[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"legal-provision-grondwet-art. 7 lid 3":3},{"detailData":4,"statistics":22,"related":28},{"id":5,"code":6,"article":7,"title":8,"fullText":8,"country":9,"decisions":10,"decisionsTotal":21},"122710","Grondwet","art. 7 lid 3",null,"nl",[11],{"id":12,"ecli":13,"caseNumber":14,"courtId":15,"courtName":16,"decisionDate":17,"fullText":18,"language":9,"source":19,"summary":14,"slug":20},"875","ECLI:NL:RBROT:2018:10493","",61,"Rotterdam","2018-12-19T00:00:00.000Z","Rechtbank Rotterdam\n\nTeam straf 1\n\nParketnummers: 10-218977-18 en 10-218983-18\n\nDatum uitspraak: 19 december 2018\n\nTegenspraak\n\nVonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:\n\n [verdachte]\n\ngeboren te Curaçao op [geboortedatum verdachte] ,\n\ningeschreven in de basisregistratie personen op het adres:\n\n [adres verdachte]Onderzoek op de terechtzitting\n\nGelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 19 december 2018.Tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen. De tekst van de gewijzigde tenlasteleggingen is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.Eis officier van justitie\n\nDe officier van justitie mr. D.M. Benammar, heeft gevorderd:\n\nbewezenverklaring van het onder beide bovengenoemde parketnummers ten laste gelegde (hierna: feit 1 en 2);\n\nveroordeling van de verdachte tot een geldboete van € 190 per overtreding.Vooropstelling\n\nInleiding\n\nOp 1 januari 2018 is in de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam 2012 (hierna: de APV) een nieuw artikel opgenomen. Dit artikel luidt:\n\n‘Artikel 2:la Straatintimidatie\n\nHet is verboden op of aan de weg of in een voor publiek toegankelijk gebouw individueel of in groepsverband een ander of anderen uit te jouwen of met aanstootgevende taal, gebaren, geluiden of gedragingen lastig te vallen.’\n\nIn deze zaken (hierna: zaak) zijn voor het eerst tenlasteleggingen gebaseerd op dit nieuwe artikel. De officier van justitie heeft op de terechtzitting uiteengezet dat het openbaar ministerie met deze zaak (enig) uitsluitsel wil krijgen over de reikwijdte en bandbreedte van het nieuwe artikel. Mede op initiatief van de kantonrechter is tijdens de terechtzitting een aantal vragen naar voren gekomen. In deze paragraaf van het vonnis worden deze vragen vooropgesteld en voorafgaand aan de beoordeling van de ten laste gelegde feiten, beantwoord.\n\nVragen\n\nWat moet worden verstaan onder de begrippen ‘uitjouwen’, ‘lastig vallen’ en ‘aanstootgevende taal, gebaren, geluiden of gedragingen’ uit artikel 2:1a APV?\n\nZijn er uitlatingen en\u002Fof handelingen te noemen die in algemene zin een invulling kunnen vormen van die begrippen?\n\nVallen uitlatingen die worden gebracht onder ‘uitjouwen’ en ‘aanstootgevende taal’ onder de vrijheid van meningsuiting;\n\n- in de zin van artikel 10 lid 1 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) en\u002Fof\n\n- in de zin van artikel 7 lid 3 van de Grondwet (hierna: Gw)?\n\n Zo ja, biedt de vrijheid van meningsuiting ook bescherming aan de begrippen ‘aanstootgevende gebaren, geluiden of gedragingen’?\n\n Mag de vrijheid van meningsuiting worden beperkt en meer in het bijzonder mag dat in de APV;\n\n- in de zin van artikel 10 lid 2 EVRM en\u002Fof\n\n- in de zin van artikel 7 lid 3 Gw?\n\nIs de vrijheid van meningsuiting een vrijbrief voor overlastgevend gedrag in de openbare ruimte en is de artikel 2:1a APV daarmee een papieren tijger?\n\nAntwoord a: Uitleg begrippen\n\nIn het antwoord op de eerste vraag worden de begrippen uit het nieuwe artikel uit de APV: ‘uitjouwen’, ‘lastig vallen’ en ‘aanstootgevende taal, gebaren, geluiden of gedragingen’, zoals die in de tenlastelegging in deze zaak zijn opgenomen, nader geduid. Deze begrippen zullen in de tenlastelegging en in een eventuele bewezenverklaring dezelfde betekenis (moeten) hebben als in artikel 2:1a APV. De eerste twee begrippen, ‘uitjouwen’ en ‘lastig vallen’, vormen de kern van het verwijt en zijn daarmee de kwalificerende begrippen in de tenlastelegging. Het derde begrip ‘aanstootgevende taal, gebaren, geluiden of gedragingen’ vormt een invulling van het begrip ‘lastigvallen’. Bij de uitleg van alle drie de begrippen moet steeds in het oog worden gehouden dat het in artikel 2:1a APV strafbaar gestelde gedrag een begrenzing vindt in strafbare feiten die al op andere wijze (bij wet in formele zin) zijn strafbaar gesteld.De gemeentelijke wetgever heeft namelijk een relatief ruime, maar wel slechts aanvullende verordenende bevoegdheid.\n\nVoor de uitleg van de begrippen is aansluiting gezocht bij (i) de toelichting op artikel 2:1a APV en (ii) bij de betekenis die de begrippen hebben in het algemeen spraakgebruik.\n\n( i)\n\nDe toelichting op artikel 2:1a APV luidt - voor zover van belang -:\n\n‘Artikel 2:1a Straatintimidatie\n\n‘(…)\n\nHet motief van deze APV-bepaling is primair gelegen in het wegnemen van de effecten op de openbare orde als gevolg van intimiderend gedrag op straat. Straatintimidatie leidt tot hinder, overlast en gevoelens van onveiligheid met als gevolg een verstoring van de normale gang van zaken van het gemeenschapsleven. De strafbaarstelling draagt eraan bij dat de openbare ruimte zoveel mogelijk gevrijwaard blijft van straatintimidatie.