, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\n01 mei 2026\n\nDocumentcode: [Documentcode]\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18641","2026-07-13T00:29:03.586Z",{"id":119,"ecli":120,"slug":121,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":122,"fullText":123,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":124,"sourceTimestamp":34,"parsedAt":35,"updatedAt":125},"1083","ECLI:NL:RBDHA:2026:18637","ecli-nl-rbdha-2026-18637","2026-04-24T00:00:00.000Z","uitspraak\n\nRECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.8138\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. G.J. Dijkman), en\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\nDeze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend, omdat de minister volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag van 24 april 2025 om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor gezinshereniging nareis asiel en een mvv voor verblijf voor gezinshereniging nareis asiel - artikel 8 EVRM (de aanvraag).\n\nOverwegingen\n\nDe rechtbank vindt het in deze zaak niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting.1\n\nVoor aanvragen die zijn ingediend op of na 28 maart 2025 geldt een beslistermijn van uiterlijk negen maanden na indiening daarvan. De minister kan deze termijn verlengen in geval van bijzondere omstandigheden die verband houden met het complexe karakter van de behandeling van de aanvraag.2 De minister heeft van deze bevoegdheid geen gebruik gemaakt.\n\n3. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.3\n\n1. Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n2 ECLI:NL:RVS:2025:5787.\n\n3 Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb.\n\nIs het beroep van eiser gegrond?\n\n4. Eiser heeft een ingebrekestelling ingediend. De minister heeft de ontvangst daarvan bevestigd op 4 februari 2026. De minister heeft de ingebrekestelling niet geweigerd.4 In de uitspraak van 13 februari 2026 heeft deze rechtbank en zittingsplaats geoordeeld dat een elektronisch ingediende ingebrekestelling via “veilig mailen” rechtsgeldig is als de minister de ontvangst daarvan heeft bevestigd.5 Dit geldt ook als de ingebrekestelling niet via de door de minister voorgeschreven weg is ingediend. Anders dan de minister stelt, is de rechtbank van oordeel dat de ingebrekestelling geldig is en onderdeel uitmaakt van het dossier. Het standpunt van de minister dat het beroep niet-ontvankelijk is, volgt de rechtbank dan ook niet.\n\n5. De rechtbank stelt vast dat de termijn waarbinnen de minister had moeten beslissen op de aanvraag is overschreden. De rechtbank stelt verder vast dat eiser de minister rechtsgeldig in gebreke heeft gesteld. Eiser heeft meer dan twee weken daarna beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag. Dit betekent dat het beroep terecht is ingediend. Het beroep is kennelijk gegrond.\n\nWelke nadere beslistermijn legt de rechtbank aan de minister op?\n\n6. De rechtbank geeft de minister in beginsel een termijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om alsnog een besluit te nemen.6 Er kunnen omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat de rechtbank een andere termijn geeft.7\n\n7. In de uitspraak van 17 maart 2023 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, geoordeeld dat bij nareisaanvragen sprake is van zo'n bijzonder geval.8 Ook heeft de rechtbank in die uitspraak uitgangspunten geformuleerd voor het opleggen van een passende nadere beslistermijn. De rechtbank zal deze uitgangspunten ook in deze zaak toepassen.\n\n8. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Hierin heeft de minister aangegeven dat hij de aanvraag naar verwachting in april 2028 in behandeling neemt. Hierbij is onduidelijk wanneer de minister gaat beslissen op de aanvraag. De rechtbank vindt het passend om te bepalen dat de minister binnen een termijn van acht weken na verzending van de uitspraak moet beslissen. Dit ligt anders als de minister binnen die termijn besluit tot nader onderzoek en hij dat schriftelijk aan eiser meedeelt. In dat geval moet de minister het besluit binnen twintig weken na verzending van deze uitspraak bekend maken.\n\n4 Artikel 2:15, vierde lid, van de Awb, zoals dat luidde ten tijde van de ontvangstbevestiging van de ingebrekestelling.\n\n5 ECLI:NL:RBDHA:2026:3820.\n\n6 Artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb.\n\n7 Artikel 8:55d, derde lid, van de Awb.\n\n8 ECLI:NL:RBDHA:2023:3590.\n\nLegt de rechtbank de minister een rechterlijke dwangsom op?\n\n9. De rechtbank verbindt aan haar uitspraak een dwangsom overeenkomstig het beleid dat de rechtbanken in dit verband hanteren.9 De rechtbank bepaalt in deze zaak dat de minister een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de minister de in de uitspraak bepaalde beslistermijn nu nog overschrijdt. Daarbij geldt een maximum van\n\n€ 15.000,-.\n\nConclusie en gevolgen\n\n10. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en dat de minister binnen de onder 7. genoemde termijn alsnog een besluit op de aanvraag bekend moet maken. Als de minister dat niet doet, moet hij een dwangsom betalen.\n\n11. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser ook een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. De minister moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag, omdat eiser een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5) die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5). Ook moet de minister het door eiser betaalde griffierecht vergoeden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;\n\ndraagt de minister op om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend te maken dan wel aan eiser nader onderzoek aan te bieden en dit aan eiser mee te delen;\n\ndraagt de minister op om, in het geval nader onderzoek wordt aangeboden, binnen twintig weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend te maken;\n\nbepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;\n\nbepaalt dat de minister het door eiser betaalde griffierecht van € 200,- vergoedt;\n\nveroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van R.M. Houmad, griffier.\n\n9 Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb. Zie https:\u002F\u002Fwww.rechtspraak.nl\u002FOnderwerpen\u002FOverheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd\u002FPaginas\u002Fextra-dwangsom.aspx.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\n24 april 2026\n\nDocumentcode: [Documentcode]\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18637","2026-07-13T00:29:03.158Z",{"id":127,"ecli":128,"slug":129,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":130,"fullText":131,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":132,"sourceTimestamp":133,"parsedAt":35,"updatedAt":134},"397","ECLI:NL:RBDHA:2026:13160","ecli-nl-rbdha-2026-13160","2026-01-15T00:00:00.000Z","uitspraak\n\nRECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht Bestuursrecht\n\nzaaknummers: NL24.6883, NL24.15999\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiseres], V-nummer: [V-nummer] , eiseres (gemachtigde: mr. R.W.J.L. Loonen),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: R.V. Bekker).\n\nSamenvatting\n\nDeze uitspraak gaat over het terugkeerbesluit dat door de minister aan eiseres op 14 juli 2025 is opgelegd. Eiseres is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de oplegging van het terugkeerbesluit.\n\nDe rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de oplegging van het terugkeerbesluit in stand kan blijven. Het beroep is dus ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nInleiding\n\n3. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1995 en heeft de Kameroense nationaliteit. In Oekraïne had zij een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met de grootschalige invasie van Oekraïne. Eiseres is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier rechtmatig verblijf gehad op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB)1 en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit.2\n\n4. Op 15 augustus 2023 heeft de minister aanvankelijk aan eiseres medegedeeld dat haar verblijfsrecht op grond van de RTB van rechtswege eindigt per 4 september 2023. Met hetzelfde besluit heeft de minister aan eiseres een terugkeerbesluit opgelegd. Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. De minister heeft hierna het besluit ingetrokken, waarna eiseres dit beroep heeft ingetrokken.\n\n1. Richtlijn 2001\u002F55\u002FEG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.\n\n2 Uitvoeringsbesluit (EU) 2022\u002F3822.\n\n5. Op 7 februari 2024 heeft de minister aan eiseres medegedeeld dat haar verblijfsrecht op grond van de RTB eindigt per 4 maart 2024 en heeft de minister aan haar een terugkeerbesluit opgelegd. Eiseres heeft tegen dit besluit twee keer beroep ingesteld. Op 22 februari 2024, bij de rechtbank geregistreerd met zaaknummer NL24.6883, en op 11 april 2024, bij de rechtbank geregistreerd met zaaknummer NL24.15999.\n\n6. Op 4 maart 2024 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank in de zaak NL24.6884 het verzoek van eiseres om een voorlopige voorziening afgewezen.\n\n7. Op 14 juli 2025 heeft de minister aan eiseres medegedeeld dat haar verblijfsrecht op grond van de RTB per 4 maart 2025 is geëindigd en op 4 september 2025 de tijdelijke bevriezingsmaatregel stopt. Daarnaast heeft de minister aan eiseres een nieuw terugkeerbesluit opgelegd. Het eerdere terugkeerbesluit van 7 februari 2024 was volgens de minister prematuur genomen, omdat eiseres op dat moment nog rechtmatig verblijf had. De minister heeft het besluit van 7 februari 2024 ingetrokken3 en vervangen met het bestreden besluit van 14 juli 2025 onder verwijzing naar artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n8. De rechtbank heeft het beroep op 1 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, R. Lacin als tolk en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nOntvankelijkheid\n\nHet beroep met zaaknummer NL24.6883\n\n9. Het beroep dat is gericht tegen het besluit van 7 februari 2024 heeft op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, van rechtswege mede betrekking op het besluit van 14 juli 2025. Nu de minister het besluit van 7 februari 2024 heeft ingetrokken, heeft eiseres geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van dit besluit. De rechtbank zal het beroep voor zover dat gericht is tegen dat besluit daarom niet-ontvankelijk verklaren. Het beroep tegen het besluit van 14 juli 2025 zal hieronder inhoudelijk worden beoordeeld.Het beroep met zaaknummer NL24.15999\n\n10. Eiseres heeft opnieuw beroep ingesteld tegen het terugkeerbesluit van\n\n7 februari 2024. Vanwege het al eerder ingediende beroep tegen het terugkeerbesluit van 7 februari 2024, is het voor de tweede keer ingediende beroep niet-ontvankelijk.\n\nDe beroepsgronden van eiseres en het oordeel van de rechtbank.\n\nToepassingsbereik van artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit en implementatie\n\n11. Eiseres voert in beroep -kort samengevat- aan dat eiseres niet onder de facultatieve bepaling van artikel 7 van de RTB valt, maar onder de groep personen op wie artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit van toepassing is. Volgens eiseres mag de minister\n\n3 Naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038 (Kaduna en Abkez) en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1829.\n\nniet als vereiste stellen dat zij moet beschikken over een geldige Oekraïense permanente verblijfsvergunning, omdat in andere taalversies van het Uitvoeringsbesluit in artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit, dit niet als vereiste is opgenomen. Eiseres stelt dat in de verschillende taalversies uiteenlopend wordt gesproken over ‘legaal verblijf’ versus ‘permanent verblijf’, en verwijst hiervoor ook naar artikel 2, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit en overweging 13 van de considerans. Eiseres stelt verder dat Nederland artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit in nationale bepalingen heeft geïmplementeerd, zonder eerst duidelijkheid te krijgen over de verschillen tussen de vertalingen. Dit kan niet en daarom is sprake van een onjuiste implementatie. Dit heeft tot gevolg dat de van toepassing zijnde nationale bepaling (lees: artikel 3.9a van het Vreemdelingen Voorschrift (VV)) buiten toepassing moet worden gelaten. Op basis daarvan concludeert eiseres dat voor het terugkeerbesluit van 13 augustus 2025 een wettelijke grondslag ontbreekt. Ter onderbouwing heeft eiseres een beëdigde vertaling van de Zweedse versie van het Uitvoeringsbesluit overgelegd, en een verklaring van een beëindigd vertaler met betrekking tot de Hongaarse versie van het Uitvoeringsbesluit.\n\n12. In artikel 5, derde lid, van de RTB zijn de voorwaarden genoemd waaraan een besluit van de Raad moet voldoen. Het besluit moet onder meer een omschrijving bevatten van de specifieke groepen personen waarop de tijdelijke bescherming betrekking heeft. In artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit, is een omschrijving als hier bedoeld opgenomen. Deze bepaling is geïmplementeerd in artikel 3.9a van het VV, waarbij vreemdelingen zijn aangewezen voor wie de tijdelijke bescherming van kracht is. Uit artikel 3.9a, eerste lid, aanhef en onder c, van het VV volgt dat een vreemdeling moet beschikken over een permanente verblijfsvergunning.\n\n13. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) kan de in een van de taalversies van een gemeenschapsbepaling gebruikte formulering niet als enige grondslag voor de uitlegging van die bepaling dienen. Ook kan één taalversie niet prevaleren boven de andere taalversies.4 Een dergelijke benadering zou immers onverenigbaar zijn met het vereiste van eenvormige toepassing van het gemeenschapsrecht. Wanneer er verschillen bestaan tussen de verschillende taalversies van een bepaling van gemeenschapsrecht, moet bij de uitlegging van deze bepaling worden gelet op de algemene opzet en de doelstelling van de regeling waarvan zij een onderdeel vormt.5\n\n14. De rechtbank stelt vast dat de Zweedse tekst van artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit niet afwijkt van die van de Nederlandse tekst, waarin voor het in aanmerking komen van tijdelijke bescherming als vereiste is gesteld dat de vreemdeling over een geldige permanente verblijfsvergunning beschikt. Dat in de considerans van de Zweedse taalversie het woord ‘permanent’ ontbreekt, betekent niet dat dit vereiste niet geldt.