[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-lelystad":3},{"court":4,"decisions":10},{"id":5,"name":6,"country":7,"level":8,"jurisdiction":9},71,"Lelystad","nl","first_instance","civil",[11,24,33,40,47,55,64,71,78,86,94,102,111,119],{"id":12,"ecli":13,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":15,"fullText":16,"language":7,"source":17,"sourceUrl":18,"summary":14,"slug":19,"metadata":20},"467","ECLI:NL:RBMNE:2026:4048","","2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nStrafrecht\n\nZittingsplaats Lelystad\n\nParketnummers: 16\u002F164779-25; 09\u002F203218-25 (t.t.z. gevoegd);\n\nTegenspraak\n\nVonnis van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de strafzaak van:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [2006] in [geboorteplaats] ,\n\nverblijvende op het adres [adres] in [woonplaats] ,\n\n(hierna: de verdachte).1. Zitting\n\nDe strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 24 juni 2026.\n\nOp de zitting waren aanwezig:\n\nde verdachte;\n\nde officier van justitie: mr. N. Schipper;\n\nde advocaat van de verdachte: mr. S.J. Jansen (hierna: de advocaat);\n\nde advocaat van de benadeelde partij [benadeelde] : mr. A.J.W.F. Segeren, waarnemend voor mr. J.L. L’Homme;\n\nde gemachtigde van de benadeelde partij Univé Dichtbij Brandverzekering N.V..2. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:\n\n16\u002F164779-25\n\nfeit 1\n\nop 16 januari 2025 te Almere in vereniging, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht bij een bedrijfspand, gelegen aan de [adres] , door met een steen een ruit van dat pand in te gooien en een explosief aan te steken, waardoor gemeen gevaar voor goederen te duchten was;\n\nfeit 2\n\nop 16 januari 2025 te Almere in vereniging een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een IED (Improviced Explosieve Device) voorhanden heeft gehad;\n\nfeit 3\n\nop 8 juli 2025 te Amsterdam een wapen van categorie II, onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten een schietpen van kaliber 6.35Btr, een onderdeel van een pistool van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een patroonhouder van het merk FN, kaliber 40 S&W en munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten, 50 scherpe patronen 44REM MAG (S&B), 2 scherpe patronen 9x19mm (Norma) en 1 scherp patroon 6.35Br (Geco), voorhanden heeft gehad;\n\nfeit 4\n\nop 8 juli 2025 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van ongeveer 332,6 gram MDMA en een hoeveelheid van ongeveer 2.000 zegels bevattende LSD;\n\nfeit 5\n\nop 8 juli 2025 te Amsterdam opzettelijk zonder registratie een hoeveelheid van ongeveer 465,4 gram Ketamine in voorraad heeft gehad;\n\n09\u002F203218-25\n\nfeit 1\n\nop 1 februari 2025 te Stolwijk in vereniging [slachtoffer] heeft geprobeerd op te lichten door haar te bewegen een tas met waardevolle spullen aan verdachte af te geven.\n\nDe volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.3. Bewijs\n\n3.1.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd.\n\nDe standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.\n\n3.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van de feiten 3, 4 en 5 onder de zaak met parketnummer 16\u002F164779-25. Ten aanzien van de overige feiten refereert de advocaat zich aan het oordeel van de rechtbank.\n\nDe advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3.\n\n3.3.. Oordeel van de rechtbank\n\n3.3.1.. Bewijsmiddelen\n\n16\u002F164779-25\n\nTen aanzien van feit 1 en 2\n\nDe verdachte bekent dat hij de feiten 1 en 2 heeft gepleegd, zoals deze hieronder bewezen zijn verklaard. Door of namens hem is ook niet om vrijspraak van die feiten gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert. De bewijsmiddelen staan in bijlage II van dit vonnis.\n\nTen aanzien van feit 3, 4 en 5\n\nDe rechtbank oordeelt dat ook feiten 3, 4, en 5 zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.\n\n09\u002F203218-25\n\nDe rechtbank oordeelt dat het ook onder dit parketnummer ten laste gelegde feit is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.\n\nEr zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.\n\n3.3.2.. \n\nBewijsoverwegingen\n\n16\u002F164779-25\n\nInleiding\n\nOp 16 januari 2025 heeft er in Almere bij de sportschool [benadeelde] een ontploffing plaatsgevonden. Naar aanleiding van deze ontploffing heeft de politie een onderzoek ingesteld. Uit dit onderzoek kwam de verdachte naar voren. Op 8 juli 2025 is de verdachte in zijn woning aangehouden door de politie. Op dezelfde dag is zijn woning ook doorzocht. Tijdens deze doorzoeking is in de slaapkamer van de verdachte een Basic Fit rugtas aangetroffen, waarin o.a. (onderdelen van) wapens, munitie, LSD-vellen, MDMA-pillen en ketamine is aangetroffen.\n\nWetenschap aanwezigheid drugs en wapens\n\nDe advocaat heeft aangevoerd dat de verdachte niet de eigenaar was van de rugtas en ook niet heeft geweten wat er in de tas zat. De verdachte zou de rugtas voor een vriend van een vriend in bewaring hebben genomen. Wie dat (precies) is, weet hij niet. Hij zou niet hebben gevraagd wat er in de tas heeft gezeten en hij zou ook niet in de tas hebben gekeken.\n\nVoor “opzettelijk aanwezig hebben” (van harddrugs), voor “opzettelijk voorhanden hebben” (van (onderdelen van) wapens) en voor “opzettelijk in voorraad hebben” (van ketamine) is steeds vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanwezigheid van die spullen. Daarbij geldt dat ook de bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans dat die goederen aanwezig zijn onder deze wetenschap kan worden geschaard. De verdachte heeft verklaard dat hij de tas voor een ander moest bewaren, maar dat hij ook niet wist wie dat was, slechts dat het om een vriend van een vriend ging. Die onbekende derde zou de tas ongeveer twee weken eerder bij de verdachte hebben gebracht en hij zou nog aan de verdachte laten weten wanneer hij de tas weer zou komen ophalen. Onder deze omstandigheden had de verdachte naar het oordeel van de rechtbank een onderzoeksplicht. Hij zegt dat hij geen vragen heeft gesteld over de inhoud van de tas en dat hij niet heeft gevraagd waarom het nodig was dat die tas nou juist op de slaapkamer van de verdachte werd ondergebracht. De tas is vervolgens twee weken bij hem gebleven, tot de politie deze heeft gevonden. De rechtbank is daarom van oordeel dat er ten minste sprake is van een bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans dat in de tas illegale waren zaten. De rechtbank oordeelt dat in dit geval sprake is geweest van het opzettelijk aanwezig (respectievelijk voorhanden hebben en in voorraad hebben) hebben van drugs, wapens en munitie en ketamine.\n\nConclusie\n\nGelet op het voorgaande is de rechtbank met betrekking tot de feiten 1, 2, 3, 4 en 5 onder parketnummer 16\u002F164779-25 van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.\n\n16\u002F164779-25\n\nDe verdachte stelt dat hij op 1 februari 2025 wel iets wilde ophalen, maar dat hij niet wist dat het een oplichting betrof. De verdachte heeft verklaard dat hij via snapchat benaderd is om met een aantal personen ergens wat op te halen en dat hij hiervoor ook een geldbedrag zou krijgen. De verdachte geeft aan dat hij deze personen niet kende en dat hij de persoon die hem benaderd had ook niet kende. De verdachte zou enkel een code moeten doorgeven en een tas op moeten halen.\n\nDe rechtbank oordeelt het op basis van deze omstandigheden niet geloofwaardig dat de verdachte niet zou hebben geweten dat het een oplichting betrof. Het is ongeloofwaardig dat hij een dergelijke cruciale rol bij de oplichting zou vervullen, zonder precies te weten hoe hij zich moest gedragen en wat hij moest zeggen en doen, waaruit volgt dat hij wist dat het om oplichting ging.\n\nConclusie\n\nGelet op het voorgaande is de rechtbank met betrekking tot het feit onder parketnummer 09\u002F203218-25 van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen.\n\n3.4.. \n\nBewezenverklaring\n\nDe rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:\n\nTen aanzien van 16\u002F164779-25\n\nfeit 1\n\nop 16 januari 2025 te Almere, tezamen en in vereniging met anderen,opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht en brand heeft gesticht in een bedrijfspand (sportschool [benadeelde] ), gelegen aan de [adres] , door- met een steen een ruit van het pand in te gooien en- (vervolgens) een explosief tot ontbranding te brengen\n\nten gevolge waarvan dat pand gedeeltelijk is verbrand, en daarvan gemeen gevaar voor- dat pand en de inboedel van dat pand en- ( nabijgelegen bedrijfspanden en inboedel van die nabijgelegen bedrijfspanden,in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was;\n\nfeit 2\n\nop 16 januari 2025 te Almere, tezamen en in vereniging met anderen een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een geïmproviseerde explosieve constructie (improvised explosive device (IED)), zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing,voorhanden heeft gehad;\n\nfeit 3\n\nop 8 juli 2025 te Amsterdam,- een wapen van categorie II, onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten een schietpen van kaliber 6.35Br, zijnde een vuurwapen dat uiterlijk geleek op een ander voorwerp dan een wapen en- een onderdeel van een pistool van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een patroonhouder van het merk FN, kaliber 40 S&W en- munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten• 50 scherpe patronen 44REM MAG (S&B) en• 2 scherpe patronen 9x19mm (Norma) en• 1 scherp patroon 6.35Br (Geco),voorhanden heeft gehad;\n\nfeit 4\n\nop 8 juli 2025 te Amsterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad- ongeveer 880,5 pillen \u002F 332,6 gram, zijnde een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en- ongeveer 4 vellen \u002F 2.000 zegels, zijnde een hoeveelheid van een materiaal bevattende LSD,zijnde MDMA en LSD (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\nfeit 5\n\nop 8 juli 2025 te Amsterdam, opzettelijk zonder registratie een werkzame stof, te weten (ongeveer) 465,4 gram Ketamine in voorraad heeft gehad;\n\nTen aanzien van 09\u002F203218-25\n\nfeit 1\n\nop 1 februari 2025 te Stolwijk, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte of zijn mededaders voorgenomen misdrijf om, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer] , te bewegen tot de afgifte van enig goed, te weten een tas met (waardevolle) spullen, - naar de vaste telefoonlijn van die [slachtoffer] heeft gebeld en zich telefonisch (tegenover [valse naam 1] ) heeft voorgedaan als politiemedewerker en- telefonisch heeft verteld dat er sprake is van een verdachte situatie in de omgeving van de woning van die [slachtoffer] en dat die [slachtoffer] en [valse naam 1] hun waardevolle spullen en sieraden en geld en creditcard en pinpassen in een tas moesten doen en dat politiemedewerker [valse naam 2] , die tas vervolgens zou komen ophalen en- die [slachtoffer] en [valse naam 1] een zogenaamde code heeft gegeven ter verificatie van de persoon die voornoemde goederen op zou komen halen en- (vervolgens) zich naar de woning van die [slachtoffer] heeft begeven en- zich aldaar als politiemedewerker [valse naam 2] , heeft voorgedaan en voornoemde code met die [slachtoffer] heeft geverifieerd en heeft gezegd dat hij voor de tas kwam en- heeft geprobeerd een tas van die [slachtoffer] aan te pakken,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nDe rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.\n\nDe taal- en\u002Fof schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.4. Kwalificatie en strafbaarheid\n\n4.1.. \n\nKwalificatie\n\nDe bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:\n\n16\u002F164779-25\n\nde eendaadse samenloop van:\n\nfeit 1\n\nin vereniging opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en\n\nfeit 2\n\nin vereniging handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;\n\nfeit 3\n\nhandelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;\n\nfeit 4\n\nopzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;\n\nfeit 5\n\novertreding van een voorschrift gesteld bij artikel 38, eerste lid, van de Geneesmiddelenwet, opzettelijk begaan;\n\n09\u002F203218-25\n\nfeit 1\n\npoging oplichting in vereniging.\n\n4.2.. \n\nStrafbaarheid feit en verdachte\n\nDe feiten en de verdachte zijn strafbaar.5. Straf\n\n5.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:\n\n- een gevangenisstraf van 30 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, met als bijzondere voorwaarden kort gezegd:\n\no meewerken aan reclasseringstoezicht;\n\no ambulante begeleiding;\n\no het meewerken aan het vinden en behouden van dagbesteding;\n\no het meewerken aan het aflossen van schulden;\n\no een contactverbod met het slachtoffer en de medeverdachten.\n\n5.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat voert aan dat het jeugdsanctierecht toegepast moet worden. De verdachte was op het moment van het plegen van de feiten nog een jonge verdachte. De verdachte woonde op dat moment nog bij zijn moeder thuis. Hij ging niet meer naar school, maar zijn opleiding had hij nog niet afgerond. Hij was een zoekende jongvolwassene. Zijn jeugdigheid en beïnvloedbaarheid hebben een grote rol gespeeld bij het betrokken raken bij het ten laste gelegde. De advocaat verzoekt om in ieder geval geen langere vrijheidsstraf op te leggen dan de dagen die de verdachte al in voorarrest heeft gezeten. De advocaat verzoekt om daarnaast een voorwaardelijke straf op te leggen onder voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd. De advocaat verzoekt om rekening te houden met het feit dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.\n\n5.3.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nBij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.\n\nErnst en omstandigheden van de feiten\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere ernstige strafbare feiten en neemt daar nauwelijks verantwoordelijkheid voor. De verdachte heeft een ontploffing teweeg gebracht bij een sportschool, waardoor grote schade is ontstaan, maar waarmee de verdachte ook heeft bijgedragen aan gevoelens van angst en onveiligheid. In de eerste plaats bij de sportschoolhouder en zijn naasten, maar ook breder in de maatschappij. De verdachte\n\nzegt dat hij onder druk is gezet om dit feit te plegen. Daar gaat de rechtbank niet in mee. Uit het dossier blijkt niet van enige dreiging. Sterker nog, de verdachte meldt zich bij de opdrachtgever en vraagt hoeveel pap (de rechtbank begrijpt: geld) hij ervoor krijgt. De verdachte heeft – een kleine twee weken later – geprobeerd een vrouw op leeftijd op te lichten door zich met een valse naam en een verificatiecode, die even daarvoor telefonisch door zijn handlangers aan het slachtoffer waren doorgegeven, bij haar te melden. De enige reden dat het bij een poging is gebleven is dat het slachtoffer en haar kleinzoon zo alert waren om direct de politie in te schakelen, zodat de verdachte op heterdaad kon worden aangehouden toen hij de tas van het slachtoffer wilde aannemen. De verdachte zegt dat hij enkel mee zou gaan om iets op te halen, maar dat hij niet wist dat het om een oplichting ging. Ook daar gaat de rechtbank niet in mee. Het is algemeen bekend dat deze werkwijze gebruikt wordt om mensen geld en spullen afhandig te maken. Dat moet ook de verdachte hebben geweten, al was het maar omdat hij in september 2024, slechts enkele maanden eerder, door de politie is aangehouden en verhoord in een soortgelijke oplichtingszaak. Ook ten aanzien van de aangetroffen drugs, wapens en munitie ontloopt de verdachte zijn verantwoordelijkheid. Hij zegt dat hij niet wist wat er in de tas zat en dat hij het gewoon voor iemand bewaarde zonder daarbij zelf verkeerde bedoelingen te hebben gehad. De verdachte noemt dit zelf achteraf dom, maar de rechtbank is van oordeel dat er meer aan de hand is en dat de verdachte zijn eigen rol in al deze feiten kleiner maakt dan deze in werkelijkheid is. De feiten zijn kort achter elkaar gepleegd en de verdachte lijkt zijn les niet geleerd te hebben. De houding van de verdachte baart de rechtbank dan ook zorgen.\n\nEendaadse samenloop\n\nDe rechtbank betrekt in de strafmaat verder dat ten aanzien van de feiten 1 en 2 sprake is van eendaadse samenloop voor wat betreft het voorhanden hebben van het explosief.\n\nPersoonlijke omstandigheden van de verdachte\n\nDe rechtbank heeft ten aanzien van de persoon van verdachte kennis genomen van:\n\n- het strafblad van 3 maart 2026;\n\n- een rapport van Reclassering Nederland van 20 mei 2026;\n\n- een rapport van Reclassering Nederland van 9 september 2025;\n\n- een Pro Justitia-rapport van 19 september 2025.\n\nDe advocaat heeft verzocht om toepassing van het jeugdsanctierecht. De rechtbank is – anders dan de raadsman – van oordeel dat er geen aanwijzingen in het dossier zijn voor toepassing van het jeugdsanctierecht. De ondersteuning van de reclassering lijkt van praktische aard en niet van pedagogische aard. De rechtbank volgt daarom ook het advies van de reclassering en de psycholoog om het volwassenstrafrecht toe te passen.\n\nUit het strafblad van de verdachte blijkt dat de verdachte voor soortgelijke feiten is veroordeeld na de pleegdata van onderhavige zaak. De rechtbank zal daarom toepassing geven aan artikel 63 van het Wetboek van strafrecht.\n\nDe op te leggen straf\n\nGezien de aard en ernst van de strafbare feiten, zoals hiervoor uitvoerig is toelicht, kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een vrijheidsbenemende straf. De rechtbank oordeelt dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van geruime duur passend en geboden is. De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf op van 30 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Het voorwaardelijk strafdeel dient als stok achter de deur om herhaling te voorkomen.\n\nDe rechtbank wijkt af van de strafeis van de officier van justitie, omdat de rechtbank in strafverminderende zin rekening houdt met de jeugdige leeftijd van de verdachte. De rechtbank houdt ook rekening met wat er in vergelijkbare zaken is opgelegd.\n\nTenuitvoerlegging van de straf\n\nDe gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend6. In beslag genomen voorwerpen\n\n6.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd de onder verdachte in beslag genomen telefoon, simkaart, koffer en rugzak verbeurd te verklaren. Verder vordert de officier van justitie de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen drugs, wapens en munitie.\n\n6.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat refereert zich ten aanzien van het beslag aan het oordeel van de rechtbank.\n\n6.3.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nBeslag met betrekking tot 16\u002F164779-25\n\nVerbeurdverklaring\n\nDe rechtbank zal de in beslag genomen voorwerpen, te weten:\n\n- een telefoontoestel;\n\n- een simkaart\n\n- een koffer en\n\n- een rugzak,\n\nverbeurd verklaren.\n\nMet behulp van deze voorwerpen zijn de bewezen verklaarde feiten voorbereid dan wel begaan.\n\nOnttrekking aan het verkeer\n\nDe rechtbank zal de in beslag genomen voorwerpen, te weten:\n\n4 stuks LSD;\n\neen wapen;\n\n50 stuks munitie;\n\npoeder;\n\n880 pillen;\n\n2 stuks munitie;\n\n1 stuk munitie en\n\neen patroonhouder;\n\nonttrekken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. De voorwerpen zijn bij gelegenheid van het onderzoek naar het door verdachte begane feit aangetroffen. Deze voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke misdrijven.7. Vordering benadeelde partij\n\n7.1.. Vordering van de benadeelde partijen\n\nVordering benadeelde partij [benadeelde]\n\n heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 45.453,14 voor feit 1, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 42.953,14 voor vergoeding van materiële schade en € 2.500,- voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld).\n\nDe materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:\n\nwerkzaamheden tot het ontruimen van het pand en reinigen: € 3.938,90;\n\nde aanschaf van nieuwe bokszakken en matten: € 29.887,-;\n\ngederfde winst: € 9.127,24.\n\nVerder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.\n\nDe benadeelde partij vraagt ook een vergoeding van € 500,- voor gemaakte proceskosten.\n\nVordering benadeelde partij Univé Dichtbij brandverzekering N.V.\n\nUnivé Dichtbij brandverzekering N.V. heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 79.807,03 voor feit 1, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit vergoeding van materiële schade.\n\nDe materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:\n\nbedrijfsschade door bedrijfsstilstand: € 25.000,-;\n\nhuurdersbelang: € 10,760,-\n\nroerende zaken: €44.047,03.\n\nVerder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.\n\n7.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie verzoekt op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] volledig toe te wijzen, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel en de wettelijke rente. De officier van justitie verzoekt op deze vordering hoofdelijk toe te wijzen.\n\nDe officier van justitie verzoekt om de benadeelde partij Univé Dichtbij brandverzekering N.V. niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.\n\n7.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat verzoekt om de post ten aanzien van de BTW af te wijzen, nu deze betaald is door de onderneming en er de mogelijkheid bestaat om deze BTW terug te vragen aan de belastingdienst dan wel te verrekenen in de kwartaalaangifte. De advocaat verzoekt om ook de post met betrekking tot de bokszakken en matten primair af te wijzen, omdat niet uit de stukken blijkt dat de schadepost het rechtstreekse gevolg is van het handelen van de verdachte. Subsidiair verzoek de advocaat deze post te matigen en in ieder geval toe te wijzen exclusief BTW. Ten aanzien van de gederfde winst verzoekt de advocaat om deze post niet-ontvankelijk te verklaren, nu niet blijkt hoe deze post zich verhoudt tot de al door de verzekering vergoede gederfde winst. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de advocaat geen opmerkingen.\n\nDe advocaat verzoekt om de benadeelde partij Univé Dichtbij brandverzekering N.V. niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.\n\n7.4.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nVordering benadeelde partij [benadeelde]\n\nDe rechtbank kan de vordering van de benadeelde partij niet beoordelen in deze strafzaak. Het gaat om een complexe vordering, die een uitgebreide (schriftelijke) behandeling vereist. Daarvoor is in de strafprocedure geen plaats, omdat dit leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank overweegt daarbij als volgt. Niet alleen betreft dit een complexe vordering, maar er zijn ook een aantal vragen die onbeantwoord zijn gebleven met betrekking tot de btw en de aanschaf van (zoveel) bokszakken en matten. In de vordering is ook geen onderbouwing ten aanzien van het geestelijke letsel opgenomen en slechts in algemene termen iets opgemerkt over de gevolgen voor het slachtoffer, terwijl de jurisprudentie een meer substantiële onderbouwing vraagt. Ten aanzien van de proceskosten is onduidelijk of de juridische bijstand is verleend in onderhavige zaak of een andere zaak. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering. De benadeelde partij kan de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.\n\nVordering benadeelde partij Univé Dichtbij brandverzekering N.V.\n\nAlleen schade die rechtstreeks is geleden door het bewezen verklaarde feit, komt voor vergoeding in aanmerking. In dit geval is geen sprake van rechtstreekste schade. De rechtbank volgt hierbij het oordeel van de Hoge Raad dat een verzekeraar in beginsel geen rechtstreekse schade lijdt door het misdrijf. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering.8. Toegepaste wetsartikelen\n\nDe opgelegde straf en beslissing op het beslag zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:\n\nArtikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36b, 36c, 36d, 47, 55, 57, 63 en 157 van het Wetboek van Strafrecht;\n\nartikel 26 van de Wet wapens en munitie;\n\nartikelen 2 en 10 van de Opiumwet;\n\nartikel 38 van de Geneesmiddelenwet.9. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nbewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte de feiten onder 16\u002F164779-25 1, 2, 3, 4 en 5 en het feit onder 09\u002F203218-25 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;\n\nverklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nstrafbaarheid feit\n\n- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;\n\nstrafbaarheid verdachte\n\n- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;\n\nstraf\n\n- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 30 (dertig) maanden;\n\n- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 12 (twaalf) maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;\n\n- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jarenvast;\n\n- als voorwaarde geldt dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;\n\n- stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte gedurende de proeftijd:\n\no meldplicht\n\nzich meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met de verdachte opnemen voor de eerste afspraak.\n\no ambulante behandeling\n\nzich laat behandelen door de Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start zodra er plek is. De zorgverlener bepaalt de wijze van de behandeling. De behandeling is gericht op cognitieve en sociale vaardigheden.\n\no dagbesteding\n\nZich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en\u002Fof vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.\n\no aflossing schulden\n\nmeewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering\n\nNatuurlijke Personen. Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.\n\no contactverbod\n\nop geen enkele wijze – direct of indirect – contact op zal nemen, zal zoeken of hebben met de volgende personen:\n\n [A] (geboren [1981] );\n\n [B] (geboren [2003] );\n\n [C] (geboren [2007] )\n\n- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;\n\n- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\nbeslag\n\n- verklaart de volgende voorwerpen verbeurd:\n\n1 STK telefoontoestel (omschrijving: PL0900-2025015788-G3555787, Zwart,\n\nmerk: Apple);\n\n1 STK Simkaart van zaktelefoon (omschrijving: PL0900-2025015788-G3555755,\n\nvodafone);\n\n1 STK koffer (omschrijving: PL0900-2025015788-G3555725);\n\n1 STK rugzak (omschrijving: PL0900-2025015788-G3555732));\n\n- verklaart de volgende voorwerpen onttrokken aan het verkeer:\n\n4 STK LSD (omschrijving: PL0900-2025015788-G3555718);\n\n1 STK wapen (omschrijving: PL0900-2025015788-G3555721);\n\n50 STK munitie (omschrijving: PL0900-2025015788-G3555724, S&B);\n\n1 STK poeder (omschrijving: PL0900-2025015788-G3555729, Wit);\n\n880 STK pillen (omschrijving: PL0900-2025015788-G3555740, Roze);\n\n2 STK munitie (omschrijving: PL0900-2025015788-G3555742);\n\n1 STK munitie (omschrijving: PL0900-2025015788-G3555825, FN);\n\n1 STK patroonhouder (omschrijving: PL0900-2025015788-G3555737);\n\nvordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [benadeelde]\n\n- verklaart [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nvordering tot schadevergoeding van benadeelde partij Univé Dichtbij brandverzekeraar N.V.\n\n- verklaart Univé Dichtbij brandverzekeraar N.V. niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nDit vonnis is gewezen door mr. J.A. Koorevaar, voorzitter, mr. V.A. Groeneveld en mr. A.J. Reitsma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.D. Brenker als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\nMr. V.A. Groeneveld en mr. A.J. Reitsma zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.\n\nBijlage I: De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:\n\nin de zaak met parketnummer 16\u002F164779-25\n\nFeit 1hij op of omstreeks 16 januari 2025 te Almere,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,opzettelijkeen ontploffing teweeg heeft gebracht en\u002Fof brand heeft gesticht bij\u002Fin een bedrijfspand (sportschool [benadeelde] ), gelegen aan de [adres] , door- met een steen een ruit van het pand in te gooien en\u002Fof- (vervolgens) een explosief\u002Fvuurwerkbom, althans brandbaar en\u002Fof explosief voorwerp\u002Fmateriaal aan te steken en\u002Fof tot ontbranding te brengen, in elk geval met open vuur in aanraking te brengen,ten gevolge waarvan dat pand geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand en\u002Fof een ontploffing is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor- dat pand en\u002Fof de inboedel\u002Fhuisraad van dat pand en\u002Fof- (een) nabijgelegen bedrijfspand(en) en\u002Fof inboedel\u002Fhuisraad van die\u002Fdat nabijgelegen bedrijfspand(en),in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was;\n\nFeit 2hij op of omstreeks 16 januari 2025 te Almere,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie,te weten een geïmproviseerde explosieve constructie (improvised explosive device (IED)), zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing,voorhanden heeft gehad;\n\nFeit 3hij op of omstreeks 8 juli 2025 te Amsterdam,- een wapen van categorie II, onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten een schietpen van kaliber 6.35Br, zijnde een vuurwapen dat uiterlijk geleek op een ander voorwerp dan een wapen en\u002Fof- een onderdeel van een pistool van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een patroonhouder van het merk FN, kaliber 40 S&W en\u002Fof- munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten• 50 scherpe patronen 44REM MAG (S&B en\u002Fof• 2 scherpe patronen 9x19mm (Norma) en\u002Fof• 1 scherp patroon 6.35Br (Geco),voorhanden heeft gehad;\n\nFeit 4hij op of omstreeks 8 juli 2025 te Amsterdam,opzettelijkaanwezig heeft gehad- ongeveer 880,5 pillen \u002F 332,6 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en\u002Fof- ongeveer 4 vellen \u002F 2.000 zegels, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende LSD,zijnde MDMA en\u002Fof LSD (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\nFeit 5hij op of omstreeks 8 juli 2025 te Amsterdam,opzettelijk zonder registratie een werkzame stof, te weten (ongeveer) 465,4 gram Ketamine in voorraad heeft gehad;\n\nin de zaak met parketnummer 09\u002F203218-25\n\nFeit 1\n\nhij, op of omstreeks 1 februari 2025 te Stolwijk, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en\u002Fof zijn mededaders voorgenomen misdrijf om, met het oogmerk om zich en\u002Fof een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en\u002Fof van een valse hoedanigheid en\u002Fof door listige kunstgrepen en\u002Fof door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer] , althans een ander, te bewegen tot de afgifte van enig goed, te weten een tas met (waardevolle) spullen, - naar de vaste telefoonlijn van die [slachtoffer] heeft gebeld en\u002Fof zich telefonisch (tegenover [valse naam 1] ) heeft voorgedaan als politiemedewerker en\u002Fof- telefonisch heeft verteld dat er sprake is van een verdachte situatie in de omgeving van de woning van die [slachtoffer] en\u002Fof dat die [slachtoffer] en\u002Fof [valse naam 1] zijn\u002Fhaar\u002Fhun waardevolle spullen en\u002Fof sieraden en\u002Fof geld en\u002Fof creditcard en\u002Fof pinpassen in een tas moest\u002Fmoesten doen en\u002Fof dat politiemedewerker [valse naam 2] ,althans een persoon, die tas vervolgens zou komen ophalen en\u002Fof- die [slachtoffer] en\u002Fof [valse naam 1] een zogenaamde code heeft gegeven ter verificatie van de persoon die voornoemde goederen op zou komen halen en\u002Fof- (vervolgens) zich naar de woning van die [slachtoffer] heeft begeven en\u002Fof- zich aldaar als politiemedewerker [valse naam 2] , althans als een ander, heeftvoorgedaan en\u002Fof voornoemde code met die [slachtoffer] heeft geverifieerd en\u002Fof heeftgezegd dat hij voor de tas kwam en\u002Fof- heeft geprobeerd een tas van die [slachtoffer] aan te pakken,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nBijlage II: Bewijsmiddelen\n\n16\u002F164779-25\n\nFeit 1 en 2\n\nde bekennende verklaring van de verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 24 juni 2026;\n\nhet in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal forensisch onderzoek bedrijf, inclusief bijlagen, van verbalisant [verbalisant 1] van 4 februari 2025, opgemaakt door de politie Eenheid Midden-Nederland;\n\n- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingenvan verbalisant [verbalisant 2] van 13 juni 2025, opgemaakt door de politie Eenheid Midden-Nederland;\n\nFeit 3, 4 en 5\n\nDe verklaring van de verdachte ter terechtzittingvan 24 juni 2026, zakelijk weergegeven:\n\nIk had de basic fit tas in bewaring voor een vriend van een vriend en het lag er ongeveer twee weken.