[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-utrecht-civil-procedure-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":48,"total":16,"page":25,"limit":86},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},63,"Utrecht","nl","utrecht",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},55,"civil-procedure-nl","Civil Procedure","NL","2026-07-08T16:54:05.484Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},4,{"min":18,"max":19},"2026-03-06T00:00:00.000Z","2026-06-08T00:00:00.000Z",[21,26,29,32,35,38,42,45],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"122718","Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering","art. 705",1,{"provisionId":27,"code":23,"article":28,"count":25},"122719","art. 705 lid 2",{"provisionId":30,"code":23,"article":31,"count":25},"123657","art. 227 lid 2",{"provisionId":33,"code":23,"article":34,"count":25},"123659","art. 225 lid 2",{"provisionId":36,"code":23,"article":37,"count":25},"123660","art. 227 lid 1",{"provisionId":39,"code":40,"article":41,"count":25},"123661","Burgerlijk Wetboek","art. 3:171",{"provisionId":43,"code":23,"article":44,"count":25},"122778","art. 71 lid 2",{"provisionId":46,"code":40,"article":47,"count":25},"122779","art. 4:195 lid 1",[49,60,69,78],{"id":50,"ecli":51,"slug":52,"caseNumber":53,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":54,"summary":53,"language":7,"source":55,"sourceUrl":56,"sourceTimestamp":57,"parsedAt":58,"updatedAt":59},"903","ECLI:NL:RBMNE:2026:3773","ecli-nl-rbmne-2026-3773","","RECHTBANK Midden-Nederland\n\nAfdeling Toezicht\n\nBureau Erfrecht\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F16\u002F602824 \u002F BE RK 25-50\n\nBeschikking van 8 juni 2026\n\nop het verzoek aan de rechtbank van\n\n [bewindvoerder] B.V.,\n\nkantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,\n\nin diens hoedanigheid van bewindvoerder over het vermogen van mevrouw [verzoeker],\n\nverzoeker,\n\nhierna te noemen: [bewindvoerder] ,\n\nadvocaat: mr. A.H. de Jong te Doorn,\n\nBelanghebbenden bij dit verzoek zijn: 1. [belanghebbende 1],\n\n wonende te [woonplaats 1] ,\n\n mentor van [verzoeker] ,\n\nhierna te noemen: [belanghebbende 1] ,\n\n2. [belanghebbende 2],\n\nwonende te [woonplaats 2] ( [land] ),\n\nhierna te noemen: [belanghebbende 2] ,\n\n3. [belanghebbende 3],\n\nwonende te [woonplaats 3] ,\n\nhierna te noemen: [belanghebbende 3] .\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\nhet aan de rechtbank gerichte verzoekschrift van 7 november 2025, strekkende tot de benoeming van een vereffenaar;\n\nhet verweerschrift met tegenverzoeken van [belanghebbende 3] van 17 december 2025; strekkende tot ontslag van [bewindvoerder] als beschermingsbewindvoerder, het bewind aan de familie terug te geven en hemzelf naast [belanghebbende 1] als mede-mentor aan te wijzen;\n\nde brief van mrs. M.E.V. Maas en R.P.G.H. Heijnen, beoogd vereffenaars van 27 februari 2026;\n\nhet verweerschrift van [bewindvoerder] van 6 maart 2026 op de tegenverzoeken van [belanghebbende 3] ;\n\nhet e-mailbericht met bijlagen van [belanghebbende 1] van 9 maart 2026;\n\nde brief van [belanghebbende 3] van 12 maart 2026.\n\n1.2.. De mondelinge behandeling van de verzoeken heeft plaatsgevonden op 17 maart 2026. Daarbij zijn verschenen:\n\nmw. [A.] namens [bewindvoerder] ;\n\nmr. A.H. de Jong, advocaat van [bewindvoerder] ;\n\n [belanghebbende 3] ;\n\n [belanghebbende 1] ;\n\n [belanghebbende 2] ;\n\nmw. [B.] en mw. [C.] , toehoorders.\n\n1.3.. Ter zitting heeft de rechtbank bij mondelinge beslissing de tegenverzoeken van [belanghebbende 3] op grond van artikel 71 lid 2 Rv voor verdere behandeling in de stand waarin zij zich bevinden verwezen naar de kamer voor kantonzaken van deze rechtbank. Redengevend hiervoor is dat niet de rechtbank maar de kantonrechter absoluut bevoegd is op deze tegenverzoeken te beslissen. De behandelend rechter heeft de tegenverzoeken, met instemming van alle betrokkenen, als kantonrechter verder ter zitting behandeld. Aangezien de behandeling van de tegenverzoeken van [belanghebbende 3] met gesloten deuren dient plaats te vinden is aan [B.] en [C.] in de kantonprocedure bijzondere toegang verleend. Op de tegenverzoeken van [belanghebbende 3] zal in een separate beschikking worden beslist.