[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"legal-provision-wetboek-van-strafrecht-art. 72":3},{"detailData":4,"statistics":22,"related":28},{"id":5,"code":6,"article":7,"title":8,"fullText":8,"country":9,"decisions":10,"decisionsTotal":21},"123452","Wetboek van Strafrecht","art. 72",null,"nl",[11],{"id":12,"ecli":13,"caseNumber":14,"courtId":15,"courtName":16,"decisionDate":17,"fullText":18,"language":9,"source":19,"summary":14,"slug":20},"1249","ECLI:NL:RBDHA:2026:18522","",58,"Den Haag","2026-07-07T00:00:00.000Z","Rechtbank DEN HAAG\n\nStrafrecht\n\nMeervoudige kamer\n\nParketnummer: 09\u002F132083-25\n\nDatum uitspraak: 7 juli 2026\n\nTegenspraak\n\nDe rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\n geboren op [geboortedatum] 1966 te [geboorteplaats] ,\n\nop dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] .\n\n1. Het onderzoek ter terechtzitting\n\nHet onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 29 oktober 2025 en 23 juni 2026.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. H.J. Starrenburg en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. Y. Moszkowicz naar voren is gebracht.\n\n2. De tenlastelegging\n\nDe tekst van de tenlastelegging is als bijlage Iaan dit vonnis gehecht.\n\nAan de verdachte is, kort en zakelijk weergegeven, ten laste gelegd dat hij op of omstreeks:\n\n1. maart 1990 te Bodegraven [slachtoffer] heeft verkracht;\n\n2. 13 mei 2025 te Wijk en Aalburg een wapen en munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie voorhanden heeft gehad;\n\n3. 13 mei 2025 te Wijk en Aalburg een wapen van categorie I onder 7°van de Wet wapens en munitie voorhanden heeft gehad.\n\n3. De verweren van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich – kort gezegd – op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie om twee redenen, beide afzonderlijk en in samenhang bezien niet-ontvankelijk is in de vervolging van feit 1, de verkrachting van [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer). De verdediging heeft daartoe primair aangevoerd dat het onder feit 1 tenlastegelegde zou zijn verjaard en subsidiair aangevoerd dat de verdenking jegens de verdachte en het daarna verzamelde bewijsmateriaal uitsluitend het gevolg is geweest van onrechtmatig bewaard, gedeeld en gebruikt DNA-materiaal van de verdachte. Het subsidiair aangevoerde zou, indien het Openbaar Ministerie al ontvankelijk is, volgens de verdediging moeten leiden tot uitsluiting van al het bewijs dat op het gebruik van dit DNA-materiaal is gebaseerd.\n\nTen aanzien van de verjaring\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging gaat, met het Openbaar Ministerie, uit van 30 maart 1990 als pleegdatum van het feit. Ten tijde van de pleegdatum gold voor verkrachting een verjaringstermijn van vijftien jaar. Het primaire standpunt van de verdediging is dat op 30 maart 1990 (de dag van aangifte) een verjaringstermijn is aangevangen van vijftien jaar en dat als gevolg daarvan het feit is verjaard per 30 maart 2005, dat is voorafgaand aan de wetswijziging van 1 januari 2006 waarmee de verjaringstermijn gewijzigd is naar twintig jaar (Stb. 2005, 595).\n\nBij wet van 7 juli 1994 (Stb. 1994, 529) is artikel 71 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) zo gewijzigd dat de termijn voor verjaring van zedenmisdrijven jegens minderjarigen pas aanvangt op de dag na de dag dat het slachtoffer achttien jaar wordt. Volgens de verdediging heeft deze wetswijziging in dit geval geen werking. Een wetswijziging die het aanvangsmoment van een reeds lopende verjaring verlegt staat volgens haar op gespannen voet met het rechtszekerheids- en eerbiedigingsbeginsel. Een dergelijke wijziging van het aanvangsmoment is volgens de verdediging daarom alleen mogelijk in situaties waarin dit expliciet de bedoeling was van de wetgever. Volgens de verdediging was de bedoeling van de wetgever met de wetswijziging van 7 juli 1994 (Stb. 1994, 529) om minderjarige slachtoffers van zedenmisdrijven te beschermen die vanwege een afhankelijkheids- of gezinsrelatie niet zelfstandig aangifte konden doen vóór zij de leeftijd van achttien jaren hadden bereikt. Van deze situatie is volgens de verdediging geen sprake in de onderhavige zaak, aangezien er reeds in 1990 aangifte is gedaan van de verkrachting. Om die reden zou volgens de verdediging het rechtszekerheids- en eerbiedigingsbeginsel met zich brengen dat het aanvangsmoment van de verjaring niet gewijzigd is en dat het feit daarmee is verjaard.\n\nSubsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de reeds aangevangen verjaringstermijn is gestuit door een daad van vervolging (te weten tegen de broer van de verdachte) in de jaren negentig. Als gevolg van deze stuiting zou (ook) jegens de verdachte een nieuwe verjaringstermijn zijn aangevangen van maximaal tweemaal vijftien jaar en zou het feit ook zijn verjaard.