\n\nUit onderzoek is gebleken dat steeds meer groepen, waaronder vrouwen, in toenemende mate met uiteenlopende vormen van straatintimidatie worden geconfronteerd. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om uitschelden of uitjouwen, intimiderende of aanstootgevende gebaren, geluiden en gedragingen of onnodig opdringen.\n\nDeze vormen van straatintimidatie zijn met name hinderlijk, bedreigend of emotioneel belastend voor de slachtoffers zelf, maar brengen eveneens gevoelens van onveiligheid voor omstanders met zich mee. Het gevolg van dit soort gedragingen in de openbare ruimte kan zijn dat bepaalde plekken worden gemeden. Daarmee hebben deze gedragingen dus een effect op de bewegingsvrijheid van personen. Ook kan het ertoe leiden dat mensen hun gedrag aanpassen door bijvoorbeeld hun kledingstijl te wijzigen. Behalve dat deze gedragingen een effect hebben op de bewegingsvrijheid, veroorzaken ze daarmee ook hinder, overlast en gevoelens van onveiligheid en verstoren ze de rust in het openbare leven.\n\n(…)\n\nMet deze bepaling wordt het tegelijkertijd mogelijk om op te treden tegen het uitjouwen of lastigvallen van opsporingsambtenaren, andere gezagsdragers of personen met een publieke taak. Uit onderzoek onder opsporingsambtenaren is namelijk gebleken dat deze groep bij de uitoefening van hun taak in toenemende mate wordt uitgejouwd of anderszins lastig gevallen. Ook deze gedragingen hebben een negatief effect op de openbare orde. Gezagdragers hebben immers als taak de openbare orde te handhaven. Indien zij worden gehinderd in dit werk, heeft dit automatisch een negatief effect op de openbare orde.\n\n(…)’\n\nUit de toelichting wordt afgeleid dat het motief van de strafbaarstelling van straatintimidatie primair is gelegen in de bescherming van het openbare leven in de openbare ruimte en daarmee de openbare orde. In het verlengde daarvan moet de strafbaarstelling de personen die de straatintimidatie rechtstreeks ondergaan en de personen die het waarnemen beschermen. Bij de duiding van de begrippen moet van deze motieven van de gemeentelijke regelgever worden uitgegaan.\n\n(ii)\n\nVoor de betekenis van de begrippen in het algemeen spraakgebruik is gekeken naar Van Dale’s Groot Woordenboek der Nederlandse Taal 2018 (hierna: Van Dale). De voor dat doel bij uitstek geschikte bron.\n\n- Uitjouwen\n\nUitjouwen wordt in Van Dale omschreven als ‘jouwend beschimpen ≈ uitjoelen’. Beschimpen op zijn beurt wordt omschreven als ‘honend bespotten\u002Flasterlijk beledigen ≈ uitschelden’. In de toelichting op artikel 2:1a APV wordt (ook) uitjouwen in één adem genoemd met uitschelden. Op het eerste gezicht kunnen onder het begrip uitjouwen daarom veel negatieve verbale uitlatingen worden gebracht, die niet per se in taal te hoeven worden geuit. Toch laat het begrip uitjouwen zich lastig duiden wanneer daarbij wordt bedacht dat die uitlatingen dan bijvoorbeeld niet beledigend of bedreigend van aard mogen zijn. Dan zou immers dat gedrag al in het Wetboek van Strafrecht zijn strafbaar gesteld en is er geen ruimte voor strafbaarstelling door de gemeentelijke regelgever.\n\nAdvocaat-generaal Leijten geeft in een conclusie bij een arrest van de Hoge Raad in een soortgelijke zaak een aantal voorbeelden die onder het begrip uitjouwen zouden kunnen worden gebracht: a) het alsmaar roepen van: ‘sliep uit’of b) ‘Boeoeh’.Het lijkt er sterk op dat wanneer uitjouwen verder gaat dan dat, de genoemde grens vrij snel in beeld komt. Kortom de bandbreedte die ‘uitjouwen’ in artikel 2:1a APV heeft lijkt betrekkelijk smal.\n\n- Lastigvallen\n\nZoals al is opgemerkt, is het begrip ‘lastigvallen’ naast het begrip ‘uitjouwen’ het tweede kwalificerende onderdeel in de tenlastelegging. Lastigvallen heeft in de Van Dale meerdere betekenissen. Tegen de achtergrond van de toelichting op de APV - zoals deze hiervoor kort is weergegeven - is de meest in het oog springende betekenis: ‘met oneerzame bedoelingen naderen’. Gelet op deze toelichting is ‘oneerzaam’ een te beperkte uitleg van het hier bedoelde ‘lastigvallen’. Dat is immers niet alleen een seksueel gekleurd begrip. In tegenstelling tot het kernbegrip ‘uitjouwen’ is de bandbreedte van lastigvallen ook in het licht van de aanvullende regelgevende bevoegdheid van de gemeentelijke regelgever ruim. Met de strafbaarstelling van ‘lastigvallen’ in het algemeen heeft de formele wetgever zich - vooralsnog- niet heeft beziggehouden.\n\n- Aanstootgevende\n\nHet woord aanstootgevend wordt in artikel 2:1a APV bijvoeglijk gebruikt bij taal, gebaren, geluiden of gedragingen. Aanstootgevend(e) wordt in de Van Dale omschreven als ‘aanstoot veroorzakend’. Aanstoot geven als werkwoord wordt omschreven als ‘ergernis veroorzaken ≈ choqueren’. Wanneer deze betekenissen uit het algemeen spraakgebruik worden afgezet tegen de bedoeling van de gemeentelijke wetgever zoals deze volgt uit de toelichting bij artikel 2:1a APV - zoals deze hiervoor kort is weergegeven - gaat het dus om taal, gebaren, geluiden of gedragingen die ergernis veroorzaken.