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Op [datum overlijden] 2024 is in [plaats] overleden de heer [erflater], hierna te noemen: erflater. Hij woonde voor het laatst in [plaats] .\n\n2.2.. Op het moment van overlijden was erflater gehuwd met mevrouw [verzoeker] , hierna te noemen: [erflater] . Dit huwelijk is door zijn overlijden ontbonden. Binnen het huwelijk zijn drie kinderen geboren, namelijk [belanghebbende 1] , [belanghebbende 3] en [belanghebbende 2] .\n\n2.3.. Erflater heeft op 4 april 1989 voor het laatst een testament opgemaakt. In dit testament heeft hij [erflater] en zijn kinderen tot zijn erfgenamen benoemd, ieder voor een gelijk deel. Daarbij heeft hij bepaald dat de Ouderlijke Boedelverdeling geldt.\n\n2.4.. De nalatenschap is door [erflater] , [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] aanvaard onder voorrecht van boedelbeschrijving (beneficiaire aanvaarding).\n\n3. Het verzoek, de tegenverzoeken en het verweer\n\n3.1.. \n\n [bewindvoerder] verzoekt de rechtbank bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:\n\nI. mr. M.E.V. Maas en mr. R.P.G.H. Heijnen te benoemen tot vereffenaars van de nalatenschap van erflater, althans een vereffenaar te benoemen als door de rechtbank in goede justitie te bepalen;\n\nII. te bepalen dat de kosten van deze procedure als vereffeningskosten in de nalatenschap van erflater dienen te worden aangemerkt.\n\n3.2.. \n [belanghebbende 3] voert verweer tegen het verzoek om benoeming van een vereffenaar.\n\n3.3.. \n [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] stemmen in met het verzoek van [bewindvoerder] om een vereffenaar te laten benoemen.3.4.. De rechtbank zal hierna slechts op de stellingen van partijen ingaan voor zover deze relevant zijn voor de beoordeling van het geschil.\n\n4. De beoordeling\n\nVerzoek benoeming vereffenaar4.1.. Door [bewindvoerder] wordt verzocht om een vereffenaar te benoemen van de nalatenschap van erflater. Ter onderbouwing van haar verzoek stelt [bewindvoerder] dat de nalatenschap van erflater als gevolg van de beneficiaire aanvaarding vereffend dient te worden. Dit moeten de erfgenamen gezamenlijk doen. Het blijkt echter niet mogelijk te zijn om hierin samen te werken, mede door het uitblijven van een reactie van [belanghebbende 3] . Daarnaast omvat de nalatenschap ook een aantal juridische en feitelijke complexe situaties. De ontbonden gemeenschap van goederen tussen erflater en [erflater] moet nog worden afgewikkeld. Onderdeel van deze gemeenschap is een vordering uit hoofde van geldlening op stichting [naam] , van welke stichting erfgenaam [belanghebbende 3] UBO (ultimate beneficial owner) is, waarvan onbekend is of hiervan nog een bedrag open staat en zo ja, wat de hoogte van dit bedrag is.\n\n4.2.. De rechtbank zal het verzoek toewijzen. Deze beslissing zal hierna toegelicht worden.\n\n4.3.. Op grond van artikel 4:203 lid 1 sub a BW kan de rechtbank na beneficiaire aanvaarding op verzoek van een erfgenaam een vereffenaar benoemen.\n\n4.4.. Uit de overgelegde stukken en tijdens de zitting is het de rechtbank gebleken dat de verhouding tussen de broers ernstig verstoord is. Daarbij is er sprake van onderling wantrouwen. Dat de drie broers de nalatenschap gezamenlijk kunnen afwikkelen, zoals [belanghebbende 3] stelt, ziet de rechtbank dan ook niet in en wordt bovendien door [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] ontkend. Met zijn verweer gaat [belanghebbende 3] er bovendien aan voorbij dat op grond van artikel 4:195 lid 1 BW alleerfgenamen gezamenlijk de nalatenschap moeten vereffenen, waarbij ook [bewindvoerder] (namens [erflater] ) betrokken dient te worden.\n\n4.5.. In aanmerking genomen dat de erfgenamen tezamen niet in staat blijken te zijn om de nalatenschap te vereffenen en af te wikkelen, acht de rechtbank het van belang om hiervoor een onafhankelijke vereffenaar aan te stellen. Dat een vereffenaar geld kost, zoals [belanghebbende 3] aanvoert, doet hier niet aan af. De hoogte van die kosten zal overigens mede afhangen van de wijze waarop de erfgenamen zich tegenover de vereffenaar opstellen.