\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat feit 1 niet is verjaard en dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging van dit feit.\n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank neemt als uitgangspunt de wet van 7 juli 1994 (Stb. 1994, 529, inwerkingtreding 1 september 1994) waarbij artikel 71 Sr zodanig is gewijzigd dat de verjaringstermijn voor het onderhavige strafbare feit eerst aanvangt op de dag na die waarop het slachtoffer achttien jaar is geworden. De door de verdediging bepleite “redelijke wetsuitleg”, inhoudende dat deze wet uitsluitend van toepassing is op gevallen waarin vóór het achttiende levensjaar nog geen aangifte was gedaan door of namens het slachtoffer leidt naar het oordeel van de rechtbank tot de onredelijke situatie dat de verjaring afhankelijk wordt gemaakt van het feit of er wel of geen aangifte is gedaan. De wetgever heeft, blijkens de memorie van toelichting op de Wet van 7 juli 1994 (Stb. 1994, 529), geciteerd in bijlage 2 bij het proces-verbaal van de terechtzitting van 29 oktober 2025, blz. 17 n. 3, juist een eenduidige verjaringstermijn met een objectief vast te stellen aanvangsmoment willen hanteren voor alleminderjarige slachtoffers van een zedendelict. Hierom gaat de rechtbank ervan uit dat de op 30 maart 1990 aangevangen verjaring op 1 september 1994 met terugwerkende kracht is aangevangen per 20 juli 1993, de dag na die waarop het slachtoffer achttien jaar is geworden. Het door de verdediging aangevoerde rechtszekerheids- en eerbiedigingsbeginsel gaat in deze situatie niet op, nu er geen sprake is van een reeds voltooide verjaring. Door (tijdige) verlenging van de verjaringstermijn naar twintig jaar bij wet van 16 november 2005 (Stb. 2005, 595, inwerkingtreding 1 januari 2006) is eveneens de wet van 15 november 2012 (Stb. 2012, 572, inwerkingtreding 1 april 2013) van toepassing, zodat het onderhavige strafbare feit thans niet meer verjaart.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank geldt het voorgaande onverkort in de door de verdediging gestelde situatie dat door een daad van vervolging jegens een ander (en wel de broer van de verdachte) sprake zou zijn geweest van stuiting van de verjaring. Dit betoog ziet er immers aan voorbij dat de derdenwerking van stuiting van de verjaring, zoals thans in het eerste lid van artikel 72 Sr vastgelegd, pas bij de eerdergenoemde wet van 16 november 2005 (Stb. 2005, 595; inwerkingtreding 1 januari 2006) is ingevoerd – dezelfde wet waarbij de verjaringstermijn tot 20 jaar is verlengd. Zelfs indien er daarom van moet worden uitgegaan dat de verjaring door de aanhouding van de broer van de verdachte op 1 september 1990 is gestuit en dat die stuiting met terugwerkende kracht per 1 januari 2006 ook jegens verdachte zou werken, dan geldt nog dat de bij diezelfde wet tot 20 jaar verlengde verjaringstermijn een maximale vervolgingstermijn niet van 30 jaar, zoals de verdediging stelt, maar van 40 jaar met zich brengt. Daaruit volgt in elk geval, nog afgezien van de gevolgen van de algehele afschaffing van de verjaring bij wet van 15 november 2012 (Stb. 2012, 572, inwerkingtreding 1 april 2013) dat de vervolgingstermijn op zijn vroegst op 30 maart 2030 zou expireren.\n\nHet recht tot strafvervolging van het Openbaar Ministerie is dus niet vervallen. Het Openbaar Ministerie is derhalve in zoverre ontvankelijk in de vervolging van feit 1, zodat de rechtbank het primaire verweer van de verdediging verwerpt.\n\nTen aanzien van het onrechtmatig bewaren, delen en gebruiken van het DNA-materiaal\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich verder op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging van feit 1, aangezien de verdenking jegens de verdachte uitsluitend is ontstaan als gevolg van het onrechtmatig bewaren en delen van DNA-materiaal van de verdachte door de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk en het onrechtmatig gebruik maken van deze (en hieruit voortvloeiende) informatie door de Nederlandse autoriteiten.\n\nDaartoe voert de verdediging aan dat het DNA-materiaal van de verdachte reeds in 2010 uit de databank van het Verenigd Koninkrijk verwijderd had moeten worden en dat zijn DNA-materiaal niet binnen de Prüm-samenwerking gedeeld had mogen worden. Het DNA-materiaal is echter niet verwijderd en wel gedeeld, zodat er op 8 maart 2022 een DNA-match heeft plaatsgevonden tussen het DNA-materiaal van de verdachte en het sporenmateriaal dat was veiliggesteld in de onderhavige zaak. Volgens de verdediging is daarmee sprake van een schending van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), het recht op eerbiediging van het privéleven van de verdachte. Deze schending is op zichzelf een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), wat zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.