\n\nConclusie\n\nHet kwalificerende begrip uitjouwen is een smal begrip. Dit vindt zijn oorzaak in de betekenis die aan het begrip moet worden toegekend waardoor het begrip zijn begrenzing vaak zal vinden in andere strafbaarstellingen. Lastigvallen als kwalificerend begrip is juist breed en ziet vooral op het (be)naderen met oneerzame bedoelingen. Die oneerzame bedoelingen zullen dan moeten volgen en\u002Fof worden ingekleurd door de ‘aanstootgevende taal, gebaren, geluiden of gedragingen’ waarmee iemand of meerdere personen worden benaderd. Het moet dan gaan om uitlatingen of handelingen die ergernis veroorzaken. Van deze betekenissen van de begrippen zal bij de verdere beoordeling worden uitgegaan.\n\nAntwoord b: Algemene invulling van de begrippen\n\nDe vraag wanneer er sprake is van ‘uitjouwen’, ‘lastig vallen’ of van ‘aanstootgevende taal, gebaren, geluiden of gedragingen’ is niet in algemene zin te beantwoorden. In een concrete zaak hangt de invulling van deze begrippen af van alle omstandigheden van het geval. Het zal bij die invulling dan gaan om het samenstel van de (tenlastegelegde) feitelijke handelingen en van de overige feiten en omstandigheden die aan dat samenstel een zekere kleuring en\u002Fof duiding kunnen geven. Het is goed mogelijk dat in sommige gevallen een bewijsredenering zal moeten worden opgesteld om aan de begrippen de invulling te kunnen geven. Daarbij verdient opmerking dat zo’n bewijsredenering alleen kan worden opgesteld als daarvoor de feiten en omstandigheden duidelijk zijn. Een goed proces-verbaal van de opsporingsambtenaren is daarom van groot belang. Ook is bij de invulling plaats voor een beoordeling van de uiterlijke verschijningsvorm van het samenstel van (tenlastegelegde) feitelijke handelingen in samenhang met de overige feiten en omstandigheden.\n\nDe vraag die in het verlengde ligt van het voorgaande is of een enkele opmerking, fluit, sis, klak of (seksueel- of anderszins gekleurd) handgebaar één op één is te brengen onder de begrippen is daarom ook niet in algemene zin te beantwoorden. Het antwoord op die vraag is ook zeer context gebonden en wordt sterk beïnvloed door het samenstel van (tenlastegelegde) feitelijke handelingen en de overige feiten en omstandigheden. Daarbij is niet uitgesloten dat de feiten elkaar met een zekere synergie (1+1=3) kunnen en zullen versterken.\n\nTot slot is bij de beoordeling van het concrete geval van belang dat de tenlastegelegde uitlatingen en\u002Fof handelingen van dien aard moeten zijn en onder zodanige omstandigheden hebben plaatsgevonden dat zij in het algemeen geschikt zijn de openbare orde te raken en\u002Fof een zekere inbreuk op de persoonlijke vrijheid van burgers teweeg te brengen.\n\nConclusie\n\nDe invulling van de begrippen is niet in algemene zin te geven. Het komt aan op de beoordeling in het concrete geval waarbij de nadruk ligt op het samenstel van (tenlastegelegde) feitelijke handelingen en de overige feiten en omstandigheden die daaraan kleuring kunnen geven. Bij de invulling van de begrippen is plaats voor een zekere objectivering.\n\nAntwoord c: Vrijheid van meningsuiting\n\nVervolgens is de vraag of uitlatingen die worden gebracht onder ‘uitjouwen’ en ‘aanstootgevende taal’ onder de vrijheid van meningsuiting vallen. Dit recht is vastgelegd in zowel artikel 10 EVRM als in artikel 7 Gw.\n\n- Artikel 10 EVRM\n\nArtikel 10 lid 1 van het EVRM beschermt het recht op vrijheid van meningsuiting. Uit de tekst van dit artikellid en uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) komt naar voren dat artikel 10 lid 1 EVRM in ieder geval het recht omvat om een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken. De reikwijdte van artikel 10 lid 1 EVRM is dan ook ruim.\n\nIn dit verband is het goed om op te merken dat in de literatuuren in de memorie van toelichting bij een initiatief wetsvoorstel tot strafbaarstelling van seksuele intimidatiegesteld wordt dat sommige vormen van intimidatie in de openbare ruimte buiten de bescherming van artikel 10 lid 1 EVRM zouden kunnen vallen. Daarbij wordt dan een beroep gedaan op het arrest van het EHRM Rujak t. Kroatië.\n\nIn dat arrest wordt overwogen:\n\n‘Certain classes of speech, such as lewd and obscene speech have no essential role in the expression of ideas. An offensive statement may fall outside the protection of freedom of expression where the sole intent of the offensive statement is to insult’.\n\nHet is maar zeer de vraag of uit Rujak de genoemde verregaande conclusie mag worden getrokken. De HUDOC databankleert dat het EHRM het in Rujak geformuleerde uitgangspunt niet heeft herhaald of heeft verwezen naar deze beslissing. Het lijkt er daarom niet op dat het EHRM met Rujak een ondergrens aan artikel 10 EVRM heeft willen stellen. Uit het oogpunt van rechtsbescherming zou het ook beter zijn om de aard van de uitlating niet mee te wegen bij de vraag of iets onder de vrijheid van meningsuiting valt, maar te betrekken bij de vraag of die vrijheid kan worden beperkt, waarover hierna meer.\n\nEen en ander nog daargelaten dat het in deze zaak gaat om uitlatingen die (hoogst)waarschijnlijk niet louter de intentie tot beledigen in zich hebben zoals in Rujak aan de orde was.\n\n- Artikel 7 Gw\n\nArtikel 7 lid 3 Gw bepaalt dat voor het openbaren van gedachten of gevoelens (…) niemand voorafgaand verlof nodig heeft wegens de inhoud daarvan (…). Dit grondrecht beschermt in beginsel elke openbaarmaking van - meer of minder weloverwogen - gedachten of gevoelens, ongeacht de intenties of de motieven van degene die zich uit.