[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-utrecht-immigration-detention-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":112,"limit":113},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},63,"Utrecht","nl","utrecht",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},45,"immigration-detention-nl","Immigration Detention","NL","2026-07-08T16:53:39.887Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},11,{"min":18,"max":19},"2025-08-01T00:00:00.000Z","2026-07-02T00:00:00.000Z",[],[22,33,41,48,56,64,72,79,88,95,104],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"1128","ECLI:NL:RBDHA:2026:18647","ecli-nl-rbdha-2026-18647","","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.34533\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. M.S. Dunant Maurits),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. J. Raaijmakers).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 19 juni 2026 (het bestreden besluit) is aan eiseres met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.\n\nDe minister heeft de rechtbank op 20 juni 2026 op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiseres ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 29 juni 2026 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door mr. B. Temeltasch, als waarnemer van haar gemachtigde. Als tolk is verschenen N.E. Ramirez Ruiz. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.\n\n2. Eiseres stelt de Cubaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1982. Op 19 juni 2026 is zij aangekomen op [luchthaven] en heeft zij een asielaanvraag ingediend. De minister heeft diezelfde dag een besluit over de toegangsweigering uitgesteld en aan eiseres een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd.\n\nGrondslag van de maatregel\n\n3. Eiseres voert aan dat de maatregel twee grondslagen stapelt. Artikel 6, derde lid, Vw en artikel 5 van de Screeningsverordening. In de maatregel staat verder een beoordeling over zicht op uitzetting, hetgeen ontleend is aan het toetsingskader van artikel 6, eerste en tweede lid, in samenhang met het zesde lid van de Vw.\n\n4. De rechtbank overweegt dat het feit dat in de maatregel staat dat de vrijheidsbeneming wordt gebaseerd op artikel 6, derde lid, van de Vw en mede op artikel 5 van de Screeningsverordening niet maakt dat sprake is van een onrechtmatige grondslag. Artikel 6, derde lid, van de Vw luidt immers als volgt:“De vreemdeling die aan de grens te kennen heeft gegeven een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 te willen indienen, met inbegrip van de vreemdeling op wie artikel 5, tweede lid, van de Screeningsverordening van toepassing is, kan, zolang hij wordt aangemerkt als verzoeker in de zin van artikel 2, aanhef en onder 2, van de Opvangrichtlijn, eveneens worden verplicht zich op te houden in een door de ambtenaar belast met grensbewaking aangewezen ruimte of plaats die kan worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek, in het kader van een procedure om een beslissing te nemen over de toegang, onderscheidenlijk in het kader van de toepassing van de screeningsprocedure overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 5, 6 en 8, eerste en derde lid, van de Screeningsverordening. Artikel 59b, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.”\n\n5. Dat in de maatregel ook vinkjes zijn gezet bij de vraag of er zicht op uitzetting is, maakt de maatregel ook niet onrechtmatig. Nu eiseres een asielaanvraag heeft ingediend is zicht op uitzetting op dit moment niet aan de orde. Eiseres is door de onjuiste vinkjes niet in haar belangen geschaad.\n\nLichter middel\n\n6. Eiseres voert verder aan dat de minister al voorafgaand aan de opheffing had moeten volstaan met een lichter middel dan de vrijheidsontnemende maatregel, omdat de minister in het bestreden besluit niet heeft gemotiveerd waarom in dit geval niet met het toepassen van een lichter middel kon worden volstaan. De motivering in de maatregel is van algemene aard en geldt voor iedere vreemdeling die aan de grens asiel aanvraagt. De motivering is niet toegespitst op de situatie van eiseres. Eiseres komt niet voor in de databanken, zij heeft een echt een geldig paspoort en er zijn geen onderduikindicatoren gesteld of gebleken.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat eiseres niet heeft betwist dat zij aan de grens een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend terwijl zij niet aan de toegangsvoorwaarden voldeed, en dat zij daarmee voldoet aan de voorwaarden voor toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw.\n\n8. Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.\n\n9. De rechtbank is van oordeel dat uit het proces-verbaal van gehoor blijkt dat aan eiseres in voldoende mate duidelijk is gemaakt dat het aan haar was om eventuele bijzondere feiten of omstandigheden met betrekking tot haar persoonlijke belangen aan te voeren die tot het oordeel konden leiden dat de minister diende af te zien van het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregel. Desgevraagd heeft eiseres verklaard te begrijpen dat zij naar een gesloten detentiecentrum moet en heeft zij aangegeven dat dat beter is dan terug te keren naar Cuba. Zij heeft verder aangegeven geen gezondheidsproblemen te hebben, geen familieleden in de Europese unie te hebben en op de vraag of er andere omstandigheden zijn die aanleiding moeten geven om haar asielaanvraag in vrijheid af te wachten heeft eiseres geantwoord dat die er niet zijn.\n\n10. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de minister in de maatregel heeft kunnen volstaan met de motivering dat geen minder dwingende maatregel kan worden toegepast zonder het grensbewakingsbelang prijs te geven en dat eiseres geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die zouden moeten leiden tot de conclusie dat de maatregel onevenredig bezwarend is. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nKwetsbaarheids- en medische beoordeling\n\n11. Eiseres voert voorts aan dat de minister ten onrechte geen kwetsbaarheids- en medische beoordeling heeft uitgevoerd. Er zijn concrete aanwijzingen voor kwetsbaarheid, zodat de minister verplicht is om de grensprocedure in het geval van eiseres niet toe te passen.\n\n12. De minister heeft ter zitting toegelicht dat eiseres is gescreend alvorens de maatregel is opgelegd en dat tijdens deze screening niet is gebleken van kwetsbaarheid of medische omstandigheden.\n\n13. De rechtbank ziet in wat eiseres heeft aangevoerd geen aanleiding voor twijfel aan het standpunt van de minister dat er een kwetsbaarheids- en medische beoordeling is uitgevoerd. De rechtbank betrekt hierbij dat ook het proces-verbaal van gehoor voorafgaand aan de maatregel geen aanknopingspunten biedt voor het feit dat er sprake zou zijn van kwetsbaarheid of medische problematiek.\n\nConclusie\n\n14. Ook ambtshalve toetsend is de rechtbank niet gebleken dat de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is opgelegd of onrechtmatig voortduurt.\n\n15. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.\n\n16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- wijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. W.A. Berghuis, rechter, in aanwezigheid van mr.L.S. Lodder, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 2 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18647","2026-07-07T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:05.532Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":37,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":38,"sourceTimestamp":39,"parsedAt":31,"updatedAt":40},"1596","ECLI:NL:RBDHA:2026:18528","ecli-nl-rbdha-2026-18528","uitspraak\n\nRECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.33003\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser] , eiser,\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul) en\n\nde Minister van Asiel en Migratie, de minister. (gemachtigde:\n\nProcesverloop\n\nDe minister heeft op 27 februari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.\n\nDe minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. De minister heeft vervolgens een verweerschrift ingediend.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 25 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.M. Seth Paul als waarnemer van zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\nEiser stelt van Nigeriaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1992.\n\nIndien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.\n\n3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 15 mei 2026 (in de zaak NL26.25161) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.