\n\nDaarbij komt dat, volgens de verdediging, de Nederlandse autoriteiten de uit het DNA-materiaal afkomstige informatie, niet mochten gebruiken om de vervolging van de verdachte te starten en verder bewijs te verzamelen. Door toch uit te gaan van deze informatie, is er volgens de verdediging sprake van een schending van het recht op een eerlijk proces van de verdachte in de zin van artikel 6 EVRM. Ook hierom is het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van feit 1. Subsidiair zou om dezelfde redenen al het op deze onrechtmatigheid gebaseerde materiaal van het bewijs moeten worden uitgesloten.\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de Nederlandse autoriteiten slechts gebruik gemaakt hebben van rechtmatig verkregen sturingsinformatie, die aanleiding was voor het ontstaan van de verdenking tegen de verdachte. Het verdere opsporingsonderzoek is gebaseerd op het nadien – vrijwillig – afgegeven DNA van de verdachte. Het Openbaar Ministerie is derhalve ontvankelijk in de vervolging van feit 1 en bewijsuitsluiting is niet aan de orde.\n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nBij de beoordeling van het tweede door de verdachte gevoerde ontvankelijkheidsverweer stelt de rechtbank het volgende voorop. Ingevolge artikel 359a, lid 1, Sv kan de rechter, indien blijkt dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld en de rechtsgevolgen hiervan niet uit de wet blijken, bepalen dat de hoogte van de straf zal worden verlaagd, de resultaten van het onderzoek die door het verzuim zijn verkregen niet mogen bijdragen aan het bewijs van de tenlastegelegde feiten of het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de strafvervolging.\n\nDe toepassing van artikel 359a lid 1 Sv is dus onder meer beperkt tot vormverzuimen die zijn begaan bij “het voorbereidend onderzoek” in de zin van art. 132 Sv tegen de verdachte. In zijn overzichtsarrest van 1 december 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1889) heeft de Hoge Raad overwogen dat deze begrenzing niet uitsluit dat een rechtsgevolg moet worden verbonden aan een onrechtmatige handeling jegens de verdachte die buiten het bereik van artikel 359a lid 1 Sv ligt. In dit verband is door de Hoge Raad expliciet benoemd de situatie waarin het onderzoek is verricht onder verantwoordelijkheid van een buitenlandse autoriteit van een andere tot het EVRM toegetreden staat. De Nederlandse strafrechter mag in dat geval onderzoeken of het gebruik van de resultaten van dat onderzoek in overeenstemming is met het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM. Als aan deze toets is voldaan, hoeft de strafrechter ook in het geval van een inbreuk op het door het eerste lid van artikel 8 EVRM gewaarborgde recht geen rechtsgevolgen aan de inbreuk te verbinden (HR 5 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5629). Evenwel behoort het niet tot de taak van de Nederlandse strafrechter om te toetsen of de wijze waarop het onderzoek in het buitenland is uitgevoerd, strookt met de dienaangaande in het desbetreffende buitenland geldende rechtsregels en dus of er in het desbetreffende land al dan niet een toereikende wettelijke grondslag bestond voor de door de buitenlandse autoriteiten verrichte onderzoekshandelingen. De rechtbank let hierbij ook op de overwegingen van de Hoge Raad over het in het kader van het EVRM geldende vertrouwensbeginsel.\n\nUit de stukken van het Joint International Crime Centre (hierna: JICC) volgt dat het DNA-materiaal van de verdachte in 2010 verwijderd had moeten worden uit de databank in het Verenigd Koninkrijk (p. 429 en 430 van het procesdossier). Dat is niet gebeurd. Het bewaarde DNA-materiaal is door de Britse autoriteiten vervolgens gedeeld binnen de Prüm-databank, waarna op 8 maart 2022 een DNA-match plaatsvond tussen het DNA-materiaal van de verdachte en het sporenmateriaal dat was veiliggesteld in de onderhavige zaak. Het JICC heeft mededeling gedaan van het onderzoeksresultaat van de DNA-match aan de Nederlandse autoriteiten, onder vermelding van de personalia van de verdachte.\n\nDe rechtbank stelt vast dat het DNA-materiaal van de verdachte niet door het Verenigd Koninkrijk aan Nederland is verstrekt, en dat in zoverre geen gebruik is gemaakt van onrechtmatig bewaard DNA-materiaal van de verdachte. Het handelen van de Nederlandse autoriteiten is ingegeven op basis van ontvangen sturingsinformatie van de Britse autoriteiten. Het staat de Nederlandse autoriteiten vrij om wel of niet in te gaan op ontvangen informatie van buitenlandse autoriteiten. Anders dan de verdediging heeft bepleit, is in zoverre geen sprake van enig vormverzuim in het voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 359a Sv. Het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie wordt reeds in zoverre verworpen.