[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-zwolle-criminal-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":26,"total":16,"page":25,"limit":84},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},57,"Zwolle","nl","zwolle",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},87,"criminal-law-nl","Criminal Law","NL","2026-07-08T16:55:44.350Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},7,{"min":18,"max":19},"2025-09-12T00:00:00.000Z","2026-07-03T00:00:00.000Z",[21],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"122861","Ziektewet","art. 49",1,[27,38,45,54,63,70,77],{"id":28,"ecli":29,"slug":30,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":32,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":34,"sourceTimestamp":35,"parsedAt":36,"updatedAt":37},"1616","ECLI:NL:GHARL:2026:4367","ecli-nl-gharl-2026-4367","","Afdeling strafrecht\n\nParketnummer: 21-001530-22\n\nUitspraakdatum: 3 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 7 april 2022 met parketnummer 16-047826-20 in de strafzaak tegen\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedag] 1975 in [geboorteplaats] ,\n\nwonende te [adres]\n\nHoger beroep\n\nVerdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voornoemd vonnis van de rechtbank.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 12 maart 2025 en 19 juni 2026 en het onderzoek op de terechtzitting van de rechtbank.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot\n\nveroordeling van verdachte ten aanzien van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten tot een taakstraf van 200 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren.\n\nniet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij in zijn vordering.\n\nDeze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.\n\nVerder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. W.J. Ausma, hebben aangevoerd.\n\nHet vonnis\n\nDe rechtbank heeft verdachte bij voornoemd vonnis veroordeeld ten aanzien van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten tot een taakstraf van 240 uren, bij niet naar behoren uitvoeren te vervangen door 120 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren. Verder heeft de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering.\n\nEr is in hoger beroep veel besproken en daarnaast zal het hof verdachte een andere straf opleggen. Daarom zal het hof het vonnis van de rechtbank vernietigen en opnieuw rechtdoen.\n\nTenlastelegging\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\n1. hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 2 september 2017 tot en met 23 oktober 2017 te [plaats 1] en\u002Fof [plaats 2] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (telkens) opzettelijk en wederrechtelijk in een (gedeelte van) (een) geautomatiseerd(e) werk(en), te weten computersyste(e)m(en) en\u002Fof server(s) van slachtoffer [benadeelde] en\u002Fof [naam 19] , is\u002Fzijn binnengedrongen door het doorbreken van een beveiliging en\u002Fof door een technische ingreep en\u002Fof met behulp van valse signalen of een valse sleutel en\u002Fof door het aannemen van een valse hoedanigheid te weten door\n\nhet (telkens) onrechtmatig opzetten van (een) Remote Desktop Protocol (RDP) sessie(s)\u002Fverbinding(en) naar het computersysteem van slachtoffer [benadeelde] en\u002Fof\n\nhet (telkens) inloggen met een onrechtmatig verkregen wallet ID en wachtwoord op de wallet van slachtoffer [benadeelde] bij [naam 19]\n\nen\u002Fof\n\nhij, verdachte, en\u002Fof zijn mededader(s) (telkens) door tussenkomst van de\u002Fhet geautomatiseerd(e) werk(en) waarin hij is binnengedrongen (het computersysteem van slachtoffer [benadeelde] ) de toegang heeft verworven tot één of meer geautomatiseerde werk(en) van één of meer derde(n), te weten de computersyste(e)m(en) en\u002Fof server(s) van [naam 19] , welk feit hij, verdachte, (telkens) heeft gepleegd door tussenkomst van een openbaar telecommunicatienetwerk (te weten het internet);\n\n2. hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 2 september 2017 tot en met 23 oktober 2017 te [plaats 1] en\u002Fof [plaats 2] , althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen\n\n30 Bitcoins (ter waarde van 115.380,00 euro) en\u002Fof\n\n30 Bitcoin Cash (ter waarde van 4.922,00 euro),\n\nwelke geheel of ten dele toebehoorde(n) aan slachtoffer [benadeelde] , althans een ander of anderen dan aan hem, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s), waarbij hij, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) de weg te nemen Bitcoins en\u002Fof Bitcoin Cash onder zijn\u002Fhun bereik heeft\u002Fhebben gebracht door middel van (een) valse sleutel(s), te weten\n\neen onrechtmatig verkregen wallet ID en wachtwoord voor het inloggen op de wallet van slachtoffer [benadeelde] bij [naam 19] en\u002Fof\n\neen onrechtmatig verkregen private key van de wallet van slachtoffer [benadeelde] (en deze naar zijn\u002Fhun eigen wallet op [naam 18] geïmporteerd),\n\nin elk geval (een) sleutel(s) tot het gebruik waarvan hij, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) niet gerechtigd was\u002Fwaren.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nBewijsoverweging\n\nStandpunt van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte de ten laste gelegde feiten ontkent en de verklaring die verdachte tegenover medewerkers van [Bedrijfsnaam] heeft afgelegd, niet voor het bewijs kan worden gebruikt. Het ging hier niet om een gedegen politieverhoor met alle waarborgen die daarbij horen. Verdachte is onder druk gezet waardoor hij hem voorgehouden zinnen heeft geciteerd als zijn verklaring, en het geldbedrag en de Bitcoins heeft overgemaakt naar aangever. Het overige in het dossier aanwezige bewijs is onvoldoende om tot een bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten te komen. Dat verdachte een aantal Bitcoins in bezit had met een waarde die vrijwel gelijk was aan de waarde van de weggenomen Bitcoins van aangever maakt dit niet anders. Hiervoor heeft verdachte immers een verklaring gegeven, namelijk dat hij de betreffende Bitcoins voor een deel geërfd had van zijn vader, en verder verworven heeft door mining en trading. Verder kan op basis van het dossier niet worden vastgesteld dat verdachte over de zogeheten private key beschikte om toegang te verkrijgen tot de wallet van aangever. Bovendien blijkt uit de door verdachte overgelegde contra-expertiserapporten dat het niet mogelijk is om de private key te exporteren en te kopiëren. Daarbij komt dat niet bewezen kan worden dat verdachte de persoon is achter de 4 relevante RDP-sessies die in het rapport van [Bedrijfsnaam] aan hem worden toegeschreven. Bij 3 van deze sessies wordt geen herkenbaar IP-adres gevonden. Bij de RDP-sessie van 2 september 2017 wordt ingelogd op [naam 19] via het IP-adres van verdachte. Hierover heeft verdachte in hoger beroep verklaard dat hij niet de persoon is geweest die achter die sessie zit en dat het mogelijk is dat een ander een eerdere RDP-sessie die hij wel had gestart heeft overgenomen. Ook wordt in het rapport van [Bedrijfsnaam] gesteld dat door middel van de desbetreffende RDP-sessies vermoedelijk op de wallet van aangever is ingelogd. Dit blijkt echter verder niet uit het dossier. Bij de RDP-sessie in de nacht van 17 op 18 oktober 2017 zou op de webmail van [naam1] , het bedrijf van verdachte, zijn ingelogd. Ook dit wijst verdachte echter niet noodzakelijkerwijs aan als de persoon die achter de betreffende RDP-sessie zit. Iedereen die een account in gebruik had op dezelfde webmail had daarop kunnen inloggen, ook aangever zelf. Bovendien heeft verdachte stukken overgelegd waaruit blijkt dat ook sprake is geweest van een hack waardoor gebruikersnamen en wachtwoorden zijn buitgemaakt. Het kan hierdoor goed zijn dat het hier ook om de gegevens van aangever ging en dat daarmee door toedoen van een ander de cryptomunten uit de wallet zijn verdwenen. Los hiervan heeft verdachte gesteld dat aangever niet heeft kunnen aantonen dat hij over de private key beschikte ten tijde van het verdwijnen van de cryptomunten uit zijn wallet of daarna. Volgens verdachte betekent dit dat niet is aangetoond dat de verdwenen cryptomunten daadwerkelijk in het bezit van aangever zijn geweest. Het wegnemen van de betreffende munten is dan ook niet mogelijk.\n\nOordeel van het hof\n\nBewijsmiddelen\n\nUit het dossier blijkt dat aangever op 24 september 2017 aangifte heeft gedaan. Hij verklaarde in het bezit te zijn geweest van 30 Bitcoins, dat hij op 20 september 2017 samen met een ICT-er zijn [naam 21] -account heeft bekeken en zag dat op (zoals het hof begrijpt) 2 september 2017 rond 01.56 uur 30 Bitcoins uit zijn wallet waren weggenomen. Ook had aangever 30 Bitcoin Cash in zijn wallet die ongeveer 1,5 maand later, op 20 en 23 oktober 2017 uit zijn wallet waren weggenomen.De computer waarop de inlog van zijn [naam 21] -account staat, betreft de werkcomputer in zijn tandartsenpraktijk.\n\nOm na te gaan hoe de cryptomunten uit zijn wallet kunnen zijn verdwenen, heeft aangever op 12 januari 2018 contact opgenomen met [Bedrijfsnaam] . Dit is een bedrijf dat gespecialiseerd is in cyberveiligheid. [Bedrijfsnaam] heeft onderzoek gedaan naar de diefstal van de cryptomunten en daarover een rapport opgesteld.In het rapport schrijft [Bedrijfsnaam] onder meer het volgende:\n\nOpdrachtgever (het hof begrijpt: aangever) maakt sinds 2013 gebruik van een Bitcoinwallet via de website [naam 19] (...) Opdrachtgever heeft verklaard dat door hem gebruik werd gemaakt van het Bitcoinadres [Bitcoinadres] . (...) Op 2 september 2017 om 1:56:33 (blockchaintijd) zijn de 30 Bitcoins in twee transacties verzonden naar een adres dat niet in het bezit of beheer is van Opdrachtgever, te weten [Bitcoinadres2] . Tien dagen later zijn de Bitcoins vanaf dit adres in meerdere delen verzonden naar andere Bitcoinadressen buiten het beheer van Opdrachtgever. [Bedrijfsnaam] stelt vast dat het adres [bitcoinadres3] als wisseladres gebruikt wordt in dezelfde transactie en dus toebehoort aan dezelfde Bitcoinwallet van de dader.\n\n [Bedrijfsnaam] heeft, in opdracht van Opdrachtgever, onderzocht of de 30 Bitcoin Cash ook gestolen is. [Bedrijfsnaam] heeft vastgesteld dat op 20 oktober 2017 rond 1:24 10 Bitcoin Cash van Opdrachtgever is verzonden naar het adres [bitcoinadres4] . [Bedrijfsnaam] heeft vastgesteld dat op 23 oktober 2017 rond 22:49 nog 20 Bitcoin Cash van Opdrachtgever is verzonden naar het adres [bitcoinadres5] .\n\n(…)\n\nRDP (Remote Desktop Protocol) is een standaard onderdeel van het Microsoft Windows besturingssysteem dat mogelijkheid biedt om op afstand in te loggen op een computer. (...) In de nacht van 1 op 2 september 2017 heeft een opvallende RDP-sessie plaatsgevonden naar het praktijksysteem. Deze sessie is gestart om 1:24:13 en geëindigd om 2:09:16. Deze RDP-connectie is opgezet vanuit het 1P-adres [IP-adres] en daarbij is geauthentiseerd met de gebruikersnaam [naam 3] en het wachtwoord behorende bij deze gebruiker. (...) [Bedrijfsnaam] heeft vastgesteld dat de website [naam 19] en [naam 21] zijn bezocht en dat sporen aanwezig zijn die suggereren dat via Chrome ingelogd is op de [naam 19] van Opdrachtgever. Op 2 september 2017 vanaf 1:52 vindt nog meer [naam 19] activiteit plaats. Hierbij kan niet vastgesteld worden welke activiteit in de wallet plaatsvindt. Echter, gezien het tijdstip en de locatie van de activiteit, acht [Bedrijfsnaam] het aannemelijk dat hier de transacties van de 30 Bitcoins plaatsvind. (...)\n\nIn de nacht van dinsdag 17 op woensdag 18 oktober 2017 heeft een verdachte RDP-sessie plaatsgevonden naar het praktijksysteem. Deze sessie is gestart om 23:46:42 en geëindigd om 0:33:21. (...) [Bedrijfsnaam] heeft onderzoek verricht naar de activiteiten gedurende deze RDP-sessie. De internethistorie bevat registraties waaruit duidelijk wordt dat om 0:21:06 de gebruiker via de adresbalk het adres webmail. [naam1] deels intypt en vervolgens bezoekt. Daarbij wordt de URL [naam 17] bezocht. Dit suggereert dat de gebruiker inlogt op een account op de webmailomgeving van [naam1] . [Bedrijfsnaam] heeft vastgesteld dat vervolgens twee URL‘s direct na elkaar geopend zijn: [naam 14] en\n\n [naam 16] .\n\nDit suggereert dat een e-mail bekeken is in de webmailomgeving waarin een plaatje aanwezig was welke opgehaald werd van [naam 19] . Dit zou passen in een scenario waarin een e-mail van [naam 19] is bekeken. (...)\n\nIn de nacht van donderdag 19 op vrijdag 20 oktober 2017 hebben een tweetal verdachte RDP-sessies plaatsgevonden naar het praktijksysteem. (…)\n\nOp woensdag 25 oktober 2017 van 23:47.47 tot 23:58:28 heeft een verdachte RDP-sessie plaatsgevonden naar het praktijksysteem.\n\n(...)\n\n [Bedrijfsnaam] heeft een openbronnenonderzoek verricht naar het IP-adres [IP-adres] . De volgende domeinnamen zijn toegewezen aan het IP-adres:\n\n [naam 5] (sinds 13 juni 2017)\n\n [naam 6] (sinds 2 januari 2016)\n\n [naam 7] nl ( sinds 24 juni 2017)\n\n [naam 8] (sinds 12 februari 2016)\n\n [naam 9] (sinds 17 oktober 2017)\n\nOpvallend zijn de domeinnamen in het domein [naam1] . Deze domeinen zijn alle drie geregistreerd op naam van [naam 10] en\u002Fof [verdachte] .\n\n(…)\n\n [Bedrijfsnaam] heeft onderzoek verricht op het e-mailpostvak van Opdrachtgever. (...) Een van deze partijen is [naam 11] en reageert richting Opdrachtgever op 12 oktober 2017 09:18 (UTC+2) met de algemene melding geen oplossing voor de Bitcoindiefstal te vinden, tevens meldt hij dat er mogelijk nog Bitcoin Cash in de Bitcoinwallet van Opdrachtgever aanwezig is. Deze e-mail wordt op 16 oktober 2017 door Opdrachtgever doorgestuurd naar Betrokkene (het hof begrijpt: verdachte). Betrokkene antwoord dezelfde dag op deze e-mail. [Bedrijfsnaam] acht de timing van deze e-mail relevant, omdat op 17 oktober sinds 1,5 maand weer een verdachte RDP-sessie plaatsvindt naar het praktijksysteem.\n\nMet betrekking tot de in voornoemd rapport van [Bedrijfsnaam] genoemde IP-adres eindigend op * [cijfers] heeft verdachte op de zitting van het hof verklaard dat dat zijn IP-adres is.\n\nVerder blijkt uit het dossier dat onderzoek is gedaan naar bankrekeningnummer [bankrekeningnummer] op naam van verdachte en naar de volgende drie [naam 20] -accounts:\n\n- [verdachte] (User-ID [nummer 1] )\n\nDate of birth: [geboortedag] 1975\n\n- [verdachte] (User-ID [nummer 2] )\n\nDate of birth: [geboortedag] 1975\n\n- [naam 12] (User-ID [nummer 3] )\n\nDate of birth: onbekend\n\nUit de transacties van [naam 20] blijkt dat er Bitcoins zijn verzonden naar de desbetreffende [naam 20] -accounts. In totaal is een bedrag van € 129.031,03 verstuurd naar [naam 20] . Omgerekend met de koers van de transactiedatum gaat dat om 28.05 Bitcoins. In totaal is vanuit de [naam 20] -accounts een bedrag van € 128.326,21 uitbetaald op rekeningen van verdachte, [naam1] , [naam 13] en [naam 10] .\n\nTijdens een gesprek dat verdachte en [Bedrijfsnaam] op 6 maart 2018 hadden, heeft verdachte verklaard dat hij verantwoordelijk is geweest voor het wegnemen van de 30 Bitcoins en de 30 Bitcoin Cash.Ook heeft verdachte verklaard dat hij aangevers wachtwoord te weten is gekomen toen aangever problemen had met zijn browser. Tijdens deze werkzaamheden kwam verdachte erachter wat het wachtwoord was door deze na invoer zichtbaar te maken.Daarbij heeft verdachte op 6 maart 2018 een bedrag van € 77.950,00 overgemaakt naar de rekening van aangever, alsmede 2.94 Bitcoins (toentertijd omgerekend zo’n € 26.000,00) verstuurd naar de wallet van aangever.\n\nVerbalisant [verbalisant] heeft vervolgens de historische transacties van de gestolen Bitcoins van aangever en de door verdachte uitbetaalde Bitcoins aan aangever geanalyseerd in Chainalysis, een [naam 21] analyse tool.Verbalisant [verbalisant] zag dat de Bitcoins uit de wallet van aangever zijn verstuurd naar het Bitcoin-adres [Bitcoinadres2] .Vervolgens zijn de Bitcoins in 9 transacties opgesplitst, die direct of indirect naar Shapeshift.io zijn verstuurd.Shapeshift.io is een platform waar je cryptocurrencies kunt wisselen, een soort digitaal wisselkantoor, maar staat ook wel bekend als Bitcoinmixer. Een mixer is een soort dienst die Bitcointransacties door elkaar husselt, zodat het spoor onderbroken wordt en het traceren van de transacties vrijwel onmogelijk wordt.Middels Chainalysis is het mogelijk om dit spoor toch terug te vinden. Te zien is dat er in verschillende transacties Bitcoins op de accounts van verdachte zijn gestort via Shapeshift.io. Vijf van deze transacties zijn te herleiden naar de wallet van aangever.De door verdachte ontvangen Bitcoins worden vervolgens omgezet in Litebitcredits en uitbetaald op zijn bankrekeningen.\n\nBewijsoverweging\n\nOp grond van de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft gepleegd. Het hof twijfelt niet aan de juistheid en betrouwbaarheid van deze bewijsmiddelen. Het hof overweegt hiertoe aanvullend als volgt.\n\nAnders dan door de verdediging betoogd, is het hof van oordeel dat de door verdachte tegenover de medewerkers van [Bedrijfsnaam] afgelegde bekennende verklaring voor het bewijs kan worden gebruikt. Hoewel het hof wil aannemen dat sprake is geweest van enige druk, die vanzelfsprekend gepaard gaat met dergelijke verhoren, is op basis van het dossier niet gebleken dat deze druk dusdanig zou zijn geweest dat daardoor afbreuk wordt gedaan aan verdachtes verklaring. Bovendien is niet duidelijk geworden hoe de desbetreffende druk ertoe zou hebben moeten leiden dat verdachte een dusdanig specifieke verklaring heeft afgelegd en bovendien een groot geldbedrag en Bitcoins heeft overgeboekt naar aangever aan het eind van het verhoor. Anders dan door verdachte op de zitting van het hof is verklaard, is (mede gelet op de inhoud van de desbetreffende verklaring) niet aannemelijk geworden dat de verklaring die verdachte heeft afgelegd aan verdachte is voorgekauwd door de medewerkers van [Bedrijfsnaam] .\n\nGelet op de inhoud van deze verklaring van verdachte, in samenhang met de andere bewijsmiddelen zoals hierboven uitgewerkt, kunnen de verweren van de verdediging niet slagen voor zover zij inhouden dat verdachte niet over de private key heeft beschikt, dat verdachte niet achter de relevante RDP-sessies zat, dat niet vastgesteld kan worden dat door middel van één van deze sessies in de wallet van aangever is ingelogd en dat mogelijk anderen de cryptomunten hebben weggenomen nadat zij toegang hadden tot de wallet van aangever door middel van een hack.\n\nOok het verweer dat niet aangetoond is dat aangever eigenaar is (geweest) van de wallet en de cryptomunten daarin kan niet slagen. Het hof ziet namelijk geen reden om te twijfelen aan het eigenaarschap van de betreffende [naam 21] -wallet. Dat aangever inderdaad de eigenaar daarvan is, wordt onderbouwd door onderzoek aan de wallet en rekeningafschriften van de bankrekening van aangever door verbalisant [verbalisant] , waaruit blijkt dat op verschillende tijdstippen tussen 12 december 2013 en 2 november 2015 in totaal 30 Bitcoins zijn aangeschaft en betaald vanuit de rekening van aangever.De tijdstippen waarop de Bitcoins in de wallet verschijnen, komen hierbij overeen met de tijdstippen waarop de geldbedragen voor aanschaf van de Bitcoins van de rekening van aangever worden afgeschreven.Anders dan door verdachte betoogd, doet het gegeven dat aangever zijn wachtwoord voor het account op blokchain.info\u002F.com of de bij de wallet behorende private key niet kenbaar heeft gemaakt aan het voorgaande niet af. Zelfs in het geval dat aangever deze informatie ten tijde van het wegnemen van de cryptomunten niet meer zou hebben gehad, had hij daarmee niet zijn eigendom van de cryptomunten verloren (al kon hij dan hooguit niet meer over zijn eigendom beschikken).\n\nOok de stelling van verdachte dat het bedrag dat hij in december 2017 op zijn bankrekening heeft laten uitbetalen afkomstig zou zijn van Bitcoins die hij heeft gekregen van zijn vader, dan wel zelf heeft verworven door te minen of traden, acht het hof in het licht van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen niet aannemelijk geworden. Afgezien van het feit dat verdachte, na zijn stellige toezegging bewijs hiervoor aan te zullen leveren in de vorm van screenshots, op geen enkele wijze dit scenario nader heeft onderbouwd, verklaart dit scenario nog steeds niet het totale aantal Bitcoins dat verdachte in bezit heeft gehad. Verdachte heeft verklaard 20 Bitcoins van zijn vader te hebben gekregen. Naar eigen zeggen heeft hij vervolgens met die Bitcoins gemined en aan daytrading gedaan, waarbij met name dat laatste hem nog eens 5 Bitcoins zou hebben opgeleverd.Bij elkaar opgeteld levert dit 25 Bitcoins op. Daarbij komt dat zowel [Bedrijfsnaam] als verbalisant [verbalisant] onderzoek hebben gedaan naar de historie van Bitcoinadressen op naam van verdachte. Daarbij is geen enkele transactie aangetroffen van vóór de diefstal van de cryptomunten van aangever.\n\nTot slot geldt dat ook de inhoud van de door verdachte overgelegde contra-expertiserapporten niet maken dat de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten niet bewezen zouden kunnen worden. Allereerst geldt in dit kader dat het hof geen conclusies kan trekken op grond van de inhoud van de rapporten nu het voor het hof niet vast te stellen is wie het rapport precies heeft opgesteld en of deze perso(o)n(en) over de daarvoor vereiste (relevante) deskundigheid beschikte(n). Verdachte heeft hierover verklaard dat er meerdere mensen, waaronder ook hijzelf, hebben bijgedragen aan de totstandkoming van de rapporten, dat zij niet bij naam genoemd willen worden en dat de persoon die de rapporten heeft ondertekend een tandarts is (die volgens verdachte veel weet van cryptocurrency).Ook los hiervan geldt echter dat de rapporten van verdachte met name gericht zijn op het presenteren van verschillende alternatieve manieren waarop aangever mogelijk zijn cryptomunten ook zou kunnen hebben verloren, zonder deze nader te concretiseren en onderbouwen in het licht van het dossier en bovendien terwijl een deel van deze manieren al is weerlegd in de door [Bedrijfsnaam] samengestelde onderzoeksrapporten.\n\nHet hof is derhalve van oordeel dat de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:\n\n1. hij op tijdstippen in de periode van 2 september 2017 tot en met 23 oktober 2017 te [plaats 1] , telkens opzettelijk en wederrechtelijk in een (gedeelte van) geautomatiseerde werken, te weten computersystemen en\u002Fof servers van slachtoffer [benadeelde] en [naam 19] , is binnengedrongen door het doorbreken van een beveiliging en door een technische ingreep en met behulp van valse signalen of een valse sleutel en door het aannemen van een valse hoedanigheid te weten door\n\nhet telkens onrechtmatig opzetten van Remote Desktop Protocol (RDP) sessies naar het computersysteem van slachtoffer [benadeelde] en\n\nhet telkens inloggen met een onrechtmatig verkregen wallet ID en wachtwoord op de wallet van slachtoffer [benadeelde] bij [naam 19]\n\nen\n\nhij, verdachte, telkens door tussenkomst van het geautomatiseerde werk waarin hij is binnengedrongen (het computersysteem van slachtoffer [benadeelde] ) de toegang heeft verworven tot een geautomatiseerde werk van een derde, te weten de server van [naam 19] , welk feit hij, verdachte, telkens heeft gepleegd door tussenkomst van een openbaar telecommunicatienetwerk (te weten het internet);\n\n2. hij op tijdstippen in de periode van 2 september 2017 tot en met 23 oktober 2017 te [plaats 1] , telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen\n\n30 Bitcoins (ter waarde van 115.380,00 euro) en\n\n30 Bitcoin Cash (ter waarde van 4.922,00 euro),\n\nwelke toebehoorden aan slachtoffer [benadeelde] , waarbij hij, verdachte, de weg te nemen Bitcoins en Bitcoin Cash onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, te weten\n\neen onrechtmatig verkregen wallet ID en wachtwoord voor het inloggen op de wallet van slachtoffer [benadeelde] bij [naam 19] en\n\neen onrechtmatig verkregen private key van de wallet van slachtoffer [benadeelde] (en deze naar zijn eigen wallet op [naam 18] geïmporteerd).\n\nHet hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde is strafbaar en levert op:\n\nde voortgezette handeling van\n\ncomputervredebreuk, meermalen gepleegd\n\nen\n\ncomputervredebreuk, gepleegd door tussenkomst van een openbaar telecommunicatienetwerk, terwijl de dader vervolgens door tussenkomst van het geautomatiseerd werk waarin hij is binnengedrongen de toegang verwerft tot het geautomatiseerd werk van een derde, meermalen gepleegd(het onder 1 bewezenverklaarde)\n\nen\n\ndiefstal, waarbij de schuldige de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd(het onder 2 bewezenverklaarde).\n\nStrafbaarheid van verdachte\n\nVerdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.\n\nOplegging van straf\n\nBij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte. Het hof heeft in het bijzonder het navolgende meegewogen.\n\nVerdachte heeft vanuit zijn eenmanszaak gedurende een lange periode als systeembeheerder voor aangever werkzaamheden verricht. Uit hoofde van die functie wist hij dat aangever Bitcoins bezat. In de nacht van 1 op 2 september 2017 heeft verdachte via een RDP-sessie toegang verkregen tot het computersysteem van aangever. Vervolgens is hij ingelogd in diens [naam 21] -wallet om daar 30 Bitcoins uit weg te nemen. 1,5 maand later, nadat verdachte ervan op de hoogte was geraakt dat aangever ook nog 30 Bitcoin Cash bezat, heeft hij nogmaals verschillende RDP-sessies opgezet om in het computersysteem van aangever te komen. In die periode heeft hij ook de 30 Bitcoin Cash van aangever weggenomen. De totale waarde van de weggenomen cryptomunten was destijds ruim € 120.000,00. Verdachte heeft na het wegnemen van de cryptomunten zoveel mogelijk geprobeerd zijn digitale sporen uit te wissen. Door zijn handelen heeft verdachte niet enkel op grove wijze inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van aangever, maar het vertrouwen dat hij in verdachte had gesteld ook ernstig geschaad. Voor zijn handelen heeft in hoger beroep geen verantwoordelijkheid genomen. Dit weegt het hof in strafverzwarende zin mee.\n\nHet hof weegt ook mee het strafblad van verdachte van 18 mei 2026. Daaruit volgt dat verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten. Dit weegt het hof in strafmatigende zin mee.\n\nDaarnaast heeft het hof gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte die op de zitting van het hof naar voren zijn gebracht. Verdachte heeft naar voren gebracht dat hij een moeilijke periode doormaakt. Ten gevolge van deze strafzaak is verdachte klanten kwijtgeraakt. Ook is er in het kader van de burgerlijke procedure beslag gelegd onder verdachte. Verdachte ligt momenteel ook in echtscheiding met zijn toenmalige partner. Dit verloopt stroef. Hier heeft verdachte het, met name vanwege de gevolgen voor zijn kinderen, moeilijk mee.\n\nGelet op het hiervoor overwogene en op de ouderdom van de feiten acht het hof passend en noodzakelijk de oplegging van een taakstraf van 200 uren, bij niet naar behoren uitvoeren te vervangen door 100 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren. Het voorwaardelijke gedeelte van deze straf zal als stok achter de deur dienen om verdachte ervan te weerhouden wederom strafbare feiten te plegen.\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde]\n\nDe benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 110.538,80 aan materiële schade ingediend. De benadeelde partij is door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De benadeelde partij heeft, voordat hij overleed, middels het wensenformulier bij het hof aangegeven dat hij het oorspronkelijke bedrag nog steeds wenst te vorderen. Het hof neemt daarom een beslissing over de oorspronkelijk bij de rechtbank ingediende vordering.\n\nIn lijn met de beslissing van de rechtbank is het hof van oordeel dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij een onevenredige belasting van de strafprocedure zal opleveren. Daarom zal het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Namens de benadeelde partij zou de vordering eventueel nog bij de burgerlijke rechter kunnen worden ingediend.