\n\n15. In de zienswijze heeft eiseres een vertaling opgenomen van de Hongaarse versie van artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit. Uit deze vertaling blijkt dat voor tijdelijke bescherming alleen legaal verblijf als vereist is gesteld. In beroep heeft eiseres een verklaring van een beëdigd vertaler overgelegd waarmee zij dit heeft willen bevestigen. De omstandigheid dat er in de overgelegde Hongaarse vertaling van artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit ‘het permanent verblijf’ niet als vereiste is opgenomen, vormt een\n\n4 Zie in dit kader bijvoorbeeld het arrest van het Hof van 12 november 1998, ECLI:EU:C:1998:536.\n\n5 Zie in dit kader het arrest van het Hof van 3 april 2008, ECLI:EU:C:2008:197.\n\nonvoldoende onderbouwing om niet uit te gaan van de andere taalversies van het Uitvoeringsbesluit, waaronder de Nederlandse. In de Nederlandse versie staat dat om in aanmerking te komen voor tijdelijke bescherming, sprake moet zijn van legaal verblijf op basis van een geldige permanente verblijfsvergunning. Deze versie komt overeen met de andere taalversies, zoals die in het Engels, Duits en Frans. Dat sprake moet zijn van een permanente verblijfsvergunning vindt steun in de algemene opzet en doelstelling van het Uitvoeringsbesluit. In overwegingen 12 en 13 van de considerans van het Uitvoeringsbesluit wordt uitdrukkelijk onderscheid gemaakt tussen de verplicht en de facultatief beschermde derdelanders, waarbij voor deze laatste groep melding wordt gemaakt van tijdelijke vergunningen voor studie of werk. In de Hongaarse vertaling van de considerans is in overwegingen 12 en 13 eveneens onderscheid gemaakt tussen derdelanders met een permanente en met een tijdelijke verblijfsvergunning, hetgeen er ook op wijst dat onderscheid bestaat tussen deze twee groepen. Dat voor toepassing van artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit sprake moet zijn van permanent verblijf is ook terug te lezen in het arrest Kaduna en Abkez van het Hof van 19 december 2024.6\n\n16. Het vorenstaande leidt er toe dat de minister ook niet is gehouden om op grond van artikel 28, vijfde lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VEU) de uitvoering de RTB aan de Raad voor te leggen, nu niet kan worden gesproken van ernstige moeilijkheden bij de uitvoering van het Uitvoeringsbesluit. Ook is geen sprake van een gebrekkige of onjuiste implementatie van artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit in de Nederlandse wetgeving op grond waarvan artikel 3.9a van het VV buiten toepassing moet worden gelaten. Eiseres valt wel onder artikel 2, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit en de tijdelijke bescherming is voor eiseres beëindigd. De beroepsgrond slaagt niet.Privéleven\n\n17. Eiseres voert aan dat het terugkeerbesluit in strijd is met het recht op eerbiediging van haar privéleven, zoals gewaarborgd in artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest) en artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).\n\n18. Artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn bepaalt dat lidstaten bij de tenuitvoerlegging van de Terugkeerrichtlijn rekening moeten houden met onder andere het familie- en gezinsleven.\n\n19. De rechtbank merkt op dat uit artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn niet volgt dat de minister bij het uitvaardigen van een terugkeerbesluit moet toetsen of de terugkeer in strijd is met artikel 8 van het EVRM. In dat verband overweegt de rechtbank dat de Terugkeerrichtlijn niet ziet op de verkrijging van een verblijfsrecht of andere toepastemming van verblijf, en dat aan deze richtlijn geen verblijfsrecht kan worden ontleend.7 Uit deze richtlijn volgt dan ook geen verplichting voor de minister voort om na te gaan of het verblijf van een derdelander moet worden geregulariseerd door een verblijfsvergunning of andere toestemming voor verblijf te geven. In zoverre wijst de minister terecht erop dat wanneer eiseres meent dat zij een verblijfsrecht ontleent aan het recht op privéleven, zoals dat volgt\n\n6 ECLI:EU:C:2024:1038, overwegingen 87 en 88.\n\n7 ECLI:EU:C:2022:913, overwegingen 84 en 85.\n\nuit artikel 8 van het EVRM, zij een daartoe strekkende aanvraag kan indienen.\n\n20. Hoewel artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn het privéleven niet vermeldt als een van de factoren waarmee rekening moet worden gehouden, volgt uit de punten 88 tot en met 90 van het arrest X van het Hof van 22 november 20228, dat er geen terugkeerbesluit kan worden opgelegd als daarmee inbreuk zou worden gedaan op het recht van eerbiediging van het privéleven van de betrokken derdelander.\n\n21. Eiseres heeft op grond van de RTB rechtmatig verblijf gehad. Het enkele gegeven dat zij gedurende dit verblijf in Nederland een privéleven heeft opgebouwd, vormt op zichzelf geen inbreuk op de eerbieding van het privéleven waarin de minister aanleiding had moeten zien om geen terugkeerbesluit op te leggen. Het gaat hier ook om een relatief kort verblijf. De beroepsgrond slaagt niet.\n\n22. Gelet op het voorgaande kan het terugkeerbesluit stand houden.\n\nConclusie en gevolgen\n\n23. Het beroep met zaaknummer NL24.6883 is, voor zo ver het ziet op het besluit van 7 februari 2024, niet-ontvankelijk. Het beroep dat mede is gericht tegen het besluit van\n\n14 juli 2025 is ongegrond. Het beroep met zaaknummer NL24.15999 is niet-ontvankelijk.\n\n24. Omdat de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep dat gericht is tegen het besluit van 7 februari 2024 met zaaknummer NL24.6883, het gevolg is van de intrekking van dat besluit, ziet de rechtbank reden om de minister te veroordelen in de proceskosten die eiseres heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van\n\n€ 934,- en een wegingsfactor 1).\n\n25. Bij uitspraak van 12 april 2024 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank in de zaak NL24.16000 een voorlopige voorziening getroffen. Deze vervalt doordat uitspraak is gedaan op het beroep van eiseres.\n\n8 ECLI:EU:C:2022:913.\n\nBeslissing\n\nHet beroep met zaaknummer NL24.6883\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep voor zover dat is gericht tegen het besluit van 7 februari 2024 niet-ontvankelijk;\n\n-verklaart het beroep voor het overige ongegrond;\n\n- veroordeelt de minister tot betaling in de proceskosten van eiser tot een bedrag van 934,-.\n\nHet beroep met zaaknummer NL24.15999\n\nDe rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van mr. W.J.T. Twijnstra, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\n15 januari 2026\n\nMr. B. Fijnheer W.J.T. Twijnstra\n\nRechter Griffier\n\nRechtbank Midden-Nederland Rechtbank Midden-Nederland\n\nDocumentcode: [Documentcode]\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:13160","2026-05-22T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:27.752Z",{"id":136,"ecli":137,"slug":138,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":139,"fullText":140,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":141,"sourceTimestamp":34,"parsedAt":35,"updatedAt":142},"1186","ECLI:NL:RBDHA:2026:18658","ecli-nl-rbdha-2026-18658","2026-01-13T00:00:00.000Z","uitspraak\n\nRECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.25460\n\nuitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen\n\n [verzoeker], V-nummer: [V-nummer] , verzoeker (gemachtigde: mr. D.W.M. van Erp),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. H.M.M. van Dooren).\n\nProcesverloop\n\nVerzoeker heeft een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft met het bestreden besluit van 3 juni 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.\n\nDe voorzieningenrechter heeft het verzoek, samen met de behandeling van het beroep, zaaknummer NL25.25459, op 23 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker, D. Sahraf als tolk en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n3. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL25.25459, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.\n\n4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B.J. van Rossum, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\n13 januari 2026\n\nDocumentcode: [Documentcode]\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18658","2026-07-13T00:29:08.799Z",{"id":144,"ecli":145,"slug":146,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":139,"fullText":147,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":148,"sourceTimestamp":34,"parsedAt":35,"updatedAt":149},"1181","ECLI:NL:RBDHA:2026:18653","ecli-nl-rbdha-2026-18653","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.25459\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. D.W.M. van Erp),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie\n\n(gemachtigde: mr. H.M.M. van Dooren).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. In het bijzonder gaat deze uitspraak over de geloofwaardigheid van de asielmotieven van eiser, namelijk zijn biseksualiteit en de problemen die hij heeft met het moslimbroederschap omdat hij afvallig is van de islam. Ook gaat deze uitspraak over de vraag of de minister een zwaar inreisverbod voor de duur van tien jaar aan eiser heeft mogen opleggen.\n\n2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag van eiser in stand kan blijven. Het beroep is daarom ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n3. Eiser heeft op 12 april 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Egyptische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1991. De minister heeft met het bestreden besluit van 3 juni 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.\n\n4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n5. De rechtbank heeft het beroep op 23 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, D. Sahraf als tolk en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nHet asielrelaas\n\n6. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is biseksueel en heeft in Egypte een relatie gehad met een man genaamd [naam] . Eiser en [naam] zijn op straat betrapt tijdens het zoenen en zijn door politieagenten ernstig mishandeld. Ook is eiser afvallig van de islam. Toen zijn familie hierachter kwam heeft eiser problemen gekregen met zijn familie en het moslimbroederschap in zijn dorp waarna hij voor lange tijd door hen is bedreigd. Het moslimbroederschap heeft eiser aangereden toen hij op de scooter reed. Eiser is hierdoor zwaargewond geraakt. Eiser vreest bij terugkeer naar Egypte voor zijn familie en het moslimbroederschap vanwege zijn biseksualiteit en afvalligheid van de islam.\n\nHet bestreden besluit\n\n7. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:\n\nidentiteit, nationaliteit en herkomst;\n\nbiseksuele geaardheid; en\n\nafvalligheid en de daaruit voortvloeiende problemen.\n\n8. De minister vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst alsook de afvalligheid van de islam geloofwaardig. De minister vindt eisers biseksualiteit en de problemen die hij heeft als gevolg van zijn afvalligheid van de islam niet geloofwaardig. Ook heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd en een inreisverbod voor de duur van tien jaar opgelegd. De minister heeft dit inreisverbod opgelegd, omdat eiser is veroordeeld voor het plegen van meerdere strafbare feiten. De minister concludeert dat de asielaanvraag wordt afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat eiser op ernstige gronden een gevaar voor de openbare orde en veiligheid vormt.\n\nReferentiekader\n\n9. Eiser voert aan dat de minister in het bestreden besluit onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn referentiekader. Uit het medisch advies voor het horen en beslissen van MediFirst blijkt onder andere dat eiser geen precieze data kan onthouden, maar zich wel kan herinneren hoeveel maanden terug een gebeurtenis plaatsvond. Toch heeft de minister bij de beoordeling van eisers asielmotieven aan hem tegengeworpen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over het moment waarop bepaalde gebeurtenissen plaatsvonden. Verder heeft de minister volgens eiser geen rekening gehouden met het feit dat hij 14 jaar was toen hij zijn biseksualiteit ontdekte terwijl dit wel van invloed is op de mate waarin hij kan verklaren over zijn gedachten en gevoelens. Eiser verwijst daarbij naar een uitspraak van de rechtbank Den Haag.\n\n10. De minister heeft in het bestreden besluit de beperkingen uit het medisch advies van MediFirst benoemd en heeft het standpunt ingenomen dat daarmee ook rekening is gehouden door bijvoorbeeld pauzes aan te bieden en vragen duidelijk uit te leggen. Volgens de minister is niet gebleken dat eiser vanwege zijn beperkingen niet goed heeft kunnen verklaren, vragen niet heeft begrepen of moeite had met het beantwoorden van vragen. Verder heeft de minister in het bestreden besluit op meerdere punten benoemd dat eiser 14 jaar was toen hij ontdekte dat hij ook gevoelens had voor jongens. Hieruit blijkt volgens de minister dat eisers leeftijd is meegewogen in de beoordeling van de geloofwaardigheid. Ter zitting heeft de minister toegelicht dat eiser ondertussen ouder is en een relatie met een man heeft gehad zodat eiser ondanks zijn jonge leeftijd toentertijd inmiddels beter had moeten kunnen verklaren over de ontdekking dat hij ook gevoelens heeft voor jongens.\n\n10.1.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister het referentiekader voldoende weergegeven in het bestreden besluit. Ook heeft de minister tijdens het gehoor voldoende rekening gehouden met eisers beperkingen door het regelmatig aanbieden van pauzes en het verduidelijken van vragen. Voor zover eiser aanvoert dat de minister op deze onderdelen onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn referentiekader, slaagt de beroepsgrond niet.\n\n10.2.. De rechtbank is daarentegen ook van oordeel dat de minister het referentiekader in het bestreden besluit onvoldoende kenbaar heeft betrokken bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van eisers asielmotieven. In het bestreden besluit benoemt de minister alleen dat eiser 14 jaar was toen hij ontdekte dat hij gevoelens had voor jongens.Daaruit blijkt volgens de rechtbank niet hoe de minister deze omstandigheid heeft betrokken bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van eisers biseksualiteit. Het bestreden besluit bevat om deze reden een motiveringsgebrek.