\n\nNiet in geschil is dat het DNA-materiaal van de verdachte onrechtmatig is bewaard in het Verenigd Koninkrijk en dat in zoverre sprake is van een vormverzuim. Omdat het handelen van de Britse autoriteiten niet valt onder “het voorbereidend onderzoek” als bedoeld in artikel 359a Sv, moet de rechtbank gelet op voormeld toetsingskader beoordelen of het gebruiken van het onderzoeksresultaat van de DNA-match (de sturingsinformatie) in overeenstemming is met het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM. De rechtbank overweegt hierover als volgt.\n\nNa ontvangst van de sturingsinformatie hebben de Nederlandse autoriteiten het opsporingsonderzoek heropend. De politie heeft op 13 mei 2025 telefonisch contact opgenomen met de verdachte, met de mededeling dat zij wilden afspreken in verband met een aanhouding ter zake van verkrachting. Op 14 mei 2025 heeft de verdachte zich vrijwillig bij de politie gemeld. Na het geven van de cautie heeft de verdachte een vrijwel volledige bekentenis afgelegd en vrijwillig DNA-materiaal afgestaan aan de Nederlandse autoriteiten. Dit DNA-materiaal is vervolgens door het Nederlands Forensisch Instituut getest en heeft een DNA-match opgeleverd met het referentiemateriaal in de onderhavige zaak. De verdachte heeft vervolgens onderzoekswensen kunnen indienen en op een openbare terechtzitting verantwoording kunnen afleggen en het aangeleverde bewijs mogen betwisten. Ter terechtzitting heeft de verdachte – nadat hem de cautie was gegeven – gepersisteerd bij zijn bekennende verklaring. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het proces van de verdachte in zijn geheel eerlijk is verlopen en dat er geen sprake is van een schending van artikel 6 EVRM. De rechtbank komt dan ook niet toe aan het toepassen van enig in art. 359a Sv bedoeld rechtsgevolg, zoals door de verdediging is bepleit.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de verweren afzonderlijk dan wel in onderling verband beschouwd geen van alle kunnen leiden tot het oordeel dat een of meerdere onherstelbare inbreuken zijn begaan op het recht van verdachte op een eerlijk proces die tot gevolg moeten hebben dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging, dan wel moeten leiden tot bewijsuitsluiting. De rechtbank verwerpt de verweren van de verdediging.\n\n4. De bewijsbeslissing\n\n4.1.. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van al het tenlastegelegde.\n\n4.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het bestanddeel ‘door geweld en\u002Fof bedreiging met geweld (..) heeft gedwongen’ niet wettig en overtuigend kan worden bewezen en heeft de rechtbank daarom verzocht de verdachte vrij te spreken van feit 1. Subsidiair, indien de rechtbank van oordeel is dat een deel van de fysieke handelingen wel kan worden bewezen, verzoekt de verdediging de verdachte partieel vrij te spreken van het dreigen met neersteken met een mes.\n\nDaarnaast heeft de raadsman zich met betrekking tot het onder 2 en 3 tenlastegelegde op het standpunt gesteld dat dit kan worden bewezen verklaard.\n\n4.3.. Gebruikte bewijsmiddelen\n\nDe rechtbank heeft in bijlage IIopgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.\n\n4.4.. Bewijsoverweging feit 1\n\nDe rechtbank oordeelt als volgt. Voor bewezenverklaring van verkrachting, als bedoeld in het in 1990 geldende artikel 242 Sr, moet komen vast te staan dat het slachtoffer door geweld of door bedreiging met geweld is gedwongen de seksuele handelingen te ondergaan. Onder geweld kan onder meer worden verstaan het aanwenden van fysieke kracht of het onverhoeds met kracht penetreren van de ander. Bedreiging met geweld zou erin kunnen bestaan dat de verdachte door zijn optreden de vrees opwekt dat hij zal overgaan tot geweld tegen het slachtoffer als het slachtoffer niet toegeeft. Het geweld en de bedreiging met geweld moet zwaar genoeg zijn om de weerstand van het slachtoffer te breken.\n\nDe rechtbank acht de verklaringen van het slachtoffer consistent en coherent, en daarmee betrouwbaar. Ten overstaan van een getuige, de politie ter plaatse en tijdens het verhoor bij de politie heeft het slachtoffer gelijkluidend verklaard over wat zich heeft afgespeeld voor en tijdens de seksuele handelingen. Daarbij merkt de rechtbank op dat deze verklaringen binnen een zeer korte tijdsperiode (in de ochtend tot de vroege middag van 30 maart 1990) zijn afgelegd, zodat niet valt in te zien dat het slachtoffer haar verklaringen op andere zou hebben afgestemd of veranderd. De rechtbank gaat dan ook uit van de verklaringen van het slachtoffer.