\n\nWetsartikelen\n\nDe straf is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 56, 57, 138ab en 311 van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde, dan wel zoals zij gelden op het moment van het wijzen van dit arrest.BESLISSING\n\nHet hof:\n\nvernietigthet vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nverklaartzoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaartniet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard enspreektde verdachte daarvanvrij.\n\nVerklaarthet onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar,kwalificeertdit als hiervoor vermeld enverklaartde verdachte strafbaar.\n\nVeroordeeltde verdachte tot eengevangenisstrafvoor de duur van6 (zes) maanden.\n\nBepaaltdat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nVeroordeeltde verdachte tot eentaakstrafvoor de duur van200 (tweehonderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door100 (honderd) dagen hechtenis.\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde]\n\nVerklaartde benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeeltde verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraakbegrootop nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. M.C. van Linde, mr. T.H. Bosma en mr. Z.J. Oosting, in aanwezigheid van de griffier mr. I.C. Bita en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 3 juli 2026.\n\n Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers worden hiermee bedoeld, tenzij anders aangegeven, paginanummers van in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakte processen-verbaal opgenomen in het politiedossier met nummer PL0900-2017292782 (onderzoek: 03Titanium\u002FMDRDD20003), afgesloten en ondertekend op 20 mei 2021.\n\n Proces-verbaal van aangifte van 24 september 2017, p. 9.\n\n Proces-verbaal van verdenking van 18 maart 2020, p. 173 en het onderzoeksrapportage van [Bedrijfsnaam] van 27 maart 2018, p. 24.\n\n Proces-verbaal van aangifte van 24 september 2017, p. 9.\n\n Het onderzoeksrapportage van [Bedrijfsnaam] van 27 maart 2018, p. 19.\n\n Het onderzoeksrapportage van [Bedrijfsnaam] van 27 maart 2018, p. 23.\n\n Het onderzoeksrapportage van [Bedrijfsnaam] van 27 maart 2018, p. 23A.\n\n Het onderzoeksrapportage van [Bedrijfsnaam] van 27 maart 2018, p. 24.\n\n Het onderzoeksrapportage van [Bedrijfsnaam] van 27 maart 2018, p. 25.\n\n Het onderzoeksrapportage van [Bedrijfsnaam] van 27 maart 2018, p. 25A.\n\n Het onderzoeksrapportage van [Bedrijfsnaam] van 27 maart 2018, p. 27-27A.\n\n Het onderzoeksrapportage van [Bedrijfsnaam] van 27 maart 2018, p. 27A.\n\n Het onderzoeksrapportage van [Bedrijfsnaam] van 27 maart 2018, p. 28.\n\n Het onderzoeksrapportage van [Bedrijfsnaam] van 27 maart 2018, p. 28A.\n\n Het onderzoeksrapportage van [Bedrijfsnaam] van 27 maart 2018, p. 29.\n\n De verklaring van verdachte zoals afgelegd op de zitting van het hof van 19 juni 2026.\n\n PV van bevindingen van 16 juli 2020, p. 223-224.\n\n PV van bevindingen van 16 juli 2020, p. 223-224.\n\n PV van bevindingen van 16 juli 2020, p. 229.\n\n Het onderzoeksrapportage van [Bedrijfsnaam] van 27 maart 2018, p. 30.\n\n Het onderzoeksrapportage van [Bedrijfsnaam] van 27 maart 2018, p. 30-30A.\n\n Het onderzoeksrapportage van [Bedrijfsnaam] van 27 maart 2018, p. 30A.\n\n Het onderzoeksrapportage van [Bedrijfsnaam] van 27 maart 2018, p. 31.\n\n PV van bevindingen van 24 juli 2020, 230.\n\n PV van bevindingen van 24 juli 2020, 230.\n\n PV van bevindingen van 24 juli 2020, 231.\n\n PV van bevindingen van 24 juli 2020, 232.\n\n PV van bevindingen van 24 juli 2020, 233-234.\n\n PV van bevindingen van 16 juli 2020, p. 228.\n\n PV van bevindingen van 16 december 2020 (incl. bijlagen), p. 274-280.\n\n PV van bevindingen van 16 december 2020 (incl. bijlagen), p. 274-280.\n\n PV van verhoor verdachte van 4 maart 2020, p. 183-184.\n\n De verklaring van verdachte zoals afgelegd op de zitting van het hof van 19 juni 2026.\n\n Onderzoeksrapport van [Bedrijfsnaam] van 27 maart 2018, p. 19-41A en deskundigenbericht van [Bedrijfsnaam] van 4 februari 2019, p. 48-64.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4367","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:29.815Z",{"id":39,"ecli":40,"slug":41,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":42,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":43,"sourceTimestamp":35,"parsedAt":36,"updatedAt":44},"963","ECLI:NL:GHARL:2026:4369","ecli-nl-gharl-2026-4369","Afdeling strafrecht\n\nParketnummer: 21-003929-25\n\nUitspraakdatum: 3 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle , gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle , van 17 september 2025 met parketnummer 84-313500-24 in de strafzaak tegen\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1969 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),\n\nwonende te [woonadres] .\n\nHoger beroep\n\nVerdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voornoemd vonnis van de politierechter.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 19 juni 2026 en het onderzoek op de terechtzitting van de politierechter.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot veroordeling van verdachte ten aanzien van het primair ten laste gelegde feit tot een taakstraf van 120 uren, waarvan 60 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.\n\nVerder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. E. Düsünceli, hebben aangevoerd.\n\nHet vonnis\n\nDe politierechter heeft verdachte vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit en veroordeeld ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde feit tot een taakstraf van 90 uren, bij niet naar behoren uitvoeren te vervangen door 45 dagen hechtenis.\n\nHet hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs en een andere strafoplegging dan de politierechter. Het hof zal daarom het vonnis van de politierechter vernietigen en opnieuw rechtdoen.\n\nTenlastelegging\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\nprimair\n\n hij op of omstreeks 15 september 2022 te [plaats] , althans in Nederland, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals en\u002Fof vervalst geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een arbeidsovereenkomst op naam van verdachte bij [bedrijf] , als ware het echt en onvervalst, door deze overeenkomst door tussenkomst van een derde te laten indienen bij het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen;\n\nsubsidiair\n\n Hij in of omstreeks de periode van 3 januari 2021 tot en met 13 november 2022 te [plaats] , althans in Nederland, in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten de inlichtingenplicht op grond van artikel 49 Ziektewet (ZW), opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken en dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een uitkering op grond van de Ziektewet, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, door niet aan het UWV te melden dat hij, verdachte, geen feitelijke dienstbetrekking heeft gehad voorafgaand aan de verstrekking of tegemoetkoming, waardoor over genoemde periode (wekelijks) door het UWV uitbetalingen zijn gedaan, in het kader van de toegekende ZW-uitkering, op de bankrekening van verdachte, waarop hij, verdachte, geen recht had.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nBewijsoverweging\n\nStandpunt van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich ten aanzien van het primair ten laste gelegde feit op het standpunt gesteld dat verdachte hiervan vrijgesproken moet worden. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat een geschrift enkel vals is als het een onjuiste voorstelling van zaken geeft. Dit was in dit geval niet aan de orde. Er was geen sprake van een gefingeerd dienstverband. De arbeidsovereenkomst was dus geldig. Dat bij het opstellen van de overeenkomst fouten zijn gemaakt, maakt dit niet anders. Verdachte heeft werkzaamheden verricht voor het bedrijf van medeverdachte. Hiervoor heeft hij loon ontvangen en hierover is ook loonbelasting afgedragen. Het afgesproken loon stond bovendien in verhouding tot de ervaring die verdachte had en de omzet die hij genereerde voor het bedrijf. Verdachte was vooral in de buitendienst werkzaam, maar vanwege zijn ervaring had hij hierin wel een hoofdrol en nam hij ook de leiding ten opzichte van ander personeel. Hij kwam daarmee mede in de logistiek of de planning terecht. Verder zijn er tal van klanten van het bedrijf die verklaard hebben dat zij zakelijk contact hebben gehad met verdachte. De bedragen die verdachte terugboekte, hadden betrekking op het terugbetalen van een lening voor het financieren van zijn longoperatie in Turkije . De arbeidsovereenkomst is niet opgesteld met de bedoeling om te misleiden, maar met de bedoeling om een arbeidssituatie vast te stellen. Niemand heeft kunnen voorspellen dat verdachte ernstig ziek zou worden en zou uitvallen. Er is geen sprake van een vals geschrift en daarmee ook geen sprake van opzet op misleiding. Verdachte moet dan ook worden vrijgesproken van het onder parketnummer 84-335368-24 ten laste gelegde feit.\n\nOordeel van het hof\n\nHet hof is van oordeel dat het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden op grond van de bewijsmiddelenuit het dossier. Het hof twijfelt niet aan de juistheid en betrouwbaarheid van deze bewijsmiddelen. Hiertoe overweegt het hof in het bijzonder als volgt.\n\nUit het dossier blijk dat verdachte een arbeidsovereenkomst heeft ondertekend voor bepaalde tijd bij [bedrijf] , te weten vanaf 1 juli 2021 tot en met 31 december 2021.Dit betreft het bedrijf waarvan medeverdachte (de zoon van verdachte) als bestuurder en algemeen directeur staat ingeschreven bij de KvK.In de arbeidsovereenkomst wordt verder vermeld dat [bedrijf] gevestigd is aan de [adres] te [plaats] , dat medeverdachte als werkgever optreedt en dat verdachte als werknemer optreedt.In het strafdossier bevindt zich tevens een (gelijkluidende) arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Verder geldt dat verdachte, kort na de op de overeenkomst genoteerde aanvangsdatum van 1 juli 2021, namelijk sinds 6 augustus 2021, is ziekgemeld.Hierdoor heeft het UWV verdachte met ingang van 3 januari 2022 tot en met 7 november 2022 een Ziektewet- uitkering toegekend en uitgekeerd.\n\nHet UWV heeft in het kader van het Themaonderzoek Gefingeerde Dienstverbanden onderzoek gedaan naar het betreffende dienstverband.In dit kader is verdachte op 7 september 2022, in het bijzijn van zijn advocaat Rosbach, gehoord op de locatie van het UWV te [plaats] .Na dit verhoor heeft verdachte, naar eigen zeggen, door tussenkomst van een ander (zijn toenmalige advocaat Rosbach of zijn zoon, hij weet het niet precies meer) een kopie van voornoemde arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd naar het UVW gestuurd.Op 26 september 2022 zijn de onderzoeksbevindingen gerapporteerd door de afdeling Handhaving van het UWV.Het UWV stelt zich in dit rapport op het standpunt dat verdachte niet verzekerd was voor de Ziektewet, omdat niet is voldaan aan de voorwaarden voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Verdachte had daarmee volgens het UWV geen recht op de aan hem gedane uitbetalingen in het kader van de toegekende Ziektewet-uitkering.\n\nAan verdachte is primair ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het gebruikmaken van een vals geschrift door de desbetreffende arbeidsovereenkomst door tussenkomst van een derde naar het UVW te sturen. Om tot een bewezenverklaring van dit feit te komen is vereist dat de verzonden (kopie)overeenkomst vals was. Met andere woorden: er moet geen sprake zijn geweest van een daadwerkelijke privaatrechtelijke dienstbetrekking. Derhalve dient het hof te beoordelen of hier al dan niet sprake van is geweest.\n\nOm dit te kunnen beoordelen dient het hof na te gaan of aan de cumulatieve vereisten voor het aannemen van een dergelijke dienstbetrekking is voldaan.Eén van deze vereisten is dat verdachte persoonlijk arbeid heeft verricht voor het bedrijf van medeverdachte. Naar het oordeel van het hof is aan dit vereiste niet voldaan. Op basis van het dossier is onvoldoende aannemelijk geworden dat verdachte daadwerkelijk voor [bedrijf] heeft gewerkt. Tijdens zijn hoorgesprek bij het UVW heeft verdachte verklaard dat hij vestigingsmanager was, dat het bedrijf in het pand aan de [adres] te [plaats] was gevestigd en dat dit ook zijn werklocatie was.Verdachte heeft echter op de zitting in hoger beroep verklaard dat hij dit niet tegenover de medewerkers van het UWV heeft verklaard en dat zij dit verkeerd hebben opgeschreven in het verslag. Verdachte heeft zijn stelling op dit punt niet nader onderbouwd, werd tijdens het betreffende verhoor bijgestaan door zijn advocaat en heeft het hoorverslag naderhand ook ondertekend.Bovendien komt de inhoud van zijn verklaring bij het UVW overeen met de functie die verdachte werd toebedeeld in de desbetreffende arbeidsovereenkomst, te weten dat van vestigingsmanager.Derhalve ziet het hof geen aanleiding om eraan te twijfelen dat de inhoud van het betreffende verslag overeenkomt met wat verdachte daadwerkelijk tegenover de medewerkers van het UWV heeft verklaard. Op de inhoud van deze verklaring is verdachte teruggekomen. Dit door op de zitting van de politierechter te verklaren dat hij geen manager was, maar in de buitendienst werkte en dat hij één keer in het betreffende pand is geweest.Op de zitting van de politierechter heeft verdachte ter ondersteuning van deze verklaring 3 geschreven verklaringen overgelegd van klanten die met hem samen zouden hebben gewerkt in de zomer van 2021. Op de zitting van het hof heeft verdachte ook verklaard dat hij in de buitendienst werkte en dat hij één keer in het pand is geweest om spullen te halen, daaraan heeft hij toegevoegd dat hij voor die ene keer ook nog twee keer in het pand is geweest.Los van het gegeven dat het verschil in verdachtes verklaringen over zijn functie opmerkelijk is, worden zij weerlegd door de inhoud van het dossier. Uit het dossier volgt namelijk dat het huurcontract voor het betreffende pand per 30 april 2021 is beëindigd.Dit terwijl uit de betreffende arbeidsovereenkomst tussen verdachte en [bedrijf] blijkt dat deze is aangegaan voor de periode vanaf zo’n 2 maanden daarna, te weten vanaf 1 juli 2021 tot en met 31 december 2021.Een en ander brengt met zich mee dat het niet zo geweest kan zijn dat verdachte vanaf 1 juli 2021 enige werkzaamheden, al dan niet als vestigingsmanager, in het desbetreffende pand heeft verricht. Dit wordt door de verklaring van de verhuurder van het pand bevestigd.Dit maakt in samenhang met verdachtes inconsistente verklaring en de inhoud van de desbetreffende arbeidsovereenkomst dat het hof van oordeel is dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte daadwerkelijk arbeid heeft verricht voor [bedrijf] in de periode waarop de arbeidsovereenkomst betrekking had. Gelet op het hiervoor overwogene en een gebrek aan de mogelijkheid ter verificatie van de inhoud ervan, maken de door verdachte bij de politierechter overgelegde schriftelijke verklaringen dit oordeel van het hof niet anders.\n\nEen tweede vereiste is dat loon wordt betaald. Op basis van het dossier stelt het hof vast dat ook aan dit vereiste niet is voldaan. Hiervoor acht het hof allereerst van belang dat uit de arbeidsovereenkomst blijkt dat het overeengekomen loon niet strookt met de bedragen waar loonaangifte voor wordt gedaan. Zo blijkt uit de arbeidsovereenkomst dat een loon overeen is gekomen van € 4.750.00 per maand, terwijl er loonaangifte wordt gedaan van € 7.942,04 per maand. Daarbij komt dat er geen vakantiegeld is betaald via de banken er 100% in plaats van 80% van het loon is doorbetaald bij ziekte, zoals vermeld wordt in de arbeidsovereenkomst.Tevens komen de nettoloonbetalingen die op de rekening van verdachte worden gestort niet overeen met de nettobetalingen die vermeld zijn op de loonstroken.Van doorslaggevend belang is echter dat uit de bankafschriften van verdachte blijkt dat hij vrijwel na iedere salarisbetaling op zijn rekening, binnen enkele minuten, een bijna gelijk bedrag heeft overgeboekt naar de bankrekening van medeverdachte of een andere zoon van verdachte met in de omschrijving “(terugbetaling) lening”.Dit had tot gevolg dat verdachte vrijwel al zijn inkomen, direct nadat hij het overgeboekt kreeg, weer van zijn rekening heeft weggeboekt. Verdachte heeft op de zitting van het hof hierover verklaard dat de terugboekingen zagen op de terugbetaling van een lening van zijn zoons zodat hij zijn longoperatie kon betalen.Deze verklaring, die door verdachte overigens op geen enkele wijze is onderbouwd, acht het hof in het licht van het hiervoor overwogene ongeloofwaardig en schuift het hof terzijde.\n\nEen en ander brengt met zich mee dat niet is voldaan aan de vereisten die nodig zijn om te kunnen spreken van een feitelijke dienstbetrekking. Derhalve is het hof op grond van het hiervoor overwogene, in onderlinge samenhang met elkaar bezien, van oordeel dat geen sprake is geweest van een feitelijke (privaatrechtelijke) dienstbetrekking tussen verdachte en [bedrijf] in de periode vanaf 1 juli 2021. Verdachte is zich hiervan bewust geweest, maar heeft desondanks gebruik gemaakt van de desbetreffende overeenkomst door deze door tussenkomst van een ander te laten indienen bij het UWV. Het hof is dan van oordeel dat het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:\n\nprimairhij op 15 september 2022 te [plaats] , opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een arbeidsovereenkomst op naam van verdachte bij [bedrijf] , als ware het echt en onvervalst, door deze overeenkomst door tussenkomst van een derde te laten indienen bij het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen.\n\nHet hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet primair bewezenverklaarde is strafbaar en levert op:\n\nopzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst.\n\nStrafbaarheid van verdachte\n\nVerdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.\n\nOplegging van straf\n\nBij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte. Het hof heeft in het bijzonder het navolgende meegewogen.\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk gebruiken van een vals geschrift als ware het echt en onvervalst door een valse arbeidsovereenkomst door tussenkomst van een ander te laten indienen bij het UVW. Verdachte heeft daarmee het vertrouwen geschonden dat in het maatschappelijke, financiële en economische verkeer in de juistheid van dergelijke geschriften moet kunnen worden gesteld. Verdachte heeft in hoger beroep geen verantwoordelijkheid genomen voor of enig inzicht getoond in de kwalijkheid van zijn handelen. Dit alles weegt het hof in strafverzwarende zin mee.\n\nHet hof weegt ook mee het strafblad van verdachte van 18 mei 2026. Daaruit volgt dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld voor andere strafbare feiten. Dit weegt het hof eveneens in strafverzwarende zin mee.\n\nDaarnaast heeft het hof gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte die op de zitting van het hof naar voren zijn gebracht. Verdachte heeft naar voren gebracht dat het niet goed gaat met zijn gezondheid. Hij heeft verschillende behandelingen gehad voor longkanker, waaronder een longoperatie in Turkije . Inmiddels is hij kankervrij verklaard. Wel kampt hij nog met verschillende gezondheidsklachten, waaronder ademhalingsproblemen, COPD en problemen met zijn hart en nieren. Verdachte heeft vanwege zijn slechte gezondheid lange tijd niet kunnen werken, maar inmiddels werkt hij weer 2 dagen in de week als chauffeur. Verdachte heeft geen eigen woning, maar verblijft bij zijn ouders. Onderhavige strafzaak, maar ook de hiermee verband houdende bestuursrechtelijke procedures, drukken zwaar op verdachte.\n\nGelet op het hiervoor overwogene en op de ouderdom van het bewezenverklaarde feit acht het hof passend en noodzakelijk de oplegging van een taakstraf van 120 uren, bij niet naar behoren uitvoeren te vervangen door 60 dagen hechtenis, waarvan 60 uren, bij niet naar behoren uitvoeren te vervangen door 30 dagenhechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Het voorwaardelijke gedeelte van deze straf zal als stok achter de deur dienen om verdachte ervan te weerhouden wederom strafbare feiten te plegen.\n\nWetsartikelen\n\nDe straf is gebaseerd op de artikelen 9, 22c, 22d en 225 van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde, dan wel zoals zij gelden op het moment van het wijzen van dit arrest.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nvernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nverklaartzoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaartniet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard enspreektde verdachte daarvanvrij.\n\nVerklaarthet primair bewezenverklaarde strafbaar,kwalificeertdit als hiervoor vermeld enverklaartde verdachte strafbaar.\n\nVeroordeeltde verdachte tot een taakstraf voor de duur van120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door60 (zestig) dagenhechtenis.\n\nBepaaltdat een gedeelte van de taakstraf, groot60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nDit arrest is gewezen door mr. T.H. Bosma, mr. Z.J. Oosting en mr. M.C. van Linde, in aanwezigheid van de griffier mr. I.C. Bita en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 3 juli 2026.\n\n Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers worden hiermee, tenzij anders aangegeven, bedoeld paginanummers van de in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakte processen-verbaal zoals opgenomen in het politiedossier met nummer A17930285-01 (zaaknummer: UWV\u002F2024\u002F03\u002F07) dat op 1 oktober 2024 op ambtseed is afgesloten en ondertekend door verbalisant [verbalisant] .\n\n Arbeidsovereenkomst met als aangegeven ondertekeningdatum 1 juli 2021, p. 65-69.\n\n Uittreksel KvK van 19 mei 2022, p. 35-36.\n\n Arbeidsovereenkomst met als aangegeven ondertekeningdatum 1 juli 2021, p. 65.\n\n Ontvangstbevestiging ziekmelding van 3 januari 2022, p. 20-26.\n\n Toekenning Ziektewet-uitkering van 11 januari 2022, p. 27-29.\n\n Onderzoeksrapport Handhaving Themaonderzoek van 26 september 2022, p. 89-114.\n\n Onderzoeksrapport Handhaving Themaonderzoek van 26 september 2022, p. 105-108 en gesprekverslag van 7 september 2022, zaaksnummer A17930285-01, p. 80-88.\n\n Verklaring van verdachte zoals afgelegd op de zitting van het hof van 19 juni 2026.\n\n Onderzoeksrapport Handhaving Themaonderzoek van 26 september 2022, p. 89-114.\n\n Onderzoeksrapport Handhaving Themaonderzoek van 26 september 2022, p. 110-114 en bijlage 13 t\u002Fm bij dit onderzoeksrapport, p. 115-124.\n\n Zoals ook vastgesteld in artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek.\n\n Gesprekverslag van 7 september 2022, zaaksnummer A17930285-01, p. 82.\n\n Onderzoeksrapport Handhaving Themaonderzoek van 26 september 2022, p. 105-108 en gesprekverslag van 7 september 2022, zaaksnummer A17930285-01, p. 80-88.\n\n Arbeidsovereenkomst met als aangegeven ondertekeningdatum 1 juli 2021, p. 65.\n\n De verklaring van verdachte zoals opgenomen op p. 2 van het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 17 september 2025.\n\n De verklaring van verdachte zoals afgelegd op de zitting van het hof van 19 juni 2026.\n\n Telefoonrapport van het gesprek met [naam] van 16 juni 2022, p. 78.\n\n Arbeidsovereenkomst met als aangegeven ondertekeningdatum 1 juli 2021, p. 65.\n\n Telefoonrapport gespreksverslag [naam] van 16 juni 2022, p. 78.\n\n Arbeidsovereenkomst met als aangegeven ondertekeningdatum 1 juli 2021, p. 66.\n\n Printscreen van PWS inhoudende gegevens over inkomstenverhoudingen op persoonsniveau of werkgeversniveau, p. 40.\n\n Overzicht bankafschriften verdacht van 13 juli 2019, p. 60.\n\n Arbeidsovereenkomst met als aangegeven ondertekeningdatum 1 juli 2021, p. 67 en overzicht bankafschriften verdacht van 13 juli 2019, p. 60.\n\n Overzicht bankafschriften verdacht van 13 juli 2019, p. 60 en loonstroken en de jaaropgave over 2021 van verdachte (juli t\u002Fm december 2021), p. 70-76.\n\n Overzicht bankafschriften verdacht van 13 juli 2019, p. 60.\n\n Verklaring van verdachte zoals afgelegd op de zitting van het hof van 19 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4369","2026-07-13T00:28:56.738Z",{"id":46,"ecli":47,"slug":48,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":49,"fullText":50,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":51,"sourceTimestamp":52,"parsedAt":36,"updatedAt":53},"750","ECLI:NL:RBOVE:2026:3723","ecli-nl-rbove-2026-3723","2026-06-30T00:00:00.000Z","RECHTBANK OVERIJSSEL\n\nTeam Strafrecht\n\nMeervoudige kamer\n\nZittingsplaats Zwolle\n\nParketnummers: 08.105279.26 (P) en 13.057968.24 (TUL)\n\nDatum vonnis: 30 juni 2026\n\nVonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:\n\n [verdachte],\n\ngeboren op [geboortedatum] 1998 in [geboorteplaats],\n\nwonende aan de [woonplaats],\n\nnu verblijvende in de PI [locatie].\n\n1. Het onderzoek op de terechtzitting\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 16 juni 2026.\n\nDe rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. E.M. Rengelink, advocaat in Amsterdam, naar voren is gebracht.\n\n2. De tenlastelegging\n\nDe verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:\n\nfeit 1:opzettelijk 4.165 gram hasj en 175,39 kilogram hennep heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en of vervoerd;\n\nfeit 2:opzettelijk 4.165 gram hasj en 175,39 kilogram hennep aanwezig heeft gehad.\n\nVoluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:\n\nfeit 1\n\nhij op of omstreeks 8 april 2026 te Deventer, althans in Nederland, opzettelijk heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en\u002Fof vervoerd, een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, te weten ongeveer 4.165 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj), waaraan geen andere substanties waren toegevoegd en\u002Fof ongeveer 175,39 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hasjiesj en\u002Fof hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\nfeit 2\n\nhij op of omstreeks 8 april 2026 te Deventer, althans in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 4.165 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj), waaraan geen andere substanties waren toegevoegd en\u002Fof ongeveer 175,39 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hasjiesj en\u002Fof hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.\n\n3. De bewijsmotivering\n\n3.1. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat verdachte op zijn minst voorwaardelijk opzet heeft gehad op het vervoeren en aanwezig hebben van de hasj en hennep.\n\n3.2. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat vrijspraak moet volgen voor de onderdelen verkopen, afleveren en verstrekken als ten laste gelegd onder feit 1 omdat bewijs ontbreekt dat verdachte zich hieraan schuldig heeft gemaakt. Daarnaast heeft de raadsman vrijspraak van zowel feit 1 als 2 bepleit omdat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte wetenschap dan wel opzet heeft gehad op het voorhanden hebben en vervoeren van de hennep en hasj.\n\n3.3. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank komt tot een bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, met uitzondering van de hierna te bespreken partiële vrijspraak, op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte deze feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, behoudens het hierna te bespreken verweer aangaande de wetenschap van verdachte, - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.\n\nhet proces-verbaal van de terechtzitting van 16 juni 2026, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;\n\nhet proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van 8 april 2026, pagina 5 en 7;\n\nhet proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] van 9 april 2025, pagina 9.