\n\n4.6.. \n [bewindvoerder] heeft mr. M.E.V. Maas, notaris, en mr. R.P.G.H. Heijnen, kandidaat-notaris, bereid gevonden om als vereffenaars van de nalatenschap op te treden. Tegen de benoeming van deze personen is, behoudens dat zij geld kosten, geen verweer gevoerd. De rechtbank zal hen dan ook tot vereffenaars benoemen.\n\nProceskosten4.7.. Voor wat betreft de proceskosten verzoekt [bewindvoerder] om te bepalen dat de kosten van deze procedure als vereffeningskosten in de nalatenschap van erflater worden aangemerkt. [belanghebbende 3] vraagt om te kosten te compenseren.\n\n4.8.. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van de hoofdregel dat, gelet op de familierelatie, iedere partij zijn eigen kosten draagt. Desgewenst kunnen partijen de facturen voor de door hen gemaakte kosten indienen bij de vereffenaars. Het is dan aan de vereffenaars om te beoordelen of deze kosten als vereffeningskosten zullen worden aangemerkt.\n\nUitvoerbaar bij voorraad4.9.. De rechtbank zal ten slotte de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dit betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als er hiertegen hoger beroep wordt ingesteld. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een beslissing heeft genomen.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n5.1.. benoemt:\n\nmr. M.E.V. Maas, notaris, enmr. R.P.G.H. Heijnen, kandidaat-notaris,\n\nkantoorhoudende te 3962 CE Wijk bij Duurstede, Hogesteeg 1, tot vereffenaars van de nalatenschap van:\n\n [erflater],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1926,\n\noverleden te [plaats] op [datum overlijden] 2024,\n\nlaatst gewoond hebbende te [plaats] ,\n\n5.2.. draagt de griffier op de benoeming van deze vereffenaars in het boedelregister in te schrijven;\n\n5.3.. draagt de vereffenaars op de benoeming bekend te maken in de Staatscourant;\n\n5.4.. compenseert de kosten van deze procedure, in die zin dat elke partij zijn eigen kosten draagt;\n\n5.5.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.6.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. M.A.A.T. Engbers en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2026, in aanwezigheid van de griffier.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3773","2026-06-30T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:53.846Z",{"id":61,"ecli":62,"slug":63,"caseNumber":53,"courtId":5,"decisionDate":64,"fullText":65,"summary":53,"language":7,"source":55,"sourceUrl":66,"sourceTimestamp":67,"parsedAt":58,"updatedAt":68},"1359","ECLI:NL:RBMNE:2026:3627","ecli-nl-rbmne-2026-3627","2026-05-27T00:00:00.000Z","RECHTBANK Midden-Nederland\n\nAfdeling Toezicht, Bureau Erfrecht\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nZaaknummer: C\u002F16\u002F609637 \u002F BE ZA 26-15\n\nVonnis in incident van 27 mei 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiseres],\n\nwonende in [plaats 1] ,\n\nhierna: [eiseres] ,\n\neisende partij in het incident,\n\nadvocaat: mr. J. van Andel, werkzaam in Driebergen,\n\ntegen\n\n1. [verweerster 1] ,\n\nwonende in [plaats 2] ,\n\nhierna: [verweerster 1] ,\n\nverwerende partij in het incident,\n\n2. [verweerster 2],\n\nwonende in [plaats 1] ,\n\nhierna: [verweerster 2] ,\n\nadvocaat: mr. M. Jozefzoon-Flipse, werkzaam in Utrecht.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met producties 1 t\u002Fm 7\n\n- de conclusie van antwoord\n\n- de akte van [eiseres] van 21 oktober 2025 met producties 8 t\u002Fm 10\n\n- de antwoordakte van [verweerster 1] van 29 oktober 2025\n\n- het vonnis van 1 april 2026 van de afdeling Familierecht van deze rechtbank waarin de zaak is verwezen naar de afdeling Toezicht van deze rechtbank.\n\n2. Waar gaat dit incident over?\n\n2.1.. \n [eiseres] , [verweerster 1] en [verweerster 2] zijn zussen. Hun vader, [erflater] , is in september 2024 een procedure bij deze rechtbank begonnen tegen [verweerster 1] . Daarin heeft hij heeft gevorderd dat zij wordt veroordeeld om bepaalde goederen die (mede) aan hem toebehoren af te geven. [verweerster 1] heeft verweer gevoerd.