\n\n10.3.. Gelet op de toelichting van de minister op de zitting zoals weergegeven in overweging 10 van deze uitspraak ziet de rechtbank wel aanleiding om dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister afdoende toegelicht dat ook in het licht van zijn minderjarige leeftijd de verklaringen onvoldoende zijn om zijn biseksualiteit geloofwaardig te vinden. De rechtbank kan dit volgen onder verwijzing naar de overwegingen hierna ten aanzien van de geloofwaardigheidsbeoordeling van de biseksualiteit.\n\nDe geloofwaardigheid van de biseksualiteit\n\n11. De rechtbank overweegt dat de minister aan de hand van Werkinstructie 2019\u002F17 beoordeelt of het geloofwaardig is dat een vreemdeling LHBTI is. De minister richt zich bij die beoordeling in ieder geval op de volgende vier thema’s: (i) privéleven en omgeving, (ii) huidige en voorgaande relaties, contacten in het land van herkomst en contact met of kennis van LHBTI-groepen, (iii) contact met het LHBTI’ers in Nederland en kennis van de Nederlandse situatie en (iv) discriminatie, repressie en vervolging in het land van herkomst. De minister beoordeelt de thema’s in onderlinge samenhang en maakt in elk individueel geval een afweging van wat relevant is voor de beoordeling. Daarbij betrekt de minister het authentieke verhaal van de vreemdeling over zijn gestelde seksualiteit.\n\n12. Eiser voert daarover aan dat de minister ten onrechte zijn biseksualiteit niet geloofwaardig heeft gevonden. Eiser bestrijdt in beroep alle tegenwerpingen van de minister en voert aan dat hij wel degelijk authentiek en voldoende diepgaand heeft verklaard over de vier thema’s die centraal staan in Werkinstructie 2019\u002F17.\n\nVerklaringen over ontdekking en gevoelens\n\n13. Meer in het bijzonder voert eiser aan dat hij voldoende heeft verklaard over het proces dat hij heeft doorgemaakt vanaf het moment dat hij ontdekte dat hij ook gevoelens had voor jongens en dat hij dit proces voldoende heeft beschreven. Eiser verwijst naar pagina’s 16 tot en met 20 van het nader gehoor. Daarin heeft eiser samengevat verklaard dat hij op zijn 14e een vriendin had en de daarbij behorende gevoelens van aantrekking en verliefdheid leerde kennen. Vervolgens ontdekte eiser dat hij dat ook voelde bij een gebruikelijke omhelzing met een jongen van zijn leeftijd. Op dat moment voelde eiser zich anders, hij ervaarde deze gevoelens als negatief en keurde het af. Daarover verklaart eiser dat hij beïnvloed was door de cultuur waarin hij is opgegroeid en dat hij daarom probeerde te doen alsof hij deze gevoelens niet had, maar dat de gevoelens niet weggingen en hij deze niet onder controle kreeg. Volgens eiser heeft de minister niet deugdelijk gemotiveerd waarom deze verklaringen niet authentiek zijn en dat niet is betrokken dat eiser ten tijde van een deel van dit proces 14 jaar was.\n\n13.1.. Verder voert eiser aan dat hij wel authentiek heeft verklaard over zijn gevoelens met betrekking tot zijn biseksualiteit, wat het met hem deed dat hij ook op mannen valt, en over de acceptatie van zijn biseksualiteit. Eiser verwijst daarvoor naar pagina’s 19 en 20 van het nader gehoor. Daarin heeft eiser samengevat verklaard dat hij zijn gevoelens zoveel mogelijk met meisjes probeerde te uiten, dat hij zichzelf probeerde te overtuigen dat er niets mis met zijn gevoelens was en dat hij soms slecht over zichzelf dacht. Deze tweestrijd verdween nadat eiser in 2016 in het toerisme ging werken en zag hoe Europeanen vrijer leefden, waaronder ook het openlijk uiten van homoseksualiteit. Ook ging eiser op het internet lezen over de LHBTI-gemeenschap. Door op het internet te lezen kwam eiser erachter dat zijn gevoelens normaal zijn en dat hij nu eenmaal zo is geboren. Hierna vond eiser innerlijke rust, maar voelde hij nog steeds een strijd met de maatschappij. Volgens eiser heeft de minister ook op dit punt niet deugdelijk gemotiveerd waarom alleen sprake is van een begin van een authentiek verhaal en dat zijn verklaringen onvoldoende zijn.\n\n14. De minister heeft zich over dit alles op het standpunt gesteld dat eiser zijn gevoelens hierover alleen in algemeenheden heeft omschreven en dat deze verklaringen niet persoonlijk en authentiek zijn. De verklaringen bevatten volgens de minister geen persoonlijke ervaringen, die voor eiser persoonlijk en authentiek zijn en daardoor meer inzicht geven in zijn gevoelens door de jaren heen.\n\n14.1.. Dat eiser heeft verklaard dat hij in een resort werkte waar hij met mensen met een andere levensstijl in aanraking kwam, is volgens de minister een begin van een authentiek verhaal over de acceptatie van zijn gevoelens maar dat is niet voldoende. En dat eiser heeft verklaard dat hij zich negatief voelde, zijn gevoelens wegdrukte, soms slecht over zichzelf dacht en een innerlijke strijd ervaarde, is eveneens te oppervlakkig. De minister heeft daarop doorgevraagd waarna eiser zijn gevoelens heeft omschreven aan de hand van een voorbeeld: een taart die voor je staat, maar waar je niet aan mag komen. Volgens de minister is ook dit voorbeeld oppervlakkig en geeft het geen blijk van persoonlijke details.\n\n14.2.. De minister heeft verder ter zitting toegelicht dat hij verwacht dat eiser met meer diepgang dan dat hij heeft gedaan kan verklaren over zijn persoonlijke gevoelens, omdat hij al sinds dat hij 14 jaar is van zijn biseksualiteit afweet en heeft verklaard dat hij al meerdere jongens leuk heeft gevonden.\n\n15. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers verklaringen over het proces van ontdekking van zijn biseksualiteit en zijn gevoelens hierover en acceptatie daarvan alleen een begin van een authentiek verhaal vormen. De minister heeft aan eiser mogen tegenwerpen dat hij meerdere keren gevoelens heeft gehad voor jongens, alsook een langdurige relatie met een mannelijke partner en dat hij reeds vanaf dat hij 14 jaar is, weet dat hij biseksuele gevoelens heeft. Gelet hierop heeft de minister eisers verklaringen over zijn proces van ontdekking en zijn innerlijke strijd en acceptatie, welke is geïllustreerd aan de hand van een voorbeeld over taart en zijn werkzaamheden in het hotel, onvoldoende mogen vinden. Eisers verklaringen over bijvoorbeeld zijn werkzaamheden in het hotel geven wel enig inzicht in zijn gevoelens, maar de rechtbank kan de minister volgen in het standpunt dat dit slechts een begin van een authentiek verhaal is en dat eiser onvoldoende diepgang heeft getoond in zijn verdere verklaringen over zijn proces van ontdekking en zijn gevoelens en acceptatie over zijn biseksualiteit. De rechtbank volgt de minister ook in zijn standpunt dat het feit dat eiser slechts 14 jaar oud was toen hij erachter kwam dat hij gevoelens voor jongens had dit niet anders maakt. Ook gelet op deze leeftijd heeft de minister van eiser meer mogen verwachten. De rechtbank verwijst hiervoor ook naar overwegingen 9 tot en met 10.3 van deze uitspraak die gaan over dit referentiekader.\n\nVerklaringen over verschillen tussen mannen en vrouwen\n\n16. Eiser voert verder aan dat de minister ten onrechte verwacht dat eiser verklaart over een verschil in zijn gevoelens voor mannen en vrouwen. Voor eiser is er niet zozeer een verschil in gevoelens. Eiser heeft dit in de zienswijze ook nader toegelicht, namelijk dat hij een voorkeur heeft voor beiden, maar dat het op sommige punten ook anders is. Eiser voelt bij vrouwen meer mannelijke energie en bij mannen meer vrouwelijke energie en soms ook mannelijke energie. Dit betekent volgens eiser dat hij in een relatie met een man meer verzorgd wil worden en zich terughoudender en vrouwelijker opstelt.\n\n17. De minister stelt zich op het standpunt dat eiser zelf heeft verklaard dat er een verschil is zodat ook van hem verwacht kan worden dat hij het verschil in zijn gevoelens voor mannen en vrouwen kan duiden. De minister stelt zich verder op het standpunt dat van eisers verklaringen over dit verschil meer verwacht mag worden. Dit omdat eiser zowel met vrouwen, als met mannen relaties heeft gehad. Volgens de minister zijn de verklaringen over energie oppervlakkig en geven deze verklaringen weinig diepgang.\n\n18. De rechtbank overweegt dat eiser in het nader gehoor op de vraag of hij een voorkeur heeft voor mannen of vrouwen heeft verklaard dat hij een voorkeur heeft voor allebei. En dat eiser op de daarop volgende vraag of hij dus geen voorkeur heeft, heeft verklaard dat ze allebei anders zijn, net als aardbeien en chocolades, maar dat hij van allebei houdt (nader gehoor p. 17 en 28). Nu eiser zelf heeft verklaard dat ze anders zijn, heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank ook van eiser mogen verwachten dat hij dat nader kan toelichten.\n\n18.1.. Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers verklaringen over het verschil in zijn gevoelens voor mannen en vrouwen oppervlakkig zijn. De minister heeft daarbij mogen betrekken dat eisers verklaringen geen tot weinig inzicht geven in zijn gevoelens maar in plaats daarvan beschrijven wat voor rol hij inneemt binnen de relatie. Ook de vergelijking met het verschil tussen aardbeien en chocolade heeft de minister geen afdoende toelichting hoeven vinden.\n\nVerklaringen over relaties\n\n19. Eiser voert verder aan dat de minister voorbij is gegaan aan wat hij naar voren heeft gebracht in de zienswijze over zijn verklaringen over zijn relatie met [naam] en het verbreken daarvan. Eiser heeft daarover samengevat verklaard dat hij en [naam] begonnen te praten over homoseksuele relaties, dat eiser merkte dat [naam] dat idee al had geaccepteerd en dat [naam] vrijdenkend was. Ook wist eiser dat [naam] gevoelens voor hem had toen [naam] naar hem had uitgesproken dat als eiser een vrouw zou zijn geweest dat hij dan met eiser zou trouwen. De relatie heeft zich stap voor stap ontwikkeld en zij moesten hun relatie verborgen houden voor de buitenwereld. Volgens eiser heeft hi niet oppervlakkig verklaard over wat hij leuk vond aan [naam] , namelijk dat hij een sterke persoonlijkheid had, en eerlijk en trouw was. Ook heeft eiser verklaard over wat hij leuk vond om te doen met [naam] en over zijn gevoelens wat betreft zijn relatie met [naam] .\n\n20. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers verklaringen over zijn relatie met [naam] en het verbreken ervan onvoldoende inzichtelijk zijn. De minister heeft daarbij mogen betrekken dat eiser tussen 2016 en 2018 een relatie met [naam] heeft gehad, maar dat hij weinig inzicht kan geven in hoe zijn vriendschap met [naam] ontwikkelde naar een liefdesrelatie. Eiser heeft verklaard dat hij en [naam] dezelfde voorkeuren en overeenkomsten hadden, alles samendeden en dat de relatie zich stap voor stap ontwikkelde (nader gehoor p. 24). De rechtbank kan de minister volgen in het standpunt dat hieruit niet duidelijk wordt hoe de relatie met [naam] zich ontwikkelde naar een liefdesrelatie.\n\n20.1.. De minister heeft ook kunnen betrekken dat eisers antwoorden op de vragen hoe hij zich voelde toen hij in 2016 toen hij 25 was voor het eerst een relatie met een man kreeg, nadat hij al sinds zijn 14e wist dat hij op mannen viel, weinig inzicht bieden. Eiser verklaart dat het hetzelfde is als een relatie met een vrouw, dat hij van de relatie genoot en dat hij leuke dingen deed waar hij zich goed bij voelde (nader gehoor p. 25 en 26). De minister heeft zich hierover op het standpunt mogen stellen dat eiser daarmee weinig inzicht geeft in zijn gevoelens.\n\n20.2.. Verder heeft de minister zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt mogen stellen dat eisers verklaringen over het verbreken van de relatie en de gevoelens die hij daarna had terwijl hij vrienden bleef met [naam] oppervlakkig zijn. De rechtbank hecht daarbij ook waarde aan het feit dat eiser heeft verklaard dat hij en [naam] hun relatie hebben verbroken vanwege het gevaar dat zij lopen als koppel en niet omdat zij geen gevoelens meer voor elkaar hadden.\n\nVerklaringen over kennis van de LHBTI-gemeenschap in Egypte en Nederland\n\n21. De rechtbank stelt vast dat de minister in beroep niet langer aan eiser tegenwerpt dat hij zich in Nederland niet verder heeft verdiept in kennis over de LHBTI-gemeenschap en LHBTI-organisaties.\n\n22. Eiser voert verder aan dat de minister hem ten onrechte tegenwerpt dat hij alleen algemene kennis heeft over de LHBTI-gemeenschap en LHBTI-organisaties in Egypte. Eiser heeft verklaard dat de LHBTI-gemeenschap in Egypte wordt onderdrukt, dat er LHBTI-organisaties waren in Egypte en dat er ook feesten waren (nader gehoor p. 10, 13 en 30). Verder heeft eiser verklaard dat hij nooit lid heeft willen worden van een LHBTI-organisatie, omdat hij vreesde voor de risico’s als hij zich daarbij zou aansluiten (nader gehoor p. 31).\n\n23. De rechtbank is van oordeel dat de minister aan eiser mocht tegenwerpen dat hij alleen algemene kennis heeft over de LHBTI-gemeenschap in Egypte. Daarbij heeft de minister het volgende van belang mogen vinden. Eiser heeft verklaard dat de Egyptische wet homoseksualiteit verbiedt (nader gehoor p. 10 en 30) terwijl uit het ambtsbericht van Egypte van november 2021 blijkt dat dit strikt genomen niet het geval is.Ook kan eiser weinig verklaren over de situatie van de LHBTI-gemeenschap en LHBTI-organisaties in Egypte. Eiser heeft verklaard dat het strafbaar is om LHTBI te zijn, dat LHBTI’ers in de gevangenis terecht komen en dat er negatief over hen wordt gedacht (nader gehoor p. 10 en 30). De minister heeft deze verklaringen algemeen mogen vinden. Dit te meer omdat eiser ook heeft verklaard dat hij vanaf zijn twintigste is gaan lezen op het internet over de LHBTI-gemeenschap (nader gehoor p. 18 en 19). Dat eiser in de zienswijze meer context geeft over de wet- en regelgeving in Egypte verandert het oordeel van de rechtbank niet, omdat niet duidelijk is of dit afkomstig is uit algemene bronnen of van eiser zelf.\n\nProblemen vanwege biseksualiteit in Egypte\n\n24. Verder voert eiser aan dat de minister ten onrechte aan hem tegenwerpt dat zijn verklaringen over het incident met [naam] niet aannemelijk zijn. Eiser heeft een reden gegeven waarom het zoenen met [naam] op straat geen risicovol en onverantwoord gedrag was, namelijk omdat er niet vaak werd gepatrouilleerd op de plek waar zij waren en omdat het in de nacht was. Bovendien betekent risicovol niet per definitie dat het gedrag ongerijmd is. Ook voert eiser aan dat hij niet alleen fysieke verwondingen heeft opgelopen nadat hij en [naam] zijn mishandeld door de politie nadat zij op straat werden betrapt. Eiser heeft namelijk ook psychische problemen overgehouden aan het incident. Eiser wilde hierover verklaren tijdens het nader gehoor, maar hij werd afgekapt door de gehoormedewerker. Ook was eiser zichtbaar geëmotioneerd toen hij vertelde over het incident met [naam] , daaruit blijkt ook dat hij psychische problemen heeft overgehouden.