\n\nVerbalisant [verbalisant 2] heeft in een proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagnamevan 8 juli 2025 – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:\n\nTijdens de doorzoeking werd het volgende in beslag genomen:1x basic fit rugtas, gevonden op de slaapkamer van verdachte naast het bed;1x patroon houder, gevonden in de basic fit tas op de slaapkamer van de verdachte2x losse patroon, scherp, gevonden in de basic fit tas op de slaapkamer van de verdachte1x doos met 50 STKs scherpe patronen .44 REMMINGTON, gevonden in de basic fit tas op de slaapkamer van de verdachte1x zwarte koffer, handformaat, gevonden in de basic fit tas op de slaapkamer van de verdachte1x plastic houder voor patronen, gevonden in de basic fit tas op de slaapkamer van de verdachte1x simkaart van Vodafone, aangetroffen in de zwarte koffer op de slaapkamer van de verdachte1x zwarte iPhone, aangetroffen op de slaapkamer van de verdachte, op het bureau\n\nIn de woning, in de slaapkamer van verdachte [verdachte] , werden tevens ook vermoedelijk drugs aangetroffen. Dit betrof:880,5 roze pillen, gevonden in de basic fit tas op de slaapkamer van de verdachte4 vellen, grijs van kleur, met daar in 2000 zegels, vermoedelijk een bepaald soort drug wat op deze vellen wordt gemaakt, gevonden in de basic fit tas op de slaapkamer van de verdachte.\n\nVerbalisant [verbalisant 3] heeft in een proces-verbaal van bevindingenvan 31 juli 2025 – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:\n\nDeze schietpen is een voorwerp bestemd om projectielen of stoffen door een loop af te schieten. De werking van deze schietpen berust op het teweegbrengen van een scheikundige ontploffing. Dit vuurwapen gelijkt qua uiterlijk op een ander voorwerp dan een wapen, namelijk een pen. Derhalve is dit wapen een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 gelet op artikel 2 lid 1 categorie II onder 4 van de Wet wapens en munitie.\n\nBovenvermeld voorwerp is een patroonmagazijn, merk FN, kaliber .40 S&W - .357 SIG, zijnde een wezenlijk en specifiek onderdeel van een wapen als bedoeld in artikel 3 lid 1 van de Wet wapens en munitie. Ingevolge artikel 3 lid 1 van de Wet wapens en munitie worden onderdelen van en hulpSTKken voor wapens beschouwd als complete wapens in die zin dat daarop dezelfde regels van toepassing zijn. Dit voorkomt onder andere dat de wettelijke verboden kunnen worden ontdoken door wapens te demonteren, (toelichting Wet wapens en munitie) . Derhalve is een patroonmagazijn een vuurwapen als bedoeld in artikel 2 lid 1, categorie III onder 1e van de wet wapens en munitie, mede gelet op het gestelde in artikel 1 onder 3e en artikel 3 lid 1 van de Wet wapens en munitie. Gelet op bovenstaande worden onderdelen, een patroonmagazijn, in de Wet wapens en munitie, gelijk gesteld met een vuurwapen. Het voorhanden hebben is strafbaar gesteldin artikel 26 lid 1 en 55 lid 3 onder a van het Wet wapens en munitie. Dit patroonmagazijn behoort tot een vuurwapen, pistool, merk FN, model FNP, beschikbaar in zowel kaliber .40 S&W als .357 SIG.\n\n(a) 50 scherpe kogelpatronen , kaliber .44 magnum (foto's 7 t\u002Fm 10)Bovengenoemde 50 scherpe kogelpatronen kaliber .44 magnum, merk Sellier & Bellot, zijn munitie bestemd of geschikt om een projectiel door middel van een scherpschietend vuurwapen kaliber .44 magnum af te schieten.(b) 2 scherpe kogelpatronen, kaliber 9xl9mm (foto's 11 & 12)Bovengenoemde 2 scherpe kogelpatronen, kaliber 9xl9mm, merk norma, zijn munitie bestemd of geschikt om een projectiel door middel van een scherpschietend vuurwapen kaliber 9xl9mm af te schieten.(c) 1 scherp kogelpatroon , kaliber 6.35mm Br (foto's 13 & 14)Bovengenoemd scherp kogelpatroon, kaliber 6.35Br, merk Geco, is munitie bestemd of geschikt om een projectiel door middel van het onder 1 genoemde vuurwapen en elk ander scherpschietend vuurwapen kaliber 6.35Br af te schieten.Derhalve zijn deze patronen munitie in de zin van artikel 1 aanhef onder 4, gelet op artikel 2 lid 2 categorie III van de Wet wapens en munitie.\n\nVerbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] hebben in een proces-verbaal van bevindingenvan 10 juli 2025 – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:\n\nOnderzoek aan '4x blottervellen met elk 500 zegels' (AARM3363NL)\n\nNettogewicht: 32,6 gram,Uniek voorwerp nummer: AASU7098NL\n\nResultaat: indicatie LSD\n\nOnderzoek aan 'sealbag met roze tabletten \"Punisher\"' (AARM3362NL)\n\nNetto gewicht 332,6 gramUniek voorwerp nummer: AASU7097NLResultaat: identificatie MDMA\n\nOnderzoek aan 'lx plastic zak (gevacuumeerd) met wit kristalachtig poeder (AARM3364NL)Nettogewicht: 2,34 gram,\n\nUniek voorwerp nummer: AASU7099NL\n\nResultaat: indicatie Ketamine\n\nDe kennisgeving van inbeslagneming, datum registratie 8 juli 2025:\n\nInbeslagneming\n\nPlaats : [adres] , [woonplaats]\n\nDatum en tijd : 8 juli 2025\n\nOmstandigheden : Aangetroffen in een rugzak, in de slaapkamer van de verdachte\n\nBeslagene\n\nAchternaam : [verdachte]\n\nVoornamen : [voornamen]\n\nVolgnummer 1\n\nGoednummer : PL0900-2025015788-3555718\n\nCategorie omschrijving : Medicamenten\u002Fhulpmiddelen\n\nObject : Verdovende mid (LSD)\n\nAantal : 4 STKs\n\nInhoud\u002Fsepcificaties : 4 x een vel met daarop 500 kleine lsd zegels, dus 2000\n\nzegeltjes in totaal.\n\nDe kennisgeving van inbeslagneming, datum registratie 8 juli 2025:\n\nInbeslagneming\n\nPlaats : [adres] , [woonplaats]\n\nDatum en tijd : 8 juli 2025\n\nOmstandigheden : Aangetroffen in een rugzak, in de slaapkamer van de verdachte\n\nBeslagene\n\nAchternaam : [verdachte]\n\nVoornamen : [voornamen]\n\nVolgnummer 1\n\nGoednummer : PL0900-2025015788-3555721\n\nCategorie omschrijving : Wapens\u002Fmunitie\u002Fspringstof\n\nObject : Vuurwapen (Loop)\n\nInhoud\u002Fsepcificaties : Losse loop, mogelijk een zelfstandig wapen\n\nDe kennisgeving van inbeslagneming, datum registratie 8 juli 2025:\n\nInbeslagneming\n\nPlaats : [adres] , [woonplaats]\n\nDatum en tijd : 8 juli 2025\n\nOmstandigheden : Aangetroffen in een rugzak, in de slaapkamer van de verdachte\n\nBeslagene\n\nAchternaam : [verdachte]\n\nVoornamen : [voornamen]\n\nVolgnummer 1\n\nGoednummer : PL0900-2025015788-3555724\n\nCategorie omschrijving : Wapens\u002Fmunitie\u002Fspringstof\n\nObject : Munitie (Kogelpatroon)\n\nAantal : 50 STKs\n\nInhoud\u002Fsepcificaties : 50x .44 patronen in doos.\n\nDe kennisgeving van inbeslagneming, datum registratie 8 juli 2025:\n\nInbeslagneming\n\nPlaats : [adres] , [woonplaats]\n\nDatum en tijd : 8 juli 2025\n\nOmstandigheden : Aangetroffen in een rugzak, in de slaapkamer van de verdachte\n\nBeslagene\n\nAchternaam : [verdachte]\n\nVoornamen : [voornamen]\n\nVolgnummer 1\n\nGoednummer : PL0900-2025015788-3555729\n\nCategorie omschrijving : Medicamenten\u002Fhulpmiddelen\n\nObject : Poeders\n\nInhoud\u002Fsepcificaties : Zak met wit poeder \u002F kristal.\n\nDe kennisgeving van inbeslagneming, datum registratie 8 juli 2025:\n\nInbeslagneming\n\nPlaats : [adres] , [woonplaats]\n\nDatum en tijd : 8 juli 2025\n\nOmstandigheden : Aangetroffen in een rugzak, in de slaapkamer van de verdachte\n\nBeslagene\n\nAchternaam : [verdachte]\n\nVoornamen : [voornamen]\n\nVolgnummer 1\n\nGoednummer : PL0900-2025015788-3555740\n\nCategorie omschrijving : Medicamenten\u002Fhulpmiddelen\n\nObject : Pillen\n\nAantal : 880 STKs\n\nInhoud\u002Fsepcificaties : 880 roze, driehoekige pillen.\n\nDe kennisgeving van inbeslagneming, datum registratie 8 juli 2025:\n\nInbeslagneming\n\nPlaats : [adres] , [woonplaats]\n\nDatum en tijd : 8 juli 2025\n\nOmstandigheden : Aangetroffen in een rugzak, in de slaapkamer van de verdachte\n\nBeslagene\n\nAchternaam : [verdachte]\n\nVoornamen : [voornamen]\n\nVolgnummer 1\n\nGoednummer : PLO0900-2025015788-3555742\n\nCategorie omschrijving : Wapens\u002Fmunitie\u002Fspringstof\n\nObject : Munitie (Kogelpatroon)\n\nAantal : 2 STKs\n\nInhoud\u002Fsepcificaties : 2 x los patroon.\n\nDe kennisgeving van inbeslagneming, datum registratie 8 juli 2025:\n\nInbeslagneming\n\nPlaats : [adres] , [woonplaats]\n\nDatum en tijd : 8 juli 2025\n\nOmstandigheden : Aangetroffen in een rugzak, in de slaapkamer van de verdachte\n\nBeslagene\n\nAchternaam : [verdachte]\n\nVoornamen : [voornamen]\n\nVolgnummer 1\n\nGoednummer : PL0900-2025015788-3555825\n\nCategorie omschrijving : Wapens\u002Fmunitie\u002Fspringstof\n\nObject : Vuurwapen (Patroonhouder)\n\nSealbagnummer : 72308791\n\nUit een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, te weten een rapport van het NFiDENT van 10 juli 2025, volgt onder meer het volgende, zakelijk weergegeven:\n\n Kenmerk: AARM3362NL\n\nOmschrijving FO: tablet, roze, uit 332,6 gram; aantal bemonsteringen in onderzoek: een\n\nConclusie: bevat MDMA\n\nUit een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, te weten een rapport van het NFiDENT van 7 augustus 2025, volgt onder meer het volgende, zakelijk weergegeven:\n\n Kenmerk: AASU7099NL\n\nOmschrijving: monster witte kristallen\n\nConclusie: vrijwel zuivere ketamine HCI\n\nUit een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, te weten een rapport van het NFiDENT van 5 augustus 2025, volgt onder meer het volgende, zakelijk weergegeven:\n\n Kenmerk: AASU7098NL\n\nOmschrijving: monster, een STKje meerkleurig papier, door middel van perforatie te verdelen in 24 eenheden\n\nConclusie: bevat LSD\n\n09\u002F203218-25\n\nUit het proces-verbaal van aangiftevan 1 februari 2025 blijkt dat [slachtoffer] onder meer het volgende, zakelijk weergegeven, heeft verklaard:\n\nIk moest waardevolle spullen en sieraden in een tas doen. Er zou een donkere jongen aan de deur komen om de tas op te halen. Ik moest aan de deur een code geven.\n\nDe man aan de telefoon zei dat er nu iemand aan de deur stond. Ik liep naar de deur en zag een jongen staan. Het was 20.15 uur. De jongen had een getinte huidskleur.\n\nHij zei ik kom voor de tas. Ik verifieerde de code met de jongen en strekte mijn hand met de tas uit.Ik zag dat de jongen de tas wilde pakken. Op dat moment kwam de politieagent uit de woning en heeft de jongen aangehouden.\n\nVerbalisant [verbalisant 6] heeft in een proces-verbaal van bevindingenvan 1 februari 2025 – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:\n\nIk hoorde een jongens- mannenstem aan de telefoon. Ik hoorde dat deze vloeiend ABN sprak. Ik hoorde dat hij zich voorstelde als medewerker van de recherche uit Gouda.\n\n(…)\n\nIk hoorde dat de man aan de telefoon zei dat er inbrekers actief waren en dat de kans groot was dat deze ook aan de [adres] zouden langskomen. Hierom moest melder waardevolle spullen in een tas stoppen en dichtknopen. Dit moest vooral geld en sieraden zijn.\n\n (…)\n\n Ik hoorde vervolgens dat de \"nep rechercheur\" aan de telefoon de lijn zou overgeven\n\naan iemand van het \"internetoplichtingteam\". Hierbij werden de namen [valse naam 2] en [valse naam 3] genoemd als de collega's die straks de sieraden zouden komen afhalen. Hierbij moest melder de volgende code aan de deur verifiëren: [code] .\n\n(…)\n\nIk hoorde dat melder de code op het briefje oplas. Ik hoorde de jongen voor de deur zeggen dat hij voor de tas kwam. Ik zag dat melder de tas pakte en uitstrekte naar de jongen. Ik zag dat de jongen zijn arm uitstak om de tas te pakken.\n\n(…)\n\nDe verdachte bleek later te zijn: [verdachte] geboren [2006] te [geboorteplaats] .\n\nVerbalisant [verbalisant 7] heeft in een proces-verbaal van bevindingenvan 15 februari 2025 – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:\n\nVerdachte [verdachte] verklaarde de gebruiker te zijn van zijn iPhone 16. In de Iphone is de accountnaam van Snapchat van de gebruiker ' [Snapchat accountnaam verdachte] '. Ten tijde van de oplichting van slachtoffer [slachtoffer] had ‘ [Snapchat accountnaam verdachte] ’ contact met ‘ [Snapchat accountnaam 1] ’ en met ‘ [Snapchat accountnaam 2] ’.\n\nOp 1 februari 2025:\n\nOm 19.07 uur was er een inkomende oproep van ' [Snapchat accountnaam 1] '.\n\nDaarna nog een aantal uitgaande oproepen naar ' [Snapchat accountnaam 1] ', tot en met 19.10 uur.\n\nOm 19.12 uur waren er een aantal uitgaande berichten aan ‘ [Snapchat accountnaam 2] ’: \"Kom snel”, “Snle”, “Snel”.\n\nOm 19.13 uur was er daarna een uitgaande oproep naar ‘ [Snapchat accountnaam 2] ’.\n\nOm 19.13 uur stuurde ‘ [Snapchat accountnaam 1] ’ een bericht: “ […] ”, waarop ‘ [Snapchat accountnaam verdachte] ’ reageerde met: “Kom nu”, en reactie van ‘ [Snapchat accountnaam 1] ’: “Oke”\n\nOm 19.15 uur was er een uitgaande oproep naar ' [Snapchat accountnaam 1] ’ van 14 seconden.\n\nOm 20.07 uur kwam een bericht binnen van ' [Snapchat accountnaam 1] ’ met de tekst:\n\n“ [valse naam 2] [code] ”\n\nOm 20.18 uur komt een bericht binnen van ‘ [Snapchat accountnaam 1] ’: “Yo kan je het vinden”\n\nWanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met onderzoeksnaam Beagle, doorgenummerd pagina 1 tot en met 442. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.\n\nPagina 65.\n\nPagina 143.\n\nPagina 187.\n\n Pagina 187.\n\n Pagina 188.\n\n Pagina 305.\n\n Pagina 305.\n\n Pagina 307.\n\n Pagina 193.\n\n Pagina 194.\n\n Pagina 195.\n\n Pagina 196.\n\n Pagina 427.\n\n Pagina 428.\n\n Pagina 428.\n\n Pagina 428.\n\n Pagina 429.\n\n Pagina 429.\n\n Pagina 432.\n\n Pagina 432.\n\n Pagina 437.\n\n Pagina 437.\n\n Pagina 438.\n\n Pagina 438.\n\n Pagina 442.\n\n Pagina 442.\n\n Pagina 197.\n\n Pagina 197.\n\n Pagina 232.\n\n Pagina 233.\n\n Pagina 234.\n\n Pagina 235.\n\nWanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Den Haag met proces-verbaal nummer DH7R025007, doorgenummerd pagina 1 tot en met 131. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.\n\n Pagina 34.\n\n Pagina 34.\n\nPagina 35.\n\n Pagina 40.\n\nPagina 40.\n\nPagina 41.\n\n Pagina 58.\n\nPagina 59.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:4048","ecli-nl-rbmne-2026-4048",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},"Strafrecht","uitspraak","Uitspraak",{"id":25,"ecli":26,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":27,"fullText":28,"language":7,"source":17,"sourceUrl":29,"summary":14,"slug":30,"metadata":31},"1279","ECLI:NL:RBMNE:2026:4005","2026-07-07T00:00:00.000Z","RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Lelystad\n\nZaaknummer: 12186196 \\ LV EXPL 26-15\n\nVonnis in kort geding van 7 juli 2026\n\nin de zaak van\n\nWOONSTICHTING CENTRADA,\n\nte Lelystad,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: Centrada,\n\ngemachtigde: mr. L. Wanders,\n\ntegen\n\n [gedaagde partij],\n\nte [woonplaats] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde partij] ,\n\ngemachtigde: DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V..\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met 30 producties van 1 juni 2026, - de mondelinge behandeling van 23 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, - de pleitnota van Centrada, - de pleitnota van [gedaagde partij] .\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1.. \n [gedaagde partij] huurt een woning van Centrada aan de [adres 1] in [woonplaats] . Centrada vordert ontruiming van het gehuurde, omdat Centrada meent dat [gedaagde partij] er niet zijn hoofdverblijf heeft. Centrada concludeert dit op basis van de huisbezoeken, een onderzoek met tandenstokers bij de voordeur, verklaringen van buren en het lage energieverbruik van [gedaagde partij] . [gedaagde partij] betwist dat hij niet in het gehuurde woont.\n\n2.2.. De kantonrechter vindt dat Centrada onvoldoende spoedeisend belang heeft bij haar vordering tot onverwijlde ontruiming van het gehuurde. Daarbij weegt mee dat een ontruiming grote gevolgen voor [gedaagde partij] heeft. Centrada is daarom niet-ontvankelijk in haar vordering tot ontruiming.\n\n3. De beoordeling\n\nWat is er gebeurd?3.1.. Op 29 oktober 2025 heeft Centrada een anonieme melding ontvangen waarin de melder aangeeft dat [gedaagde partij] het gehuurde als opslag zou gebruiken en dat hij op de [adres 2] zou wonen.\n\n3.2.. Na de melding heeft Centrada een onderzoek ingesteld. Op 5 november 2025 heeft Centrada een bezoek aan het gehuurde gebracht. [gedaagde partij] bleek op dat moment aanwezig bij zijn buurvrouw [A] (hierna: [A] ) op de [adres 2] . Partijen hebben vervolgens gezamenlijk het gehuurde bezocht. Het gehuurde was gevuld met dozen. De koelkast was leeg, de slaapkamers waren niet toegankelijk en de badkamer stond vol met spullen.\n\n3.3.. Centrada heeft bij brief van 6 november 2025 aan [gedaagde partij] kenbaar gemaakt dat zij op basis van de bevindingen van de dag ervoor van oordeel is dat [gedaagde partij] het gehuurde niet als hoofdverblijf maar als opslagruimte gebruikt. [gedaagde partij] is in de gelegenheid gesteld om alsnog aan te tonen dat hij zijn hoofdverblijf in het gehuurde heeft, onder meer door verbruiksgegevens te overleggen. [gedaagde partij] heeft zijn verbruiksgegevens van Vitens en Essent aan Centrada gestuurd.\n\n3.4.. Op 24 november 2025 heeft opnieuw een huisbezoek plaatsgevonden. [gedaagde partij] had het gehuurde opgeruimd en de koelkast was gevuld met etenswaren (hoewel een aanzienlijk deel over de houdbaarheidsdatum was).\n\n3.5.. Op 11 februari 2025 heeft Centrada een brief gestuurd aan [gedaagde partij] met de mededeling dat zij de huurovereenkomst niet langer wenst voort te zetten vanwege woonfraude. Centrada heeft [gedaagde partij] de mogelijkheid geboden de huurovereenkomst vrijwillig op te zeggen. [gedaagde partij] heeft in zijn e-mail van 13 februari 2025 laten weten daar niet toe bereid te zijn.\n\n3.6.. Vervolgens is Centrada op 17 februari 2026 opnieuw bij het gehuurde langsgegaan. [gedaagde partij] werd toen niet aangetroffen. In de periode van 17 februari 2026 tot 1 mei 2026 is Centrada op meerdere momenten bij het gehuurde geweest. Daarbij heeft Centrada meermaals een tandenstoker tussen de voordeur van [gedaagde partij] geplaatst om te bekijken hoeveel dagen die ongewijzigd op zijn plaats bleef.\n\nHet standpunt van Centrada3.7.. Centrada is na een anonieme melding een onderzoek gestart naar de bewoning door [gedaagde partij] . Centrada concludeert dat [gedaagde partij] de woning niet als hoofdverblijf gebruikt. Centrada betoogt dat haar onderzoek met de tandenstoker aantoont dat [gedaagde partij] gedurende langere aaneengesloten periodes de woning niet heeft betreden. Centrada heeft twee omwonenden gesproken waaruit Centrada afleidt dat [A] en [gedaagde partij] samenwonen. Samen met het lage gas- en water verbruik van [gedaagde partij] , leidt dit volgens Centrada tot de conclusie dat [gedaagde partij] niet zijn hoofdverblijf in het gehuurde heeft. Centrada wil dat [gedaagde partij] de woning ontruimt.\n\nHet standpunt van [gedaagde partij]3.8.. betoogt dat hij wel degelijk in het gehuurde woont. Hij is het niet met de bevindingen van Centrada eens. Volgens [gedaagde partij] kan de ‘tandenstokermethode’ bij de voordeur niet tot enige conclusie leiden. [gedaagde partij] zegt dat hij de woning regelmatig via de achterzijde verlaat, omdat zijn scootmobiel daar staat. [gedaagde partij] verklaart dat zijn waterverbruik laag is omdat hij vanwege watervrees geen gebruik maakt van de douche. In plaats daarvan wast [gedaagde partij] zich met de hand. Verder zegt [gedaagde partij] dat hij zuinig leeft. Over het gasgebruik licht [gedaagde partij] toe dat hij voor het opwarmen van water zijn kokend water kraan gebruikt, dat hij elektrisch kookt en dat hij de woning elektrisch verwarmt. [gedaagde partij] bevestigt dat hij regelmatig bij zijn buurvrouw [A] op nummer [adres 2] te vinden is, maar betwist dat hij bij haar woont. [gedaagde partij] en [A] zijn vrienden en verre familieleden. [A] is net als [gedaagde partij] in-\u002Fmindervalide en beide vinden steun aan elkaar. [gedaagde partij] zegt dat beiden in hun eigen woning slapen. [gedaagde partij] legt een verklaring van [A] over en een verklaring van een vriend.\n\nHet juridisch kader3.9.. In een kortgedingprocedure wordt aan de rechter gevraagd om een (spoed)maatregel te nemen. De wet gaat ervan uit dat er na de kortgedingprocedure ook een gewone rechtszaak (bodemprocedure) zal komen. In deze zaak wordt ontruiming gevorderd. Dat is een zeer ingrijpende en meestal onomkeerbare maatregel die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling daarvan moet grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een - diepgaand - onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is.\n\n3.10.. Voor toewijzing van een dergelijke vordering zal dan ook slechts plaats zijn als deze vooruitloopt op een vonnis in een bodemprocedure waarbij met een grote mate van waarschijnlijkheid ook de ontruiming zal worden bevolen, terwijl bovendien sprake moet zijn van een zodanig ernstige tekortkoming en van een zodanig spoedeisend belang dat de beslissing in de bodemzaak niet kan worden afgewacht. Daarbij dient de kantonrechter uit te gaan van de feiten met de beperkte onderzoeksmogelijkheden die het kort geding hem biedt, aangezien formele bewijslevering in deze procedure in beginsel niet plaatsvindt.\n\nCentrada heeft onvoldoende spoedeisend belang3.11.. Allereerst dient dus te worden beoordeeld of sprake is van een spoedeisend belang aan de zijde van Centrada. Dit gaat om het spoedeisend belang als ontvankelijkheidseis. Dit spoedeisend belang moet worden beoordeeld op het moment van dit vonnis, uitgaande van datgene wat op de mondelinge behandeling door partijen naar voren is gebracht.\n\n3.12.. Centrada betoogt dat haar spoedeisend belang erin is gelegen dat de woning op korte termijn beschikbaar komt voor een nieuwe huurder die de woning daadwerkelijk zal bewonen. Het gaat om een sociale huurwoning waarvoor de wachtlijsten inmiddels zijn opgelopen tot meer dan acht jaar. Door het gehuurde niet zelf te bewonen, wordt de woning onttrokken aan de doelgroep waarvoor die bestemd is. Dit staat haaks op de maatschappelijke taak van Centrada om de schaarse sociale woonruimte beschikbaar te stellen aan woningzoekenden die daarop zijn aangewezen. [gedaagde partij] betwist dat Centrada een spoedeisend belang heeft.\n\n3.13.. Blijkens de rechtspraak van de Hoge Raad is het spoedeisend belang niet een op zichzelf staand vereiste waaraan uitsluitend het belang van eiser moet worden getoetst, maar moet aan de hand van een afweging van de belangen van beide partijen worden beoordeeld of eiser een voldoende spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening.\n\n3.14.. Hoewel algemeen bekend is dat er lange wachtlijsten voor sociale huurwoningen zijn, is de kantonrechter van oordeel dat het belang van Centrada bij een onverwijlde ontruiming, mede gelet op het belang van [gedaagde partij] , onvoldoende spoedeisend is. Daarbij weegt mee dat de huurovereenkomst sinds 2011 geduurd heeft en dat niet eerder sprake is geweest van onregelmatigheden. Ook weegt mee dat het onderzoek van Centrada sinds november 2026 loopt en 8 maanden later deze procedure is opgestart. Tegenover het belang van Centrada staat het belang van [gedaagde partij] , die slecht ter been is en een kwetsbare gezondheid heeft. Een ontruiming zou ingrijpende gevolgen voor [gedaagde partij] hebben. De afweging van deze belangen maakt dat de spoedeisendheid niet dusdanig is dat van Centrada niet kan worden gevergd dat zij een bodemprocedure start en het verloop hiervan afwacht.\n\nTen overvloede3.15.. Daarbij komt dat vooralsnog onvoldoende aannemelijk is geworden dat in een bodemprocedure de huurovereenkomst zal worden ontbonden. Hoewel de omstandigheden die Centrada naar voren heeft gebracht de schijn wekken dat [gedaagde partij] niet zijn hoofdverblijf in het gehuurde heeft, heeft [gedaagde partij] sinds het bezoek van 5 november 2025 verschillende maatregelen getroffen om de woning voldoende bewoonbaar te laten zijn. [gedaagde partij] erkent dat hij en zijn buurvrouw [A] onderling steun aan elkaar hebben en dat zij geregeld bij elkaar over de vloer komen, maar door [gedaagde partij] wordt uitdrukkelijk betwist dat sprake is van een gemeenschappelijk hoofdverblijf in de woning van [A] . Als de verhuurder gemotiveerd stelt dat de huurder geen hoofdverblijf heeft in het gehuurde, mag van de huurder worden verlangd dat hij feitelijke gegevens verstrekt ter motivering van zijn betwisting van de stellingen van de verhuurder om deze aanknopingspunten voor eventuele bewijslevering te verschaffen. In dat kader heeft [gedaagde partij] een toelichting gegeven over zijn lage energieverbruik, het gebruik van de achterdeur en heeft hij enkele verklaringen overgelegd. Onder deze omstandigheden is het vooralsnog niet zonder meer aannemelijk dat de bodemrechter tot de ontbinding van de huurovereenkomst zal overgaan. Desalniettemin dient [gedaagde partij] wel met die mogelijkheid rekening te houden.\n\nProceskosten3.16.. Centrada is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde partij] worden begroot op:\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n577,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n21,50\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n598,50\n\n3.17.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n4. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n4.1.. verklaart Centrada niet-ontvankelijk in haar vordering,\n\n4.2.. veroordeelt Centrada in de proceskosten van € 598,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Centrada niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n4.3.. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.\n\nPM\u002F45352\n\n HR 29 november 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE4553.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:4005","ecli-nl-rbmne-2026-4005",{"courtName":6,"legalDomain":32,"decisionType":22,"procedureType":23},"Civiel recht",{"id":34,"ecli":35,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":27,"fullText":36,"language":7,"source":17,"sourceUrl":37,"summary":14,"slug":38,"metadata":39},"681","ECLI:NL:RBMNE:2026:4024","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nStrafrecht\n\nZittingsplaats Lelystad\n\nParketnummer: 16.054442.26\n\nTegenspraak\n\nVonnis van de meervoudige kamer van 7 juli 2026 in de strafzaak van:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [2009] in [geboorteplaats] ,\n\nverblijvende op het adres [adres] in [woonplaats] ,\n\n(hierna: [verdachte] ).1. Zitting\n\nDe strafzaak van [verdachte] is inhoudelijk behandeld op de besloten zitting van 23 juni 2026.\n\nOp de zitting waren aanwezig:\n\n [verdachte] ;\n\nde officier van justitie: mr. F. Koolhof;\n\nde advocaat van [verdachte] : mr. D.G. Nagel (hierna: de advocaat);\n\nde ouders van [verdachte] ;\n\nmevrouw [A] , jeugdreclasseringswerker van Samen Veilig.2. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt [verdachte] ervan dat hij, samengevat:\n\nfeit 1 primair:\n\nop 21 februari 2026 in Zeewolde [slachtoffer 1] heeft afgeperst;\n\ndit is subsidiair tenlastegelegd als een poging tot afpersing.\n\nfeit 2\n\nop 21 februari 2026 in Zeewolde [slachtoffer 2] heeft mishandeld.\n\nDe volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.3. Bewijs\n\n3.1.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat [verdachte] de feiten 1 primair en 2 heeft gepleegd.\n\n3.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat voert geen verweer over het bewijs.\n\n3.3.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\n [verdachte] bekent dat hij de feiten 1 primair en 2, namelijk afpersing en mishandeling, heeft gepleegd, zoals deze hieronder bewezen zijn verklaard. Door of namens hem is ook niet om vrijspraak van die feiten gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:\n\nde bekennende verklaring van [verdachte] ter terechtzitting van 23 juni 2026;\n\nhet proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] van 21 februari 2026 met in de bijlage de letselfoto;\n\n- het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1] van 21 februari 2026.\n\nGelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de feiten 1 primair en 2 wettig en overtuigend bewezen zijn.\n\nEr zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.\n\n3.4.. \n\nBewezenverklaring\n\nDe rechtbank verklaart bewezen dat [verdachte] :\n\nfeit 1 primairop 21 februari 2026 te Zeewolde met het oogmerk om zich te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van geldbedragen, die aan [winkel] toebehoorden, door:- een wapen op die [slachtoffer 1] te richten, en- te zeggen: \"Maak dat ding open\" en daarbij naar de cashbox te wijzen, en- te zeggen: \"Snel, schiet op, doe het geld erin!\" en een tas op de balie te leggen, waarna die [slachtoffer 1] geldbriefjes in de tas heeft gestopt, en- daarna te zeggen: \"hij hoeft niet op slot, maak die kassa open\" en \"alleen de briefjes van 50, 20 en 10\", waarna die [slachtoffer 1] de kassa heeft geopend en geldbriefjes in de tas heeft gestopt, en- met de tas in de richting van de uitgang van de winkel te lopen;\n\nfeit 2op 21 februari 2026 te Zeewolde [slachtoffer 2] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 2] met een wapen, in elk geval met zijn hand, in het gezicht te slaan.