\n\n4. Eiser stelt dat de minister onvoldoende voortvarend handelt. Hierbij voert eiser aan dat de minister eiser op 12 juni 2026 gepresenteerd zou worden aan de Nigeriaanse autoriteiten, maar dat deze presentatie zonder toelichting is verplaatst naar 19 juni 2026. Ook uit de voortgangsrapportage wordt niet duidelijk wat de reden was van deze vertraging. Al met al stelt eiser dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld aan zijn vooringenomen uitzetting naar Nigeria.\n\n5. De rechtbank oordeelt als volgt. De minister heeft tweemaal, laatstelijk op 19 juni 2026, een presentatie van eiser ingepland. De minister heeft toegelicht dat de eerste presentatie van 12 juni 2026 is uitgesteld naar 19 juni 2026 op initiatief van de Nigeriaanse autoriteiten. Dit valt buiten de invloedssfeer van de minister. Verder heeft eiser het proces van zijn uitzetting meermalen gefrustreerd, onder meer door niet te antwoorden op de vragen van de minister en door gedurende de presentaties niet mee te werken. Waarom eiser, mede gelet op deze houding, in zijn belangen zou zijn geschaad door het uitstel van de presentatie met 7 dagen ziet de rechtbank niet. Van onvoldoende voortvarend handelen is de rechtbank dan ook niet gebleken. De beroepsgrond faalt.\n\n6. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.\n\nConclusie\n\n7. Het beroep is ongegrond en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.\n\n8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep ongegrond;\n\nwijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van mr. J.B. Thépass, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\n02 juli 2026\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18528","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:28.905Z",{"id":42,"ecli":43,"slug":44,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":45,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":46,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":47},"1116","ECLI:NL:RBDHA:2026:18646","ecli-nl-rbdha-2026-18646","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.34524\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. B. Temeltasch),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. J. Raaijmakers).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 20 juni 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.\n\nDe minister heeft de rechtbank op 20 juni 2026 op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 29 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen I.A. Remizova. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.\n\n2. Eiser stelt de Russische nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1992. Op 20 juni 2026 is hij aangekomen op [luchthaven] en heeft hij een asielaanvraag ingediend. De minister heeft diezelfde dag een besluit over de toegangsweigering uitgesteld en aan eiser een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd.\n\nGronden van de maatregel\n\n3. In de maatregel heeft de minister overwogen dat aanleiding bestaat om te veronderstellen dat eiser binnen de reikwijdte van de Asiel- en Migratiebeheerverordening valt, omdat hij in het bezit is van een door Frankrijk afgegeven Schengenvisum. De minister heeft op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd, omdat er volgens verweerder een risico bestaat dat eiser zal onderduiken. In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:\n\na. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen of een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;\n\nr. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; en\n\ns. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.\n\n4. Eiser heeft de juistheid van de gronden niet bestreden, maar heeft aangevoerd dat de gronden, het niet beschikken over voldoende middelen van bestaan en het niet hebben van een vaste woon-\u002Fverblijfplaats, gelden voor iedere aan de grens asiel verzoekende vreemdeling. Deze gronden dienen te worden voorzien van een individuele toelichting.\n\n5. De rechtbank is van oordeel dat de grond onder a feitelijk juist is. Door het indienen van een asielaanvraag aan de grens heeft eiser niet voldaan aan de voorwaarden van het aan hem verleende Schengenvisum. De gronden onder r en s zijn ook feitelijk juist en voldoende toegelicht. Door het niet beschikken over voldoende middelen en het niet hebben van een vaste woon-\u002Fverblijfplaats bestaat het risico dat eiser zich onttrekt aan het toezicht en dat hij de voorbereidingen van zijn vertrek dan wel verwijderingsprocedure belemmert. Dat deze gronden van toepassing zijn op (vrijwel) iedere asielzoeker, maakt niet dat die gronden niet aan eiser kunnen worden tegengeworpen.\n\nDe gronden kunnen tezamen de maatregel dragen.\n\nLichter middel\n\n6. Eiser voert aan dat de minister al voorafgaand aan de opheffing had moeten volstaan met een lichter middel dan de vrijheidsontnemende maatregel, omdat de minister in het bestreden besluit niet heeft gemotiveerd waarom in dit geval niet met het toepassen van een lichter middel kon worden volstaan. De motivering in de maatregel is van algemene aard en geldt voor iedere vreemdeling die aan de grens asiel aanvraagt. De motivering is niet toegespitst op de situatie van eiser. Eiser heeft een geldig paspoort, hij heeft meegewerkt aan de grensprocedure en er is geen enkele aanwijzing die duidt op vluchtgevaar of een onderdruikrisico.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat eiser niet heeft betwist dat hij aan de grens een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend terwijl hij niet aan de toegangsvoorwaarden voldeed, en dat hij daarmee voldoet aan de voorwaarden voor toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw.\n\n8. Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.\n\n9. De rechtbank is van oordeel dat uit het proces-verbaal van gehoor blijkt dat aan eiser in voldoende mate duidelijk is gemaakt dat het aan hem was om eventuele bijzondere feiten of omstandigheden met betrekking tot zijn persoonlijke belangen aan te voeren die tot het oordeel konden leiden dat de minister diende af te zien van het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregel. Desgevraagd heeft eiser verklaard te begrijpen dat hij naar een gesloten detentiecentrum moet en heeft hij aangegeven dat hij hoopt dat zijn asielaanvraag in behandeling wordt genomen. Hij heeft verder aangegeven geen gezondheidsproblemen te hebben, geen familieleden in de Europese unie te hebben en op de vraag of er andere omstandigheden zijn die aanleiding moeten geven om zijn asielaanvraag in vrijheid af te wachten heeft eiser geantwoord dat die er niet zijn.\n\n10. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de minister in de maatregel heeft kunnen volstaan met de motivering dat geen minder dwingende maatregel kan worden toegepast zonder het grensbewakingsbelang prijs te geven en dat eiser geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die zouden moeten leiden tot de conclusie dat de maatregel onevenredig bezwarend is. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nKwetsbaarheids- en medische beoordeling\n\n11. Eiser voert voorts aan dat de minister ten onrechte geen kwetsbaarheids- en medische beoordeling heeft uitgevoerd. Eiser behoort tot een groep die naar vaste rechtspraak en beleid als potentieel kwetsbaar wordt aangemerkt. Omdat de minister heeft nagelaten deze beoordeling te maken ontbreekt er een deugdelijke grondslag.\n\n12. De minister heeft ter zitting toegelicht dat eiser is gescreend alvorens de maatregel is opgelegd en dat tijdens deze screening niet is gebleken van kwetsbaarheid of medische omstandigheden.\n\n13. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding voor twijfel aan het standpunt van de minister dat er een kwetsbaarheids- en medische beoordeling is uitgevoerd. De rechtbank betrekt hierbij dat ook het proces-verbaal van gehoor voorafgaand aan de maatregel geen aanknopingspunten biedt voor het feit dat er sprake zou zijn van kwetsbaarheid of medische problematiek.\n\nConclusie\n\n14. Ook ambtshalve toetsend is de rechtbank niet gebleken dat de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is opgelegd of onrechtmatig voortduurt.\n\n15. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.\n\n16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- wijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. W.A. Berghuis, rechter, in aanwezigheid van mr.L.S. Lodder, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 2 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 januari 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC2998.