\n\nUit de verklaring van het slachtoffer volgt dat de verdachte het slachtoffer heeft vastgepakt bij de pols, de bovenarm en het hoofd. Ook heeft de verdachte het slachtoffer naar de keuken geduwd en getrokken, zijn hand op haar mond geduwd, haar naar boven en naar de slaapkamer geduwd en op bed gegooid. Vervolgens is de verdachte boven op het slachtoffer gedoken, heeft haar joggingbroek uitgetrokken en haar onderbroek kapotgetrokken. Ook heeft de verdachte meerdere malen op dreigende toon tegen het slachtoffer gezegd dat hij haar zou neersteken met een mes als ze niet mee zou werken met de seksuele handelingen dan wel geluid zou veroorzaken.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van het slachtoffer in voldoende mate steun vinden in ander bewijs in het dossier. De buurvrouw, getuige [getuige] , verklaart net als het slachtoffer dat het gesprek met de verdachte begon over een telefoonnummer. Deze buurvrouw verklaart ook dat zij de deur hard hoorde dichtvallen, en dat de stem van het slachtoffer verheven, paniekerig en angstig klonk. Verder vinden de verklaringen van het slachtoffer steun in het kapotgetrokken slipje, dat door de politie is veiliggesteld en bemonsterd.\n\nDe rechtbank gaat dan ook uit van de verklaringen van het slachtoffer over de toegepaste geweldshandelingen en de geuite bedreigingen. Daaronder valt dus ook het dreigen met een mes. De rechtbank is van oordeel dat het geweld en de bedreigingen van dien aard zijn, dat zij voor het slachtoffer (een veertienjarig meisje dat thuis werd overrompeld) als genoegzame dwang tot het gedogen van het feit kunnen worden beschouwd.\n\nGelet op de hiervoor beschreven handelingen en bedreigingen waarmee de verkrachting heeft plaatsgevonden is de rechtbank van oordeel dat de bestanddelen ‘door geweld en bedreiging met geweld (..) heeft gedwongen’, waaronder ook de bedreigingen met het mes, wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van feit 1.\n\n4.5.. De bewezenverklaring\n\nDe rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:\n\n1\n\nhij op 30 maart 1990 te Bodegraven door geweld en bedreiging met geweld een vrouw, te weten [slachtoffer] , geboren op 19 juli 1975, heeft gedwongen met hem buiten echt vleselijke gemeenschap te hebben, bestaande uit het brengen\u002Fduwen en heen en weer bewegen van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer] , welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte, (meermalen)\n\n- die [slachtoffer] (hard) bij de pols en de bovenarm en het hoofd heeft gepakt, en\n\n- die [slachtoffer] naar de keuken heeft geduwd en getrokken, en\n\n- zijn hand (hard) op de mond van die [slachtoffer] heeft geduwd, en\n\n- die [slachtoffer] de trap op naar boven heeft geduwd en naar de slaapkamer heeft geduwd en op het bed heeft gegooid, en\n\n- bovenop (het lichaam van) die [slachtoffer] is gedoken, en\n\n- de (jogging)broek en de onderbroek van die [slachtoffer] heeft uitgetrokken en die laatstekapotheeftgetrokken, en\n\n- ( op dreigende toon) tegen die [slachtoffer] heeft gezegd “Als je nou nog een keer gilt, steek ik een mes tussen je ribben” en “Ik steek een mes tussen je ribben en dan ben je gelijk weg” en “Ik heb je toch gewaarschuwd! Je weet toch wat ik gezegd heb over dat mes dus eh…” en “Nou hou je je bek dicht want je weet wat ik over het mes heb gezegd” en “Je moet het niet tegen je moeder zeggen of tegen de buurvrouw of tegen de politie want als ik merk dat iemand naar je toekomt en je iemand gewaarschuwd hebt, steek ik een mes door je ribben heen en gebeuren er nare dingen en heel je familie gaat kapot”;\n\n2\n\nhij op 13 mei 2025 te Wijk en Aalburg, gemeente Altena,\n\n- een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen (pistool), van het merk FN, type Baby, kaliber 6.35mm, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool, en\n\n- munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 19 stuks kogelpatronen (volmantel pistoolpatroon) van het kaliber .25 auto (6.35mm) voorhanden heeft gehad;\n\n3\n\nhij op 13 mei 2025 te Wijk en Aalburg, gemeente Altena, een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een veerdrukgeweer, merk Double Eagle, model M38, kaliber 6mm, voorhanden heeft gehad.\n\nVoor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.\n\n5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.\n\n6. De strafbaarheid van de verdachte\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich ten aanzien van feit 3 op het standpunt gesteld dat de verdachte een beroep toekomt op afwezigheid van alle schuld in de vorm van verontschuldigbare rechtsdwaling, hetgeen tot ontslag van alle rechtsvervolging dient te leiden. Er zou, aldus de verdediging, geen enkele aanwijzing zijn dat de verdachte wist of behoorde te weten dat het enkele voorhanden hebben van dit object strafbaar was.