\n\n25. De rechtbank stelt allereerst vast dat de minister in beroep niet meer aan eiser tegenwerpt dat hij nog vrienden is gebleven met [naam] na het incident. Ongeacht het feit of het zoenen op straat risicovol gedrag was of niet, is de rechtbank van oordeel dat de minister aan eiser heeft kunnen tegenwerpen dat de gestelde verwondingen niet corresponderen met de mate van politiegeweld waarover eiser heeft verklaard. Eiser heeft verklaard dat hij en [naam] slachtoffer zijn geworden van een hele gewelddadige aanval van zes politieagenten en dat zij zwaargewond waren na het incident. Anderzijds heeft eiser verklaard dat zij blauwe plekken hadden en kompressen hebben gebruikt om de pijn te verzachten (nader gehoor p. 33 en 34). Dit heeft de minister niet in verhouding met elkaar mogen vinden. Eisers verklaring dat de politieagenten weten hoe zij moeten martelen zonder sporen achter te laten heeft de minister hiervoor geen voldoende verklaring mogen vinden. Verder heeft eiser de psychologische problemen die hij heeft opgelopen door het incident met [naam] niet onderbouwd. Dat eiser tijdens het gehoor emotioneel werd is onvoldoende reden om aan te nemen dat hij psychische problemen heeft overgehouden aan dit incident.\n\nVerklaringen van derden\n\n26. Eiser voert aan dat de minister de brief van zijn huidige vriendin onvoldoende heeft betrokken bij de geloofwaardigheidsbeoordeling van zijn biseksualiteit. Eiser verwijst daarbij naar Werkinstructie 2019\u002F17 van de minister en een uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 januari 2025.Verder kan de minister volgens eiser niet volstaan met het standpunt dat de brief niet een objectieve bron is en verwijst daarbij naar een uitspraak van de Afdeling van 1 december 2021.\n\n27. De rechtbank overweegt dat uit Werkinstructie 2019\u002F17 van de minister blijkt dat verklaringen van derden, zoals een brief van een partner, altijd worden meegewogen en dat het gewicht dat wordt toegekend aan die verklaring afhankelijk is van elk individueel geval. De minister moet inzichtelijk motiveren welk gewicht wordt toegekend aan de verklaring van een derde. Uit Werkinstructie 2019\u002F17 blijkt ook dat de minister daarbij de bron van de verklaring mag betrekken en ook de objectiviteit van die bron. De minister kan meer gewicht toekennen aan verklaringen van personen die zelf geen belang hebben bij een positieve uitkomst van de asielaanvraag dan aan verklaringen van een derde die wel belang hebben bij de uitkomst van de asielaanvraag.\n\n27.1.. De rechtbank is van oordeel dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd waarom aan de brief van eisers huidige vriendin geen waarde wordt gehecht voor de geloofwaardigheid van zijn biseksualiteit. De minister heeft in het bestreden besluit gemotiveerd dat eisers huidige vriendin een eigen belang heeft bij een positieve uitkomst van de asielaanvraag, omdat zij een relatie heeft met eiser. Zij is daarom niet aan te merken als een objectieve bron. Ook heeft de minister in het voornemen betrokken dat de brief geen eigen waarnemingen van eisers huidige vriendin bevat, maar dat het een steunbetuiging is die alleen is gebaseerd op wat zij heeft gehoord van eiser. De verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 januari 2025 leidt niet tot een andere conclusie, omdat in dat geval de minister in het besluit alleen had gemotiveerd dat de verklaring van een derde ter kennis is genomen terwijl in dit geval de minister heeft gemotiveerd hoe de verklaring is meegewogen bij de beoordeling. Verder kan de rechtbank de verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 1 december 2021 niet volgen, omdat uit deze uitspraak niet blijkt wat eiser in beroep daarover aanvoert.\n\nTerugkeer naar Egypte\n\n28. Verder voert eiser aan dat de minister ten onrechte aan hem tegenwerpt dat hij tussentijds is teruggekeerd naar Egypte en dat dit afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn asielmotieven. Eiser geeft een verklaring voor zijn tussentijdse terugkeer, namelijk omdat hij wist dat hij een vergunning zou krijgen in Nederland.\n\n28.1.. De rechtbank is van oordeel dat de minister aan eiser heeft mogen tegenwerpen dat hij tussentijds is teruggekeerd naar Egypte en dat dit afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn asielmotieven. Eiser was in 2021 al in de gelegenheid om een asielaanvraag in te dienen toen hij in Nederland was. Dat hij dit niet heeft gedaan en vervolgens ook is teruggekeerd naar Egypte terwijl hij daar stelt te vrezen voor vervolging of ernstige schade doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van zijn asielmotieven.\n\nAsielaanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend\n\n29. Eiser voert verder aan dat de minister hem ten onrechte tegenwerpt dat hij zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend. Eiser vond het pas nodig om zijn asielaanvraag in te dienen nadat zijn reguliere verblijfsvergunning daadwerkelijk werd ingetrokken.\n\n30. De rechtbank overweegt dat de minister op grond van artikel 31, zesde lid, onder d, van de Vw bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van een asielrelaas mag betrekken of een vreemdeling zijn asielaanvraag zo spoedig mogelijk heeft ingediend.\n\n30.1.. Verder overweegt de rechtbank dat eiser in Nederland verbleef met een toeristenvisum voor de periode van 19 februari 2021 tot en met 4 juni 2021. Eiser is in april van 2021 teruggekeerd naar Egypte en is in juni van 2021 weer opnieuw naar Nederland gekomen. Daarna heeft eiser in Nederland bij zijn echtgenote verbleven met een reguliere verblijfsvergunning. Het huwelijk en de gezinsband tussen eiser en zijn echtgenote is op [datum echtscheiding] 2022 verbroken en daarvan is melding gedaan bij de minister. De minister heeft op 31 januari 2023 en 27 februari 2023 een voornemen uitgebracht waarin aan eiser is bekend gemaakt dat zijn reguliere verblijfsvergunning zal worden ingetrokken. De minister heeft vervolgens eisers reguliere verblijfsvergunning met terugwerkende kracht ingetrokken bij besluit van 22 maart 2023. Eiser heeft vervolgens op 12 april 2023 een asielaanvraag ingediend. Uit het voorgaande blijkt dat eiser voldoende gelegenheden heeft gehad om een asielaanvraag te doen om bescherming te krijgen in Nederland. Ook wist eiser tenminste sinds het voornemen van 31 januari 2023 dat zijn verblijfsrecht in Nederland niet meer zeker was. Omdat eiser vervolgens pas op 12 april 2023 een asielaanvraag heeft ingediend, is de rechtbank van oordeel dat de minister bij het beoordelen van de geloofwaardigheid van het asielrelaas aan eiser heeft mogen tegenwerpen dat hij zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend.\n\nTussenconclusie geloofwaardigheid biseksualiteit\n\n31. De rechtbank heeft in het voorgaande een oordeel gegeven over een aantal tegenwerpingen van de minister die gaan over de geloofwaardigheid van eisers biseksualiteit. De rechtbank is daarin steeds tot het oordeel gekomen dat de beroepsgronden gericht tegen de tegenwerpingen van de minister niet slagen. Gelet op die conclusies is de rechtbank samenvattend van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers biseksualiteit niet geloofwaardig is.\n\nDe geloofwaardigheid van de problemen vanwege afvalligheid\n\n32. De rechtbank stelt vast dat eiser – gezien hetgeen ter zitting is besproken - in beroep niet meer aanvoert dat de minister hem ten onrechte tegenwerpt dat hij geen problemen heeft gehad met zijn familie vanwege het niet praktiseren van de islam en dat hij na 2019 nog zonder problemen heeft verbleven in Egypte.\n\nWetenschap moslimbroederschap van afvalligheid eiser\n\n33. Eiser voert aan dat hij niet tegenstrijdig heeft verklaard over hoe het moslimbroederschap te weten is gekomen dat hij afvallig is. Eiser heeft in het nader gehoor de verwarring hierover voldoende opgehelderd en dit is ook in de correcties en aanvullingen op het nader gehoor nog een keer verduidelijkt. Volgens eiser motiveert de minister niet deugdelijk waarom deze tegenstrijdigheid nog steeds aan hem wordt tegengeworpen.\n\n33.1.. \n\nDe rechtbank overweegt dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat eiser tijdens het nader gehoor wisselende verklaringen heeft afgelegd over hoe het moslimbroederschap te weten is gekomen dat eiser afvallig is. Enerzijds heeft eiser verklaard dat zijn broer aan andere mensen heeft verteld dat hij afvallig is en dat het via derden (en dus indirect) bij het moslimbroederschap terecht is gekomen (nader gehoor p. 43, 52 en 54). Anderzijds heeft eiser verklaard dat het moslimbroederschap weet van eisers afvalligheid, omdat zijn broer het (direct) aan hen zou hebben verteld (nader gehoor p. 48, 49, 50 en 52). Eiser heeft in de correcties en aanvullingen van het nader gehoor aangegeven dat hij niet heeft bedoeld dat zijn broer het direct aan het moslimbroederschap heeft verteld, maar dat het moslimbroederschap indirect op de hoogte is gekomen van zijn afvalligheid. De rechtbank is van oordeel dat alhoewel eiser in de correcties en aanvullingen zijn tegenstrijdige verklaringen heeft willen herstellen, dat niet wegneemt dat hij meerdere keren en op verschillende momenten in het nader gehoor heeft verklaard dat zijn broer direct aan het moslimbroederschap heeft verteld dat eiser afvallig is. Het is daarom niet een eenmalige verspreking geweest. Eiser heeft geen deugdelijke reden gegeven waarom hij hierover meerdere keren tegenstrijdig heeft verklaard tijdens het nader gehoor. De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister aan eiser heeft mogen tegenwerpen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over hoe het moslimbroederschap weet dat hij afvallig is.\n\nVerklaringen over bedreigingen van het moslimbroederschap in verband met afvalligheid en militaire dienst\n\n34. Eiser voert aan dat de minister hem ten onrechte tegenwerpt dat het niet geloofwaardig is dat het moslimbroederschap hem over een periode van meerdere jaren, van 2018 tot 2021, meerdere keren per week zou bedreigen. Volgens eiser betrof het een periode van meer dan een jaar met tussenpozen waarin hij één tot twee keer per week werd bedreigd. Ook heeft eiser in de zienswijze een verklaring gegeven waarom hij geen serieuze problemen heeft gehad met het moslimbroederschap nadat hij bedreigd werd. Dit omdat hij in Egypte niet in het dorp van zijn familie verbleef en als hij daar wel verbleef dan was hij er voor korte duur en verbleef hij op meerdere plekken in het dorp.\n\n34.1.. Verder voert eiser aan dat het moslimbroederschap hem heeft bedreigd, omdat hij in het leger heeft gevochten tegen leden van het moslimbroederschap die onderdeel uitmaakten van de Islamitische Staat (IS) toen eiser in dienstplicht was. Daarnaast is eiser afgezwaaid van het leger wat hem een doelwit maakt van het moslimbroederschap en is hij bij hen bekend als afvallige omdat hij zich kritisch heeft geuit over de islam.\n\n35. De rechtbank is van oordeel dat de minister aan eiser mocht tegenwerpen dat het niet geloofwaardig is dat het moslimbroederschap hem over een periode van twee en een half jaar, ook met tussenpozen, wekelijks telefonisch heeft bedreigd. De minister heeft in het bestreden besluit deugdelijk gemotiveerd dat niet valt in te zien wat voor redenen het moslimbroederschap zou hebben om eiser op deze wijze over een lange periode telefonisch te bedreigen terwijl het hen niets oplevert. Ook is eiser ondanks de gestelde hoeveelheid bedreigingen meerdere keren teruggekeerd naar het dorp waar hij vandaan komt terwijl het moslimbroederschap zich daar ook bevond (nader gehoor p. 59 en 60).\n\n35.1.. Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het verband tussen de bedreigingen van het moslimbroederschap, het vechten tegen hen in het leger en het zijn van afvallige niet aannemelijk is. De minister heeft daarbij mogen betrekken dat alle mannen in Egypte dienstplichtig zijn en dat eiser daarom niet de enige is die is afgezwaaid van het leger. Het feit dat eiser in het leger heeft gediend en is afgezwaaid maakt hem persoonlijk dus geen doelwit van het moslimbroederschap. Verder valt niet in te zien dat het moslimbroederschap of de IS alle soldaten van het Egyptische leger kent waartegen zij hebben gevochten. Tenslotte heeft de minister niet aannemelijk mogen vinden dat eiser in de negatieve belangstelling staat bij het moslimbroederschap vanwege zijn afvalligheid, omdat hij heeft verklaard dat hij alleen met zijn familie kritische discussies over het geloof aanging (nader gehoor p. 50 en 51).\n\nVerklaringen over eisers schoonzus\n\n36. Eiser voert aan dat het ten onrechte afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn gestelde problemen met het moslimbroederschap dat hij contact bleef houden met zijn schoonzus terwijl daardoor zijn broer en het moslimbroederschap op de hoogte kwamen van het steeds weer nieuwe telefoonnummer van eiser. Dit omdat eiser heeft uitgelegd dat hij de informatie over wat zijn familie van hem vond en welke familieleden hij kon vertrouwen zwaarder vond wegen dan het steeds moeten vernieuwen van zijn telefoonnummer in verband met de telefonische bedreigingen.\n\n37. De rechtbank is van oordeel dat de minister aan eiser heeft mogen tegenwerpen dat het contact blijven houden met zijn schoonzus terwijl dit ertoe leidde dat zijn telefoonnummer telkens aan het moslimbroederschap werd gelekt, afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van de gestelde problemen met het moslimbroederschap. De minister heeft de verklaringen van eiser dat hij de informatie over wat zijn familieleden van hem vonden en wie hij kon vertrouwen zwaarder vond wegen dan dat zijn nummer gelekt werd niet begrijpelijk mogen vinden in het licht van het gevaar waarvoor eiser stelt te vrezen.\n\nVerklaringen over uitkomen van eisers afvalligheid\n\n38. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte aan hem tegenwerpt dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over wanneer is uitgekomen dat hij afvallig is. Eiser heeft tijdens het gehoor verklaard dat hij even moest nadenken over het antwoord op de vraag wanneer zijn afvalligheid is uitgekomen, maar dat dit medio 2019 was (nader gehoor p. 43). Dat eiser op een later moment verklaart dat dit eind 2018 was (nader gehoor p. 56) kan de minister niet aan hem tegenwerpen gelet op zijn referentiekader.\n\n39. Gelet op het medisch advies zoals beschreven in overweging 9 van deze uitspraak is de rechtbank van oordeel dat de minister ten onrechte aan eiser heeft tegengeworpen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over wanneer is uitgekomen dat hij afvallig is. Dit omdat uit het medisch advies blijkt dat eiser geen precieze data kan onthouden.\n\nTerugkeer naar Egypte\n\n40. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte aan hem tegenwerpt dat zijn terugkeer naar Egypte afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn gestelde problemen met het moslimbroederschap. De rechtbank verwijst naar de overwegingen 28 en 28.1 van deze uitspraak. In die overwegingen heeft de rechtbank al een oordeel gegeven over deze beroepsgrond en die overwegingen zijn ook van toepassing op dit asielmotief.\n\nAsielaanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend\n\n41. Eiser voert aan dat de minister ook bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van zijn problemen met het moslimbroederschap ten onrechte aan hem tegenwerpt dat hij zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend. De rechtbank verwijst naar de overwegingen 30 en 30.1 van deze uitspraak. In die overwegingen heeft de rechtbank al een oordeel gegeven over deze beroepsgrond en die overwegingen zijn ook van toepassing op dit asielmotief.\n\nTussenconclusie geloofwaardigheid van de problemen met moslimbroederschap vanwege afvalligheid en militaire dienst\n\n42. De rechtbank heeft in het voorgaande een oordeel gegeven over een aantal tegenwerpingen van de minister die gaan over de geloofwaardigheid van eisers problemen vanwege zijn afvalligheid. Gelet daarop is de rechtbank samenvattend van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers problemen met het moslimbroederschap niet geloofwaardig zijn. Het feit dat de minister ten onrechte aan eiser heeft tegengeworpen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over de periode waarin uitkwam dat hij afvallig is doet aan dit oordeel niet af. Dit omdat de rechtbank ook van oordeel is dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de overige tegenwerpingen afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van de problemen met het moslimbroederschap.\n\nZwaarwegendheid\n\n43. De rechtbank stelt vast dat gezien hetgeen ter zitting is besproken eiser in beroep niet langer aanvoert dat de minister ten onrechte zijn afvalligheid van de islam alleen heeft beoordeeld onder vluchtelingschap en niet onder ernstige schade.\n\nZwaar inreisverbod en besluit tot signalering\n\n44. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte aan hem een zwaar inreisverbod voor de duur van tien jaar heeft opgelegd, omdat zijn persoonlijke gedrag geen actuele en voldoende ernstige bedreiging is van de openbare orde of veiligheid. Het feit dat eiser recent strafbare feiten heeft gepleegd, dat hij daarvoor is veroordeeld en dat hij in detentie zit, is volgens eiser onvoldoende voor de conclusie dat sprake is van een actuele bedreiging van de openbare orde en veiligheid. Verder voert eiser aan dat het feit dat een contact- en locatieverbod is opgelegd niet betekent dat sprake is van een risico op recidive en dat daarom zijn persoonlijke gedrag een ernstige bedreiging van de openbare orde of veiligheid is. Ook had de minister bij deze beoordeling rekening moeten houden met de verhouding tussen de straf die aan eiser is opgelegd en de maximale straf die opgelegd had kunnen worden. Daarbij wijst eiser op twee uitspraken van de rechtbank Den Haagen een overgelegd advies voor voorlopige invrijheidsstelling.\n\n45. De rechtbank overweegt dat de minister een zwaar inreisverbod voor de duur van tien jaar kan opleggen aan een vreemdeling die een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde of veiligheid.De minister moet in dat geval beoordelen of de persoonlijke gedragingen van de vreemdeling een daadwerkelijk en actueel gevaar voor de openbare ode vormen.\n\n45.1.. De rechtbank is van oordeel dat de minister in dit geval aan eiser een zwaar inreisverbod voor de duur van tien jaar aan eiser heeft mogen opleggen, omdat eiser een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde en veiligheid. Dit ondanks het feit dat de minister in het bestreden besluit heeft opgenomen dat eiser het grootste gedeelte van de opgelegde straf nog moet uitzitten en dat hij afgelopen jaar voor de strafbare feiten is veroordeeld, maar de minister op de zitting heeft aangegeven dat dit onjuist is.\n\n45.2.. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft eiser op 19 juni 2024 veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaren met aftrek van de tijd die eiser in voorarrest heeft doorgebracht. Ook heeft het gerechtshof aan eiser een contactverbod opgelegd met het slachtoffer en een locatieverbod voor de gemeente [plaats] . Eiser is veroordeeld voor het binnendringen in de woning van zijn voormalig echtgenote om haar vervolgens gedurende drie uur met woorden en met een mes te bedreigen. Ook heeft eiser volgens het gerechtshof geprobeerd seks af te dwingen, terwijl hem duidelijk moest zijn dat zijn voormalig echtgenote dat niet wilde. Eiser heeft het plegen van de strafbare feiten altijd ontkend en uit het advies voorlopige invrijheidsstelling van 31 juli 2025 en het reclasseringsadvies van 26 mei 2025 blijkt dat hij het plegen van de strafbare feiten nog altijd ontkent. Het risico op recidive kan daarom niet worden ingeschat.\n\n45.3.. Gezien de ernst van de gepleegde strafbare feiten heeft de minister aan eiser een zwaar inreisverbod voor de duur van tien jaar mogen opleggen. De minister heeft daarbij van belang mogen vinden dat er onvoldoende aanknopingspunten naar voren zijn gebracht dat sprake is van een positieve gedragsverandering en ook dat eiser dit nog niet heeft kunnen laten zien in de vrije maatschappij. Het advies voorlopige invrijheidsstelling betreft de periode in detentie en komt daarom niet de waarde toe die eiser daaraan hecht. Verder betekent het feit dat de kans op recidive niet kan worden ingeschat niet dat daarom geen sprake is van een actuele bedreiging. Ook heeft de minister deugdelijk gemotiveerd waarom eisers persoonlijke gedrag een ernstige bedreiging vormt. De minister heeft daarbij betrokken dat eiser het misdrijf waarvoor hij veroordeeld is nog steeds ontkend en dat hij is veroordeeld voor meerdere strafbare feiten met een ernstige aard, namelijk geweldsmisdrijven tegen eisers voormalige echtgenote.\n\nPrivéleven\n\n46. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte niet heeft beoordeeld of het opleggen van een zwaar inreisverbod in strijd is met het recht op privéleven zoals bedoeld in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Volgens eiser motiveert de minister daarmee niet waarom het belang van de Nederlandse staat zwaarder weegt dan zijn in Nederland opgebouwde privéleven.\n\n47. De rechtbank overweegt dat de minister bij het opleggen van een inreisverbod beoordeelt of dit in strijd is met artikel 8 van het EVRM.De minister heeft in het bestreden besluit alleen beoordeeld of het opleggen van het inreisverbod in strijd is met eisers familieleven en heeft daarbij vastgesteld dat geen sprake is van een duurzame en exclusieve relatie tussen eiser en zijn vriendin in Nederland. De minister heeft daarmee in het bestreden besluit ten onrechte niet beoordeeld of sprake is van privéleven en of het opleggen van een inreisverbod daarmee in strijd is. De minister heeft zich echter in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat geen sprake is van privéleven, omdat eiser dit zowel in de zienswijze als in beroep niet heeft onderbouwd.\n\n47.1.. Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat, omdat de minister heeft nagelaten te beoordelen of het opleggen van een inreisverbod in strijd is met eisers privéleven zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. De rechtbank ziet daarentegen aanleiding om dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb gelet op de aanvullende motivering die de minister op de zitting heeft gegeven en het feit dat eiser het bestaan van privéleven ook in beroep verder niet heeft onderbouwd.\n\nConclusie en gevolgen\n\n48. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk heeft.\n\n49. De rechtbank ziet gelet op de overwegingen 10.3 en 47.1 van deze uitspraak wel aanleiding om de minister te veroordelen in het vergoeden van de proceskosten. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.814.- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, rechter, in aanwezigheid van mr.B.J. van Rossum, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 13 januari 2026\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 25 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:2791.\n\n Zie pagina 4 van het bestreden besluit en pagina 4 van het voornemen van 1 mei 2025.\n\n Algemeen ambtsbericht Egypte november 2021, pagina 86.\n\n Uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 27 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:1062.\n\n Uitspraak van de Afdeling van 1 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2675.\n\n Uitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 20 december 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:14655 en van de zittingsplaats Groningen van 4 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:1396.\n\n Artikel 6.5a, vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).\n\n Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 11 juni 2015 (Zh. en O.), ECLI:EU:C:2015:377 en bijvoorbeeld ook de uitspraak van de Afdeling van 18 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4687.\n\n Paragraaf A4\u002F2.2 onder c van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18653","2026-07-13T00:29:08.417Z",{"id":151,"ecli":152,"slug":153,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":154,"fullText":155,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":156,"sourceTimestamp":157,"parsedAt":35,"updatedAt":158},"501","ECLI:NL:RBDHA:2025:22097","ecli-nl-rbdha-2025-22097","2025-11-21T00:00:00.000Z","uitspraak\n\nRECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.52086\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. S. Oukil),\n\nen\n\nde Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. W. Vrooman).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 23 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.\n\nEiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.\n\nDe minister heeft op 29 oktober 2025 de maatregel van bewaring opgeheven.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 3 november 2025 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1968.\n\n2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.\n\n3. Eiser heeft aangevoerd dat de staandehouding onrechtmatig was omdat hij ten tijde van de staandehouding rechtmatig in Nederland verbleef op grond van de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 10 juli 2025, kenmerk AWB 25\u002F3308. Eiser mocht dus niet worden uitgezet. Daarbij komt nog dat het besluit van de minister van 23 oktober 2025 tot ongegrondverklaring van het bezwaar niet op de juiste wijze is bekendgemaakt: de gemachtigde van eiser in die zaak had ten tijde van het indienen van de gronden tegen de maatregel nog geen besluit ontvangen. Verder is onduidelijk waarom eiser is staande gehouden. Uit het proces-verbaal staandehouding\u002Foverbrenging\u002Foverdracht van 23 oktober 2025 blijkt niet dat het besluit van 23 oktober 2025 aan eiser is uitgereikt, althans welk besluit aan hem is uitgereikt en ook niet dat eiser is staande gehouden tijdens zijn meldplicht. Volgens eiser moeten alle relevante feiten en omstandigheden die tot de staandehouding hebben geleid, worden opgenomen in het proces-verbaal staandehouding.\n\n4. De rechtbank stelt vast dat uit het proces-verbaal staandehouding\u002Foverbrenging\u002Foverdracht van 23 oktober 2025 blijkt dat eiser zich op die datum is staande gehouden in het politiebureau te Utrecht. In het formulier “HV-21 Formulier bijzonderheden zaak” van 23 oktober 2025 staat vermeld dat deze staandehouding plaatsvond bij de wekelijkse meldplicht van eiser. Uit het verslag van een met eiser op dezelfde datum gehouden vertrekgesprek blijkt duidelijk dat het besluit van 23 oktober 2025 aan eiser is uitgereikt en dat eiser voor de ontvangst van het besluit getekend heeft.\n\n5. De rechtbank overweegt dat noch uit de wet, noch uit de jurisprudentie, volgt dat alle voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de staandehouding relevante feiten en omstandigheden moeten zijn opgenomen in het proces-verbaal van staandehouding. De minister kan hiervoor ook verwijzen naar andere in het dossier opgenomen stukken, zo lang de rechtbank uit het samenstel van de betreffende stukken voldoende informatie heeft om de gehele relevante context van feiten en omstandigheden die tot de staandehouding hebben geleid, te beoordelen. Naar het oordeel van de rechtbank is dit hier het geval. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat het besluit van 23 oktober 2025 rechtsgeldig aan eiser is uitgereikt en bekendgemaakt en daardoor in werking is getreden conform de artikelen 3:40 en 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht. Vanaf dat moment was eiser niet meer rechtmatig in Nederland en mocht hij op grond van het bepaalde in artikel 50 van de Vw staande worden gehouden. Dat het besluit niet op de dag van staandehouding bekend was bij de gemachtigde van eiser in de reguliere verblijfsprocedure, geeft de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\n6. Eiser voert aan dat voor het opleggen van de maatregel van bewaring onvoldoende gronden aanwezig waren, omdat eiser ten tijde van de inbewaringstelling niet verwijderbaar was. Hij verblijft bij zijn moeder in [plaats] en er is geen sprake van niet actief meewerken aan de uitzetting. Tot aan de staandehouding had eiser procedureel rechtmatig verblijf en was er geen sprake van een vertrekplicht, dus hoefde eiser daar ook niet aan mee te werken.\n\n7. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vorderde, omdat het risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontweek of belemmerde. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:\n\n3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;\n\n3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;\n\n3h. tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 van de Wet of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Wet;\n\n3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden vermeld dat eiser:\n\n4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;\n\n4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;\n\n4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.\n\n8. Verweerder heeft ter zitting de gronden 4c en 4d ingetrokken.\n\n9. Wat eiser heeft aangevoerd geeft geen aanleiding de gronden van de maatregel van bewaring onvoldoende te achten. De reden hiervoor is, zoals de rechtbank hierboven heeft overwogen, dat eiser ten tijde van het opleggen van de maatregel niet rechtmatig in Nederland verbleef. De minister heef daarom de gronden 3c, 3h en 3i aan de maatregel ten grondslag mogen leggen. Omdat deze gronden voldoende zijn om de maatregel te kunnen dragen, behoeven de andere gronden geen bespreking meer. Dat bij de motivering van de gronden niet expliciet is verwezen naar het besluit van 23 oktober 2025 maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat deze gronden niet feitelijk juist zijn. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\n10. Eiser heeft vervolgens betoogd dat de minister had dienen te volstaan met de oplegging van een lichter middel. Hij verbleef bij zijn moeder in [plaats] en is dus traceerbaar.\n\n11. Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder; verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674) en 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).\n\n12. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is naar het oordeel van de rechtbank gebleken dat eiser sinds 2017 onrechtmatig in Nederland was en sinds die tijd niet heeft voldaan aan zijn vertrekplicht. Hij heeft zich enkele malen niet gemeld en in 2023 is hij met onbekende bestemming vertrokken. Verder stelt hij af en toe in [plaats] te verblijven, maar noemt hij geen adres. Dit is door eiser niet bestreden. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet heeft hoeven te volstaan met de oplegging van een lichter middel. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\n13. Eiser heeft ten slotte aangevoerd dat hij detentieongeschikt is. Hij heeft een tumor in zijn rug en hij heeft suikerziekte. Hij krijgt niet al zijn medicatie en heeft regelmatig epileptische aanvallen.\n\n14. De rechtbank stelt voorop dat het aan eiser is om aan te tonen dat hij detentieongeschikt is. Bij de gronden van het beroep is een medische verklaring op naam van eiser overgelegd uit 2016 en een patiëntenkaart met medische gegevens over de periode 2015-2024, waarop geen naam is vermeld, zodat niet duidelijk is of deze gegevens betrekking hebben op eiser. Nog afgezien daarvan is daaruit niet af te leiden dat er sprake is van detentieongeschiktheid. De rechtbank wijst nog op het formulier “HV-21 Formulier bijzonderheden zaak” van 23 oktober 2025, waarin – kort weergegeven - is vermeld dat eiser veel kwalen heeft en veel medicijnen gebruikt en dat daarom een arts gebeld is die eiser telefonisch heeft geconsulteerd en insluitwaardig heeft bevonden. Tijdens het ophoudingsgehoor heeft eiser verklaard dat hij epilepsie, longemfyseem en een goedaardige tumor in zijn rug heeft. Uit deze verklaring en uit hetgeen hij bij het gehoor tijdens de inbewaringstelling heeft verklaard hoefde de minister naar het oordeel van de rechtbank niet te concluderen dat eiser detentieongeschikt was. Indien eiser van menig is dat zijn klachten dusdanig verergeren of zijn verergerd dat er wel sprake zou kunnen zijn van detentieongeschiktheid, staat het hem vrij om zich te melden bij de medische dienst in het detentiecentrum. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\n15. Uit het arrest Adrar (uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 september 2025, ECLI:EU:2025:647) volgt dat de bewaringsrechter verplicht is om – zo nodig ambtshalve – na te gaan of het beginsel van non-refoulement, het belang van het kind en het familie- en gezinsleven zich verzetten tegen de verwijdering ven een vreemdeling.\n\n16. De rechtbank is van oordeel dat het dossier van eiser geen aanknopingspunten biedt voor het vermoeden dat met de uitvoering van het terugkeerbesluit afbreuk wordt gedaan aan het beginsel van non-refoulement, het belang van het kind en het familie-en gezinsleven.\n\n17. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing voor het overige niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.\n\n18. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.\n\n19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep ongegrond;\n\nwijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.E.A. Braeken, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Bruins, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\n21 november 2025\n\nDocumentcode: [Documentcode]\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:22097","2025-11-24T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:33.668Z",{"id":160,"ecli":161,"slug":162,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":154,"fullText":163,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":164,"sourceTimestamp":157,"parsedAt":35,"updatedAt":165},"499","ECLI:NL:RBDHA:2025:22099","ecli-nl-rbdha-2025-22099","uitspraak\n\nRECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: NL25.54840 en NL25.54841\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen\n\n [eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. F. Boone), en\n\nde Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. S.H.F. Pols).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 14 oktober 2025 (bestreden besluit 1) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. De minister heeft deze maatregel van bewaring op 29 oktober 2025 opgeheven.\n\nBij besluit van 29 oktober 2025 (bestreden besluit 2) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid en onder a, van de Vw opgelegd.\n\nEiser heeft tegen beide besluiten beroep ingesteld. Deze beroepen moeten tevens worden aangemerkt als verzoeken om toekenning van schadevergoeding.\n\nDe rechtbank heeft de beroepen op 17 november 2025 gelijktijdig op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen Z. Cabir. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. Eiser stelt van Bengaalse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1992.\n\n2. Omdat de maatregel van bewaring van 14 oktober 2025 (bestreden besluit 1) is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.\n\nTolk\n\n3. Eiser voert aan dat tijdens het gehoor voor inbewaringstelling op 14 oktober 2025 geen gebruik is gemaakt van een beëdigd tolk. In het gehoorverslag staat dat er geen beëdigd tolk beschikbaar zou zijn in de taal Bengali, maar die is er volgens eiser wel. Ook in het gehoor voor inbewaringstelling op 29 oktober 2025 is geen gebruik gemaakt van een beëdigd tolk. In beide gespreksverslagen is niet gemotiveerd waarom gebruik is gemaakt van een niet-beëdigd tolk.\n\n4. De rechtbank overweegt als volgt. In beide gehoren is gebruik gemaakt van dezelfde niet-beëdigde tolk, omdat er op dat moment geen beëdigd tolk in de taal Bengali beschikbaar was. De rechtbank ziet niet in dat eiser in zijn belangen is geschaad door het gebruik van een niet-beëdigd tolk. Volgens beide op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van de gehoren heeft eiser verklaard de tolk steeds goed te verstaan en te begrijpen. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nBewaringsgronden\n\n5. In beide maatregelen van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vorderde, omdat het risico bestond en bestaat dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken en eiser de voorbereiding van de asielprocedure respectievelijk het vertrek of de uitzettingsprocedure ontweek of belemmerde. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden in beide besluiten – met uitzondering van de zware grond onder 3i, die staat enkel vermeld in bestreden besluit 2– vermeld dat eiser:\n\n3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;\n\n3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;\n\n3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;\n\n3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;\n\n3i. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden in beide besluiten vermeld dat eiser:\n\n4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;\n\n4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;\n\n4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;\n\n4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;\n\n4f. arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen.\n\n6. Eiser betwist de zware grond onder 3d en de lichte grond onder 4f. De rechtbank is echter van oordeel dat de niet betwiste zware gronden onder 3a, 3b, 3c en 3i en de lichte gronden onder 4a, 4b, 4c en 4d feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn. Deze gronden kunnen de maatregelen van bewaring dragen, omdat hieruit een risico op onttrekking aan het toezicht blijkt. De rechtbank laat de door eiser betwiste gronden om die reden verder onbesproken.\n\nLichter middel\n\n7. Eiser stelt dat de minister had moeten volstaan met het opleggen van een lichter middel dan de maatregel van bewaring, zoals een vrijheidsbeperkende maatregel.\n\n8. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat niet kan worden volstaan met een lichter middel. Uit de niet betwiste gronden en de motivering daarvan blijkt al dat er een risico op onttrekking aan het toezicht bestaat. Daarnaast zijn in de afweging of een lichter middel kan worden toegepast, de verklaringen van eiser over zijn medische situatie betrokken. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nZicht op uitzetting\n\n9. Eiser stelt dat er in zijn geval geen zicht is op uitzetting naar Bangladesh. Hiertoe voert hij aan dat er momenteel geen laissez-passer(lp)-traject loopt en ook geen lp-traject kan worden opgestart met de informatie die op dit moment bekend is.\n\n10. De rechtbank overweegt als volgt. De minister heeft ter zitting verklaard dat de Bengaalse autoriteiten een eerdere lp-aanvraag voor eiser hebben afgewezen op 15 juli 2024. De vertegenwoordiger van Bangladesh heeft toen geconstateerd dat de door eiser verstrekte (kopie)geboorteakte niet echt is. De minister heeft daarom in het vertrekgesprek van 13 november 2025 aangegeven dat eiser zelf dient te onderbouwen wie hij is en wat zijn nationaliteit is door bijvoorbeeld stukken op te vragen bij familieleden in Bangladesh of zich te wenden tot de autoriteiten van Bangladesh. Zoals volgt uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State1 mag van eiser worden verwacht dat hij actief en volledig meewerkt aan de vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit. De rechtbank acht niet gebleken dat eiser daartoe niet in staat is, ook al heeft hij Bangladesh geruime tijd geleden verlaten en stelt hij geen contact meer te hebben met zijn familie in Bangladesh. Daarom ziet de rechtbank in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat er geen zicht op uitzetting naar Bangladesh is. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nVoortvarend handelen\n\n11. Eiser stelt dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Er is nog geen enkele informatie overgelegd over de voortgang van eisers zaak. Eiser stelt dat hierdoor sprake is van een gebrek.\n\n12. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Na de oplegging van de huidige maatregel van bewaring (bestreden besluit 2) zijn op 31 oktober 2025 en 13 november 2025 met eiser vertrekgesprekken gevoerd. Op 31 oktober 2025 is aanvankelijk een lp-aanvraag aan de Directie Internationale Aangelegenheden verzonden, maar deze aanvraag is niet extern doorgezet als gevolg van de eerdere bevindingen van de Bengaalse autoriteiten en het gebrek aan andere documenten. De minister zal ten behoeve van de uitzetting regelmatig vertrekgesprekken met eiser blijven voeren. Deze handelingen zijn naar het oordeel van de rechtbank voldoende om te oordelen dat de minister voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. De beroepsgrond slaagt niet.\n\n1. Vergelijk ABRvS 22 februari 2006 (ECLI:NL:RVS:2006:AV3295) en ABRvS 23 april 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BI3894).\n\nAmbtshalve toetsing\n\n13. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregelen van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig waren. Op grond van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.\n\nConclusie\n\n14. De beroepen zijn ongegrond. Daarom worden ook de verzoeken om schadevergoeding afgewezen.\n\n15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart de beroepen ongegrond;\n\nwijst de verzoeken om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. D. Verduijn, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\n21 november 2025\n\nDocumentcode: [Documentcode]\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:22099","2026-07-13T00:28:33.601Z",{"id":167,"ecli":168,"slug":169,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":170,"fullText":171,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":172,"sourceTimestamp":173,"parsedAt":35,"updatedAt":174},"405","ECLI:NL:RBDHA:2025:18239","ecli-nl-rbdha-2025-18239","2025-09-19T00:00:00.000Z","uitspraak\n\nRECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.24691\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres], V-nummer: [V-nummer] , eiseres,\n\nmede namens haar minderjarige zoon:\n\n [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2009 en van Iraanse nationaliteit (gemachtigde: mr. F. Khodajoo-Aziz Maleki),\n\nen\n\nde Minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. J.A.A. Willems).\n\nInleiding\n\nEiseres heeft op 10 maart 2023 mede namens haar minderjarige zoon een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Zij stelt van Iraanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum 2] 1985. De minister heeft met het bestreden besluit van 26 mei 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.