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18646","2026-07-13T00:29:04.962Z",{"id":49,"ecli":50,"slug":51,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":52,"fullText":53,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":54,"sourceTimestamp":39,"parsedAt":31,"updatedAt":55},"1586","ECLI:NL:RBDHA:2026:18524","ecli-nl-rbdha-2026-18524","2026-06-30T00:00:00.000Z","uitspraak\n\nRECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.33588\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser] , eiser,\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul) en\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nProcesverloop\n\nDe minister heeft op 1 maart 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.\n\nDe minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. De minister heeft vervolgens een verweerschrift ingediend.\n\nDe rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.\n\nOverwegingen\n\nEiser heeft de Marokkaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1991.\n\nIndien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.\n\n3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 19 mei 2026 (in de zaak NL26.25529) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.\n\n4. Eiser stelt dat de minister onvoldoende voortvarend handelt. Hierbij voert eiser aan dat de minister op 17 maart 2026 aanvraag voor een laissez-passer (lp) heeft opgestuurd\n\nnaar de Marokkaanse autoriteiten. Ter ondersteuning van deze aanvraag zijn de Marokkaanse autoriteiten op 23 april 2026 in het bezit gesteld van een kopie van het paspoort van eiser. Ook is van eiser een zogenoemde vrijwilligersbrief van 15 mei 2026 aan de Marokkaanse autoriteiten doorgestuurd. Verder heeft de familie van eiser in Marokko aan de Marokkaanse autoriteiten in Nederland verzocht om voor eiser een reisdocument af te geven. Gelet op deze omstandigheden en het tijdsverloop, meent eiser dat de Marokkaanse autoriteiten normaliter al een lp zou hebben verstrekt. Voorts voert eiser aan dat het inmiddels op de weg van de minister heeft gelegen om op zaaksniveau actie te ondernemen in de richting van de Marokkaanse autoriteiten. Al met al stelt eiser dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld aan zijn voorgenomen uitzetting naar Marokko.\n\n5. De rechtbank overweegt als volgt. De Marokkaanse autoriteiten hebben de lp-aanvraag ten behoeve van eiser in behandeling. In dat verband is de minister afhankelijk van de werkwijze de Marokkaanse autoriteiten. De minister heeft daarop slechts beperkte invloed. Uit de voortgangsrapportage van 16 juni 2026 blijkt dat de minister laatstelijk op 10 juni 2026 een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd. Ook heeft de minister frequent gerappelleerd met betrekking tot de afgifte van een lp, laatstelijk op 19 juni 2026. Gelet op de duur van de maatregel tot nu toe, is er geen aanleiding geweest voor de minister om méér of andere handelingen te verrichten dan dat hij heeft gedaan. Van onvoldoende voortvarend handelen is de rechtbank dan ook niet gebleken. de beroepsgrond faalt.\n\n6. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.\n\nConclusie\n\n7. Het beroep is ongegrond en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.\n\n8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep ongegrond;\n\nwijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. J.B. Thépass, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\n30 juni 2026\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18524","2026-07-13T00:29:28.509Z",{"id":57,"ecli":58,"slug":59,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":60,"fullText":61,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":62,"sourceTimestamp":39,"parsedAt":31,"updatedAt":63},"1590","ECLI:NL:RBDHA:2026:18525","ecli-nl-rbdha-2026-18525","2026-06-26T00:00:00.000Z","uitspraak\n\nRECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.33167\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser] , eiser,\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. E. Schoneveld) en\n\nde Minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nProcesverloop\n\nDe minister heeft op 3 maart 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.\n\nDe minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. De minister heeft vervolgens een verweerschrift ingediend.\n\nDe rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.\n\nOverwegingen\n\nEiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1972.\n\nIndien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.\n\n3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 12 mei 2026 (in de zaak NL26.24105) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.\n\n4. Eiser stelt dat de minister onvoldoende voortvarend handelt en dat een concreet zicht op uitzetting mist. Eiser voert hierbij aan dat de minister op 9 maart 2026 een laissez-passer\n\n(lp) aanvraag heeft verzonden aan de Algerijnse autoriteiten, waarop zij hier vooralsnog niet op hebben gereageerd. Hierdoor is volgens eiser de Algerijnse identiteit en nationaliteit van eiser zelf tot op het heden nog niet bevestigd en heeft er geen presentatie plaatsgevonden.\n\nEiser voert daarnaast aan dat, gelet op het tijdsverloop, er binnen afzienbare tijd een kleine kans bestaat dat de Algerijnse autoriteiten een lp zullen verstrekken. Eiser geeft aan dat er geen rekening is gehouden met de voortduring van de maatregel van bewaring en de steeds zwaarder wegende belangen van eiser. Eiser stelt hiernaast dat de minister de optie van de VBL (vrijheidsbeperkende locatie) na het vertrekgesprek van 8 mei 2026 ging bespreken. Dit is volgens eiser inmiddels zes weken geleden en dient de minister te motiveren waarom eiser al dan niet in aanmerking komt voor de VBL. Gelet op het voorgaande vindt eiser dat de minister meer inspanning had kunnen verrichten om de uitzetting van eiser te bewerkstelligen en aldus onvoldoende voortvarend handelt.\n\n5. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend handelt of dat het zicht op uitzetting binnen redelijk termijn ontbreekt.\n\nZicht op uitzetting\n\n6. Wat betreft het zicht op uitzetting overweegt de rechtbank dat volgens vaste rechtspraak het zicht op uitzetting naar Algerije in het algemeen niet ontbreekt.1 De rechtbank ziet ook geen reden om aan te nemen dat dit in het geval van eiser anders is. De Algerijnse autoriteiten hebben vooralsnog niet aangegeven de identiteit en nationaliteit van eiser niet te kunnen bevestigen. Verder is de minister afhankelijk van de werkwijze van de Algerijnse autoriteiten en de tijd die zij nodig hebben voor het onderzoek.\n\nVoortvarend handelen\n\n7. Verder is het de rechtbank niet gebleken dat de minister sinds de vorige uitspraak van 12 mei 2026 onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. De minister heeft meermalen, laatstelijk op 4 juni 2026, bij de Algerijnse autoriteiten gerappelleerd en daarnaast ook met eiser, laatstelijk op 9 juni 2026, een vertrekgesprek gevoerd. Uit het vertrekgesprek van 8 mei 2026 volgt verder dat eiser verzoekt om bij een eventuele opheffing naar de VBL Ter Apel te worden overgeplaatst. De enkele verklaring dat de minister onvoldoende voortvarend en onzorgvuldig handelt, omdat hij dit medio augustus 2026 met eiser gaat bespreken, volgt de rechtbank verder niet en maakt dit dan ook niet anders.\n\nAmbtshalve toetsing\n\n8. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.\n\n9. Het beroep is ongegrond en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.\n\n10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\n1. ECLI:NL:RVS:2025:722.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep ongegrond;\n\nwijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.E.A. Braeken, rechter, in aanwezigheid van mr. J.B. Thépass, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\n26 juni 2026\n\nDocumentcode: [Documentcode]\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18525","2026-07-13T00:29:28.680Z",{"id":65,"ecli":66,"slug":67,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":68,"fullText":69,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":70,"sourceTimestamp":39,"parsedAt":31,"updatedAt":71},"1598","ECLI:NL:RBDHA:2026:18529","ecli-nl-rbdha-2026-18529","2026-06-25T00:00:00.000Z","uitspraak\n\nRECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.32773\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser] , eiser,\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. L.M. Straver) en\n\nde Minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nProcesverloop\n\nDe minister heeft op 24 april 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder sub a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.\n\nDe minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. De minister heeft vervolgens een verweerschrift ingediend.\n\nDe rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.\n\nOverwegingen\n\nEiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn.\n\nIndien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.