\n\nPartiële vrijspraak verkopen, afleveren en verstrekken\n\nOp basis van het dossier acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte de hasj en hennep heeft verkocht, afgeleverd en\u002Fof verstrekt, zodat zij verdachte daarvan zal vrijspreken.\n\nWetenschap\n\nVerdachte heeft verklaard dat hij niet wist dat de dozen die achterin de bus zaten gevuld waren met softdrugs. De rechtbank acht de verklaring van verdachte niet aannemelijk en ongeloofwaardig en zal deze terzijde schuiven. Zij overweegt daartoe het volgende.\n\nVerdachte heeft, naast hetgeen hierboven is weergeven, verklaard dat toen hem werd gevraagd om te rijden, hij wel wist dat het om iets kon gaan wat niet mocht. Hij heeft hier vervolgens geen vragen over gesteld. Dat verdachte wel op de hoogte was van de illegale inhoud van de dozen leidt de rechtbank ook af uit zijn gedrag vlak voor de staandehouding. Verdachte volgde in eerste instantie het volgteken dat hij van de verbalisanten kreeg maar stuurde halverwege de uitvoegstrook zijn bestelbus weer terug de snelweg op. Door dit gedrag lijkt het er sterk op dat verdachte zich probeerde te onttrekken aan de controle van de verbalisanten. Van belang acht de rechtbank verder dat verdachte een relatief hoge vergoeding, te weten € 500, zou ontvangen voor deze rit. Tot slot acht de rechtbank het niet aannemelijk dat iemand ruim 175 kilogram hennep en 4 kilogram hasj, wat een zeer hoge straatwaarde vertegenwoordigt, in een bestelauto zou laden zonder dat de chauffeur van die lading op de hoogte is. Dit zou voor de eigenaar een te groot risico op het verliezen van de drugs opleveren. Een dergelijk risico zal men in het criminele circuit niet snel nemen.\n\nGelet op het voorgaande, in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat verdachte wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van softdrugs in zijn bestelauto. De verdachte heeft aldus opzet gehad op het voorhanden hebben en vervoeren van de in de tenlastelegging genoemde hoeveelheid softdrugs.\n\nEendaadse samenloop\n\nFeit 1 en feit 2 zijn zo nauw met elkaar verbonden dat de rechtbank de feiten als één enkele daad zal beschouwen en daarom als eendaadse samenloop zal beoordelen.\n\n3.4. De bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:\n\nfeit 1\n\nhij op 8 april 2026 te Deventer opzettelijk heeft vervoerd, een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, te weten 4.165 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) en 175,39 kilogram, hennep, zijnde hasjiesj en hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;\n\nfeit 2\n\nhij op 8 april 2026 te Deventer opzettelijk aanwezig heeft gehad 4.165 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) en 175,39 kilogram hennep, zijnde hasjiesj en hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.\n\nDe rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.\n\n4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde\n\nHet bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in artikel 11 van de Opiumwet (OW). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op de eendaadse samenloop van:\n\nfeit 1\n\nhet misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod; en\n\nfeit 2\n\nhet misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.\n\n5. De strafbaarheid van verdachte\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.\n\n6. De op te leggen straf of maatregel\n\n6.1. De vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar met de bijzondere voorwaarden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd en met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.\n\n6.2. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft verzocht een gevangenisstraf op te leggen waarvan een aanzienlijk deel voorwaardelijk met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd. De raadsman heeft daarnaast verzocht om de voorlopige hechtenis op te heffen, dan wel te schorsen.\n\n6.3. De gronden voor een straf of maatregel\n\nBij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.\n\nDe ernst van de feiten\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben en vervoeren van ongeveer 180 kilogram softdrugs. Dit is een uitzonderlijk grote hoeveelheid die een hoge financiële waarde vertegenwoordigd. Het kan dan ook niet anders dan dat deze drugs bestemd zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De handel in verdovende middelen gaat gepaard met ernstige vormen van georganiseerde criminaliteit waarbij het gebruik van geweld niet wordt geschuwd. Het handelen van verdachte heeft bijgedragen aan de instandhouding hiervan. Daar komt bij dat hasj en hennep stoffen betreffen die schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid van personen. Verdachte heeft zich niet bekommerd om deze risico’s en heeft enkel oog gehad voor zijn eigen financiële gewin. De rechtbank rekent dit verdachte aan.\n\nDe persoon van verdachte\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 5 juni 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor drugsfeiten. Wel is verdachte meermaals veroordeeld voor vermogens- en geweldsfeiten. Tijdens het plegen van onderhavige feiten liep verdachte in een proeftijd.\n\nDe rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van het over verdachte opgemaakte reclasseringsadvies van 29 mei 2026, opgemaakt door [naam], reclasseringswerker bij Reclassering Nederland. Hieruit blijkt dat verdachte vanaf jonge leeftijd in aanraking komt met justitie. De reclassering signaleert problematiek op alle leefgebieden. Voorafgaand aan zijn detentie leidde verdachte een zwerversbestaan, ervoer hij depressieve klachten en was er sprake van overmatig alcoholgebruik. Volgens verdachte heeft hij ten tijde van onderhavige feiten de consequenties van zijn handelen niet ingezien en was er wegens gebrek aan werk en inkomen sprake van een financieel motief. De reclassering schat het risico op recidive in als hoog. Zij adviseren een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen aan verdachte en dat hij daarnaast meewerkt aan de volgende bijzondere voorwaarden:\n\n- meldplicht;\n\n- ambulante behandeling;\n\n- verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang;\n\n- aflossing schulden; en\n\n- beheersing middelengebruik.\n\nDe op te leggen straf\n\nDe rechtbank houdt bij de bepaling van de straf rekening met de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) ten aanzien van het aanwezig hebben van dergelijke hoeveelheden softdrugs. Als uitgangspunt hiervoor geldt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden. De rechtbank houdt er daarnaast rekening mee dat sprake is van eendaadse samenloop. Met de officier van justitie ziet de rechtbank in de persoonlijke omstandigheden van verdachte reden om een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen in combinatie met bijzondere voorwaarden. De rechtbank hoopt dat het voorwaardelijke strafdeel verdachte ervan weerhoudt opnieuw de fout in te gaan. Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar met de bijzondere voorwaarden, zoals die hieronder zijn geformuleerd en met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.\n\nDe rechtbank is, anders dan de raadsman, van oordeel dat een situatie als bedoeld in artikel 67a, derde lid, Sv nog niet aan de orde is en zal het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis afwijzen. Ook ziet de rechtbank geen persoonlijke belangen van verdachte die op dit moment tot schorsing van de voorlopige hechtenis moeten leiden. De rechtbank wijst ook dit verzoek af.\n\n6.4. De in beslag genomen voorwerpen\n\nDe officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat de onder verdachte in beslag genomen telefoon kan worden teruggegeven aan verdachte nu er geen indicaties zijn gevonden dat deze telefoon is gebruikt bij de strafbare feiten.\n\nDe raadsman heeft verzocht dat de telefoon wordt teruggeven aan verdachte.\n\nDe rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van de telefoon, te weten een Apple Iphone met goednummer 3674982, aangezien deze niet vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.\n\n7. De vordering tenuitvoerlegging 13.057968.24\n\n7.1. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de bij vonnis van de Rechtbank Amsterdam van 23 mei 2025 voorwaardelijk opgelegde straf, te weten een taakstraf voor de duur van 60 uren, ten uitvoer wordt gelegd.\n\n7.2. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft primair om afwijzing van de vordering verzocht en subsidiair de rechtbank verzocht om terughoudendheid te betrachten en haar beslissing zo vorm te geven dat deze aansluit bij het reclasseringstraject.\n\n7.3. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de vordering van de officier van justitie moet worden toegewezen. Het is gebleken dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan het plegen van nieuwe strafbare feiten heeft schuldig gemaakt.\n\n8. De toegepaste wettelijke voorschriften\n\nDe hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c en 57 van het Wetboek van Strafrecht .\n\n9. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nbewezenverklaring\n\n- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;\n\n- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;\n\nstrafbaarheid feiten\n\n- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;\n\n- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:\n\nde eendaadse samenloop van,\n\nfeit 1\n\nhet misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod; en\n\nfeit 2\n\nhet misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;\n\nstrafbaarheid verdachte\n\n- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;\n\nstraf\n\n- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van12 (twaalf) maanden;\n\n- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 4 (vier) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van deproeftijd van 2 (twee) jarende navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:\n\n- stelt als algemene voorwaardedat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;\n\nDe rechter kan de tenuitvoerlegging ook gelasten indien de verdachte gedurende de\n\nproeftijd van 2 (twee) jarende navolgende bijzondere voorwaarden\n\nniet is nagekomen:\n\n- stelt als bijzondere voorwaardendat verdachte:\n\n- zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken bij Reclassering Nederland, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met verdachte opnemen voor de eerste afspraak;\n\n- zich gedurende de proeftijd laat behandelen door een zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. Verdachte werkt mee aan diagnostiek en daaruit voortvloeiende behandeling. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling;\n\n- gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;\n\n- meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;\n\n- gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en\u002Fof het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan urineonderzoek\u002Fademonderzoek\u002F speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;\n\n- draagt de reclassering op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden; daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat de verdachte:\n\n- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;\n\n- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;\n\n- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;\n\nde in beslag genomen voorwerpen\n\n- gelast de teruggavevan de telefoon, te weten een Apple Iphone met goednummer 3674982, aan verdachte;\n\ntenuitvoerlegging voorwaardelijke straf met parketnummer\n\n- beveelt de tenuitvoerleggingvan de bij vonnis van Rechtbank Amsterdam van 23 mei 2025 voorwaardelijk opgelegdetaakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren;\n\nde voorlopige hechtenis\n\n- wijst het verzoek tot opheffing af;\n\n- wijst het verzoek tot schorsing af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. S.H. Peper, voorzitter, mr. A. van Holten en mr. M. ter Riet, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.M.A. van den Hoek, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026.\n\nBuiten staat\n\nMr. A. van Holten is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.\n\nWanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2026170007. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3723","2026-07-01T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:46.410Z",{"id":55,"ecli":56,"slug":57,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":58,"fullText":59,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":61,"parsedAt":36,"updatedAt":62},"1917","ECLI:NL:RBOVE:2026:3408","ecli-nl-rbove-2026-3408","2026-06-18T00:00:00.000Z","RECHTBANK OVERIJSSEL\n\nTeam Strafrecht\n\nMeervoudige kamer\n\nZittingsplaats Zwolle\n\nParketnummer: 08.216984.25 (P)\n\nDatum vonnis: 18 juni 2026\n\nVonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:\n\n [verdachte],\n\ngeboren op [geboortedatum 1] 1982 in [geboorteplaats] ,\n\nwonende aan [woonplaats] .\n\n1. Het onderzoek op de terechtzitting\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van\n\n4 juni 2026.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en haar raadsman mr. M.N.A.J. de Vroom, advocaat in Tilburg, naar voren is gebracht.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van wat namens de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] door mr. D. van Bommel, advocaat in Arnhem, is aangevoerd en van wat namens de benadeelde partijen [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] door mr. A.C. van de Vosse, advocaat in Zwolle, is aangevoerd.\n\n2. De tenlastelegging\n\nDe verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte, medeplichtig is geweest aan de ontvoering van twee minderjarige kinderen van haar zus (feit 1) en aan het onttrekken van die minderjarige kinderen aan het wettig gezag of aan het bevoegd opzicht, terwijl (bedreiging met) geweld is gebruikt en\u002Fof de minderjarigen beneden de twaalf jaren oud waren (feit 2).\n\nVoluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:\n\n1 [medeverdachte 1] en\u002Fof [medeverdachte 2] in of omstreeks 31 maart 2025 tot en met 1 april 2025 te [plaats 2] en\u002Fof [plaats 1] (België), in ieder geval in Nederland en\u002Fof België, tezamen en in vereniging met elkaar, althans alleen, (meermalen) opzettelijk [slachtoffer 2] ( [slachtoffer 2] ) (geboren [geboortedatum 2] 2018) en [slachtoffer 1] (geboren [geboortedatum 3] 2013) wederrechtelijk van de vrijheid heeft\u002Fhebben beroofd en\u002Fof beroofd gehouden, door - [slachtoffer 1] met de auto te blokkeren en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 1] (met kracht) van haar fiets af te trappen en\u002Fof te duwen (waardoor [slachtoffer 1] ten val kwam) en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 1] (met kracht) (over de grond) naar de bij verdachte en\u002Fof medeverdachte in gebruik zijnde auto te trekken\u002Fsleuren en\u002Fof haar (vervolgens) in die auto te duwen\u002Fplaatsen en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 1] in voornoemde auto vast te houden en\u002Fof (meermalen) een hand voor de mond van [slachtoffer 1] te houden en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 1] in voornoemde auto (meermalen) naar de grond te duwen en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 2] uit de auto van diens pleegmoeder te tillen en\u002Fof in de bij verdachte en\u002Fof medeverdachte in gebruik zijnde auto te plaatsen en\u002Fof - (vervolgens) met voornoemde auto [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] weg te voeren van de woning van de pleegmoeder en\u002Fof - (vervolgens) voornoemde auto te wisselen met een vooraf klaargezette (huur)auto en\u002Fof - (vervolgens) te dreigen dat [slachtoffer 1] mee moest werken omdat haar anders een schock zou worden gegeven en\u002Fof pijn zou worden gedaan en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 1] met die (huur)auto via Duitsland naar België te vervoeren (terwijl zij vermomd moesten zijn met pruiken en\u002Fof kleding en\u002Fof andere attributen) en\u002Fof - (volgens) [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 1] in België onder te brengen in een door verdachte en\u002Fof medeverdachte gehuurd appartement,\n\ntot en\u002Fof bij het plegen van welk(e) misdrijf\u002Fmisdrijven verdachte in of omstreeks de periode 1 maart 2025 tot en met 31 maart 2025, te [plaats 2] en\u002Fof Zwolle en\u002Fof Enschede, in ieder geval in Nederland, (telkens) opzettelijk gelegenheid en\u002Fof middelen en\u002Fof inlichtingen heeft verschaft en\u002Fof opzettelijk behulpzaam is geweest, door tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen (telkens)\n\n- advies te geven aan [medeverdachte 1] en\u002Fof [medeverdachte 2] over het (voorgenomen) moment en de wijze van uitvoering van voornoemd delict en\u002Fof - advies te geven aan [medeverdachte 1] en\u002Fof [medeverdachte 2] , althans informatie te verkrijgen\u002Fvoorhanden te hebben over de plaats waar [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] naartoe gebracht zouden worden (te weten [plaats 1] in België) en\u002Fof - assistentie te verlenen bij het huren van een (vlucht)auto en\u002Fof het ophalen van die gehuurde (vlucht)auto en\u002Fof - informatie in te winnen over het besturen van een auto met een automatische versnelling (terwijl de gehuurde (vlucht)auto een auto met een automatische versnelling betrof) en\u002Fof deze informatie te verstrekken aan [medeverdachte 1] en\u002Fof [medeverdachte 2] en\u002Fof - ter plekke op het treinstation en het busstation in [plaats 2] informatie in te winnen met betrekking tot vertrektijden van de treinen en bussen aldaar en\u002Fof deze locaties voor te verkennen en\u002Fof hierover informatie te verstrekken aan [medeverdachte 1] en\u002Fof [medeverdachte 2] en\u002Fof - informatie in te winnen met betrekking tot mogelijke verblijfplaatsen in [plaats 2] van voornoemde [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof en\u002Fof deze informatie te verstrekken aan [medeverdachte 1] en\u002Fof [medeverdachte 2] ;\n\n2. [medeverdachte 1] en\u002Fof [medeverdachte 2] in of omstreeks de periode 31 maart 2025 tot en met 1 april 2025 te [plaats 2] en\u002Fof [plaats 1] (België), in ieder geval in Nederland en\u002Fof België, tezamen en in vereniging met elkaar, althans alleen, (meermalen) opzettelijk een minderjarige, te weten [slachtoffer 2] (geboren [geboortedatum 2] 2018) en [slachtoffer 1] (geboren [geboortedatum 3] 2013), heeft onttrokken aan het wettig over hem\u002Fhaar gesteld gezag en\u002Fof aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem\u002Fhaar uitoefende, terwijl die minderjarige(n) beneden de twaalf jaren oud was\u002Fwaren en terwijl verdachte en\u002Fof medeverdachte geweld en\u002Fof bedreiging met geweld heeft\u002Fhebben gebezigd, immers hebben verdachte en\u002Fof medeverdachte - [slachtoffer 1] met de auto geblokkeerd en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 1] (met kracht) van haar fiets getrapt en\u002Fof geduwd (waardoor [slachtoffer 1] ten val kwam) en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 1] (met kracht) (over de grond) naar de bij verdachte en\u002Fof medeverdachte in gebruik zijnde auto getrokken en\u002Fof gesleurd en\u002Fof haar (vervolgens) in die auto te geduwd en\u002Fof geplaatst en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 1] in voornoemde auto vastgehouden en\u002Fof (meermalen) een hand voor de mond van [slachtoffer 1] gehouden en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 1] in voornoemde auto (meermalen) naar de grond geduwd en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 2] uit de auto van diens pleegmoeder getild en\u002Fof in de bij verdachte en\u002Fof medeverdachte in gebruik zijnde auto geplaatst en\u002Fof - (vervolgens) met voornoemde auto [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] weggevoerd van de woning van de pleegmoeder en\u002Fof - (vervolgens) voornoemde auto gewisseld met een vooraf klaargezette (huur)auto en\u002Fof - (vervolgens) gedreigd dat [slachtoffer 1] mee moest werken omdat haar anders een schock zou worden gegeven en\u002Fof pijn zou worden gedaan en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 1] met die (huur)auto via Duitsland naar België vervoerd (terwijl zij vermomd moesten zijn met pruiken en\u002Fof kleding en\u002Fof andere attributen) en\u002Fof - (volgens) [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 1] in België ondergebracht in een door verdachte en\u002Fof medeverdachte gehuurd appartement,\n\ntot en\u002Fof bij het plegen van welk(e) misdrijf\u002Fmisdrijven verdachte in of omstreeks de periode 1 maart 2025 tot en met 31 maart 2025, te [plaats 2] en\u002Fof Zwolle en\u002Fof Enschede, in ieder geval in Nederland, (telkens) opzettelijk gelegenheid en\u002Fof middelen en\u002Fof inlichtingen heeft verschaft en\u002Fof opzettelijk behulpzaam is geweest, door tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen (telkens) - advies te geven aan [medeverdachte 1] en\u002Fof [medeverdachte 2] over het (voorgenomen) moment en de wijze van uitvoering van voornoemd delict en\u002Fof - advies te geven aan [medeverdachte 1] en\u002Fof [medeverdachte 2] , althans informatie te verkrijgen\u002Fvoorhanden te hebben over de plaats waar [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] naartoe gebracht zouden worden (te weten [plaats 1] in België) en\u002Fof - assistentie te verlenen bij het huren van een (vlucht)auto en\u002Fof het ophalen van die gehuurde (vlucht)auto en\u002Fof - informatie in te winnen over het besturen van een auto met een automatische versnelling (terwijl de gehuurde (vlucht)auto een auto met een automatische versnelling betrof) en\u002Fof deze informatie te verstrekken aan [medeverdachte 1] en\u002Fof [medeverdachte 2] en\u002Fof - ter plekke op het treinstation en het busstation in [plaats 2] informatie in te winnen met betrekking tot vertrektijden van de treinen en bussen aldaar en\u002Fof deze locaties voor te verkennen en\u002Fof hierover informatie te verstrekken aan [medeverdachte 1] en\u002Fof [medeverdachte 2] en\u002Fof - informatie in te winnen met betrekking tot mogelijke verblijfplaatsen in [plaats 2] van voornoemde [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof en\u002Fof deze informatie te verstrekken aan [medeverdachte 1] en\u002Fof [medeverdachte 2] . 3. De beoordeling van het bewijs\n\n3.1. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat verdachte vrijgesproken dient te worden van feit 1. De officier van justitie acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan feit 2, met uitzondering van de strafverzwarende omstandigheid dat geweld is gebruikt of bedreigd is met geweld.\n\n3.2. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman bepleit integrale vrijspraak.\n\n3.3. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder 1 en 2 is ten laste gelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er in het dossier aanwijzingen voorhanden dat verdachte op de hoogte was van de plannen van de ouders (medeverdachten) om de uithuisgeplaatste kinderen mee te nemen, zoals zij dit ook min of meer ter terechtzitting heeft verklaard. Deze wetenschap op zich is echter onvoldoende om te kunnen spreken van medeplichtigheid aan de feiten waarvoor de heer [medeverdachte 2] en mevrouw [medeverdachte 1] zijn veroordeeld.\n\nEr is onvoldoende bewijs om te kunnen vaststellen dat verdachte de handelingen van de ouders daadwerkelijk heeft ondersteund en hen daarbij behulpzaam is geweest dan wel gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van de misdrijven heeft verschaft.\n\n4. De schade van benadeelden\n\nOmdat verdachte van de ten laste gelegde feiten wordt vrijgesproken, zal de rechtbank de benadeelde partijen op grond van artikel 361, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nvrijspraak\n\n- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt haar daarvan vrij;\n\nschadevergoedingen\n\n- verklaart de benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] in het geheel niet-ontvankelijk in hun vorderingen;\n\n- bepaalt dat de benadeelde partijen en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. J. de Ruiter, voorzitter, mr. G.H. Meijer en mr. D.E. Schaap, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Y.W. van den Bosch, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3408","2026-06-17T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:45.372Z",{"id":64,"ecli":65,"slug":66,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":58,"fullText":67,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":68,"sourceTimestamp":61,"parsedAt":36,"updatedAt":69},"1919","ECLI:NL:RBOVE:2026:3410","ecli-nl-rbove-2026-3410","RECHTBANK OVERIJSSEL\n\nTeam Strafrecht\n\nMeervoudige kamer\n\nZittingsplaats Zwolle\n\nParketnummer: 08.099249.25 (P)\n\nDatum vonnis: 18 juni 2026\n\nVonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:\n\n [verdachte],\n\ngeboren op [geboortedatum 1] 1970 in [geboorteplaats 1] ,\n\nwonende aan de [woonplaats] .\n\n1. Het onderzoek op de terechtzitting\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 28 mei 2026 en 4 juni 2026.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. J.B.A. Kalk, advocaat in Enschede, naar voren is gebracht.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de door [slachtoffer 1] voorgedragen slachtofferverklaring en van de namens [slachtoffer 2] voorgedragen slachtofferverklaring. Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van wat namens de benadeelde partijen [slachtoffer 1] (hierna [slachtoffer 1] ) en [slachtoffer 3] (hierna [slachtoffer 3] ) door\n\nmr. D. van Bommel, advocaat in Arnhem, is aangevoerd en van wat namens de benadeelde partijen [slachtoffer 2] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] door mr. A.C. van de Vosse, advocaat in Zwolle, is aangevoerd.\n\n2. De tenlastelegging\n\nDe verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 31 maart 2025 tot en met 1 april 2025, samen met een ander:\n\nfeit 1:zijn minderjarige kinderen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] heeft ontvoerd;\n\nfeit 2:zijn minderjarige kinderen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] heeft onttrokken aan het wettig gezag of aan het opzicht dat over hen werd uitgeoefend, terwijl de kinderen jonger waren dan twaalf jaar en terwijl er bij de onttrekking geweld is gebruikt en\u002Fof bedreigd is met geweld;\n\nfeit 3: een stroomstootwapen voorhanden heeft gehad.