\n\n2.2.. Op 13 augustus 2025 heeft [verweerster 1] de rechtbank per e-mail bericht dat [erflater] is overleden. In haar akte van 21 oktober 2025 heeft [eiseres] verklaard dat zij de procedure van haar overleden vader overneemt en dat de procedure wordt hervat op de voet van artikel 227 lid 1 onder a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). [verweerster 1] heeft daartegen bezwaar gemaakt. Volgens haar is de procedure niet rechtsgeldig hervat, onder meer omdat [verweerster 1] en [verweerster 2] mede-erfgenamen zijn en [eiseres] niet alle erfgenamen vertegenwoordigt. De rechtbank heeft de behandeling van de zaak aangehouden en [eiseres] verzocht nader te onderbouwen waarom zij de procedure mag voortzetten.\n\n2.3.. \n [eiseres] heeft daarop exploten laten uitbrengen waarin [verweerster 1] en [verweerster 2] zijn gedagvaard tegen een bepaalde datum ter hervatting van de procedure op de voet van artikel 227 lid 2 Rv, gevolgd door een herstelexploot vanwege een verkeerd vermelde roldatum.\n\n2.4.. In het vonnis van 1 april 2026 heeft de rechtbank de zaak in de stand waarin deze zich bevond ambtshalve verwezen naar de afdeling die erfrechtzaken behandelt.\n\n2.5.. De rechtbank moet nu eerst beoordelen of de procedure op rechtsgeldige wijze is geschorst en hervat. Om dat te kunnen beoordelen is meer informatie nodig. De rechtbank zal [eiseres] gelasten die informatie te verstrekken (artikel 22 Rv).\n\n3. De beoordeling in incident\n\njuridisch kader\n\n3.1.. Het overlijden van een partij is een grond voor schorsing van een lopende procedure (artikel 225 lid 1 onder a Rv). Schorsing vindt plaats door aanzegging van de schorsing aan de andere partij bij exploot of door een akte ter rolle (artikel 225 lid 2 Rv). Bevoegd tot schorsing is uitsluitend de rechtsopvolger van de partij aan wier zijde de schorsingsoorzaak zich voordoet. De procedure wordt hervat doordat direct bij het exploot tot schorsing wordt verklaard dat het geding wordt hervat of doordat later met instemming van de andere partij een akte ter rolle wordt genomen of bij exploot wordt verklaard dat het geding wordt hervat (artikel 227 lid 1 Rv). Indien de procedure niet bevoegdelijk is geschorst en hervat, hebben de aangezegde schorsing en hervatting geen (rechts)gevolg gehad.In dat geval wordt de procedure voortgezet op naam van de overleden partij (artikel 225 lid 2 Rv).\n\nuitwerking\n\n3.2.. \n [eiseres] heeft in de exploten verklaard dat zij als een van de erfgenamen van [erflater] in haar hoedanigheid van erfgenaam de procedure hervat. Omdat ook [verweerster 2] erfgenaam is en er volgens [eiseres] sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding heeft zij [verweerster 2] ook in het geding betrokken. [eiseres] heeft in haar toelichting gesteld dat zij als erfgenaam op de voet van artikel 4:182 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) in alle rechten en plichten van haar overleden vader treedt en dat zij geen volmacht van de andere erfgenamen heeft.\n\n3.3.. Bij de exploten is een uittreksel uit de basisregistratie personen gevoegd van 6 juni 2025. Daaruit blijkt dat [erflater] is geboren op [geboortedatum 1] 1939 in [geboorteplaats] (Turkije) en is overleden op [datum overlijden 1] 2025 in [plaats 3] (Turkije). Hij heeft op 27 januari 1998 de Nederlandse nationaliteit verkregen en stond van 7 juni 1973 tot [datum overlijden 1] 2025 ingeschreven in de gemeente [plaats 1] . Uit de dagvaarding en de producties van [eiseres] blijkt dat [erflater] in gemeenschap van goederen was gehuwd met [erflaatster] , de moeder van [eiseres] , [verweerster 1] en [verweerster 2] . [erflaatster] is geboren op [geboortedatum 2] 1950 in [geboorteplaats] (Turkije) en is overleden op [datum overlijden 2] 2023. De goederen waarvan in de hoofdzaak afgifte wordt gevorderd zijn een aantal gouden armbanden en munten. Volgens [eiseres] hebben haar ouders deze sieraden en goudstukken vanaf circa 1980 aangeschaft en liggen ze in een kluis die op naam van [verweerster 1] staat.\n\n3.4.. Op dit moment kan de rechtbank niet beoordelen of [eiseres] de procedure op rechtsgeldige wijze heeft geschorst en hervat. Het ontbreekt aan gegevens waaruit kan worden afgeleid welk recht op de nalatenschap van [erflater] van toepassing is en wie zijn erfgenamen zijn. Ook is niet duidelijk of hij een testament had en wat de inhoud daarvan is. [eiseres] zal daarover meer informatie moeten verstrekken en antwoord moeten geven op in ieder geval de volgende vragen:\n\n- welk recht is van toepassing op de nalatenschap van [erflater] ?