\n\nEiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n3. De rechtbank heeft het beroep op 12 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, R. Modi als tolk en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nHet asielrelaas\n\n4. Eiseres legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiseres heeft deelgenomen aan een demonstratie in Iran. Verder is eiseres afvallig van de islam en heeft zij zich bekeerd tot het christendom. Toen zij dit heeft verteld aan haar familie werden zij boos en is zij uit huis gevlucht. Eiseres vreest bij terugkeer voor haar familie en voor het krijgen van problemen met de Iraanse autoriteiten vanwege haar verblijf in het buitenland en het aanvragen van asiel met als reden dat zij afvallig en bekeerd is.\n\nHet bestreden besluit\n\n5. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:\n\nde identiteit, nationaliteit en herkomst;\n\nbekering tot het christendom;\n\nafvalligheid van de islam;\n\ndeelname aan een demonstratie in Iran; en\n\nproblemen vanwege de problemen van eiseres haar man.\n\nDe minister vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst, de afvalligheid van de islam en deelname aan een demonstratie in Iran geloofwaardig. De bekering tot het christendom en de problemen vanwege de problemen van haar man vindt de minister ongeloofwaardig.\n\nVolgens de minister heeft eiseres onvoldoende inzichtelijk en diepgaand verklaard over haar bekering tot het christendom. Verder is volgens de minister niet aannemelijk dat eiseres vanwege haar afvalligheid van de islam een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer naar Iran. Ook de vrees bij terugkeer voor haar familie is onvoldoende aannemelijk gemaakt. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen als ongegrond. Ook heeft de minister aan eiseres een terugkeerbesluit uitgevaardigd.\n\nGronden van beroep\n\n6. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiseres desgevraagd medegedeeld dat de volgende zinnen in de aanvullende gronden van beroep van 9 september 2025 komen te vervallen en niet van toepassing zijn:\n\n- “ “Hierbij wordt opgemerkt dat eiser al geruime tijd weg is uit Iran en het zeer waarschijnlijk is dat eiseres meteen gearresteerd zal worden teneinde haar opgelegde straf te moeten uitzitten.” (pagina 4)\n\n- “ “Verweerder heeft het uit oog verloren dat betrokkene al een lange periode in het buitenland verblijft, geen paspoort heeft en haar man in Nederland is overleden.” (pagina 7)\n\nBekering tot het christendom\n\n7. Eiseres voert in de aanvullende gronden van beroep van 9 september 2025 onder verwijzing naar haar verklaringen aan dat zij inzichtelijk heeft verklaard over haar bekering. Omdat eiseres geen nadere onderbouwing geeft voor deze stelling, is de rechtbank van oordeel dat deze enkele stelling niet kan leiden tot het oordeel dat minister de bekering ten onrechte ongeloofwaardig heeft gevonden. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nAfvalligheid en vrees voor familie\n\n8. Eiseres voert aan dat zij bij terugkeer omdat zij afvallige is van de Islam te vrezen heeft voor vervolging en ernstige schade vanwege haar familie. Omdat eiseres in beroep geen nadere onderbouwing geeft voor deze stelling, is de rechtbank van oordeel dat eiseres met deze enkele stelling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer om deze reden heeft te vrezen voor vervolging of ernstige schade. De minister heeft niet ten onrechte niet\n\naannemelijk geacht dat eiseres bij terugkeer problemen met haar familie zal ervaren. De beroepsgrond slaat niet.\n\nAfvalligheid en Iraanse autoriteiten\n\n9. Eiseres voert aan dat zij bij terugkeer een risico loopt op ernstige schade, omdat zij afvallig is en de Iraanse autoriteiten haar bij terugkeer zullen ondervragen. In het kader van deze vrees heeft de minister onvoldoende onderzocht en beoordeeld hoe eiseres in Nederland uiting geeft aan haar afvalligheid en heeft daarmee niet in overeenstemming gehandeld met Informatiebericht (IB) 2023\u002F35 Risico bij terugkeer naar Iran voor (toegedicht) afvalligen.\n\n10. In het beleid van de minister1 is onder meer bepaald dat bij een vreemdeling van wie de afvalligheid geloofwaardig is geacht, wordt onderzocht en beoordeeld of de uitingen van afvalligheid die ervoor zouden zorgen dat hij in de negatieve aandacht zal komen te staan, van belang zijn voor het behoud van zijn religieuze identiteit. De minister onderzoekt ook hoe en waarom de vreemdeling in het land van herkomst uiting gaf aan zijn overtuiging en hoe hij dit in Nederland heeft gedaan, en ook of en waarom hij dit bij terugkeer (anders) zou willen doen en of dit geloofwaardig is. Als de vreemdeling in het land van herkomst en in Nederland zijn afvalligheid terughoudend of niet actief heeft geuit, dan is het in beginsel niet aannemelijk dat de vreemdeling in het geval van een eventuele ondervraging door de autoriteiten op de luchthaven zal verklaren dat hij afvallig is.2 Verder is een enkele verwijzing naar beschikbare algemene landeninformatie over de situatie op het vliegveld bij terugkeer naar Iran onvoldoende om aannemelijk te maken dat elke vreemdeling een daadwerkelijk en reëel risico loopt op vervolging of ernstige schade bij terugkeer.3\n\n11. Voor zover eiseres aanvoert dat de minister niet voldoende vragen heeft gesteld of onvoldoende heeft doorgevraagd over hoe eiseres haar afvalligheid uit, kan de rechtbank dit niet volgen. Uit het nader gehoor blijkt dat de minister voldoende vragen heeft gesteld met betrekking tot eiseres haar afvalligheid en haar bekering als gevolg daarvan.4 Verder kan de rechtbank de minister volgen in zijn standpunt dat sprake is van een samenwerkingsplicht. Het is aan de vreemdeling om alle relevante elementen naar voren te brengen voor de beoordeling van zijn asielmotieven. De minister heeft eiseres in dit kader voldoende in de gelegenheid gesteld om te verklaren over haar afvalligheid en de manier waarop zij daar uiting aan geeft. De beroepsgrond slaagt niet.\n\n12. De rechtbank overweegt verder dat de minister in het nader gehoor vragen heeft gesteld aan eiseres met betrekking tot haar afvalligheid en de uiting hiervan. Eiseres heeft verklaard dat zij zich in Iran altijd heeft geconformeerd aan de islam.5 Ook heeft eiseres verklaard dat zij in Iran in een streng religieus gezin is opgevoed en dat zij twijfels kreeg over haar geloof.6 Eiseres heeft deze twijfels geuit aan haar moeder en dat zij op 24-jarige leeftijd helemaal is gestopt met het praktiseren van de islam.7 Eiseres heeft niet aan haar familie verteld dat zij de islam niet meer praktiseerde en gestopt was met geloven.8 De rechtbank stelt vast dat de minister in het nader gehoor geen expliciete vragen heeft gesteld aan eiseres over hoe zij in Nederland uiting geeft aan haar afvalligheid, maar wel dat aan haar is gevraagd hoe zij haar geloof uit in Nederland.9 Uit het nader gehoor blijkt dat eiseres de ontwikkeling van haar geloofsovertuiging heeft geschetst. Eiseres heeft samengevat verklaard over hoe zij zich in Iran heeft afgezet van de islam, dat zij in Nederland is bekeerd tot het christendom, over het zijn van christen en de religieuze activiteiten waaraan zij in\n\nNederland deelneemt. Verder verklaart eiseres dat zij zich bij terugkeer naar Iran weer zal conformeren aan de islam en dat zij niet over afvalligheid kan praten.10\n\n13. Uit het voorgaande blijkt volgens de rechtbank dat de minister voldoende onderzoek heeft gedaan naar hoe eiseres uiting geeft aan haar afvalligheid om het risico op vervolging of ernstige schade bij terugkeer te beoordelen. Bovenstaande verklaringen beschrijven de gestelde verandering en ontwikkeling van eiseres haar geloofsovertuiging en hoe zij hier uiting aan geeft. De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de verklaringen van eiseres geen aanleiding vormen voor het oordeel dat het uiten van haar afvalligheid van belang is voor het behouden van haar religieuze identiteit en dat zij vanwege haar afvalligheid bij terugkeer te vrezen heeft voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De minister heeft daarbij mogen betrekken dat eiseres zich in Iran altijd heeft geconformeerd aan de islam, dat de bekering van eiseres in Nederland niet geloofwaardig is gevonden en dat niet is gebleken dat de uitingen van afvalligheid van eiseres van belang zijn voor het behouden van haar religieuze identiteit. Verder is de enkele verwijzing naar algemene landeninformatie volgens IB 2023\u002F35 onvoldoende om een risico op vervolging of ernstige schade bij terugkeer aannemelijk te maken.11\n\nConclusie en gevolgen\n\n14. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.\n\nHet beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. B.J. van Rossum, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n1. IB 2023\u002F35 Risico bij terugkeer naar Iran voor (toegedicht) afvalligen.\n\n2 Zie pagina 5 onder onderdeel 2b van IB 2023\u002F35.\n\n3 Zie pagina 3 onder onderdeel 1 van IB 2023\u002F35.\n\n4 Pagina 31 tot en met 54 van het nader gehoor.\n\n5 Pagina 24 van het nader gehoor.\n\n6 Pagina 26 en 27 van het nader gehoor.\n\n7 Pagina 30 van het nader gehoor.\n\n8 Pagina 31 van het nader gehoor.\n\n9 Pagina 38 van het nader gehoor.\n\n10 Pagina 39 en 40 van het nader gehoor.\n\n11 Zie pagina 3 onder onderdeel 1 van IB 2023\u002F35.\n\n19 september 2025\n\nDocumentcode: [Documentcode]","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:18239","2025-10-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:28.085Z",{"id":176,"ecli":177,"slug":178,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":179,"fullText":180,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":181,"sourceTimestamp":182,"parsedAt":35,"updatedAt":183},"492","ECLI:NL:RBDHA:2025:16841","ecli-nl-rbdha-2025-16841","2025-09-01T00:00:00.000Z","uitspraak\n\nRECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.39072\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. E. Schoneveld),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: S. Faddach).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 18 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.\n\nEiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.\n\nDe rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL25.39079, op 25 augustus 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen H. Jafoute. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. Eiser heeft de Algerijnse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1992.\n\nWerkt de onrechtmatigheid van de vorige maatregel(en) door in de huidige maatregel?\n\n2. Eiser stelt dat de maatregel van bewaring van 18 augustus 2025 vanaf aanvang onrechtmatig is. Eiser voert daartoe aan dat de minister de vorige maatregel van bewaring (op de grondslag van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw) van 22 juli 2025 veel te laat heeft omgezet. Eiser heeft op 13 augustus 2025 een asielwens geuit, en de minister had de vorige maatregel op die dag moeten opheffen en omzetten. Eiser verwijst daartoe naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 3 december 2024.1 In die uitspraak heeft de rechtbank er onder andere op gewezen dat een vreemdeling die een asielaanvraag doet onder de Opvangrichtlijn2 valt (en niet meer onder de Terugkeerrichtlijn3), en dat er een beoordeling van proportionaliteit en evenredigheid moet plaatsvinden. De rechtbank heeft in die uitspraak ook overwogen dat er geen opzet op het onrechtmatig voortduren van de vrijheidsontneming vereist is om van een willekeurige vrijheidsontneming te kunnen spreken. Eiser wijst er verder op dat ook de eerdere maatregel van bewaring van 23 juni 2025 (op de grondslag van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw) niet tijdig is omgezet. Nu de minister de twee voorgaande maatregelen van bewaring niet tijdig heeft omgezet, moet dit volgens eiser doorwerken in de huidige maatregel.\n\n1. ECLI:NL:RBDHA:2024:20144.\n\n2 Richtlijn 2013\u002F33\u002FEU.\n\n3. De rechtbank stelt vast dat eiser een vervolgberoep als bedoeld in artikel 96 van de Vw tegen de voorgaande maatregel van 22 juli 2025 heeft ingediend (zaak NL25.39079). In die zaak heeft de minister schadevergoeding aangeboden voor drie dagen onrechtmatige bewaring. Bij uitspraak van vandaag heeft de rechtbank geoordeeld dat het vervolgberoep van eiser gegrond is, en dat de voorgaande maatregel van bewaring onrechtmatig was over de periode van 16 augustus 2025 t\u002Fm 18 augustus 2025. De rechtbank heeft in die uitspraak ook toegelicht waarom zij het betoog van eiser, dat de maatregel onrechtmatig was vanaf 13 augustus 2025, niet volgt. Eiser heeft ook een vervolgberoep ingediend tegen de (te late omzetting van de) maatregel van 23 juni 2025 (zaak NL25.37275). In die zaak heeft de minister schadevergoeding aangeboden voor één dag onrechtmatige bewaring. Eiser heeft in die zaak het aanbod van de minister geaccepteerd en het vervolgberoep ingetrokken.\n\n4. Uit het arrest Bouskoura van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 oktober 20244 leidt de rechtbank af dat, indien de onrechtmatigheid van een maatregel is vastgesteld, dit niet reeds hierom inhoudt dat een direct aansluitende nieuwe maatregel ook onrechtmatig is, tenzij er sprake is van kwade trouw of misleiding van de zijde van het bestuursorgaan. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval niet gebleken.\n\n5. Vervolgens ziet de rechtbank zich geplaatst voor de vraag of sprake is van een andere zodanig ernstige schending van het recht om in vrijheid te worden gesteld zodra de vrijheidsbeneming onrechtmatig is geworden, dat dit om die reden moet leiden tot onrechtmatigheid van de huidige maatregel. De rechtbank wijst op vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling)5 waarbij als uitgangspunt geldt dat een gebrek in de eerste maatregel van bewaring de daaropvolgende maatregel niet alleen al daarom van het begin af aan onrechtmatig maakt. Wel komt, zo blijkt uit de uitspraak van de Afdeling van 26 april 20216, bijvoorbeeld aan een opeenstapeling van ernstige gebreken een zwaar gewicht toe, wat ertoe kan leiden dat op voormeld uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt. Uit de uitspraken van de Afdeling van 12 juni 20187 en 26 april 20218, volgt verder dat op voormeld uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt in geval van een ernstige schending van het fundamentele recht om in vrijheid te worden gesteld indien de bewaring onrechtmatig is.