\n\nBegin jaren 90 van de vorige eeuw wees de Hoge Raad twee arrestenin zaken die heel veel lijken op deze zaak. In de zaken die achter die twee arresten schuilgaan werden twee verdachten vervolgd voor het respectievelijk roepen van:‘Dan duw die teringbon er maar onder vuile kankerzak’en het roepen van: ‘lelijke rotkop’. De vervolging was in beide gevallen gebaseerd op bepalingen uit de APV. In allebei de gevallen werd - voorzover van belang - in de APV verboden om in het openbaar: ‘iemand uit te jouwen, na te schreeuwen, met aanstootgevende taal lastig te vallen, dan wel op andere wijze overlast aan te doen.’ De lagere rechter had het feit niet strafbaar geoordeeld omdat de uitroepen:‘Dan duw die teringbon er maar onder vuile kankerzak’en het roepen van: ‘lelijke rotkop’onder de vrijheid van meningsuiting vielen. In beide gevallen liet de Hoge Raad het oordeel van de lagere rechter in stand en oordeelde dat de lagere rechter ‘terecht (en op goede gronden)’ het feit niet strafbaar had geoordeeld. In deze arresten wordt onderstreept dat ook uitspraken met een volstrekt negatieve lading onder de reikwijdte van de vrijheid van meningsuiting vallen zoals die in artikel 7 lid 3 van de Gw is neergelegd.\n\nAnders dan de officier van justitie is de kantonrechter van oordeel dat de Hoge Raad van deze lijn niet is teruggekomen. Het door de officier van justitie aangehaalde drie stappenplan uit arresten uit 2001 en 2003is een lijn van de Hoge Raad die zich doortrekt tot 2018, maar deze heeft geen betrekking op de vraag of een uitlating onder de vrijheid van meningsuiting valt of niet in de zin van tweede volzin van artikel 7 lid 3 Gw.\n\nConclusie\n\nHet ‘uitjouwen in de vorm van taal’ en het uiten van ‘aanstootgevende taal’ vindt in beginsel bescherming in artikel 10 lid 1 EVRM en artikel 7 lid 3 Gw.\n\nAntwoord d: Symbolic speech\n\nHet is vervolgens de vraag of alleen ‘taal’ uit artikel 2:1a APV onder de bescherming van de vrijheid van meningsuiting valt of dat ook ‘gebaren, geluiden of gedragingen’ en\u002Fof ‘uitjouwen in een andere vorm dan taal’ die bescherming (kunnen) verdienen. Het gaat dan om uitlatingen en\u002Fof handelingen die niet in letterlijke zin als ‘speech’ moeten worden gezien en daarom die bescherming van de vrijheid van meningsuiting dus niet hebben (Bijv: geluiden, zoals sissen en klakken).\n\nDat zou anders kunnen liggen als in een bepaalde context een uitlating of handeling onmiskenbaar tot doel heeft om gedachten of gevoelens en\u002Fof een mening naar voren te brengen. Dan zou sprake kunnen zijn van uitlatingen en\u002Fof handelingen die, als ‘symbolic speech’, onder de vrijheid van meningsuiting moeten worden gebracht.\n\nVeelal zullen de uitlatingen en\u002Fof handelingen, wanneer deze op zichzelf worden beschouwd, te algemeen zijn om hieruit dat onmiskenbare doel af te leiden. Bij die beoordeling is ook van belang in hoeverre de uitlating of handeling bijdraagt aan het maatschappelijk debat, omdat de wenselijkheid van de bescherming van de vrijheid van meningsuiting zich dan opdringt.\n\nAntwoord e: Beperking van de vrijheid van meningsuiting\n\nAls er sprake is van vrijheid van meningsuiting, ligt de vraag voor of deze door de overheid mag worden beperkt en meer in het bijzonder of dat mag in de APV.\n\n- Artikel 10 EVRM\n\nIn artikel 10 lid 2 EVRM is neergelegd op welke wijze de vrijheid van meningsuiting mag worden ingeperkt en formuleert daarvoor drie voorwaarden: (i) is de beperking bij wet voorzien, (ii) dient de beperking een van de in artikel 10 lid 2 genoemde doelen en (iii) is zij noodzakelijk in een democratische samenleving?\n\n( i)\n\nDe APV is een wet in de zin van artikel 10 lid 2 EVRM. Artikel 10 lid 2 EVRM stelt niet de eis dat sprake moet zijn van een wet in formele zin. Daarnaast heeft de burger ook voldoende toegang tot de APV en via de reclamecampagne ‘pikpraat’is de strafbaarstelling onder de aandacht van de burgers van de gemeente Rotterdam gebracht en is daarmee voldoende kenbaar. Hierdoor, maar ook door de inhoud van de strafbaarstelling is het voor de burger voldoende voorzienbaar wat het stafbare feit inhoudt. Een eventuele straf kan daarom niet als een verrassing komen.\n\n(ii)\n\nDe strafbaarstelling van straatintimidatie dient ook een doel als bedoeld in artikel 10 lid 2 EVRM. Zoals hiervoor al is vermeld zijn de motieven die de gemeentelijke regelgever heeft met de strafbaarstelling van straatintimidatie divers. Met de strafbaarstelling wordt primair het openbare leven in de openbare ruimte en daarmee de openbare orde beschermt. Aan de andere kant moet het de personen die de straatintimidatie rechtstreeks ondergaan en de daarbij aanwezige omstanders die dat waarnemen beschermen.\n\nDeze doelstellingen vallen onder de in artikel 10 lid 2 EVRM genoemde legitieme doelen zoals ‘het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten’ maar ook ‘de bescherming van de rechten van anderen’.