[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-utrecht-benefits-scandal-compensation-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":40,"limit":41},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},63,"Utrecht","nl","utrecht",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},121,"benefits-scandal-compensation-nl","Benefits Scandal Compensation","NL","2026-07-08T16:57:27.980Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},2,{"min":18,"max":19},"2025-07-25T00:00:00.000Z","2026-06-24T00:00:00.000Z",[],[22,33],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"1921","ECLI:NL:RBMNE:2026:3705","ecli-nl-rbmne-2026-3705","","RECHTBANK Midden-Nederland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nZaaknummer: C\u002F16\u002F595361 \u002F HA ZA 25-314\n\nVonnis van 24 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [eisende partij sub 1] ,\n\n2. [eisende partij sub 2],\n\n3. [eisende partij sub 3],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\neisende partijen,\n\nadvocaten: mrs. C.L.J.A. Spiertz en M. Jans\n\ntegen\n\nde publiekrechtelijke rechtspersoon\n\nDE STAAT DER NEDERLANDEN\n\n(Ministerie van Financiën, Directoraat-Generaal Toeslagen),\n\nte ’s-Gravenhage,\n\ngedaagde partij,\n\nadvocaten: mrs. [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2]\n\nPartijen worden hierna de kinderen en de Staat genoemd.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 6 juni 2025 met 5 producties; - de conclusie van antwoord van 6 augustus 2025 met 8 producties;\n\n- de oproep voor de mondelinge behandeling van 1 oktober 2025;\n\n- de brief van 19 maart 2026 van de Staat met productie 9;\n\n- de mondelinge behandeling van 31 maart 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt;\n\n- de spreekaantekeningen van mr. Jans, voorgelezen tijdens de mondelinge behandeling;\n\n- de spreekaantekeningen van mr. [gemachtigde 1] , voorgelezen tijdens de mondelinge behandeling;\n\n- het overzicht (uit)betalingen en\u002Fof verrekeningen Toeslagen 2006\u002F2007, tijdens de mondelinge behandeling overhandigd door de Staat.\n\n1.2.. \n\nTen slotte is bepaald dat op 27 mei 2026 uitspraak wordt gedaan. Door organisatorische redenen is die datum niet gehaald en wordt uitspraak gedaan op 24 juni 2026.\n\n2. De kern van de zaak\n\nDe moeder van de kinderen (hierna: de moeder) is erkend gedupeerde van de Toeslagenaffaire. De kinderen vinden dat de Staat ook tegenover hen onrechtmatig heeft gehandeld. Zij hebben de Staat aansprakelijk gesteld. De Staat meent dat hij niet aansprakelijk is tegenover de kinderen. In deze procedure vorderen de kinderen een verklaring voor recht dat de Staat aansprakelijk is voor onrechtmatig handelen tegenover hen in het kader van de toeslagenaffaire. Het gaat hier om de besluiten over de kinderopvangtoeslag van de moeder over de jaren 2006 tot en met 2009 en de daaruit voortvloeiende handelingen van de Belastingdienst\u002FToeslagen. De rechtbank komt tot de conclusie dat de Staat niet aansprakelijk is tegenover de kinderen en zal de vorderingen van de kinderen daarom afwijzen.\n\n3. De achtergrond van het geschil\n\nKinderopvangtoeslag\n\n3.1.. Kinderopvangtoeslag is een inkomensafhankelijke regeling, vastgelegd in de Wet kinderopvang. De Belastingdienst\u002FToeslagen is het aangewezen bestuursorgaan dat besluit over de toekenning, vaststelling en eventueel terugvordering van kinderopvangtoeslag. De moeder heeft in de jaren 2006 t\u002Fm 2009 kinderopvangtoeslag ontvangen als tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang. De moeder heeft daarna te maken gekregen met substantiële terugvorderingen van de Belastingdienst\u002FToeslagen.\n\nDe toeslagenaffaire en hersteloperatie\n\n3.2.. Voor een goed begrip van deze uitspraak, wordt eerst geschetst welke herstelregelingen in het leven zijn geroepen en welke voorwaarden daarvoor gelden.\n\n3.3.. Naar aanleiding van signalen van ouders over misstanden bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag, heeft de staatssecretaris van Financiën in 2019 de Adviescommissie uitvoering toeslagen (hierna: AUT) ingesteld. Het advies van de AUT heeft geleid tot verschillende herstelregelingen om gedupeerde ouders te compenseren voor fouten die zijn gemaakt bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag. De hersteloperatie is gebaseerd op de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht). De Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT) voert deze regelingen uit.