\n\nDe rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. [verdachte] wordt daarvan vrijgesproken.4. Kwalificatie en strafbaarheid\n\n4.1.. \n\nKwalificatie\n\nDe bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:\n\nfeit 1 primair: afpersing;\n\nfeit 2: mishandeling.\n\n4.2.. \n\nStrafbaarheid feiten en verdachte\n\nDe feiten en de verdachte zijn strafbaar.5. Straf\n\n5.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie eist dat [verdachte] wordt veroordeeld tot:\n\n- een jeugddetentie van 4 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 93 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, met als bijzondere voorwaarden, kort gezegd:\n\no een ambulante behandeling bij de Waag;\n\no meewerken aan hulpverlening;\n\no een locatiegebod en -verbod, te controleren met elektronische monitoring;\n\no een contactverbod met [slachtoffer 2] ;\n\no meewerken aan een zinvolle dagbesteding;\n\no meewerken aan een positieve vrijetijdsinvulling;\n\no deelnemen aan onderwijs;\n\n- een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 80 uur, te vervangen door 40 dagen jeugddetentie als [verdachte] deze taakstraf niet of niet goed uitvoert.\n\n5.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat voert aan dat rekening gehouden moet worden met de stoornis van [verdachte] en dat het feit in verminderde mate aan hem is toe te rekenen. Zijn school was het enige positieve dat hij had en dat is hij verloren door de voorlopige hechtenis. Ook hier moet rekening mee gehouden worden. [verdachte] heeft al 4 maanden elektronische monitoring, waardoor hij als het ware nog steeds in een soort gevangenis leeft, omdat zijn bewegingsvrijheid is beperkt.\n\nDe advocaat heeft bepleit dat de jeugddetentie beperkt moet worden tot 27 dagen onvoorwaardelijk met aftrek en dat er geen voorwaardelijke jeugddetentie maar een voorwaardelijke werkstraf moet worden opgelegd. De behandeling is nog niet gestart en [verdachte] heeft nog veel te leren. Als een voorwaardelijke jeugddetentie ten uitvoer wordt gelegd, zal zijn schoolgang opnieuw onderbroken worden. Verder heeft de advocaat bepleit om de werkstraf te matigen.\n\nTen aanzien van de elektronische monitoring als bijzondere voorwaarde heeft de advocaat primair bepleit om dit af te wijzen en subsidiair om het te beperken in tijd tot 1 september 2026.\n\n5.3.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank legt aan [verdachte] op een jeugddetentie van 120 dagen, waarvan 93 dagen voorwaardelijk met aftrek en een proeftijd van 2 jaren met algemene en bijzondere voorwaarden. Daarnaast legt de rechtbank een taakstraf in de vorm van een werkstraf op voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen jeugddetentie.\n\nBij het bepalen van deze straffen houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder [verdachte] deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank de persoonlijke omstandigheden van [verdachte] mee.\n\nErnst en omstandigheden van de feiten\n\n [verdachte] heeft zich schuldig gemaakt aan afpersing en mishandeling. Hij is met een wapen naar de [winkel] gegaan omdat hij geld wilde hebben. Voor die tijd heeft hij zich omgekleed en de kleding in de omgeving verstopt om zich na de afpersing\u002Foverval weer om te kleden. De merkjes die zichtbaar waren op de kleding heeft hij afgeplakt met tape zodat hij minder goed herkenbaar zou zijn. [verdachte] is dus geraffineerd te werk gegaan. [verdachte] heeft voordat hij de overval pleegde een plan van aanpak op papier gezet; ook hieruit blijkt dat hij van tevoren heeft nagedacht over wat hij ging doen.\n\nAangekomen bij de [winkel] heeft hij zijn wapen gericht op [slachtoffer 1] en gezegd dat hij geld in de tas moest doen. Toen [verdachte] met de tas met geld weg wilde lopen werd hij tegengehouden door [slachtoffer 2] . Om weg te komen heeft hij [slachtoffer 2] met het wapen in zijn hand in het gezicht geslagen. Hier heeft [slachtoffer 2] littekens in zijn gezicht aan overgehouden.\n\nDe rechtbank neemt het [verdachte] kwalijk dat hij niet heeft nagedacht over de gevolgen die dit voor de slachtoffers heeft gehad, maar alleen aan zichzelf heeft gedacht omdat hij geld wilde hebben.\n\nPersoonlijke omstandigheden van de verdachte\n\nBij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met:\n\n- een uittreksel justitiële documentatie betreffende [verdachte] van 19 mei 2026;\n\n- een jeugdreclasseringsadvies van 16 juni 2026, uitgebracht door SAVE Jeugdreclassering;\n\n- een advies van 17 juni 2026, uitgebracht door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad);\n\n- een psychologisch rapport van 1 mei 2026.\n\nUit het rapport van de psycholoog volgt dat bij [verdachte] sprake is van een autismespectrumstoornis en ouder-kindproblematiek. Hij kon de wederrechtelijkheid van zijn gedrag begrijpen en gedragsalternatieven overwegen. Zijn autismespectrumstoornis heeft het keuzeproces wel beïnvloed, maar niet zodanig dat de gedragsvrijheid wezenlijk is opgeheven. Daarom acht de psycholoog [verdachte] verminderd toerekeningsvatbaar.\n\nDe rechtbank is gelet op de conclusie van de psycholoog van oordeel dat het hiervoor bewezenverklaarde in verminderde mate aan [verdachte] kan worden toegerekend.\n\nUit het rapport van de Raad blijkt dat [verdachte] een goede band heeft met de coaches die betrokken zijn vanuit JAM Harderwijk. Er is nog wel sprake van instabiliteit op meerdere leefgebieden, waaronder beperkte schoolgang, dagbesteding en toekomstperspectief. Daarom is intensieve monitoring en regie noodzakelijk. [verdachte] vindt het lastig om intrinsiek gemotiveerd te blijven. Externe motivatie lijkt helpend te zijn voor hem. Daar kan elektronische monitoring bij helpen.\n\nOm het recidiverisico te beperken hebben de verschillende rapporteurs geadviseerd om een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen met bijzondere voorwaarden, waarbij [verdachte] ambulante behandeling krijgt, er een locatiegebod- en verbod geldt, er een contactverbod is en waarbij hij een positieve dagbesteding en vrijetijdsbesteding moet hebben.\n\nDaarnaast is geadviseerd om een taakstraf, in de vorm van een werkstraf op te leggen. Enerzijds omdat de ernst van de verdenking vraagt om passende consequenties en anderzijds omdat dit voor [verdachte] mogelijk kan bijdragen aan motivatie om een bijbaan te kunnen vinden.\n\nStrafkader\n\nOm in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen, werken strafrechters met landelijke oriëntatiepunten. Deze zijn gebaseerd op opgelegde straffen in andere, vergelijkbare zaken. Het oriëntatiepunt voor minderjarigen voor een overval op een winkel is een onvoorwaardelijke jeugddetentie van minstens 4 maanden. Strafverzwarend in dit geval is het feit dat [verdachte] hierbij heeft gedreigd met een wapen.\n\nHet oriëntatiepunt voor minderjarigen voor mishandeling door een enkele klap is een taakstraf van 20 uur. Strafverzwarend daarbij is dat [verdachte] op dat moment het wapen in zijn hand had en dat er letsel is ontstaan.\n\nDoor de advocaat is verzocht om geen voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, omdat dit mogelijk de toekomst van zijn schoolgang in gevaar kan brengen. De rechtbank is van oordeel dat juist een jeugddetentie een goede stok achter de deur is om niet opnieuw tot een strafbaar feit te komen. [verdachte] weet dat hij iets te verliezen heeft, namelijk zijn school, als hij zich niet aan de voorwaarden houdt. Bovendien heeft [verdachte] ervaren hoe het is om vast te zitten en heeft hij ook ervaren dat hij dat niet nog een keer wil.\n\nVerder is door de advocaat verzocht om de elektronische monitoring niet op te leggen, dan wel voor een beperkte tijd op te leggen. De rechtbank vindt de elektronische monitoring nog wel van belang omdat school en dagbesteding nog moeten starten en voor beide nog niet zeker is dat dit kan worden vormgegeven zoals nu wordt gehoopt. Wel zal de rechtbank een einddatum voor de elektronische monitoring opleggen, te weten tot uiterlijk 1 oktober 2026 of zoveel eerder als de jeugdreclassering noodzakelijk acht. Hierdoor heeft de jeugdreclassering enige tijd om te beoordelen of de schoolgang goed op gang is gekomen.\n\nMediation\n\nGebleken is dat [verdachte] en [slachtoffer 1] met zijn ouders bereid waren zich open te stellen voor bemiddeling. Zij hebben een mediation-traject doorlopen en met elkaar gesproken. [verdachte] heeft aan [slachtoffer 1] uitgelegd hoe hij tot deze daad is gekomen en hoe hij er nu zelf op terugkijkt. [verdachte] en dit slachtoffer waren klasgenoten en kwamen en komen elkaar af en toe tegen in hun woonplaats. Zij hebben afspraken gemaakt over hoe ze dan met elkaar omgaan.\n\nGelet op het bepaalde in artikel 51h, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering houdt de rechtbank rekening met de uitkomst van de geslaagde mediation. De uitkomst van de mediation heeft meegewogen bij de beslissing om aan [verdachte] een lagere taakstraf dan door de officier van justitie was gevorderd op te leggen.\n\nGelet op dit alles legt de rechtbank op aan [verdachte] : een jeugddetentie voor de duur van 120 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 93 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met de bijzondere voorwaarden kort gezegd:\n\n- ambulante behandeling;\n\n- meewerken aan hulpverlening;\n\n- een locatiegebod en -verbod met elektronische monitoring;\n\n- een contactverbod met [slachtoffer 2] ;\n\n- meewerken aan een zinvolle dagbesteding;\n\n- meewerken aan een positieve invulling van vrije tijd;\n\n- meewerken aan onderwijs.\n\nDaarnaast legt de rechtbank aan [verdachte] op een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 60 uren, bij niet voldoen te vervangen door 30 dagen jeugddetentie.\n\nDe rechtbank wijkt af van de eis van de officier van justitie voor wat betreft de hoogte van de werkstraf, vanwege de positieve uitkomst van de mediation en omdat [verdachte] met de op te leggen straf al een vol programma heeft en hij niet overvraagd moet worden. Daarom heeft de rechtbank de werkstraf enigszins gematigd.\n\nDe voorlopige hechtenis\n\nDe rechtbank zal de geschorste voorlopige hechtenis opheffen, zodat de in dit vonnis genoemde bijzondere voorwaarden de schorsingsvoorwaarden zullen vervangen.6. Vordering benadeelde partij\n\n6.1.. \n\nVordering van de benadeelde partij\n\n [slachtoffer 2] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert [verdachte] te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 1.600,- voor feit 2, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade (smartengeld).\n\nVerder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.\n\n6.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gesteld dat de vordering van de benadeelde partij passend is en geheel kan worden toegewezen met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel waarbij het aantal dagen gijzeling op nihil wordt gezet.\n\n6.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat heeft verzocht om niet alleen te kijken naar de ‘Rotterdamse schaal’, maar ook rekening te houden met de smartengeldgids. De advocaat heeft verzocht de schadevergoeding te matigen tot maximaal € 500,- en geen wettelijke rente op te leggen, omdat dit niet te verenigen is met het lik-op-stukbeleid.\n\n6.4.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nVergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door [verdachte] gepleegde strafbare feit. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegekend als schadevergoeding, waarbij de rechtbank ook aansluiting heeft gezocht bij de ‘Rotterdamse schaal’, is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 1.000,- billijk is. De rechtbank wijst dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe. De rechtbank wijst het meer gevorderde af.\n\nDe rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 21 februari 2026 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat [verdachte] de schadevergoeding volledig heeft betaald.\n\nDe rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan [verdachte] op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij [verdachte] hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat [verdachte] een bedrag van € 1.000,- aan de Staat moet betalen.\n\nDit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 februari 2026 (datum ontstaan schade) tot de dag dat [verdachte] het volledige bedrag heeft betaald.\n\nAls een verdachte niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast. Gelet op de jonge leeftijd van [verdachte] in deze zaak vindt de rechtbank het echter niet passend om gijzeling aan de schadevergoedingsmaatregel te verbinden. De rechtbank bepaalt de duur van de gijzeling daarom op nul dagen.7. Toegepaste wetsartikelen\n\nDe opgelegde straffen en maatregel zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:\n\n- 36f, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 300 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.8. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nbewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat [verdachte] de feiten 1 primair en 2 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;\n\nverklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt [verdachte] daarvan vrij;\n\nstrafbaarheid feit\n\n- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;\n\nstrafbaarheid verdachte\n\n- verklaart [verdachte] strafbaar voor het bewezenverklaarde;\n\nstraf\n\n- veroordeelt [verdachte] tot een jeugddetentie van 120 dagen;\n\n- bepaalt dat de tijd, door [verdachte] vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;\n\n- bepaalt dat van de jeugddetentie een gedeelte van 93 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat [verdachte] de hierna te melden algemene en\u002Fof bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;\n\n- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;\n\n- als voorwaarden gelden dat [verdachte] :\n\n* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;\n\n* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;\n\n* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;\n\n- stelt als bijzondere voorwaarden dat [verdachte] gedurende de proeftijd:\n\n* op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 2] (geboren op [1984] ), zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;\n\n* zich niet zal bevinden op binnen een straal van 50 meter van de [winkel] te [woonplaats] , [plaats] , zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;\n\n* aanwezig zal zijn op de navolgende locatie: [adres] , [woonplaats] . Dit locatiegebod geldt om te beginnen voor de tijdsblokken waarop het huisarrest voor [verdachte] van kracht is en geldt zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;\n\n* zich ter controle van het locatiegebod en -verbod onder elektronische monitoring zal stellen van de gecertificeerde instelling Samen Veilig te Almere. De elektronische monitoring duurt tot uiterlijk 1 oktober 2026 of zoveel korter als Samen Veilig te Almere nodig vindt;\n\n* zich onder behandeling zal stellen van de Waag of een soortgelijke instelling, op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling aan te geven, teneinde zich te laten behandelen zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;\n\n* zal meewerken aan hulpverlening als dit door jeugdreclassering passend bevonden wordt;\n\n* zal meewerken aan een zinvolle dagbesteding in de vorm van werk, stage of vrijwilligerswerk voor de duur van tenminste 24 uur per week zolang het onderwijs nog niet gestart is;\n\n* zal meewerken aan een positieve invulling van zijn vrije tijd naast werk, stage of vrijwilligerswerk;\n\n* bij de start van onderwijs zal meewerken aan het positief vormgeven en deelnemen aan onderwijs;\n\n- waarbij aan de gecertificeerde instelling te weten Samen Veilig te Almere opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 77a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en [verdachte] ten behoeve daarvan te begeleiden;\n\n- veroordeelt [verdachte] tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf van 60 uren;\n\n- beveelt dat voor het geval [verdachte] de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 30 dagen jeugddetentie;\n\nvordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 2] (feit 2)\n\nwijst de vordering van [slachtoffer 2] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 1.000,-, bestaande uit immateriële schade;\n\nveroordeelt [verdachte] tot betaling aan [slachtoffer 2] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 februari 2026 tot de dag van volledige betaling;\n\nwijst de vordering van [slachtoffer 2] voor wat betreft het meer gevorderde af;\n\nlegt aan [verdachte] de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat € 1.000,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 februari 2026 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 0 dagen gijzeling;\n\nbepaalt dat [verdachte] van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;\n\nvoorlopige hechtenis\n\n- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. S.C. Hagedoorn, voorzitter, mrs. H. den Haan en J.S. Spijkerman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.T. Feenstra als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.\n\nDe voorzitter, jongste rechter en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\nBijlage I: De tenlastelegging\n\nAan [verdachte] is ten laste gelegd dat:\n\nfeit 1 hij op of omstreeks 21 februari 2026 te Zeewolde met het oogmerk om zich en\u002Fof een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en\u002Fof bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een of meerdere geldbedrag(en), in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan [winkel] en\u002Fof een derde toebehoorde(n), door: - een (vuur)wapen op die [slachtoffer 1] te richten, en\u002Fof - te zeggen: \"Maak dat ding open\" en (daarbij) naar de cashbox te wijzen, en\u002Fof - te zeggen: \"Snel, schiet op, doe het geld erin!\" en\u002Fof een tas op de balie te leggen, waarna die [slachtoffer 1] geldbriefjes in de tas heeft gestopt, en\u002Fof - (daarna) te zeggen: \"hij hoeft niet op slot, maak die kassa open\" en\u002Fof \"alleen de briefjes van 50, 20 en 10\", waarna die [slachtoffer 1] de kassa heeft geopend en\u002Fof geldbriefjes in de tas heeft gestopt, en\u002Fof - met de tas in de richting van de uitgang van de winkel te lopen;\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 21 februari 2026 te Zeewolde ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en\u002Fof bedreiging met geweld [slachtoffer 1] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan [winkel] , in elk geval aan een derde toebehoorde(n) - een (vuur)wapen op die [slachtoffer 1] heeft gericht, en\u002Fof - heeft gezegd: \"Maak dat ding open\" en (daarbij) naar de cashbox heeft gewezen, en\u002Fof - heeft gezegd: \"Snel, schiet op, doe het geld erin!\" en\u002Fof een tas op de balie heeft gelegd, waarna die [slachtoffer 1] geldbriefjes in de tas heeft gestopt, en\u002Fof - (daarna) heeft gezegd: hij hoeft niet op slot, maak die kassa open\" en \"alleen de briefjes van 50, 20 en 10\", waarna die [slachtoffer 1] de kassa heeft geopend en\u002Fof geldbriefjes in de tas heeft gestopt, en\u002Fof - met de tas in de richting van de uitgang van de winkel is gelopen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nfeit 2 hij op of omstreeks 21 februari 2026 te Zeewolde [slachtoffer 2] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 2] met een wapen, in elk geval met zijn hand, in het gezicht te slaan.\n\nWanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer MD2R026032 JARRAH, doorgenummerd pagina 1 tot en met 110. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.\n\n Pagina’s 34, 35 en 38.\n\n Pagina’s 92 en 93.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:4024","ecli-nl-rbmne-2026-4024",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":41,"ecli":42,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":27,"fullText":43,"language":7,"source":17,"sourceUrl":44,"summary":14,"slug":45,"metadata":46},"1273","ECLI:NL:RBMNE:2026:4022","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nStrafrecht\n\nZittingsplaats Lelystad\n\nParketnummer: 16\u002F327745-23 (P)\n\nTegenspraak\n\nVonnis van de meervoudige kamer van 7 juli 2026 in de strafzaak van:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [1984] in [geboorteplaats] ,\n\ndomicilie kiezende te [adres] te [plaats] ,\n\n(hierna: de verdachte).1. Zitting\n\nDe strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zittingen van 17 september 2025 en 23 juni 2026. Het onderzoek is gesloten op 17 september 2025, maar bij tussenvonnis van 24 september 2025 heropend. Het onderzoek is vervolgens opnieuw gesloten op 23 juni 2026.\n\nOp de zitting van 23 juni 2026 waren aanwezig:\n\nde officier van justitie: mr. A. Dam;\n\nde verdachte;\n\nde advocaat van de verdachte: mr. M.J. Schimmel (hierna: de advocaat);\n\nde tolk: de heer D. Hosseini Abdolabadi\n\nde vader van de benadeelde partij [aangeefster] (hierna: [aangeefster] ): de heer [A] ;\n\nde advocaat van [aangeefster] : mr. W.S.W. van der Donk;\n\ntwee deskundigen van het Nederlands Forensisch Instituut.2. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:\n\nop 23 september 2023 te Lelystad ontuchtige handelingen heeft gepleegd met [aangeefster] , die toen jonger was dan zestien jaar.\n\nDe volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.\n\n3. Vrijspraak\n\n3.1.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd, met uitzondering van het likken of kussen van de billen en vagina.\n\nDe standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.\n\nDe officier van justitie eist dat aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest en een proeftijd van 2 jaren wordt opgelegd.\n\n3.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van het feit.\n\n3.3.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank oordeelt dat het feit niet wettig en overtuigend is bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken. De rechtbank legt hierna uit waarom.\n\n3.3.1.. \n\nJuridisch kader\n\nDe rechtbank stelt voorop dat in zedenzaken (zoals deze zaak) bij de beoordeling van het bewijs zich veelal de situatie voordoet dat alleen het veronderstelde slachtoffer en de veronderstelde dader aanwezig zijn geweest bij de ten laste gelegde handelingen. Als de verdachte ontkent, staat het woord van de één (het vermeende slachtoffer) tegenover het woord van de ander (de verdachte). Dat is ook in deze zaak het geval. De verdachte heeft zowel bij de politie als op de zittingen ontkend zich schuldig te hebben gemaakt aan het plegen van de ontuchtige handelingen waarvan hij wordt beschuldigd.\n\nOp grond van artikel 342 lid 2 Wetboek van Strafvordering kan het bewijs dat een verdachte de feiten waarvan hij wordt beschuldigd heeft begaan niet uitsluitend op basis van de verklaring van één getuige worden aangenomen. De vraag of aan dat bewijsminimum is voldaan, kan, volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad, niet in algemene zin worden beantwoord, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. In zedenzaken is niet vereist dat de ontuchtige handelingen zelf steun vinden in ander bewijsmateriaal, maar is het afdoende wanneer de gebezigde verklaring op bepaalde punten bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Deze bewijsmiddelen moeten voldoende steun geven aan de verklaringen van [aangeefster] , in die zin dat het steunbewijs op een relevante manier in verband moet staan met de inhoud van die verklaringen. In ieder geval mag tussen die verklaringen en het andere bewijsmateriaal geen sprake zijn van een te ver verwijderd verband. Naast de verklaring van [aangeefster] is er dus steunbewijs nodig.\n\nDe rechtbank overweegt als volgt over de betrouwbaarheid van de verklaringen van [aangeefster] en de vraag in hoeverre hetgeen zij heeft verklaard steun vindt in andere bewijsmiddelen.\n\n3.3.2.. \n\nBetrouwbaarheid verklaringen [aangeefster]\n\nDe officier van justitie heeft aangevoerd dat de verklaringen van [aangeefster] betrouwbaar zijn. Ze heeft volgens de officier van justitie in de kern consistent verklaard, haar verklaring is authentiek en spontaan tot stand gekomen en er is door haar moeder een gedragsverandering bij [aangeefster] waargenomen na het incident.\n\nDe rechtbank overweegt dat de betrouwbaarheid van de verklaring van [aangeefster] moet worden beoordeeld aan de hand van criteria als consistentie (geen innerlijke tegenstrijdigheden) en authenticiteit (echtheid; oorspronkelijkheid). Voor het criterium authenticiteit acht de rechtbank van belang hoe de verklaringen tot stand zijn gekomen.\n\nStudioverhoor\n\n [aangeefster] is op 26 september 2023 gehoord bij de politie in een kindvriendelijke studio. De omstandigheden waaronder dit verhoor met [aangeefster] – op dat moment een meisje van vier jaar oud – heeft plaatsgevonden maken dat de rechtbank haar verklaring met terughoudendheid leest. Voordat het verhoor bij de politie plaatsvond is er al enige tijd verstreken en heeft [aangeefster] al met tenminste vier volwassenen gesproken over het incident met de verdachte en er is in de tussentijd al veel gebeurd. Daar komt bij dat de rechtbank niet kan controleren hoe dit studioverhoor heeft plaatsgevonden omdat het verhoor niet is opgenomen, terwijl de rechtbank daar wel vragen over heeft. De verbalisant startte het verhoor met de uitnodiging aan [aangeefster] om alles te zeggen ‘over die meneer, de broek en de poenie (vagina).’ Dit terwijl in de aangifte en het informatief gesprek zeden alleen werd gesproken over dat de verdachte aan haar billen zou hebben gezeten. Deze vraag lijkt het gesprek te sturen en de antwoorden van [aangeefster] die daarop volgen zijn onduidelijk. Ook zegt [aangeefster] regelmatig dat zij het niet weet en gebruikt zij woorden waarvan zij de betekenis bij doorvragen niet blijkt te weten, zoals ‘tollie’. Op pagina 48 van het procesdossier zegt [aangeefster] : “(…) Hij heeft mij op mijn mond gekust en dat mag niet van mijn moeder. Ik was in een huis gegaan. En hij zei is het lekker? Ik zei nee. En mama had een mes in haar hand om mij pijn te doen. Om die meneer pijn te doen. Ze is niet boos op mij. Dat is het einde.” Vervolgens staat in het proces-verbaal opgemerkt dat verbalisant ( [verbalisant] ) instructie geeft over ‘verkeerd vertellen.’ Het proces-verbaal beschrijft niet waarom een dergelijke instructie op dat moment is gegeven. Al deze omstandigheden maken dat de rechtbank twijfels heeft over de authenticiteit van de verklaring van [aangeefster] . De rechtbank merkt daarbij op dat in het algemeen met name heel jeugdige getuigen vatbaar zijn voor suggestie.\n\nDe rechtbank oordeelt dat gelet op het voorgaande de verklaring van [aangeefster] die zij bij de politie heeft afgelegd niet kan worden gebruikt als bewijs.\n\nGetuigenverklaringen\n\nMeerdere getuigen hebben een verklaring afgelegd over wat [aangeefster] hun heeft verteld over het incident. De rechtbank overweegt over de bruikbaarheid van die verklaringen als volgt.\n\nUit het procesdossier leidt de rechtbank af dat [aangeefster] nadat zij thuiskwam met haar moeder heeft gesproken. Tegen haar moeder vertelt zij eerst: “mama ik moet zeggen, maar je mag niet boos worden. Ze moest mij iets vertellen over de meneer. (…) de meneer [had] haar broek naar beneden getrokken.”Na deze opmerking is moeder naar de verdachte toe gegaan.\n\nTerwijl moeder weg was, vertelde [aangeefster] haar stiefvader dat de verdachte haar broek naar beneden heeft gedaan, (iets) aan haar billen heeft gewreven, haar heeft opgetild en een kusje heeft gegeven. Weer later vertelt [aangeefster] dat de verdachte iets tussen haar vagina en billen heeft gesmeerd.\n\nTegen haar grootmoeder vertelde [aangeefster] dat de verdachte haar broek naar beneden heeft getrokken en heeft gekeken. Later vertelde ze haar grootmoeder dat de verdachte ook iets over haar billen smeerde en weer later vertelde ze dat de verdachte daarbij vroeg of ze het lekker vond.\n\nDe rechtbank overweegt dat de eerste verklaring van [aangeefster] tegen haar moeder betrouwbaar is. Zij heeft dit spontaan verteld aan haar moeder en er zijn geen aanwijzingen van beïnvloeding van deze opmerking. Dat ligt anders voor alles wat [aangeefster] daarna aan anderen heeft verteld. Daarvan is niet uit te sluiten dat dit is gekleurd door de heftige emoties die op haar eerste opmerking volgden. De eerste opmerking van [aangeefster] bracht dusdanig heftige emoties bij haar moeder teweeg, dat moeder met een mes dreigend in de richting van de verdachte is gegaan. Dat heeft [aangeefster] zien gebeuren. Op dat moment had [aangeefster] nog niets gezegd over andere handelingen waarvan de verdachte wordt beschuldigd.\n\nGelet op het voorgaande gaat de rechtbank uit van de allereerste uiting van [aangeefster] tegen haar moeder. Namelijk dat de buurman haar broek naar beneden heeft getrokken.\n\n3.3.3.. \n\nSteunbewijs\n\nDe officier van justitie heeft aangevoerd dat de verklaringen van [aangeefster] worden ondersteund door het aantreffen van DNA van de verdachte op het lichaam en de onderbroek van [aangeefster] .\n\nDe rechtbank overweegt ten aanzien van de bruikbaarheid van de onderzoeken van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) als steunbewijs als volgt.\n\nOnderzoeken NFI naar DNA-materiaal\n\nDe onderbroek die [aangeefster] aanhad op 23 september 2023 is onderzocht op mogelijke DNA-sporen van de verdachte. In het rapport van 14 november 2023 is gerapporteerd dat er in een aantal bemonsteringen van de onderbroek van [aangeefster] DNA-sporen zijn aangetroffen. In twee bemonsteringen is een DNA-mengprofiel van minimaal drie donoren aangetroffen. De resultaten zijn meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer verdachte één van de donoren is dan wanneer dat niet zo is. In een derde bemonstering is een DNA-mengprofiel van minimaal vier donoren aangetroffen. Deze resultaten zijn ongeveer 700 miljoen keer waarschijnlijker wanneer verdachte één van de donoren is dan wanneer dat niet zo is.\n\nIn de rapporten van 3 oktober 2023 en 12 november 2024 is onderzoek gedaan naar de aard van de sporen – of er wel of geen sprake is van spermasporen. Geconcludeerd is dat er een indicatie is voor mogelijke sporen van spermavloeistof. De deskundige die dit laatste rapport heeft opgesteld heeft op de zitting toegelicht dat uit de onderzoeksresultaten niet kan worden afgeleid hoeveel spermavloeistof er in de onderbroek zat. Ook heeft zij bevestigd dat de resultaten die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen ook kunnen zijn ontstaan door andere lichaamsvloeistoffen dan spermavloeistof.