\n\n(iii)\n\nDan de vraag of de strafbaarstelling van straatintimidatie noodzakelijk is in de (Rotterdamse) democratische samenleving. Op de site van de genoemde reclamecampagne ‘pikpraat’ zijn ruim 2.200 meldingen gedaan en de ‘Stopapp’is meer dan 3.200 keer gedownload. Daarnaast is op de terechtzitting het openbare rapport ‘seksuele straatintimidatie in Rotterdam van de Erasmus Universiteit Rotterdam’aan de orde geweest. Dit rapport wordt ook genoemd in het proces-verbaal van de opsporingsambtenaren. Het onderzoek waarvan het rapport de weerslag is laat duidelijk zien dat straatintimidatie door heel veel vrouwen als probleem wordt ervaren, dat hen schaadt en dat het leidt tot aanpassing in het gedrag. In het rapport wordt een combinatie van maatregelen geadviseerd waaronder de strafrechtelijke aanpak. Uit het onderzoek blijkt de roep om een aparte strafbaarstelling om het probleem strafrechtelijk aan te vliegen. De reacties op de genoemde website en het rapport onderbouwt de noodzakelijkheid van de strafbaarstelling. Bij de vraag naar de noodzakelijkheid wordt meegewogen in hoeverre de door de strafbaarstelling verboden uitlatingen van belang zijn in het maatschappelijk debat. Een maatregel is in dat verband sneller als disproportioneel aan te merken als met het verbieden van de uitlating het maatschappelijk debat in een democratische samenleving wordt geraakt. In die belangenafweging maakt het dus uit dat het hier gaat om intimiderende, aanstootgevende, ergerniswekkend en\u002Fof overlast gevende uitlatingen. Dat raakt het maatschappelijk debat in de vrije democratische samenleving slechts marginaal.\n\nConclusie artikel 10 EVRM\n\nArtikel 2:1a van de APV voldoet aan de eisen die artikel 10 lid 2 EVRM stelt ten aanzien van de beperking van de vrijheid van meningsuiting. Artikel 10 van het EVRM staat de strafbaarheid van de feiten in zaken die zijn gebaseerd op artikel 2:1a APV daarom ook niet in de weg.\n\n- Artikel 7 Grondwet\n\nArtikel 7 lid 3 Gw beschermt zoals hierboven is besproken in beginsel elke openbaarmaking van een - meer of minder weloverwogen - gedachte of gevoelen, ongeacht de intenties of de motieven van degene die zich uit. Het tweede zinsdeel van artikel 7 lid 3 Gw luidt: ‘behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet’. Dit zinsdeel duidt erop dat dit grondrecht mag worden beperkt maar alleen bij wet in formele zin. De vraag die zich hier opdringt is daarom of de strafbaarstelling zoals deze in artikel 2:1a van de APV is geformuleerd niet op gespannen voet staat met dit uitgangspunt. Dat is het geval als in een concrete zaak de ten laste gelegde handelingen als het openbaren van gedachten of gevoelens moeten worden aangemerkt. Het gevolg daarvan is dat artikel 2:1a APV - voor dat deel - onverbindend is en bewezenverklaarde feiten (deels) niet strafbaar zullen zijn.\n\nConclusie artikel 7 Grondwet\n\nVoor zover onder de strafbaarstelling van artikel 2:1a APV het openbaren van gedachten of gevoelens wordt gebracht is dat artikel onverbindend omdat de APV geen wet in formele zin is. Dit betekent overigens helemaal niet dat het uiten van bepaalde gedachten of gevoelens niet moreel verwerpelijk kan zijn of dat strafbaarstelling van dergelijke uitspraken onmogelijk zou zijn. Het betekent niet meer en niet minder dan dat de manier waarop het nu is geregeld een zekere beperking met zich meebrengt.\n\nAntwoord g: Is de vrijheid van meningsuiting een vrijbrief voor overlast gevend gedrag in de openbare ruimte en is de artikel 2:1a APV daardoor een papieren tijger?\n\nHet antwoord op deze laatste vooropgestelde vraag is nee. De onverbindendheid van artikel 2:1a APV ten aanzien van uitlatingen waarbij gedachten of gevoelens worden geopenbaard staat in niet in de weg aan de mogelijke inzet van de strafbaarstelling als middel tegen straatintimidatie.\n\nHet staat in onze democratische rechtsstaat iedereen vrij om, ook met aanstootgevende taal, zijn gedachten of gevoelens te openbaren. En nee, daar kan de gemeentelijke regelgever niet op ingrijpen. Dat is voorbehouden aan de formele wetgever. Maar het openbaren van aanstootgevende taal is ook niet helemaal gratis. Aanstootgevende taal kan andere handelingen kleuren waardoor die handelingen als zodanig de delictsomschrijving van straatintimidatie zouden kunnen vervullen.\n\nEen voorbeeld ter verduidelijking\n\nEen bouwvakker roept vanaf een steiger: ‘hé meisje, waar gaan die lekkere beentjes heen’.De op dit gedrag toegesneden tenlastelegging gebaseerd op artikel 2:1a van de APV kan bij voldoende bewijs worden bewezenverklaard. Strafbaar is dit handelen echter niet omdat de door de bouwvakker geopenbaarde gedachten en gevoelens onder de vrijheid van meningsuiting vallen. De APV mag die vrijheid van meningsuiting niet beperken.\n\nDat zou anders kunnen zijn als de bouwvakker ook van de stijger komt, met de vrouw meeloopt en\u002Fof haar toesist eventueel in gezelschap van een collega. Dan zorgt de uitspraak: ‘hé meisje, waar gaan die lekkere beentjes heen’voor de kleuring van dat meelopen en sissen. Die kleuring draagt er aan bij dat het meelopen en\u002Fof sissen zelfstandig als aanstootgevende handelingen die overlast geven, kunnen worden gekwalificeerd.