\n\n3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 11 mei 2026 (in de zaak NL26.23549) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.\n\n4. Eiser stelt dat de minister onvoldoende voortvarend handelt. Volgens eiser komt dit omdat de minister op de aangevraagde laissez-passer (LP) als geboortedatum [geboortedatum] 2000\n\nheeft opgenomen. Eiser stelt echter dat hij is geboren is in het geboortejaar 2006. Om voldoende voortvarend te handelen moet de minister volgens eiser het geboortejaar 2006 benoemen en niet het geboortejaar 2000. Eiser stelt hierbij voorop dat door het geboortejaar 2006 te benoemen in de LP, dit ervoor zorgt dat de Algerijnse nationaliteiten sneller de identiteit en nationaliteit van eiser kunnen vaststellen.\n\n5. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend handelt.\n\nVoortvarend handelen\n\n6. De minister heeft bevestigd dat in de aanvraag voor een LP de geboortedatum [geboortedatum] 2000 is opgenomen. De minister gaat uit van deze geboortedatum onder verwijzing van zijn besluit van 11 maart 2025. De overlegde foto’s van eiser dateren uit 2024 en zijn dus van voor dit besluit. Nu tegen dit besluit geen rechtsmiddelen meer open staan, staat deze geboortedatum in rechte vast en dient de minister daar ook van uit te gaan in onderhavige procedure. Ook als dit niet de juiste geboortedatum zou zijn dan leidt dat naar het oordeel van de rechtbank niet tot onvoldoende voortvarend handelen door de minister.\n\nDe minister heeft in zijn brief van 4 mei 2026 (in de zaak van NL26.23549) namelijk aangegeven dat de Algerijnse autoriteiten in hun onderzoek van de identiteit en nationaliteit van eiser zijn vingerafdrukken (dacty) betrekken. Dat brengt met zich mee dat de opgegeven geboortedatum van eiser niet van doorslaggevend belang is bij de vaststelling van de identiteit en nationaliteit van eiser. Het opgeven van het geboortejaar 2000 maakt het handelen dus niet onvoldoende voortvarend. Verder blijkt uit de voortgangsrapportage van 15 juni 2026 dat de minister sinds de uitspraak van 11 mei 2026 voor het verkrijgen van een LP diverse keren heeft gerappelleerd bij de Algerijnse autoriteiten, laatstelijk op 4 juni 2026. Daarnaast heeft de minister een vertrekgesprek met eiser gevoerd, namelijk op 2 juni 2026. Daarom valt niet in te zien dat de minister onvoldoende voortvarend zou hebben gehandeld.\n\n7. Ten slotte overweegt de rechtbank dat volgens vaste rechtspraak het zicht op uitzetting in het algemeen naar Algerije niet ontbreekt.1 De rechtbank ziet ook geen reden om aan te nemen dat dit in het geval van eiser anders is. De Algerijnse autoriteiten hebben vooralsnog niet aangegeven de identiteit en nationaliteit van eiser niet te kunnen bevestigen. Verder is de minister afhankelijk van de werkwijze van de Algerijnse autoriteiten en de tijd die zij nodig hebben voor het onderzoek.\n\nAmbtshalve toetsing\n\n9. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.\n\n10. Het beroep is ongegrond en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.\n\n11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\n1. Zie hiervoor de uitspraak van 27 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:722.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep ongegrond;\n\nwijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.E.A. Braeken, rechter, in aanwezigheid van mr. J.B. Thépass, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\n25 juni 2026\n\nDocumentcode: [Documentcode]\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18529","2026-07-13T00:29:28.982Z",{"id":73,"ecli":74,"slug":75,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":68,"fullText":76,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":77,"sourceTimestamp":39,"parsedAt":31,"updatedAt":78},"1593","ECLI:NL:RBDHA:2026:18526","ecli-nl-rbdha-2026-18526","uitspraak\n\nRECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.33045\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser] , eiser,\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.E. Groenenberg) en\n\nde Minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nProcesverloop\n\nDe minister heeft op 19 januari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.\n\nDe minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. De minister heeft vervolgens een verweerschrift ingediend.\n\nDe rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.\n\nOverwegingen\n\nEiser stelt van Tunesische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2003.\n\nIndien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.\n\n3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 10 april 2026 (in de zaak NL26.18331) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.\n\n4. Eiser stelt dat er verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Eiser voert hierbij aan dat de minister weliswaar heeft gerappelleerd naar de Algerijnse autoriteiten, maar dat er\n\nniet kan worden achterhaald of dit een algemeen rappel is voor alle lopende zaken van de minister of voor de zaak van eiser specifiek. Eiser stelt dat een algemeen rappel niet als een uitzettingshandeling kan worden gezien en dat onduidelijk is of verweerder voldoende voortvarend handelt, waardoor de maatregel van bewaring moet worden opgeheven.\n\n5. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend handelt of dat het zicht op uitzetting thans ontbreekt.\n\nVoortvarend handelen\n\n6. Het is de rechtbank niet gebleken dat de minister sinds de vorige uitspraak van 10 april 2026 onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. De minister heeft meermaals, laatstelijk op 4 juni 2026, bij de Algerijnse autoriteiten gerappelleerd en daarnaast ook meermaals, laatstelijk op 15 juni 2026, vertrekgesprekken met eiser gevoerd. De minister heeft toegelicht dat er met regelmaat gecommuniceerd tussen de afdeling DIA van de DT&V en de Algerijnse autoriteiten. Deze communicatie is niet inzichtelijk voor eiser, maar wordt wel opgenomen in de M120, waarmee eiser kan vaststellen dat er voor hem persoonlijk wordt gerappelleerd naar de Algerijnse autoriteiten.\n\nZicht op uitzetting\n\n7. De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak het zicht op uitzetting naar Algerije in zijn algemeenheid niet ontbreekt.1 Eiser heeft geen omstandigheden naar voren gebracht waaruit volgt dat dit in zijn specifieke geval anders ligt.\n\nAmbtshalve toetsing\n\n9. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.\n\n10. Het beroep is ongegrond en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.\n\n11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\n1. ECLI:NL:RVS:2025:722.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep ongegrond;\n\nwijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van mr. J.B. Thépass, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\n25 juni 2026\n\nDocumentcode: [Documentcode]\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18526","2026-07-13T00:29:28.796Z",{"id":80,"ecli":81,"slug":82,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":83,"fullText":84,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":85,"sourceTimestamp":86,"parsedAt":31,"updatedAt":87},"499","ECLI:NL:RBDHA:2025:22099","ecli-nl-rbdha-2025-22099","2025-11-21T00:00:00.000Z","uitspraak\n\nRECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: NL25.54840 en NL25.54841\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen\n\n [eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. F. Boone), en\n\nde Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. S.H.F. Pols).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 14 oktober 2025 (bestreden besluit 1) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. De minister heeft deze maatregel van bewaring op 29 oktober 2025 opgeheven.\n\nBij besluit van 29 oktober 2025 (bestreden besluit 2) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid en onder a, van de Vw opgelegd.\n\nEiser heeft tegen beide besluiten beroep ingesteld. Deze beroepen moeten tevens worden aangemerkt als verzoeken om toekenning van schadevergoeding.\n\nDe rechtbank heeft de beroepen op 17 november 2025 gelijktijdig op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen Z. Cabir. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. Eiser stelt van Bengaalse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1992.\n\n2. Omdat de maatregel van bewaring van 14 oktober 2025 (bestreden besluit 1) is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.\n\nTolk\n\n3. Eiser voert aan dat tijdens het gehoor voor inbewaringstelling op 14 oktober 2025 geen gebruik is gemaakt van een beëdigd tolk. In het gehoorverslag staat dat er geen beëdigd tolk beschikbaar zou zijn in de taal Bengali, maar die is er volgens eiser wel. Ook in het gehoor voor inbewaringstelling op 29 oktober 2025 is geen gebruik gemaakt van een beëdigd tolk. In beide gespreksverslagen is niet gemotiveerd waarom gebruik is gemaakt van een niet-beëdigd tolk.