\n\nVoluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:\n\n1. hij in of omstreeks de periode 31 maart 2025 tot en met 1 april 2025 te [plaats 1] en\u002Fof [plaats 2] (België), in ieder geval in Nederland en\u002Fof België, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 3] ( [slachtoffer 3] ) (geboren [geboortedatum 3] 2018) en [slachtoffer 1] (geboren [geboortedatum 2] 2013) wederrechtelijk van de vrijheid heeft\u002Fhebben beroofd en\u002Fof beroofd gehouden, door - [slachtoffer 1] met de auto te blokkeren en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 1] (met kracht) van haar fiets af te trappen en\u002Fof te duwen (waardoor [slachtoffer 1] ten val kwam) en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 1] (met kracht) (over de grond) naar de bij verdachte en\u002Fof medeverdachte in gebruik zijnde auto te trekken\u002Fsleuren en\u002Fof haar (vervolgens) in die auto te duwen\u002Fplaatsen en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 1] in voornoemde auto vast te houden en\u002Fof (meermalen) een hand voor de mond van [slachtoffer 1] te houden en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 1] in voornoemde auto (meermalen) naar de grond te duwen en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 3] uit de auto van diens pleegmoeder te tillen en\u002Fof in de bij verdachte en\u002Fof medeverdachte in gebruik zijnde auto te plaatsen en\u002Fof - (vervolgens) met voornoemde auto [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 3] weg te voeren van de woning van de pleegmoeder en\u002Fof - (vervolgens) voornoemde auto te wisselen met een vooraf klaargezette (huur)auto en\u002Fof - (vervolgens) te dreigen dat [slachtoffer 1] mee moest werken omdat haar anders een schock zou worden gegeven en\u002Fof pijn zou worden gedaan en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 1] met die (huur)auto via Duitsland naar België te vervoeren (terwijl zij vermomd moesten zijn met pruiken en\u002Fof kleding en\u002Fof andere attributen) en\u002Fof - (volgens) [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 1] in België onder te brengen in een door verdachte en\u002Fof medeverdachte gehuurd appartement;\n\n2. hij in of omstreeks de periode 31 maart 2025 tot en met 1 april 2025 te [plaats 1] en\u002Fof [plaats 2] (België), in ieder geval in Nederland en\u002Fof België, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen,(meermalen) opzettelijk een minderjarige, te weten [slachtoffer 3] (geboren [geboortedatum 3] 2018) en [slachtoffer 1] (geboren [geboortedatum 2] 2013), heeft onttrokken aan het wettig over hem\u002Fhaar gesteld gezag en\u002Fof aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem\u002Fhaar uitoefende, terwijl die minderjarige(n) beneden de twaalf jaren oud was\u002Fwaren en terwijl verdachte en\u002Fof medeverdachte geweld en\u002Fof bedreiging met geweld heeft\u002Fhebben gebezigd, immers hebben verdachte en\u002Fof medeverdachte - [slachtoffer 1] met de auto geblokkeerd en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 1] (met kracht) van haar fiets getrapt en\u002Fof geduwd (waardoor [slachtoffer 1] ten val kwam) en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 1] (met kracht) (over de grond) naar de bij verdachte en\u002Fof medeverdachte in gebruik zijnde auto getrokken en\u002Fof gesleurd en\u002Fof haar (vervolgens) in die auto te geduwd en\u002Fof geplaatst en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 1] in voornoemde auto vastgehouden en\u002Fof (meermalen) een hand voor de mond van [slachtoffer 1] gehouden en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 1] in voornoemde auto (meermalen) naar de grond geduwd en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 3] uit de auto van diens pleegmoeder getild en\u002Fof in de bij verdachte en\u002Fof medeverdachte in gebruik zijnde auto geplaatst en\u002Fof - (vervolgens) met voornoemde auto [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 3] weggevoerd van de woning van de pleegmoeder en\u002Fof - (vervolgens) voornoemde auto gewisseld met een vooraf klaargezette (huur)auto en\u002Fof - (vervolgens) gedreigd dat [slachtoffer 1] mee moest werken omdat haar anders een schock zou worden gegeven en\u002Fof pijn zou worden gedaan en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 1] met die (huur)auto via Duitsland naar België vervoerd (terwijl zij vermomd moesten zijn met pruiken en\u002Fof kleding en\u002Fof andere attributen) en\u002Fof - (volgens) [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 1] in België ondergebracht in een door verdachte en\u002Fof medeverdachte gehuurd appartement;\n\n3. hij in of omstreeks de periode 31 maart 2025 tot en met 1 april 2025 te [plaats 1] en\u002Fof [plaats 2] (België), in ieder geval in Nederland en\u002Fof België, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, een wapen van categorie II, onder 5 van de Wet wapens en munitie, te weten een stroomstootwapen, zijnde een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos konden worden gemaakt of pijn kon worden toegebracht, voorhanden heeft gehad.3. De voorvragen\n\n3.1. Preliminair verweer\n\nDe verdediging stelt zich op het standpunt dat de officier van justitie met betrekking tot feit 3 niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging. De vervolging van de verdachte is op grond van het specialiteitsbeginsel beperkt tot de strafbare feiten waarvoor de verdachte is overgeleverd. De overlevering is alleen verzocht voor de eerste twee ten laste gelegde feiten, niet voor het derde.\n\n3.2. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe ontvankelijkheid van de officier van justitie\n\nIn de Overleveringswet is onder andere geregeld hoe een persoon in verband met een strafrechtelijk onderzoek door justitiële autoriteiten van de ene lidstaat van de Europese Unie aan de justitiële autoriteiten van een andere lidstaat overgeleverd kan worden. Artikel 14 van de Overleveringswet bepaalt het volgende: “Overlevering wordt niet toegestaan dan onder het algemene beding, dat de opgeëiste persoon niet zal worden vervolgd, gestraft of op enige andere wijze in zijn persoonlijke vrijheid beperkt, ter zake van feiten die vóór het tijdstip van zijn overlevering zijn begaan en waarvoor hij niet is overgeleverd, tenzij (…)”.Na de tenzij-bepaling volgen zeven uitzonderingen op die hoofdregel (onderdelen a-g).\n\nDe uitlevering van verdachte heeft plaatsgevonden op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). In het EAB verzocht Nederland aanhouding en overlevering van de verdachte in verband met een verdenking van, kortgezegd, wederrechtelijke vrijheidsberoving (feit 1) en het onttrekken aan het gezag (feit 2). In het EAB is niet het voorhanden hebben van een stroomstootwapen opgenomen (feit 3). Nu de overlevering niet zag op dit feit, kan verdachte hiervoor in beginsel niet voor worden vervolgd en gestraft. De rechtbank overweegt dat van een uitzondering zoals opgenomen in artikel 14, eerste lid, a tot en met g van de Overleveringswet geen sprake is. Dat de Belgische procureur des Konings (de Belgische officier van justitie) de officier van justitie in Nederland om vervolging van het wapenfeit heeft verzocht, is geen omstandigheid die onder de uitzonderingen valt en doet niet af aan de beperkingen van de vervolging. De rechtbank verklaart de officier van justitie daarom niet-ontvankelijk in zijn vervolging van het ten laste gelegde feit 3.\n\n4. De bewijsmotivering\n\n4.1. Inleiding\n\nOp maandag 31 maart 2025 om 08.13 uur ontvangt de politie een telefonische melding van [slachtoffer 2] dat de elfjarige [slachtoffer 1] en de zesjarige [slachtoffer 3] zijn meegenomen door hun ouders. De ouders betreffen [medeverdachte 1] (medeverdachte) en [medeverdachte 2] (verdachte). De kinderen zijn sinds 12 april 2021 uit huis geplaatst en onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming Overijssel. Ze verbleven in het kader van hun uithuisplaatsing in een gezinshuis in [plaats 1] bij gezinshuisouder [slachtoffer 2] .\n\nNa deze melding is de politie een grootschalig opsporingsonderzoek gestart. De ouders reden in een Mitsubishi, welke auto omstreeks 08.25 uur leeg werd aangetroffen op een parkeerplaats bij het treinstation in [plaats 1] . Aan het begin van de middag is er een landelijk AMBER Alertuitgegeven. Het opsporingsonderzoek leidt de politie uiteindelijk naar [plaats 2] in België. In de nacht van 1 april 2025 worden verdachten met de kinderen aangetroffen in een appartement in [plaats 2] .\n\n Vanuit de Raad voor de Kinderbescherming lag een advies om het gezag van de ouders te beëindigen. Het wettelijk gezag lag nog bij de ouders. Zij meenden op dat moment in hun recht te staan om de kinderen op te halen en mee te nemen naar België. Inmiddels is het gezag van de verdachten over [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] sinds 10 juni 2025 beëindigd.\n\n4.2. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Verdachte heeft deze feiten samen met medeverdachte [medeverdachte 1] gepleegd, zodat er sprake is van medeplegen.\n\n4.3. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman bepleit primair integrale vrijspraak. Subsidiair bepleit de raadsman verdachte vrij te spreken van de onderdelen in de tenlastelegging die zien op geweldshandelingen.\n\n4.4. Het oordeel van de rechtbank\n\nFeiten en omstandigheden\n\nDe rechtbank stelt op basis van de inhoud van het dossier en van wat ter terechtzitting is besproken de volgende feiten en omstandigheden vast.\n\nVerdachte heeft op 31 maart 2025 samen met medeverdachte [medeverdachte 1] hun kinderen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] opgehaald en meegenomen naar België. De kinderen waren op dat moment al bijna vier jaar uit huis geplaatst en zij stonden onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Overijssel (JBOV). De kinderen verbleven in het kader van hun uithuisplaatsing in een gezinshuis in [plaats 1] op een voor verdachten geheim adres bij de gezinshuisouder [slachtoffer 2] . JBOV was niet op de hoogte van de plannen van verdachte om de kinderen mee te nemen naar België.\n\nOp maandagmorgen 31 maart 2025 fietste de elfjarige [slachtoffer 1] naar school. Op enig moment werd zij geblokkeerd door een auto. Verdachte bestuurde de auto en medeverdachte [medeverdachte 1] was bijrijder. Medeverdachte [medeverdachte 1] stapte uit de auto en duwde [slachtoffer 1] van haar fiets waardoor [slachtoffer 1] viel. Medeverdachte [medeverdachte 1] trok [slachtoffer 1] over de grond richting hun auto en duwde [slachtoffer 1] erin. Dit gebeurde terwijl [slachtoffer 1] om hulp schreeuwde en zich afzette tegen de auto. Medeverdachte [medeverdachte 1] hield haar hand voor de mond van [slachtoffer 1] om het schreeuwen te stoppen. [slachtoffer 1] werd in de auto richting de grond geduwd door [medeverdachte 1] . [slachtoffer 1] moest meewerken, anders zouden ze haar pijn doen. Vervolgens reden verdachten naar het gezinshuis waar de kinderen verbleven. Daar aangekomen, zagen ze dat hun zesjarige zoon [slachtoffer 3] in de auto van gezinshuisouder [slachtoffer 2] zat. Verdachte stapte uit zijn auto en liep naar de auto van [slachtoffer 2] . Hij opende het portier, tilde [slachtoffer 3] uit de auto van [slachtoffer 2] en plaatste [slachtoffer 3] vervolgens in hun eigen auto. Verdachten reden vervolgens met hun kinderen weg en wisselden hun auto bij het station in [plaats 1] voor een huurauto die daar eerder klaargezet was. Verdachte heeft een auto gehuurd om een voorsprong op de Nederlandse politie te krijgen, zodat ze niet tegenhouden konden worden. Verdachten reden vervolgens met de kinderen via Hardenberg de grens over naar Duitsland naar hun huurappartement in België. Verdachten hadden voor de kinderen en voor henzelf andere kleding, nepbrillen en pruiken mee die als vermomming dienden om herkenning te voorkomen. Die middag kwamen verdachten met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] aan in hun huurappartement in België, waar zij die nacht 1 april 2025 zijn aangetroffen.\n\nOverwegingen van de rechtbank\n\nOp het moment van het meenemen van de kinderen stonden [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] onder toezicht van JBOV. JBOV is in dat kader bevoegd opzichter over de kinderen. Daar komt bij dat de rechtbank de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een gezinshuis bij beschikking van 5 juli 2024 heeft verlengd tot 5 juli 2025.\n\nDoor de kinderen mee te nemen, zonder toestemming van JBOV en zonder hen te informeren, en in strijd met de rechterlijke machtiging tot uithuisplaatsing de kinderen onderdak te verlenen in hun appartement in België, hebben verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] , hoewel zij nog ouderlijk gezag hadden, de kinderen onttrokken aan het bevoegd opzicht van JBOV.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de voorbereidingen die verdachten hebben getroffen en de wijze waarop de kinderen door verdachten zijn meegenomen, er op wijzen dat zij wel degelijk wisten dat wat zij deden juridisch ontoelaatbaar was. Verdachten hebben de kinderen meegenomen zonder overleg met JBOV, ze hebben de routes van de kinderen naar school eerder verkend, net als de wijze waarop de kinderen naar school gingen, dit terwijl de kinderen op een voor de ouders geheim adres verbleven. Verder hebben zij de huurauto en vermommingen gebruikt om uit handen van de politie te blijven. Dit alles wijst er op dat het voor verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] volstrekt duidelijk was dat zij niet gerechtigd waren om de kinderen zonder toestemming van JBOV mee te nemen en dat zij opzettelijk wederrechtelijk hebben gehandeld.\n\nVerdachte stelt dat hij de instanties op de hoogte heeft gebracht van de verhuizing. Verdachte doelt daarmee op een e-mail die vanuit zijn e-mailadres is verzonden naar de gemeente [plaats 1] over een verhuizing naar het buitenland. Deze e-mail werd pas om 16.01 uur in de middag verzonden, terwijl de kinderen al rond 08.00 uur meegenomen waren door verdachte en [medeverdachte 1] . De e-mail bevatte bovendien geen nieuw adres of verblijfplaats van de kinderen. Deze stelling van verdachte kan de rechtbank dan ook niet volgen en neemt de wederrechtelijkheid van het handelen niet weg.\n\nDoor de feitelijke wijze van handelen hebben verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] zich ook schuldig gemaakt aan de wederrechtelijke vrijheidsberoving van de kinderen. De kinderen werden van hun vrijheid beroofd door hen, ongevraagd en bij [slachtoffer 1] zelfs uitdrukkelijk tegen haar zin, in de auto te zetten en mee te voeren naar België.\n\nHoewel verdachte ontkent geweld te hebben gebruikt of bedreigd te hebben met geweld, heeft de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de door [slachtoffer 1] afgelegde verklaring over de geweldshandelingen. Naar het oordeel van de rechtbank is deze verklaring gedetailleerd en consistent. De rechtbank stelt daarnaast vast dat de door [slachtoffer 1] afgelegde verklaring op concrete onderdelen steun vindt in andere bewijsmiddelen, waaronder de verklaring van getuige [getuige] . [getuige] wordt door de rechtbank als onafhankelijke en betrouwbare getuige beschouwd.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, zodat sprake is van medeplegen.\n\nAl met al acht de rechtbank de ten laste gelegde feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen.\n\n4.5. De bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n1. hij in de periode 31 maart 2025 tot en met 1 april 2025 in Nederland en België, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [slachtoffer 3] ( [slachtoffer 3] ) (geboren [geboortedatum 3] 2018) en [slachtoffer 1] (geboren [geboortedatum 2] 2013) wederrechtelijk van de vrijheid hebben beroofd en beroofd gehouden, door - [slachtoffer 1] met de auto te blokkeren en - [slachtoffer 1] met kracht van haar fiets te duwen waardoor [slachtoffer 1] ten val kwam en - [slachtoffer 1] over de grond naar de bij verdachte en medeverdachte in gebruik zijnde auto te trekken en haar in die auto te duwen en - [slachtoffer 1] in voornoemde auto vast te houden en (meermalen) een hand voor de mond van [slachtoffer 1] te houden en - [slachtoffer 1] in voornoemde auto (meermalen) naar de grond te duwen en - vervolgens [slachtoffer 3] uit de auto van diens gezinshuisouder te tillen en in de bij verdachte en medeverdachte in gebruik zijnde auto te plaatsen en - met voornoemde auto [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] weg te voeren van de woning van de gezinshuisouder en - voornoemde auto te wisselen met een vooraf klaargezette huurauto en - te dreigen dat [slachtoffer 1] mee moest werken omdat haar anders pijn zou worden gedaan en - [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] met die huurauto via Duitsland naar België te vervoeren terwijl zij vermomd moesten zijn met pruiken en kleding en andere attributen en - [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] in België onder te brengen in een door verdachte gehuurd appartement.\n\n2. hij in de periode 31 maart 2025 tot en met 1 april 2025 in Nederland en België, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk een minderjarige, te weten [slachtoffer 3] (geboren [geboortedatum 3] 2018) en [slachtoffer 1] (geboren [geboortedatum 2] 2013), heeft onttrokken aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem\u002Fhaar uitoefende, terwijl die minderjarigen beneden de twaalf jaren oud waren en terwijl verdachte en medeverdachte geweld en bedreiging met geweld hebben gebezigd, immers hebben verdachte en medeverdachte - [slachtoffer 1] met de auto geblokkeerd en - [slachtoffer 1] met kracht van haar fiets geduwd waardoor [slachtoffer 1] ten val kwam en - [slachtoffer 1] over de grond naar de bij verdachte en medeverdachte in gebruik zijnde auto getrokken en haar in die auto geduwd en - [slachtoffer 1] in voornoemde auto vastgehouden en (meermalen) een hand voor de mond van [slachtoffer 1] gehouden en - [slachtoffer 1] in voornoemde auto (meermalen) naar de grond geduwd en - vervolgens [slachtoffer 3] uit de auto van diens gezinshuisouder getild en in de bij verdachte en medeverdachte in gebruik zijnde auto geplaatst en - met voornoemde auto [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] weggevoerd van de woning van de gezinshuisouder en - voornoemde auto gewisseld met een vooraf klaargezette huurauto en - gedreigd dat [slachtoffer 1] mee moest werken omdat haar pijn zou worden gedaan en\n\n- [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] met die huurauto via Duitsland naar België vervoerd terwijl zij vermomd moesten zijn met pruiken en kleding en andere attributen en - [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] in België ondergebracht in een door verdachte gehuurd appartement.\n\nDe rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.\n\nDe rechtbank heeft in de tenlastelegging het woord ‘pleegmoeder’ gewijzigd in ‘gezinshuisouder’ en [slachtoffer 3] in [slachtoffer 3] . De rechtbank is van oordeel dat verdachte daardoor niet is geschaad in de verdediging.\n\n5. De kwalificatie\n\nHet bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 47, 282 en 279 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Het bewezenverklaarde levert op:\n\nfeiten 1 en 2\n\nde eendaadse samenloop van de misdrijven:\n\nmedeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven, meermalen gepleegd,\n\nen\n\nmedeplegen van opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent, terwijl geweld en bedreiging met geweld is gebezigd, terwijl de minderjarige beneden de twaalf jaren oud is, meermalen gepleegd.\n\n6. De strafbaarheid\n\nDe verdediging beroept zich op afwezigheid van alle schuld (avas). Ter onderbouwing van het zogeheten avas-verweer stelt verdachte dat hij heeft gehandeld op basis van mondelinge adviezen van advocaten. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij in 2023 mondeling advies heeft ingewonnen van een Belgische advocaat, gespecialiseerd in Nederlandse zaken in België. De Belgische advocaat kon pas iets voor verdachten betekenen zodra de kinderen in België zouden verblijven. Hij zou dan de zaak aan een Belgische rechter voorleggen. De Belgische advocaat kon niet adviseren over hoe verdachten de kinderen in België konden krijgen. Medeverdachte [medeverdachte 1] zou een Nederlandse strafrechtadvocaat hebben geconsulteerd en zij heeft dat advies vervolgens aan verdachte doorgegeven. Het advies van de Nederlandse advocaat was dat verdachte door moest geven waar hij was, dat ze zich niet moesten verstoppen voor de autoriteiten en dat hij moest vertellen wat hun intenties waren. Verdachte wil de namen van de betreffende advocaten niet noemen.\n\nVerdachte heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende concreet gemaakt wat de vraag aan en de mondelinge adviezen van de advocaten exact inhielden en in welke mate deze advocaten deskundig waren. In zoverre kan de rechtbank daarom niet beoordelen of verdachte, die zelf destijds advocaat was, hierop gerechtvaardigd mocht vertrouwen. De namen van de advocaten zijn voor de rechtbank onbekend gebleven. Bovendien heeft verdachte zich niet aan een advies (‘doorgeven waar je bent, niet verstoppen voor de autoriteiten, vertellen wat je intenties zijn’) gehouden. Het verweer van verdachte wordt daarom verworpen. De feiten en verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die de strafbaarheid zouden uitsluiten.\n\n7. De op te leggen straf of maatregel\n\n7.1. De vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie vordert verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van veertig maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en met aftrek van het voorarrest. De officier van justitie vordert daarbij bijzondere voorwaarden op de leggen bestaande uit een meldplicht en een poliklinische, forensische behandeling.\n\nDaarnaast vordert de officier van justitie als vrijheidsbeperkende maatregelen de oplegging van een contactverbod met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] en een locatieverbod voor de gemeenten [plaats 1] , Kampen en Zwolle voor de duur van vijf jaren, waarbij voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis van drie weken wordt toegepast met een maximum van zes maanden. De maatregelen dienen dadelijk uitvoerbaar te worden verklaard.\n\n7.2. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman stelt zich op het standpunt dat er sprake is geweest van een vormverzuim. Verdachte is aangehouden op basis van een mondelinge EAB, terwijl een schriftelijk EAB is vereist. Dit dient volgens de raadsman te leiden tot strafvermindering.\n\nDe raadsman verzoekt een straf op te leggen die gelijk is aan de duur van de overleveringsdetentie en de voorlopige hechtenis. Het opleggen van een voorwaardelijke straf en het opleggen van bijzondere voorwaarden is volgens de raadsman niet noodzakelijk en heeft geen toegevoegde waarde meer.\n\n7.3. De gronden voor een straf of maatregel\n\nBij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.\n\nAard en ernst van de strafbare feiten\n\nVerdachte heeft zich samen met medeverdachte [medeverdachte 1] schuldig gemaakt aan het ontvoeren van zijn uithuisgeplaatste kinderen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] en het onttrekken van hen aan het opzicht van JBOV. De kinderen zijn sinds 2021 uit huis geplaatst en daar zijn verdachten het niet mee eens. Daarnaast dreigde hun ouderlijk gezag beëindigd te worden, waardoor ze hun kinderen wilden meenemen naar België om hun zaak daar aan een rechter voor te leggen.\n\nVerdachten hebben [slachtoffer 1] , die nietsvermoedend onderweg naar school was, van haar fiets geduwd en in de auto getrokken, vervolgens is [slachtoffer 3] bij het gezinshuis uit de auto van de gezinshuisouder gehaald en daarna zijn verdachten met hun kinderen via Duitsland naar België gereden. Verdachten hadden hun plannen grondig voorbereid. Ze hadden een auto gehuurd waarin ze tijdens hun vlucht konden overstappen en ze hadden vermomming mee voor onderweg om herkenning te voorkomen.\n\nVerdachte heeft voor eigen rechter gespeeld en dat keurt de rechtbank ten strengste af. De kinderen waren immers niet voor niets onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst. Ze verbleven al bijna vier jaar niet meer bij verdachten en werden van de een op de andere dag uit hun vertrouwde omgeving weggehaald, zonder enig overleg of toestemming van JBOV. Daarbij is het gebruik van geweld niet geschuwd. Door niet de belangen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] , maar hun eigen belangen voorop te stellen hebben verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] de rechterlijke beslissingen aan hun laars gelapt en het systeem van kinderbescherming, waarbinnen juist de veiligheid van de kinderen voorop staat, op ingrijpende wijze aangetast.\n\nHet handelen van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] heeft negatieve gevolgen gehad voor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] . [slachtoffer 1] ervaart sinds de ontvoering veel angst, stress, gevoelens van onveiligheid en zij is zeer alert. Beide kinderen zijn bang dat ze nogmaals onverwacht mee zullen worden genomen. [slachtoffer 1] heeft tijdens haar spreekrecht op indrukwekkende wijze verteld hoe zij de ontvoering en de onttrekking heeft ervaren en welke gevolgen zij hier nog steeds van ondervindt. Ook voor de gezinshuisouder en de andere kinderen in het gezinshuis hebben de strafbare feiten impact gehad.\n\nPersoon van de verdachte\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 23 april 2026. Daaruit volgt dat verdachte niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld. Dit heeft geen strafverminderende of strafverzwarende werking.\n\nVerdachte is onderzocht door een psycholoog. De ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van zijn kinderen hebben hem sterk aangegrepen waardoor hij een depressieve stoornis heeft ontwikkeld. De depressieve stoornis was ook aanwezig ten tijde van de strafbare feiten, maar de psycholoog adviseert de feiten volledig aan verdachte toe te rekenen, omdat hij rationeel de afweging heeft gemaakt om hiertoe over te gaan. De psycholoog acht de kans dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen klein. Er worden geen interventies of behandelingen geadviseerd. De rechtbank neemt dit advies over en gaat uit van volledige toerekening van de feiten aan verdachte.\n\nDe reclassering heeft een rapport over verdachte opgemaakt. Verdachte werkt al achtentwintig jaar als advocaat en heeft een advocatenkantoor welke gespecialiseerd is in bedrijfs- en ondernemingsrecht. Zijn werk heeft tijdens de voorlopige hechtenis stilgelegen en verdachte heeft zich inmiddels uitgeschreven van het advocatentableau. Omdat de reclassering geen informatie heeft over de status van de relatie van verdachte met medeverdachte, kan de kans op herhaling van strafbaar gedrag niet worden ingeschat. Bij een veroordeling kunnen de leefgebieden relatie partner\u002Fkinderen, financiën en dagbesteding een punt van zorg worden, waardoor de reclassering adviseert een deels voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en ambulante behandeling door Transfore.\n\nVormverzuim?\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de raadsman niet heeft voldaan aan zijn stelplicht met betrekking tot het door hem gestelde vormverzuim. De raadsman heeft onvoldoende gemotiveerd welk nadeel door het verzuim voor de verdachte zou zijn veroorzaakt. Aan strafvermindering in dat kader komt de rechtbank daarom niet toe.\n\nStraf en\u002Fof maatregel\n\nDe rechtbank is van oordeel dat in verband met de ernst van de door verdachte gepleegde feiten, met daarbij de strafverzwarende omstandigheden van de nog jonge leeftijd van de kinderen (onder de twaalf jaar) en het toepassen van (bedreiging met) geweld, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige straf dan een gevangenisstraf.\n\nDe rechtbank heeft gekeken naar uitspraken in vergelijkbare zaken. De rechtbank ziet dat de omstandigheden van andere ontvoerings- of onttrekkingszaken sterk variëren waardoor er uiteenlopende straffen worden opgelegd.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de straf die zij zal opleggen de ernst van het bewezenverklaarde voldoende tot uitdrukking brengt en zal een fors voorwaardelijk deel opleggen om te voorkomen dat verdachte opnieuw de fout ingaat. De rechtbank zal daarbij geen bijzondere voorwaarden opleggen zoals door de reclassering is geadviseerd. Bij de strafoplegging heeft de rechtbank bovendien oog voor het principe van de generale preventie. De straf die aan verdachte wordt opgelegd dient van zodanige orde en zwaarte te zijn dat navolging van zijn handelwijze door anderen wordt ontmoedigd. Omdat het vaker zal voorkomen dat ouders van wie hun kind tegen hun wil uit huis is geplaatst, de sterke wens kunnen hebben hun kind weer zelf op te voeden, acht de rechtbank dit van belang. Een te lichte straf heeft onvoldoende afschrikkende werking.\n\nDe rechtbank legt aan verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van vierentwintig maanden, waarvan zeventien maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in overleveringsdetentie in België, in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De proeftijd bedraagt drie jaren. Dit betekent dat verdachte het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf reeds heeft ondergaan.