\n\nDaarbij is het dan wel van belang dat het feitelijk handelen van een verdachte zo uitgebreid en concreet mogelijk in de tenlastelegging wordt opgenomen. Anders gezegd: de uitspraak van de bouwvakker over de mooie beentjes van het meisje kan als bewijs worden opgevoerd ter kleuring van de andere tenlastegelegde handelingen. Als onderdeel van de bewezenverklaring blijft de uitspraak als zodanig niet strafbaar. Om die reden zou die uitspraak net zo goed uit de tenlastelegging kunnen worden weggelaten. Wel zou - onder omstandigheden - het aanspreken als zodanig, dus los van de inhoud, kunnen worden opgenomen als zelfstandige aanstootgevende handeling.Waardering van het bewijsFeiten en omstandigheden\n\nFeit 1\n\nOp 6 juli 2018 zit de verdachte op een stenen trap op de Coolsingel te Rotterdam en maakt geluiden richting drie richting vrouwen die komen aanlopen vanuit de richting van het Binnenwegplein. De verdachte roept: ‘Hey, mooie dames. Waar gaan jullie naartoe?’ De verdachte brengt zijn linkerhand in de richting van zijn mond en tuit zijn lippen en maakt kusgebaren in de richting van de vrouwen. Een van de vrouwen zegt: ‘Kom we gaan weg hier’. Hierop lopen de vrouwen terug in de richting van het Binnenwegplein. De verdachte roept hen na: ‘Waar komen jullie vandaan? Kom mee naar de South-Side’ De vrouwen reageren niet en lopen door.\n\nEen andere vrouw komt uit de richting van het Binnenwegplein. De verdachte zegt tegen haar: 'Hey schatje, ga je nu al weg? Blijf nog even met me’. De vrouw reageert niet en loopt door.\n\nFeit 2\n\nOp 31 augustus 2018 loopt de verdachte op het Schouwburgplein te Rotterdam en kijkt in de richting van een vrouw die op de stenen zijrand van het Schouwburgplein zit. Hij gaat naast de vrouw zitten en blijft in de richting van de vrouw kijken. De vrouw schuift een meter op.\n\nDe verdachte spreekt de vrouw aan en roept: ‘Hey mooie dame, je ziet er goed uit.’ De vrouw reageert en zegt: ‘Dankjewel’ en negeert de verdachte. De verdachte tuit zijn lippen en maakt kus- en handgebaren in de richting van de vrouw. De verdachte loopt weg en spreekt drie andere vrouwen aan. De vrouwen reageren niet. De verdachte tuit zijn lippen en maakt kus- en handgebaren in de richting van de vrouwen en zegt: ‘Doei schatjes, fijne avond’.\n\nBeoordeling\n\nOp grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden kunnen in beide gevallen alle ten laste gelegde uitspraken en gedragingen worden bewezen. Deze handelingen kunnen steeds al bijna op zichzelf worden beschouwd als ‘aanstootgevend’ in de zin van ‘ergernis opwekkend’ en daarmee als ‘lastig vallen’ zoals hierboven besproken.\n\nDaar komt bij dat de verdachte in de grote stad als wildvreemde in totaal acht vrouwen aanspreekt en daarbij kus- en\u002Fof handgebaren maakt. Dit wordt extra ingekleurd door de uitspraken van de verdachte. In een van de twee gevallen maakt de verdachte ook nog geluiden in de richting van de vrouwen. In het andere geval gaat hij naast een vrouw zitten die vervolgens een meter van hem wegschuift. Wanneer de vrouwen de verdachte negeren volhardt hij in zijn gedrag en zet de verdachte zijn gebaren door. Met het samenstel van deze gedragingen benadert de verdachte de vrouwen met oneerzame bedoelingen.\n\nConclusie\n\nDe vastgestelde feitelijke handelingen worden gekleurd door de bijkomende feiten en omstandigheden en rechtvaardigen de conclusie dat de vrouwen in beide gevallen zijn lastig gevallen.\n\nBewezenverklaring\n\nIn bijlage II heeft de kantonrechter de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:\n\nFeit 1\n\nhij op of omstreeks6 juli 2018 te Rotterdam, opof aan de weg, te wetende Coolsingel,\n\n(een) ander(en), te weten (een)vrouw(en) heeft uitgejouwd en\u002Fofmet aanstootgevende taal,en\u002Fofgebarenen geluiden of gedragingenheeft lastig gevallen,\n\nimmers heeft hij, verdachte, naar die vrouw(en)geroepen\n\n‘Hey, mooie dames. Waar gaan jullie naartoe?’ en\u002Fof‘Waar komen jullie vandaan? Kom mee naar de South-Side’ en\u002Fof‘Hey schatje, ga je nu al weg? Blijf nog even met me’en\u002Fof\n\nin de richting van een of meervrouwen zijn lippen getuit en\u002Fofkusgebaren\n\ngemaakt.\n\nFeit 2\n\nhij op of omstreeks31 augustus 2018 inde gemeenteRotterdam opof aan de weg, te wetenhet Schouwburgplein,(een) ander(en), te weten (een)vrouw(en)heeft uitgejouwd en\u002Fofmet aanstootgevende taal,geluiden of gedragingenen\u002Fofgebaren heeft lastig gevallen,\n\nimmers heeft hij, verdachte\n\ntegen een vrouw gezegd ‘Hey mooie dame, je ziet er goed uit’, en\u002Fof\n\nin de richting van een of meervrouw(en)zijn lippen getuit en\u002Fofkus- en\n\nhandgebaren gemaakt in de richting van deze vrouwenander(en).\n\nHetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet (ook)\n\ndaarvan worden vrijgesproken.Strafbaarheid feiten\n\nFeiten 1 en 2\n\nDe bewezenverklaarde mondelinge uitlatingen van de verdachte vallen onder de vrijheid van meningsuiting. Die uitlatingen zijn te beschouwen als het uiten van een gedachte of gevoelen zoals omschreven in artikel 7 lid 3 Gw.\n\nDe bewezenverklaarde kus- en\u002Fof handgebaren vallen daarentegen niet onder vrijheid van meningsuiting. Het gaat immers om een handeling die op zichzelf niet per definitie als ‘speech’ moet worden gezien. Ook zijn de kus- en handgebaren binnen de vastgestelde context niet onmiskenbaar te beschouwen als het uiten van een gedachte of gevoelen. Wat de gebaren in de geschetste context hebben betekend wordt niet volledig duidelijk en de kus- en of handgebaren leveren in deze context geen enkele bijdrage aan enig maatschappelijk debat.