\n\n4. De rechtbank overweegt als volgt. In beide gehoren is gebruik gemaakt van dezelfde niet-beëdigde tolk, omdat er op dat moment geen beëdigd tolk in de taal Bengali beschikbaar was. De rechtbank ziet niet in dat eiser in zijn belangen is geschaad door het gebruik van een niet-beëdigd tolk. Volgens beide op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van de gehoren heeft eiser verklaard de tolk steeds goed te verstaan en te begrijpen. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nBewaringsgronden\n\n5. In beide maatregelen van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vorderde, omdat het risico bestond en bestaat dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken en eiser de voorbereiding van de asielprocedure respectievelijk het vertrek of de uitzettingsprocedure ontweek of belemmerde. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden in beide besluiten – met uitzondering van de zware grond onder 3i, die staat enkel vermeld in bestreden besluit 2– vermeld dat eiser:\n\n3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;\n\n3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;\n\n3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;\n\n3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;\n\n3i. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden in beide besluiten vermeld dat eiser:\n\n4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;\n\n4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;\n\n4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;\n\n4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;\n\n4f. arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen.\n\n6. Eiser betwist de zware grond onder 3d en de lichte grond onder 4f. De rechtbank is echter van oordeel dat de niet betwiste zware gronden onder 3a, 3b, 3c en 3i en de lichte gronden onder 4a, 4b, 4c en 4d feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn. Deze gronden kunnen de maatregelen van bewaring dragen, omdat hieruit een risico op onttrekking aan het toezicht blijkt. De rechtbank laat de door eiser betwiste gronden om die reden verder onbesproken.\n\nLichter middel\n\n7. Eiser stelt dat de minister had moeten volstaan met het opleggen van een lichter middel dan de maatregel van bewaring, zoals een vrijheidsbeperkende maatregel.\n\n8. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat niet kan worden volstaan met een lichter middel. Uit de niet betwiste gronden en de motivering daarvan blijkt al dat er een risico op onttrekking aan het toezicht bestaat. Daarnaast zijn in de afweging of een lichter middel kan worden toegepast, de verklaringen van eiser over zijn medische situatie betrokken. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nZicht op uitzetting\n\n9. Eiser stelt dat er in zijn geval geen zicht is op uitzetting naar Bangladesh. Hiertoe voert hij aan dat er momenteel geen laissez-passer(lp)-traject loopt en ook geen lp-traject kan worden opgestart met de informatie die op dit moment bekend is.\n\n10. De rechtbank overweegt als volgt. De minister heeft ter zitting verklaard dat de Bengaalse autoriteiten een eerdere lp-aanvraag voor eiser hebben afgewezen op 15 juli 2024. De vertegenwoordiger van Bangladesh heeft toen geconstateerd dat de door eiser verstrekte (kopie)geboorteakte niet echt is. De minister heeft daarom in het vertrekgesprek van 13 november 2025 aangegeven dat eiser zelf dient te onderbouwen wie hij is en wat zijn nationaliteit is door bijvoorbeeld stukken op te vragen bij familieleden in Bangladesh of zich te wenden tot de autoriteiten van Bangladesh. Zoals volgt uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State1 mag van eiser worden verwacht dat hij actief en volledig meewerkt aan de vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit. De rechtbank acht niet gebleken dat eiser daartoe niet in staat is, ook al heeft hij Bangladesh geruime tijd geleden verlaten en stelt hij geen contact meer te hebben met zijn familie in Bangladesh. Daarom ziet de rechtbank in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat er geen zicht op uitzetting naar Bangladesh is. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nVoortvarend handelen\n\n11. Eiser stelt dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Er is nog geen enkele informatie overgelegd over de voortgang van eisers zaak. Eiser stelt dat hierdoor sprake is van een gebrek.\n\n12. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Na de oplegging van de huidige maatregel van bewaring (bestreden besluit 2) zijn op 31 oktober 2025 en 13 november 2025 met eiser vertrekgesprekken gevoerd. Op 31 oktober 2025 is aanvankelijk een lp-aanvraag aan de Directie Internationale Aangelegenheden verzonden, maar deze aanvraag is niet extern doorgezet als gevolg van de eerdere bevindingen van de Bengaalse autoriteiten en het gebrek aan andere documenten. De minister zal ten behoeve van de uitzetting regelmatig vertrekgesprekken met eiser blijven voeren. Deze handelingen zijn naar het oordeel van de rechtbank voldoende om te oordelen dat de minister voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. De beroepsgrond slaagt niet.\n\n1. Vergelijk ABRvS 22 februari 2006 (ECLI:NL:RVS:2006:AV3295) en ABRvS 23 april 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BI3894).\n\nAmbtshalve toetsing\n\n13. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregelen van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig waren. Op grond van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.\n\nConclusie\n\n14. De beroepen zijn ongegrond. Daarom worden ook de verzoeken om schadevergoeding afgewezen.\n\n15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart de beroepen ongegrond;\n\nwijst de verzoeken om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. D. Verduijn, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\n21 november 2025\n\nDocumentcode: [Documentcode]\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:22099","2025-11-24T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:33.601Z",{"id":89,"ecli":90,"slug":91,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":83,"fullText":92,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":93,"sourceTimestamp":86,"parsedAt":31,"updatedAt":94},"501","ECLI:NL:RBDHA:2025:22097","ecli-nl-rbdha-2025-22097","uitspraak\n\nRECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.52086\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. S. Oukil),\n\nen\n\nde Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. W. Vrooman).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 23 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.\n\nEiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.\n\nDe minister heeft op 29 oktober 2025 de maatregel van bewaring opgeheven.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 3 november 2025 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1968.\n\n2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.\n\n3. Eiser heeft aangevoerd dat de staandehouding onrechtmatig was omdat hij ten tijde van de staandehouding rechtmatig in Nederland verbleef op grond van de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 10 juli 2025, kenmerk AWB 25\u002F3308. Eiser mocht dus niet worden uitgezet. Daarbij komt nog dat het besluit van de minister van 23 oktober 2025 tot ongegrondverklaring van het bezwaar niet op de juiste wijze is bekendgemaakt: de gemachtigde van eiser in die zaak had ten tijde van het indienen van de gronden tegen de maatregel nog geen besluit ontvangen. Verder is onduidelijk waarom eiser is staande gehouden. Uit het proces-verbaal staandehouding\u002Foverbrenging\u002Foverdracht van 23 oktober 2025 blijkt niet dat het besluit van 23 oktober 2025 aan eiser is uitgereikt, althans welk besluit aan hem is uitgereikt en ook niet dat eiser is staande gehouden tijdens zijn meldplicht. Volgens eiser moeten alle relevante feiten en omstandigheden die tot de staandehouding hebben geleid, worden opgenomen in het proces-verbaal staandehouding.\n\n4. De rechtbank stelt vast dat uit het proces-verbaal staandehouding\u002Foverbrenging\u002Foverdracht van 23 oktober 2025 blijkt dat eiser zich op die datum is staande gehouden in het politiebureau te Utrecht. In het formulier “HV-21 Formulier bijzonderheden zaak” van 23 oktober 2025 staat vermeld dat deze staandehouding plaatsvond bij de wekelijkse meldplicht van eiser. Uit het verslag van een met eiser op dezelfde datum gehouden vertrekgesprek blijkt duidelijk dat het besluit van 23 oktober 2025 aan eiser is uitgereikt en dat eiser voor de ontvangst van het besluit getekend heeft.