\n\nDe rechtbank zal daarnaast - op grond van artikel 38v Sr - als vrijheidsbeperkende maatregelen een contactverbod met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] opleggen en een locatieverbod voor de gemeenten [plaats 1] , Kampen en Zwolle voor de duur van drie jaren. Per overtreding van de maatregel zal vervangende hechtenis van 1 week uitgezeten dienen te worden. De totale duur van de vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste zes maanden. De rechtbank zal bij het opleggen van deze maatregelen rekening houden met de mogelijkheid tot (begeleid) contact tussen de kinderen en verdachte, indien dat contact op aanwijzing van de voogd, JBOV, gewenst en uitvoerbaar is.\n\nDe rechtbank beveelt dat de opgelegde maatregelen dadelijk uitvoerbaar zijn, nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en\u002Fof zich belastend zal gedragen ten opzichte van bepaalde personen. Dit gevaar richt zich met name op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] . De rechtbank acht het van belang dat zij zich vrijelijk binnen de genoemde gemeentes moeten kunnen bewegen en dat zij beschermd worden tegen ongevraagd contact met verdachte. De belangen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] wegen in dit kader zwaarder dan het belang van verdachte.\n\n8. De schade van benadeelden\n\n8.1. De vorderingen van de benadeelde partijen\n\nAls benadeelde partijen hebben zich in dit strafproces gevoegd: [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] , gezinshuisouder [slachtoffer 2] en gezinshuiskinderen [naam 1] en [naam 2] .\n\nVorderingen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3]\n\n [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] vorderen ieder afzonderlijk, verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 10.000,-- bestaande uit vergoeding van immateriële schade. De benadeelden doen een beroep op artikel 6:106 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW) waarin aanspraak op immateriële schadevergoeding bestaat in het geval waarin de benadeelde ‘op andere wijze in zijn persoon is aangetast’.\n\nVorderingen [slachtoffer 2] , [naam 1] en [naam 2]\n\n [slachtoffer 2] vordert in totaal een bedrag van € 13.350,77, waarvan € 5.350,77 materiële schadevergoeding betreft en € 8.000,-- immateriële schadevergoeding.\n\nDe materiële schade van [slachtoffer 2] bestaat volgens haar uit de volgende posten:\n\nReiskosten voor medische behandelingen € 158,--;\n\nMedische kosten fysiotherapie en haptonomie € 900,--;\n\nKosten informatieverstrekking huisarts € 67,60\n\nKosten beveiligingssysteem en huren woning. € 4.225,17.\n\n [naam 1] en [naam 2] vorderen ieder afzonderlijk, verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 4.000,-- bestaande uit vergoeding voor immateriële schade.\n\nDe benadeelde partijen [slachtoffer 2] , [naam 1] en [naam 2] doen ten aanzien van de immateriële schade primair een beroep op shockschade en subsidiair een beroep op artikel 6:106 aanhef en onder b BW waarin aanspraak op immateriële schadevergoeding bestaat in het geval waarin de benadeelde ‘op andere wijze in zijn persoon is aangetast’.\n\nDe benadeelde partijen vorderen allen het bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan.\n\n8.2. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vorderingen toegewezen kunnen worden, inclusief wettelijke rente.\n\n8.3. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman verzoekt benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering in verband met het ontbreken van causaal verband tussen de kosten en de ten laste gelegde feiten. De benadeelden komt daarnaast volgens de raadsman geen beroep op shockschade toe, omdat er geen sprake is van een strafbaar feit waarbij iemand gedood of ernstig gewond is geraakt. In de vordering ontbreekt een BEM-clausule, de vordering kan niet toegewezen worden.\n\n8.4. Het oordeel van de rechtbank\n\nBeoordeling van de vorderingen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3]\n\nVergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De vorderingen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] zijn op deze laatste grondslag is gebaseerd. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.\n\nDe rechtbank overweegt het volgende.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de beoordeling van de aard en de ernst van de normschending en de nadelige gevolgen in deze zaak verschillend zijn voor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] . In verband met het toegepaste geweld en de bedreiging met geweld ten aanzien van [slachtoffer 1] , acht de rechtbank de aard en de ernst van de normschending voor [slachtoffer 1] ingrijpender, waardoor een aantasting in de persoon meer voor de hand ligt. [slachtoffer 1] heeft daarnaast voldoende concrete gegevens overgelegd waaruit de nadelige gevolgen die de normschending voor haar hebben gehad, blijken. Zo is er EMDR en speltherapie voor haar ingezet. De rechtbank acht in het geval van [slachtoffer 1] op basis van haar onderbouwing van de nadelige gevolgen een vergoeding van immateriële schade ter hoogte van € 3.000,-- billijk. De rechtbank wijst dit deel van de vordering van [slachtoffer 1] daarom toe en verklaart haar in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk. De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 31 maart 2025 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.\n\nIn het geval van [slachtoffer 3] is er geen geweld en bedreiging met geweld gebruikt. Deze omstandigheden maken, zonder afbreuk te willen doen aan de impact van de strafbare feiten op hem, dat de aard en ernst van de normschending en de nadelige gevolgen, afgewogen in dit juridische kader, voor hem minder ingrijpend zijn waardoor een aantasting in de persoon minder voor de hand ligt. In dit geval is het in beginsel aan de benadeelde partij om de schade met concrete gegevens te onderbouwen. Uit de overgelegde gegevens is weliswaar op te maken dat psychotherapie is ingezet bij [slachtoffer 3] , echter in dat licht wordt tevens opgemerkt dat eerste observaties daarbij zijn dat sprake zou zijn van een slechte basis qua hechting en dat zijn hoofd vol lijkt te zitten met beelden van wat hij vertelt. In hoeverre dit beelden zijn van de ontvoering of van andere traumatische ervaringen in het verleden vertellen deze gegevens niet. De rechtbank acht hiermee de nadelige gevolgen voor [slachtoffer 3] onvoldoende onderbouwd en zal hem daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering.\n\nBeoordeling van de vorderingen van [slachtoffer 2] , [naam 1] en [naam 2]\n\nDe rechtbank meent dat wat [slachtoffer 2] , [naam 2] en [naam 1] hebben meegemaakt, erg naar moet zijn geweest en neemt aan dat dit impact heeft op hen. Dat is op zichzelf niet doorslaggevend voor beantwoording van de vraag of zij, gelet op de wettelijke criteria en jurisprudentie, voegingsgerechtigd zijn in de strafprocedure en in hun vorderingen tot schadevergoeding kunnen worden ontvangen. Op grond van artikel 51f, eerste lid Sv kan degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit zich terzake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen in het strafproces. Uit de Memorie van Toelichtingvolgt dat van rechtstreekse schade sprake is indien iemand is getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepaling wordt beschermd. In het algemeen beschermen strafbepalingen niet het belang van derden belanghebbenden, zodat doorgaans alleen het slachtoffer zelf zich als benadeelde partij kan voegen in het strafproces. Artikel 51a Sv omschrijft het slachtoffer ook als degene die als rechtstreeks gevolg van een strafbaar feit vermogensschade of ander nadeel heeft ondervonden.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is er ten aanzien van [slachtoffer 2] , [naam 2] en [naam 1] geen sprake van rechtstreekse schade, omdat de schade is ontstaan doordat anderen ( [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] ) zijn ontvoerd en onttrokken aan het opzicht. [slachtoffer 2] , [naam 2] en [naam 1] waren hier weliswaar (deels) getuigen van, maar hun belangen worden niet door de overtreden strafbepalingen beschermd. Hun schade valt naar het oordeel van de rechtbank daarom niet onder rechtstreekse schade, als bedoeld in artikel 51f Sv. [slachtoffer 2] , [naam 2] en [naam 1] behoren daarmee als zodanig niet tot de categorie voegingsgerechtigden.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat bovendien niet is gebleken dat de verdachte het oogmerk heeft gehad om [slachtoffer 2] , [naam 2] en [naam 1] immateriële schade toe te brengen, zodat zij ook op die grond niet als primair slachtoffer kunnen worden aangemerkt (artikel 6:106 onder a BW).\n\nDit kan anders zijn als sprake is van schokschade.\n\nSchokschade\n\nDe Hoge Raad heeft overwogen dat iemand die een ander door zijn onrechtmatige daad doodt of verwondt – afhankelijk van de omstandigheden waaronder die onrechtmatige daad en de confrontatie met die daad of de gevolgen daarvan, plaatsvinden – ook onrechtmatig kan handelen jegens degene bij wie die confrontatie een hevige emotionele schok teweeg brengt.In het arrest worden ook gezichtspunten genoemd die bij deze afweging een rol spelen.\n\nDe rechtbank stelt vast dat de slachtoffers in deze zaak niet dood of ernstig verwond zijn, zoals beschreven in de genoemde uitspraak. De benadeelden hebben de ontvoering en de onttrekking van de kinderen (gedeeltelijk) waargenomen, maar dit valt naar het oordeel van de rechtbank niet onder een confrontatie die een hevige emotionele schok teweeg kan hebben gebracht, zoals bedoeld in het arrest.\n\nDe rechtbank zal [slachtoffer 2] , [naam 1] en [naam 2] niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen, omdat er geen sprake is van rechtstreekse schade en omdat een andere grondslag voor vergoeding van materiële en immateriële schade ontbreekt.\n\nHoofdelijkheid en BEM-clausule\n\nOmdat de verdachte de strafbare feiten waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (hoofdelijk aansprakelijk). Voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij te betalen.\n\nOmdat [slachtoffer 1] minderjarig is, bepaalt de rechtbank dat de schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van [slachtoffer 1] te openen rekening met een zogenoemde BEM clausule (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen). Een BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en zijn wettelijke vertegenwoordiger kunnen – tot de minderjarige achttien jaar is – alleen met toestemming van de kantonrechter over het geld op de rekening beschikken.\n\n8.5. De schadevergoedingsmaatregel\n\nDe rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte tegenover [slachtoffer 1] naar burgerlijk recht mede aansprakelijk is voor de schade die door de feiten is toegebracht.\n\nAls door de verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld met 30 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.\n\n9. De toegepaste wettelijke voorschriften\n\nDe hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 38v, 38w en 55 Sr.\n\n10. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nofficier van justitie niet-ontvankelijk\n\n- verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde;\n\nbewezenverklaring\n\n- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;\n\n- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;\n\nstrafbaarheid feiten\n\n- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;\n\n- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:\n\nfeiten 1 en 2,\n\nde eendaadse samenloop van de misdrijven:\n\nmedeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven, meermalen gepleegd,\n\nen\n\nmedeplegen van opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent, terwijl geweld en bedreiging met geweld is gebezigd, terwijl de minderjarige beneden de twaalf jaren oud is, meermalen gepleegd.\n\nstrafbaarheid verdachte\n\n- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 en 2 bewezen verklaarde;\n\nstraf\n\n- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van24 (vierentwintig) maanden;\n\n- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 17 (zeventien) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van deproeftijd van drie jarende navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:\n\n- stelt als algemene voorwaardedat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;\n\n- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in overleveringsdetentie in België, in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;\n\nmaatregelen\n\n- legt aan de verdachte op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheidals\n\n bedoeld in artikel 38v Sr voor de duur van drie jaren, in de vorm van een\n\n contactverboden een locatieverbod;\n\n- beveelt dat de verdachte gedurende drie jaren op geenenkele wijze – direct of\n\nindirect – contactop zal nemen, zoeken of hebben met:\n\n- [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2013;\n\n- [slachtoffer 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2018,\n\ntenzij een dergelijk contact op aanwijzing van en onder begeleiding van JBOV uitvoerbaar en gewenst is;\n\n- beveelt dat de verdachte zich gedurende drie jaren niet binnen de gemeentegrenzen mag bevinden van de gemeenten Zwolle, Kampen en [plaats 1] , tenzij dit nodig is voor een op aanwijzing van en onder begeleiding van JBOV gewenst contact met de hiervoor genoemde kinderen;\n\n- beveelt dat voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan de maatregel per overtreding wordt vervangen door een week hechtenis en bepaalt daarbij dat de maximale hechtenis zes maanden bedraagt;\n\n- beveelt dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaaris, omdat er ernstig rekening mee moet\n\n worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en\u002Fof zich\n\n belastend zal gedragen jegens [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] ;\n\n- toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op;\n\nschadevergoedingen\n\n- bepaalt dat de benadeelde partijen [slachtoffer 3] , [slachtoffer 2],[slachtoffer 4]en[slachtoffer 5]in het geheelniet-ontvankelijkzijn in de vorderingen, en dat de benadeelde partijen de vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen;\n\n- bepaalt dat de benadeelde partijen [slachtoffer 3] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en de verdachte ieder de eigen kosten dragen;\n\n- wijstdevorderingvan de benadeelde partij[slachtoffer 1]gedeeltelijk toetot een bedrag van€ 3.000,--(drieduizend euro), bestaande uit immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 maart 2025;\n\n- veroordeelt de verdachte hoofdelijktot betaling van dit bedrag met dien verstande dat als en voor zover al door een ander (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;\n\nbepaalt dat [slachtoffer 1] voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;\n\nbepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van [slachtoffer 1] te openen rekening met een BEM-clausule;\n\n-veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door [slachtoffer 1] gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;\n\n- legt de maatregelop dat de verdachteverplichtis ter zake van de bewezen verklaarde feitentot betaling aan de Staat der Nederlandenvan een bedrag van € 3.000,-- (drieduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 maart 2025 ten behoeve van [slachtoffer 1] , en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van30 dagenkan worden toegepast, een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;\n\n- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. J. de Ruiter, voorzitter, mr. G.H. Meijer en mr. D.E. Schaap, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Y.W. van den Bosch, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.\n\nBijlage bewijsmiddelen\n\nDeze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.\n\nWanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met onderzoeksnaam CITRIEN \u002F ON1R025033, bhv-nummer PL0600-2025145441. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.\n\nFeit 1\n\n1. Het proces-verbaal van aangifte door [aangever] namens Jeugdbescherming Overijssel van 17 april 2025, pagina’s 243 tot en met 247, voor zover inhoudende:\n\nIk doe aangifte namens de Jeugdbescherming Overijssel van het opzettelijk onttrekken van twee minderjarigen aan het wettig over hun gestelde gezag op maandag 31 maart 2025 te [plaats 1] . Niemand heeft het recht of de toestemming gegeven om deze kinderen opzettelijk mee te nemen en deze te onttrekken aan het wettelijk over hun gestelde gezag. Het gaat om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] .\n\nOp 12 april 2021 is er een VOTS uitgesproken. Die is drie maanden later naar een OTS gegaan. Er was ook een verzoek voor een machtiging tot uithuisplaatsing. Dat is ook gebeurd in april 2021. De kinderen zijn toen op een geheim adres geplaatst.\n\nV: In hoeverre wisten de biologische ouders waar de kinderen verblijven en wonen?\n\nA: De kinderen hebben altijd geheim gezeten.\n\nV: Hebben de ouders uitspraken gedaan richting jullie, dat ze de kinderen mee wilden nemen?\n\nA: Nee\n\nV: wie heeft het wettelijk gezag over de kinderen?\n\nA: Dat ligt nog steeds bij de ouders. Maar de machtiging uithuisplaatsing overruled dat wettelijk gezag. En deze beperkt ook dat gezag. Het medisch gezag lag al bij ons.\n\n2. Beschikking verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van 5 juli 2024, pagina’s 526 tot en met 533, voor zover inhoudende:\n\nDatum uitspraak: 5 juli 2024\n\nBeschikking verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing\n\nin de zaak van\n\nStichting Jeugdbescherming Overijssel,\n\nde gecertificeerde instelling,\n\ngevestigd te Hengelo (O),\n\nmet betrekking tot:\n\n [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2013\n\nin [geboorteplaats 2] , hierna te noemen [slachtoffer 1] , en\n\n [slachtoffer 3] , geboren op\n\n [geboortedatum 3] 2018 in [geboorteplaats 3] , hierna te noemen [slachtoffer 3] .\n\nDe rechtbank:6.1.. verlengt de ondertoezichtstelling van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] tot 6 juli 2025;6.2.. \n\nverlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] in een\n\ngezinshuis tot 6 juli 2025;6.3.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\n3. Het proces-verbaal van bevindingen uitwerking verhoor [slachtoffer 1] (dochter verdachten) van 12 mei 2025, pagina’s 216 tot en met 236, voor zover inhoudende:\n\nHet was ochtend, ik was op de fiets naar school. Ik was bijna bij de kruising en toen kwam er opeens een zwarte auto achter me. En toen reed ie opeens voor me langs. En ik fietste toen om de auto heen. Maar toen gooide ze de auto er weer voor. En ik fietste er toen aan de andere kant omheen. En toen gooiden ze hem er nog een keer voor.\n\nToen stapte mijn moeder uit. En toen werd ik er vanaf geduwd en viel ik in een doornstruik. Ik werd meegesleurd. En ik zat in de tussentijd om hulp te roepen. Ik was toen in de auto gestopt. Had ze me in de auto gekregen en toen kwamen ze dus bij het gezinshuis. En toen is [slachtoffer 3] zo uit de auto getrokken en in hun auto gestopt. Toen reden ze eerst naar het station, waar een huurauto stond. En daar moesten ik en [slachtoffer 3] in. En toen zijn ze naar Hardenberg gereden, vanaf daar zijn ze Duitsland in gereden. Toen zijn we gestopt bij een hele grote Shell in Duitsland. Daar moesten we dingen met een pruik en andere kleding. En van daaruit hebben we een uur of twee gereden België in. En toen werden ik en mijn broertje in een appartementsgebouw gebracht, die schuin tegenover een matrassenfabriek stond.\n\n Ik ben in de doornstruik gevallen (wijst naar haar rechterzij kant) hier heb ik ook een wondje zitten en hier heb ik ook, bij mijn navel, een wondje zitten. Dat gebeurde in [plaats 1] . Net voor een kruispunt. Ik werd van mijn fiets afgeduwd door mijn moeder. Zij stapte ineens zo schuin voor en duwde zo naar de zijkant en toen vloog ik in die struik. De fiets lag op mijn linkerbeen.\n\nIk werd toen meegesleurd en ik probeerde me tegen te houden. En toen werd ik over het fietspad heen gesleurd. Ik voelde de pijn hier (wijst haar linker been aan) hier (wijst haar rechter elleboog\u002Farm aan) hier (rechter heup), eigenlijk overal behalve mijn hoofd. Ik werd daar dus in mee gesleurd en ik heb me ook afgezet tegen de zijkanten van de deur heb ik me afgezet om eraf te komen. Toen hebben ze mij zeg maar zo naar voren geduwd. Ja, en dit (wijst naar haar vinger) komt zeg maar mijn hand, de nagels van mijn moeder werden in mijn hand gezet zodat ik los liet. Mijn moeder zei dat ik op moest houden en dat ik mee werk en zo. Mijn moeder kwam achter me zitten, en ik werd in dat voeteneind gedrukt door mijn moeder. Volgens mij hebben ze hem op kinderslot gezet. Mijn vader reed. Papa moest [slachtoffer 3] halen. Dat had mama gezegd. Ik heb gezien dat de deur werd opengedaan, [slachtoffer 3] werd opgetild en toen zijn ze naar de auto gelopen.\n\nDe hele weg naar het station werd ik naar beneden gedrukt. Toen moesten we overstappen in de huurauto. Ik moest meewerken omdat ze me anders pijn gaat doen en zo. De autodeuren zaten op kinderslot.\n\nDe huurauto stond ernaast en daar werd ik ingewerkt en [slachtoffer 3] werd erin getild. Op dezelfde manier als bij het begin van onze ontvoering eigenlijk.\n\n Toen we bijna bij de grens waren moesten ik en [slachtoffer 3] andere kleding en een andere jas aan en andere schoenen van mijn moeder. Zij pakte de kleren uit de tas van achteren. Ik moest een thermoding onder aantrekken en toen moest ik een roze trui aan. [slachtoffer 3] en ik kregen een hoofddoek op of zo die had ze bij ons aangedaan met een nepbril. Ik had een paarse, [slachtoffer 3] een blauwe. En toen even later, toen we bijna bij die Shell waren, had ze dezelfde pruik voor mij en [slachtoffer 3] . De pruik moesten we op doen van mijn moeder.\n\nToen zijn we naar het appartement gereden in België. Daar kwamen we vier uur ’s middags aan.\n\n4. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] van 31 maart 2025, pagina’s 26 en 27, voor zover inhoudende:\n\nOp maandag 31 maart 2025 omstreeks 08:00 uur fietste ik op de Leemculeweg. Voor mij zag ik een meisje fietsen die ik bijna wilde gaan inhalen. Ik zag toen dat ik werd ingehaald door een zwarte auto. Ik zag dat de auto slingerde toen deze ter hoogte van het meisje reed. Vervolgens zag ik dat de auto meer gas bij gaf en een stukje voor het meisje stopte. Ik zag dat de bijrijder, een vrouw, uit het voertuig stapte en het meisje op de fiets hardhandig van de fiets duwde. Ik zag dat het meisje ten van kwam bij de bosjes net voorbij het voetbalveldje aan de Leemculeweg. Ik zag dat de vrouw het meisje hardhandig het voertuig in trok. Ik hoorde dat het meisje meerdere keren hard om hulp riep.\n\n5. Een geschrift van de federale gerechtelijke politie arro Oost-Vlaanderen, verhoor van [verdachte] van 1 april 2025, pagina’s 121 tot en met 128, voor zover inhoudende:\n\nIk heb het advies van de Raad voor de Kinderbescherming waarin zij adviseerden om ons ouderlijk gezag af te nemen, midden maart 2025 via de post in Nederland ontvangen. Dit advies is de reden waarom wij dit alles ondernomen hebben.\n\nNormaal rijd ik in een Mitsubishi, maar ik ben hier gisteren gekomen met een Seat Alhambra die ik had gehuurd. Ik heb de auto gehuurd van zaterdag 29\u002F04\u002F2025 tot en met 01\u002F04\u002F2025 12.30 uur via SnappCar. De eigenaar woont in [plaats 3] . Wij dachten dat wij via het huren van een auto een voorsprong zouden kunnen krijgen op de Nederlandse politie zodat ze ons niet konden tegenhouden.\n\nGisterenochtend hebben wij onze dochter die naar school fietste onderschept en meegenomen. Daarna zijn wij naar het huis gereden waar beide kinderen momenteel verblijven. Wij zagen dat ons zoontje op dat moment in de auto werd geplaatst om naar school te gaan. Ik heb de deur van de auto opengetrokken en mijn zoontje uit de auto genomen en naar mijn auto, de Mitsubishi, gebracht. Ik heb mijn zoontje linksachter geplaatst. Wij zijn weggereden naar een parkeerplaats bij het treinstation van [plaats 1] . Daar hebben wij van auto gewisseld. Wij hadden de Seat, zoals eerder vermeld, daar al vroeger geplaatst met het oog op het wisselen van de voertuigen. Wij zijn toen doorgereden met de Seat naar Leupegem in België. Wij kenden de fietsroute van onze dochter. Wij hebben haar daar eerder zien rondfietsen. Wij zijn daar eerder gaan kijken, wel vaker, met de optiek om ze mee te nemen indien het anders niet kon. Wij hebben eerder gezien dat ons zoontje met de auto naar school werd gebracht.\n\n6. De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 28 mei 2026, voor zover inhoudende:\n\nWe gebruikten onderweg in de auto pruiken, kleding en brillen om herkenning tegen te gaan.\n\nFeit 2\n\n1. Het proces-verbaal van aangifte door [aangever] namens Jeugdbescherming Overijssel van 17 april 2025, pagina’s 243 tot en met 247, voor zover inhoudende:\n\nIk doe aangifte namens de Jeugdbescherming Overijssel van het opzettelijk onttrekken van twee minderjarigen aan het wettig over hun gestelde gezag op maandag 31 maart 2025 te [plaats 1] . Niemand heeft het recht of de toestemming gegeven om deze kinderen opzettelijk mee te nemen en deze te onttrekken aan het wettelijk over hun gestelde gezag. Het gaat om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] .\n\nOp 12 april 2021 is er een VOTS uitgesproken. Die is drie maanden later naar een OTS gegaan. Er was ook een verzoek voor een machtiging tot uithuisplaatsing. Dat is ook gebeurd in april 2021. De kinderen zijn toen op een geheim adres geplaatst.\n\nV: In hoeverre wisten de biologische ouders waar de kinderen verblijven en wonen?\n\nA: De kinderen hebben altijd geheim gezeten.\n\nV: Hebben de ouders uitspraken gedaan richting jullie, dat ze de kinderen mee wilden nemen?\n\nA: Nee\n\nV: wie heeft het wettelijk gezag over de kinderen?\n\nA: Dat ligt nog steeds bij de ouders. Maar de machtiging uithuisplaatsing overruled dat wettelijk gezag. En deze beperkt ook dat gezag. Het medisch gezag lag al bij ons.\n\n2. Beschikking verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van 5 juli 2024, pagina’s 526 tot en met 533, voor zover inhoudende:\n\nDatum uitspraak: 5 juli 2024\n\nBeschikking verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing\n\nin de zaak van\n\nStichting Jeugdbescherming Overijssel,\n\nde gecertificeerde instelling,\n\ngevestigd te Hengelo (O),\n\nmet betrekking tot:\n\n [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2013\n\nin [geboorteplaats 2] , hierna te noemen [slachtoffer 1] , en\n\n [slachtoffer 3] , geboren op\n\n [geboortedatum 3] 2018 in [geboorteplaats 3] , hierna te noemen [slachtoffer 3] .\n\nDe rechtbank:6.1.. verlengt de ondertoezichtstelling van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] tot 6 juli 2025;6.2.. \n\nverlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] in een\n\ngezinshuis tot 6 juli 2025;6.3.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\n3. Het proces-verbaal van bevindingen uitwerking verhoor [slachtoffer 1] (dochter verdachten) van 12 mei 2025, pagina’s 216 tot en met 236, voor zover inhoudende:\n\nHet was ochtend, ik was op de fiets naar school. Ik was bijna bij de kruising en toen kwam er opeens een zwarte auto achter me. En toen reed ie opeens voor me langs. En ik fietste toen om de auto heen. Maar toen gooide ze de auto er weer voor. En ik fietste er toen aan de andere kant omheen. En toen gooiden ze hem er nog een keer voor.\n\nToen stapte mijn moeder uit. En toen werd ik er vanaf geduwd en viel ik in een doornstruik. Ik werd meegesleurd. En ik zat in de tussentijd om hulp te roepen. Ik was toen in de auto gestopt. Had ze me in de auto gekregen en toen kwamen ze dus bij het gezinshuis. En toen is [slachtoffer 3] zo uit de auto getrokken en in hun auto gestopt. Toen reden ze eerst naar het station, waar een huurauto stond. En daar moesten ik en [slachtoffer 3] in. En toen zijn ze naar Hardenberg gereden, vanaf daar zijn ze Duitsland in gereden. Toen zijn we gestopt bij een hele grote Shell in Duitsland. Daar moesten we dingen met een pruik en andere kleding. En van daaruit hebben we een uur of twee gereden België in. En toen werden ik en mijn broertje in een appartementsgebouw gebracht, die schuin tegenover een matrassenfabriek stond.