\n\nUitingen die vallen onder de vrijheid van meningsuiting mogen alleen worden beperkt bij wet in formele zin. De APV is geen wet in formele zin en daarom is artikel 2:1a APV niet-verbindend. Gevolg daarvan is dat de bewezenverklaarde uitspraken van de verdachte als zodanig niet strafbaar zijn en de verdachte in zoverre zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.\n\nDe bewezen verklaarde feiten leveren overigens telkens op:\n\novertreding van artikel 2.1a van de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam 2012.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.\n\nHet feit is dus strafbaar.Strafbaarheid verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.\n\nDe verdachte is dus strafbaar.Motivering straf\n\nDe straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft op straat in het centrum van de stad meerdere keren met zijn aanstootgevende gedrag voor overlast gezorgd. De overlast raakt in de eerste plaats de vrouwen die zich aan het gedrag van de verdachte probeerden te onttrekken. Op de tweede plaats raakt het gedrag ook de vrijheid van het individu in de openbare ruimte in het algemeen. Gedrag als dat van de verdachte kan ertoe leiden dat individuen zich anders gaan gedragen: bijv. een andere weg kiezen, een andere kledingkeus maken of er voor kiezen om niet meer alleen door de stad te lopen.\n\nKortom, de verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan heel vervelend gedrag. Ook is het niet de eerste keer dat de verdachte wordt veroordeeld. Hij is meermalen veroordeeld onder andere voor mishandeling, winkeldiefstal en het aanwezig hebben van drugs.\n\nVoor de hoogte van de straf kan met een schuin oog worden gekeken naar de oriëntatiepunten straftoemeting van de Rechtspraak. Aansluiting kan worden gezocht bij de oriëntatiepunten voor belediging en bedreiging. Daarop staan voor personen die zich voor het eerst schuldig maken aan zo een feit gelboetes van 150 euro en 250 euro. Daarbij mag niet uit het oog worden verloren dat het hier gaat om (APV) overtredingen in plaats van misdrijven.\n\nEen geldboete is een passende straf. Gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zullen de geldboetes voorwaardelijk worden opgelegd De verdachte wordt hiermee nog eens duidelijk aangesproken op zijn gedrag.Beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\nverklaart bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten 1 en 2, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;\n\nverklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nverklaart de verdachte strafbaar voor het onder 1 en 2 bewezenverklaarde voor zover dat betrekking heeft op de onder het tweede gedachtestreepje bewezenverklaarde handelingen;\n\nontslaat de verdachte van alle rechtsvervolging voor de overige bewezenverklaarde handelingen;\n\nstelt vast dat het bewezen verklaarde in zoverre oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;\n\nveroordeelt de verdachte ten aanzien van feit 1 tot een geldboete van € 100 (zegge: honderd euro)bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door2 dagen hechtenis;\n\nveroordeelt de verdachte ten aanzien van feit 2 tot een geldboete van € 100 (zegge: honderd euro)bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door 2 dagen hechtenis;\n\nbepaalt dat deze geldboetes niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de kantonrecht later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaar, na te melden voorwaarde overtreedt;\n\nstelt als algemene voorwaarde:\n\n- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken.\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. J.H. Janssen, kantonrechter,\n\nin tegenwoordigheid van mr. D. Ince, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 december 2018.\n\nBijlage I\n\nTekst tenlastelegging\n\nAan de verdachte wordt, na wijziging, ten laste gelegd dat:\n\nFeit 1\n\nhij op of omstreeks 6 juli 2018 te Rotterdam, op of aan de weg, te weten de Coolsingel,\n\n(een) ander(en), te weten (een) vrouw(en) heeft uitgejouwd en\u002Fof met aanstootgevende taal, gebaren, geluiden of gedragingen heeft lastig gevallen,\n\nimmers heeft hij, verdachte,\n\nnaar die vrouw(en) geroepen ‘Hey, mooie dames. Waar gaan jullie naartoe?’ en\u002Fof ‘Waar komen jullie vandaan? Kom mee naar de South-Side’ en\u002Fof ‘Hey schatje, ga je nu al weg? Blijf nog even met me’ en\u002Fof\n\nin de richting van een of meer vrouwen zijn lippen getuit en\u002Fof kusgebaren gemaakt.\n\nFeit 2\n\nhij op of omstreeks 31 augustus 2018 in de gemeente Rotterdam op of aan de weg, te weten het Schouwburgplein, (een) ander(en), te weten (een) vrouw(en) heeft uitgejouwd\n\nen\u002Fof met aanstootgevende taal, gebaren, geluiden of gedragingen heeft lastig gevallen,\n\nimmers heeft hij, verdachte\n\ntegen een vrouw gezegd ‘Hey mooie dame, je ziet er goed uit’, en\u002Fof\n\nin de richting van een of meer vrouw(en) zijn lippen getuit en\u002Fof kus- en handgebaren gemaakt in de richting van deze ander(en).