\n\n3.4.. De procedure bij de herstelregelingen begint ermee dat een gedupeerde ouder zich meldt bij de UHT. Na de aanmelding doet de UHT de eerste (lichte) toets, waarbij wordt beoordeeld of iemand recht heeft op een eerste uitkering van € 30.000,00. Daarbij wordt bekeken of de aanvrager aan de voorwaarden voor kinderopvangtoeslag voldeed, of de aanvrager ooit onterecht kinderopvangtoeslag moest terugbetalen en of de kinderopvangtoeslag ten onrechte is stopgezet. Deze regeling staat ook wel bekend als de Catshuisregeling.\n\n3.5.. Na deze eerste toets kan een gedupeerde een aanvraag doen voor een hogere vergoeding. In deze zogenoemde ‘integrale beoordeling’ wordt bekeken of de gedupeerde recht heeft op een vergoeding voor materiële en immateriële schade (de compensatievergoeding). Een toegekende vergoeding op basis van de Catshuisregeling hoeft daarbij in ieder geval niet te worden terugbetaald.\n\nAanvullende compensatie voor werkelijk geleden schade\n\n3.6.. Als ouders vinden dat hun schade met de uitkomst van de integrale beoordeling niet volledig is vergoed, dan kunnen zij nog een verzoek om aanvullende compensatie voor werkelijk geleden schade doen via de Commissie Werkelijke Schade, de Stichting (Gelijk)waardig Herstel of via de Regieroute Vaststellingsovereenkomst.\n\nHet toetsingskader van de Wht\n\n3.7.. \n\nOp grond van de Wht kent de Dienst Toeslagen op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag die schade heeft geleden doordat ten aanzien van hem of haar bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag:\n\na) sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de\n\nDienst Toeslagen, of\n\nb) de toepassing van wettelijke regelingen heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard als gevolg van de hardheid waarmee het wettelijke systeem werd toegepast.\n\n3.8.. Of sprake is van institutionele vooringenomenheid (a) moet worden beoordeeld op basis van de volgende kenmerken:\n\ncollectieve stopzetting zonder een voorafgaande individuele beoordeling die dit rechtvaardigde;\n\nbreed uitvragen van bewijsstukken over één of meerdere jaren;\n\ngevolgd door een ‘zero tolerance’-onderzoek (…);\n\nhet niet nader uitvragen van informatie bij gebleken tekortkoming daarin;\n\nhet afwijzen of reduceren van de aanspraak op kinderopvangtoeslag bij de minste of geringste onregelmatigheid in stukken.\n\nBij de beoordeling of institutionele vooringenomenheid aanwezig is, gaat het niet om de optelsom van deze kenmerken of het afzonderlijk aanwezig zijn daarvan, maar om het in samenhang voorkomen daarvan in een dossier.\n\n3.9.. \n\nVan hardheid van het stelsel (b) is sprake als de kinderopvangtoeslag op nihil is vastgesteld in plaats van naar rato, namelijk op basis van het bedrag van de kosten waarvan de aanvrager heeft aangetoond dat deze (wél) tijdig zijn betaald aan de kinderopvanginstelling. Ook is er sprake van hardheid van het stelsel bij de aanwezigheid van bijzondere omstandighedenwaarbij de kinderopvangtoeslag in zijn geheel is teruggevorderd en deze terugvordering onevenredig was in verhouding tot de met die terugvordering te dienen doelen.\n\nRuimhartige beoordeling\n\n3.10.. Ouders hoeven in het kader van de hersteloperatie niet aan te tonen dat sprake is van institutioneel vooringenomen handelen door de Belastingdienst\u002FToeslagen. Bij het vaststellen van de compensatie, en zo ook bij de beoordeling of sprake is van institutionele vooringenomenheid of hardheid, hanteert de UHT een ruimhartige maatstaf. Dat betekent dat het verhaal van de ouder leidend is en dat beschikbare gegevens in de systemen in het voordeel van de ouder worden uitgelegd.\n\nDe compensatie die de ouders en de kinderen al hebben ontvangen\n\n3.11.. De UHT heeft aan de moeder compensatie toegekend op grond van de Catshuisregeling waarna de moeder om aanvullende compensatie voor werkelijk geleden schade heeft verzocht. Uiteindelijk heeft zij op 7 maart 2025 een vaststellingsovereenkomst gesloten met de UHT. In totaal heeft de moeder een bedrag van € 430.250,00 ontvangen van de Staat, bestaande uit de compensatievergoeding en de vergoeding van haar werkelijke schade. Ook de vader van de kinderen heeft een schikking getroffen met de Staat. Via de ‘regieroute VSO’ is aan hem ruim € 260.000,00 uitgekeerd.\n\n3.12.. Kinderen van gedupeerde ouders ontvangen via de ‘Kindregeling’ van de Wht ook een tegemoetkoming. De hoogte van die tegemoetkoming is afhankelijk van de leeftijd van het kind en ligt tussen € 2.000,00 en € 10.000,00.Op basis van de Kindregeling hebben de oudste twee kinderen bedragen van € 10.000,00 en het jongste kind een bedrag van € 8.000,00 ontvangen.