\n\nIn het rapport van 27 oktober 2025 is Y-chromosomaal DNA-onderzoek uitgevoerd op bemonsteringen van het onderlichaam van [aangeefster] . De Y-chromosomale DNA-profielen zijn zeer veel waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van verdachte of van een in de mannelijke lijn aan verdachte verwante man, dan wanneer dat niet zo is.\n\nDe rechtbank overweegt op basis van voorgaande rapporten, met inachtneming van de rest van het dossier, dat er DNA van verdachte op het lichaam en de onderbroek van [aangeefster] is aangetroffen. In beginsel kan het onderzoeksrapport daarom als steunbewijs dienen. Hoe het DNA van de verdachte op die plekken terecht is gekomen blijft onduidelijk. De rechtbank acht relevant dat het onderzoek naar spermavloeistof indicatief is geweest, wat maakt dat niet zeker is of het werkelijk om spermavloeistof gaat. Bovendien is de aard en hoeveelheid van de mogelijke spermavloeistof die is aangetroffen op de onderbroek niet bekend, waardoor op basis daarvan geen conclusie kan worden getrokken over de wijze waarop het DNA van de verdachte op de onderbroek terecht is gekomen.\n\nOnderzoek NFI op activiteitenniveau\n\nIn het rapport van 25 februari 2025 is op basis van de onderzoeksresultaten naar DNA-sporen onderzocht wat de kans is dat verschillende activiteiten de onderzoeksresultaten hebben veroorzaakt. Daarbij is als uitgangspunt genomen dat er DNA van de verdachte op de onderbroek van [aangeefster] is aangetroffen. Niet is meegenomen op welke delen van de onderbroek DNA-sporen zijn aangetroffen en ook niet wat de aard van de sporen is.\n\nDe deskundige heeft op zitting verklaard dat de vondst van DNA-sporen op het lichaam van [aangeefster] , mogelijk van de verdachte afkomstig, geen invloed hebben op zijn conclusies.\n\nDe conclusie van het onderzoek is dat de resultaten van het DNA-onderzoek twee keer waarschijnlijker zijn wanneer het verhaal van waar is, dan wanneer het verhaal van de verdachte waar is. De deskundige die dit rapport heeft opgemaakt heeft op de zitting toegelicht dat door andere handelingen van [aangeefster] zelf, door haar verzorgers, maar ook door het verpakken van de onderbroek het ook mogelijk is dat er DNA en biologisch materiaal is overgedragen van de ene naar de andere locatie. Dat [aangeefster] de onderbroek nog vijf uren na het incident heeft aangehad maakt ook dat er in die tijd contact is geweest tussen de onderbroek en de huid. Hierdoor kunnen DNA-sporen zijn overgedragen van de onderbroek naar de huid en andersom. Het sporenbeeld dat in de rapporten naar voren is gekomen, hoeft niet het sporenbeeld te zijn geweest van na het incident. Bovendien kan de deskundige niet uitsluiten dat door vochtige handen DNA van de verdachte door de pyjama van [aangeefster] en de onderbroek op de huid terecht is gekomen.\n\nDe rechtbank overweegt daarom dat het onderzoek op activiteitenniveau geen uitsluitsel geeft over wat er precies heeft plaatsgevonden tussen [aangeefster] en de verdachte. Op basis van de verklaring van [aangeefster] , de verklaring van de verdachte en de onderzoeksresultaten concludeert de rechtbank dat er contact is geweest. Maar juist over hoe dit contact eruit heeft gezien, lopen de verklaringen [aangeefster] en de verdachte uiteen. Het onderzoeksrapport heeft daarover onvoldoende duidelijkheid kunnen geven. De rechtbank oordeelt daarom dat dit onderzoeksrapport niet kan dienen als steunbewijs.\n\nGedragsverandering\n\nDe officier van justitie heeft als mogelijk steunbewijs ook de gedragsverandering van [aangeefster] na het incident aangedragen.\n\nDe rechtbank oordeelt dat de gedragsverandering die door moeder is waargenomen bij [aangeefster] na het incident niet rechtstreeks is terug te voeren op het handelen van de verdachte. Immers, zoals overwogen, heeft er na de ontmoeting met de verdachte nog meer plaatsgevonden wat mogelijk indruk op [aangeefster] heeft gemaakt. De rechtbank kan niet uitsluiten dat de gedragsverandering (mede) daardoor is ontstaan. De waargenomen gedragsverandering bij [aangeefster] kan daarom niet als steunbewijs dienen.\n\n3.3.4.. \n\nAlternatief scenario\n\nDe verdachte heeft een alternatief scenario naar voren gebracht. Volgens de verdachte heeft hij [aangeefster] opgetild en heeft hij haar een kusje op haar voorhoofd gegeven. Ter terechtzitting heeft de verdachte bij zijn vrouw voorgedaan hoe hij [aangeefster] zou hebben opgetild. Namelijk, met zijn hand onder haar billen. De verdachte heeft verklaard dat hij op het toilet zat toen [aangeefster] voor de deur stond. In de haast om de deur open te doen, heeft de verdachte zijn handen na de toiletgang niet gewassen. Volgens de verdachte kan het zijn dat zijn handen nog vochtig waren van de toiletgang, omdat hij zijn penis aan het schoonmaken was met zijn handen en hij last heeft van overmatig spermavocht en zweet. Verdachte heeft een brief overgelegd van een uroloog waarin als verslag van het urineonderzoek wordt vermeld: veel onbeweeglijke zaadcellen.\n\nDe officier van justitie heeft aangevoerd dat de verdachte wisselende verklaringen heeft afgelegd en om die reden zijn verklaring als ongeloofwaardig moet worden aangemerkt.\n\nDe rechtbank overweegt dat de verklaringen van de verdachte niet dermate wisselend zijn geweest dat deze als ongeloofwaardig moet worden aangemerkt. Tijdens de verhoren is er gebruik gemaakt van een tolk. De tolk die op 17 september 2025 op de zitting aanwezig was, heeft een voorbeeld van een vertaal ’fout’ bevestigd. Er zou door de vertaling verwarring kunnen zijn ontstaan over de vraag of de verdachte heeft gezegd dat hij een kind niet zou kunnen ‘optillen’ of zou kunnen ‘omarmen’, zonder dat het kind zou gaan gillen. De rechtbank acht het daarom mogelijk dat in de vertaalslag die gemaakt is door de tolk, er onderdelen in de verklaring verloren zijn gegaan, waardoor deze wisselend zijn overgekomen. Dat maakt niet dat de verklaringen van de verdachte ongeloofwaardig zijn.\n\nBovendien wordt het alternatieve scenario van de verdachte niet weerlegd door de inhoud van het procesdossier. De door de rechtbank als betrouwbaar aangemerkte verklaring van [aangeefster] dat de verdachte haar broek naar beneden heeft getrokken en de resultaten van de onderzoeken van het NFI kunnen ook passen in het door de verdachte aangedragen scenario. Door haar met een hand onder haar billen op te tillen kan de pyjamabroek die [aangeefster] droeg zijn verschoven. De betreffende pyjamabroek is niet onderzocht. De rechtbank oordeelt dat dit overigens ook geldt voor wat [aangeefster] tegen haar stiefvader heeft gezegd, namelijk dat de verdachte haar broek naar beneden heeft gedaan, (iets) aan haar billen heeft gewreven, haar heeft opgetild en een kusje heeft gegeven. Dit kan passen bij het scenario waarbij de verdachte haar met vochtige handen onder de billen heeft opgetild. De rechtbank heeft daarom niet de overtuiging dat de ontuchtige handelingen waarvan de verdachte wordt beschuldigd, hebben plaatsgevonden.\n\n3.3.5.. \n\nConclusie\n\nDe rechtbank oordeelt op basis van al het voorgaande dat niet wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte ontuchtige handelingen heeft gepleegd met [aangeefster] . De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken en het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.\n\n4. Vordering benadeelde partij\n\n4.3.. \n\nVordering van de benadeelde partij\n\n [aangeefster] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 4.108,60, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 1.108,60 voor vergoeding van materiële schade en € 3.000,- voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld).\n\nDe materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:\n\nreiskosten: € 102,10;\n\nkosten onderbroek: € 6,50;\n\ntoekomstige schade: € 1.000,-.\n\nVerder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.\n\n4.4.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering gedeeltelijk kan worden toegewezen. Namelijk de materiële kosten van de onderbroek (€ 6,50) en de reiskosten voor vervoer naar het politiebureau, het ziekenhuis en het studioverhoor (€ 52,60) en de immateriële schade (€ 3.000,-). Voor het overige dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.\n\n4.5.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat voert aan dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, gelet op de bepleite vrijspraak.\n\n4.6.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank spreekt de verdachte vrij van het aan hem ten laste gelegde feit. Volgens de wet kan de strafrechter dan geen schadevergoeding toekennen aan een benadeelde. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nvrijspraak\n\n- verklaart niet bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nvordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [aangeefster]\n\n- verklaart [aangeefster] niet-ontvankelijk in de vordering;\n\nvoorlopige hechtenis\n\n- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. V.A. Groeneveld, voorzitter, mr. S.C. Hagedoorn en mr. H.J. Bos, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.C. Kasper-Kerkdijk als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.\n\nDe oudste en de jongste rechter zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\nBijlage I: De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd dat:\n\nhij op of omstreeks 23 september 2023 te Lelystad, met [aangeefster] , geboren op [2019] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten\n\n- het betasten en\u002Fof wrijven en\u002Fof insmeren van de billen en\u002Fof de vagina, althans de schaamstreek, van die [aangeefster] en\u002Fof\n\n- het op de mond kussen van die [aangeefster] en\u002Fof\n\n- het likken aan\u002Fover en\u002Fof het kussen van de billen en\u002Fof vagina, althans de schaamstreek, van die [aangeefster] .","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:4022","ecli-nl-rbmne-2026-4022",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":48,"ecli":49,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":50,"fullText":51,"language":7,"source":17,"sourceUrl":52,"summary":14,"slug":53,"metadata":54},"1914","ECLI:NL:RBMNE:2026:3684","2026-06-25T00:00:00.000Z","RECHTBANK Midden-Nederland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Lelystad\n\nZaaknummer: C\u002F16\u002F611924 \u002F KL ZA 26-139\n\nVonnis in kort geding van 25 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [eisende partij sub 1] ,\n\n te [woonplaats] , 2. [eisende partij sub 2],\n\n te [woonplaats] , 3. [eisende partij sub 3],\n\n te [woonplaats] , 4. [eisende partij sub 4],\n\n te [woonplaats] ,\n\neisende partijen,\n\nhierna samen te noemen: [eisende partij c.s.] ,\n\nadvocaat: mr. W.J.R. Okx,\n\ntegen\n\n [gedaagde partij],\n\nte [woonplaats] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde partij] ,\n\nprocederend in persoon.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 3 juni 2026 met producties (1-9), - de nadere producties van [eisende partij c.s.] (10-15),\n\n- een nader bericht van 10 juni 2026 van [eisende partij c.s.] .\n\n1.2.. Op 11 juni 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. [eisende partij c.s.] hebben pleitaantekeningen overgelegd en de griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken. Aan het einde van de zitting is bepaald dat op 25 juni 2026 vonnis zal worden gewezen.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1.. Met uitzondering van [eisende partij sub 1] zijn partijen directe buren van elkaar. [gedaagde partij] woont tussen de woning van [eisende partij sub 2] en de woning van [eisende partij sub 3] en [eisende partij sub 4] in. [eisende partij sub 1] is eigenaar van de woning van [eisende partij sub 2] en verblijft daar ook regelmatig.\n\n2.2.. Volgens [eisende partij c.s.] is de woning van [gedaagde partij] in zo’n slechte staat dat er sprake is van een bouwkundig en brandveilig problematische woning. Ook zou [gedaagde partij] ernstige geluidshinder veroorzaken. Volgens [eisende partij c.s.] hebben zij om die reden recht op en spoedeisend belang bij de gevorderde ordemaatregelen. [gedaagde partij] stelt dat zij al opdracht heeft gegeven om diverse bouwkundige herstelwerkzaamheden aan haar huis uit te laten voeren (o.a. het plaatsen van nieuwe dakkapellen). Voor het overige betwist [gedaagde partij] de door [eisende partij c.s.] gestelde bouwkundige klachten, net als het verwijt dat zij geluidshinder veroorzaakt.\n\n2.3.. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om een deel van de door [eisende partij c.s.] ingestelde vorderingen toe te wijzen.\n\n 3. De beoordeling\n\n [eisende partij c.s.] hebben een spoedeisend belang\n\n3.1.. In een kortgedingprocedure wordt gevraagd om een spoedmaatregel te nemen. De wet gaat ervan uit dat na de kortgedingprocedure een gewone rechtszaak zal komen, dit heet een ‘bodemprocedure’. Een kortgedingprocedure loopt op een bodemprocedure vooruit. De voorzieningenrechter in kort geding probeert in te schatten of een bodemrechter de vordering waarschijnlijk zal toewijzen. Een kortgeding uitspraak is daarom niet meer dan een voorlopige beslissing waarbij een spoedeisend belang is. Daarom moeten belangrijke feiten duidelijk zijn, want tijd voor bewijslevering is er niet. Daarnaast moet een spoedeisend belang bij de gestelde vordering aanwezig zijn.\n\n3.2.. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het spoedeisend belang van [eisende partij c.s.] in de aard van de zaak besloten ligt.\n\nLast onder bestuursdwang\n\n3.3.. Op 5 maart 2026 heeft de gemeente Hilversum [gedaagde partij] een last onder bestuursdwang opgelegd vanwege brand- en bouwonveiligheid van haar woning. [gedaagde partij] is opgedragen de in de last omschreven werkzaamheden uit te (laten) voeren, waarbij [gedaagde partij] , totdat de woning brandveilig en bouwveilig is verklaard, haar woning niet mag bewonen. Deze last is onherroepelijk geworden. Het merendeel van de werkzaamheden moeten vóór 6 juli 2026 zijn uitgevoerd. In de last onder bestuursdwang is ook gemeld dat sprake is van onvoldoende wering van vocht. De dakkapellen zijn volgens de gemeente Hilversum namelijk niet wind- en waterdicht.\n\nWat willen [eisende partij c.s.] dat [gedaagde partij] moet doen?\n\n3.4.. Kort samengevat vorderen [eisende partij c.s.] dat [gedaagde partij] veroordeelt wordt tot:\n\nhet vervangen van de gebrekkige panlatten van haar dak;\n\nhet laten herstellen van haar dakkapellen;\n\nherstel van achterstallig schilderwerk bij het aanzicht van haar woning;\n\nhet verwijderen en verwijderd houden van diverse losliggende materialen afval uit haar voor- en achtertuin;\n\nherstel van een lekkende kraan op de eerste verdieping van haar woning en herstel van de door de lekkende kraan (ook bij [eisende partij sub 2] \u002F [eisende partij sub 1] ) ontstane schade;\n\nhet aanbrengen van adequaat isolatiemateriaal op de binnenmuren van haar woning.\n\nDe vorderingen die zien op de gestelde vochtproblemen\u002Flekkages zijn toewijsbaar\n\n3.5.. \n [eisende partij c.s.] stellen dat zij in hun woning last hebben van grote vochtproblemen die veroorzaakt worden door de slechte bouwkundige staat van de woning van [gedaagde partij] . Volgens [gedaagde partij] is dit niet juist en worden de vochtproblemen veroorzaakt omdat de regenpijp aan de voorzijde van de woning van [eisende partij sub 2] \u002F [eisende partij sub 1] verwijderd is. Dat de vochtproblemen zijn ontstaan door het ontbreken van deze regenpijp is niet aannemelijk. In de door [eisende partij c.s.] overgelegde eerste offerte van 4 juni 2026 van DGB wordt namelijk gemeld dat de waterschade in de woning van [eisende partij sub 2] \u002F [eisende partij sub 1] is ontstaan door de lekkage vanuit het slechte dak van [gedaagde partij] en het optrekkende vocht in de scheidingsmuur vanuit de doorweekte gemetselde plantenbak waar de hemelwaterafvoer in uitkomt van het zadeldak van de woning van [gedaagde partij] .Verder geldt dat in de last onder bestuursdwang staat dat geconstateerd is dat er gaten in de wangen van de huidige dakkapellen van [gedaagde partij] zitten. Dit betekent dat bij regen het water door deze gaten op het dak van de woning van [gedaagde partij] kan komen en zich verder kan verspreiden. Ook uit de door [eisende partij c.s.] overgelegde foto van de boeidelen van de woning van [gedaagde partij] is goed zichtbaar dat er sprake is van vochtschade dat veroorzaakt wordt doordat het water niet goed wegloopt.\n\n3.6.. Op de zitting is wel gebleken dat er niet vanuit kan worden gegaan dat een lekkende kraan op de eerste verdieping in de woning van [gedaagde partij] lekkage(schade) in de woning van [eisende partij sub 2] \u002F [eisende partij sub 1] heeft veroorzaakt. Maar gelet op de inhoud van de last onder bestuursdwang en de offerte van 4 juni 2026 van DGB, kan voorshands wel worden aangenomen dat in de woning van [eisende partij sub 2] \u002F [eisende partij sub 1] waterschade is geconstateerd waarvoor [gedaagde partij] aansprakelijk is. En zonder het treffen van adequate maatregelen zullen de vochtproblemen\u002Flekkages zich blijven voordoen.\n\n3.7.. Op 20 april 2024 heeft [gedaagde partij] bij de gemeente Hilversum een aanvraag voor een vergunning tot het plaatsen van nieuwe dakkapellen ingediend. Volgens [eisende partij c.s.] zal de vergunning niet worden verleend, omdat zij van (een medewerker van) de Gemeente vernomen hebben dat de bij de aanvraag ingediende bouwtekening van de dakkapellen niet zal worden geaccepteerd. [gedaagde partij] heeft hierop gereageerd door slechts te stellen dat de dakkapellen worden vervangen, maar dat dit niet voor juli 2026 zal plaatsvinden. Dit is weinig concreet en bieden [eisende partij c.s.] geen enkele houvast dat de problemen aan de dakkapellen adequaat worden opgelost. Ook met betrekking tot de overige op grond van de last onder bestuursdwang opgelegde maatregelen heeft [gedaagde partij] op geen enkele wijze gemotiveerd gesteld of anderszins inzichtelijk gemaakt dat de woning snel weer brand- en bouwveilig wordt gemaakt.Het treffen van een ordemaatregel is dan ook op zijn plaats.\n\n3.8.. Op grond van alle hiervoor genoemde omstandigheden is er voldoende aanleiding om de vorderingen die zien op de aanpak van de vochtproblemen\u002Flekkages veroorzaakt door de staat van de woning van [gedaagde partij] in na te melden zin toe te wijzen.\n\nDe overige onder 3.4 omschreven vorderingen zijn niet toewijsbaar\n\n3.9.. Ook als ervan uitgegaan wordt, zoals [eisende partij c.s.] stellen, dat er in de voor- en achtertuin van [gedaagde partij] nog materialen aanwezig zijn en dat er sprake is van ernstig achterstallig onderhoud aan het verfwerk van de woning van [gedaagde partij] , leidt dit niet tot toewijzing van het op dit punt gevorderde. Zo is niet gesteld of gebleken dat er sprake is van (ernstige) stankoverlast of ongedierte of dat er brandgevaarlijke spullen in de tuin van [gedaagde partij] liggen. En dat de slechte staat van de verf op de woning van [gedaagde partij] op termijn mogelijk tot nieuwe lekkages kan leiden, zoals door [eisende partij c.s.] wordt gesteld, is voor nu ook geen reden om in kort geding [gedaagde partij] de op deze punten gevraagde ordemaatregelen op te leggen.\n\n3.10.. Voor wat betreft de gestelde geluidsoverlast geldt het volgende. [gedaagde partij] betwist dat zij geluidsoverlast veroorzaakt. Volgens [gedaagde partij] wordt er zelfs geklaagd over geluidsoverlast wanneer zij niet eens in Nederland was, zoals in oktober en november 2025. [eisende partij c.s.] hebben ter onderbouwing van de geluidshinder volstaan met een korte verklaring van [eisende partij c.s.] dat sprake is van geluidsoverlast en het hoofdzakelijk geven van een kale opsomming van hoeveel momenten van overlast er per jaar geconstateerd zijn.De overlast is dan verder onderverdeeld in onder meer geluidsoverlast, lichtoverlast, vernielingen en mishandeling. Op de zitting is meegedeeld dat er een veel gedetailleerder overzicht bestaat waaruit zou blijken wanneer en om wat voor geluidsoverlast het gaat en er zouden ook geluidsopnames zijn. Deze maken echter geen onderdeel uit van dit kort geding. Maar ook als van de juistheid van de gestelde geluidsoverlast wordt uitgegaan, is het nog maar de vraag welk spoedeisend belang [eisende partij c.s.] hebben bij de gevraagde voorziening. In de verklaring van [eisende partij c.s.] wordt gesteld dat de geluidshinder in de nachtelijke uren plaatsvindt en dat het wordt veroorzaakt door het werken met boormachines, hamers en ander gereedschap. Niet aannemelijk is dat het aanbrengen van isolatiemateriaal op de binnenmuren van de woning van [gedaagde partij] de gestelde geluidsoverlast in de nachtelijke uren in voldoende mate kan doen stoppen. Ook dit deel van het gevorderde komt daarom niet voor toewijzing in aanmerking.\n\nDwangsommen en proceskosten.\n\n3.11.. De gevorderde dwangsom zal worden beperkt en gemaximeerd als volgt.\n\n3.12.. \n [gedaagde partij] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisende partij c.s.] worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n153,02\n\n- griffierecht\n\n€\n\n341,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.177,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.860,02\n\n3.13.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n4. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\n4.1.. veroordeelt [gedaagde partij] om de gebrekkige panlatten van het dak van haar woning te laten vervangen,\n\n4.2.. veroordeelt [gedaagde partij] de lekkages in haar dakkapellen te laten herstellen,\n\n4.3.. veroordeelt [gedaagde partij] om de lekkages vanuit de gemetselde plantenbak van haar woning te laten herstellen,\n\n4.4.. veroordeelt [gedaagde partij] om de in de woning van [eisende partij sub 2] \u002F [eisende partij sub 1] ontstane lekkageschade te laten herstellen,\n\n4.5.. veroordeelt [gedaagde partij] om aan [eisende partij c.s.] een dwangsom te betalen van € 250,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de hoofdveroordelingen voldoet,\n\n4.6.. bepaalt dat uit hoofde van dit vonnis niet meer dwangsommen worden verbeurd dan € 25.000,00,\n\n4.7.. veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 1.860,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n4.8.. veroordeelt [gedaagde partij] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n4.9.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,\n\n4.10.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. A. Blanke en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.\n\n4428\n\n Zie productie 12 voor de offerte van 4 juni 2026 betreffende waterschade (€ 5.812,90).\n\n Zie de tweede foto van productie 11.\n\n In de last onder bestuursdwang wordt gemeld dat de woning overvol is onder meer vanwege de aanwezigheid van grote hoeveelheden brandbare (chemische) middelen. Ook is er sprake van brandgevaar vanwege de vele onveilige elektrische installaties, zoals niet afgedekte stopcontacten, lichtknoppen, aansluitpunten verlichting, openliggende elektriciteitsdraden en een onveilige elektrische kachel en een onveilige open haard.\n\n Zie productie 13.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3684","ecli-nl-rbmne-2026-3684",{"courtName":6,"legalDomain":32,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":56,"ecli":57,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":58,"fullText":59,"language":7,"source":17,"sourceUrl":60,"summary":14,"slug":61,"metadata":62},"1056","ECLI:NL:RBMNE:2026:3856","2026-06-04T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nFamilierecht\n\nlocatie Lelystad\n\nzaaknummer: C\u002F16\u002F607393 \u002F FL RK 26-234\n\nOmgang\n\nBeschikking van 4 juni 2026\n\nin de zaak van:\n\n [de vader],\n\nwonende in [plaats 1] ,\n\nhierna te noemen: de vader,\n\nadvocaat mr. A. Patist,\n\ntegen\n\n [de moeder],\n\nwonende in [plaats 2] ,\n\nhierna te noemen: de moeder,\n\nadvocaat mr. K. Benchaïb.\n\n1. De procedure\n\n1.1. De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:\n\nhet verzoekschrift (met bijlagen) van de vader, binnengekomen op 23 februari 2026;\n\nhet bericht van de vader van 19 maart 2026;\n\nhet verweerschrift (met bijlagen) van de moeder met daarin een aantal zelfstandige verzoeken van 24 april 2026;\n\nhet verweerschrift (met bijlagen) van de vader op de zelfstandige tegenverzoeken van de moeder met daarin een aantal tegenverzoeken van 30 april 2026;\n\nhet bericht (met bijlagen) van de moeder van 5 mei 2026;\n\nhet bericht (met bijlage) van de vader van 6 mei 2026.\n\n1.2. \n\nDe verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van\n\n7 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\nde vader en zijn advocaat;\n\nde moeder en haar advocaat;\n\n [A.] , als vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).\n\n2. Waar de procedure over gaat\n\n2.1. De ouders hebben een relatie met elkaar gehad.\n\n2.2. Zij hebben samen een kind: [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2023 in [geboorteplaats] .\n\n2.3. \n [minderjarige] woont bij de moeder.\n\n2.4. De ouders hebben samen het gezag over [minderjarige] . Dat betekent dat zij samen de belangrijke beslissingen over hem moeten nemen.\n\n2.5. Er is geen ouderschapsplan. Dat betekent dat de ouders niet samen afspraken hebben gemaakt over de zorg voor [minderjarige]\n\n2.6. Bij beschikking van 14 juni 2024 van deze rechtbank is – voor zover van belang in deze procedure – de volgende (opbouwende) zorgregeling vastgesteld, waarbij:\n\nde zorgregeling met ingang van 20 mei 2024 voor vier weken wordt opgebouwd waarbij twee keer per week omgang plaatsvindt tussen de vader en [minderjarige] . Iedere maandag heeft de vader van 13.00 tot 16.00 uur omgang met [minderjarige] in de woning van de moeder in [plaats 3] . Iedere vrijdag brengt de moeder [minderjarige] om 12.00 uur bij de vader in [plaats 1] , waarna zij [minderjarige] om 15.00 uur weer ophaalt bij de vader thuis;\n\nmet ingang van 17 juni 2024 heeft [minderjarige] elke maandag van 13.00 tot 16.00 uur omgang met de vader in of rond [plaats 3] . Omdat [minderjarige] nog erg jong is en het slecht weer kan zijn tijdens de omgang hebben de ouders afgesproken dat het in overleg mogelijk is dat de omgang bij de moeder thuis plaatsvindt. De vader dient dit tijdig met de moeder te overleggen;\n\n [minderjarige] iedere vrijdag van 10.00 tot 18.00 uur bij de vader verblijft. De moeder brengt [minderjarige] om 10.00 uur bij de vader thuis in [plaats 1] en de vader brengt [minderjarige] om 18.00 uur terug bij de moeder thuis in [plaats 3] ;\n\nde wisselmomenten op maandag en vrijdagmiddag vinden plaats bij de moeder thuis en het wisselmoment op vrijdagochtend vindt plaats bij de vader thuis.\n\n2.7. Bij vonnis in kort geding van 6 augustus 2024 van deze rechtbank is – samengevat – de moeder veroordeelt tot het nakomen van de zorgregeling zoals vastgesteld bij de hiervoor genoemde beschikking, op straffe van een dwangsom van € 250,- per overtreding per dag of gedeelte van een dag, tot een maximum van € 5.000,-.\n\n2.8. De moeder is in hoger beroep gegaan tegen de beschikking van 14 juni 2024 van deze rechtbank. Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft bij beschikking van 27 maart 2025 de beschikking van 14 juni 2024 van deze rechtbank vernietigt en de volgende zorgregeling vastgesteld:\n\nde opbouwperiode\n\n- in week 14 heeft [minderjarige] omgang met de vader op maandagmiddag 31 maart 2025 van14.00. uur tot 17.00 uur in [plaats 3] en op vrijdag 4 april 2025 van 10.00 uur tot 18.00 uur in [plaats 1] ;\n\n [minderjarige] zal drie keer in de oneven weken bij de vader verblijven van vrijdagochtend 9.00 uur tot zaterdagmiddag 15.00 uur; het gaat dan om de weekenden startend op vrijdag 11 april 2025, vrijdag 25 april 2025 en vrijdag 9 mei 2025;\n\ndaarna zal [minderjarige] drie keer in de weekenden in de oneven weken bij de vader verblijven van vrijdagochtend 9.00 uur tot zondagochtend 10.00 uur; het gaat dan om de weekenden startend op vrijdag 23 mei 2025, vrijdag 6 juni 2025 en vrijdag 20 juni 2025;\n\nvanaf week 15 heeft [minderjarige] daarnaast omgang met de vader op de maandagen in de oneven weken van 14.00 uur tot 17.00 uur, voor het eerst op 7 april 2025, waarbij de locatie ter vrije bepaling van de vader staat;\n\nde ouder bij wie [minderjarige] op dat moment verblijft is verantwoordelijk voor het brengen van [minderjarige] naar de andere ouder;\n\nde definitieve zorgregeling\n\n [minderjarige] verblijft met ingang van het weekend dat start op vrijdag 4 juli 2025 eens in de veertien dagen een weekend bij de vader van vrijdag 9.00 uur tot zondag 17.00 uur;\n\ndaarnaast heeft [minderjarige] eens in de veertien dagen omgang met de vader op de maandagen van 9.00 uur tot 17.00 uur, voor het eerst op maandag 14 juli 2025, waarbij de locatie ter vrije bepaling van de vader staat;\n\nde ouder waarbij [minderjarige] op dat moment verblijft is verantwoordelijk voor het brengen van [minderjarige] naar de andere ouder.\n\n3. De verzoeken\n\n3.1. De vader verzoekt na aanvulling van zijn verzoeken – samengevat – de rechtbank te bepalen dat:\n\nZorgregeling vanaf het moment dat [minderjarige] naar de basisschool gaat\n\n- [minderjarige] vanaf het moment dat hij naar de basisschool gaat steeds per drie weekenden, twee weekenden van vrijdag uit school tot zondag na het avondeten bij de vader is, waarbij de moeder [minderjarige] naar de vader toebrengt en de vader [minderjarige] naar de moeder terugbrengt;\n\n2026 (als [minderjarige] nog niet naar de basisschool gaat)\n\n- [minderjarige] op de volgende momenten bij de vader verblijft:\n\no van 24 april 2026 tot en met 1 mei 2026;\n\no in week 1, 3 en 4 van de zomervakantie 2026 zoals het schema schoolvakanties geldt in de gemeente [gemeente] ;\n\no of de eerste week of de tweede week van de kerstvakantie;\n\n2027 (in de periode voordat [minderjarige] naar de basisschool gaat)\n\n- [minderjarige] op de volgende momenten bij de vader verblijft:\n\no gedurende één week in de voorjaarsvakantie;\n\no week 1, 3 en 4 van de zomervakantie;\n\nvanaf het moment dat [minderjarige] naar de basisschool gaat (na de zomervakantie van 2027)\n\nprimairde vakantie- en feestdagen bij helfte worden verdeeld en de ouders in september van ieder jaar afspraken maken voor het dan volgende schooljaar;\n\nsubsidiairindien en voor zover het niet lukt om de schoolvakanties in september van ieder jaar in onderling overleg te verdelen:\n\no dat zal gelden dat de vader in de oneven jaren (waarmee bedoeld het jaar waarin de afspraken in september gemaakt zouden moeten worden) de eerste keuze heeft en de moeder in de even jaren, waarbij in elk geval zal gelden dat de zomervakantie wordt opgedeeld in twee perioden van drie weken;\n\no voor de tweeweekse schoolvakanties (mei en kerst), zal gelden dat elk van de ouders de gelegenheid heeft om één week met [minderjarige] door te brengen;\n\no in de schoolvakanties die één week duren de reguliere zorgregeling doorloopt, tenzij één van de ouders gedurende die week op vakantie wil met [minderjarige] ;\n\nfeestdagen\n\noud en nieuw: jaarlijks wisselend;\n\nSinterklaas (5 december): jaarlijks wisselend;\n\nKoningsdag: jaarlijks wisselend;\n\nMoederdag: bij moeder;\n\nVaderdag: bij vader;\n\nKerst: het ene jaar verblijft [minderjarige] op kerstavond en eerste kerstdag bij de ene ouder en van tweede kerstdag om 9.00 uur bij de andere ouder en dit het andere jaar andersom is;\n\nOud en Nieuw: [minderjarige] verblijft bij de ouder waar hij dat jaar op tweede kerstdag verbleef;\n\nverjaardag [minderjarige] : de reguliere zorgregeling doorloopt;\n\nOverige bijzondere dagen\n\n- te bepalen dat er te allen tijde de mogelijkheid is dat [minderjarige] op bijzondere dagen, zoals familieaangelegenheden, bruiloften, jubilea en uitvaarten, hij deze kan bijwonen en dus wordt afgeweken van de reguliere zorgregeling;\n\ndan wel een beslissing te nemen die de rechtbank juist vindt;\n\nin alle gevallen de moeder te veroordelen in de proceskosten.