\n\n Ik ben in de doornstruik gevallen (wijst naar haar rechterzij kant) hier heb ik ook een wondje zitten en hier heb ik ook, bij mijn navel, een wondje zitten. Dat gebeurde in [plaats 1] . Net voor een kruispunt. Ik werd van mijn fiets afgeduwd door mijn moeder. Zij stapte ineens zo schuin voor en duwde zo naar de zijkant en toen vloog ik in die struik. De fiets lag op mijn linkerbeen.\n\nIk werd toen meegesleurd en ik probeerde me tegen te houden. En toen werd ik over het fietspad heen gesleurd. Ik voelde de pijn hier (wijst haar linker been aan) hier (wijst haar rechter elleboog\u002Farm aan) hier (rechter heup), eigenlijk overal behalve mijn hoofd. Ik werd daar dus in mee gesleurd en ik heb me ook afgezet tegen de zijkanten van de deur heb ik me afgezet om eraf te komen. Toen hebben ze mij zeg maar zo naar voren geduwd. Ja, en dit (wijst naar haar vinger) komt zeg maar mijn hand, de nagels van mijn moeder werden in mijn hand gezet zodat ik los liet. Mijn moeder zei dat ik op moest houden en dat ik mee werk en zo. Mijn moeder kwam achter me zitten, en ik werd in dat voeteneind gedrukt door mijn moeder. Volgens mij hebben ze hem op kinderslot gezet. Mijn vader reed. Papa moest [slachtoffer 3] halen. Dat had mama gezegd. Ik heb gezien dat de deur werd opengedaan, [slachtoffer 3] werd opgetild en toen zijn ze naar de auto gelopen.\n\nDe hele weg naar het station werd ik naar beneden gedrukt. Toen moesten we overstappen in de huurauto. Ik moest meewerken omdat ze me anders pijn gaat doen en zo. De autodeuren zaten op kinderslot.\n\nDe huurauto stond ernaast en daar werd ik ingewerkt en [slachtoffer 3] werd erin getild. Op dezelfde manier als bij het begin van onze ontvoering eigenlijk.\n\n Toen we bijna bij de grens waren moesten ik en [slachtoffer 3] andere kleding en een andere jas aan en andere schoenen van mijn moeder. Zij pakte de kleren uit de tas van achteren. Ik moest een thermoding onder aantrekken en toen moest ik een roze trui aan. [slachtoffer 3] en ik kregen een hoofddoek op of zo die had ze bij ons aangedaan met een nepbril. Ik had een paarse, [slachtoffer 3] een blauwe. En toen even later, toen we bijna bij die Shell waren, had ze dezelfde pruik voor mij en [slachtoffer 3] . De pruik moesten we op doen van mijn moeder.\n\nToen zijn we naar het appartement gereden in België. Daar kwamen we vier uur ’s middags aan.\n\n4. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] van 31 maart 2025, pagina’s 26 en 27, voor zover inhoudende:\n\nOp maandag 31 maart 2025 omstreeks 08:00 uur fietste ik op de Leemculeweg. Voor mij zag ik een meisje fietsen die ik bijna wilde gaan inhalen. Ik zag toen dat ik werd ingehaald door een zwarte auto. Ik zag dat de auto slingerde toen deze ter hoogte van het meisje reed. Vervolgens zag ik dat de auto meer gas bij gaf en een stukje voor het meisje stopte. Ik zag dat de bijrijder, een vrouw, uit het voertuig stapte en het meisje op de fiets hardhandig van de fiets duwde. Ik zag dat het meisje ten van kwam bij de bosjes net voorbij het voetbalveldje aan de Leemculeweg. Ik zag dat de vrouw het meisje hardhandig het voertuig in trok. Ik hoorde dat het meisje meerdere keren hard om hulp riep.\n\n5. Een geschrift van de federale gerechtelijke politie arro Oost-Vlaanderen, verhoor van [verdachte] van 1 april 2025, pagina’s 121 tot en met 128, voor zover inhoudende:\n\nIk heb het advies van de Raad voor de Kinderbescherming waarin zij adviseerden om ons ouderlijk gezag af te nemen, midden maart 2025 via de post in Nederland ontvangen. Dit advies is de reden waarom wij dit alles ondernomen hebben.\n\nNormaal rijd ik in een Mitsubishi, maar ik ben hier gisteren gekomen met een Seat Alhambra die ik had gehuurd. Ik heb de auto gehuurd van zaterdag 29\u002F04\u002F2025 tot en met 01\u002F04\u002F2025 12.30 uur via SnappCar. De eigenaar woont in [plaats 3] . Wij dachten dat wij via het huren van een auto een voorsprong zouden kunnen krijgen op de Nederlandse politie zodat ze ons niet konden tegenhouden.\n\nGisterenochtend hebben wij onze dochter die naar school fietste onderschept en meegenomen. Daarna zijn wij naar het huis gereden waar beide kinderen momenteel verblijven. Wij zagen dat ons zoontje op dat moment in de auto werd geplaatst om naar school te gaan. Ik heb de deur van de auto opengetrokken en mijn zoontje uit de auto genomen en naar mijn auto, de Mitsubishi, gebracht. Ik heb mijn zoontje linksachter geplaatst. Wij zijn weggereden naar een parkeerplaats bij het treinstation van [plaats 1] . Daar hebben wij van auto gewisseld. Wij hadden de Seat, zoals eerder vermeld, daar al vroeger geplaatst met het oog op het wisselen van de voertuigen. Wij zijn toen doorgereden met de Seat naar Leupegem in België. Wij kenden de fietsroute van onze dochter. Wij hebben haar daar eerder zien rondfietsen. Wij zijn daar eerder gaan kijken, wel vaker, met de optiek om ze mee te nemen indien het anders niet kon. Wij hebben eerder gezien dat ons zoontje met de auto naar school werd gebracht.\n\n6. De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 28 mei 2026, voor zover inhoudende:\n\nWe gebruikten onderweg in de auto pruiken, kleding en brillen om herkenning tegen te gaan.\n\n Kamerstukken II, 1989\u002F1990, 21 345, nr. 3, p. 11\n\n HR 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:958","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3410","2026-07-13T00:29:45.495Z",{"id":71,"ecli":72,"slug":73,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":58,"fullText":74,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":75,"sourceTimestamp":61,"parsedAt":36,"updatedAt":76},"1918","ECLI:NL:RBOVE:2026:3409","ecli-nl-rbove-2026-3409","RECHTBANK OVERIJSSEL\n\nTeam Strafrecht\n\nMeervoudige kamer\n\nZittingsplaats Zwolle\n\nParketnummer: 08.099608.25 (P)\n\nDatum vonnis: 18 juni 2026\n\nVonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:\n\n [verdachte],\n\ngeboren op [geboortedatum 1] 1979 in [geboorteplaats 1] ,\n\nwonende aan de [adres 1] .\n\n1. Het onderzoek op de terechtzitting\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 28 mei 2026 en 4 juni 2026.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en haar raadsman mr. D.C.O. Ayinla, advocaat in Rotterdam, naar voren is gebracht.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de door [slachtoffer 1] voorgedragen slachtofferverklaring en van de namens [getuige 1] voorgedragen slachtofferverklaring. Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van wat namens de benadeelde partijen [slachtoffer 1] (hierna [slachtoffer 1] ) en [slachtoffer 2] (hierna [slachtoffer 2] ) door\n\nmr. D. van Bommel, advocaat in Arnhem, is aangevoerd en van wat namens de benadeelde partijen [getuige 1] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] door mr. A.C. van de Vosse, advocaat in Zwolle, is aangevoerd.\n\n2. De tenlastelegging\n\nDe verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 31 maart 2025 tot en met 1 april 2025, samen met een ander:\n\nfeit 1:haar minderjarige kinderen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft ontvoerd;\n\nfeit 2:haar minderjarige kinderen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft onttrokken aan het wettig gezag of aan het opzicht dat over hen werd uitgeoefend, terwijl de kinderen jonger waren dan twaalf jaar en terwijl er bij de onttrekking geweld is gebruikt en\u002Fof bedreigd is met geweld;\n\nfeit 3: een stroomstootwapen voorhanden heeft gehad.\n\nVoluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:\n\n1. zij in of omstreeks de periode 31 maart 2025 tot en met 1 april 2025 te Dalfsen en\u002Fof [plaats 2] (België), in ieder geval in Nederland en\u002Fof België, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 2] ( [slachtoffer 2] ) (geboren [geboortedatum 2] 2018) en [slachtoffer 1] ( [slachtoffer 1] ) [slachtoffer 1] (geboren [geboortedatum 3] 2013) wederrechtelijk van de vrijheid heeft\u002Fhebben beroofd en\u002Fof beroofd gehouden, door - [slachtoffer 1] met de auto te blokkeren en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 1] (met kracht) van haar fiets af te trappen en\u002Fof te duwen (waardoor [slachtoffer 1] ten val kwam) en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 1] (met kracht) (over de grond) naar de bij verdachte en\u002Fof medeverdachte in gebruik zijnde auto te trekken\u002Fsleuren en\u002Fof haar (vervolgens) in die auto te duwen\u002Fplaatsen en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 1] in voornoemde auto vast te houden en\u002Fof (meermalen) een hand voor de mond van [slachtoffer 1] te houden en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 1] in voornoemde auto (meermalen) naar de grond te duwen en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 2] uit de auto van diens pleegmoeder te tillen en\u002Fof in de bij verdachte en\u002Fof medeverdachte in gebruik zijnde auto te plaatsen en\u002Fof - (vervolgens) met voornoemde auto [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] weg te voeren van de woning van de pleegmoeder en\u002Fof - (vervolgens) voornoemde auto te wisselen met een vooraf klaargezette (huur)auto en\u002Fof - (vervolgens) te dreigen dat [slachtoffer 1] mee moest werken omdat haar anders een schock zou worden gegeven en\u002Fof pijn zou worden gedaan en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 1] met die (huur)auto via Duitsland naar België te vervoeren (terwijl zij vermomd moesten zijn met pruiken en\u002Fof kleding en\u002Fof andere attributen) en\u002Fof - (volgens) [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 1] in België onder te brengen in een door verdachte en\u002Fof medeverdachte gehuurd appartement;\n\n2. zij in of omstreeks de periode 31 maart 2025 tot en met 1 april 2025 te Dalfsen en\u002Fof [plaats 2] (België), in ieder geval in Nederland en\u002Fof België, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen,(meermalen) opzettelijk een minderjarige, te weten [slachtoffer 2] ( [slachtoffer 2] ) [slachtoffer 1] (geboren [geboortedatum 2] 2018) en [slachtoffer 1] ( [slachtoffer 1] ) [slachtoffer 1] (geboren [geboortedatum 3] 2013), heeft onttrokken aan het wettig over hem\u002Fhaar gesteld gezag en\u002Fof aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem\u002Fhaar uitoefende, terwijl die minderjarige(n) beneden de twaalf jaren oud was\u002Fwaren en terwijl verdachte en\u002Fof medeverdachte geweld en\u002Fof bedreiging met geweld heeft\u002Fhebben gebezigd, immers hebben verdachte en\u002Fof medeverdachte - [slachtoffer 1] met de auto geblokkeerd en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 1] (met kracht) van haar fiets getrapt en\u002Fof geduwd (waardoor [slachtoffer 1] ten val kwam) en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 1] (met kracht) (over de grond) naar de bij verdachte en\u002Fof medeverdachte in gebruik zijnde auto getrokken en\u002Fof gesleurd en\u002Fof haar (vervolgens) in die auto te geduwd en\u002Fof geplaatst en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 1] in voornoemde auto vastgehouden en\u002Fof (meermalen) een hand voor de mond van [slachtoffer 1] gehouden en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 1] in voornoemde auto (meermalen) naar de grond geduwd en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 2] uit de auto van diens pleegmoeder getild en\u002Fof in de bij verdachte en\u002Fof medeverdachte in gebruik zijnde auto geplaatst en\u002Fof - (vervolgens) met voornoemde auto [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] weggevoerd van de woning van de pleegmoeder en\u002Fof - (vervolgens) voornoemde auto gewisseld met een vooraf klaargezette (huur) auto en\u002Fof - (vervolgens) gedreigd dat [slachtoffer 1] mee moest werken omdat haar anders een schock zou worden gegeven en\u002Fof pijn zou worden gedaan en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 1] met die (huur)auto via Duitsland naar België vervoerd (terwijl zij vermomd moesten zijn met pruiken en\u002Fof kleding en\u002Fof andere attributen) en\u002Fof - (volgens) [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 1] in België ondergebracht in een door verdachte en\u002Fof medeverdachte gehuurd appartement;\n\n3. zij in of omstreeks de periode 31 maart 2025 tot en met 1 april 2025 te Dalfsen en\u002Fof [plaats 2] (België), in ieder geval in Nederland en\u002Fof België, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, een wapen van categorie II, onder 5 van de Wet wapens en munitie, te weten een stroomstootwapen, zijnde een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos konden worden gemaakt of pijn kon worden toegebracht, voorhanden heeft gehad.3. De voorvragen\n\n3.1. Preliminair verweer\n\nDe verdediging stelt zich op het standpunt dat de officier van justitie met betrekking tot feit 3 niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging. De vervolging van de verdachte is op grond van het specialiteitsbeginsel beperkt tot de strafbare feiten waarvoor de verdachte is overgeleverd. De overlevering is alleen verzocht voor de eerste twee ten laste gelegde feiten, niet voor het derde.\n\n3.2. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe ontvankelijkheid van de officier van justitie\n\nIn de Overleveringswet is onder andere geregeld hoe een persoon in verband met een strafrechtelijk onderzoek door justitiële autoriteiten van de ene lidstaat van de Europese Unie aan de justitiële autoriteiten van een andere lidstaat overgeleverd kan worden. Artikel 14 van de Overleveringswet bepaalt het volgende: “Overlevering wordt niet toegestaan dan onder het algemene beding, dat de opgeëiste persoon niet zal worden vervolgd, gestraft of op enige andere wijze in zijn persoonlijke vrijheid beperkt, ter zake van feiten die vóór het tijdstip van zijn overlevering zijn begaan en waarvoor hij niet is overgeleverd, tenzij (…)”.Na de tenzij-bepaling volgen zeven uitzonderingen op die hoofdregel (onderdelen a-g).\n\nDe uitlevering van verdachte heeft plaatsgevonden op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). In het EAB verzocht Nederland aanhouding en overlevering van de verdachte in verband met een verdenking van, kortgezegd, wederrechtelijke vrijheidsberoving (feit 1) en het onttrekken aan het gezag (feit 2). In het EAB is niet het voorhanden hebben van een stroomstootwapen opgenomen (feit 3). Nu de overlevering niet zag op dit feit, kan verdachte hiervoor in beginsel niet voor worden vervolgd en gestraft. De rechtbank overweegt dat van een uitzondering zoals opgenomen in artikel 14, eerste lid, a tot en met g van de Overleveringswet geen sprake is. Dat de Belgische procureur des Konings (de Belgische officier van justitie) de officier van justitie in Nederland om vervolging van het wapenfeit heeft verzocht, is geen omstandigheid die onder de uitzonderingen valt en doet niet af aan de beperkingen van de vervolging. De rechtbank verklaart de officier van justitie daarom niet-ontvankelijk in zijn vervolging van het ten laste gelegde feit 3.\n\n4. De bewijsmotivering\n\n4.1. Inleiding\n\nOp maandag 31 maart 2025 om 08.13 uur ontvangt de politie een telefonische melding van [getuige 1] dat de elfjarige [slachtoffer 1] en de zesjarige [slachtoffer 2] zijn meegenomen door hun ouders. De ouders betreffen [verdachte] (verdachte) en [medeverdachte] (medeverdachte). De kinderen zijn sinds 12 april 2021 uit huis geplaatst en onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming Overijssel. Ze verbleven in het kader van hun uithuisplaatsing in een gezinshuis in [plaats 1] bij gezinshuisouder [getuige 1] .\n\nNa deze melding is de politie een grootschalig opsporingsonderzoek gestart. De ouders reden in een Mitsubishi, welke auto omstreeks 08.25 uur leeg werd aangetroffen op een parkeerplaats bij het treinstation in Dalfsen. Aan het begin van de middag is er een landelijk AMBER Alertuitgegeven. Het opsporingsonderzoek leidt de politie uiteindelijk naar [plaats 2] in België. In de nacht van 1 april 2025 worden verdachten met de kinderen aangetroffen in een appartement in [plaats 2] .\n\n Vanuit de Raad voor de Kinderbescherming lag een advies om het gezag van de ouders te beëindigen. Het wettelijk gezag lag nog bij de ouders. Zij meenden op dat moment in hun recht te staan om de kinderen op te halen en mee te nemen naar België. Inmiddels is het gezag van de verdachten over [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] sinds 10 juni 2025 beëindigd.\n\n4.2. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Verdachte heeft deze feiten samen met medeverdachte [medeverdachte] gepleegd, zodat er sprake is van medeplegen.\n\n4.3. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman bepleit primair integrale vrijspraak. Subsidiair bepleit de raadsman verdachte vrij te spreken van de onderdelen in de tenlastelegging die zien op geweldshandelingen.\n\n4.4. Het oordeel van de rechtbank\n\nFeiten en omstandigheden\n\nDe rechtbank stelt op basis van de inhoud van het dossier en van wat ter terechtzitting is besproken de volgende feiten en omstandigheden vast.\n\nVerdachte heeft op 31 maart 2025 samen met medeverdachte [medeverdachte] hun kinderen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] opgehaald en meegenomen naar België. De kinderen waren op dat moment al bijna vier jaar uit huis geplaatst en zij stonden onder toezicht van JBOV. De kinderen verbleven in het kader van hun uithuisplaatsing in een gezinshuis in [plaats 1] op een voor verdachten geheim adres bij de gezinshuisouder [getuige 1] . JBOV was niet op de hoogte van de plannen van verdachte om de kinderen mee te nemen naar België.\n\nOp maandagmorgen 31 maart 2025 fietste de elfjarige [slachtoffer 1] naar school. Op enig moment werd zij geblokkeerd door een auto. Medeverdachte [medeverdachte] bestuurde de auto en verdachte was bijrijder. Verdachte stapte uit de auto en duwde [slachtoffer 1] van haar fiets waardoor [slachtoffer 1] viel. Verdachte trok [slachtoffer 1] vervolgens over de grond richting hun auto en duwde [slachtoffer 1] erin. Dit gebeurde terwijl [slachtoffer 1] om hulp schreeuwde en zich afzette tegen de auto. Verdachte hield haar hand voor de mond van [slachtoffer 1] om het schreeuwen te stoppen. [slachtoffer 1] werd in de auto richting de grond geduwd door verdachte. [slachtoffer 1] moest meewerken, anders zouden ze haar pijn doen. Vervolgens reden verdachten naar het gezinshuis waar de kinderen verbleven. Daar aangekomen, zagen ze dat hun zesjarige zoon [slachtoffer 2] in de auto van gezinshuisouder [getuige 1] zat. Medeverdachte [medeverdachte] stapte uit zijn auto en liep naar de auto van [getuige 1] . Hij opende het portier, tilde [slachtoffer 2] uit de auto van [getuige 1] en plaatste [slachtoffer 2] vervolgens in hun eigen auto. Verdachten reden vervolgens met hun kinderen weg en wisselden hun auto bij het station in Dalfsen voor een huurauto die daar eerder klaargezet was. Medeverdachte [medeverdachte] heeft een auto gehuurd om een voorsprong op de Nederlandse politie te krijgen, zodat ze niet tegengehouden konden worden. Verdachten reden vervolgens met de kinderen via Hardenberg de grens over naar Duitsland naar hun huurappartement in België. Verdachten hadden voor de kinderen en voor henzelf andere kleding, nepbrillen en pruiken mee die als vermomming dienden om herkenning te voorkomen. Die middag kwamen verdachten met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] aan in hun huurappartement in België, waar zij die nacht 1 april 2025 zijn aangetroffen.\n\nOverwegingen van de rechtbank\n\nOp het moment van het meenemen van de kinderen stonden [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Overijssel (JBOV). JBOV is in dat kader bevoegd opzichter over de kinderen. Daar komt bij dat de rechtbank de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een gezinshuis bij beschikking van 5 juli 2024 heeft verlengd tot 5 juli 2025.\n\nDoor de kinderen mee te nemen, zonder toestemming van JBOV en zonder hen te informeren, en in strijd met de rechterlijke machtiging tot uithuisplaatsing de kinderen onderdak te verlenen in hun appartement in België, hebben verdachte en medeverdachte [medeverdachte] , hoewel zij nog ouderlijk gezag hadden, de kinderen onttrokken aan het bevoegd opzicht van JBOV.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de voorbereidingen die verdachten hebben getroffen en de wijze waarop de kinderen door verdachten zijn meegenomen, er op wijzen dat zij wel degelijk wisten dat wat zij deden juridisch ontoelaatbaar was. Verdachten hebben de kinderen meegenomen zonder overleg met JBOV, ze hebben de routes van de kinderen naar school eerder verkend, net als de wijze waarop de kinderen naar school gingen, dit terwijl de kinderen op een voor de ouders geheim adres verbleven. Verder hebben zij de huurauto en vermommingen gebruikt om uit handen van de politie te blijven. Dit alles wijst er op dat het voor verdachte en medeverdachte [medeverdachte] volstrekt duidelijk was dat zij niet gerechtigd waren om de kinderen zonder toestemming van JBOV mee te nemen en dat zij opzettelijk wederrechtelijk hebben gehandeld.\n\nVerdachte stelt dat zij de instanties op de hoogte heeft gebracht van de verhuizing. Verdachte doelt daarmee op een e-mail die vanuit het e-mailadres van medeverdachte [medeverdachte] is verzonden naar de gemeente Dalfsen over een verhuizing naar het buitenland. Deze e-mail werd pas om 16.01 uur in de middag verzonden, terwijl de kinderen al rond 08.00 uur meegenomen waren door verdachte en [medeverdachte] . De e-mail bevatte bovendien geen nieuw adres of verblijfplaats van de kinderen. Deze stelling van verdachte kan de rechtbank dan ook niet volgen en neemt de wederrechtelijkheid van het handelen niet weg.\n\nDoor de feitelijke wijze van handelen hebben verdachte en medeverdachte [medeverdachte] zich ook schuldig gemaakt aan de wederrechtelijke vrijheidsberoving van de kinderen. De kinderen werden van hun vrijheid beroofd door hen, ongevraagd en bij [slachtoffer 1] zelfs uitdrukkelijk tegen haar zin, in de auto te zetten en mee te voeren naar België.\n\nHoewel verdachte ontkent geweld te hebben gebruikt of bedreigd te hebben met geweld, heeft de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de door [slachtoffer 1] afgelegde verklaring over de geweldshandelingen. Naar het oordeel van de rechtbank is deze verklaring gedetailleerd en consistent. De rechtbank stelt daarnaast vast dat de door [slachtoffer 1] afgelegde verklaring op concrete onderdelen steun vindt in andere bewijsmiddelen, waaronder de verklaring van getuige [getuige 2] . [getuige 2] wordt door de rechtbank als onafhankelijke en betrouwbare getuige beschouwd.\n\nDe verdediging heeft [slachtoffer 1] –​​ ondanks de initiatieven daartoe – niet kunnen ondervragen. De rechtbank komt tot het oordeel dat de procedure als geheel eerlijk is verlopen en overweegt in dat verband het volgende. De rechtbank heeft de verdediging geen ondervragingsgelegenheid geboden, omdat [slachtoffer 1] kwetsbaar en jong (13 jaar) is. Zoals eerder overwogen vindt haar verklaring steun in de verklaring van de onafhankelijke getuige [getuige 2] . Hij verklaart onder andere over het hardhandig van de fiets duwen en over hoe het meisje hardhandig het voertuig werd ingetrokken. [slachtoffer 1] ’s verklaring vindt ook steun in de verklaring van verdachte zelf. Verdachte verklaart onder andere dat ze [slachtoffer 1] vastgepakt heeft, dat [slachtoffer 1] van haar fiets viel, dat [slachtoffer 1] de auto niet in wilde en worstelde, dat ze [slachtoffer 1] richting de auto heeft getrokken en dat ze een hand voor [slachtoffer 1] ’s mond hield tegen het schreeuwen. Daarnaast heeft [slachtoffer 1] na de gebeurtenissen haar verhaal gedaan bij onder andere getuigen [getuige 1] , [getuige 3] en [getuige 4] . Haar verhaal over de gebeurtenissen tegenover hen komt op grote lijnen overeen. Tot slot heeft het verhoor van [slachtoffer 1] plaatsgevonden door een gecertificeerd studio-verhoorder, in een kindvriendelijke verhoorstudio en het verhoor is audiovisueel vastgelegd. De verdediging is in de gelegenheid gesteld om het verhoor te bekijken, te beoordelen en te controleren.\n\nDe rechtbank acht, gelet op wat hiervoor is overwogen, dat er voldoende compensatie is geboden voor het ontbreken van de ondervragingsgelegenheid en is van oordeel dat de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, zodat sprake is van medeplegen.\n\nAl met al acht de rechtbank de ten laste gelegde feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen.\n\n4.5. De bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n1. zij in de periode 31 maart 2025 tot en met 1 april 2025 in Nederland en België, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [slachtoffer 2] ( [slachtoffer 2] ) (geboren [geboortedatum 2] 2018) en [slachtoffer 1] ( [slachtoffer 1] ) [slachtoffer 1] (geboren [geboortedatum 3] 2013) wederrechtelijk van de vrijheid hebben beroofd en beroofd gehouden, door - [slachtoffer 1] met de auto te blokkeren en\n\n- [slachtoffer 1] met kracht van haar fiets te duwen waardoor [slachtoffer 1] ten val kwam en - [slachtoffer 1] (over de grond) naar de bij verdachte en medeverdachte in gebruik zijnde auto te trekken en haar in die auto te duwen en - [slachtoffer 1] in voornoemde auto vast te houden en (meermalen) een hand voor de mond van [slachtoffer 1] te houden en - [slachtoffer 1] in voornoemde auto (meermalen) naar de grond te duwen en - vervolgens [slachtoffer 2] uit de auto van diens gezinshuisouder te tillen en in de bij verdachte en medeverdachte in gebruik zijnde auto te plaatsen en - met voornoemde auto [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] weg te voeren van de woning van de gezinshuisouder en - voornoemde auto te wisselen met een vooraf klaargezette huurauto en - te dreigen dat [slachtoffer 1] mee moest werken, omdat haar anders pijn zou worden gedaan en - [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] met die huurauto via Duitsland naar België te vervoeren terwijl zij vermomd moesten zijn met pruiken en kleding en andere attributen en - [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] in België onder te brengen in een door medeverdachte gehuurd appartement;\n\n2. zij in de periode 31 maart 2025 tot en met 1 april 2025 in Nederland en België, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk een minderjarige, te weten [slachtoffer 2] ( [slachtoffer 2] ) [slachtoffer 1] (geboren [geboortedatum 2] 2018) en [slachtoffer 1] ( [slachtoffer 1] ) [slachtoffer 1] (geboren [geboortedatum 3] 2013), heeft onttrokken aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem\u002Fhaar uitoefende, terwijl die minderjarigen beneden de twaalf jaren oud waren en terwijl verdachte en medeverdachte geweld en bedreiging met geweld hebben gebezigd, immers hebben verdachte en medeverdachte - [slachtoffer 1] met de auto geblokkeerd en - [slachtoffer 1] met kracht van haar fiets geduwd waardoor [slachtoffer 1] ten val kwam en - [slachtoffer 1] (over de grond) naar de bij verdachte en medeverdachte in gebruik zijnde auto getrokken en haar in die auto geduwd en - [slachtoffer 1] in voornoemde auto vastgehouden en (meermalen) een hand voor de mond van [slachtoffer 1] gehouden en - [slachtoffer 1] in voornoemde auto (meermalen) naar de grond geduwd en - vervolgens [slachtoffer 2] uit de auto van diens gezinshuisouder getild en in de bij verdachte en medeverdachte in gebruik zijnde auto geplaatst en - met voornoemde auto [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] weggevoerd van de woning van de gezinshuisouder en - voornoemde auto gewisseld met een vooraf klaargezette huur auto en - gedreigd dat [slachtoffer 1] mee moest werken, omdat haar anders pijn zou worden gedaan en - [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] met die huurauto via Duitsland naar België vervoerd terwijl zij vermomd moesten zijn met pruiken en kleding en andere attributen en\n\n- [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] in België ondergebracht in een door medeverdachte gehuurd appartement.