\n\nDe vordering van de kinderen in deze civiele procedure\n\n3.13.. Het gezin heeft in de periode van de terugvorderingen van de kinderopvangtoeslag meerdere jaren ernstige financiële problemen gehad. [eisende partij sub 1] heeft tijdens de mondelinge behandeling namens de kinderen uitgelegd dat – en hoe – de financiële problemen en de bijkomende stress van hun ouders het dagelijks leven van hen als kinderen raakte. Ook heeft [eisende partij sub 1] verteld dat haar ouders door de financiële zorgen uit elkaar gingen, wat veel impact had op het gezin, maar ook op de kinderen individueel. De kinderen hebben daar veel last van gehad en ervaren dat de gevolgen daarvan nog steeds aanwezig zijn in hun leven.\n\n3.14.. De kinderen stellen dat zij materiële en immateriële schade hebben geleden als gevolg van het handelen van de Staat. Er is voor de kinderen, buiten de Kindregeling, geen bestuursrechtelijke mogelijkheid om vergoeding te krijgen voor de geleden schade. Daarom mogen zij hun vordering aan de civiele rechter voorleggen.\n\n3.15.. De kinderen vorderen in deze procedure een verklaring voor recht dat de Staat ten opzichte van hen aansprakelijk is voor onrechtmatig handelen in het kader van de toeslagenaffaire. Zij willen daarnaast dat de rechtbank de Staat veroordeelt om de schade te vergoeden die zij als gevolg van het onrechtmatig handelen hebben geleden. De kinderen baseren zich daarbij onder meer op de (erkenning van) aansprakelijkheid door de Staat tegenover hun moeder voor besluiten met betrekking tot de jaren waarvoor door de UHT compensatie is toegekend.\n\n3.16.. Dat de kinderen een zware periode achter de rug hebben, staat vast. De rechtbank is onder de indruk van het verhaal van [eisende partij sub 1] , en de wijze waarop zij dat, ook namens haar broer en zus, naar voren heeft gebracht. Ook is het bijzonder hoe de kinderen zijn doorgegaan en zich hebben ontwikkeld onder moeilijke omstandigheden.\n\n3.17.. Hoe moeilijk hun situatie echter ook was (en is), dat betekent niet automatisch dat daarmee de aansprakelijkheid van de Staat tegenover de kinderen vaststaat. In de procedure bij de civiele rechter geldt namelijk een andere toets voor aansprakelijkheid dan de (ruimhartige) toets die de UHT hanteert. Bovendien gaat het hier niet om de moeder maar om de kinderen. De rechtbank zal daarom zelfstandig moeten beoordelen of de Staat in dit geval, ten opzichte van de kinderen, een onrechtmatige daad heeft gepleegd. Daarnaast gelden in deze procedure de regels van het civiele bewijsrecht.\n\n4. De beoordeling\n\nNiet voldaan aan de vereisten voor een onrechtmatige daad\n\n4.1.. De rechtbank zal de door de kinderen gevraagde verklaring voor recht dat de Staat tegenover hen aansprakelijk is, niet geven.\n\n4.2.. In de civiele procedure geldt dat de kinderen, als eisende partij, de feiten moeten stellen en zo nodig bewijzen, waaruit volgt dat aan alle vereisten is voldaan die de wet aan een onrechtmatige daad stelt.Het eerste vereiste voor een onrechtmatige daad is dat sprake moet zijn van onrechtmatig handelen of nalaten door de Staat (de normschending).De vordering van de kinderen loopt al op dit onderdeel stuk, omdat niet is gebleken dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de kinderen. De rechtbank legt dat hieronder uit.\n\nGeen normschending vastgesteld\n\n4.3.. De kinderen baseren het onrechtmatig handelen van de Staat op alle besluiten en daaruit voortvloeiende juridische en feitelijke handelingen waarvoor de aansprakelijkheid van de Staat tegenover de moeder expliciet is erkend.Volgens de kinderen is de door moeder over de jaren 2006 tot en met 2009 ontvangen kinderopvangtoeslag onterecht teruggevorderd. Zij menen dat de Belastingdienst\u002FToeslagen daarbij vooringenomen en in strijd met het evenredigheidsbeginsel heeft gehandeld.\n\n4.4.. De rechtbank is echter van oordeel dat de kinderen niet concreet hebben gesteld welke besluiten en terugvorderingen onrechtmatig zijn en op welke wijze de Belastingdienst\u002FToeslagen vooringenomen is geweest of in strijd met de evenredigheid heeft gehandeld. Daar komt bij dat de Staat gemotiveerd heeft betwist dat de besluiten onrechtmatig zijn. De Staat stelt daarnaast – met de kennis van nu– dat er geen sprake is geweest van vooringenomenheid richting de moeder of strijd met het evenredigheidsbeginsel. De Staat heeft daarbij toegelicht hoe de besluiten en terugvorderingen over de toeslagjaren 2006 tot en met 2009 tot stand zijn gekomen. Daarbij heeft de Staat per jaar onder meer het navolgende naar voren gebracht, wat door de kinderen niet (gemotiveerd) is betwist.\n\nKinderopvangtoeslag in 2006\n\n4.5.. Vanaf mei 2006 gingen de kinderen naar de kinderopvang. De moeder heeft een bedrag van € 12.328,00 ontvangen als voorschot op de kinderopvangtoeslag over 2006. Vanwege non-responsis de kinderopvangtoeslag over dat jaar op nihil gesteld.De moeder heeft daartegen bezwaar gemaakt,waarna de Belastingdienst\u002FToeslagen de invordering heeft uitgesteld. Bij besluit van 7 april 2010 is het bezwaar ongegrond bevonden.In de beschikking staat:\n\n“Om de kinderopvangtoeslag te kunnen berekenen hebben wij een jaaropgave van de kinderopvanginstelling(en) nodig. Ik heb u hierover op 24 februari 2010 gebeld. U heeft toen toegezegd een jaaropgave te zullen sturen. Dit is tot nu toe niet in ons bezit gekomen. U ontvangt dan ook geen nieuwe beschikking.”