\n\n3.2. De moeder is het niet eens met de verzoeken van de vader en vindt dat deze moeten worden afgewezen. De moeder wil dat de ouders naar een Parallel Solo Ouderschap traject via de gemeente [gemeente] worden doorverwezen en in dat kader de regeling zoals opgenomen in het door de moeder opgestelde concept ouderschapsplan als uitgangspunt wordt genomen voor het uitbreiden van de zorgregeling in de vakanties en feestdagen in de toekomst.\n\n3.3. Bij wijze van een zelfstandig verzoek verzoekt de moeder om:\n\nvanaf het moment dat [minderjarige] naar de basisschool gaat, vervalt de vrijdag 09:00–17:00 uur bij vader en zal de aanvangstijd van de weekendregeling aangepast worden naar een tijd na schooltijd, in alle redelijkheid en in overleg, rekening houdend met de te reizen afstand;\n\nmet ingang van de datum dat [minderjarige] de schoolgaande leeftijd bereikt, zullen vakantieperiodes geleidelijk ingevuld worden en worden opgebouwd in aantal overnachtingen bij vader, waarbij [minderjarige] leeftijd, ontwikkeling en gewenningsperiode in acht genomen worden;\n\nten aanzien van de feestdagen geldt dat deze worden gedeeld zoveel mogelijk aansluiting zoekende bij de weekendregeling die geldt.\n\n3.4. De vader is het niet eens met de zelfstandige verzoeken van de moeder en vindt dat deze moeten worden afgewezen.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1. De rechtbank zal het volgende beslissen:\n\nde beslissing over de zorgregeling en de definitieve beslissing over de verdeling van de vakantie- en feestdagen zal voor de duur van negen maanden worden aangehouden in afwachting van het Parallel Solo Ouderschapstraject;\n\ner zal een voorlopige verdeling van de vakantie- en feestdagen gelden, welke luidt als volgt:\n\no verjaardag [minderjarige]: de reguliere zorgregeling loopt door;\n\no zomervakantie 2026: [minderjarige] verblijft in week 1 en in week 4 van de zomervakantie van maandag tot vrijdag, aansluitend op het omgangsweekend van de vader, bij de vader;\n\no herfstvakantie 2026: [minderjarige] verblijft, aansluitend op het omgangsweekend bij de vader, twee dagen extra bij de vader;\n\no Sinterklaas: de reguliere zorgregeling loopt door;\n\no kerstvakantie 2026-2027 (inclusief de feestdagen): [minderjarige] verblijft van\n\n18 december 2026 9.00 uur tot 26 december 2026 11.00 uur bij de vader en van 26 december 2026 11.00 uur tot en met 3 januari 2027 bij de moeder;\n\no voorjaarsvakantie 2027: [minderjarige] verblijft, aansluitend op het omgangsweekend bij de vader, twee dagen extra bij de vader;\n\n- de ouder waarbij [minderjarige] op dat moment verblijft is verantwoordelijk voor het brengen van [minderjarige] naar de andere ouder.\n\n4.2. De rechtbank legt haar beslissing hierna uit.\n\n4.3. In de wet staat dat beide ouders het recht op en de verplichting tot gelijkwaardig ouderschap hebben.Dat betekent niet dat de zorg altijd 50\u002F50 verdeeld moet worden. Wel brengt het mee dat de ouders allebei een gelijkwaardige positie hebben en een daarbij passende rol voor [minderjarige] moeten kunnen vervullen. Ook staat in de wet dat de ouders de verplichting hebben om de bang van hun kind met de andere ouder te bevorderen.Dit wettelijke kader vormt het uitgangspunt bij de beoordeling van de verzoeken van de ouders.\n\n4.4. De achtergrond van deze wettelijke bepalingen is dat het in zijn algemeenheid in het belang van de identiteitsontwikkeling van een kind is dat het met beide ouders goed contact heeft. Dat geldt ook voor [minderjarige] . Het lukt de ouders op dit moment echter niet om op een goede manier aan hun wettelijke verplichting te voldoen. Zij houden allebei veel van hun zoon, maar blijven – tegen het belang van [minderjarige] in – verwikkeld in een voortdurende strijd over wanneer [minderjarige] bij welke ouder verblijft. De oorzaak hiervoor lijkt te zijn dat er veel tussen de ouders is gebeurd in het verleden en dat dit hen in de weg blijft staan. Allebei hebben ze hier in de processtukken en tijdens de zitting over verteld. De grootste zorg van de vader is daarbij dat de moeder hem uit het leven van [minderjarige] duwt. Hij heeft het gevoel dat hij ieder extra moment met [minderjarige] moet bevechten, omdat de moeder hem geen ruimte gunt in het leven van [minderjarige] . De moeder maakt zich op haar beurt ook zorgen. Zij voelt zicht door de vader geïntimideerd omdat hij zich dwingend en bepalend opstelt, en geen enkel oog heeft voor haar zorgen over [minderjarige] . De zorgen komen er, verkort weergegeven, op neer dat de moeder betwijfelt of de vader wel rekening houdt met wat voor [minderjarige] het beste is.4.5. Deze strijd tussen de ouders is niet goed voor [minderjarige] . Hij is nu nog jong, maar krijgt al veel mee, en dat zal als hij ouder wordt alleen maar meer worden. Het is belangrijk dat de ouders alles op alles zetten om dit anders te gaan doen en zich daarbij te richten op wat zijzelf – niet de ander, maar zijzelf – kunnen doen. De ouders hebben tijdens de zitting verteld dat zij allebei nog altijd bereid om aan de slag te gaan met het Parallel Solo Ouderschapstraject. De rechtbank wil de ouders de kans geven om dit hulpverleningstraject aan te gaan, zodat zij kunnen werken aan de onderliggende problematiek en zij zich – los van elkaar – kunnen ontwikkelen en zij weer gaan handelen in het belang van [minderjarige] . Om deze reden zal de rechtbank nu nog geen beslissing nemen over de definitieve zorgregeling en verdeling van de vakantie- en feestdagen, maar deze beslissing nog negen maanden uitstellen. In de tussentijd blijft de reguliere zorgregeling gelden zoals deze nu is. De rechtbank ziet namelijk geen aanleiding om hier nu – in het belang van [minderjarige] – een wijziging in aan te brengen. De strijd tussen de ouders is, zoals toegelicht, op zichzelf heel zorgelijk en gaat ten koste van de (emotionele) veiligheid van [minderjarige] , maar het is niet gebleken dat het bij één van de ouders los hiervan onveilig is of dat één van hen niet goed voor [minderjarige] kan zorgen. De rechtbank wil van de ouders over uiterlijk negen maanden bericht krijgen over hoe zij willen dat het verder gaat in deze procedure.\n\nVoorlopige vakantie- en feestdagenregeling4.6. In de tussentijd zal de rechtbank wel een voorlopige vakantie- en feestdagenregeling vaststellen (tot en met de voorjaarsvakantie 2027), zodat hier de komende periode – terwijl ouders met hulpverlening aan de slag gaan – in ieder geval duidelijkheid over is en dit de strijd hierover hopelijk vermindert. De rechtbank heeft hiervoor geschetst hoe deze voorlopige vakantie- en feestdagenregeling eruit zal zien. De rechtbank is tot de hiervoor genoemde regeling gekomen, omdat zij het in het belang vindt van [minderjarige] dat hij meer (en kwalitatieve) tijd met zijn vader kan doorbrengen. Om die reden vindt de rechtbank het goed dat [minderjarige] ook naast de reguliere zorgregeling tijd met zijn vader heeft, end at daar een concrete opbouw in plaatsvindt. De moeder heeft verteld dat zij op zichzelf niet tegen een opbouw is, maar zij wil wel dat deze in (hele) kleine stappen plaatsvindt. De rechtbank vindt een geleidelijke opbouw ook belangrijk, maar vindt tegelijkertijd dat het nu wel tijd is voor iets langere periodes van [minderjarige] bij zijn vader. Een 50\u002F50 verdeling zou daarbij een duidelijk en logisch doel zijn – de moeder heeft ook gezegd dat zij daar uiteindelijk ook wel naartoe zou willen. Op dit moment is dat nog een te grote stap. Feit blijft dat dit voor grote weerstand zorgt bij de moeder en dat [minderjarige] hier – al dan niet bewust – het nodige van meekrijgt, terwijl het juist zo belangrijk is dat de moeder [minderjarige] emotionele toestemming geeft in het contact met de vader. Hier kan de hulpverlening bij gaan helpen. Omdat [minderjarige] nog jong is, is in de zomervakantie een ‘pauze’ ingebouwd. Hij is twee keer 5 dagen bij zijn vader, zodat hij op die manier kan wennen aan het idee om langere tijd aaneengesloten bij de vader door te brengen.\n\nDe uitvoerbaarheid bij voorraad4.7. De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de ouders hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n5.1. stelt de volgende voorlopige vakantie- en feestdagenregeling vast:\n\nverjaardag [minderjarige]: de reguliere zorgregeling loopt door;\n\nzomervakantie 2026: [minderjarige] verblijft in week 1 en in week 4 van de zomervakantie van maandag tot vrijdag, aansluitend op het omgangsweekend van de vader, bij de vader;\n\nherfstvakantie 2026: [minderjarige] verblijft, aansluitend op het omgangsweekend bij de vader, twee dagen extra bij de vader;\n\nSinterklaas: de reguliere zorgregeling loopt door;\n\nkerstvakantie 2026-2027 (inclusief de feestdagen): [minderjarige] verblijft van\n\n18 december 2026 9.00 uur tot 26 december 2026 11.00 uur bij de vader en van\n\n26 december 2026 11.00 uur tot en met 3 januari 2027 bij de moeder;\n\n- voorjaarsvakantie 2027: [minderjarige] verblijft, aansluitend op het omgangsweekend bij de vader, twee dagen extra bij de vader;\n\n- de ouder waarbij [minderjarige] op dat moment verblijft is verantwoordelijk voor het brengen van [minderjarige] naar de andere ouder;\n\n5.2. verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.3. houdt de (verdere) beslissing over de definitieve zorgregeling, vakantie- en feestdagenregeling aan voor de duur van negen maanden, in afwachting van de uitkomst van het Parallel Solo Ouderschapstraject, met het verzoek aan de advocaten om tijdig voor die datum te laten weten:\n\nof meer uitstel nodig is en zo ja, voor hoe lang;\n\nof een nieuwe zitting nodig is;\n\nof de rechtbank een beslissing kan nemen zonder nieuwe zitting.\n\nDit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. J.M. Atema, (kinder)rechter, in samenwerking met de griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2026.\n\nTegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.\n\n Art. 1:247 lid 4 BW.\n\n Art. 1:247 lid 3 BW.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3856","ecli-nl-rbmne-2026-3856",{"courtName":6,"legalDomain":63,"decisionType":22,"procedureType":23},"Civiel recht; Personen- en familierecht",{"id":65,"ecli":66,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":58,"fullText":67,"language":7,"source":17,"sourceUrl":68,"summary":14,"slug":69,"metadata":70},"1043","ECLI:NL:RBMNE:2026:3854","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nFamilierecht\n\nlocatie Lelystad\n\nzaaknummer: C\u002F16\u002F607887 \u002F FL RK 26-280\n\nZorgregeling\n\nBeschikking van 4 juni 2026\n\nin de zaak van:\n\n [de vader],\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nhierna te noemen: de vader,\n\nadvocaat mr. J.B. Streefkerk,\n\ntegen\n\n [de moeder],\n\nwonende in [plaats] ,\n\nhierna te noemen: de moeder,\n\nadvocaat mr. M. Falkena.\n\n1. De procedure\n\n1.1. De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:\n\nhet verzoekschrift (met bijlagen) van de vader, binnengekomen op 2 maart 2026;\n\nhet bericht (met bijlagen) van de vader van 12 maart 2026;\n\nhet bericht (met bijlagen) van de moeder van 12 maart 2026;\n\nhet verweerschrift (met bijlagen) van de moeder van 2 april 2026;\n\nhet bericht (met bijlage) van de vader van 9 april 2026;\n\nhet bericht (met bijlagen) van de moeder van 28 april 2026.\n\n1.2. \n\nDe verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van\n\n7 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\nde vader en zijn advocaat;\n\nde moeder en haar advocaat;\n\n [A.] , een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).\n\n1.3. De moeder heeft tijdens de zitting een persoonlijke brief voorgelezen, welke – zoals tijdens de zitting is afgesproken – op 7 mei 2026 namens de moeder door mr. Falkena is ingediend.\n\n1.4. De rechtbank heeft aan de minderjarige [minderjarige] , de zoon van de ouders, gevraagd wat hij van de verzoeken vindt. [minderjarige] heeft daar op 4 mei 2026 met de rechter over gesproken.\n\n2. Waar de procedure over gaat\n\n2.1. De ouders zijn met elkaar getrouwd geweest.\n\n2.2. Zij hebben samen een kind: [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2013 in [geboorteplaats] .\n\n2.3. De ouders hebben samen het gezag over [minderjarige] . Dat betekent dat zij samen de belangrijke beslissingen over [minderjarige] moeten nemen.\n\n2.4. De ouders hebben in het ouderschapsplan van 15 februari 2019, dat onderdeel uitmaakt van de echtscheidingsbeschikking van 5 april 2019, afgesproken dat [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft.\n\n2.5. \n [minderjarige] verblijft sinds 2 februari 2026 feitelijk bij de vader.\n\n2.6. \n\nBij beschikking van 12 mei 2021 van deze rechtbank is het ouderschapsplan van\n\n15 februari 2019 en de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 5 april 2019 – ten aanzien van de zorg-, vakantie- en feestdagenregeling – gewijzigd in die zin dat:\n\nmet ingang van 30 april 2021 zal tussen [minderjarige] en vader een zorgregeling gelden waarbij [minderjarige] één keer in de veertien dagen een weekend bij vader verblijft van vrijdag uit school (14:00 uur) tot en met dinsdagochtend naar school. In de week erop zal vader [minderjarige] op maandag op school halen en dan blijft hij bij hem tot dinsdagochtend naar school;\n\nde vakanties worden als volgt verdeeld: de vakanties van één week worden niet\n\nverdeeld, de overeengekomen zorgregeling loopt dan door. Voor vakanties die twee weken duren, geldt dat deze bij helfte verdeeld worden. Indien [minderjarige] in een vakantie van twee weken de eerste week bij vader is, dan is dat vanaf vrijdag om 14.00 uur uit school. Deze eerste week eindigt derhalve op de vrijdag erna om 14.00 uur. Vader brengt [minderjarige] alsdan naar moeder zodat [minderjarige] om 14.00 uur bij de moeder is;\n\nvoor de meivakantie 2021 is afgesproken dat [minderjarige] de eerste week bij vader is en de tweede week bij moeder;\n\nten aanzien van de zomervakantie en kerstvakantie geldt dat deze eveneens bij helfte worden verdeeld, met dien verstande dat ieder jaar [minderjarige] wisselend eerste kerstdag bij de ene ouder is, tweede kerstdag bij de andere ouder, ongeacht de week waarin de zorgregeling plaatsvindt. De jaarwisseling zal [minderjarige] doorbrengen bij de ouder waarbij hij eerste kerstdag heeft doorgebracht. Voor 2020 geldt dat [minderjarige] van 21 tot en met 27 december bij vader zal zijn, tweede kerstdag bij moeder, waarbij [minderjarige] om 11:00 uur bij de moeder zal zijn en op 27 december 12:00 uur weer bij de vader. De tweede week van de kerstvakantie (28 december tot en met 3 januari) zal [minderjarige] bij de moeder zijn, maar op Oudejaarsdag om 11:00 uur naar de vader gaan en op Nieuwjaarsdag om 12.00 uur weer bij de moeder zijn. Voor 2021 geldt het tegenovergestelde: [minderjarige] zal eerste kerstdag en de jaarwisseling bij moeder zijn en tweede kerstdag bij vader. De zomervakantie 2021 zal bij helfte verdeeld worden waarbij [minderjarige] de eerste drie weken bij moeder is in de laatste drie weken bij vader, het wisselmoment is vrijdag 14.00 uur. Als locatie voor de overdracht wordt de woning van moeder aangehouden;\n\ntijdens de vakanties die twee of meer weken duren, zal de ouder waar [minderjarige] verblijft hem in de gelegenheid stellen in ieder geval twee maal per week met de andere ouder te telefoneren. Die andere ouder zal de telefoon correct opnemen en als het moment van telefoneren niet uitkomt dat direct uitleggen. De oproep zal niet beëindigd worden zonder dat er verbinding lot stand is gekomen;\n\nten aanzien van de vorderingen van [minderjarige] op school of op sport, zijn de vader en de\n\nmoeder zelf verantwoordelijk voor het verkrijgen van deze informatie. Zij zullen dus\n\nniet bij elkaar die informatie vragen. Gesprekken op school worden niet gezamenlijk\n\nbezocht. Ieder zal een eigen afspraak met school maken;\n\nhet is ouders niet toegestaan zonder nader overleg dan wel zonder gegronde reden eenzijdig de zorgregeling stop te zetten.\n\n2.7. De ouders hebben geprobeerd om samen afspraken te maken tijdens een mediationtraject. Het mediationtraject is echter vroegtijdig beëindigd.\n\n2.8. \n\nBij vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van\n\n30 maart 2026 is [minderjarige] voorlopig toevertrouwd aan de vader.\n\n3. De verzoeken\n\n3.1. De vader verzoekt om:\n\nprimair\n\nde hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vader te bepalen;\n\nte bepalen dat [minderjarige] – nadat contactherstelgesprekken tussen moeder en [minderjarige] hebben plaatsgevonden –één keer in de twee weken vanaf vrijdag 19:30 uur tot maandag 19:30 uur bij de moeder verblijft en de vakantie- en feestdagen bij helfte worden verdeeld;\n\nde kinderalimentatie op nihil wordt gesteld;\n\nsubsidiair\n\n- te bepalen dat [minderjarige] de ene helft van de tijd bij de vader verblijft en de andere helft van de tijd bij de moeder verblijft met als wisselmoment vrijdag 19.30 uur;\n\nmeer subsidiair\n\neen beslissing te nemen die de rechtbank juist vindt.\n\n3.2. De moeder is het niet eens met de verzoeken van de vader en vindt dat hij daarin niet-ontvankelijk moet worden verklaard, dan wel dat zijn verzoeken moeten worden afgewezen.\n\n4. De beoordeling\n\nZorgregeling4.1. De rechtbank zal de volgende zorgregeling vaststellen:\n\nopbouwperiode:[minderjarige] verblijft voorlopig om de week van vrijdag na school tot dinsdag 19.30 uur bij de moeder en de overige tijd bij de vader;\n\ndefinitieve zorgregeling:[minderjarige] verblijft vanaf 16 augustus 2026 (dus: na de zomervakantie) voortaan in de even weken bij de moeder en in de oneven weken bij de vader, waarbij het wisselmoment op vrijdag om 19.30 uur plaatsvindt.\n\nDe rechtbank legt haar beslissing hierna uit.\n\n4.2. Waar [minderjarige] eerder het grootste deel van de tijd bij de moeder verbleef, verblijft hij sinds februari bij de vader en is hij in een kortgeding procedure voorlopig aan de vader toevertrouwd. Ondanks verschillende pogingen van de ouders om samen afspraken te maken, is dit nog niet gelukt. Binnenkort zullen de ouders gaan werken aan hun onderlinge communicatie met systeemtherapie bij [naam] . De rechtbank vindt dit verstandig, omdat de communicatie nu regelmatig via [minderjarige] verloopt en daar heeft hij last van. In de tussentijd hebben zowel [minderjarige] als de ouders al wel behoefte aan duidelijkheid over de zorgregeling. De rechtbank zal om die reden een definitieve zorgregeling vaststellen.\n\n4.3. De rechtbank is van oordeel dat een co-ouderschapsregeling – waarbij [minderjarige] de ene helft van de tijd bij de moeder en de andere helft van de tijd bij de vader verblijft – het meest in het belang van [minderjarige] is. Daarmee sluit de rechtbank zich aan bij de Raad, die dit tijdens de zitting ook heeft geadviseerd. Een co-ouderschap past goed bij het uitgangspunt in de wet dat er sprake moet zijn van ‘gelijkwaardig ouderschap’.Gelijkwaardig ouderschap betekent dat beide ouders een rol van betekenis in [minderjarige] ’s leven spelen, en zorg- en opvoedtaken verrichten. Dat is belangrijk voor [minderjarige] identiteitsontwikkeling.. Het is niet gebleken dat een co-ouderschapsregeling niet in het belang van [minderjarige] is. Dat de ouders allebei een andere opvoedstijl hebben, is geen reden om van een co-ouderschap af te zien. Verschillende opvoedstijlen kunnen elkaar namelijk ook aanvullen en daarmee juist van meerwaarde zijn voor een kind. Een mooi voorbeeld is huiswerk; dit is tijdens de zitting besproken. De moeder houdt, zo heeft ze verteld, meer in de gaten of [minderjarige] wel zijn huiswerk doet. Ze zit hem achter zijn broek aan als dat nodig is. De vader laat dit meer los; hij vindt dat [minderjarige] moet leren dat er gevolgen zijn als hij zijn huiswerk niet maakt, en dat leert hij het beste door het gewoon maar eens te ervaren. Dat zijn allebei manieren om [minderjarige] te helpen: het is juist goed als [minderjarige] van allebei een stukje meekrijgt. De ouders kunnen bovendien tijdens het hulpverleningstraject afspraken maken over hoe zij hier het beste mee om kunnen gaan en elkaar hierbij én in hun waarde laten, én ondersteunen waar nodig. Wanneer dit lukt, kan er op termijn hopelijk ook meer flexibiliteit in de zorgregeling komen. Een voorbeeld hiervan is dat [minderjarige] bijvoorbeeld een keer in de week dat hij bij de vader is bij de moeder kan avondeten of andersom. Dat past ook bij de leeftijd van [minderjarige] , waarbij steeds wat meer autonomie voor hem fijn is.\n\n4.4. De zorgregeling zal in de periode tot en met de zomervakantie van dit jaar worden opgebouwd, zodat [minderjarige] kan wennen aan de nieuwe situatie en de ouders in de tussentijd kunnen werken aan de communicatie. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de vakantieregeling ongewijzigd blijft. De vakantie van [minderjarige] en de moeder naar Indonesië zal dus gewoon kunnen doorgaan en [minderjarige] zal ook tijd met de vader kunnen doorbrengen. De wisselmomenten van de week-op-week-afregeling zullen plaatsvinden op vrijdag om19.30. uur, zoals door de vader is verzocht.\n\nHoofdverblijfplaats4.5. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een wijziging van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] en zal daarom het verzoek van de vader afwijzen. Er wordt de komende periode toegewerkt naar co-ouderschap, waardoor [minderjarige] evenveel tijd bij de moeder als bij de vader doorbrengt. Een wijziging is daarom niet nodig, wat betekent dat [minderjarige] bij de moeder ingeschreven kan blijven staan.\n\nKinderalimentatie4.6. De rechtbank zal een beslissing op het verzoek over de kinderalimentatie aanhouden in afwachting van de verweertermijn. De reden daarvoor is dat toen de zitting werd gepland, de verweertermijn nog niet was verstreken, zodat dit verzoek niet inhoudelijk op de zitting kon worden behandeld. De rechtbank wil over uiterlijk zes weken van de ouders bericht krijgen hoe het verder moet in deze procedure en of voor de kinderalimentatie een nieuwe zitting nodig is of de rechtbank een beslissing kan nemen zonder nieuwe zitting.\n\nDe uitvoerbaarheid bij voorraad4.7. De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de ouders hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n5.1. stelt de volgende zorgregeling vast:\n\nopbouwperiode:[minderjarige] verblijft voorlopig om de week van vrijdag na school tot dinsdag 19.30 uur bij de moeder en de overige tijd bij de vader;\n\ndefinitieve zorgregeling:[minderjarige] verblijft vanaf 16 augustus 2026 (dus na de zomervakantie) voortaan in de even weken bij de moeder en in de oneven weken bij de vader, waarbij het wisselmoment op vrijdag om 19.30 uur plaatsvindt;\n\n5.2. verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.3. houdt de beslissing over kinderalimentatie aan voor de duur van zes weken, met het verzoek aan de advocaten om tijdig voor die datum te laten weten:\n\nof een nieuwe zitting nodig is;\n\nof de rechtbank een beslissing kan nemen zonder nieuwe zitting;\n\n5.4. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. J.M. Atema, (kinder)rechter, in samenwerking met de griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2026.\n\nTegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.\n\n Art. 1:247 lid 4 BW.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3854","ecli-nl-rbmne-2026-3854",{"courtName":6,"legalDomain":63,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":72,"ecli":73,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":58,"fullText":74,"language":7,"source":17,"sourceUrl":75,"summary":14,"slug":76,"metadata":77},"1107","ECLI:NL:RBMNE:2026:3902","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Lelystad\n\nZaaknummer: C\u002F16\u002F612516 \u002F JL RK 26-351\n\nDatum uitspraak: 4 juni 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over een spoedwijziging van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken\n\nin de zaak van\n\nSAMEN VEILIG MIDDEN-NEDERLAND,\n\ngevestigd in Almere,\n\nhierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),\n\nover\n\n [minderjarige],\n\ngeboren op [geboortedatum] 2016 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen: [minderjarige] .\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de moeder],\n\nhierna te noemen: de moeder,\n\nwonende in [plaats 1] ,\n\n [de vader],\n\nhierna te noemen: de vader,\n\nwonende in [plaats 2] .\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. De kinderrechter neemt het verzoekschrift van de GI met bijlagen, ontvangen op 4 juni 2026, mee in de beoordeling.\n\n1.2.. De kinderrechter heeft op 4 juni 2026 telefonisch mondeling uitspraak gedaan. Dit is de schriftelijke uitwerking van die beslissing.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .\n\n2.2.. \n [minderjarige] woont met zijn broer [naam] bij de moeder.\n\n2.3.. De kinderrechter heeft bij beschikking van 27 januari 2026 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 30 januari 2027.\n\n2.4.. De kinderrechter heeft bij beschikking van 17 juni 2019 de volgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld: in het ouderschapsplan is vastgelegd dat [minderjarige] en [naam] elke dinsdag- en donderdagmiddag na school door vader worden opgehaald, bij hem zouden eten en om 18.30 uur weer thuis zouden zijn bij moeder. Daarnaast zouden zij om het weekend van vrijdagmiddag tot zondag 17.00 uur bij vader verblijven. Alle overige doordeweekse ochtenden, evenals de maandag- en woensdagmiddagen en om de week de vrijdagmiddag wanneer het het weekend van moeder is, verblijven de kinderen bij moeder.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De GI verzoekt de door de kinderrechter op 17 juni 2019 vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken waar het [minderjarige] betreft te wijzigen, in die zin dat de reguliere zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] per direct stopgezet wordt. Ook verzoekt de GI te bepalen dat het contact tussen de vader en [minderjarige] , voor zover mogelijk, plaatsvindt onder regie van de GI, waarbij de GI in afstemming met de betrokken hulpverlening bepaalt op welke wijze en op welk moment contactherstel kan plaatsvinden. De GI verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. De kinderrechter kan de onder 2.4. genoemde regeling wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.De kinderrechter kan deze beslissing nemen zonder de belanghebbenden voorafgaand te horen.Het verhoor van de belanghebbenden kan niet worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige] . De kinderrechter zal de zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] opschorten voor de duur van vier weken en houdt het overige deel van het verzoek aan. Hierna wordt uitgelegd waarom zij deze beslissing neemt.\n\n4.2.. Er zijn al langere tijd zorgen over spanningen in het contact tussen [minderjarige] en zijn vader. Al bij beschikking van 16 december 2025 is de vastgestelde zorgregeling tussen [minderjarige] en de vader opgeschort tot 26 februari 2026. Hierna heeft de vader meegewerkt aan een plan vanuit [bedrijf] voor gefaseerd contactherstel.\n\n4.3.. Hoewel het contactherstel in eerste instantie positief leek te verlopen, zijn er tijdens de speltherapie nieuwe signalen van angst vanuit [minderjarige] voor zijn vader naar voren gekomen. Daarnaast zijn de zorgen over de loyaliteitsproblematiek van [minderjarige] toegenomen. De moeder is recent getrouwd met haar nieuwe partner, waarop [minderjarige] aangaf niet meer naar zijn vader te willen, omdat hij een nieuwe vader heeft. Vanuit de hulpverlening is vervolgens een nieuw plan opgesteld zodat het voor [minderjarige] duidelijk wordt dat ook het contact met zijn eigen vader moet worden hersteld. Hoewel het belangrijk is dat [minderjarige] voor dit contactherstel emotionele toestemming van de moeder krijgt, mist de GI bij vader de wil om aan te sluiten bij wat zijn zoon nodig heeft. Naast dit alles, heeft op 20 mei 2026 een incident plaatsgevonden. [minderjarige] zou in verband met de aankomende feestdagen langer bij de vader moeten verblijven. Gezien het nieuwe plan voor contactherstel was het nog niet realistisch om [minderjarige] vier dagen bij de vader te laten verblijven, waardoor de GI de vader had verzocht om in te stemmen een pauze in de uitbreiding van de omgang. De vader heeft niet ingestemd met dit verzoek en stond bij het schoolplein om [minderjarige] op te halen. [minderjarige] is vervolgens weggerend. Daarnaast heeft de GI aangegeven dat de overdrachtsmomenten zelf ook niet altijd positief verlopen. Tijdens deze momenten ontstaat er vanwege het filmen door de vader nog meer spanning bij [minderjarige] . Daarnaast zorgt de vader er niet altijd voor dat [naam] als hij bij vader is deelneemt aan de speltherapie. Ook laat hij verstek gaan bij sportactiviteiten en is zijn huiswerk niet altijd op orde. Tot slot heeft [naam] last van de spanningen rond de contacten tussen [minderjarige] en vader. Wat op zichzelf ook reden tot zorg is.\n\n4.4.. Gezien deze zorgen is het volgens de hulpverlening noodzakelijk dat het contactherstel geborgd en gefaseerd opgebouwd zal worden. Hiervoor is het voor [minderjarige] belangrijk dat hij meer ruimte krijgt om hieraan te werken. Echter, de vader blijft vasthouden aan de zorgregeling die is vastgelegd bij beschikking van 17 juni 2019. De kinderrechter acht het op dit moment in het belang van [minderjarige] dat het contactherstel op zijn tempo zal plaatsvinden. Dat lijkt op dit moment niet het tempo van de vastgelegde zorgregeling te zijn. Daarom schort de kinderrechter de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de vader en [minderjarige] op tot 2 juli 2026.