\n\n5. De rechtbank overweegt dat noch uit de wet, noch uit de jurisprudentie, volgt dat alle voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de staandehouding relevante feiten en omstandigheden moeten zijn opgenomen in het proces-verbaal van staandehouding. De minister kan hiervoor ook verwijzen naar andere in het dossier opgenomen stukken, zo lang de rechtbank uit het samenstel van de betreffende stukken voldoende informatie heeft om de gehele relevante context van feiten en omstandigheden die tot de staandehouding hebben geleid, te beoordelen. Naar het oordeel van de rechtbank is dit hier het geval. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat het besluit van 23 oktober 2025 rechtsgeldig aan eiser is uitgereikt en bekendgemaakt en daardoor in werking is getreden conform de artikelen 3:40 en 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht. Vanaf dat moment was eiser niet meer rechtmatig in Nederland en mocht hij op grond van het bepaalde in artikel 50 van de Vw staande worden gehouden. Dat het besluit niet op de dag van staandehouding bekend was bij de gemachtigde van eiser in de reguliere verblijfsprocedure, geeft de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\n6. Eiser voert aan dat voor het opleggen van de maatregel van bewaring onvoldoende gronden aanwezig waren, omdat eiser ten tijde van de inbewaringstelling niet verwijderbaar was. Hij verblijft bij zijn moeder in [plaats] en er is geen sprake van niet actief meewerken aan de uitzetting. Tot aan de staandehouding had eiser procedureel rechtmatig verblijf en was er geen sprake van een vertrekplicht, dus hoefde eiser daar ook niet aan mee te werken.\n\n7. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vorderde, omdat het risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontweek of belemmerde. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:\n\n3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;\n\n3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;\n\n3h. tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 van de Wet of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Wet;\n\n3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden vermeld dat eiser:\n\n4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;\n\n4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;\n\n4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.\n\n8. Verweerder heeft ter zitting de gronden 4c en 4d ingetrokken.\n\n9. Wat eiser heeft aangevoerd geeft geen aanleiding de gronden van de maatregel van bewaring onvoldoende te achten. De reden hiervoor is, zoals de rechtbank hierboven heeft overwogen, dat eiser ten tijde van het opleggen van de maatregel niet rechtmatig in Nederland verbleef. De minister heef daarom de gronden 3c, 3h en 3i aan de maatregel ten grondslag mogen leggen. Omdat deze gronden voldoende zijn om de maatregel te kunnen dragen, behoeven de andere gronden geen bespreking meer. Dat bij de motivering van de gronden niet expliciet is verwezen naar het besluit van 23 oktober 2025 maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat deze gronden niet feitelijk juist zijn. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\n10. Eiser heeft vervolgens betoogd dat de minister had dienen te volstaan met de oplegging van een lichter middel. Hij verbleef bij zijn moeder in [plaats] en is dus traceerbaar.\n\n11. Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder; verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674) en 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).\n\n12. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is naar het oordeel van de rechtbank gebleken dat eiser sinds 2017 onrechtmatig in Nederland was en sinds die tijd niet heeft voldaan aan zijn vertrekplicht. Hij heeft zich enkele malen niet gemeld en in 2023 is hij met onbekende bestemming vertrokken. Verder stelt hij af en toe in [plaats] te verblijven, maar noemt hij geen adres. Dit is door eiser niet bestreden. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet heeft hoeven te volstaan met de oplegging van een lichter middel. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\n13. Eiser heeft ten slotte aangevoerd dat hij detentieongeschikt is. Hij heeft een tumor in zijn rug en hij heeft suikerziekte. Hij krijgt niet al zijn medicatie en heeft regelmatig epileptische aanvallen.\n\n14. De rechtbank stelt voorop dat het aan eiser is om aan te tonen dat hij detentieongeschikt is. Bij de gronden van het beroep is een medische verklaring op naam van eiser overgelegd uit 2016 en een patiëntenkaart met medische gegevens over de periode 2015-2024, waarop geen naam is vermeld, zodat niet duidelijk is of deze gegevens betrekking hebben op eiser. Nog afgezien daarvan is daaruit niet af te leiden dat er sprake is van detentieongeschiktheid. De rechtbank wijst nog op het formulier “HV-21 Formulier bijzonderheden zaak” van 23 oktober 2025, waarin – kort weergegeven - is vermeld dat eiser veel kwalen heeft en veel medicijnen gebruikt en dat daarom een arts gebeld is die eiser telefonisch heeft geconsulteerd en insluitwaardig heeft bevonden. Tijdens het ophoudingsgehoor heeft eiser verklaard dat hij epilepsie, longemfyseem en een goedaardige tumor in zijn rug heeft. Uit deze verklaring en uit hetgeen hij bij het gehoor tijdens de inbewaringstelling heeft verklaard hoefde de minister naar het oordeel van de rechtbank niet te concluderen dat eiser detentieongeschikt was. Indien eiser van menig is dat zijn klachten dusdanig verergeren of zijn verergerd dat er wel sprake zou kunnen zijn van detentieongeschiktheid, staat het hem vrij om zich te melden bij de medische dienst in het detentiecentrum. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\n15. Uit het arrest Adrar (uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 september 2025, ECLI:EU:2025:647) volgt dat de bewaringsrechter verplicht is om – zo nodig ambtshalve – na te gaan of het beginsel van non-refoulement, het belang van het kind en het familie- en gezinsleven zich verzetten tegen de verwijdering ven een vreemdeling.\n\n16. De rechtbank is van oordeel dat het dossier van eiser geen aanknopingspunten biedt voor het vermoeden dat met de uitvoering van het terugkeerbesluit afbreuk wordt gedaan aan het beginsel van non-refoulement, het belang van het kind en het familie-en gezinsleven.\n\n17. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing voor het overige niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.\n\n18. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.\n\n19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep ongegrond;\n\nwijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.E.A. Braeken, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Bruins, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\n21 november 2025\n\nDocumentcode: [Documentcode]\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:22097","2026-07-13T00:28:33.668Z",{"id":96,"ecli":97,"slug":98,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":99,"fullText":100,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":101,"sourceTimestamp":102,"parsedAt":31,"updatedAt":103},"492","ECLI:NL:RBDHA:2025:16841","ecli-nl-rbdha-2025-16841","2025-09-01T00:00:00.000Z","uitspraak\n\nRECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.39072\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. E. Schoneveld),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: S. Faddach).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 18 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.\n\nEiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.\n\nDe rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL25.39079, op 25 augustus 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen H. Jafoute. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. Eiser heeft de Algerijnse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1992.\n\nWerkt de onrechtmatigheid van de vorige maatregel(en) door in de huidige maatregel?\n\n2. Eiser stelt dat de maatregel van bewaring van 18 augustus 2025 vanaf aanvang onrechtmatig is. Eiser voert daartoe aan dat de minister de vorige maatregel van bewaring (op de grondslag van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw) van 22 juli 2025 veel te laat heeft omgezet. Eiser heeft op 13 augustus 2025 een asielwens geuit, en de minister had de vorige maatregel op die dag moeten opheffen en omzetten. Eiser verwijst daartoe naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 3 december 2024.1 In die uitspraak heeft de rechtbank er onder andere op gewezen dat een vreemdeling die een asielaanvraag doet onder de Opvangrichtlijn2 valt (en niet meer onder de Terugkeerrichtlijn3), en dat er een beoordeling van proportionaliteit en evenredigheid moet plaatsvinden. De rechtbank heeft in die uitspraak ook overwogen dat er geen opzet op het onrechtmatig voortduren van de vrijheidsontneming vereist is om van een willekeurige vrijheidsontneming te kunnen spreken. Eiser wijst er verder op dat ook de eerdere maatregel van bewaring van 23 juni 2025 (op de grondslag van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw) niet tijdig is omgezet. Nu de minister de twee voorgaande maatregelen van bewaring niet tijdig heeft omgezet, moet dit volgens eiser doorwerken in de huidige maatregel.