\n\n- is [eiseres] enig erfgenaam van [erflater] ? Zo nee, wie zijn de andere erfgenamen?\n\n- op grond waarvan kan [eiseres] de procedure overnemen?\n\n- procedeert zij ten behoeve van de gemeenschap van nalatenschap?\n\n- als dit laatste het geval is én Nederlands recht van toepassing is, hoe verhoudt zich dat dan tot het feit dat artikel 3:171 BW (dat bepaalt dat iedere deelgenoot ten behoeve van de gemeenschap een vordering kan instellen) niet geldt als het gaat om een vordering tegen een deelgenoot?\n\n3.5.. De rechtbank zal [eiseres] in de gelegenheid stellen de benodigde informatie, zo mogelijk met gelegaliseerde stukken, bij akte over te leggen. In afwachting daarvan zal de rechtbank iedere verdere beslissing aanhouden.\n\n4. De beslissing\n\nin het incident\n\n4.1.. verwijst de zaak naar de rol van 24 juni 2026voor akte uitlating aan de zijde van [eiseres] conform het in 3.4. gegeven bevel,\n\n4.2.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. A.F. Hermans en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026.\n\n Hoge Raad 8 juli 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3192.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3627","2026-06-23T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:17.708Z",{"id":70,"ecli":71,"slug":72,"caseNumber":53,"courtId":5,"decisionDate":73,"fullText":74,"summary":53,"language":7,"source":55,"sourceUrl":75,"sourceTimestamp":76,"parsedAt":58,"updatedAt":77},"878","ECLI:NL:RBMNE:2026:1122","ecli-nl-rbmne-2026-1122","2026-03-11T00:00:00.000Z","RECHTBANK Midden-Nederland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nZaaknummer: C\u002F16\u002F606483 \u002F KG ZA 26-47\n\nVonnis in kort geding van 11 maart 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nte [plaats] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiser] ,\n\nadvocaat: mr. F. Arts,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nte [plaats] (Duitsland),\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\nadvocaat: mr. H.C.J. Coumou.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 10 februari 2026 met 27 producties, - de producties 1 tot en met 9 van [gedaagde] ,\n\n- productie 28 van [eiser] ,\n\n- de producties 10 en 11 van [gedaagde] , - de mondelinge behandeling van 25 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, - de pleitnota van [eiser] , - de pleitnota van [gedaagde] .\n\n1.2.. In verband met de spoedeisendheid van het gevorderde is vonnis bepaald op 27 februari 2026 in de vorm van een ‘kopstaartvonnis’. Dit is de uitwerking daarvan die op 11 maart 2026 is afgegeven.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1.. \n [gedaagde] heeft op of omstreeks 16 januari 2026 beslag gelegd ten laste van zijn zoon [eiser] , op diens woning aan de [adres] in [plaats] . Partijen hebben een geschil met elkaar over een geldleningsovereenkomst (waarbij ook deels sprake was van een schenking) van 25 maart 2025, waarbij [gedaagde] een lening aan [eiser] heeft verstrekt. [gedaagde] is van mening dat [eiser] de lening aan hem moet terugbetalen en dat sprake is van dwaling dan wel misbruik van omstandigheden. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) geschonden door de voorzieningenrechter meermaals op het verkeerde been te zetten bij de beoordeling van het beslagrekest. Daarnaast vindt [eiser] dat de vordering van [gedaagde] als summierlijk ondeugdelijk moet worden beoordeeld. [eiser] vordert in dit kort geding daarom dat het beslag op zijn woning moet worden opgeheven. De voorzieningenrechter is van oordeel dat [gedaagde] artikel 21 Rv heeft geschonden en heft het beslag op.\n\n3. De beoordeling\n\nHet toetsingskader voor het opheffen van conservatoir beslag\n\n3.1.. Artikel 705 Rv wijst de voorzieningenrechter die het beslagverlof heeft gegeven aan als een van de rechters die een beslag kan opheffen. Een opheffingsvordering is bovendien naar zijn aard spoedeisend.