\n\n4.5.. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.\n\n5. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n5.1.. wijzigt de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken in die zin dat de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de vader en [minderjarige] wordt opgeschort tot 2 juli 2026;5.2.. houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan;\n\n5.3.. roept de GI, de vader en de moeder op te verschijnen tijdens de zitting van mr. M.A. Pot van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, in het gerechtsgebouw aan Stationsplein 15 te Lelystad,op 16 juni 2026 om 15:45 uur, om nader op het verzoek te worden gehoord;\n\n5.4.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2026 door mr. L.P. de Haas, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. J. Mather als griffier, en op schrift gesteld op\n\n09 juni 2026.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.\n\n Artikel 1:265g van het Burgerlijk Wetboek (BW).\n\n Artikel 809 lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3902","ecli-nl-rbmne-2026-3902",{"courtName":6,"legalDomain":63,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":79,"ecli":80,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":81,"fullText":82,"language":7,"source":17,"sourceUrl":83,"summary":14,"slug":84,"metadata":85},"1893","ECLI:NL:RBMNE:2026:2307","2026-04-29T00:00:00.000Z","RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Lelystad\n\nZaaknummer: 11951135 \\ MC EXPL 25-6015\n\nVonnis van 29 april 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser] , H.O.D.N. [handelsnaam 1],\n\nte [woonplaats 1] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiser] ,\n\ngemachtigde: mr. P.J. Contermans,\n\ntegen\n\n [gedaagde] B.V., T.H.O.D.N. [handelsnaam 2],\n\nte [woonplaats 2] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [handelsnaam 2] ,\n\nprocederend in persoon.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met 18 producties, - de conclusie van antwoord met 4 producties, - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,\n\n- de mondelinge behandeling van 31 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.\n\n1.2.. Ten slotte is aan partijen verteld dat vandaag vonnis gewezen zal worden.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1.. \n [eiser] heeft een onderneming, [handelsnaam 1] , die zich richt op de verkoop van diverse soorten muurbedekking. [handelsnaam 2] is een onderneming die ook wandpanelen verkoopt. [eiser] heeft door een professionele fotograaf foto’s laten maken van zijn wandpanelen die hij op de website van [handelsnaam 1] heeft geplaatst. Ook heeft hij die wandpanelen productnamen gegeven die hij zelf verzonnen heeft. [handelsnaam 2] heeft deze foto’s en bijbehorende namen op haar website gebruikt. [eiser] vindt dat [handelsnaam 2] daardoor inbreuk heeft gemaakt op zijn auteursrechten. Hij vordert daarom in deze procedure kort gezegd een verklaring voor recht en schadevergoeding, vermeerderd met kosten. [handelsnaam 2] wil dat de kantonrechter deze vorderingen afwijst. Zodra zij ontdekte dat de foto’s op haar website van [eiser] afkomstig waren heeft zij deze namelijk verwijderd. De kantonrechter geeft [eiser] grotendeels gelijk.\n\n3. De beoordeling\n\nDe foto’s zijn auteursrechtelijk beschermd, maar de productnamen niet\n\n3.1.. Eerst behandelt de kantonrechter de vraag of de betreffende foto’s en productnamen wel auteursrechtelijk beschermd zijn. Volgens vaste rechtspraak is een werk (zoals een foto of een bedachte productnaam) auteursrechtelijk beschermd als het een eigen, oorspronkelijk karakter heeft, dat het persoonlijk stempel van de maker draagt. Dat betekent dat een werk enige creativiteit en artistieke expressie moet bevatten. Voor wat betreft de foto’s is dat naar het oordeel van de kantonrechter het geval, maar voor de productnamen geldt dat niet. Hiervoor heeft de kantonrechter de volgende redenen.\n\n3.2.. Vier van de foto’s zijn foto’s van vier wandpanelen in marmerlook die [eiser] aanbiedt via [handelsnaam 1] . De vier overige foto’s zijn ingezoomde uitsneden van de eerste vier foto’s, bedoeld om de structuur van de wandpanelen beter in beeld te brengen. Feitelijk gaat het dus om vier originele foto’s, die in hun geheel geplaatst zijn op de website van [handelsnaam 2] , en vier uitsneden van deze foto’s. Hieronder worden de vier foto’s en de vier uitsneden opgenomen ter verduidelijking.\n\nDe vier foto’s van de gehele panelen\n\nDe vier uitsneden\n\n3.3.. De vier foto’s waarop de gehele wandpanelen met aankleding te zien zijn, zijn het resultaat van de originele en creatieve keuzes van de maker. Op de foto is te zien dat er keuzes gemaakt zijn met betrekking tot de wijze waarop de wandpanelen in beeld zijn gebracht. Zo hebben de foto’s een specifieke belichting en hoek, waardoor de structuur en kleur van de wandpanelen goed uitkomen. Ook hebben de foto’s een bewust gekozen compositie en enscenering, bijvoorbeeld doordat er een stoel of accessoire in op is genomen om het beeld op een bepaalde manier aan te kleden. Dit alles maakt dat er geen sprake is van dertien-in-een-dozijn-kiekjes en dat de foto’s goed te onderscheiden zijn van andere foto’s van wandpanelen. Daarom dragen zij de stempel van de maker en zijn zij te beschouwen als werk in de zin van de Auteurswet.\n\n3.4.. Voor de uitsneden van de foto’s geldt het volgende. Dit zijn geen nieuwe foto’s die op zichzelf auteursrechtelijke bescherming verdienen. [eiser] heeft uitgelegd dat het gaat om dezelfde foto’s als in overweging 3.2. besproken, maar dat hij er een stukje van heeft uitgesneden om het wandpaneel beter in beeld te brengen. Puur het maken van een uitsnede geeft niet voldoende uitdrukking aan creatieve keuzes of artistieke expressie om op zichzelf auteursrechtelijk bescherming te verdienen. De vier eerste foto’s, waarop het gehele wandpaneel met compositie te zien is, zijn dus auteursrechtelijk beschermd. De vier foto’s waarop slechts een uitsnede te zien is niet.\n\n3.5.. \n [eiser] vindt verder dat [handelsnaam 2] inbreuk heeft gemaakt op de auteursrechten die zouden rusten op de productnamen die hij heeft bedacht voor de betreffende wandpanelen. Het gaat om de namen ‘Bianco Carrara Marmerpaneel’, ‘Crème Marfil Marmer Wandpaneel’, ‘Grigio Carnico Marmerpaneel’ en ‘Marquina Marmerpaneel’. Naar het oordeel van de kantonrechter zijn de productnamen niet auteursrechtelijk beschermd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] uitgelegd dat deze namen verwijzen naar de marmersoort waarop de wandpanelen geïnspireerd zijn, namelijk een combinatie van de kleurtint (bijvoorbeeld ‘bianco’) en de groeve waaruit die marmersoort afkomstig is (bijvoorbeeld ‘Carrara’). [handelsnaam 2] heeft ook onderbouwd aangevoerd dat vergelijkbare namen veelvuldig gebruikt worden op andere websites waar wandpanelen met een marmer-look verkocht worden. Hierdoor vindt de kantonrechter dat deze productnamen vooral beschrijvend van aard zijn, en daarom niet voldoende creatief zijn om auteursrechtelijk beschermd te zijn.\n\n [eiser] heeft de auteursrechten op de foto’s\n\n3.6.. Dan komt de vraag aan de orde of [eiser] wel de auteursrechten op de foto’s heeft, en niet de fotograaf die de foto’s heeft genomen. [eiser] meent dat hij de auteursrechten heeft op grond van artikel 6 Auteurswet (hierna: Aw). Mocht dat niet het geval zijn, dan vindt hij dat hij de auteursrechten bij akte van de fotograaf heeft verkregen op 13 oktober 2025.\n\n3.7.. Uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat in beginsel de fotograaf moet worden aangemerkt als de maker van foto’s in de zin van de Auteurswet. Dit kan slechts anders zijn als een werk op grond van artikel 6 Aw tot stand is gekomen naar het ontwerp van een ander en onder diens leiding en toezicht. [eiser] zegt dat dat het geval is voor wat betreft deze foto’s. Hij heeft namelijk de opstellingen gecreëerd en expliciete instructies gegeven voor wat betreft de belichting en de gewenste uitstraling van de beelden.\n\n3.8.. De kantonrechter gaat hier niet in mee. Hoewel uit de stellingen van [eiser] blijkt dat hij een nauwe betrokkenheid had bij de totstandkoming van de foto’s, is dit onvoldoende om te spreken van makerschap in de zin van artikel 6 Aw. Uit vaste rechtspraak, en de uitleg van de wetgever bij dit wetsartikel (de zogenoemde Memorie van Toelichting), blijkt dat niet snel aan de vereisten van dit artikel voldaan is. Het moet gaan om situaties waarin vrijwel alle creatieve keuzes gemaakt zijn door de één (in dit geval [eiser] ), waar de ander (in dit geval de fotograaf) slechts als ‘hand’ fungeerde, zonder wezenlijke eigen artistieke inbreng te leveren. Dat hiervan sprake zou zijn in deze situatie is niet gebleken.\n\n3.9.. De kantonrechter gaat wel mee in de stelling dat [eiser] de auteursrechten bij akte heeft verkregen. De fotograaf heeft bij akte van 13 oktober 2025 alle auteursrechten ten aanzien van de foto’s en alle bijbehorende vorderingsrechten aan [eiser] overgedragen. Dat betekent dat [eiser] vanaf dat moment de auteursrechten op de foto’s heeft. Dit heeft ook tot gevolg dat [eiser] gerechtigd is om deze procedure te voeren, ook als deze ziet op inbreuken van voor 13 oktober 2025.\n\n [handelsnaam 2] heeft zich schuldig gemaakt aan auteursrechtinbreuk\n\n3.10.. De kantonrechter komt nu toe aan de vraag of [handelsnaam 2] inbreuk heeft gemaakt op de auteursrechten die op de foto’s rusten.\n\n3.11.. In april 2025 ontdekte [eiser] dat de foto’s van de wandpanelen, met bijbehorende productnamen, ook geplaatst waren op de website van [handelsnaam 2] . Hij heeft toen op 17 april 2025 een e-mail verzonden naar [handelsnaam 2] waarin hij haar verzocht deze foto’s en productnamen te verwijderen. Op 24 april 2025 heeft [eiser] nogmaals een e-mail verzonden met hetzelfde verzoek. Op beide e-mails is niet gereageerd. Op 6 juni 2025 heeft de gemachtigde van [eiser] een sommatie verzonden zowel per e-mail, en op 20 juni 2025 nogmaals per mail, en ditmaal ook per Whatsapp naar het mobiele nummer dat op de website van [handelsnaam 2] vermeld stond. Op het Whatsapp-bericht volgde dezelfde dag reactie van [handelsnaam 2] dat zij de foto’s en productnamen van haar website had gehaald.\n\n3.12.. \n [handelsnaam 2] heeft aangevoerd dat zij het gebruiken van de foto’s en de productnamen niet bewust heeft gedaan. Zij heeft iemand ingehuurd om een website voor haar te bouwen, en diegene heeft op eigen initiatief de foto’s gebruikt. Daardoor was zij zich van geen kwaad bewust. De e-mails van 17 april, 24 april, 6 juni en 20 juni heeft [handelsnaam 2] niet ontvangen, omdat haar e-mailaccount niet functioneerde. Toen zij op 20 juni voor het eerst bekend werd met het verzoek van [eiser] door het WhatsApp-bericht heeft zij direct de foto’s verwijderd.\n\n3.13.. Vast staat dat de foto’s van de website van [handelsnaam 1] , ook op de website van [handelsnaam 2] hebben gestaan zonder toestemming en naamsvermelding. Daardoor heeft [handelsnaam 2] volgens de kantonrechter inbreuk gemaakt op het auteursrecht dat op de foto’s rust, en onrechtmatig gehandeld.\n\n3.14.. De kantonrechter begrijpt dat [handelsnaam 2] niet bewust de foto’s van [eiser] heeft gebruikt, en de kantonrechter gelooft ook dat zij de eerdere e-mails niet ontvangen heeft, maar dat maakt dit oordeel niet anders. Ook het per ongeluk schenden van andermans auteursrecht levert wettelijk gezien een inbreuk op het auteursrecht op. Het is de website van [handelsnaam 2] , waardoor zij ook de verantwoordelijkheid draagt voor het materiaal dat erop gepubliceerd staat. Van haar mag verwacht worden dat zij als exploitant van de website de inhoud van de website controleert. Het e-mailadres stond, zonder waarschuwing dat deze niet werkte, op de website van [handelsnaam 2] genoteerd. Dat deze lange tijd niet functioneerde is eveneens haar verantwoordelijkheid en moet voor haar eigen rekening blijven.\n\nSchade\n\n3.15.. Gelet op het voorgaande is [handelsnaam 2] verplicht de schade die [eiser] als gevolg van de auteursrechtinbreuk heeft geleden te vergoeden.\n\n3.16.. De kantonrechter is van oordeel dat voldoende is onderbouwd dat [eiser] door de auteursrechtinbreuk schade heeft geleden. De hoogte van deze schade is niet exact vast te stellen nu niet duidelijk is of [eiser] klandizie is kwijtgeraakt. Nu de schade niet exact is vast te stellen, zal deze begroot moeten worden op een manier die zo goed mogelijk aansluit bij de aard van de geleden schade. Uitgangspunt bij deze begroting is dat de auteursrechthebbende (in dit geval [eiser] ) ten minste aanspraak kan maken op een schadevergoeding gelijk aan de licentievergoeding die verschuldigd zou zijn geweest, als er wel toestemming voor de verveelvoudiging zou zijn gevraagd. Om te bepalen hoe hoog die vergoeding zou zijn geweest, sluit de kantonrechter aan bij de tarievenlijst 2025 van Stichting BeeldAnoniem. Op basis daarvan geldt een basistarief van € 723,00 voor 4-6 werken. [handelsnaam 2] moet dus € 723,00 aan schadevergoeding betalen.\n\n3.17.. \n [eiser] heeft de licentievergoeding inclusief BTW gevorderd. Daar gaat de kantonrechter niet in mee. Nu het door de kantonrechter toegewezen bedrag een schadevergoeding betreft, hoeft [eiser] daar geen BTW over af te dragen. Hij heeft dus ook geen recht op vergoeding daarvan.\n\n3.18.. De door [eiser] gevorderde opslag van 25% omdat de foto’s zonder naamsvermelding op een website openbaar zijn gemaakt wijst de kantonrechter toe. Vast staat namelijk dat [handelsnaam 2] de foto’s zonder naamsvermelding van de fotograaf op de website had staan, waardoor zij deze opslag verschuldigd was. Zij was dat in eerste instantie aan de fotograaf maar, zoals ook besproken in de overwegingen 3.9.-3.12., heeft [eiser] de vorderingsrechten van de fotograaf overgenomen. Daarom is [eiser] nu gerechtigd om deze opslag te vorderen. Deze opslag komt neer op een bedrag van €180,75.\n\nDe kantonrechter wijst de vordering tot verklaring voor recht af\n\n3.19.. \n [eiser] heeft een verklaring voor recht gevorderd dat [handelsnaam 2] met haar handelen inbreuk heeft gemaakt op de auteursrechten van [eiser] . Deze vordering zal de kantonrechter afwijzen wegens gebrek aan belang. Uit het voorgaande, en de toewijzing van de vordering tot schadevergoeding, blijkt namelijk al dat [handelsnaam 2] onrechtmatig heeft gehandeld en inbreuk heeft gemaakt op de auteursrechten die rusten op de foto’s. Daardoor heeft [eiser] geen belang meer bij deze verklaring voor recht.\n\n [handelsnaam 2] moet wettelijke rente betalen\n\n3.20.. De door [eiser] gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar nu [handelsnaam 2] in verzuim is met betaling van de geldsom, en [handelsnaam 2] tegen de wettelijke rente verder geen verweer heeft gevoerd. De wettelijke rente over de schadevergoeding zal worden toegewezen vanaf 17 april 2025.\n\n [handelsnaam 2] moet proceskosten betalen\n\n3.21.. \n [handelsnaam 2] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Deze procedure ziet op de handhaving van intellectuele eigendomsrechten, zodat artikel 1019h Rv van toepassing is. Op grond van dat artikel wordt de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in redelijke en evenredige gerechtskosten en andere kosten die de in het gelijk gestelde partij heeft gemaakt, tenzij de billijkheid zich daartegen verzet. Bij de vaststelling van de redelijke en evenredige kosten ex artikel 1019h Rv gaat de kantonrechter uit van de door de rechtbank gehanteerde Indicatietarieven in IE-zaken, versie 1 februari 2026. Naar het oordeel van de kantonrechter betreft het een eenvoudige bodemzaak, waardoor er maximaal € 9.600 aan proceskosten toegewezen kunnen worden.\n\n3.22.. De kantonrechter vindt een vergoeding van € 3.200,00 billijk. Hoewel [eiser] facturen heeft overgelegd ter hoogte van in totaal € 8.294,55, vindt de kantonrechter het niet redelijk om dit volledige bedrag door [handelsnaam 2] te laten vergoeden. Daartoe is het volgende doorslaggevend.\n\n3.23.. Ten eerste betreft dit een eenvoudige inbreukkwestie, met een beperkt feitecomplex waardoor de kantonrechter dit beschouwt als een eenvoudige en niet al te bewerkelijke zaak. In dit kader vindt de kantonrechter het ook relevant dat [handelsnaam 2] voldoende onderbouwd heeft dat zij geen panelen met marmerlook heeft verkocht in de periode dat de foto’s online stonden. Bovendien heeft zij gemotiveerd gesteld dat zij überhaupt weinig gebruik heeft gemaakt van de website, omdat zij haar klandizie niet via de website krijgt, maar deze bij hem in de showroom langskomt. In het licht van de uitgebreide motivering van [handelsnaam 2] heeft [eiser] dit onvoldoende onderbouwd betwist. Ook vindt de kantonrechter het relevant dat [handelsnaam 2] de inbreuk niet opzettelijk heeft gepleegd, en de foto’s verwijderd heeft zodra zij ervan op de hoogte raakte. Daar komt bij dat een deel van de kosten gemaakt zijn voordat [eiser] de auteursrechten bezat, en gemaakt zijn ten behoeve van de auteursrechtoverdracht op 13 oktober 2025. De kantonrechter vindt het niet redelijk als [handelsnaam 2] die kosten moet dragen.\n\n3.24.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\nDe kantonrechter wijst de vordering tot betaling van BIK af\n\n3.25.. \n [eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Een dergelijke vergoeding is slechts toewijsbaar, als deze kosten in redelijkheid zijn gemaakt tot verkrijging van betaling buiten een gerechtelijke procedure en de omvang daarvan ook redelijk is. [eiser] heeft weliswaar voldoende gesteld en onderbouwd dat er buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht, maar deze zien met name op de periode voordat [eiser] de auteursrechten heeft verkregen. Daarna zien de gemaakte kosten op de voorbereiding van deze procedure. De kosten die met de instructie van de zaak gepaard gaan, worden geacht in een proceskostenveroordeling te zijn begrepen.\n\n4. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n4.1.. veroordeelt [handelsnaam 2] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 903,75, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 17 april 2025, tot de dag van volledige betaling,\n\n4.2.. veroordeelt [handelsnaam 2] in de proceskosten van € 3.200,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [handelsnaam 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n4.3.. veroordeelt [handelsnaam 2] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n4.4.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,\n\n4.5.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door J.A. Schuman en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2307","ecli-nl-rbmne-2026-2307",{"courtName":6,"legalDomain":32,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":87,"ecli":88,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":89,"fullText":90,"language":7,"source":17,"sourceUrl":91,"summary":14,"slug":92,"metadata":93},"445","ECLI:NL:RBMNE:2026:1977","2026-04-23T00:00:00.000Z","RECHTBANK Midden-Nederland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Lelystad\n\nZaaknummer: C\u002F16\u002F608504 \u002F KL ZA 26-67\n\nVonnis in kort geding van 23 april 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [eisende partij sub 1] ,\n\nwonende te [woonplaats] , 2. EUROPA PARK B.V.,\n\ngevestigd te Zwolle, 3. AMH FLEVOLAND B.V.,\n\ngevestigd te Zwolle,\n\neisende partijen,\n\nadvocaat: mr. J.R. Bügel,\n\ntegen\n\nGEMEENTE DRONTEN,\n\nzetelend te Dronten,\n\ngedaagde partij,\n\nadvocaat: mr. M.P.C. Hendriks en mr. J.R. Joosten.\n\nPartijen zullen hierna [eisende partij c.s.] en de gemeente worden genoemd.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 24 maart 2026, met bijlagen;\n\n- de conclusie van antwoord met bijlagen;\n\n- de nagezonden productie 6 aan zijde van [eisende partij c.s.] ; - de pleitnota van [eisende partij c.s.] ; - de pleitnota van de gemeente.\n\n1.2.. De mondelinge behandeling is gehouden op 9 april 2026. Bij de mondelinge behandeling waren namens [eisende partij c.s.] aanwezig de heer [eisende partij sub 1] , tevens bestuurder van Europark B.V. en AMH Flevoland B.V., samen met mr. Bügel. Namens de gemeente was mevrouw [A] , senior projectleider gebiedsontwikkeling bij de gemeente, aanwezig, samen met mr. Hendriks en mr. Joosten. Door en namens partijen zijn de standpunten verder toegelicht en is antwoord gegeven op vragen van de voorzieningenrechter. Van de mondelinge behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt.\n\n1.3.. Daarna volgt dit vonnis.\n\n2. De kern\n\n2.1.. \n [eisende partij c.s.] kan zich niet verenigen met de voorgenomen verkoop van een perceel grond door de gemeente. Volgens [eisende partij c.s.] heeft de gemeente ten onrechte gesteld dat er slechts één serieuze gegadigde voor de koop van het perceel grond is nu zij ook een belang bij de koop van het betreffende perceel heeft en daarmee een serieuze gegadigde is.\n\n2.2.. \n [eisende partij c.s.] is van mening dat de gemeente conform de Didam-arresten van de Hoge Raad een openbare selectieprocedure op basis van objectieve, toetsbare en redelijk criteria had moeten organiseren om (potentiële) gegadigden ruimte te bieden om mee te dingen naar het door de gemeente te koop aangeboden perceel grond. Nu zij dat niet heeft gedaan handelt de gemeente volgens [eisende partij c.s.] in strijd met artikel 3:14 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het gelijkheidsbeginsel. Zij vordert daarom een verbod tot verkoop zonder dat de gemeente eerst een dergelijke openbare selectieprocedure doorloopt. De vorderingen worden toegewezen, zoals hierna in dit vonnis wordt toegelicht.\n\n3. De achtergrond\n\n3.1.. De gemeente is eigenaar van een perceel grond nabij de Rendierweg in Dronten, kadastraal bekend gemeente Dronten, sectie B, nummer 4139 (het Perceel).\n\n3.2.. \n\nIn de gemeente nemen studenten en tijdelijke arbeidsmigranten een belangrijke\n\nplaats in. Het gemeentelijke beleid op het gebied van huisvesting van studenten en\n\ntijdelijke arbeidsmigranten is vastgelegd in de Beleidsvisie huisvesting studenten en tijdelijke arbeidsmigranten (de Beleidsvisie). Eén van de doelen uit de Beleidsvisie is de woningmarkt in Dronten beter te laten functioneren op basis van uitgangspunten die inspelen op huidige en toekomstige woonvraag van voormelde groepen.\n\n3.3.. Onderdeel van de Beleidsvisie is dat in verband met de daaruit voortvloeiende overlast de grote concentratie van studentenwoningen in Dronten-Noord moet worden verminderd. In dat kader doorlopen de eigenaren van studentenwoningen in Dronten-Noord een apart traject. De gemeente heeft in dat verband gesprekken gevoerd met partij [familie] die onder meer eigenaar is van 17 studentenwoningen in Dronten-Noord.\n\n3.4.. \n\nDe gemeente heeft vervolgens met [familie] de overeenkomst inzake sanering\n\nstudentenwoningen en compensatie gesloten, waarin is opgenomen dat [familie] medewerking verleent aan het beëindigen van de studentbewoning in zijn 17 woningen in Dronten-Noord. Ter compensatie daarvan heeft [familie] het recht gekregen om van de gemeente het Perceel aan te kopen ten behoeve van de ontwikkeling van huisvesting voor tijdelijke arbeidsmigranten, een groep waarvoor binnen de gemeente een groot tekort aan huisvesting bestaat. Door uitvoering te geven aan deze overeenkomst wordt de situatie rondom de studentenhuisvesting in Dronten-Noord in overeenstemming gebracht met de Beleidsvisie, te weten maximaal één studentenwoning per 100 meter reguliere bebouwing.\n\n3.5.. \n\nOp 19 januari 2026 heeft de gemeente haar voorgenomen verkoop van het Perceel op haar website gepubliceerd (de Publicatie). De Publicatie luidt als volgt:\n\n“Voorgenomen verkoop van grond door de gemeente Dronten gelegen\n\nnabij de Rendierweg te Dronten\n\nDe gemeente Dronten heeft het voornemen om het perceel grond gelegen nabij de Rendierweg(ongenummerd) in Dronten, kadastraal bekend gemeente Dronten, sectie B, nummer 4139, groot 9.009 m² hierna te noemen “het Perceel”, over te dragen aan de initiatiefnemer (familie [familie] ), hierna te noemen: Initiatiefnemer.\n\nMet het sluiten van de koopovereenkomst voor de overdracht van het bovengenoemde perceel wordt uitvoering gegeven aan beleid van de Gemeente om de studentenhuisvesting in Dronten-Noord zodanig terug te brengen dat dit - zoveel als mogelijk - in overeenstemming is met de beleidsmatige uitgangspunten van één bijzondere woonvorm in een reguliere woning per 100 meter.\n\nNaar het oordeel van de gemeente Dronten is Initiatiefnemer de enige serieuze gegadigde die in aanmerking komt voor het sluiten van een koopovereenkomst ten behoeve van de overdracht van de grond op het hierboven aangegeven Perceel, dit om navolgende redenen:\n\n1. De gemeente voert met de Initiatiefnemer al gedurende een lange periode overleg om het aantal studentenhuizen in woonwijken te verminderen en heeft daarover met de initiatiefnemer afspraken gemaakt die het mogelijk maken dat het aantal studentenhuizen in reguliere woonwijken binnen afzienbare tijd zal verminderen;\n\n2. Initiatiefnemer is in principe de enige partij die op korte termijn het maatschappelijke probleem van studentenhuisvesting in reguliere woonwijken in Dronten-Noord kan oplossen. Dit maatschappelijke probleem bestaat uit het feit dat er thans te hoge aantallen studentenwoningen in woonwijken aanwezig zijn, waardoor de leefbaarheid van de bewoners in het geding is. Het beleid van de gemeente is er op gericht om de leefbaarheid van de woonwijken te verbeteren en studenten elders te huisvesten;\n\n3. In aanvulling op het hiervoor gestelde, is de Initiatiefnemer eveneens in staat om naast het verminderen van het aantal studentenhuizen in reguliere woonwijken, te voorzien in een uitbreiding van huisvesting voor arbeidsmigranten, hetgeen eveneens een belangrijk speerpunt is van het woonbeleid van de gemeente Dronten aangezien er veel vraag is naar huisvesting voor arbeidsmigranten maar onvoldoende aanbod van huisvesting is.\n\nUit de hiervoor genoemde argumenten, in onderlinge samenhang bezien, vloeit voort dat de\n\ngemeente van oordeel is dat er op grond van objectieve, redelijke en toetsbare criteria, slechts één serieuze gegadigde in aanmerking komt voor het sluiten van de overeenkomst met de gemeente Dronten.”\n\n3.6.. Onder andere bij e-mail van 15 februari 2026 heeft [eisende partij c.s.] bezwaar gemaakt tegen het voornemen van de gemeente om het Perceel aan [familie] te verkopen. De gemeente heeft bij brief van 10 maart 2026 toegelicht bij haar standpunt te blijven. Zij schrijft verder dat [eisende partij c.s.] al sinds januari 2024 bekend zou zijn met het traject met [familie] , dat [eisende partij c.s.] niet voldoet aan de gestelde selectiecriteria en dat in verband met de lopende vervaltermijn, zoals opgenomen in de Publicatie, zijn reactie te laat is ingediend.\n\nStandpunt en vordering van [eisende partij c.s.]\n\n3.7.. Na kennisneming van het bericht van de gemeente van 10 maart 2026 is [eisende partij c.s.] van mening dat de gemeente ten onrechte stelt dat [familie] als enige serieuze gegadigde voor het Perceel kan worden aangemerkt. Volgens [eisende partij c.s.] had de gemeente op grond van de zogenaamde Didam-regels een openbare selectieprocedure op basis van objectieve, toetsbare en redelijk criteria moeten organiseren om (potentiële) gegadigden ruimte te bieden om mee te dingen naar het door het Perceel. Nu zij dat heeft nagelaten heeft de gemeente volgens [eisende partij c.s.] er onvoldoende blijk van gegeven dat zij de belangen van derden, waaronder die van [eisende partij c.s.] , heeft betrokken bij haar besluit tot verkoop van het Perceel. Dit is volgens [eisende partij c.s.] in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het gelijkheidsbeginsel.\n\n3.8.. Volgens [eisende partij c.s.] heeft hij tevens belang bij de koop van het Perceel. [eisende partij c.s.] stelt ook actief te zijn als aanbieder van huisvesting voor arbeidsmigranten in de omgeving van Dronten en als zodanig tevens tot ontwikkeling van huisvesting voor arbeidsmigranten op het Perceel over te kunnen gaan. De aanname dat [familie] de enige serieuze gegadigde is voor de koop van het Perceel is niet gebaseerd op objectieve, toetsbare en redelijke criteria die bekend zijn gemaakt in de Publicatie en daarin deugdelijk zijn gemotiveerd, aldus [eisende partij c.s.]\n\n3.9.. \n\nGezien het voorgaande vordert [eisende partij c.s.] – samengevat – dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de gemeente:\n\nI. te verbieden uitvoering te geven aan het voornemen tot vervreemding van het Perceel op welke wijze dan ook dan wel uitvoering te geven aan de terzake gesloten overeenkomst met [familie] ;\n\nII. te gebieden, voor zover de gemeente nog voornemens is het Perceel te verkopen, mededingingsruimte te bieden, zodat ook [eisende partij c.s.] kan meedingen naar het Perceel;\n\nIII. te gebieden de Publicatie in te trekken en, voor zover de gemeente nog voornemens is het Perceel te verkopen aan één serieuze gegadigde, de gemeente een nieuwe Publicatie moet doen uitgaan die voldoet aan de daaraan te stellen motiverings- en rechtsbeschermingsvereisten; en\n\nIV. te veroordelen tot betaling van de proceskosten.\n\nStandpunt en verweer van de gemeente\n\n3.10.. Onder wijzing naar de door de Hoge Raad gewezen Didam-arresten stelt de gemeente zich – kort gezegd – op het standpunt dat de zogenaamde Didam-regels uit voormelde arresten het mogelijk maken om één-op-één te contracteren, indien redelijkerwijs te verwachten is dat er maar één serieuze gegadigde is. Uit die arresten volgt ook dat aan de gemeente beleidsruimte toekomt bij het bepalen van de (kring van) gegadigden die voor het Perceel in aanmerking komen.\n\n3.11.. \n\nDe gemeente stelt dat zij bij de verkoop van het Perceel volgens de zogenoemde Didam-regels heeft gehandeld nu zij vooraf op grond van objectieve, toetsbare en redelijke criteria heeft geconcludeerd dat [familie] als enige serieuze gegadigde voor verkrijging van het Perceel aanmerking kwam. De gehanteerde criteria houden volgens de gemeente rechtstreeks verband met het gemeentelijk beleid zoals opgenomen in de Beleidsvisie, waaronder de sanering van studentenhuisvesting in Dronten-Noord en het realiseren van nieuwe huisvesting voor arbeidsmigranten. De gemeente stelt verder dat zij het voornemen tot verkoop, inclusief criteria en de bijbehorende motivering, tevens tijdig en met een passende mate van openbaarheid door middel van de Publicatie heeft gepubliceerd. Volgens de gemeente voldoet [eisende partij c.s.] op zijn beurt niet aan de gehanteerde criteria en kan daarom niet als serieuze gegadigde voor het Perceel worden aangemerkt. De gemeente concludeert dan ook tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partij c.s.] met veroordeling van [eisende partij c.s.] in de proceskosten.