\n\n4.6.. Omdat de moeder geen jaaropgave over 2006 heeft opgestuurd is de Belastingdienst\u002FToeslagen bij haar besluit gebleven en in 2011 begonnen met het terugvorderen van de kinderopvangtoeslag over 2006. Op 27 december 2011 heeft de moeder alsnog de jaaropgaven 2006 en 2007 van de kinderopvanginstelling opgestuurd.Op basis van de jaaropgave 2006 heeft de Belastingdienst\u002FToeslagen het recht op kinderopvangtoeslag over 2006 op 11 maart 2012 vervolgens vastgesteld op € 13.128,00. Het op dat moment al teruggevorderde deel van de toeslag over 2006 heeft de moeder alsnog ontvangen.\n\nKinderopvangtoeslag in 2007\n\n4.7.. In 2007 werd de kinderopvangtoeslag automatisch voortgezet. De moeder ontving een voorschot van € 23.472,00 voor het jaar 2007. Vanwege non-respons is de kinderopvangtoeslag over 2007 bij beschikking van 12 mei 2009 op nihil gesteld. Het voorschot over 2007 is door middel van verrekening teruggevorderd in de periode juli 2009 tot en met april 2011.\n\n4.8.. Op 27 december 2011 heeft de moeder ook tegen de nihilbeschikking over 2007 bezwaar gemaakt en alsnog de jaaropgaven 2006 en 2007 van de kinderopvanginstelling opgestuurd.Uit de jaaropgave 2007 blijkt dat het oudste kind tot en met maart 2007 naar de kinderopvang ging en de jongste twee kinderen tot en met juli 2007. Op basis van deze informatie heeft de Belastingdienst\u002FToeslagen het recht op kinderopvangtoeslag over 2007 bij beschikking van 10 maart 2012 vastgesteld op een bedrag van € 12.101,00. Dit bedrag is alsnog aan de moeder uitgekeerd.\n\n4.9.. De kinderen hebben niet gesteld dat hun moeder in de tweede helft van 2007 of daarna nog kinderopvang heeft genoten.\n\nKinderopvangtoeslag in 2008 en 2009\n\n4.10.. Omdat de moeder de kinderopvangtoeslag niet heeft stopgezet, werd de kinderopvangtoeslag automatisch voortgezet in 2008. De moeder ontving over 2008 een voorschot van € 23.458,00 en over 2009 een voorschot van € 23.204,00. Vanwege non-respons is de kinderopvangtoeslag over 2008 en 2009 bij beschikkingen van respectievelijk 14 mei 2010 en 21 april 2011 op nihil gesteld. De Belastingdienst\u002FToeslagen heeft de uitgekeerde bedragen bij de moeder ingevorderd.\n\n4.11.. De moeder heeft tegen de nihilbeschikkingen voor de jaren 2008 en 2009 geen bezwaar gemaakt. Tussen partijen is ook niet betwist dat de moeder over de jaren 2008 en 2009 geen jaaropgaven van een kinderopvanginstelling aan de Belastingdienst\u002FToeslagen heeft verstrekt.\n\nGeen sprake van onterechte terugvorderingen of vooringenomenheid\n\n4.12.. Op basis van de door de Staat overgelegde stukken blijkt niet dat sprake is geweest van onterechte terugvorderingen van kinderopvangtoeslag van de moeder, of dat sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid.\n\n4.13.. Weliswaar heeft de UHT in het kader van de hersteloperatie vooringenomenheid van de Belastingdienst\u002FToeslagen jegens de moeder aangenomen, maar die aanname is gedaan omdat niet met zekerheid kon worden vastgesteld of de Belastingdienst\u002FToeslagen de jaaropgaven daadwerkelijk bij de moeder had opgevraagd. De UHT heeft daarom aangenomen dat de moeder in de jaren 2007 tot en met 2009 kinderopvang heeft genoten en dat de kinderopvangtoeslag zonder voorafgaande uitvraag op nihil is gesteld. Op basis van het eerder genoemde (ruimhartige) toetsingskader heeft dit geleid tot de aanname van vooringenomenheid en vervolgens ook erkenning van aansprakelijkheid van de Staat ten opzichte van de moeder.\n\n4.14.. In deze procedure heeft de Staat een overzicht overgelegd waaruit blijkt dat de Belastingdienst\u002FToeslagen toch (diverse) uitvraag- en rappelbrieven heeft verstuurd aan de moeder over de toeslagjaren 2007 tot en met 2009.Deze gegevens waren tijdens de integrale beoordeling door de UHT nog niet bekend, en zijn pas in 2025 door de Auditdienst Rijk onderzocht en juist en volledig bevonden.Hieruit blijkt dus dat de moeder, ondanks uitvraag van de Belastingdienst\u002FToeslagen, geen jaaropgaven heeft gestuurd over de tweede helft van 2007 tot en met 2009. Zij heeft daarmee niet aangetoond dat zij over die jaren recht had op kinderopvangtoeslag, terwijl zij wel diverse verzoeken heeft gehad om dat te doen. De Belastingdienst\u002FToeslagen is in eerste instantie ook terecht begonnen met het terugvorderen van de kinderopvangtoeslag over 2006 en 2007 aangezien de moeder, ondanks uitvraag, in eerste instantie geen jaaropgaven over die jaren heeft toegezonden en dit pas heeft gedaan op 27 december 2011. De Belastingdienst\u002FToeslagen mocht de door de moeder ontvangen kinderopvangtoeslag dan ook terugvorderen. Van een normschending op basis van onterechte besluiten of vooringenomenheid is daarmee niet gebleken.