\n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte voor alle feiten strafbaar is.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nVolgens vaste rechtspraak slaagt een beroep op verontschuldigbare rechtsdwaling\n\nslechts als aannemelijk is dat de verdachte heeft gehandeld in een\n\nverontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van\n\nde hem verweten gedraging. Hiervan is in de regel slechts sprake indien de verdachte heeft vertrouwd op een, naar later blijkt, onjuist advies, onjuiste informatie van de overheid of wanneer hij in het geheel geen advies over de mogelijke strafbaarheid van de gedraging hoefde in te winnen. Door de verdachte zijn wisselende verklaringen afgelegd over de wijze waarop hij het wapen in bezit heeft verkregen. Door deze wisselende verklaringen kan niet vastgesteld worden in welke veronderstelling de verdachte verkeerde bij het verkrijgen van het wapen. Naar oordeel van de rechtbank is daarom niet aannemelijk geworden dat de verdachte heeft gehandeld in een verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van het bezit van dit wapen. De verdachte is derhalve voor feit 3 strafbaar.\n\nDe verdachte is eveneens voor de feiten 1 en 2 strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.\n\n7. De strafoplegging\n\n7.1.. De vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.\n\n7.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft – indien de rechtbank tot een bewezenverklaring van feit 1 komt – de rechtbank verzocht een onvoorwaardelijke straf op te leggen gelijk aan het voorarrest en daarnaast een voorwaardelijke straf op te leggen, eventueel met de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Daarnaast heeft de verdediging verzocht om ten aanzien van de feiten 2 en 3 verder geen straf op te leggen.\n\n7.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nNa te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.\n\nErnst van de feiten\n\nDe verdachte heeft zich in 1990 schuldig gemaakt aan verkrachting van een 14-jarig meisje in haar eigen woning. De verdachte heeft hiermee op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het jeugdige slachtoffer. Uit de indrukwekkende slachtofferverklaring die zij op zitting heeft afgelegd blijkt dat de verkrachting – na 36 jaar – nog dagelijks impact heeft op haar leven. Zij heeft zich na de verkrachting niet meer veilig gevoeld in haar eigen woning en durft niet alleen thuis te zijn als er vreemde mensen langskomen. Een feit als het onderhavige is – kort gezegd – de nachtmerrie van iedere vrouw. Dit soort feiten zorgen dan ook voor gevoelens van angst en onveiligheid bij het slachtoffer en in onze samenleving als geheel. De verdachte heeft ervoor gekozen om ruim 35 jaar zijn mond te houden over hetgeen hij in maart 1990 had gedaan. Daarmee heeft hij het leed van het slachtoffer in niet onaanzienlijke mate vergroot en haar jaren in niet aflatende onzekerheid gelaten. Dat verdachte na zijn aanhouding onmiddellijk heeft bekend en herhaaldelijk, ook op zitting, spijt heeft betuigd, kan daar slechts in beperkte mate aan afdoen. Daarnaast zijn bij de doorzoeking van de woning van de verdachte in 2025 een pistool, kogelpatronen en een veerdrukgeweer aangetroffen. Het ongecontroleerde bezit van wapens en munitie levert in het algemeen het risico van het feitelijk gebruik van die wapens op, met alle gevolgen van dien. De rechtbank rekent dit alles de verdachte aan.\n\nStrafblad\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 20 april 2026. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat hij in 1990 is veroordeeld voor feitelijke aanranding van de eerbaarheid.\n\nPersoon van de verdachte\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 30 september 2025, waaruit volgt dat sprake is van een laag recidiverisico. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte hem op te leggen een deels voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden: meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, een contactverbod met het slachtoffer en dagbesteding.\n\nDe op te leggen straf\n\nDe rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting (hierna: LOVS-oriëntatiepunten) als vertrekpunt genomen. Daarin is als uitgangspunt voor verkrachting met een beperkte mate van dwang vermeld een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden en in het geval van verkrachting met geweld of met een daarmee vergelijkbare mate van dwang een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden. In dit geval neemt de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden als vertrekpunt, aangezien de verdachte geweld heeft gebruikt en het slachtoffer minderjarig was. De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmaat ook rekening gehouden met de stand van de jurisprudentie in 1990. In 1990 werden er lagere straffen voor verkrachting opgelegd dan in 2026. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met het LOVS-oriëntatiepunt voor het voorhanden hebben van een vuurwapen (pistool) in een woning waarop als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden staat vermeld.\n\nGelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. De rechtbank ziet vanwege het door de reclassering vastgestelde lage recidiverisico geen aanleiding voor oplegging van een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden. Alles afwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 30 maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.\n\nTenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.\n\nVoorlopige hechtenis\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de voorlopige hechtenis van de verdachte moet worden opgeheven, aangezien artikel 67a lid 3 van het Wetboek van Strafvordering van toepassing is. De rechtbank wijst dit verzoek af, gelet op de op te leggen straf.\n\n8. De vordering van de beledigde partij\n\n [slachtoffer] heeft zich als beledigde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 25.000, -, – na vermindering van haar vordering ter terechtzitting - niet te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade. De advocaat van de beledigde partij heeft namens de beledigde partij verzocht de vordering toe te wijzen tot een bedrag van € 680,67, zijnde de tegenwaarde van ƒ 1500,-, en de beledigde partij voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering, zodat de rest van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.\n\n8.1.. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de beledigde partij tot een bedrag van € 680,67 en tot niet-ontvankelijk verklaring van de beledigde partij voor het overige.\n\n8.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering van de beledigde partij moet worden afgewezen, gelet op de bepleite niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie en het vrijspraak-verweer. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de beledigde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard.\n\n8.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nImmateriële schade\n\nOp grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de beledigde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het onder 1 bewezenverklaarde feit. De beledigde partij is namelijk door de verdachte verkracht. Daardoor is de beledigde partij in haar persoon aangetast en heeft zij recht op vergoeding van immateriële schade als bedoeld in artikel 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW) door de verdachte. Het onder 1 bewezenverklaarde feit heeft plaatsgevonden op 30 maart 1990 en daarom moet de vordering worden beoordeeld conform het toen geldende recht. Gelet op artikel 332 (oud) van het Wetboek van Strafvordering en artikel 56 (oud) van de Wet op de rechterlijke organisatie volgt dat de beledigde partij in een strafprocedure een bedrag kan vorderen van ten hoogste ƒ 1.500, -. Dit is omgerekend een bedrag van € 680,67. Nu de gevorderde schade dit bedrag te boven gaat, kan de beledigde partij, blijkens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, niet in haar vordering worden ontvangen voor het meerdere.\n\nGelet op wat namens de beledigde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade in ieder geval vaststellen op een bedrag van\n\n€ 680,67 en de beledigde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. De beledigde partij kan dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.\n\nProceskosten\n\nNu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de beledigde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de beledigde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.\n\n9. De in beslag genomen voorwerpen\n\n9.1.. De vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage IIIaan dit vonnis is gehecht) onder 1 (wapen (handvuurwapen met lege patroonhouder, kaliber 35 of 25, DHRAA23059_855644 \u002F 2024061280-G3325321, zwart)), 2 (19 stuks munitie (kogelpatronen, doosje met 19 patronen, kaliber 25 auto, DHRAA223059_855645 \u002F 2024061280-G3325331)) en 3 (wapen (airsoft wapen, met patroonhouder, DHRAA23059_855643 \u002F 2024061280-G3325333, zwart, merk: Double Eagle M83)) genoemde voorwerpen zullen worden onttrokken aan het verkeer.\n\n9.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de in beslag genomen voorwerpen.\n\n9.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank zal de op de beslaglijst onder 1 (wapen (handvuurwapen met lege patroonhouder, kaliber 35 of 25, DHRAA23059_855644 \u002F 2024061280-G3325321, zwart)), 2 (19 stuks munitie (kogelpatronen, doosje met 19 patronen, kaliber 25 auto, DHRAA223059_855645 \u002F 2024061280-G3325331)) en 3 (wapen (airsoft wapen, met patroonhouder, DHRAA23059_855643 \u002F 2024061280-G3325333, zwart, merk: Double Eagle M83)) genoemde voorwerpen onttrekken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien de feiten 2 en 3 met betrekking tot deze voorwerpen zijn begaan terwijl deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.