\n\nBijlage II\n\nBewijsmiddelen\n\nFeit 1\n\nHet proces-verbaal van politie nummer GMI700-201 800003, inhoudende als relaas van de [verbalisant] :\n\nOp 6 juli 2018 was ik op de Coolsingel te Rotterdam. Wij zagen drie vrouwen lopen die uit de richting kwamen van het Binnenwegplein. Ik hoorde dat de man in de richting van de vrouwen geluiden maakte. Ik zag dat links van mij een negroïde man op de stenen trap zat. Ik hoorde dat de man in de richting van de vrouwen riep ‘Hey, mooie dames. Waar gaan jullie naartoe?’ Ik zag dat de man zijn linkerhand bewoog richting zijn mond. Ik zag dat hij zijn lippen tuitte en vervolgens kusgebaren maakte in de richting van deze vrouwen. Ik zag en hoorde dat één van de drie vrouwen tegen de andere twee vrouwen zei: ‘Kom we gaan weg hier’. Ik zag dat de vrouwen terugliepen in de richting van het Binnenwegplein. Op dit moment zag en hoorde ik dat de man op een afstand van vijftien meter de vrouwen najouwde en riep: ‘Waar komen jullie vandaan? Kom mee naar de South-Side’. Ik zag dat de drie vrouwen hier niet op reageerden en doorliepen. Vervolgens zag ik dat er een andere vrouw uit de richting van het Binnenwegplein kwam en in de richting van de ingang van het metrostation Beurs liep. Ik hoorde dat de man in de richting van de vrouw zei: ‘Hey schatje, ga je nu al weg? Blijf nog even met me’. Ik zag dat de vrouw hier niet op reageerde en doorliep richting de ingang van het metrostation Beurs.\n\nFeit 2\n\nHet proces-verbaal van politie nummer GMI700-201 800004, inhoudende als relaas van de [verbalisant] :\n\nOp vrijdag 31 augustus 2018 omstreeks 20:30 op de openbare weg, namelijk het Schouwburgplein te Rotterdam. Ik zag dat voor ons op een afstand van tien meter, een negroïde man rondliep. Ik zag dat de man over het Schouwburgplein liep. Ik zag een vrouw zitten op de stenen zijrand van het plein. Ik zag dat de man in de richting van de vrouw keek. Ik zag dat de man in de richting van de vrouw toeliep en naast haar ging zitten. Ik zag dat de man de vrouw vaak aankeek en ik zag dat de vrouw ongeveer een meter opschoof van de man. Ik zag dat de man de aandacht van de vrouw wilde krijgen door haar aan te spreken. Ik hoorde dat de man de volgende woorden tegen de vrouw riep: ‘Hey mooie dame, je ziet er goed uit.’ Ik zag dat de vrouw hierover vermoedelijk verbaasd was en hoorde haar zeggen: ‘Dankjewel.’ Ik zag dat de vrouw de man hierna negeerde. Ik zag dat de man zijn lippen tuitte en vervolgens kus en handgebaren maakte in de richting van de vrouw. Ik zag dat de man hierna zijn weg vervolgde. Ik zag dat de man hierna drie andere vrouwen aansprak. Ik hoorde niet wat de man op dit moment riep. Ik zag dat de vrouwen hierop niet reageerden. Ik zag dat de man hierna weer zijn lippen tuitte en vervolgens kus- en handgebaren maakte in de richting van de vrouwen. Ik zag dat de man weer kus en handgebaren maakte in de richting van de vrouwen.\n\nVgl. o.m. bedreiging 285 Sr, belediging 266 Sr en smaad 261 Sr.\n\nHR 9 februari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC9229, NJ 1993, 646.\n\nZie in dit verband wel: Kamerstukken II2017\u002F18, 34 904, nr.1-3.\n\nGerards, ‘Commentaar op artikel 10 EVRM’, in: SDU Commentaar EVRM,Den Haag: SDU uitgevers 2017.\n\nKamerstukken II2017\u002F18, 34 904, nr. 3. Voorstel van wet van de leden Asscher en Van Toorenburg tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met het strafbaar stellen van seksuele intimidatie.\n\nEHRM 2 oktober 2012 (ontv.), nr. 57942\u002F10, ECLI:CE:ECHR:2012:1002DEC005794210 (Rujak t. Kroatie), EHRC 2013\u002F21 m.nt. A. Nieuwenhuis.\n\nInternationale databank met alle rechtspraak van het EHRM.\n\nZie noot van Nieuwenhuis bij EHRM 2 oktober 2012, nr. 57942\u002F10, EHRC 2013\u002F21.\n\n Zie o.m. KB 05-06-1986, ECLI:NL:XX:1986:AM9086 (\n\nhttps:\u002F\u002Fuitspraken.rechtspraak.nl\u002Fdetails?id=ECLI:NL:RBROT:2018:10493\n\n), AB 1986, 569 m.nt. B.J. van der Net.\n\nHR 9 februari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC9229, NJ 1993, 646; HR 10 november 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC9136, NJ 1993, 197 m.nt. A.C. ’t Hart en KB 05-06-1986, ECLI:NL:XX:1986:AM9086 (\n\nhttps:\u002F\u002Fuitspraken.rechtspraak.nl\u002Fdetails?id=ECLI:NL:RBROT:2018:10493\n\n), AB 1986, 569 m.nt. B.J. van der Net.\n\nHR 09 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9368, NJ 2001, 203 m. nt. J. de Hullu en HR 14 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE7632, NJ 2003, 261, m.nt. P.A.M. Mevis.\n\nHR 19 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7262 NJ 2005, 566 m.nt. Y. Buruma.\n\n https:\u002F\u002Fstoppikpraat.nl\u002F\n\nApp voor op de smartphone waarop straatintimidatie kan worden gemeld.\n\nTamar Fischer & Natascha Sprado, Seksuele straatintimidatie in Rotterdam februari 2017\n\nm.m.v. Laura Heijnen. Zie https:\u002F\u002Fwww.rotterdam.nl\u002Fwonen-leven\u002Fseksuele-straatintimidatie\u002FOnderzoek-EUR-straatintimidatie.pdf.","rechtspraak_nl","ecli-nl-rbrot-2018-10493",1,{"totalDecisions":21,"byYear":23,"byCourt":26},[24],{"year":25,"count":21},2018,[27],{"courtId":15,"courtName":16,"count":21},[29,32,35],{"id":30,"code":6,"article":31,"title":8,"country":9},"124283","art. 112",{"id":33,"code":6,"article":34,"title":8,"country":9},"123550","art. 120",{"id":36,"code":6,"article":37,"title":8,"country":9},"122712","art. 7"]