\n\nSchending van het evenredigheidsbeginsel is niet gebleken\n\n4.15.. De rechtbank heeft evenmin kunnen vaststellen dat de Belastingdienst\u002FToeslagen in strijd met het evenredigheidsbeginsel heeft gehandeld bij de vaststellings- en terugvorderingsbesluiten over de kinderopvangtoeslag van de moeder en bij de daaruit volgende juridische en feitelijke handelingen. Daarvoor heeft de rechtbank afgewogen of de nadelige gevolgen van de besluiten onevenredig zijn geweest in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.Dat onterecht ontvangen kinderopvangtoeslag is teruggevorderd is op zichzelf niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Dat dit voor de moeder van de kinderen anders zou zijn geweest, is niet gebleken, althans daarvoor zijn door de kinderen onvoldoende concrete feiten naar voren gebracht.\n\n4.16.. Ook is niet of onvoldoende gebleken dat de wijze van invordering door de Belastingdienst\u002FToeslagen in deze zaak in strijd met het evenredigheidsbeginsel is. De kinderen hebben niet concreet gesteld op welke wijze de Belastingdienst\u002FToeslagen de kinderopvangtoeslag bij de moeder heeft teruggevorderd en waarom dit in strijd met het onevenredigheidsbeginsel zou zijn. Weliswaar heeft de Staat volgens de kinderen geweigerd een betalingsregeling met de moeder te treffen, maar uit de door de Staat overgelegde stukken blijkt dat geruime tijd is gewacht met nemen van terugvorderingsmaatregelen en dat de onterecht ontvangen bedragen over een periode van acht jaar zijn terugbetaald.\n\n4.17.. Voor zover de kinderen een verklaring voor recht beogen dat ook in meer brede zin sprake is van een onrechtmatige daad, omdat de wetgeving het handelen van de Belastingdienst\u002FToeslagen mogelijk maakte, gaat ook dit betoog niet op. De wetgeving kan namelijk in overeenstemming met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur worden uitgelegd maar dat is helaas langere tijd niet gedaan.\n\nDe erkenning van aansprakelijkheid door de Staat leidt niet tot vaststelling van een normschending\n\n4.18.. De kinderen hebben zich ook beroepen op de erkenning van de aansprakelijkheid van de Staat ten opzichte van de moeder. Maar dat beroep gaat niet op. De erkenning van aansprakelijkheid van de Staat ten opzichte van de moeder heeft niet tot gevolg dat onrechtmatig handelen van de Staat tegenover de kinderen vast staat. De erkenning van aansprakelijkheid tegenover de moeder moet gezien worden in het licht van de hersteloperatie. De Staat heeft daarbij de pragmatische keuze gemaakt om een ruimhartig toetsingskader toe te passen voor compensatie, om daarmee te helpen de drempels naar compensatie zoveel mogelijk weg te nemen. Daarbij is van belang dat de kinderen niet concreet hebben gemaakt welke normschending in het specifieke geval van de moeder precies door de Staat zou zijn erkend. In elk geval hebben de kinderen daarmee niet aangetoond dat de Staat ook tegenover hen onrechtmatig heeft gehandeld.\n\nGeen normschending vastgesteld – de rechtbank komt niet toe aan de relativiteit\n\n4.19.. In deze civiele procedure is niet gebleken dat de Belastingdienst\u002FToeslagen ten opzichte van de kinderen onrechtmatig heeft gehandeld bij de besluiten en daaruit voortvloeiende handelingen over de kinderopvangtoeslag van de moeder in de periode 2006 tot en met 2009. Omdat de rechtbank geen normschending heeft vastgesteld zullen de vorderingen van de kinderen worden afgewezen.\n\n4.20.. De rechtbank merkt nog op dat een belangrijk onderdeel van het debat tussen partijen ziet op de vraag of de geschonden norm strekt tot bescherming tegen de schade zoals de kinderen die hebben geleden (de relativiteit). Maar omdat er geen geschonden norm is, komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling of voldaan is aan het relativiteitsvereiste van artikel 6:163 BW.\n\nDe kinderen moeten de proceskosten betalen\n\n4.21.. De kinderen zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Staat worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n714,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.306,00\n\n(2 punten × € 653,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.209,00\n\n4.22.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n4.23.. De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.\n\nUitvoerbaarheid bij voorraad\n\n4.24.. De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd. Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n5.1.. wijst de vorderingen van de kinderen af,\n\n5.2.. veroordeelt de kinderen hoofdelijk in de proceskosten van € 2.209,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als de kinderen niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.3.. veroordeelt de kinderen hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald\n\n5.4.. verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.3. en 5.4. genoemde beslissingen, uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M.H. Erich, mr. M.S.T. Belt en mr. A.W. Zwart en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026. Mr. M.S.T. Belt is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.\n\n Zoals bedoeld in de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir).\n\n Dit volgt uit artikel 2.1 lid 1 Wht.\n\n Kamerstukken II 2021\u002F22, 36 151, nr. 3, p. 70-71 en Eindadvies Adviescommissie uitvoering toeslagen “Omzien in verwondering 2” van 12 maart 2020, p. 23\u002F24.\n\n Bijzondere omstandigheden zijn bijvoorbeeld: (identiteits)fraude door een derde waar de aanvrager niet van afweet, of een geringe formele tekortkoming, zoals het ontbreken van een handtekening van aanvrager.\n\n Kamerstukken II 2021\u002F22, 36 151, nr. 3, p. 71.\n\n Kamerstukken II 2021\u002F22, 31 066, nr. 1025.\n\n Artikel 2.12 Wht.\n\n Zie ook Rechtbank Den Haag 11 maart 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:5088, r.o. 4.6 e.v.\n\n Productie 3 bij dagvaarding.\n\n Artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek (BW) en artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).\n\n Artikel 6:162 lid 2 BW.\n\n Dagvaarding, randnummer 6.\n\n Productie 9 van de Staat.\n\n Non-respons wil zeggen dat de Belastingdienst\u002FToeslagen geen reactie heeft geregistreerd op de uitvraagbrief aan de hand waarvan (de omvang van) het recht op kinderopvangtoeslag kon worden vastgesteld.\n\nBeschikking van 9 juni 2008.\n\nBezwaar van 18 juli 2008.\n\n Productie 1 bij conclusie van antwoord.\n\n Bezwaarschrift van 27 december 2011, productie 2 bij conclusie van antwoord.\n\n Door een wijziging van het gezamenlijk toetsingsinkomen werd de toeslag uiteindelijk hoger vastgesteld.\n\n Productie 2 bij conclusie van antwoord.\n\n Productie 9 bij conclusie van antwoord.\n\nKamerstukken II 2025\u002F26, 36708, nr. 63.\n\n De toets volgt uit artikel 3:4 Awb en zie ook ABRvS 23 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3535, r.o. 8.11.\n\n Productie 5 en 6 bij conclusie van antwoord.\n\n Zie: Rechtbank Overijssel 25 april 2023, ECLI:NL:RBOVE:2023:1459, r.o. 4.55.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3705","2026-06-26T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:45.633Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":37,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":38,"sourceTimestamp":18,"parsedAt":31,"updatedAt":39},"1314","ECLI:NL:RBMNE:2025:3859","ecli-nl-rbmne-2025-3859","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: UTR 25\u002F1787\n uitspraak van de meervoudige kamer van 25 juli 2025 in de zaak tussen\n \n [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. M.L.M. Klinkhamer),\n\nen\n\nDienst Toeslagen, verweerder\n\n(gemachtigden: mr. [gemachtigde 1] en mr. [gemachtigde 2] ).\n\nInleiding\n\nDeze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag van 9 mei 2023 om aanvullende compensatie voor werkelijke schade bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS).\n\n Bij uitspraak van 17 juli 2024 heeft deze rechtbank een eerder beroep tegen het niet tijdig beslissen van eiseres gegrond verklaard en verweerder opgedragen uiterlijk 19 september 2024 een besluit op bezwaar te nemen.\n\nOp 1 maart 2025 heeft eiseres beroep tegen niet tijdig beslissen ingediend.\n\nOp 14 april 2025 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Op 10 juni 2025 heeft verweerder een aanvulling op het verweerschrift ingediend.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 11 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en haar gemachtigde en de gemachtigden van verweerder.\n\nOverwegingen\n\n1. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld.De rechtbank heeft in de uitspraak van 17 juli 2024 (UTR 24\u002F4159) een termijn gesteld met daaraan gekoppeld een rechterlijke dwangsom.\n\n2. De rechtbank stelt vast dat deze termijn op 20 september 2024 is verstreken. Tot op heden heeft verweerder niet beslist op het bezwaar van eiseres.\n\n3. Het beroep is daarom gegrond.\n\nVerweerder moet alsnog een besluit nemen\n\n4. Omdat verweerder nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Het bestuursorgaan moet dit in principe doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak.In bijzondere gevallen kan de bestuursrechter een andere termijn bepalen.Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) dat die termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn.\n\n5. Eiseres voert aan dat de eerder door de rechtbank opgelegde beslistermijn is verstreken, zodat verweerder nu binnen twee weken na de uitspraak op de aanvraag moet beslissen.\n\n6. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2025- over bezwaarzaken in het kader van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) -overeenkomstig zou moeten worden toegepast op zaken als deze waarin een betrokkene een aanvraag om aanvullende compensatie heeft ingediend bij de CWS. In het belang van eenduidigheid verzoekt verweerder de rechtbank om een nadere termijn te bepalen van 60 weken vanaf het verstrijken van de wettelijke beslistermijn, waarbij deels tegemoet gekomen wordt aan de feitelijke doorlooptijd van de behandeling van aanvragen om vergoeding van werkelijke schade.\n\n7. De Afdeling heeft in de uitspraak van 26 maart 2025 geoordeeld dat bij beroepen tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar in Wht-zaken een nadere beslistermijn van zestig weken na de datum waarop de wettelijke beslistermijn voor het nemen van een besluit op bezwaar is verstreken, realistisch is. Als op het moment van de uitspraak al zestig weken zijn verstreken na ommekomst van de beslistermijn op bezwaar, geldt in beginsel een nadere beslistermijn van twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden. Daarbij heeft de Afdeling expliciet overwogen dat deze uitspraak niet gaat over uitblijvende besluiten op aanvraag. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om enkel vanwege de eenduidigheid bij de in de uitspraak van de Afdeling genoemde termijn van 60 weken aan te sluiten.\n\n8. Voor uitblijvende besluiten op aanvraag is naar het oordeel van de rechtbank nog steeds de uitspraak van de Afdeling van 23 augustus 2023richtinggevend. In die uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat een nadere beslistermijn van 12 weken na het verweerschrift en ten minste zes weken na de uitspraak in een individueel geval niet onnodig lang en ook niet onrealistisch kort is, dan wel zou moeten zijn.\n\n9. Inmiddels zijn echter bijna twee jaren verstreken en zoals ook de Afdeling constateert in haar uitspraak van 26 maart 2025 is de uitvoeringsproblematiek bij de hersteloperatie toeslagen ondertussen niet opgelost, maar juist verergerd. Verweerder heeft onder verwijzing naar de UHT rapportage van week 17 laten zien dat er op 25 april 2025 6699 aanvragen om vergoeding van werkelijke schade bekend waren. Van deze aanvragen zijn er 886 afgehandeld met een beschikking en 429 aanvragen zijn ingetrokken. De actuele feitelijke doorlooptijd van aanvragen bij de CWS bedraagt op dit moment meer dan 800 dagen. De instroom van zaken gaat ook nog door. Ouders kregen in beginsel tot 1 juli 2025 de tijd om een aanvraag in te dienen, maar ouders van wie de integrale beoordeling na 1 januari 2025 onherroepelijk is geworden, kunnen nog tot zes maanden daarna een aanvraag indienen.\n\n10. Om redenen die de Afdeling ook benoemt in haar uitspraak van 26 maart 2025 ziet de rechtbank aanleiding om bij het bepalen van de nadere termijn met name aansluiting te zoeken bij de tijd die (bestendig) nodig is gebleken voor verweerder om een besluit op een aanvraag om vergoeding van werkelijke schade te nemen. Dat is in dit geval dus (meer dan 800 dagen) ruim 114 weken. Uit de 19e Voortgangsrapportage hersteloperatie toeslagen blijkt dat de CWS eraan werkt om de doorlooptijden omlaag te brengen en het proces te versnellen. Er heeft een intern adviestraject plaatsgevonden om het adviesproces van de CWS te analyseren en concrete aanbevelingen te doen. Er zijn verbeterpunten in kaart gebracht die zien op de productiviteit van medewerkers en vereenvoudiging van werkprocessen. Omdat van deze maatregelen wel enige verbetering verwacht mag worden, vindt de rechtbank een nadere beslistermijn van 60 weken na ommekomst van de wettelijke beslistermijn van maximaal 52 weken, op dit moment dan ook een realistische termijn die niet onnodig lang en ook niet onrealistisch kort is. Het stellen van een kortere termijn leidt er niet toe dat eerder op aanvragen beslist gaat worden, gegeven de beperkte capaciteit bij de CWS en UHT, maar leidt juist tot verdere vertraging, omdat die capaciteit dan ook gebruikt moet worden voor nog meer (herhaalde) beroepen over niet tijdig beslissen.