\n\n1. ECLI:NL:RBDHA:2024:20144.\n\n2 Richtlijn 2013\u002F33\u002FEU.\n\n3. De rechtbank stelt vast dat eiser een vervolgberoep als bedoeld in artikel 96 van de Vw tegen de voorgaande maatregel van 22 juli 2025 heeft ingediend (zaak NL25.39079). In die zaak heeft de minister schadevergoeding aangeboden voor drie dagen onrechtmatige bewaring. Bij uitspraak van vandaag heeft de rechtbank geoordeeld dat het vervolgberoep van eiser gegrond is, en dat de voorgaande maatregel van bewaring onrechtmatig was over de periode van 16 augustus 2025 t\u002Fm 18 augustus 2025. De rechtbank heeft in die uitspraak ook toegelicht waarom zij het betoog van eiser, dat de maatregel onrechtmatig was vanaf 13 augustus 2025, niet volgt. Eiser heeft ook een vervolgberoep ingediend tegen de (te late omzetting van de) maatregel van 23 juni 2025 (zaak NL25.37275). In die zaak heeft de minister schadevergoeding aangeboden voor één dag onrechtmatige bewaring. Eiser heeft in die zaak het aanbod van de minister geaccepteerd en het vervolgberoep ingetrokken.\n\n4. Uit het arrest Bouskoura van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 oktober 20244 leidt de rechtbank af dat, indien de onrechtmatigheid van een maatregel is vastgesteld, dit niet reeds hierom inhoudt dat een direct aansluitende nieuwe maatregel ook onrechtmatig is, tenzij er sprake is van kwade trouw of misleiding van de zijde van het bestuursorgaan. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval niet gebleken.\n\n5. Vervolgens ziet de rechtbank zich geplaatst voor de vraag of sprake is van een andere zodanig ernstige schending van het recht om in vrijheid te worden gesteld zodra de vrijheidsbeneming onrechtmatig is geworden, dat dit om die reden moet leiden tot onrechtmatigheid van de huidige maatregel. De rechtbank wijst op vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling)5 waarbij als uitgangspunt geldt dat een gebrek in de eerste maatregel van bewaring de daaropvolgende maatregel niet alleen al daarom van het begin af aan onrechtmatig maakt. Wel komt, zo blijkt uit de uitspraak van de Afdeling van 26 april 20216, bijvoorbeeld aan een opeenstapeling van ernstige gebreken een zwaar gewicht toe, wat ertoe kan leiden dat op voormeld uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt. Uit de uitspraken van de Afdeling van 12 juni 20187 en 26 april 20218, volgt verder dat op voormeld uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt in geval van een ernstige schending van het fundamentele recht om in vrijheid te worden gesteld indien de bewaring onrechtmatig is.\n\n3 Richtlijn 2008\u002F115\u002FEG.\n\n4 ECLI:EU:C:2024:868.\n\n5 Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 11 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3508 en van 13 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2005.\n\n6 ECLI:NL:RVS:2021:885.\n\n7 ECLI:NL:RVS:2018:2083.\n\n8 ECLI:NL:RVS:2021:885.\n\n6. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van een ernstige schending van het fundamentele recht van eiser om in vrijheid te worden gesteld indien de bewaring onrechtmatig is. Dat eiser voorafgaand aan de oplegging van de huidige maatregel drie dagen op een onjuiste wettelijke grondslag in bewaring heeft verbleven, acht de rechtbank daarvoor onvoldoende. De rechtbank verwijst daarvoor naar de uitspraak van de Afdeling van 11 september 20239 waarin ook sprake was van een bewaring op een onjuiste grondslag, waardoor die vreemdeling negen dagen onrechtmatig in bewaring zat. In die zaak heeft de Afdeling geoordeeld dat van een ernstige schending in vorenbedoelde zin geen sprake was. Verder betekent het feit dat ook de maatregel van 26 juni 2025 niet tijdig is omgezet, niet dat sprake is van een opeenstapeling van ernstige gebreken zoals bedoeld in de Afdelingsjurisprudentie. Deze jurisprudentie biedt geen aanknopingspunten dat bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de huidige maatregel gebreken in een maatregel die daar niet direct aan voorafging, moeten worden meegenomen. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nInformatieplicht\n\n7. Eiser voert aan dat de informatiefolder bij de maatregel van bewaring niet toereikend is, omdat eiser daarmee niet is ingelicht over de mogelijkheid om zelf beroep in te stellen. Er staat namelijk: “U kunt in beroep gaan tegen de maatregel van bewaring. Dit dient u met uw advocaat te bespreken.” De minister heeft volgens eiser dus niet voldaan aan zijn informatieplicht, als bedoeld in artikel 5.3, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).\n\n8. De rechtbank oordeelt dat de beroepsgrond geen doel treft. Eiser had al bijstand van zijn gemachtigde, en deze heeft namens hem op 19 augustus 2025 beroep ingesteld tegen de maatregel van bewaring. Of eiser wel of niet is ingelicht over de mogelijkheid om zelf beroep in te stellen, is in zijn zaak dus niet van betekenis omdat duidelijk is dat eiser niet in zijn belangen is geschaad.\n\nGrondslag en gronden van de maatregel van bewaring\n\n9. In de maatregel van bewaring heeft de minister (in het kader van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw) overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van een asielaanvraag. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vb, als zware gronden vermeld dat eiser:\n\n3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;\n\n3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;\n\n3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;\n\n3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;\n\nen als lichte gronden vermeld dat eiser:\n\n4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;\n\n4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die9. ECLI:NL:RVS:2023:3508.\n\nniet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid; 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;\n\n4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;\n\n4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.\n\n10. De minister heeft op de zitting de zware grond onder 3d en de lichte grond onder 4e laten vallen. De rechtbank stelt vast dat eiser de overige gronden niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden en de motivering daarvan de maatregel van bewaring kunnen dragen.\n\n11. De rechtbank stelt verder vast dat eiser niet heeft betwist dat hij op de grondslag van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw in bewaring mocht worden gesteld. De rechtbank is van oordeel dat ook deze grondslag in de maatregel van bewaring voldoende is gemotiveerd.\n\nLichter middel\n\n12. Eiser voert aan dat de minister bij de oplegging van de maatregel van bewaring geen nieuw onderzoek heeft gedaan naar de proportionaliteit en evenredigheid van de inbewaringstelling. De minister heeft enkel gekeken naar de vorige maatregel en de informatie die toen beschikbaar was. Eiser heeft in beroep zijn medische dossier overgelegd. Eiser verklaart dat zijn medische klachten verergeren door de detentie en dat hij op dit moment onder cameratoezicht staat. De minister moet daarom volstaan met een lichter middel dan bewaring.\n\n13. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende onderzoek heeft gedaan naar de vraag of moet worden volstaan met een lichter middel. Eiser is voorafgaand aan het opleggen van de maatregel van bewaring gehoord, en heeft in dat gehoor zijn belangen naar voren kunnen brengen. Uit de maatregel van bewaring blijkt dat de zienswijze van eiser ook in de afweging is betrokken. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister zich, gelet op de gronden en de motivering daarvan, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in het geval van eiser niet kan worden volstaan met een lichter middel dan de maatregel van bewaring. Onder andere is van belang dat eiser op 2 februari 2024 met onbekende bestemming is vertrokken en al drie keer een asielaanvraag heeft ingediend. Ook heeft eiser de tegenwerping van de minister, dat op redelijke gronden aangenomen kan worden dat zijn huidige asielaanvraag louter is ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen, niet betwist. Over de medische situatie van eiser overweegt de rechtbank dat eiser in detentie toegang heeft tot medische zorg die gelijkwaardig is aan die in de vrije maatschappij, en dat in de maatregel van bewaring ook gewezen is op de mogelijkheid om eiser over te plaatsen naar een regulier ziekenhuis, een penitentiair psychiatrisch centrum of een gesloten gezondheidsinstelling. De rechtbank ziet in de documenten die voorhanden zijn en de verklaringen van eiser geen aanleiding om te oordelen dat de medische zorg in het detentiecentrum tekort schiet. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nAmbtshalve toetsing\n\n14. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.\n\nConclusie\n\n15. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep ongegrond;\n\nwijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. D. Verduijn, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\n01 september 2025\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:16841","2025-09-12T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:33.220Z",{"id":105,"ecli":106,"slug":107,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":108,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":109,"sourceTimestamp":110,"parsedAt":31,"updatedAt":111},"489","ECLI:NL:RBDHA:2025:17556","ecli-nl-rbdha-2025-17556","uitspraakRECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.32556 en NL25.34224 Rectificatie pagina 3 en 4\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. H. Drenth),\n\nen\n\nde Minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. S.H.F. Pols).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 12 mei 2025 heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.\n\nEiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring van 12 mei 2025 beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.\n\nBij besluit van 8 juli 2025 heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.\n\nEiser heeft tegen het besluit van 8 juli 2025 beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.\n\nDe rechtbank heeft de beroepen op 28 juli 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. V. Senczuk, als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen 1. Zyad. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1993.\n\nOmzetting maatregel van bewaring\n\n2. Eiser heeft aangevoerd dat hij eerder bij besluit van 12 mei 2025 op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw in vreemdelingenbewaring is gesteld. Hij heeft op 3 juli 2025 het door hem ingediende rechtsmiddel tegen de afwijzende asielbeschikking ingetrokken en vervolgens is die maatregel pas op 8 juli 2025 opgeheven en omgezet naar de huidige maatregel. Eiser is van mening dat de onrechtmatigheid van de voorafgaande maatregel van bewaring en de omstandigheid dat eiser drie dagen op een ongeldige titel in bewaring heeft gezeten, een zodanig ernstige schending is van het recht om in vrijheid te worden gesteld zodra de vrijheidsbeneming onrechtmatig is geworden, dat die onrechtmatigheid moet doorwerken in de huidige maatregel.\n\n3. Ter zitting heeft de minister erkend dat deze vorige maatregel onrechtmatig is geworden omdat de maatregel op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw te laat is omgezet naar de huidige maatregel van 8 juli 2025. De minister heeft eiser schadevergoeding aangeboden ten bedrage van€ 300,-. De onrechtmatigheid van de vorige maatregel raakt volgens de minister de huidige maatregel niet. De minister ziet dan ook geen aanleiding om de huidige maatregel op te heffen.\n\n4. Uit het arrest Bouskoura van 4 oktober 20241 leidt de rechtbank af dat, indien de onrechtmatigheid van een maatregel is vastgesteld, dit niet reeds hierom inhoudt dat een direct aansluitende nieuwe maatregel ook onrechtmatig is, tenzij er sprake is van kwade trouw of misleiding van de zijde van het bestuursorgaan. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken.\n\n5. Vervolgens ziet de rechtbank zich geplaatst voor de vraag of sprake is van een andere zodanig ernstige schending van het recht om in vrijheid te worden gesteld zodra de vrijheidsbeneming onrechtmatig is geworden, dat dit om die reden moet leiden tot onrechtmatigheid van de huidige maatregel. De rechtbank wijst op vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling)2 waarbij als uitgangspunt geldt dat een gebrek in de eerste maatregel van bewaring de daaropvolgende maatregel niet alleen al daarom van het begin af aan onrechtmatig maakt. Wel komt, zo blijkt uit de uitspraak van de Afdeling van 26 april 20213, bijvoorbeeld aan een opeenstapeling van ernstige gebreken een zwaar gewicht toe, wat ertoe kan leiden dat op voormeld uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt. Uit de uitspraken van de Afdeling van 12 juni 20184 en 26 apri1 20215, volgt verder dat op voormeld uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt in geval van een ernstige schending van het fundamentele recht om in vrijheid te worden gesteld indien de bewaring onrechtmatig is. Anders dan eiser stelt is van dat laatste in zijn geval geen sprake, ook niet indien eiser zou moeten worden gevolgd in zijn betoog dat hij voorafgaande aan de oplegging van de huidige maatregel drie dagen op een onjuiste wettelijke grondslag in bewaring heeft verbleven. De rechtbank verwijst daarvoor naar de uitspraak van de Afdeling van 11 september 20236 waarin ook sprake was van een bewaring op een onjuiste grondslag, waardoor die vreemdeling negen dagen onrechtmatig in bewaring zat. In die zaak heeft de Afdeling geoordeeld dat van een ernstige schending in vorenbedoelde zin geen sprake was. Nu bovendien ook niet is gebleken van andere gebreken dan het gebrek dat eiser stelt, is van een openstapeling van gebreken evenmin sprake. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\n1 ECLI:EU:C:2024:868.\n\n2 Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 11 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3508 en van 13 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2005.\n\n3 ECLI:NL:RVS:2021:885.\n\n4 ECLI:NL:RVS:2018:2083.\n\n5ECLI:NL:RVS:2021:885.\n\n6 ECLI:NL:RVS:2023:3508.\n\nBewaringsgronden\n\n6. In de maatregel van bewaring van 8 juli 2025 heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:\n\n3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;\n\n3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;\n\n3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;\n\n3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;\n\n3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat; 3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;\n\nen als lichte gronden vermeld dat eiser\n\n4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;\n\n4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;\n\n4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;\n\n4f. arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gronden van de maatregel van bewaring van 8 juli 2025 niet zijn betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn. De gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen.\n\nAmbtshalve toetsing\n\n8. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.\n\nConclusie\n\n9. Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring van 12 mei 2025 is gegrond. Daarbij heeft de minister een schadevergoeding van€ 300,- aan eiser aangeboden, namelijk 3 dagen onrechtmatige tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel dus 3 x € 100,00- (verblijf detentiecentrum)=€ 300,-. Het beroep tegen de maatregel van bewaring van 8 juli 2025 is ongegrond. Daarom wordt dat verzoek om schadevergoeding afgewezen.\n\n10. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten met betrekking tot het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring van 12 mei 2025. \n\nDeze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskostenbestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op€1.814,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van€ 907,- en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring van 12 mei 2025 gegrond;\n\n- verklaart het beroep tegen de maatregel van bewaring van 8 juli 2025 ongegrond;\n\n- veroordeelt de Staat Der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van€ 300,- te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van€ 1.814,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\n01 augustus 2025\n\nDe griffier is verhinderd om te ondertekenen.\n\ngriffier\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak voor zover die over het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring van 12 mei 2025 staat geen rechtsmiddel open.\n\nTegen deze uitspraak voor zover die gaat over het beroep tegen de maatregel van bewaring van 8 juli 2025 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:17556","2025-09-25T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:33.075Z",1,20]