\n\nDe rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.\n\nDe rechtbank heeft in de tenlastelegging het woord ‘pleegmoeder’ gewijzigd in ‘gezinshuisouder’ en [slachtoffer 2] in [slachtoffer 2] . De rechtbank is van oordeel dat verdachte daardoor niet is geschaad in de verdediging.\n\n5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 47, 282 en 279 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:\n\nfeiten 1 en 2\n\nde eendaadse samenloop van de misdrijven:\n\nmedeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven, meermalen gepleegd,\n\nen\n\nmedeplegen van opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent, terwijl geweld en bedreiging met geweld is gebezigd, terwijl de minderjarige beneden de twaalf jaren oud is, meermalen gepleegd.\n\n6. De strafbaarheid van verdachte\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.\n\n7. De op te leggen straf of maatregel\n\n7.1. De vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie vordert primair verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van achttien maanden met aftrek van het voorarrest en tot een maatregel terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met dwangverpleging. Subsidiair vordert de officier van justitie verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van veertig maanden, met aftrek van het voorarrest.\n\nDaarnaast vordert de officier van justitie als vrijheidsbeperkende maatregelen de oplegging van een contactverbod met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en een locatieverbod voor de gemeenten Dalfsen, Kampen en Zwolle voor de duur van vijf jaren, waarbij voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis van drie weken wordt toegepast met een maximum van zes maanden. De maatregelen dienen dadelijk uitvoerbaar te worden verklaard. De officier van justitie vordert tot slot de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen in verband met de recidivegrond.\n\n7.2. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman stelt zich op het standpunt dat er sprake is geweest van een vormverzuim. Verdachte is aangehouden op basis van een mondelinge EAB, terwijl een schriftelijk EAB is vereist. Dit dient volgens de raadsman te leiden tot strafvermindering.\n\nDe raadsman verzoekt een straf op te leggen die gelijk is aan het voorarrest, eventueel gecombineerd met een voorwaardelijk strafdeel. De raadsman verzet zich tegen het opleggen van een tbs-maatregel, omdat niet aan de wettelijke vereisten wordt voldaan en het opleggen van de maatregel niet proportioneel is. De raadsman verzet zich tegen het opheffen van de schorsing van de voorlopige hechtenis, omdat er geen gronden zijn die hier aanleiding toe geven.\n\n7.3. De gronden voor een straf of maatregel\n\nBij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.\n\nAard en ernst van de strafbare feiten\n\nVerdachte heeft zich samen met medeverdachte [medeverdachte] schuldig gemaakt aan het ontvoeren van haar uithuisgeplaatste kinderen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en het onttrekken van hen aan het opzicht van JBOV. De kinderen zijn sinds 2021 uit huis geplaatst en daar zijn verdachten het niet mee eens. Daarnaast dreigde hun ouderlijk gezag beëindigd te worden, waardoor ze hun kinderen wilden meenemen naar België om hun zaak daar aan een rechter voor te leggen.\n\nVerdachten hebben [slachtoffer 1] , die nietsvermoedend onderweg naar school was, van haar fiets geduwd en in de auto getrokken, vervolgens is [slachtoffer 2] bij het gezinshuis uit de auto van de gezinshuisouder gehaald en daarna zijn verdachten met hun kinderen via Duitsland naar België gereden. Verdachten hadden hun plannen grondig voorbereid. Ze hadden een auto gehuurd waarin ze tijdens hun vlucht konden overstappen en ze hadden vermomming mee voor onderweg om herkenning te voorkomen.\n\nVerdachte heeft voor eigen rechter gespeeld en dat keurt de rechtbank ten strengste af. De kinderen waren immers niet voor niets onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst. Ze verbleven al bijna vier jaar niet meer bij verdachten en werden van de een op de andere dag uit hun vertrouwde omgeving weggehaald, zonder enig overleg of toestemming van JBOV. Daarbij is het gebruik van geweld niet geschuwd. Door niet de belangen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , maar hun eigen belangen voorop te stellen, hebben verdachte en haar medeverdachte de rechterlijke beslissingen aan hun laars gelapt en het systeem van kinderbescherming, waarbinnen juist de veiligheid van de kinderen voorop staat, op ingrijpende wijze aangetast.\n\nHet handelen van verdachte en medeverdachte [medeverdachte] heeft negatieve gevolgen gehad voor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . [slachtoffer 1] ervaart sinds de ontvoering veel angst, stress, gevoelens van onveiligheid en zij is zeer alert. Beide kinderen zijn bang dat ze nogmaals onverwacht mee zullen worden genomen. [slachtoffer 1] heeft tijdens haar spreekrecht op indrukwekkende wijze verteld hoe zij de ontvoering en de onttrekking heeft ervaren en welke gevolgen zij hier nog steeds van ondervindt. Ook voor de gezinshuisouder en de andere kinderen in het gezinshuis hebben de strafbare feiten impact gehad.\n\nPersoon van de verdachte\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 11 mei 2026. Daaruit volgt dat verdachte de afgelopen jaren niet voor soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld. In 2005 is verdachte veroordeeld tot een werkstraf voor (kinder)mishandeling. Nu deze veroordeling ruim 20 jaar geleden is, houdt de rechtbank hier niet in strafverzwarende zin rekening mee.\n\nVerdachte is in het [locatie] geplaatst voor onderzoek naar haar geestvermogens en om inzicht te krijgen in haar persoon. Verdachte heeft haar medewerking aan het onderzoek geweigerd. Omdat verdachte niet meewerkt, kunnen de onderzoekers niet vaststellen of er bij verdachte sprake is van een of meerdere stoornissen en of er sprake is geweest van een eventuele doorwerking van een of meerdere stoornissen in het ten laste gelegde. De indruk bestaat dat er geen sprake is van ernstige psychiatrische beelden.\n\nIn het beeld dat onderzoekers van verdachte hebben kunnen krijgen, staan strijd en verzet voorop. Er is sprake van een disfunctioneel patroon van conflicthantering, waardoor verdachte gaandeweg in conflict is geraakt met een groot deel van de betrokken professionals. Verdachte lijkt onwillig of onvermogend om op zichzelf te reflecteren en heeft onvoldoende oog voor wat haar gedrag betekent voor anderen. Ze weerspreekt, beklaagt en verzet zich tegen wat vanuit instanties (school van de kinderen, hulpverlening, Raad voor de Kinderbescherming, Veilig Thuis, politie en justitie) wordt aangedragen op een manier die de samenwerking belemmert of zelfs onmogelijk maakt.\n\nVormverzuim?\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de raadsman niet heeft voldaan aan zijn stelplicht met betrekking tot het door hem gestelde vormverzuim. De raadsman heeft onvoldoende gemotiveerd welk nadeel door het verzuim voor de verdachte zou zijn veroorzaakt. Aan strafvermindering in dat kader komt de rechtbank daarom niet toe.\n\nStraf en\u002Fof maatregel\n\nDe officier van justitie heeft onder andere gevorderd tbs met dwangverpleging aan verdachte op te leggen. Voor het opleggen van een dergelijke maatregel gelden wettelijke vereisten. Er dient sprake te zijn van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld dan wel een in de wet aangewezen delict, van een verdachte bij wie ten tijde van het delict sprake was van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens en de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen dienen het opleggen van de maatregel te vereisen. De rechtbank dient te beschikken over een recente multidisciplinaire gedragsrapportage.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende diagnostische gegevens voorhanden zijn om een uitspraak te kunnen doen over de aanwezigheid van een stoornis bij verdachte, over de toerekeningsvatbaarheid, over de kans op recidive en over de behandelbaarheid van verdachte. De rechtbank kan op basis van het rapport van het [locatie] , het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, niet vaststellen dat er bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van haar geestvermogens. Dit is één van de criteria die de wet aan het opleggen van een tbs-maatregel stelt, waardoor de rechtbank reeds daarom geen mogelijkheid en reden ziet om een tbs-maatregel op te leggen.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat in verband met de ernst van de door verdachte gepleegde feiten, met daarbij de strafverzwarende omstandigheden van de nog jonge leeftijd van de kinderen (onder de twaalf jaar) en het toepassen van (bedreiging met) geweld, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige straf dan een gevangenisstraf.\n\nDe rechtbank heeft gekeken naar uitspraken in vergelijkbare zaken. De rechtbank ziet dat de omstandigheden van andere ontvoerings- of onttrekkingszaken sterk variëren waardoor er uiteenlopende straffen worden opgelegd.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de straf die zij zal opleggen de ernst van het bewezenverklaarde voldoende tot uitdrukking brengt en zal een fors voorwaardelijk deel opleggen om te voorkomen dat verdachte opnieuw de fout ingaat. Bij de strafoplegging heeft de rechtbank bovendien oog voor het principe van de generale preventie. De straf die aan verdachte wordt opgelegd dient van zodanige orde en zwaarte te zijn dat navolging van haar handelwijze door anderen wordt ontmoedigd. Omdat het vaker zal voorkomen dat ouders van wie hun kind tegen hun wil uit huis is geplaatst, de sterke wens kunnen hebben hun kind weer zelf op te voeden, acht de rechtbank dit van belang. Een te lichte straf heeft onvoldoende afschrikkende werking.\n\nDe rechtbank legt aan verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van vierentwintig maanden, waarvan zeventien maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in overleveringsdetentie in België, in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De proeftijd bedraagt drie jaren. Dit betekent dat verdachte het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf reeds heeft ondergaan.\n\nDe rechtbank zal daarnaast - op grond van artikel 38v Sr - als vrijheidsbeperkende maatregelen een contactverbod met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] opleggen en een locatieverbod voor de gemeenten Dalfsen, Kampen en Zwolle voor de duur van drie jaren. Per overtreding van de maatregel zal vervangende hechtenis van 1 week uitgezeten dienen te worden. De totale duur van de vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste zes maanden. De rechtbank zal bij het opleggen van deze maatregelen rekening houden met de mogelijkheid tot (begeleid) contact tussen de kinderen en verdachte, indien dat contact op aanwijzing van de voogd, JBOV, gewenst en uitvoerbaar is.\n\nDe rechtbank beveelt dat de opgelegde maatregelen dadelijk uitvoerbaar zijn, nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en\u002Fof zich belastend zal gedragen ten opzichte van bepaalde personen. Dit gevaar richt zich met name op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . De rechtbank acht het van belang dat zij zich vrijelijk binnen de genoemde gemeentes moeten kunnen bewegen en dat zij beschermd worden tegen ongevraagd contact met verdachte. De belangen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] wegen in dit kader zwaarder dan het belang van verdachte.\n\n8. Voorwaardelijk verzoek\n\nAangezien de rechtbank in haar beoordeling zoals hiervoor overwogen geen gebruik maakt van dossierstukken uit het opsporingsonderzoek ‘Alpaca’, behoeft het voorwaardelijke verzoek van de raadsman tot het horen van getuigen geen bespreking.\n\n9. De schade van benadeelden\n\n9.1. De vorderingen van de benadeelde partijen\n\nAls benadeelde partijen hebben zich in dit strafproces gevoegd: [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , gezinshuisouder [getuige 1] en gezinshuiskinderen [naam 1] en [naam 2] .\n\nVorderingen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]\n\n [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] vorderen ieder afzonderlijk, verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 10.000,-- bestaande uit vergoeding van immateriële schade. De benadeelden doen een beroep op artikel 6:106 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW) waarin aanspraak op immateriële schadevergoeding bestaat in het geval waarin de benadeelde ‘op andere wijze in zijn persoon is aangetast’.\n\nVorderingen [getuige 1] , [naam 1] en [naam 2]\n\n [getuige 1] vordert in totaal een bedrag van € 13.350,77, waarvan € 5.350,77 materiële schadevergoeding betreft en € 8.000,-- immateriële schadevergoeding.\n\nDe materiële schade van [getuige 1] bestaat volgens haar uit de volgende posten:\n\nReiskosten voor medische behandelingen € 158,--;\n\nMedische kosten fysiotherapie en haptonomie € 900,--;\n\nKosten informatieverstrekking huisarts € 67,60\n\nKosten beveiligingssysteem en huren woning. € 4.225,17.\n\n [naam 1] en [naam 2] vorderen ieder afzonderlijk, verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 4.000,-- bestaande uit vergoeding voor immateriële schade.\n\nDe benadeelde partijen [getuige 1] , [naam 1] en [naam 2] doen ten aanzien van de immateriële schade primair een beroep op shockschade en subsidiair een beroep op artikel 6:106 aanhef en onder b BW waarin aanspraak op immateriële schadevergoeding bestaat in het geval waarin de benadeelde ‘op andere wijze in zijn persoon is aangetast’.\n\nDe benadeelde partijen vorderen allen het bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan.\n\n9.2. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vorderingen toegewezen kunnen worden, inclusief wettelijke rente.\n\n9.3. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman verzoekt primair de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen. Subsidiair verzoekt de raadsman de hoogte van de vorderingen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te matigen.\n\n9.4. Het oordeel van de rechtbank\n\nBeoordeling van de vorderingen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]\n\nVergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De vorderingen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn op deze laatste grondslag is gebaseerd. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.\n\nDe rechtbank overweegt het volgende.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de beoordeling van de aard en de ernst van de normschending en de nadelige gevolgen in deze zaak verschillend zijn voor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . In verband met het toegepaste geweld en de bedreiging met geweld ten aanzien van [slachtoffer 1] , acht de rechtbank de aard en de ernst van de normschending voor [slachtoffer 1] ingrijpender, waardoor een aantasting in de persoon meer voor de hand ligt. [slachtoffer 1] heeft daarnaast voldoende concrete gegevens overgelegd waaruit de nadelige gevolgen die de normschending voor haar hebben gehad, blijken. Zo is er EMDR en speltherapie voor haar ingezet. De rechtbank acht in het geval van [slachtoffer 1] op basis van haar onderbouwing van de nadelige gevolgen een vergoeding van immateriële schade ter hoogte van € 3.000,-- billijk. De rechtbank wijst dit deel van de vordering van [slachtoffer 1] daarom toe en verklaart haar in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk. De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 31 maart 2025 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.\n\nIn het geval van [slachtoffer 2] is er geen geweld en bedreiging met geweld gebruikt. Deze omstandigheden maken, zonder afbreuk te willen doen aan de impact van de strafbare feiten op hem, dat de aard en ernst van de normschending en de nadelige gevolgen, afgewogen in dit juridische kader, voor hem minder ingrijpend zijn waardoor een aantasting in de persoon minder voor de hand ligt. In dit geval is het in beginsel aan de benadeelde partij om de schade met concrete gegevens te onderbouwen. Uit de overgelegde gegevens is weliswaar op te maken dat psychotherapie is ingezet bij [slachtoffer 2] , echter in dat licht wordt tevens opgemerkt dat eerste observaties daarbij zijn dat sprake zou zijn van een slechte basis qua hechting en dat zijn hoofd vol lijkt te zitten met beelden van wat hij vertelt. In hoeverre dit beelden zijn van de ontvoering of van andere traumatische ervaringen in het verleden vertellen deze gegevens niet. De rechtbank acht hiermee de nadelige gevolgen voor [slachtoffer 2] onvoldoende onderbouwd en zal hem daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering.\n\nBeoordeling van de vorderingen van [getuige 1] , [naam 1] en [naam 2]\n\nDe rechtbank meent dat wat [getuige 1] , [naam 2] en [naam 1] hebben meegemaakt, erg naar moet zijn geweest en neemt aan dat dit impact heeft op hen. Dat is op zichzelf niet doorslaggevend voor beantwoording van de vraag of zij, gelet op de wettelijke criteria en jurisprudentie, voegingsgerechtigd zijn in de strafprocedure en in hun vorderingen tot schadevergoeding kunnen worden ontvangen. Op grond van artikel 51f, eerste lid Sv kan degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit zich terzake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen in het strafproces. Uit de Memorie van Toelichtingvolgt dat van rechtstreekse schade sprake is indien iemand is getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepaling wordt beschermd. In het algemeen beschermen strafbepalingen niet het belang van derden belanghebbenden, zodat doorgaans alleen het slachtoffer zelf zich als benadeelde partij kan voegen in het strafproces. Artikel 51a Sv omschrijft het slachtoffer ook als degene die als rechtstreeks gevolg van een strafbaar feit vermogensschade of ander nadeel heeft ondervonden.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is er ten aanzien van [getuige 1] , [naam 2] en [naam 1] geen sprake van rechtstreekse schade, omdat de schade is ontstaan doordat anderen ( [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ) zijn ontvoerd en onttrokken aan het opzicht. [getuige 1] , [naam 2] en [naam 1] waren hier weliswaar (deels) getuigen van, maar hun belangen worden niet door de overtreden strafbepalingen beschermd. Hun schade valt naar het oordeel van de rechtbank daarom niet onder rechtstreekse schade, als bedoeld in artikel 51f Sv. [getuige 1] , [naam 2] en [naam 1] behoren daarmee als zodanig niet tot de categorie voegingsgerechtigden.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat bovendien niet is gebleken dat de verdachte het oogmerk heeft gehad om [getuige 1] , [naam 2] en [naam 1] immateriële schade toe te brengen, zodat zij ook op die grond niet als primair slachtoffer kunnen worden aangemerkt (artikel 6:106 onder a BW).\n\nDit kan anders zijn als sprake is van schokschade.\n\nSchokschade\n\nDe Hoge Raad heeft overwogen dat iemand die een ander door zijn onrechtmatige daad doodt of verwondt – afhankelijk van de omstandigheden waaronder die onrechtmatige daad en de confrontatie met die daad of de gevolgen daarvan, plaatsvinden – ook onrechtmatig kan handelen jegens degene bij wie die confrontatie een hevige emotionele schok teweeg brengt.In het arrest worden ook gezichtspunten genoemd die bij deze afweging een rol spelen.\n\nDe rechtbank stelt vast dat de slachtoffers in deze zaak niet dood of ernstig verwond zijn, zoals beschreven in de genoemde uitspraak. De benadeelden hebben de ontvoering en de onttrekking van de kinderen (gedeeltelijk) waargenomen, maar dit valt naar het oordeel van de rechtbank niet onder een confrontatie die een hevige emotionele schok teweeg kan hebben gebracht, zoals bedoeld in het arrest.\n\nDe rechtbank zal [getuige 1] , [naam 1] en [naam 2] niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen, omdat er geen sprake is van rechtstreekse schade en omdat een andere grondslag voor vergoeding van materiële en immateriële schade ontbreekt.\n\nHoofdelijkheid en BEM-clausule\n\nOmdat de verdachte de strafbare feiten waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (hoofdelijk aansprakelijk). Voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij te betalen.\n\nOmdat [slachtoffer 1] minderjarig is, bepaalt de rechtbank dat de schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van [slachtoffer 1] te openen rekening met een zogenoemde BEM clausule (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen). Een BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en zijn wettelijke vertegenwoordiger kunnen – tot de minderjarige achttien jaar is – alleen met toestemming van de kantonrechter over het geld op de rekening beschikken.\n\n9.5. De schadevergoedingsmaatregel\n\nDe rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte tegenover [slachtoffer 1] naar burgerlijk recht mede aansprakelijk is voor de schade die door de feiten is toegebracht.\n\nAls door de verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld met 30 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.\n\n10. De toegepaste wettelijke voorschriften\n\nDe hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 38v, 38w en 55 Sr.\n\n11. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nofficier van justitie niet-ontvankelijk\n\n- verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde;\n\nbewezenverklaring\n\n- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;\n\n- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij;\n\nstrafbaarheid feiten\n\n- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;\n\n- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:\n\nfeiten 1 en 2,\n\nde eendaadse samenloop van de misdrijven:\n\nmedeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven, meermalen geleegd,\n\nen\n\nmedeplegen van opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent, terwijl geweld en bedreiging met geweld is gebezigd, terwijl de minderjarige beneden de twaalf jaren oud is, meermalen gepleegd;\n\nstrafbaarheid verdachte\n\n- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 en 2 bewezen verklaarde;\n\nstraf\n\n- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van24 (vierentwintig) maanden;\n\n- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 17 (zeventien) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van deproeftijd van drie jarende navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:\n\n- stelt als algemene voorwaardedat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;\n\n- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in overleveringsdetentie in België, in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;\n\nmaatregelen\n\n- legt aan de verdachte op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheidals\n\n bedoeld in artikel 38v Sr voor de duur van drie jaren, in de vorm van een\n\n contactverboden een locatieverbod;\n\n- beveelt dat de verdachte gedurende drie jaren op geenenkele wijze – direct of\n\nindirect – contactop zal nemen, zoeken of hebben met:\n\n- [slachtoffer 1] ( [slachtoffer 1] ) [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 3] 2013;\n\n- [slachtoffer 2] ( [slachtoffer 2] ) [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2018,\n\ntenzij een dergelijk contact op aanwijzing van en onder begeleiding van JBOV uitvoerbaar en gewenst is;\n\n- beveelt dat de verdachte zich gedurende drie jaren niet binnen de gemeentegrenzen mag bevinden van de gemeenten Zwolle, Kampen en Dalfsen, tenzij dit nodig is voor een op aanwijzing van en onder begeleiding van JBOV gewenst contact met de hiervoor genoemde kinderen;\n\n- beveelt dat voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan de maatregel per overtreding wordt vervangen door een week hechtenis en bepaalt daarbij dat de maximale hechtenis zes maanden bedraagt;\n\n- beveelt dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaaris, omdat er ernstig rekening mee moet\n\n worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en\u002Fof zich\n\n belastend zal gedragen jegens [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ;\n\n- toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op;\n\nschadevergoedingen\n\n- bepaalt dat de benadeelde partijen [slachtoffer 2] , [getuige 1],[slachtoffer 3]en[slachtoffer 4]in het geheelniet-ontvankelijkzijn in de vorderingen, en dat de benadeelde partijen de vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen;\n\n- bepaalt dat de benadeelde partijen [slachtoffer 2] , [getuige 1] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en de verdachte ieder de eigen kosten dragen;\n\n- wijstdevorderingvan de benadeelde partij[slachtoffer 1]gedeeltelijk toetot een bedrag van€ 3.000,--(drieduizend euro), bestaande uit immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 maart 2025;\n\n- veroordeelt de verdachte hoofdelijktot betaling van dit bedrag met dien verstande dat als en voor zover al door een ander (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;\n\nbepaalt dat [slachtoffer 1] voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;\n\nbepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van [slachtoffer 1] te openen rekening met een BEM-clausule;\n\n-veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door [slachtoffer 1] gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;\n\n- legt de maatregelop dat de verdachteverplichtis ter zake van de bewezen verklaarde feitentot betaling aan de Staat der Nederlandenvan een bedrag van € 3.000,-- (drieduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 maart 2025 ten behoeve van [slachtoffer 1] , en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van30 dagenkan worden toegepast, een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;\n\n- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;\n\nvoorlopige hechtenis\n\n- heft het geschorste bevel voorlopige hechtenis op.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. J. de Ruiter, voorzitter, mr. G.H. Meijer en mr. D.E. Schaap, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Y.W. van den Bosch, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.\n\nBijlage bewijsmiddelen\n\nDeze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.\n\nWanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met onderzoeksnaam CITRIEN \u002F ON1R025033, bhv-nummer PL0600-2025145441. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.\n\nFeit 1\n\n1. Het proces-verbaal van aangifte door [aangever] namens Jeugdbescherming Overijssel van 17 april 2025, pagina’s 243 tot en met 247, voor zover inhoudende:\n\nIk doe aangifte namens de Jeugdbescherming Overijssel van het opzettelijk onttrekken van twee minderjarigen aan het wettig over hun gestelde gezag op maandag 31 maart 2025 te [plaats 1] . Niemand heeft het recht of de toestemming gegeven om deze kinderen opzettelijk mee te nemen en deze te onttrekken aan het wettelijk over hun gestelde gezag. Het gaat om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .\n\nOp 12 april 2021 is er een VOTS uitgesproken. Die is drie maanden later naar een OTS gegaan. Er was ook een verzoek voor een machtiging tot uithuisplaatsing. Dat is ook gebeurd in april 2021. De kinderen zijn toen op een geheim adres geplaatst.\n\nV: In hoeverre wisten de biologische ouders waar de kinderen verblijven en wonen?\n\nA: De kinderen hebben altijd geheim gezeten.\n\nV: Hebben de ouders uitspraken gedaan richting jullie, dat ze de kinderen mee wilden nemen?\n\nA: Nee\n\nV: wie heeft het wettelijk gezag over de kinderen?\n\nA: Dat ligt nog steeds bij de ouders. Maar de machtiging uithuisplaatsing overruled dat wettelijk gezag. En deze beperkt ook dat gezag. Het medisch gezag lag al bij ons.