\n\n4. De beoordeling\n\nDe te beantwoorden vragen en opbouw van dit vonnis\n\n4.1.. Deze procedure kan worden opgesplitst in drie (hoofd)vragen die beantwoord moeten worden.\n\n4.2.. De eerste vraag is of [eisende partij c.s.] een voldoende belang heeft bij de door hem ingestelde vorderingen in de zin van artikel 3:303 BW. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord moet vervolgens als tweede worden beoordeeld of de termijn, zoals opgenomen in de Publicatie, als een vervaltermijn moet worden aangemerkt en in het vervolg daarvan of het verstrijken van deze termijn tot niet-ontvankelijkheid van [eisende partij c.s.] moet leiden. Indien wordt geoordeeld dat [eisende partij c.s.] ontvankelijk is in zijn vorderingen moet als derde vraag worden beantwoord of de gemeente [familie] als enige serieuze gegadigde voor de koop van het Perceel heeft mogen aanmerken.\n\n4.3.. Hierna zullen voornoemde onderwerpen in de bovengenoemde volgorde worden besproken.\n\ni.) Heeft [eisende partij c.s.] een voldoende belang bij de door hem ingestelde vorderingen?\n\n4.4.. \n\nDe eisende partijen in deze procedure zijn de heer [eisende partij sub 1] , Europa\n\nPark B.V. en AMH Flevoland B.V. Volgens de gemeente heeft [eisende partij c.s.] onvoldoende toegelicht wat het belang is bij de door hem ingestelde vorderingen. De gemeente stelt dat het om die reden onduidelijk is waarom [eisende partij c.s.] ook aan de door de gemeente gehanteerde criteria zou voldoen en daarmee als serieuze gegadigde voor de koop van het Perceel moet worden aangemerkt.\n\n4.5.. In het kader van het door de gemeente gehanteerde criterium inhoudende dat de concentratie van studentenwoningen in Dronten-Noord moet worden verminderd heeft [eisende partij c.s.] toegelicht dat ook hij diverse woningen in Dronten-Noord kan inleveren. De betreffende woningen zijn eigendom van de heer [eisende partij sub 1] in privé en niet van de onder 4.4 genoemde vennootschappen. Uit het voorgaande volgt volgens de gemeente dat niet kan worden vastgesteld dat alle eisende partijen een eigen, rechtstreeks en voldoende concreet belang hebben bij de ingestelde vorderingen. Daar komt bij dat [eisende partij c.s.] heeft nagelaten om inzichtelijk te maken in welke hoedanigheid de eisende partijen gezamenlijk bij de aankoop van het Perceel betrokken zijn. Reden waarom [eisende partij c.s.] volgens de gemeente niet-ontvankelijk dient te worden verklaard met betrekking tot de door hem ingestelde vorderingen.\n\n4.6.. Tijdens de mondelinge behandeling is door [eisende partij c.s.] toegelicht dat zijn belang bij de vorderingen erin is gelegen dat de heer [eisende partij sub 1] in privé eigenaar is van diverse panden, die worden geëxploiteerd door Europa Park B.V. en AMH Flevoland B.V. Voornoemde vennootschappen zijn de professionele marktpartijen die de huisvesting aanbieden en hebben volgens [eisende partij c.s.] dus een direct bedrijfseconomisch belang bij het verwerven van nieuwe locaties, zoals het Perceel. Volgens [eisende partij c.s.] voldoet hij daarmee aan de vereisten van artikel 3:303 BW.\n\n4.7.. Zonder voldoende belang komt niemand een rechtsvordering toe. Dat volgt uit artikel 3:303 BW. Met toepassing van dat toetsingskader is de voorzieningenrechter van oordeel dat Europa Park B.V. en AMH Flevoland B.V. niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen. Daartoe is redengevend dat de onderhavige zaak - in de kern genomen - betrekking heeft op het feit of mededinging had moet worden geboden in de vorm van een openbare selectieprocedure voor de aankoop van het Perceel. [eisende partij c.s.] heeft toegelicht dat partijen Europa Park B.V. en AMH Flevoland B.V. enkel tot exploitatie overgaan van het onroerend goed dat de heer [eisende partij sub 1] in privé in eigendom heeft. Europa Park B.V. en AMH Flevoland B.V kopen dus niet zelf onroerend goed aan en [eisende partij c.s.] heeft ook niet toegelicht dat voornoemde vennootschappen tot aankoop van het Perceel wensen over te gaan indien daartoe de mogelijkheid wordt geboden. Daar komt bij dat tevens onvoldoende feitelijk is toegelicht dat wanneer de heer [eisende partij sub 1] in privé de mogelijkheid wordt geboden het Perceel aan te kopen Europa Park B.V. en AMH Flevoland B.V. ook daadwerkelijk de partijen zijn die tot exploitatie van het Perceel zullen overgaan. Voormelde omstandigheden in samenhang beschouwd acht de voorzieningenrechter onvoldoende voor een eigen, rechtsreeks en voldoende concreet belang van Europa Park B.V. en AMH Flevoland B.V.\n\n4.8.. Omdat de heer [eisende partij sub 1] in privé ( [eisende partij sub 1] ) wel tot aankoop van het Perceel wenst over te gaan, heeft hij wel een eigen, rechtstreeks en voldoende concreet belang bij de ingestelde vorderingen in de zin van artikel 3:303 BW en is daarmee ontvankelijk in deze procedure. Hetgeen in het vervolg in dit vonnis wordt geoordeeld zal daarom alleen op de partijen [eisende partij sub 1] en de gemeente betrekking hebben.\n\nii.) Is er sprake van een in de Publicatie opgenomen verlopen vervaltermijn?\n\n4.9.. Nu vaststaat dat [eisende partij sub 1] voldoende belang heeft bij zijn vorderingen, moet vervolgens worden beoordeeld of de termijn, zoals opgenomen in de Publicatie, als een fatale – door [eisende partij sub 1] overschreden – termijn moet worden aangemerkt.\n\n4.10.. \n\nIn de Publicatie is met betrekking tot het maken van bezwaar tegen de door de gemeente voorgenomen verkoop van het Perceel aan [familie] het volgende opgenomen:\n\n“Vervaltermijn\n\nIndien u zich niet kunt verenigen met het omschreven voornemen en u eveneens meent in aanmerking te komen voor het sluiten van een dergelijke koopovereenkomst voor het voornoemde perceel, dan dient u dit binnen een termijn van twintig kalenderdagen na de datum van deze publicatie, schriftelijk aan de gemeente Dronten kenbaar te maken en te motiveren waarom u het niet eens bent met het voornemen tot het sluiten van een koopovereenkomst. U kunt uw reactie aan de gemeente kenbaar maken door het invullen van het formulier via de link (www.dronten.nl\u002Fdidam-arrest). Indien het invullen van het formulier via de link (www.dronten.nl\u002Fdidam-arrest) niet mogelijk is, dan kunt u uw reactie ook binnen de hiervoor genoemde termijn schriftelijk sturen naar de gemeente, dit naar onderstaand adres.\n\nWij merken op dat het indienen van een reactie niet automatisch meebrengt dat de gemeente geen uitvoering geeft aan het voornemen. Daarvoor is het noodzakelijk dat u binnen de hiervoor genoemde termijn een kort geding tegen dit voornemen aanhangig maakt bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland (postadres: Postbus 16005, 3500 DA Utrecht), waarbij u de voorzieningenrechter verzoekt een voorlopige voorziening te treffen.\n\nHet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dronten\n\nt.a.v. afdeling Grondzaken\n\npostbus 100\n\n8250 AC DRONTEN\n\nOnder vermelding van “Overdracht perceel Rendierweg te Dronten”.\n\nIndien de gemeente Dronten geen aanmeldingen ontvangt met betrekking tot de voorgenomen verkoop van het voornoemde perceel grond aan Initiatiefnemer binnen de hiervoor gestelde termijn dan zal de gemeente Dronten tot verkoop overgaan.\n\nDronten, 19-01-2026.”\n\n4.11.. \n [eisende partij sub 1] heeft bij e-mail van 15 februari 2026 bezwaar gemaakt tegen het voornemen van de gemeente om het Perceel aan [familie] te verkopen. Dat betekent dat [eisende partij sub 1] zich na het verstrijken van de in de Publicatie genoemde termijn van 20 kalenderdagen bij de gemeente heeft gemeld. Volgens de gemeente mocht zij erop vertrouwen dat na het verstrijken van de door haar gestelde vervaltermijn zich geen gegadigden meer zouden melden die tegen het voornemen tot verkoop van het Perceel wilden opkomen. De gemeente stelt dat wanneer zij aan de koopovereenkomst met [familie] uitvoering wenst te geven, dat gezien de voormelde termijnoverschrijding niet onrechtmatig is jegens [eisende partij sub 1] . Op basis van het voorgaande is de gemeente van mening dat dat de vorderingen van [eisende partij sub 1] moeten worden afgewezen, althans dat [eisende partij sub 1] daarin niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.\n\n4.12.. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er in het geval van een voorgenomen verkoop van grond door een overheidslichaam geen wettelijke vervaltermijn geldt zoals in het aanbestedingsrecht het geval is. Ook is er geen sprake van een contractueel overeengekomen vervaltermijn. De termijn waarop de gemeente een beroep doet is éénzijdig door de gemeente opgelegd. Er moet daarom aan de hand van het algemene leerstuk van rechtsverwerking worden bepaald of sprake is van rechtsverwerking of niet. Het enkel stilzitten is daarvoor onvoldoende. Er moet sprake zijn van bijkomende omstandigheden. Dat daarvan sprake is, is niet gebleken. De gemeente heeft slechts aangevoerd dat [eisende partij sub 1] voor de Publicatie al op de hoogte was van de onderhandelingen met [familie] en desondanks geen actie heeft ondernomen om daar tegenop te komen. De gemeente verwijst in dat verband naar een e-mail van 15 januari 2024 van [eisende partij sub 1] gericht aan de gemeente waarin hij schrijft over “de deal met [familie]”. Het op de hoogte zijn van onderhandelingen tussen de gemeente en [familie] is echter wat anders dan dat [eisende partij sub 1] ook daadwerkelijk op de hoogte was of kon zijn van het moment waarop de koop met betrekking tot het Perceel zou worden geëffectueerd. Dit geldt temeer nu de gemeente kennelijk al sinds 2024 met [familie] in onderhandeling is over aankoop van het Perceel. De gemeente heeft ook geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat [eisende partij sub 1] voorafgaand aan de Publicatie van de voorgenomen koop op de hoogte was of kon zijn. Daar komt bij dat niet van andere feiten of omstandigheden is gebleken waaruit kan worden afgeleid dat door [eisende partij sub 1] bij de gemeente het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat hij niet tegen de door de gemeente voorgenomen verkoop van het Perceel zou opkomen. De conclusie is dan ook dat van rechtsverwerking geen sprake is. Daarmee wordt aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak toegekomen.\n\niii.) Is [familie] door de gemeente terecht aangemerkt als enige serieuze gegadigde voor het Perceel?\n\nHet toetsingskader: de Didam-regels\n\n4.13.. De vorderingen van [eisende partij sub 1] zijn gegrond op de zogenoemde Didam-regels die volgen uit de door de Hoge Raad gewezen twee Didam-arresten (26 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1778 en 15 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1661). Deze arresten houden in de kern het volgende in.\n\n4.14.. Uit het Didam I-arrest volgt dat (op grond van het gelijkheidsbeginsel) een overheidslichaam dat het voornemen heeft een aan hem toebehorende onroerende zaak te verkopen, ruimte moet bieden aan (potentiële) gegadigden om mee te dingen naar deze onroerende zaak, indien (redelijkerwijs te verwachten is dat) er meerdere gegadigden zijn voor de aankoop. Het overheidslichaam zal daartoe, met inachtneming van de hem toekomende beleidsruimte, criteria moeten opstellen aan de hand waarvan de koper wordt geselecteerd. Deze criteria moeten objectief, toetsbaar en redelijk zijn. Ook moet het overheidslichaam, teneinde gelijke kansen te realiseren, een passende mate van openbaarheid verzekeren met betrekking tot de beschikbaarheid van de onroerende zaak, de selectieprocedure, het tijdschema en de toe te passen selectiecriteria. Het overheidslichaam moet hierover tijdig voorafgaand aan de selectieprocedure duidelijkheid scheppen door informatie over deze aspecten bekend te maken op zodanige wijze dat (potentiële) gegadigden daarvan kennis kunnen nemen. Ten slotte heeft de Hoge Raad een uitzondering op de hiervoor omschreven hoofdregel geformuleerd: de door middel van een selectieprocedure beoogde mededingingsruimte hoeft niet te worden geboden indien bij voorbaat vaststaat, of redelijkerwijs mag worden aangenomen, dat op grond van objectieve, toetsbare en redelijke criteria slechts één serieuze gegadigde in aanmerking komt voor de aankoop.\n\n4.15.. In het Didam II-arrest heeft de Hoge Raad verduidelijkt dat de regels uit het Didam I-arrest ook van toepassing zijn op het handelen van de overheid in de periode voordat het Didam I-arrest werd gewezen en dat een overeenkomst die is gesloten in strijd met de Didam-regels op die grond niet nietig of vernietigbaar is, maar dat een overheidslichaam daardoor in beginsel wel onrechtmatig handelt jegens een (potentiële) gegadigde en op die grond (onder meer) schadeplichtig kan zijn jegens die gegadigde. Verder heeft de Hoge Raad in dit arrest overwogen dat de Didam-regels de aan het overheidslichaam toekomende ruimte om ontwikkelingsplannen en ruimtelijke plannen vast te stellen in beginsel onverlet laten, maar dat op het moment dat zo’n plan leidt tot (het voornemen tot) verkoop van een onroerende zaak door het overheidslichaam, het overheidslichaam de Didam-regels zal moeten toepassen. Ook in het geval dat een overheidslichaam een plan heeft ontwikkeld waarin zakelijke (objectieve) voorwaarden zijn gesteld waaraan volgens hem slechts één partij zal kunnen voldoen, zal het overheidslichaam zich tijdig voorafgaand aan de verkoop aan deze regels moeten houden.\n\nOp basis van de Publicatie kan [familie] niet worden aangemerkt als enige serieuze gegadigde voor het Perceel\n\n4.16.. De gemeente heeft de voorgenomen verkoop van het Perceel bekend gemaakt via de onder 3.5 opgenomen Publicatie. Met de Publicatie stelt zij aan het toepasselijke transparantiebeginsel volgend uit de Didam-regels te hebben voldaan. De Publicatie vormt dus het uitgangspunt bij de beoordeling of de gemeente conform de Didam-regels heeft gehandeld bij de selectie van [familie] als enige serieuze gegadigde voor het Perceel.\n\n4.17.. \n\nDe in de Publicatie gehanteerde criteria zien – kort gezegd – op het enerzijds verminderen van studentenhuisvesting in Dronten-Noord, en anderzijds op het uitbreiden van arbeidsmigrantenhuisvesting. In de uitvoeringsagenda bij de Beleidsvisie is in dit kader – voor zover relevant – het volgende opgenomen:\n\n“2. Faciliteren van bouwlocaties\n\nIn deze beleidsvisie is vermeld dat er een tekort is aan studentenwoningen en arbeidsmigrantenaccommodaties.\n\nOm dit tekort op te lossen, zal de gemeente de nieuwbouw van studentenwoningen en arbeidsmigrantenaccommodaties faciliteren conform de regels zoals beschreven in deze beleidsvisie. De\n\ngemeente zal nieuwbouwlocaties planologisch mogelijk maken. Het betreft nieuwbouwlocaties zowel in de\n\nbebouwde kom als daarbuiten. Voor de nieuwbouwlocaties buiten de bebouwde kom is de toestemming van de\n\nprovincie benodigd.\n\n4. Verminderen concentratie studentenwoningen in Dronten-Noord\n\nIn het verleden zijn te grote concentraties studentenwoningen in de woonwijk Dronten-Noord ontstaan omdat\n\nop basis van het bestemmingsplan gebruik als studentenbewoning bij recht was toegestaan. Deze concentratie\n\nheeft onder andere geleid tot overlast voor omwonenden. De ongewenste grote concentraties die in het verleden\n\nzijn ontstaan, verdwijnen echter niet met het huidige beleid. Om de te grote concentratie van studentenwoningen\n\nin Dronten-Noord te verminderen, doorlopen de huiseigenaren in samenwerking met de gemeente een apart\n\ntraject. (…)”\n\n4.18.. De voorzieningenrechter is van oordeel dat noch uit de Publicatie noch uit de Beleidsvisie van de gemeente blijkt dat de verkoop van het Perceel door de gemeente onlosmakelijk is verbonden met de oplossing van de grote concentratie studentenwoningen in Dronten-Noord. Sterker, uit paragraaf 1.5 van de Beleidsvisie volgt dat studenten en tijdelijke arbeidsmigranten twee verschillende doelgroepen met bijbehorende uitdagingen zijn, reden waarom deze bewust apart van elkaar in de Beleidsvisie zijn opgenomen. Er is dan ook geen koppeling van beleid tussen het verminderen van studentenhuisvesting in Dronten-Noord en het realiseren van huisvesting voor arbeidsmigranten. Uitgangspunt is daarom enkel het doel waarvoor de gemeente het Perceel wenst te verkopen, te weten het realiseren van huisvesting voor tijdelijke arbeidsmigranten.\n\n4.19.. Gezien het voorgaande is de voorzieningenrechter verder van oordeel dat door de gemeente ten onrechte is gesteld dat haar selectiecriteria direct zijn gerelateerd aan gemeentelijk beleid ten aanzien van huisvesting voor studenten en tijdelijke arbeidsmigranten, waaruit zou volgen dat [familie] als enige serieuze gegadigde voor het Perceel in aanmerking komt. Op grond van het onder 4.15 opgenomen Didam II-arrest geldt dat de Didam-regels de aan het overheidslichaam toekomende ruimte om ontwikkelingsplannen en ruimtelijke plannen vast te stellen in beginsel onverlet laten, maar dat op het moment dat zo’n plan leidt tot (het voornemen tot) verkoop van een onroerende zaak door het overheidslichaam, het overheidslichaam de Didam-regels zal moeten toepassen. Dat betekent in geval van een gronduitgifte dat er sprake moet zijn van (i) vastgesteld, openbaar en actueel beleid, (ii) het beleid een duidelijk beleidsdoel en beleidsinstrument moet bevatten, en (iii) de beoogde gronduitgifte intrinsiek verbonden moet zijn met dat beleid. Enkel dan kan de gemeente haar beleidsdoelen vertalen naar selectiecriteria op basis waarvan kan worden beoordeeld of er slechts één partij in aanmerking komt die dat beleid kan realiseren, in dit geval via de verkoop van het Perceel.\n\n4.20.. In de onderhavige zaak is er echter sprake van een oneigenlijke koppeling tussen de verkoop van het Perceel en het beleid van de gemeente. Anders dan de gemeente betoogt, blijkt het door de gemeente gevoerde beleid en haar keuze voor [familie] niet uit de stukken waarnaar zij heeft verwezen en heeft de gemeente onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de voorgenomen verkoop van het Perceel gekoppeld kan worden aan vastgesteld beleid. De Beleidsvisie bepaalt enkel dat de huisvesting voor tijdelijke arbeidsmigranten en studenten moet worden uitgebreid en de concentratie studentenwoningen in Dronten-Noord moet worden teruggedrongen. De Beleidsvisie schrijft niet voor dat dit moet worden gerealiseerd via de verkoop van grond, meer specifiek de verkoop van het Perceel. Daar komt bij dat, zoals onder 4.17 is opgenomen, uit de Beleidsvisie volgt dat met het huidige beleid de grote concentraties studenten in Dronten-Noord niet wordt opgelost. Om tot een oplossing te komen doorlopen de huiseigenaren een apart traject. De vermindering van het aantal studentenwoningen in Dronten-Noord is dus niet gegrond op vastgesteld beleid en maakt daarmee geen onderdeel uit van de Beleidsvisie.\n\n4.21.. Uit het voorgaande volgt dat de verkoop van het Perceel een achteraf door de gemeente gekozen middel is. Zoals door de gemeente zelf aangevoerd betreft het een “compensatie” voor de beëindiging van de studentenbewoning in de woningen van [familie] in Dronten-Noord. Door [eisende partij sub 1] is onweersproken gesteld dat er naast [familie] meerdere marktpartijen zijn, waaronder [eisende partij sub 1] zelf, die huisvesting voor tijdelijke arbeidsmigranten op het Perceel kunnen realiseren. Die partijen komen door de tussen de gemeente en [familie] onderhands gemaakte afspraken nu niet in aanmerking voor de verwerving van het Perceel. Voornoemde “compensatie” is dus niet beleidsmatig, maar contractueel en daarmee selectief ingegeven. Met andere woorden: de verkoop van het Perceel is niet gegrond op vastgesteld beleid, maar wordt door de gemeente achteraf gepresenteerd als noodzakelijk om twee beleidsdoelen met elkaar te verbinden. Daarmee zijn de gehanteerde criteria uit de Publicatie niet objectief, toetsbaar en redelijk. Het eerste criterium betreft enkel een beschrijving van de situatie dat tussen de gemeente en [familie] overleg heeft plaatsgevonden. Het tweede en derde criterium zijn grotendeels een vastlegging van de uitkomst van dat overleg. De Publicatie bevat geen objectieve criteria die bijvoorbeeld inhouden hoeveel studentenhuizen minimaal in Dronten-Noord dienen te verdwijnen. Of hoeveel slaapplaatsen minimaal voor tijdelijke arbeidsmigranten op het Perceel dienen te worden gecreëerd. En binnen welke tijdsbestek het een en ander vervolgens dient te worden gerealiseerd.\n\n4.22.. Gezien het voorgaande is de vraag of [familie] op basis van de door de gemeente in de Publicatie gehanteerde criteria de enige serieuze gegadigde is daarom niet te beantwoorden. Het vereiste van objectiviteit houdt in dat de criteria ondubbelzinnig en zo duidelijk mogelijk moeten worden geformuleerd zodat een onpartijdige behandeling kan worden verzekerd en willekeur wordt voorkomen. Het is niet toegestaan de criteria toe te schrijven naar één bepaalde gegadigde, omdat juist alle gegadigden met een reëel belang gelijke kansen dienen te worden geboden. Dit toeschrijven lijkt de gemeente nu (achteraf) te doen, door enkel de onderhandeling met [familie] en de uitkomst daarvan te beschrijven waarbij de beleidsdoelen niet in redelijkheid zijn vertaald naar selectiecriteria. Dat had op grond van de Didam-regels wel op de weg van de gemeente gelegen. Nu zij dat niet heeft gedaan moet dat voor haar risico blijven.\n\n4.23.. Tegen deze achtergrond heeft de gemeente naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet mogen aannemen dat [familie] is aan te merken als de enige serieuze gegadigde voor de koop van het Perceel. Dit betekent dat de gemeente geen beroep toekomt op de uitzondering van het Didam-arrest.\n\nSlotsom\n\n4.24.. Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat de gemeente bij de verkoop van het Perceel aan [familie] in strijd met het gelijkheidsbeginsel en daarmee met de Didam-regels heeft gehandeld. Dit is onrechtmatig jegens [eisende partij sub 1] . Door het ontbreken van duidelijke objectieve, toetsbare en redelijke criteria, is niet bij voorbaat uitgesloten dat [eisende partij sub 1] ook een serieuze gegadigde voor de aankoop van het Perceel zou kunnen zijn. Zijn belangstelling voor het Perceel is in ieder geval kenbaar nu hij heeft gesteld ook huisvesting voor tijdelijke arbeidsmigranten op het Perceel te kunnen realiseren. Dit leidt ertoe dat in deze procedure niet aannemelijk is geworden dat de door de Hoge Raad geformuleerde uitzondering in het Didam-arrest van toepassing is.\n\n4.25.. Evenmin is uitgesloten dat wanneer de gemeente alsnog (duidelijke) objectieve, toetsbare en redelijke criteria hanteert, zoals volgt uit de Didam-arresten, deze criteria ertoe leiden dat alsnog bij voorbaat vaststaat dat slechts één serieuze gegadigde in aanmerking komt voor de aankoop van het Perceel. In dat geval kan dus alsnog worden voldaan aan de uitzondering en hoeft geen selectieprocedure te worden doorlopen. De Hoge Raad heeft in het Didam II-arrest tevens bepaald dat zolang er geen overeenkomst is gesloten die verplicht tot levering of die levering nog niet heeft plaatsgevonden, de overheid bij handelen in strijd met de Didam-regels onder omstandigheden ook kan worden verboden om tot verkoop of tot levering over te gaan. Gezien het voorgaande zijn de vorderingen van [eisende partij sub 1] toewijsbaar in die zin dat de gemeente tot intrekking van de Publicatie dient over te gaan en, voor zover zij nog tot verkoop van het Perceel wenst over te gaan, geen uitvoering mag geven aan de koopovereenkomst met [familie] en bij de verkoop van het Perceel dient te voldoen aan de vereisten die volgen uit de door de Hoge Raad gewezen twee Didam-arresten (26 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1778 en 15 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1661).\n\nProceskosten\n\n4.26.. De gemeente zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Omdat is geconcludeerd dat enkel [eisende partij sub 1] voldoende belang heeft bij de in deze procedure ingestelde vorderingen zal voor de hoogte van het griffierecht worden aangesloten bij het bedrag dat geldt voor natuurlijke personen. De kosten aan de zijde van [eisende partij sub 1] worden begroot op:\n\n- dagvaarding € 125,57\n\n- griffierecht € 341,00\n\n- salaris advocaat € 1.177,00\n\ntotaal € 1.643,57\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\n5.1.. verklaart Europa Park B.V. en AMH Flevoland B.V. niet-ontvankelijk in hun vorderingen jegens de gemeente;\n\n5.2.. gebiedt de gemeente tot intrekking van de Publicatie;\n\n5.3.. verbiedt de gemeente, voor zover zij nog tot verkoop van het Perceel wenst over te gaan, om uitvoering te geven aan de koopovereenkomst met [familie] ;\n\n5.4.. gebiedt de gemeente, voor zover zij nog tot verkoop van het Perceel wenst over te gaan, te voldoen aan de vereisten die volgen uit de door de Hoge Raad gewezen twee Didam-arresten (26 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1778 en 15 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1661);\n\n5.5.. veroordeelt de gemeente in de proceskosten die tot op heden aan de zijde van [eisende partij sub 1] worden begroot op een bedrag van € 1.643,57;\n\n5.6.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.7.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. O.P. van Tricht, voorzieningenrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 23 april 2026.\n\ntype: BEv \u002F 4998\n\ncoll:","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1977","ecli-nl-rbmne-2026-1977",{"courtName":6,"legalDomain":32,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":95,"ecli":96,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":97,"fullText":98,"language":7,"source":17,"sourceUrl":99,"summary":14,"slug":100,"metadata":101},"931","ECLI:NL:RBMNE:2026:1601","2026-03-23T00:00:00.000Z","RECHTBANK Midden-Nederland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Lelystad\n\nZaaknummer: C\u002F16\u002F606083 \u002F KL ZA 26-21\n\nVonnis in kort geding van 23 maart 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nte [plaats] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiser] ,\n\nadvocaat: mr. H.L.H. Hermans,\n\ntegen\n\nN.V. UNIVÉ SCHADE,\n\nte Assen,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: Univé,\n\nadvocaat: mr. H. Boone.\n\n1. De procedure\n\n1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met 36 producties;\n\n- de conclusie van antwoord met 11 producties; - de mondelinge behandeling van 9 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt; - de pleitnotities van [eiser] ; - de pleitnotities van Univé.\n\n1.2. Daarna is bepaald dat een vonnis zal worden uitgesproken.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1. \n\nOp 18 juli 2024 is [eiser] betrokken geraakt bij een verkeersongeval in Dronten. Univé heeft de aansprakelijkheid voor dit ongeval erkend. In de periode na het ongeval heeft Univé ongeveer € 14.000,00 aan voorschotten op schadevergoeding uitgekeerd, waaronder\n\n€ 2.000,00 smartengeld. [eiser] vindt dat zijn schade substantieel hoger is dan deze voorschotten. Hij vordert daarom € 30.000,00 als aanvullend voorschot op de schadevergoeding, vermeerderd met wettelijke rente en de kosten (inclusief nakosten) van deze procedure. Univé betwist dat de schade van [eiser] de voorschotten overstijgt, en meent ook dat de gestelde schade niet het gevolg is van het ongeval. Zij vraagt de voorzieningenrechter daarom de vordering van [eiser] af te wijzen. Univé krijgt grotendeels gelijk.\n\n3. De beoordeling\n\nHet toetsingskader\n\n3.1. De voorzieningenrechter stelt voorop dat ten aanzien van geldvorderingen in kort geding terughoudendheid geboden is. De voorzieningenrechter moet daarbij niet alleen onderzoeken of het bestaan van een geldvordering van [eiser] op Univé in hoge mate aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is. In de te maken belangenafweging moet de voorzieningenrechter ook het eventuele restitutierisico betrekken, mocht de rechter in de bodemprocedure anders beslissen.\n\n3.2. Partijen zijn het er over eens dat Univé aansprakelijk is voor de schade die [eiser] als gevolg van zijn ongeval lijdt. Univé is daarom in beginsel gehouden de schade die [eiser] als gevolg van het ongeval lijdt, te vergoeden. In dit kort geding staat de vraag centraal of Univé een aanvullend voorschot aan [eiser] moet voldoen. Hierbij is van belang om vast te stellen of voldoende aannemelijk is dat het bedrag aan reeds verschenen schade het reeds betaalde voorschotbedrag substantieel overstijgt en of voldoende aannemelijk is dat in de bodemprocedure een hoger bedrag aan uiteindelijke schadevergoeding aan [eiser] zal worden toegewezen dan tot nu toe aan voorschotten door Univé is betaald.\n\n [eiser] heeft een spoedeisend belang bij de gevorderde voorziening\n\n3.3. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [eiser] een spoedeisend belang bij zijn vorderingen. [eiser] heeft voldoende onderbouwd dat hij, als hij geen aanvullend voorschot ontvangt, verder in de financiële problemen zal komen en daardoor mogelijk zijn huurwoning zal moeten verlaten en medische behandelingen zal moeten staken.\n\nHet standpunt van partijen\n\n3.4. \n [eiser] legt aan zijn vordering het volgende ten grondslag. [eiser] meent dat zijn schade in maart 2026 in totaal € 62.000,00 bedraagt, waardoor hij € 48.000,00 te weinig aan voorschot heeft gekregen. Ten aanzien van de schadepost verlies aan verdienvermogen stelt [eiser] dat hij, als het ongeval niet zou hebben plaatsgevonden, per 2 september 2024 aan de slag zou zijn gegaan als [functie] bij zijn broer. Dan zou hij ongeveer 40 uur per week hebben gewerkt en ongeveer € 2.865,00 netto per maand hebben verdiend. [eiser] heeft zijn stelling onderbouwd met een e-mail van zijn broer van 28 juni 2024, dus een aantal weken voor het ongeval, waarin zijn broer dit bevestigt. Verder zou [eiser] in de periode vóór het ongeval niet alleen inkomen uit arbeid hebben gehad maar ook fiscaal niet verantwoorde inkomsten uit kluswerkzaamheden. Tot het verrichten van die kluswerkzaamheden is hij nu niet meer in staat.\n\n3.5. Univé betwist de door [eiser] gevorderde schade en het causaal verband tussen het ongeval en deze schade. Zij meent dat er geen sprake is van beperkingen die het gevolg zijn van het ongeval. [eiser] had namelijk al last van verschillende medische klachten, waaronder lage rugpijn, schouderklachten en psychische klachten, als gevolg waarvan hij arbeidsongeschikt is geraakt in maart 2023. Ook de schade in het kader van het verlies van verdienvermogen wordt door Univé betwist. Zij wijst op een wat inkomen betreft niet noemenswaardig arbeidsverleden van 2003 t\u002Fm 2022 en voert ook aan dat het niet te verwachten was dat [eiser] per 2 september 2024 daadwerkelijk aan de slag zou zijn gegaan als [functie] omdat i) [eiser] ten tijde van het ongeval in een re-integratietraject zat onder begeleiding van het UWV waarbij nog geen concrete invulling was gegeven aan het voornemen van [eiser] om als [functie] te gaan werken, ii) [eiser] tijdens de huisbezoeken op 24 oktober 2024 en 12 november 2024 heeft aangegeven dat er voor het ongeval nog niets concreets gepland was qua loonvormende werkzaamheden en iii) [eiser] pas op 11 maart 2025 naar voren bracht dat hij bij zijn broer in dienst zou zijn getreden als [functie] .