\n\n11. Verweerder heeft gevraagd om te bepalen dat de nadere beslistermijn niet loopt en er geen dwangsom verschuldigd is gedurende de periode dat ouders bedenktijd hebben over welke schaderoute zij kiezen, via de CWS of een alternatief traject zoals bijvoorbeeld de schikkingsroute via de Stichting Gelijkwaardig Herstel. Ook de periode dat ouders niet in de wachtrij staan of in behandeling zijn bij de CWS, omdat zij hebben gekozen voor een andere schaderoute zou volgens verweerder niet moeten meetellen wanneer op die keus later wordt teruggekomen. De rechtbank gaat hier niet in mee. Tijdens de zitting heeft verweerder nader toegelicht dat de gegunde bedenktijd op dit moment alleen van toepassing is op 400 mensen die in een pilot zitten in het kader van de ontwikkeling van een aanmeldportaal. De rechtbank ziet geen reden om daarvoor een algemene uitzondering te formuleren. Hetzelfde geldt voor de periode dat ouders om een andere schaderoute hebben verzocht of daarin zijn opgenomen. De rechtbank geeft verweerder mee dat hij in concrete gevallen in het verweerschrift kan aangeven wat de specifieke situatie van een ouder is en welke periode in zijn ogen uitgezonderd zou moeten worden. De rechtbank zal dan per zaak beoordelen of er bijzondere omstandigheden aan de orde zijn die aanleiding geven om te bepalen dat de nadere beslistermijn in een bepaalde periode niet loopt of heeft gelopen.\n\n12. De rechtbank zal de termijn van 60 weken vanaf vandaag stellen in alle zaken die gaan over aanvragen om werkelijke schade bij de CWS. De rechtbank zal daarbij geen onderscheid maken tussen eerste en opvolgende beroepen over hetzelfde uitblijvende besluit, omdat zij evenals de Afdeling van oordeel is dat opvolgende beroepen zoveel mogelijk voorkomen moeten worden. De termijn begint te lopen vanaf de eerste dag waarop de wettelijke beslistermijn op grond van artikel 2.1, derde lid, in samenhang met artikel 6.2, eerste lid, van de Wht is verstreken. Als deze termijn al is verstreken op het moment dat de rechtbank uitspraak doet, zal de rechtbank in beginsel een nadere beslistermijn van twee weken vanaf verzending van de uitspraak op het beroep bepalen.\n\n13. De rechtbank realiseert zich uiteraard dat dit voor de individuele gedupeerde ouder betekent dat hij of zij lang moet wachten op duidelijkheid. Eiseres heeft tijdens de zitting duidelijk uitgelegd wat dit met haar doet. De rechtbank vindt het wrang dat ouders die al slachtoffer zijn geworden van de toeslagenaffaire nog langer op duidelijkheid en rechtsherstel moeten wachten. Tegelijkertijd zijn zij er niet mee geholpen als de rechtbank een termijn stelt waarvan op voorhand al duidelijk is dat die niet gehaald gaat worden en in het grotere geheel juist averechts werkt.\n\n14. Het voorgaande betekent in het geval van eiseres het volgende. Eiseres heeft op 9 mei 2023 een aanvraag ingediend voor vergoeding van werkelijke schade. De beslistermijn eindigde dus op 9 mei 2024. Omdat sindsdien meer dan 60 weken zijn verstreken bepaalt de rechtbank dat verweerder uiterlijk twee weken na verzending van deze uitspraak een besluit op bezwaar bekend moet maken.\n\nDwangsom\n\n15. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde beslistermijn overschrijdt. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-. De rechtbank verwijst voor de motivering van deze bedragen naar de uitspraak van deze rechtbank van 15 oktober 2024. De rechtbank volgt dus niet het uitgangspunt, zoals neergelegd in het beleid van de rechtspraak van € 250,- met een maximum van € 37.500,-, omdat de rechtbank van oordeel is dat het hiervoor genoemde beleid daar niet toe noopt. Bij verweerder is geen sprake van weigerachtigheid, maar – onder meer – een ernstig tekort aan menskracht. Ook het belang van eiseres rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank een hogere dwangsom niet. Een sterkere prikkel is daarom niet nodig.\n\nProceskosten en griffierecht\n\n16. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,-), bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 1.814,-.\n\n17. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;\n\n- draagt verweerder op uiterlijk twee weken na verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend te maken;\n\n- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijnen overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.814,-; - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiseres te vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, voorzitter, mr. M.M. Vollebregt-Kuipers en mr. G. Schnitzler, leden, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2025.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.\n\n Artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb.\n\n Artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb.\n\n Artikel 8:55d, derde lid, van de Awb.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:1301.\n\n ECLI:NL:RVS:2023:3209.\n\n ECLI:NL:RBMNE:2024:6003.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:3859","2026-07-13T00:29:15.492Z",1,20]