\n\n2. Beschikking verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van 5 juli 2024, pagina’s 526 tot en met 533, voor zover inhoudende:\n\nDatum uitspraak: 5 juli 2024\n\nBeschikking verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing\n\nin de zaak van\n\nStichting Jeugdbescherming Overijssel,\n\nde gecertificeerde instelling,\n\ngevestigd te [plaats 3] ,\n\nmet betrekking tot:\n\n [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 3] 2013\n\nin [geboorteplaats 2] , hierna te noemen [slachtoffer 1] , en\n\n [slachtoffer 2] , geboren op\n\n [geboortedatum 2] 2018 in [geboorteplaats 3] , hierna te noemen [slachtoffer 2] .\n\nDe rechtbank:6.1.. verlengt de ondertoezichtstelling van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] tot 6 juli 2025;6.2.. \n\nverlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in een\n\ngezinshuis tot 6 juli 2025;6.3.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\n3. Het proces-verbaal van bevindingen uitwerking verhoor [slachtoffer 1] (dochter verdachten) van 12 mei 2025, pagina’s 216 tot en met 236, voor zover inhoudende:\n\nHet was ochtend, ik was op de fiets naar school. Ik was bijna bij de kruising en toen kwam er opeens een zwarte auto achter me. En toen reed ie opeens voor me langs. En ik fietste toen om de auto heen. Maar toen gooide ze de auto er weer voor. En ik fietste er toen aan de andere kant omheen. En toen gooiden ze hem er nog een keer voor.\n\nToen stapte mijn moeder uit. En toen werd ik er vanaf geduwd en viel ik in een doornstruik. Ik werd meegesleurd. En ik zat in de tussentijd om hulp te roepen. Ik was toen in de auto gestopt. Had ze me in de auto gekregen en toen kwamen ze dus bij het gezinshuis. En toen is [naam 3] zo uit de auto getrokken en in hun auto gestopt. Toen reden ze eerst naar het station, waar een huurauto stond. En daar moesten ik en [naam 3] in. En toen zijn ze naar Hardenberg gereden, vanaf daar zijn ze Duitsland in gereden. Toen zijn we gestopt bij een hele grote Shell in Duitsland. Daar moesten we dingen met een pruik en andere kleding. En van daaruit hebben we een uur of twee gereden België in. En toen werden ik en mijn broertje in een appartementsgebouw gebracht, die schuin tegenover een [omschrijving] stond.\n\n Ik ben in de doornstruik gevallen (wijst naar haar rechterzij kant) hier heb ik ook een wondje zitten en hier heb ik ook, bij mijn navel, een wondje zitten. Dat gebeurde in [plaats 1] . Net voor een kruispunt. Ik werd van mijn fiets afgeduwd door mijn moeder. Zij stapte ineens zo schuin voor en duwde zo naar de zijkant en toen vloog ik in die struik. De fiets lag op mijn linkerbeen.\n\nIk werd toen meegesleurd en ik probeerde me tegen te houden. En toen werd ik over het fietspad heen gesleurd. Ik voelde de pijn hier (wijst haar linker been aan) hier (wijst haar rechter elleboog\u002Farm aan) hier (rechter heup), eigenlijk overal behalve mijn hoofd. Ik werd daar dus in mee gesleurd en ik heb me ook afgezet tegen de zijkanten van de deur heb ik me afgezet om eraf te komen. Toen hebben ze mij zeg maar zo naar voren geduwd. Ja, en dit (wijst naar haar vinger) komt zeg maar mijn hand, de nagels van mijn moeder werden in mijn hand gezet zodat ik los liet. Mijn moeder zei dat ik op moest houden en dat ik mee werk en zo. Mijn moeder kwam achter me zitten, en ik werd in dat voeteneind gedrukt door mijn moeder. Volgens mij hebben ze hem op kinderslot gezet. Mijn vader reed. Papa moest [naam 3] halen. Dat had mama gezegd. Ik heb gezien dat de deur werd opengedaan, [naam 3] werd opgetild en toen zijn ze naar de auto gelopen.\n\nDe hele weg naar het station werd ik naar beneden gedrukt. Toen moesten we overstappen in de huurauto. Ik moest meewerken omdat ze me anders pijn gaat doen en zo. De autodeuren zaten op kinderslot.\n\nDe huurauto stond ernaast en daar werd ik ingewerkt en [naam 3] werd erin getild. Op dezelfde manier als bij het begin van onze ontvoering eigenlijk.\n\n Toen we bijna bij de grens waren moesten ik en [naam 3] andere kleding en een andere jas aan en andere schoenen van mijn moeder. Zij pakte de kleren uit de tas van achteren. Ik moest een thermoding onder aantrekken en toen moest ik een roze trui aan. [naam 3] en ik kregen een hoofddoek op of zo die had ze bij ons aangedaan met een nepbril. Ik had een paarse, [naam 3] een blauwe. En toen even later, toen we bijna bij die Shell waren, had ze dezelfde pruik voor mij en [naam 3] . De pruik moesten we op doen van mijn moeder.\n\nToen zijn we naar het appartement gereden in België. Daar kwamen we vier uur ’s middags aan.\n\n4. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] van 31 maart 2025, pagina’s 26 en 27, voor zover inhoudende:\n\nOp maandag 31 maart 2025 omstreeks 08:00 uur fietste ik op de [adres 2] . Voor mij zag ik een meisje fietsen die ik bijna wilde gaan inhalen. Ik zag toen dat ik werd ingehaald door een zwarte auto. Ik zag dat de auto slingerde toen deze ter hoogte van het meisje reed. Vervolgens zag ik dat de auto meer gas bij gaf en een stukje voor het meisje stopte. Ik zag dat de bijrijder, een vrouw, uit het voertuig stapte en het meisje op de fiets hardhandig van de fiets duwde. Ik zag dat het meisje ten van kwam bij de bosjes net voorbij het voetbalveldje aan de [adres 2] . Ik zag dat de vrouw het meisje hardhandig het voertuig in trok. Ik hoorde dat het meisje meerdere keren hard om hulp riep.\n\n5. Een geschrift van de federale gerechtelijke politie arro Oost-Vlaanderen, verhoor van [medeverdachte] van 1 april 2025, pagina’s 121 tot en met 128, voor zover inhoudende:\n\nIk heb het advies van de Raad voor de Kinderbescherming waarin zij adviseerden om ons ouderlijk gezag af te nemen, midden maart 2025 via de post in Nederland ontvangen. Dit advies is de reden waarom wij dit alles ondernomen hebben.\n\nNormaal rijd ik in een Mitsubishi, maar ik ben hier gisteren gekomen met een Seat Alhambra die ik had gehuurd. Ik heb de auto gehuurd van zaterdag 29\u002F04\u002F2025 tot en met 01\u002F04\u002F2025 12.30 uur via SnappCar. De eigenaar woont in [woonplaats] . Wij dachten dat wij via het huren van een auto een voorsprong zouden kunnen krijgen op de Nederlandse politie zodat ze ons niet konden tegenhouden.\n\nGisterenochtend hebben wij onze dochter die naar school fietste onderschept en meegenomen. Daarna zijn wij naar het huis gereden waar beide kinderen momenteel verblijven. Wij zagen dat ons zoontje op dat moment in de auto werd geplaatst om naar school te gaan. Ik heb de deur van de auto opengetrokken en mijn zoontje uit de auto genomen en naar mijn auto, de Mitsubishi, gebracht. Ik heb mijn zoontje linksachter geplaatst. Wij zijn weggereden naar een parkeerplaats bij het treinstation van Dalfsen. Daar hebben wij van auto gewisseld. Wij hadden de Seat, zoals eerder vermeld, daar al vroeger geplaatst met het oog op het wisselen van de voertuigen. Wij zijn toen doorgereden met de Seat naar Leupegem in België. Wij kenden de fietsroute van onze dochter. Wij hebben haar daar eerder zien rondfietsen. Wij zijn daar eerder gaan kijken, wel vaker, met de optiek om ze mee te nemen indien het anders niet kon. Wij hebben eerder gezien dat ons zoontje met de auto naar school werd gebracht.\n\n6. De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 28 mei 2026, voor zover inhoudende:\n\nIk heb [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op 31 maart 2025 meegenomen naar België samen met medeverdachte. We reden die ochtend in [plaats 1] met de auto en daar fietste [slachtoffer 1] . Ik sprak [slachtoffer 1] aan. Ik stapte uit en deed mijn armen om [slachtoffer 1] heen. Ik trok haar naar de auto. Ze worstelde en ze hield met haar handen de auto tegen. Ze wilde niet in de auto zitten en ze schreeuwde om hulp. In de auto schreeuwde ze om hulp en toen hield ik mijn hand over haar mond heen. Ze vertelde later dat ze een wondje aan haar vinger had door het duwen tegen de auto.\n\nWe zijn daarna naar het gezinshuis gereden. Daar heeft medeverdachte [slachtoffer 2] uit de auto van [getuige 1] getild en bij ons in de auto geplaatst. Ik had nepbrillen en pruiken voor hen meegenomen in de auto. Dat was bedoeld om ons te vermommen zodat we niet herkend zouden worden. We wilden namelijk zo snel mogelijk naar België. Die middag kwamen we aan in het huurappartement in België.\n\nFeit 2\n\n1. Het proces-verbaal van aangifte door [aangever] namens Jeugdbescherming Overijssel van 17 april 2025, pagina’s 243 tot en met 247, voor zover inhoudende:\n\nIk doe aangifte namens de Jeugdbescherming Overijssel van het opzettelijk onttrekken van twee minderjarigen aan het wettig over hun gestelde gezag op maandag 31 maart 2025 te [plaats 1] . Niemand heeft het recht of de toestemming gegeven om deze kinderen opzettelijk mee te nemen en deze te onttrekken aan het wettelijk over hun gestelde gezag. Het gaat om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .\n\nOp 12 april 2021 is er een VOTS uitgesproken. Die is drie maanden later naar een OTS gegaan. Er was ook een verzoek voor een machtiging tot uithuisplaatsing. Dat is ook gebeurd in april 2021. De kinderen zijn toen op een geheim adres geplaatst.\n\nV: In hoeverre wisten de biologische ouders waar de kinderen verblijven en wonen?\n\nA: De kinderen hebben altijd geheim gezeten.\n\nV: Hebben de ouders uitspraken gedaan richting jullie, dat ze de kinderen mee wilden nemen?\n\nA: Nee\n\nV: wie heeft het wettelijk gezag over de kinderen?\n\nA: Dat ligt nog steeds bij de ouders. Maar de machtiging uithuisplaatsing overruled dat wettelijk gezag. En deze beperkt ook dat gezag. Het medisch gezag lag al bij ons.\n\n2. Beschikking verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van 5 juli 2024, pagina’s 526 tot en met 533, voor zover inhoudende:\n\nDatum uitspraak: 5 juli 2024\n\nBeschikking verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing\n\nin de zaak van\n\nStichting Jeugdbescherming Overijssel,\n\nde gecertificeerde instelling,\n\ngevestigd te [plaats 3] ,\n\nmet betrekking tot:\n\n [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 3] 2013\n\nin [geboorteplaats 2] , hierna te noemen [slachtoffer 1] , en\n\n [slachtoffer 2] , geboren op\n\n [geboortedatum 2] 2018 in [geboorteplaats 3] , hierna te noemen [slachtoffer 2] .\n\nDe rechtbank:6.1.. verlengt de ondertoezichtstelling van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] tot 6 juli 2025;6.2.. \n\nverlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in een\n\ngezinshuis tot 6 juli 2025;6.3.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\n3. Het proces-verbaal van bevindingen uitwerking verhoor [slachtoffer 1] (dochter verdachten) van 12 mei 2025, pagina’s 216 tot en met 236, voor zover inhoudende:\n\nHet was ochtend, ik was op de fiets naar school. Ik was bijna bij de kruising en toen kwam er opeens een zwarte auto achter me. En toen reed ie opeens voor me langs. En ik fietste toen om de auto heen. Maar toen gooide ze de auto er weer voor. En ik fietste er toen aan de andere kant omheen. En toen gooiden ze hem er nog een keer voor.\n\nToen stapte mijn moeder uit. En toen werd ik er vanaf geduwd en viel ik in een doornstruik. Ik werd meegesleurd. En ik zat in de tussentijd om hulp te roepen. Ik was toen in de auto gestopt. Had ze me in de auto gekregen en toen kwamen ze dus bij het gezinshuis. En toen is [naam 3] zo uit de auto getrokken en in hun auto gestopt. Toen reden ze eerst naar het station, waar een huurauto stond. En daar moesten ik en [naam 3] in. En toen zijn ze naar Hardenberg gereden, vanaf daar zijn ze Duitsland in gereden. Toen zijn we gestopt bij een hele grote Shell in Duitsland. Daar moesten we dingen met een pruik en andere kleding. En van daaruit hebben we een uur of twee gereden België in. En toen werden ik en mijn broertje in een appartementsgebouw gebracht, die schuin tegenover een matrassenfabriek stond.\n\n Ik ben in de doornstruik gevallen (wijst naar haar rechterzij kant) hier heb ik ook een wondje zitten en hier heb ik ook, bij mijn navel, een wondje zitten. Dat gebeurde in [plaats 1] . Net voor een kruispunt. Ik werd van mijn fiets afgeduwd door mijn moeder. Zij stapte ineens zo schuin voor en duwde zo naar de zijkant en toen vloog ik in die struik. De fiets lag op mijn linkerbeen.\n\nIk werd toen meegesleurd en ik probeerde me tegen te houden. En toen werd ik over het fietspad heen gesleurd. Ik voelde de pijn hier (wijst haar linker been aan) hier (wijst haar rechter elleboog\u002Farm aan) hier (rechter heup), eigenlijk overal behalve mijn hoofd. Ik werd daar dus in mee gesleurd en ik heb me ook afgezet tegen de zijkanten van de deur heb ik me afgezet om eraf te komen. Toen hebben ze mij zeg maar zo naar voren geduwd. Ja, en dit (wijst naar haar vinger) komt zeg maar mijn hand, de nagels van mijn moeder werden in mijn hand gezet zodat ik los liet. Mijn moeder zei dat ik op moest houden en dat ik mee werk en zo. Mijn moeder kwam achter me zitten, en ik werd in dat voeteneind gedrukt door mijn moeder. Volgens mij hebben ze hem op kinderslot gezet. Mijn vader reed. Papa moest [naam 3] halen. Dat had mama gezegd. Ik heb gezien dat de deur werd opengedaan, [naam 3] werd opgetild en toen zijn ze naar de auto gelopen.\n\nDe hele weg naar het station werd ik naar beneden gedrukt. Toen moesten we overstappen in de huurauto. Ik moest meewerken omdat ze me anders pijn gaat doen en zo. De autodeuren zaten op kinderslot.\n\nDe huurauto stond ernaast en daar werd ik ingewerkt en [naam 3] werd erin getild. Op dezelfde manier als bij het begin van onze ontvoering eigenlijk.\n\n Toen we bijna bij de grens waren moesten ik en [naam 3] andere kleding en een andere jas aan en andere schoenen van mijn moeder. Zij pakte de kleren uit de tas van achteren. Ik moest een thermoding onder aantrekken en toen moest ik een roze trui aan. [naam 3] en ik kregen een hoofddoek op of zo die had ze bij ons aangedaan met een nepbril. Ik had een paarse, [naam 3] een blauwe. En toen even later, toen we bijna bij die Shell waren, had ze dezelfde pruik voor mij en [naam 3] . De pruik moesten we op doen van mijn moeder.\n\nToen zijn we naar het appartement gereden in België. Daar kwamen we vier uur ’s middags aan.\n\n4. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] van 31 maart 2025, pagina’s 26 en 27, voor zover inhoudende:\n\nOp maandag 31 maart 2025 omstreeks 08:00 uur fietste ik op de [adres 2] . Voor mij zag ik een meisje fietsen die ik bijna wilde gaan inhalen. Ik zag toen dat ik werd ingehaald door een zwarte auto. Ik zag dat de auto slingerde toen deze ter hoogte van het meisje reed. Vervolgens zag ik dat de auto meer gas bij gaf en een stukje voor het meisje stopte. Ik zag dat de bijrijder, een vrouw, uit het voertuig stapte en het meisje op de fiets hardhandig van de fiets duwde. Ik zag dat het meisje ten van kwam bij de bosjes net voorbij het voetbalveldje aan de [adres 2] . Ik zag dat de vrouw het meisje hardhandig het voertuig in trok. Ik hoorde dat het meisje meerdere keren hard om hulp riep.\n\n5. Een geschrift van de federale gerechtelijke politie arro Oost-Vlaanderen, verhoor van [medeverdachte] van 1 april 2025, pagina’s 121 tot en met 128, voor zover inhoudende:\n\nIk heb het advies van de Raad voor de Kinderbescherming waarin zij adviseerden om ons ouderlijk gezag af te nemen, midden maart 2025 via de post in Nederland ontvangen. Dit advies is de reden waarom wij dit alles ondernomen hebben.\n\nNormaal rijd ik in een Mitsubishi, maar ik ben hier gisteren gekomen met een Seat Alhambra die ik had gehuurd. Ik heb de auto gehuurd van zaterdag 29\u002F04\u002F2025 tot en met 01\u002F04\u002F2025 12.30 uur via SnappCar. De eigenaar woont in [woonplaats] . Wij dachten dat wij via het huren van een auto een voorsprong zouden kunnen krijgen op de Nederlandse politie zodat ze ons niet konden tegenhouden.\n\nGisterenochtend hebben wij onze dochter die naar school fietste onderschept en meegenomen. Daarna zijn wij naar het huis gereden waar beide kinderen momenteel verblijven. Wij zagen dat ons zoontje op dat moment in de auto werd geplaatst om naar school te gaan. Ik heb de deur van de auto opengetrokken en mijn zoontje uit de auto genomen en naar mijn auto, de Mitsubishi, gebracht. Ik heb mijn zoontje linksachter geplaatst. Wij zijn weggereden naar een parkeerplaats bij het treinstation van Dalfsen. Daar hebben wij van auto gewisseld. Wij hadden de Seat, zoals eerder vermeld, daar al vroeger geplaatst met het oog op het wisselen van de voertuigen. Wij zijn toen doorgereden met de Seat naar Leupegem in België. Wij kenden de fietsroute van onze dochter. Wij hebben haar daar eerder zien rondfietsen. Wij zijn daar eerder gaan kijken, wel vaker, met de optiek om ze mee te nemen indien het anders niet kon. Wij hebben eerder gezien dat ons zoontje met de auto naar school werd gebracht.\n\n6. De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 28 mei 2026, voor zover inhoudende:\n\nIk heb [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op 31 maart 2025 meegenomen naar België samen met medeverdachte. We reden die ochtend in [plaats 1] met de auto en daar fietste [slachtoffer 1] . Ik sprak [slachtoffer 1] aan. Ik stapte uit en deed mijn armen om [slachtoffer 1] heen. Ik trok haar naar de auto. Ze worstelde en ze hield met haar handen de auto tegen. Ze wilde niet in de auto zitten en ze schreeuwde om hulp. In de auto schreeuwde ze om hulp en toen hield ik mijn hand over haar mond heen. Ze vertelde later dat ze een wondje aan haar vinger had door het duwen tegen de auto.\n\nWe zijn daarna naar het gezinshuis gereden. Daar heeft medeverdachte [slachtoffer 2] uit de auto van [getuige 1] getild en bij ons in de auto geplaatst. Ik had nepbrillen en pruiken voor hen meegenomen in de auto. Dat was bedoeld om ons te vermommen zodat we niet herkend zouden worden. We wilden namelijk zo snel mogelijk naar België. Die middag kwamen we aan in het huurappartement in België.\n\n Kamerstukken II, 1989\u002F1990, 21 345, nr. 3, p. 11\n\n HR 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:958","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3409","2026-07-13T00:29:45.424Z",{"id":78,"ecli":79,"slug":80,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":81,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":82,"sourceTimestamp":18,"parsedAt":36,"updatedAt":83},"1203","ECLI:NL:GHARL:2025:5647","ecli-nl-gharl-2025-5647","Afdeling strafrecht\n\nParketnummer: 21-000211-25\n\nUitspraakdatum: 12 september 2025\n\nTEGENSPRAAK\n\nVerkort arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 20 januari 2025 met parketnummer 18-236412-24 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 18-234092-20, in de strafzaak tegen\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,\n\nwonende te [adres] .\n\nHet hoger beroep\n\nDe verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 29 augustus 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.\n\nHet hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsvrouw, mr. A. Faber, naar voren is gebracht.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nDe politierechter heeft bij vonnis van 20 januari 2025, waartegen het hoger beroep is gericht, verdachte ter zake van de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken, waarvan vier weken voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast heeft de politierechter de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling afgewezen.\n\nHet hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.\n\nDe tenlastelegging\n\nAan verdachte is tenlastegelegd dat:\n\n1. hij op of omstreeks 27 april 2024 te [plaats] , [slachtoffer 1] heeft bedreigd, met enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling, door die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen \"je gaat binnenkort gekielhaald worden\" en\u002Fof \"Ik maak je kanker kapot als je de cel uitloopt\" en\u002Fof \"als je nog één keer bij mij komt maak ik je kankerdood\" en\u002Fof \"je wordt geget door de andere Marokkanen als je buiten komt\" en\u002Fof \"je krijgt een kogel door je kop\", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;\n\n2. hij op of omstreeks 27 april 2024 te [plaats] , zich met geweld en\u002Fof bedreiging met geweld, heeft verzet, tegen een of meerdere ambtena(a)r(en), te weten: [slachtoffer 1] ( [functie 1] bij de politie Eenheid Noord-Nederland) en\u002Fof [slachtoffer 2] ( [functie 2] bij de politie eenheid Noord-Nederland), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn\u002Fhun bediening, te weten ter aanhouding en\u002Fof overbrenging van verdachte, door\n\n- zijn armen los te trekken, althans deze te bewegen in een andere richting dan daar waar verbalisant(en) het trachtte(n) te bewegen,\n\n- schoppende bewegingen naar achteren te maken, en\u002Fof\n\n- één of meerdere kopstoten te geven;\n\n3. hij op of omstreeks 27 april 2024 te [plaats] , een ambtenaar, te weten verbalisant [slachtoffer 1] , werkzaam als [functie 1] bij politie Eenheid Noord-Nederland, gedurende en\u002Fof terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door een of meerdere schoppen tegen de benen, althans tegen het lichaam, van die [slachtoffer 1] te geven.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nOverweging met betrekking tot het bewijs\n\nStandpunt van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft bewezenverklaring gevorderd ter zake van de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft zich niet uitgelaten omtrent de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten.\n\nOordeel van het hof\n\nHet hof verenigt zich met de overwegingen van de politierechter omtrent de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten waar de politierechter overweegt (hierna cursief weergegeven):\n\nDe politierechter acht de ten laste gelegde feiten 1, 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen en verwijst daartoe naar de processen-verbaal van bevindingen van verbalisanten [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [verbalisant] , alsmede de omschrijving van de dashcam- en bodycambeelden.\n\nTen aanzien van het ten laste gelegde feit 1, de bedreiging, merkt de politierechter op dat de uitingen van dien aard waren en de bedreiging onder zodanige omstandigheden is gedaan dat bij verbalisant [slachtoffer 1] wel degelijk de redelijke vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee werd gedreigd ook zal worden gepleegd. Dat verdachte op dat moment werd aangehouden en naar een cel werd gebracht, doet hier niet aan af. Immers, verdachte zou op enig moment ook weer uit detentie komen.\n\nBewezenverklaring\n\nDoor wettige bewijsmiddelen, die later zullen worden uitgewerkt indien tegen dit arrest cassatie wordt ingesteld en waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel - ook in onderdelen - slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:\n\n1. hij op 27 april 2024 te [plaats] , [slachtoffer 1] heeft bedreigd, met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen \"je gaat binnenkort gekielhaald worden\" en \"Ik maak je kanker kapot als je de cel uitloopt\" en \"als je nog één keer bij mij komt maak ik je kankerdood\" en \"je wordt geget door de andere Marokkanen als je buiten komt\" en \"je krijgt een kogel door je kop\";\n\n2. hij op 27 april 2024 te [plaats] , zich met geweld heeft verzet, tegen meerdere ambtenaren, te weten: [slachtoffer 1] ( [functie 1] bij de politie Eenheid Noord-Nederland) en [slachtoffer 2] ( [functie 2] bij de politie eenheid Noord-Nederland), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten ter aanhouding en overbrenging van verdachte, door\n\n- zijn armen te bewegen in een andere richting dan daar waar verbalisant(en) het trachtte(n) te bewegen, en\n\n- schoppende bewegingen naar achteren te maken;\n\n3. hij op 27 april 2024 te [plaats] , een ambtenaar, te weten verbalisant [slachtoffer 1] , werkzaam als [functie 1] bij politie Eenheid Noord-Nederland, gedurende en terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door meerdere schoppen tegen de benen van die [slachtoffer 1] te geven.\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 1 bewezenverklaarde levert op:\n\nbedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.\n\nHet onder 2 bewezenverklaarde levert op:\n\nwederspannigheid.\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op:\n\nmishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, de feiten 2 en 3 in eendaadse samenloop begaan.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nVerdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.\n\nOplegging van straf en\u002Fof maatregel\n\nStandpunt van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken, waarvan vier weken voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft verzocht om oplegging van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf. Daartoe heeft zij aangevoerd dat het momenteel goed gaat met verdachte: hij is druk bezig met het aflossen van zijn schulden, heeft zich losgemaakt van zijn negatieve sociale netwerk en is de laatste tijd minder in contact gekomen met politie en justitie. Oplegging van een vrijheidsbenemende straf zou deze positieve ontwikkeling doorkruizen, aldus de raadsvrouw.\n\nOordeel van het hof\n\nDe hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven, wederspannigheid en mishandeling van een politieambtenaar. Door aldus te handelen heeft verdachte niet alleen de lichamelijke integriteit van het slachtoffer aangetast. Dergelijk gedrag getuigt naar het oordeel van het hof ook van een gebrek aan respect voor het openbaar gezag.\n\nHet hof heeft bij de strafoplegging in strafverzwarende zin acht geslagen op het de verdachte betreffende uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 1 augustus 2025. Daaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke strafbare feiten.\n\nHet hof heeft voorts acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals die uit het dossier blijken en ter terechtzitting in hoger beroep door zijn raadsvrouw naar voren zijn gebracht.\n\nAnders dan de raadsvrouw, is het hof van oordeel dat, gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten, niet volstaan kan worden met een geheel voorwaardelijke straf. Gelet op het voorgaande acht het hof, alles afwegende, oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van zes weken, waarvan vier weken voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden.\n\nVordering tenuitvoerlegging\n\nHet openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank te Noord-Nederland van 14 december 2020 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes weken, met parketnummer 18-234092-20. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.\n\nStandpunt van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling deels wordt toegewezen, te weten voor de duur van drie weken.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft verzocht om de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling af te wijzen omdat verdachte al geruime tijd niet meer politie en justitie in contact is gekomen en de tenlastegelegde feiten andersoortige feiten betreffen.\n\nOordeel van het hof\n\nBij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden bevolen. In hetgeen de advocaat-generaal en de raadsvrouw hebben aangevoerd ziet het hof geen aanleiding om de vordering af te wijzen dan wel slechts gedeeltelijk toe te wijzen.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 55, 57, 180, 285, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van6 (zes) weken.\n\nBepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 4 (vier) weken, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nBeveelt de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 14 december 2020, parketnummer 18-234092-20, voorwaardelijk opgelegde straf, te weten van:\n\neen gevangenisstrafvoor de duur van6 (zes) weken.\n\nAldus gewezen door\n\nmr. L.T. Wemes, voorzitter,\n\nmr. M.C. Fuhler en mr. F.E.J. Goffin, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. A.M.J. Flach, griffier,\n\nen op 12 september 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:5647","2026-07-13T00:29:09.766Z",20]