\n\n10. De toepasselijke wetsartikelen\n\nDe op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:\n\n36b, 36c, 57, 63 en 242 van het Wetboek van Strafrecht;\n\n13, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.\n\n11. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 4.5 bewezen is verklaard;\n\nverklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nverklaart het bewezenverklaarde strafbaar en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:\n\nten aanzien van feit 1:\n\nverkrachting;\n\nten aanzien van feit 2:\n\nhandelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III\n\nen\n\nhandelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;\n\nten aanzien van feit 3:\n\nhandelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;\n\nverklaart de verdachte daarvoor strafbaar;\n\nveroordeelt de verdachte tot:\n\neen gevangenisstrafvoor de duur van30 (DERTIG) MAANDEN;\n\nbepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;\n\nde vordering van de beledigde partij;\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de beledigde partij deels toe tot een bedrag van € 680,67 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag te betalen aan [slachtoffer] ;\n\nbepaalt dat de beledigde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in haar vordering tot schadevergoeding en dat de beledigde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;\n\nveroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de beledigde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;\n\nde in beslag genomen goederen;\n\nverklaart onttrokken aan het verkeer de op de beslaglijst onder 1, 2 en 3 genoemde voorwerpen, te weten:\n\n1. wapen (handvuurwapen met lege patroonhouder, kaliber 35 of 25, DHRAA23059_855644 \u002F 2024061280-G3325321, zwart);\n\n2. 19 stuks munitie (kogelpatronen, doosje met 19 patronen, kaliber 25 auto, DHRAA223059_855645 \u002F 2024061280-G3325331);\n\n3. wapen (airsoft wapen, met patroonhouder, DHRAA23059_855643 \u002F 2024061280-G3325333, zwart, merk: Double Eagle M83).\n\nDit vonnis is gewezen door\n\nmr. E. Rabbie, voorzitter,\n\nmr. J.J. Balfoort, rechter,\n\nmr. J.G. Bruinsma, rechter,\n\nin tegenwoordigheid van mr. S.A.E. Tesson, griffier,\n\nen uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 juli 2026.","rechtspraak_nl","ecli-nl-rbdha-2026-18522",1,{"totalDecisions":21,"byYear":23,"byCourt":26},[24],{"year":25,"count":21},2026,[27],{"courtId":15,"courtName":16,"count":21},[29,31,34,37,40,43,46,49,52,55,58,61,64,67,70,73,76,79,82,85,88,91,94,97,100,103],{"id":30,"code":6,"article":14,"title":8,"country":9},"121792",{"id":32,"code":6,"article":33,"title":8,"country":9},"122317","art. 140",{"id":35,"code":6,"article":36,"title":8,"country":9},"121800","art. 141",{"id":38,"code":6,"article":39,"title":8,"country":9},"123383","art. 225",{"id":41,"code":6,"article":42,"title":8,"country":9},"123457","art. 242",{"id":44,"code":6,"article":45,"title":8,"country":9},"123345","art. 247",{"id":47,"code":6,"article":48,"title":8,"country":9},"123346","art. 249",{"id":50,"code":6,"article":51,"title":8,"country":9},"124321","art. 28",{"id":53,"code":6,"article":54,"title":8,"country":9},"124245","art. 282",{"id":56,"code":6,"article":57,"title":8,"country":9},"122316","art. 288",{"id":59,"code":6,"article":60,"title":8,"country":9},"122751","art. 300",{"id":62,"code":6,"article":63,"title":8,"country":9},"122752","art. 300 lid 4",{"id":65,"code":6,"article":66,"title":8,"country":9},"122750","art. 302",{"id":68,"code":6,"article":69,"title":8,"country":9},"123887","art. 307",{"id":71,"code":6,"article":72,"title":8,"country":9},"123319","art. 31",{"id":74,"code":6,"article":75,"title":8,"country":9},"122501","art. 337",{"id":77,"code":6,"article":78,"title":8,"country":9},"123526","art. 38 lid 6",{"id":80,"code":6,"article":81,"title":8,"country":9},"122730","art. 39",{"id":83,"code":6,"article":84,"title":8,"country":9},"123951","art. 41",{"id":86,"code":6,"article":87,"title":8,"country":9},"124062","art. 46",{"id":89,"code":6,"article":90,"title":8,"country":9},"122553","art. 6",{"id":92,"code":6,"article":93,"title":8,"country":9},"122358","art. 63",{"id":95,"code":6,"article":96,"title":8,"country":9},"123451","art. 71",{"id":98,"code":6,"article":99,"title":8,"country":9},"122315","art. 82",{"id":101,"code":6,"article":102,"title":8,"country":9},"122554","art. 83",{"id":104,"code":6,"article":105,"title":8,"country":9},"123355","art. 96 lid 2"]