\n\n3.2.. De opheffing van een conservatoir beslag kan onder meer worden bevolen, indien op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd, summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag, of, als het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld (artikel 705 lid 2 Rv).\n\n3.3.. Artikel 705 lid 2 Rv bevat geen limitatieve opsomming van de opsommingsgronden. Opheffing kan bijvoorbeeld ook plaatsvinden als het beslagobject van een derde is of als de beslagverzoeker de waarheidsplicht van artikel 21 Rv heeft geschonden. Artikel 21 Rv houdt in dat partijen verplicht zijn de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Blijkens de wetsgeschiedenis is het de bedoeling om met deze bepaling de bewuste leugen uit te bannen en staat het de rechter vrij om aan schending van de waarheidsplicht al dan niet een sanctie naar keuze te verbinden. De waarheidsplicht geldt voor alle in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering opgenomen procedures en dus ook voor de procedure voor het verkrijgen van beslagverlof. Bij een beslagrekest klemt naleving van artikel 21 Rv des te meer omdat sprake is van een eenzijdig verzoek waarop de rechter na slechts summier onderzoek beslist, (doorgaans) zonder de beslagschuldenaar te horen. De toewijzing daarvan kan voor de beslagschuldenaar (zeer) ingrijpende gevolgen hebben. In de regel mag, en in de praktijk zal, de voorzieningenrechter afgaan op de mededelingen van de beslagverzoeker in het rekest – dat alle voor de beslissing relevante feiten en omstandigheden bevat – en de daarbij gevoegde stukken.\n\n [gedaagde] heeft artikel 21 Rv geschonden\n\n3.4.. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] in het beslagrekest meermaals artikel 21 Rv op ernstige wijze geschonden met als enige doel om verlof voor beslaglegging te verkrijgen en in de wetenschap dat [eiser] voor het verlenen van het verlof waarschijnlijk niet zou worden gehoord. [eiser] noemt hiervoor een vijftal schendingen. Tegen deze stellingen heeft [gedaagde] geen inhoudelijk verweer gevoerd, ook niet tijdens de mondelinge behandeling.\n\n3.5.. De voorzieningenrechter oordeelt dat [gedaagde] artikel 21 Rv heeft geschonden. Het gaat om de volgende schendingen:\n\n [gedaagde] heeft in het beslagrekest onder randnummer 8 vermeld dat hij de geldleningsovereenkomst, toen hij deze tekende, nog niet eerder had gezien. De voorzieningenrechter constateert dat deze stelling van [gedaagde] niet juist kan zijn. Het is namelijk gebleken dat [gedaagde] de geldleningsovereenkomst wel eerder heeft gezien dan het moment van ondertekenen. Uit productie 16 bij de dagvaarding blijkt namelijk dat [gedaagde] de conceptovereenkomst vijf dagen voor de ondertekening per mail van [eiser] heeft ontvangen. En uit productie 17 bij de dagvaarding blijkt vervolgens dat [gedaagde] daar, twee dagen voor de ondertekening, akkoord op heeft gegeven. [gedaagde] schrijft in die e-mail namelijk: “Prima [eiser] , er valt niets op aan te merken Dank.”.\n\nIn randnummer 36 van het beslagrekest heeft [gedaagde] gesteld dat de geldleningsovereenkomst nooit is besproken. De voorzieningenrechter constateert dat [gedaagde] ook op dit punt een onjuiste gang van zaken heeft weergegeven. Zoals hiervoor al is overwogen, blijkt uit productie 16 en 17 dat [gedaagde] en [eiser] met elkaar contact hebben gehad over de geldleningsovereenkomst. Daarnaast is de voorzieningenrechter gebleken dat in ieder geval één onderwerp uit de geldleningsovereenkomst op 5 maart 2025, en dus 20 dagen voor het ondertekenen van de geldleningsovereenkomst, al is besproken tussen partijen. [gedaagde] heeft via Whatsapp (zoals blijkt uit productie 28 van [eiser] ) namelijk onder meer het volgende naar [eiser] gestuurd: “Dus stel na 5 jaar op de helft van het contact dan kunnen we toch een clausule opnemen dat mocht er ernstige ziekte of overlijden plaatsvinden van mij of [A] na 5 jaar er een heroverweging maar met dezelfde uitgangspunten moet worden aangepast Zoiets?” Kennelijk hebben partijen met elkaar gesproken over een herzieningsclausule, die ook zij het met een andere termijn in de geldleningsovereenkomst terecht is gekomen.