\n\n3 Richtlijn 2008\u002F115\u002FEG.\n\n4 ECLI:EU:C:2024:868.\n\n5 Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 11 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3508 en van 13 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2005.\n\n6 ECLI:NL:RVS:2021:885.\n\n7 ECLI:NL:RVS:2018:2083.\n\n8 ECLI:NL:RVS:2021:885.\n\n6. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van een ernstige schending van het fundamentele recht van eiser om in vrijheid te worden gesteld indien de bewaring onrechtmatig is. Dat eiser voorafgaand aan de oplegging van de huidige maatregel drie dagen op een onjuiste wettelijke grondslag in bewaring heeft verbleven, acht de rechtbank daarvoor onvoldoende. De rechtbank verwijst daarvoor naar de uitspraak van de Afdeling van 11 september 20239 waarin ook sprake was van een bewaring op een onjuiste grondslag, waardoor die vreemdeling negen dagen onrechtmatig in bewaring zat. In die zaak heeft de Afdeling geoordeeld dat van een ernstige schending in vorenbedoelde zin geen sprake was. Verder betekent het feit dat ook de maatregel van 26 juni 2025 niet tijdig is omgezet, niet dat sprake is van een opeenstapeling van ernstige gebreken zoals bedoeld in de Afdelingsjurisprudentie. Deze jurisprudentie biedt geen aanknopingspunten dat bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de huidige maatregel gebreken in een maatregel die daar niet direct aan voorafging, moeten worden meegenomen. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nInformatieplicht\n\n7. Eiser voert aan dat de informatiefolder bij de maatregel van bewaring niet toereikend is, omdat eiser daarmee niet is ingelicht over de mogelijkheid om zelf beroep in te stellen. Er staat namelijk: “U kunt in beroep gaan tegen de maatregel van bewaring. Dit dient u met uw advocaat te bespreken.” De minister heeft volgens eiser dus niet voldaan aan zijn informatieplicht, als bedoeld in artikel 5.3, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).\n\n8. De rechtbank oordeelt dat de beroepsgrond geen doel treft. Eiser had al bijstand van zijn gemachtigde, en deze heeft namens hem op 19 augustus 2025 beroep ingesteld tegen de maatregel van bewaring. Of eiser wel of niet is ingelicht over de mogelijkheid om zelf beroep in te stellen, is in zijn zaak dus niet van betekenis omdat duidelijk is dat eiser niet in zijn belangen is geschaad.\n\nGrondslag en gronden van de maatregel van bewaring\n\n9. In de maatregel van bewaring heeft de minister (in het kader van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw) overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van een asielaanvraag. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vb, als zware gronden vermeld dat eiser:\n\n3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;\n\n3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;\n\n3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;\n\n3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;\n\nen als lichte gronden vermeld dat eiser:\n\n4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;\n\n4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die9. ECLI:NL:RVS:2023:3508.\n\nniet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid; 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;\n\n4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;\n\n4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.\n\n10. De minister heeft op de zitting de zware grond onder 3d en de lichte grond onder 4e laten vallen. De rechtbank stelt vast dat eiser de overige gronden niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden en de motivering daarvan de maatregel van bewaring kunnen dragen.\n\n11. De rechtbank stelt verder vast dat eiser niet heeft betwist dat hij op de grondslag van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw in bewaring mocht worden gesteld. De rechtbank is van oordeel dat ook deze grondslag in de maatregel van bewaring voldoende is gemotiveerd.\n\nLichter middel\n\n12. Eiser voert aan dat de minister bij de oplegging van de maatregel van bewaring geen nieuw onderzoek heeft gedaan naar de proportionaliteit en evenredigheid van de inbewaringstelling. De minister heeft enkel gekeken naar de vorige maatregel en de informatie die toen beschikbaar was. Eiser heeft in beroep zijn medische dossier overgelegd. Eiser verklaart dat zijn medische klachten verergeren door de detentie en dat hij op dit moment onder cameratoezicht staat. De minister moet daarom volstaan met een lichter middel dan bewaring.\n\n13. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende onderzoek heeft gedaan naar de vraag of moet worden volstaan met een lichter middel. Eiser is voorafgaand aan het opleggen van de maatregel van bewaring gehoord, en heeft in dat gehoor zijn belangen naar voren kunnen brengen. Uit de maatregel van bewaring blijkt dat de zienswijze van eiser ook in de afweging is betrokken. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister zich, gelet op de gronden en de motivering daarvan, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in het geval van eiser niet kan worden volstaan met een lichter middel dan de maatregel van bewaring. Onder andere is van belang dat eiser op 2 februari 2024 met onbekende bestemming is vertrokken en al drie keer een asielaanvraag heeft ingediend. Ook heeft eiser de tegenwerping van de minister, dat op redelijke gronden aangenomen kan worden dat zijn huidige asielaanvraag louter is ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen, niet betwist. Over de medische situatie van eiser overweegt de rechtbank dat eiser in detentie toegang heeft tot medische zorg die gelijkwaardig is aan die in de vrije maatschappij, en dat in de maatregel van bewaring ook gewezen is op de mogelijkheid om eiser over te plaatsen naar een regulier ziekenhuis, een penitentiair psychiatrisch centrum of een gesloten gezondheidsinstelling. De rechtbank ziet in de documenten die voorhanden zijn en de verklaringen van eiser geen aanleiding om te oordelen dat de medische zorg in het detentiecentrum tekort schiet. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nAmbtshalve toetsing\n\n14. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.\n\nConclusie\n\n15. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep ongegrond;\n\nwijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. D. Verduijn, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\n01 september 2025\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:16841","2025-09-12T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:33.220Z",{"id":185,"ecli":186,"slug":187,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":188,"fullText":189,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":190,"sourceTimestamp":191,"parsedAt":35,"updatedAt":192},"489","ECLI:NL:RBDHA:2025:17556","ecli-nl-rbdha-2025-17556","2025-08-01T00:00:00.000Z","uitspraakRECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.32556 en NL25.34224 Rectificatie pagina 3 en 4\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. H. Drenth),\n\nen\n\nde Minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. S.H.F. Pols).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 12 mei 2025 heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.\n\nEiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring van 12 mei 2025 beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.\n\nBij besluit van 8 juli 2025 heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.\n\nEiser heeft tegen het besluit van 8 juli 2025 beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.\n\nDe rechtbank heeft de beroepen op 28 juli 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. V. Senczuk, als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen 1. Zyad. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1993.\n\nOmzetting maatregel van bewaring\n\n2. Eiser heeft aangevoerd dat hij eerder bij besluit van 12 mei 2025 op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw in vreemdelingenbewaring is gesteld. Hij heeft op 3 juli 2025 het door hem ingediende rechtsmiddel tegen de afwijzende asielbeschikking ingetrokken en vervolgens is die maatregel pas op 8 juli 2025 opgeheven en omgezet naar de huidige maatregel. Eiser is van mening dat de onrechtmatigheid van de voorafgaande maatregel van bewaring en de omstandigheid dat eiser drie dagen op een ongeldige titel in bewaring heeft gezeten, een zodanig ernstige schending is van het recht om in vrijheid te worden gesteld zodra de vrijheidsbeneming onrechtmatig is geworden, dat die onrechtmatigheid moet doorwerken in de huidige maatregel.\n\n3. Ter zitting heeft de minister erkend dat deze vorige maatregel onrechtmatig is geworden omdat de maatregel op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw te laat is omgezet naar de huidige maatregel van 8 juli 2025. De minister heeft eiser schadevergoeding aangeboden ten bedrage van€ 300,-. De onrechtmatigheid van de vorige maatregel raakt volgens de minister de huidige maatregel niet. De minister ziet dan ook geen aanleiding om de huidige maatregel op te heffen.\n\n4. Uit het arrest Bouskoura van 4 oktober 20241 leidt de rechtbank af dat, indien de onrechtmatigheid van een maatregel is vastgesteld, dit niet reeds hierom inhoudt dat een direct aansluitende nieuwe maatregel ook onrechtmatig is, tenzij er sprake is van kwade trouw of misleiding van de zijde van het bestuursorgaan. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken.\n\n5. Vervolgens ziet de rechtbank zich geplaatst voor de vraag of sprake is van een andere zodanig ernstige schending van het recht om in vrijheid te worden gesteld zodra de vrijheidsbeneming onrechtmatig is geworden, dat dit om die reden moet leiden tot onrechtmatigheid van de huidige maatregel. De rechtbank wijst op vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling)2 waarbij als uitgangspunt geldt dat een gebrek in de eerste maatregel van bewaring de daaropvolgende maatregel niet alleen al daarom van het begin af aan onrechtmatig maakt. Wel komt, zo blijkt uit de uitspraak van de Afdeling van 26 april 20213, bijvoorbeeld aan een opeenstapeling van ernstige gebreken een zwaar gewicht toe, wat ertoe kan leiden dat op voormeld uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt. Uit de uitspraken van de Afdeling van 12 juni 20184 en 26 apri1 20215, volgt verder dat op voormeld uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt in geval van een ernstige schending van het fundamentele recht om in vrijheid te worden gesteld indien de bewaring onrechtmatig is. Anders dan eiser stelt is van dat laatste in zijn geval geen sprake, ook niet indien eiser zou moeten worden gevolgd in zijn betoog dat hij voorafgaande aan de oplegging van de huidige maatregel drie dagen op een onjuiste wettelijke grondslag in bewaring heeft verbleven. De rechtbank verwijst daarvoor naar de uitspraak van de Afdeling van 11 september 20236 waarin ook sprake was van een bewaring op een onjuiste grondslag, waardoor die vreemdeling negen dagen onrechtmatig in bewaring zat. In die zaak heeft de Afdeling geoordeeld dat van een ernstige schending in vorenbedoelde zin geen sprake was. Nu bovendien ook niet is gebleken van andere gebreken dan het gebrek dat eiser stelt, is van een openstapeling van gebreken evenmin sprake. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\n1 ECLI:EU:C:2024:868.\n\n2 Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 11 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3508 en van 13 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2005.\n\n3 ECLI:NL:RVS:2021:885.\n\n4 ECLI:NL:RVS:2018:2083.\n\n5ECLI:NL:RVS:2021:885.\n\n6 ECLI:NL:RVS:2023:3508.\n\nBewaringsgronden\n\n6. In de maatregel van bewaring van 8 juli 2025 heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:\n\n3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;\n\n3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;\n\n3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;\n\n3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;\n\n3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat; 3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;\n\nen als lichte gronden vermeld dat eiser\n\n4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;\n\n4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;\n\n4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;\n\n4f. arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gronden van de maatregel van bewaring van 8 juli 2025 niet zijn betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn. De gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen.\n\nAmbtshalve toetsing\n\n8. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.\n\nConclusie\n\n9. Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring van 12 mei 2025 is gegrond. Daarbij heeft de minister een schadevergoeding van€ 300,- aan eiser aangeboden, namelijk 3 dagen onrechtmatige tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel dus 3 x € 100,00- (verblijf detentiecentrum)=€ 300,-. Het beroep tegen de maatregel van bewaring van 8 juli 2025 is ongegrond. Daarom wordt dat verzoek om schadevergoeding afgewezen.\n\n10. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten met betrekking tot het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring van 12 mei 2025. \n\nDeze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskostenbestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op€1.814,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van€ 907,- en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring van 12 mei 2025 gegrond;\n\n- verklaart het beroep tegen de maatregel van bewaring van 8 juli 2025 ongegrond;\n\n- veroordeelt de Staat Der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van€ 300,- te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van€ 1.814,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\n01 augustus 2025\n\nDe griffier is verhinderd om te ondertekenen.\n\ngriffier\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak voor zover die over het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring van 12 mei 2025 staat geen rechtsmiddel open.\n\nTegen deze uitspraak voor zover die gaat over het beroep tegen de maatregel van bewaring van 8 juli 2025 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:17556","2025-09-25T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:33.075Z",20]