\n\nHet staat tussen partijen niet ter discussie dat [eiser] een woning in België heeft gekocht. Volgens [gedaagde] had [eiser] het van zijn vader geleende geld moeten aanwenden om zijn problemen met de bank met betrekking tot de [adres] op te lossen. In plaats daarvan zou [eiser] het geld hebben gebruikt voor de aankoop van de woning in België. [eiser] betwist dat hij het geld hiervoor heeft gebruikt. [gedaagde] heeft in randnummer 12 van het beslagrekest het volgende opgenomen met betrekking tot de woning in België: “Eerst langere tijd nadat in april 2025 de overboekingen aan verweerder waren verricht, kwam verzoeker ervan op de hoogte dat verweerder rond 25 maart 2025 een woning in België had aangekocht.”.\n\nMet [eiser] is de voorzieningenrechter het eens dat [gedaagde] wel al eerder op de hoogte was van de koop van een woning in België en [gedaagde] dit dus onjuist heeft vermeld in het beslagrekest. Zo blijkt uit productie 9 bij de dagvaarding dat [gedaagde] richting [eiser] is begonnen over het kopen van een huis in België en uit productie 14 bij de dagvaarding volgt dat [gedaagde] een Funda-link aan [eiser] heeft doorgestuurd “mocht België niet doorgaan”. Ook heeft [gedaagde] al op 12 april 2025 het adres van de woning in België aan [eiser] gevraagd (productie 18 bij de dagvaarding).\n\n4. In randnummer 18 van het beslagrekest heeft [gedaagde] het volgende citaat opgenomen “De aflossing van € 2000, per maand impliceert een periode van bijna 21 jaar.”. De voorzieningenrechter constateert dat [gedaagde] dit citaat onjuist heeft overgenomen uit de betreffende e-mail van [eiser] (productie 3 bij het beslagrekest). De oorspronkelijke tekst is namelijk als volgt: “De aflossing van € 2000 per maand impliceert en periode van bijna 10 jaar.”. Hoewel het mogelijk is dat een verschrijving terecht komt in een processtuk, valt een dergelijke verschrijving [gedaagde] wel te verwijten. Het betreft namelijk essentiële informatie over wat partijen met elkaar hebben afgesproken en wat ten grondslag ligt aan het beslag. Zorgvuldigheid voor wat betreft het opnemen van een citaat in het beslagrekest was daarom op zijn plaats geweest.\n\n5. Tot slot heeft [gedaagde] in randnummers 32 tot en met 37 van het beslagrekest gesteld dat hij een zware TIA heeft gehad en dat hij daarvoor onder behandeling was bij een geriater. De voorzieningenrechter acht het niet aannemelijk dat [gedaagde] een zware TIA heeft gehad waarvan hij twee jaar daarna nog ernstige en blijvende klachten en beperkingen ervaart en waarvoor hij onder behandeling zou zijn bij een geriater. [gedaagde] heeft geen enkele medische documentatie overgelegd waaruit dit zou blijken, terwijl deze documentatie volgens randnummer 19 van het beslagrekest wel beschikbaar zou zijn. Met [eiser] is de voorzieningenrechter het eens dat uit de producties 10 en 20 tot en met 26 bij de dagvaarding eerder blijkt dat [gedaagde] slechts tijdelijke lichte klachten aan de TIA in mei 2023 heeft overgehouden.\n\n3.6.. Bovenstaande omstandigheden maken, in onderlinge samenhang bezien, dat de voorzieningenrechter van oordeel is dat [gedaagde] artikel 21 Rv heeft geschonden. [gedaagde] heeft op de hiervoor genoemde onderwerpen namelijk niet de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aangevoerd. Dit betreffen geen details, maar dit was essentiële informatie op basis waarvan het beslagrekest moest worden beoordeeld. De voorzieningenrechter acht dit dan ook een ernstige schending, omdat het hoofdargumenten betreffen die de grondslag vormen voor het leggen van het beslag en op basis waarvan het verlof is verleend door de voorzieningenrechter. Dit geldt des te meer omdat de voorzieningenrechter bij de beoordeling van een beslagrekest af moet gaan op een eenzijdig verzoek en zonder het horen van de beslagene. Indien de voorzieningenrechter correct was geïnformeerd in het beslagrekest, dan was de kans zeer aannemelijk dat het verlof niet was verleend. Dit leidt ertoe dat het een passende consequentie is om het op (of omstreeks) 16 januari 2026 gelegde beslag op de woning aan de [adres] in [plaats] op te heffen.\n\n [gedaagde] moet de proceskosten betalen\n\n3.7.. \n [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n151,94\n\n- griffierecht\n\n€\n\n341,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.177,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.858,94\n\n4. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\n4.1.. heft op het op (of omstreeks) 16 januari 2026 door [gedaagde] ten laste van [eiser] op het registergoed, plaatselijk bekend onder het adres [adres] te ( [postcode] ) [plaats] , kadastraal bekend Hilversum [nummer] , gelegde beslag,\n\n4.2.. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.858,94, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n4.3.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,\n\n4.4.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. J.A. Schuman en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026.\n\nWM (5442)","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1122","2026-03-23T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:52.495Z",{"id":79,"ecli":80,"slug":81,"caseNumber":53,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":82,"summary":53,"language":7,"source":55,"sourceUrl":83,"sourceTimestamp":84,"parsedAt":58,"updatedAt":85},"1425","ECLI:NL:RBMNE:2026:3278","ecli-nl-rbmne-2026-3278","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: UTR 25\u002F5864\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 maart 2026 in de zaak tussen\n [eiser] , gevestigd te [vestigingsplaats] , eiser,\n\nen\n\nde Huurcommissie, verweerder.\n\nProcesverloop\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak van de Huurcommissie van 9 oktober 2025. In die uitspraak heeft de Huurcommissie een oordeel gegeven over de huurprijs van de woning gelegen te [adres] in [plaats] .\n\nOp 3 november 2025 heeft verweerder gereageerd op het beroep.\n\nOverwegingen\n\n1. Het is niet nodig dat partijen op een zitting worden gehoord. De bestuursrechter is kennelijk onbevoegd om van dit beroep kennis te nemen. Daarom sluit de rechtbank het onderzoek en doet zij zonder zitting uitspraak.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\n2. Beroep bij de bestuursrechter kan alleen worden ingediend tegen een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).Dat wil zeggen dat beroep alleen kan worden ingediend tegen een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.\n\nIs de uitspraak van de Huurcommissie een besluit in de zin van de Awb?\n\n3. Hoewel het klopt dat de Huurcommissie een bestuursorgaan is, betekent dat niet dat een uitspraak van de Huurcommissie – zoals hier aan de orde – ook een publiekrechtelijke rechtshandeling is en dus een besluit in de zin van de Awb is.In dit geval heeft de Huurcommissie een uitspraak gedaan over de vraag of de overeengekomen huurprijs voor woonruimte (die eiser verhuurt) redelijk is. Op de bij de Huurcommissie gestarte procedure en uitspraak zijn de daarmee gepaard gaande rechtsmiddelen van toepassing, die worden beschreven in onder meer artikel 262 van Boek 7 van het BW. Een uitspraak van de Huurcommissie als bedoeld in dat artikel, is geen publiekrechtelijke rechtshandeling.\n\nConclusie en gevolgen\n\n4. Omdat een uitspraak van de Huurcommissie geen besluit is in de zin van de Awb, is de bestuursrechter kennelijk niet bevoegd is om kennis te nemen van dit beroep. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet mag en kan behandelen.\n\n5. In artikel 2.5, zesde lid, van het procesreglement bestuursrecht rechtbanken 2021 wordt er geen griffierecht geheven als de bestuursrechter onbevoegd is. Nu de bestuursrechter onbevoegd is, hoeft eiser geen griffierecht te betalen. Van een vergoeding van de proceskosten is geen sprake.\n\n6. Eiser kan zich met deze zaak uitsluitend tot de burgerlijke rechter wenden op de in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalde wijze.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart zich onbevoegd.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van J.B. Overtoom, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.\n\nDit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\nDit volgt uit artikel 8:1 van de Awb.\n\nZie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 10 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:420.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3278","2026-06-15T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:20.537Z",20]