\n\nDe vordering tot betaling van € 30.000,00 wordt afgewezen\n\n3.6. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is in deze procedure niet gebleken dat de schade die [eiser] als gevolg van het ongeval lijdt, de betaalde voorschotten substantieel overschrijdt. De vordering tot betaling van aanvullende voorschotten zal dus worden afgewezen. Hiertoe is het volgende redengevend.\n\n3.7. Er bestaat onzekerheid over het verdienvermogen van [eiser] voorafgaand aan het ongeval en over zijn te verwachten verdienvermogen als het ongeval niet zou hebben plaatsgevonden. Voorafgaand aan het ongeval was sprake van een weinig constant arbeidsverleden. De laatste arbeidsverhouding van [eiser] was meer dan een half jaar voor het ongeval beëindigd en heeft ongeveer 6 maanden geduurd. [eiser] heeft nog aangevoerd dat hij ook niet-fiscaal verantwoorde kluswerkzaamheden heeft verricht en daarmee ongeveer € 2.500,00 bruto per maand verdiende. De voorzieningenrechter gaat aan deze stelling voorbij, nu onvoldoende onderbouwd is dat [eiser] deze inkomsten daadwerkelijk ontving. De enkele foto’s van [eiser] ’s gereedschap en gestelde klussen zijn daartoe onvoldoende.\n\n3.8. Ook het te verwachten verdienvermogen zonder ongeval kan momenteel niet voldoende worden vastgesteld. Weliswaar heeft [eiser] een mail overgelegd waarin zijn broer een concreet salaris voorstelt voor werkzaamheden als [functie] , maar dit is onvoldoende om ervan uit te gaan dat [eiser] deze werkzaamheden daadwerkelijk en duurzaam kon uitvoeren. Uit de verslagen van de huisbezoeken blijkt dat [eiser] op 24 oktober 2024 en 12 november 2024 heeft aangegeven dat hij overwoog als [functie] te werken, maar hij heeft daarbij niet de concrete plannen verteld die uit het mailbericht van zijn broer van 28 juni 2024 blijken. In de documentatie over de re-integratiebegeleiding door het UWV wordt wel vermeld dat [eiser] eventueel als [functie] wilde werken, maar over deze wens wordt niets geconcretiseerd vermeld waaruit zou kunnen blijken dat hij die werkzaamheden daadwerkelijk kon gaan doen. Daarom kan de voorzieningenrechter op dit moment niet vaststellen dat het de redelijke verwachting was dat [eiser] per 2 september 2024 aan het werk zou gaan als [functie] , voor het door hem gestelde aantal uren per week en gestelde salaris.\n\n3.9. Alhoewel volgens de voorzieningenrechter geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de door [eiser] ervaren klachten, is op dit moment niet voldoende aannemelijk dat deze klachten, uitsluitend, zijn te herleiden tot het ongeval. In het kader van het re-integratietraject is vóór het ongeval op 11 juni 2024 en ná het ongeval op 14 februari 2025 een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld door het UWV. Hieruit blijkt dat er sprake was van (aanzienlijke) pre-existente klachten, en dat de beperkingen na het ongeval zijn toegenomen. Dit roept de vraag op welke beperkingen het gevolg zijn het ongeval en welke al voor het ongeval bestonden. Ook deze vraag behoeft beantwoording voordat een reële analyse te maken valt van het verlies aan verdienvermogen als gevolg van het ongeval.\n\n3.10. Concluderend heeft de voorzieningenrechter op dit moment onvoldoende informatie om vast te stellen dat de schade van [eiser] hetgeen aan voorschotten is betaald overschrijdt substantieel overschrijdt.\n\nBelangenafweging\n\n3.11. Een belangenafweging maakt dit oordeel niet anders. De voorzieningenrechter begrijpt dat de belangen aan de zijde van [eiser] groot zijn. Hij verkeert in een financieel penibele situatie en dit heeft ongetwijfeld een negatieve invloed op zijn welbevinden. Aan de andere kant speelt het restitutierisico ook een rol. Als Univé op basis van een voorlopige voorziening een aanvullend voorschot zou moeten betalen, dan is de kans aanzienlijk dat [eiser] dit bedrag niet meer kan terugbetalen mocht later anders geoordeeld worden in een bodemprocedure.\n\nMedisch onderzoek en verantwoordelijkheid Univé\n\n3.12. Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter nog het volgende. Om te beoordelen welke klachten het gevolg zijn van het ongeval en welke klachten reeds voor het ongeval bestonden, is nader medisch onderzoek nodig. Tijdens de mondelinge behandeling bleek dat partijen het hierover eens zijn. Van Univé mag verwacht worden dat zij hier een initiatief toe neemt en daar voortvarend werk van maakt, om te voorkomen dat de afwikkeling van de schade lang duurt en zoals thans het geval lijkt helemaal stil komt te liggen. Univé kan zich - anders dan zij doet - niet beroepen op het ontbreken van onafhankelijk deskundigenonderzoek omdat het vanwege de door haar erkende aansprakelijkheid ook aan haar is om dat de faciliteren. Hoewel zij heeft aangevoerd dat zij nog medische informatie mist, lijkt dat op het eerste gezicht slechts in beperkte mate het geval te zijn. En voor zover zij meent onvoldoende informatie van [eiser] te hebben, is het aan haar om hem daar duidelijk om te verzoeken. Het is niet gebleken dat zij dat heeft gedaan. Tegelijkertijd is niet gebleken dat Univé [eiser] volledig heeft geïnformeerd over de door haar ingewonnen medische adviezen. Univé heeft niet bestreden dat Rhamouni pas in het kader van dit kort geding op de hoogte is geraakt van het medisch advies van 17 oktober 2025. Uit het dossier blijkt dat de manier waarop [eiser] en zijn medisch adviseur zich in deze zaak opstellen constructief is en dat hij zich inspant om Univé in voldoende mate te informeren. Aldus bezien meent de voorzieningenrechter dat de lange duur van de afwikkeling van deze letselschadezaak en de gevolgen die dat voor Rhamouni heeft, in overwegende mate ook te wijten zijn aan Univé.\n\nDe proceskosten\n\n3.13. Hoewel [eiser] in het ongelijk wordt gesteld zullen de proceskosten worden gecompenseerd vanwege hetgeen de voorzieningenrechter heeft overwogen over de verantwoordelijkheid van Univé voor de afwikkeling van deze letselschadezaak.\n\n4. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\n4.1. wijst de vorderingen van [eiser] af,\n\n4.2. compenseert de proceskosten zodat [eiser] en Univé de eigen kosten dragen,\n\n4.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. H.M.M. Steenberghe en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2026.\n\n5827","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1601","ecli-nl-rbmne-2026-1601",{"courtName":6,"legalDomain":32,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":103,"ecli":104,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":105,"fullText":106,"language":7,"source":17,"sourceUrl":107,"summary":14,"slug":108,"metadata":109},"1087","ECLI:NL:RBMNE:2025:323","2025-02-12T00:00:00.000Z","RECHTBANK Midden-Nederland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Lelystad\n\nZaaknummer: C\u002F16\u002F577570 \u002F HL ZA 24-176\n\nVonnis van 12 februari 2025\n\nin de zaak van\n\n1. de rechtspersoon naar buitenlands recht\n\n [eiseres sub 1] LLC,\n\ngevestigd te [vestigingsplaats 1] in Koeweit, 2. de rechtspersoon naar buitenlands recht\n\n [eiseres sub 2] LLC,\n\ngevestigd te [vestigingsplaats 2] in de Verenigde Arabische Emiraten,\n\neisende partijen,\n\nhierna afzonderlijk te noemen: [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] ,\n\nhierna samen te noemen: [eiseressen] ,\n\nadvocaat: mr. R.J.W. Pijls,\n\ntegen\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\n [gedaagde] B.V.,\n\ngevestigd te [vestigingsplaats 3] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\nadvocaat: mr. S. Booij.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met producties 1 t\u002Fm 17;\n\n- de conclusie van antwoord met producties 1 t\u002Fm 4;\n\n- de akte van [eiseressen] met aanvulling van de gronden, vermeerdering van eis en productie 18;\n\n- de mondelinge behandeling van 6 december 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;\n\n- de spreekaantekeningen van [eiseressen] ;\n\n- de spreekaantekeningen van [gedaagde] .\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1.. \n [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] behoren toe aan dezelfde groep aan vennootschappen en leggen zich toe op de productie en levering van onder andere bakkerijgrondstoffen. [gedaagde] levert vloeibare zuivel, melkpoeder en boter aan verwerkers en eindgebruikers. [gedaagde] had een (niet exclusieve) samenwerking met [bedrijf] B.V. welke partij op 4 april 2023 in staat van faillissement is verklaard. Volgens [eiseressen] is [gedaagde] meerdere keren betaald voor een bestelling Ghee Butter, die [gedaagde] maar één keer heeft geleverd aan [eiseressen] vindt daarom dat [gedaagde] aan haar een gedeelte moet terugbetalen. Namelijk primair € 195.039,00 aan [eiseres sub 1] , subsidiair € 220.585,50 aan [eiseres sub 2] en meer subsidiair € 75.524,40 aan [eiseres sub 1] of [eiseres sub 2] . Verder maakt [eiseressen] aanspraak op betaling van de wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten. [gedaagde] ziet geen reden tot betaling van enig bedrag. De rechtbank is het eens met [gedaagde] . Dat betekent dat [eiseressen] ongelijk krijgt en dat haar vorderingen zullen worden afgewezen.\n\n3. De beoordeling\n\nWat is er aan de hand?\n\n3.1.. Volgens [eiseressen] heeft zij in reactie op een gezamenlijk aanbod van [bedrijf] en [gedaagde] in maart 2022 een bestelling Ghee Buttergeplaatst bij hen en heeft zij voor deze bestelling € 126.282,00 betaald aan [bedrijf] . Vanwege importproblemen kon de bestelling niet geleverd worden. In augustus 2022 heeft zij een vervangende bestellingGhee Buttergeplaatst bij [bedrijf] en [gedaagde] . Deze bestelling had een totale waarde van € 251.748,00. Maar gelet op de eerdere mislukte levering heeft zij slechts € 94.304,50 betaald. Ook deze bestellingen is niet geleverd, omdat een voor de levering vereist halal-certificaat ontbrak.\n\n3.2.. \n [eiseressen] heeft in december 2022 bij [gedaagde] een bestelling geplaatst voor een lading Ghee Butter. De levering van deze bestelling is wel gelukt. Volgens [eiseressen] hoefde zij niet te betalen aan [gedaagde] voor deze levering, omdat deze diende ter vervanging van de niet geleverde bestellingen in maart en augustus 2022. Per ongeluk heeft [eiseressen] de factuur voor de derde bestelling van € 195.039,00 wel aan [gedaagde] betaald, aldus [eiseressen]\n\n3.3.. Volgens [eiseressen] is de betaling daarom onverschuldigd gedaan aan [gedaagde] . Primair vordert [eiseressen] dat [gedaagde] dat bedrag aan haar terug betaald. Subsidiair stelt [eiseressen] zich op het standpunt dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van de verbintenis tegenover haar, omdat [gedaagde] haar leveringsverplichting van de eerste en de tweede bestelling Ghee Butterniet is nagekomen. Daarom vordert zij subsidiair een vervangende schadevergoeding van [gedaagde] ter hoogte van haar betaling voor de eerste en tweede bestelling van in totaal € 220.585,50. Meer subsidiair vordert [eiseressen] van [gedaagde] betaling van een bedrag van € 75.524,40 op grond van ongerechtvaardigde verrijking. Volgens [eiseressen] heeft [gedaagde] dat bedrag ontvangen van [bedrijf] als betaling voor de tweede bestelling, terwijl zij daarvoor geen tegenprestatie heeft geleverd.\n\n3.4.. Volgens [gedaagde] heeft zij niet met [bedrijf] een gezamenlijk aanbod gedaan aan [eiseressen] voor een lading Ghee Butteren is zij niet betrokken geweest als partij bij de bestellingen van [eiseressen] bij [bedrijf] . [gedaagde] betwist dat er een verbintenis tussen haar en [eiseressen] tot stand is gekomen voor bestellingen in maart en augustus 2022. Volgens [gedaagde] heeft [eiseressen] in december 2022 voor het eerst een ladingGhee Butterbij haar besteld en is dat de eerste verbintenis die tussen hen tot stand is gekomen. [gedaagde] heeft conform die afspraakGhee Buttergeleverd en [eiseressen] heeft conform afspraak betaald, aldus [gedaagde] . Daarmee ontbreekt volgens [gedaagde] een rechtsgrond voor de vorderingen van [eiseressen]\n\n [gedaagde] geen contractspartij bij de bestellingen in maart en augustus 2022\n\n3.5.. Voorafgaand aan de beslissingen op de vorderingen, zal eerst de onderliggende vraag die partijen verdeeld houdt, worden beantwoord: Heeft [eiseressen] met [gedaagde] gecontracteerd voor de leveringen van Ghee Butterin maart en augustus 2022?\n\n3.6.. Omdat [eiseressen] zich beroept op de rechtsgevolgen van de door haar gestelde verbintenissen met [gedaagde] , en [gedaagde] die verbintenissen heeft betwist, is het aan [eiseressen] om aan te tonen dat de verbintenissen zijn aangegaan.\n\n3.7.. \n [eiseressen] heeft vier argumenten aangevoerd die zouden moeten maken dat zij met (onder andere) [gedaagde] heeft gecontracteerd, namelijk: (1) de (pro forma) facturen, (2) de bemanning van een gezamenlijke stand op [beurs] in Dubai door [bedrijf] en [gedaagde] en hun samenwerking, (3) de e-mailcorrespondentie tussen [gedaagde] en [bedrijf] en e-mailcorrespondentie tussen [eiseressen] en [gedaagde] en (4) een verklaring van de voormalig bestuurder van [bedrijf] . Deze argumenten slagen niet.\n\n(1) De (pro forma) facturen\n\n3.8.. \n [eiseressen] verwijst allereerst naar de (pro forma) facturen (overgelegd als producties 1 en 3 bij de dagvaarding) ter onderbouwing van haar stelling dat zij met [bedrijf] én [gedaagde] heeft gecontracteerd. Op de eerste factuur is naast het logo en adres van [bedrijf] , ook het logo van [gedaagde] te zien. Op de tweede factuur is naast het logo van [gedaagde] , ook het adres en bankrekeningnummer van [gedaagde] vermeld. [gedaagde] heeft als verweer gevoerd dat zij niet bekend is met deze facturen en deze niet namens haar zijn opgesteld of verzonden. Volgens haar zijn deze facturen afkomstig van [bedrijf] , waaraan [bedrijf] kennelijk het logo van [gedaagde] heeft toegevoegd. De facturen zijn voorzien van een stempel van [bedrijf] en ondertekend namens [bedrijf] . Een handtekening namens en stempel van [gedaagde] ontbreken.\n\n3.9.. Omdat [gedaagde] haar betrokkenheid bij het opstellen van deze facturen betwist en de accordering van [gedaagde] niet uit de facturen kan worden afgeleid, kunnen de facturen niet de stelling dragen dat hieruit volgt dat [eiseressen] met [gedaagde] heeft gecontracteerd voor de bestellingen in maart en augustus 2022. [eiseressen] heeft geen andere stukken, bijvoorbeeld e-mailcorrespondentie, overgelegd waaruit blijkt dat [gedaagde] als contractspartij betrokken is bij (de onderhandeling en de totstandkoming van) de bestellingen in maart en augustus 2022. Evenmin zijn er stukken overgelegd waaruit volgt dat [gedaagde] een verplichting is aangegaan tegenover [eiseressen] om de bestellingen te leveren.\n\n(2) Partnerschap en een stand delen op een beurs is onvoldoende\n\n3.10.. \n [eiseressen] heeft ten tweede aangevoerd dat [gedaagde] en [bedrijf] als partners gezamenlijk naar buiten traden en gezamenlijk een stand hebben gedeeld op de beurs van [beurs] 2022 in Dubai. Dat laatste staat niet ter discussie tussen partijen. Dat [gedaagde] en [bedrijf] als partners naar buiten traden heeft [gedaagde] wel betwist. [gedaagde] heeft de handelsrelatie tussen hen als volgt toegelicht. [bedrijf] en zij waren in februari 2022 een samenwerking aangegaan. De afspraken tussen [gedaagde] en [bedrijf] hielden onder andere in dat alle verkoopcontracten door [gedaagde] worden gesloten, dat [gedaagde] factureert aan de klant en dat de klant 100% van de koopprijs betaalt aan [gedaagde] . De afspraken hielden dus niet in dat [bedrijf] als agent van [gedaagde] uit haar naam overeenkomsten kon aangaan met derden en bevoegd was [gedaagde] daaraan te binden.\n\n3.11.. \n [eiseressen] heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat alle communicatie over de bestellingen in maart en augustus 2022 met [bedrijf] is geweest. Zij ging ervan uit dat [bedrijf] de agent was die namens [bedrijf] én [gedaagde] de overeenkomst mocht aangaan. Deze kennelijk onjuiste voorstelling van zaken blijft in dit geval voor rekening van [eiseressen] Het ligt immers op de weg van [eiseressen] om een veronderstelde vertegenwoordigingsbevoegdheid bij beoogde zakenpartners te controleren. [eiseressen] had niet op basis van de door haar gestelde omstandigheden er gerechtvaardigd op mogen vertrouwen dat een verbintenis met [bedrijf] ook [gedaagde] zou binden. [eiseressen] heeft verder ook niet gesteld dat zij op grond van bepaalde gedragingen van [gedaagde] redelijkerwijs mocht verwachten dat de verbintenissen die zij aangingen met [bedrijf] ook [gedaagde] zou binden.\n\n(3) Verbintenis volgt niet uit de e-mailcorrespondentie tussen [gedaagde] en [bedrijf]3.12.. \n [eiseressen] heeft ten derde verwezen naar de e-mailcorrespondentie van 19 oktober 2022 en 2 december 2022 (overgelegd als productie 11 bij de dagvaarding) tussen [gedaagde] en [bedrijf] . Maar deze toont niet aan dat [gedaagde] een verbintenis met c.q. leveringsverplichting aan [eiseressen] had. In deze e-mailcorrespondentie wisselen [gedaagde] en [bedrijf] updates uit over de stand van zaken tussen hen en maken zij afspraken met elkaar. Als deze e-mailwisseling gaat over een lading Ghee Butterdie [bedrijf] bij [gedaagde] heeft besteld, dan is dat voor de rechtsverhouding tussen [eiseressen] en [gedaagde] niet relevant. Aan de afspraken tussen [bedrijf] en [gedaagde] kan [eiseressen] geen rechten ontlenen. Dit zou alleen anders zijn, als partijen daar afspraken over hebben gemaakt, maar dat blijkt niet uit de stukken.\n\n3.13.. Uit de andere e-mailcorrespondentie van december 2022 (overgelegd als productie 5 bij de dagvaarding) tussen [eiseressen] en [gedaagde] blijkt ook niet dat [eiseressen] met [gedaagde] een verbintenis is aangegaan voor de bestellingen Ghee Buttervan maart en augustus 2022. Anders dan [eiseressen] heeft betoogd, blijkt uit deze e-mailwisseling niet dat partijen refereren aan een eerdere bestelling die [eiseressen] bij [gedaagde] zou hebben geplaatst en waarvoor [eiseressen] aan [gedaagde] zou hebben betaald.\n\n(4) De verklaring van de voormalig bestuurder van [bedrijf]\n\n3.14.. \n [eiseressen] heeft ter vierde gewezen op een verklaring van de voormalig bestuurder van [bedrijf] , afgegeven per e-mail op 30 augustus 2023 aan [eiseressen] In deze verklaring wordt niet verklaard dat [eiseressen] met [bedrijf] én [gedaagde] heeft gecontracteerd voor de bestellingen in maart en augustus 2022. De verklaring van de bestuurder van [bedrijf] is om die reden geen onderbouwing van die stelling van [eiseressen] Daarbij is de rechtbank het met [gedaagde] eens dat de voormalig bestuurder van [bedrijf] een eigen belang kan hebben bij zijn verklaring. De verklaring is ook niet onder ede afgelegd.\n\nGeen sprake van onverschuldigde betaling\n\n3.15.. Tussen partijen staat vast dat [eiseres sub 2] in december 2022 per e-mail bij [gedaagde] 25.005 kg Ghee Butterheeft besteld voor een prijs van € 7,80 per kg. [gedaagde] heeft, zoals partijen hadden afgesproken, die bestelling laten leveren bij [eiseres sub 1] . [gedaagde] heeft voor deze levering een factuur van € 195.039,00 gezonden aan [eiseres sub 2] en op 24 januari 2023 is de factuur door [eiseres sub 1] betaald aan [gedaagde] .\n\n3.16.. Hieruit volgt dat aan de betaling van € 195.039 door [eiseressen] aan [gedaagde] een tussen partijen afgesproken levering van 25.005 kg voor € 7,80 kg Ghee Butterten grondslag ligt. Dat maakt dat de betaling van [eiseressen] aan [gedaagde] niet zonder rechtsgrond is gedaan. Om die reden kan er geen sprake zijn van een onverschuldigde betaling. Dat zou alleen anders zijn, als partijen zijn overeengekomen dat deze bestelling niet betaald hoefde te worden of omdat voor deze levering al betaald was.\n\n3.17.. Volgens [eiseressen] blijkt uit de e-mailcorrespondentie tussen [eiseressen] en [gedaagde] in december 2022 dat partijen zijn overeengekomen dat [eiseressen] de bestelling Ghee Butterniet aan [gedaagde] hoefde te betalen, omdat deze bestelling twee eerdere bestellingen zou vervangen. Een dergelijke afspraak is niet op te maken uit de e-mailcorrespondentie. Bovendien ligt een dergelijke afspraak niet in de rede. Uit de beoordeling onder 3.5 t\u002Fm 3.14 volgt dat, anders dan [eiseressen] stelt, [gedaagde] geen eerdere leveringsverplichtingen tegenover [eiseressen] heeft gehad.\n\n3.18.. Voor zover [eiseressen] met verwijzing naar de twee betaalafschriften, overgelegd als productie 2 en 4 bij de dagvaarding, heeft bedoeld aan te tonen dat zij [gedaagde] al had betaald voor de bestelling Ghee Butterin december 2022, volgt de rechtbank [eiseressen] hierin niet. Uit de betaalafschriften volgt dat [eiseres sub 2] aan [bedrijf] heeft betaald voor de bestellingen in maart en augustus 2022. Zoals geoordeeld, was [gedaagde] niet als contractspartij bij deze verbintenissen betrokken. Zonder nadere afspraak tussen partijen, waarvan niet is gebleken, kunnen deze betalingen dan ook niet worden opgevat als een betaling voor de bestelling van 25.005 kgGhee Butterin december 2022 bij [gedaagde] .\n\n3.19.. Dit betekent dat de primair gevorderde veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 195.039 aan [eiseressen] op grond van onverschuldigde betaling zal worden afgewezen.\n\nGeen sprake van een toerekenbare tekortkoming\n\n3.20.. De subsidiair gevorderde vervangende schadevergoeding van € 220.585,50 zal ook worden afgewezen. Deze vordering is gebaseerd op de stelling dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van haar leveringsverplichtingen tegenover [eiseressen] bij de bestellingen Ghee Buttervan maart en augustus 2022. Deze vordering strandt, omdat niet is gebleken dat [eiseressen] en [gedaagde] voor die bestellingen verbintenissen zijn aangegaan, op grond waarvan [gedaagde] moest leveren aan [eiseressen] Om die reden kan van een toerekenbare tekortkoming aan de zijde van [gedaagde] geen sprake zijn.\n\nGeen sprake van ongerechtvaardigde verrijking\n\n3.21.. Ook de meer subsidiair gevorderde betaling van € 75.524,40 op grond van ongerechtvaardigde verrijking zal worden afgewezen.3.22.. Voor een geslaagd beroep op ongerechtvaardigde verrijking is vereist a) dat sprake is van een verrijking (een vermogensvermeerdering) die b) ten koste van een ander heeft plaatsgevonden, zodat die ander schade heeft geleden (een verarming) en c) dat de verrijking ten koste van de ander ongerechtvaardigd is. Ten slotte geldt dat d) op de verrijkte slechts een verplichting tot op schadevergoeding rust, voor zover dit redelijk is.\n\n3.23.. Gelet op voornoemde vereisten is de enkele omstandigheid dat [bedrijf] een bedrag van € 75.524,40 aan [gedaagde] heeft betaald, onvoldoende om te kunnen vaststellen dat [gedaagde] ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van [eiseressen] [gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat zij het door [bedrijf] aan haar betaalde bedrag van € 75.524,40 heeft verrekend met de schulden die [bedrijf] aan [gedaagde] heeft. Dat betekent dat er geen verrijking heeft plaatsgevonden aan de zijde van [gedaagde] , nog los van de vraag of dat ten koste van [eiseressen] is gegaan. Kortom, [eiseressen] heeft onvoldoende onderbouwd dat er sprake is geweest ongerechtvaardigde verrijking bij [gedaagde] .\n\nGeen sprake van onrechtmatige daad\n\n3.24.. Volgens [eiseressen] heeft [gedaagde] onrechtmatig gehandeld tegenover haar. Enige onderbouwing bij deze stelling ontbreekt. Zonder nadere toelichting ziet de rechtbank niet in op welke wijze [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [eiseressen]\n\nAfwijzing nevenvorderingen\n\n3.25.. Omdat zowel de primaire, subsidiaire en meer subsidiaire hoofvordering van [eiseressen] worden afgewezen, delen de daaraan gekoppelde nevenvorderingen dat lot. De gevorderde buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente zullen daarom ook worden afgewezen.\n\n [eiseressen] moet de proceskosten betalen\n\n3.26.. \n [eiseressen] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [gedaagde] betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n6.617,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n5.428,00\n\n(2 punten × € 2.714,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n178,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n12.223,00\n\n4. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n4.1.. wijst de vorderingen van [eiseressen] af,\n\n4.2.. veroordeelt [eiseressen] in de proceskosten van [gedaagde] , begroot op € 12.223,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW als de betaling niet binnen deze termijn plaats vindt,\n\n4.3.. de proceskosten worden vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiseressen] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n4.4.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M.M.J. Schoenaker en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2025.\n\n5340","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:323","ecli-nl-rbmne-2025-323",{"courtName":6,"legalDomain":110,"decisionType":22,"procedureType":23},"Civiel recht; Verbintenissenrecht",{"id":112,"ecli":113,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":114,"fullText":115,"language":7,"source":17,"sourceUrl":116,"summary":14,"slug":117,"metadata":118},"364","ECLI:NL:RBMNE:2024:3902","2024-03-27T00:00:00.000Z","RECHTBANK Midden-Nederland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Lelystad\n\nZaaknummer: C\u002F16\u002F541028 \u002F HL ZA 22-168\n\nVonnis van 27 maart 2024\n\nin de zaak van\n\nONVZ ZIEKTENKOSTENVERZEKERAAR N.V.,\n\ngevestigd te Houten,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: ONVZ,\n\nadvocaat: mr. A.C. van der Salm te 's-Gravenhage,\n\ntegen\n\n1. [gedaagde sub 1] ,\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nhierna te noemen: [gedaagde sub 1] , 2. [gedaagde sub 2] B.V.,\n\ngevestigd te [vestigingsplaats] ,\n\ngedaagde partijen,\n\nhierna te noemen: [gedaagde sub 2] ,\n\nadvocaat: mr. A. Frederiksen te Amsterdam.\n\n [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] zullen hierna samen [gedaagde sub 2] c.s. genoemd worden.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis van 18 oktober 2023; - de akte van [gedaagde sub 2] c.s. van 30 oktober 2023 met producties 12 t\u002Fm 21;\n\n- de akte van ONVZ van 15 november 2023 met producties 39 t\u002Fm 42; - de akte van [gedaagde sub 2] c.s. van 6 december 2023 met productie 12.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De verdere beoordeling\n\nInleiding\n\n2.1.. De rechtbank heeft in r.o. 2.12. van het tussenvonnis van 28 juni 2023 overwogen dat:\n\n2.2.. ONVZ heeft vervolgens een incidentele vordering ingesteld en gevraagd om [gedaagde sub 2] c.s. te veroordelen de in het incidentele verzoek gevraagde stukken over te leggen. Dit verzoek is toegewezen en [gedaagde sub 2] c.s. heeft deze stukken overgelegd bij akte van 30 oktober 2023. ONVZ heeft daarop in de akte van 15 november 2023 gereageerd. Op basis van de overgelegde stukken en de verklaringen daarbij, is de rechtbank van oordeel dat ONVZ gedeeltelijk is geslaagd in haar bewijsopdracht. De rechtbank zal hieronder uitleggen waarom.\n\n2.3.. In haar akte van 6 december 2023 stelt [gedaagde sub 2] c.s. dat zij te weinig tijd heeft gekregen om op de stellingen van ONVZ te reageren. Zij wil zich alsnog kunnen uitlaten zodat zij zich kan laten bijstaan door een financieel deskundige. De rechtbank zal dit echter niet toestaan. Het tussenvonnis is van 28 juni 2023. Vanaf dat moment was duidelijk dat de rechtbank bewijs van de stellingen van ONVZ verlangde. ONVZ heeft al op 28 augustus 2023 een verzoek gedaan om op grond van artikel 843a Rv [gedaagde sub 2] c.s. te bevelen de in het verzoek genoemde stukken te overleggen. [gedaagde sub 2] c.s. had er rekening mee moeten houden dat dit verzoek zou kunnen worden toegewezen en dat ONVZ deze stukken zou gebruiken om haar stellingen verder te onderbouwen, waarop [gedaagde sub 2] c.s. weer zou mogen reageren. Dat [gedaagde sub 1] er voor gekozen heeft om midden in die periode voor een maand naar Kenia te vertrekken, waardoor zij in tijdnood kwam, komt dan ook voor haar rekening en risico.\n\n2.4.. De rechtbank zal eerst de stellingen behandelen die ONVZ bij (bijna) elk zorgdossier heeft ingenomen en daarna de stellingen die ten aanzien van de individuele zorgdossiers zijn ingenomen. De stellingen zijn hierna in cursief weergegeven.\n\nAlgemeen\n\na. Betrokkenheid onderaannemers blijkt niet uit de stukken\n\n2.5.. De rechtbank concludeert met ONVZ dat de raamovereenkomsten die in het geding zijn gebracht, overeenkomsten zijn die lijken te zien op cliënten die bij Zilveren Kruis verzekerd zijn en niet bij ONVZ. Of deze overeenkomsten authentiek zijn kan daarom in het midden blijven. Individuele overeenkomsten van opdracht zijn niet in het geding gebracht, maar dit wil nog niet zeggen dat [gedaagde sub 2] c.s. ten onrechte aan ONVZ heeft gedeclareerd.\n\nb. Specificatie van geleverde zorg ontbreekt en facturen zijn niet herleidbaar tot verzekerden\n\n2.6.. Deze stellingen van ONVZ volgt de rechtbank niet. Immers, uit de ondertekende urenverantwoordingen, de ondertekende rapportages Verpleging en Verzorging (hierna: de rapportages) en de overgelegde verklaringen van [A] , [B] , [C] en [D] in samenhang met de in het geding gebrachte facturen, blijkt welke onderaannemers betrokken waren bij de zorg voor deze cliënten, welke zorg is geleverd, welke personen voor de zorgverlening werden ingeschakeld en wat daarvoor door de onderaannemers in rekening is gebracht. ONVZ heeft uit de stukken, zo blijkt uit productie 41, ook kunnen afleiden welke facturen bij welke verzekerde horen. Bovendien heeft [gedaagde sub 2] c.s. tegen het verwijt van ONVZ over de facturen ingebracht dat zij een kleine, informele zorgverlener is die precies wist welke zorgverlener in welke periode bij welke patiënt werkzaam was. Dit verweer vindt de rechtbank voldoende onderbouwd door middel van de overgelegde stukken. Het enkele feit dat op de facturen van de zorgverleners geen namen van verzekerden staan, maakt voor de beoordeling dan ook geen verschil.\n\n2.7.. De handtekeningen van [E] en [F] ontbreken op de urenverantwoordingen en de rapportages. Volgens ONVZ heeft zij van [E] gehoord dat [F] nooit zorg van [gedaagde sub 2] c.s. heeft ontvangen en dat [E] veel minder zorg heeft ontvangen dan door [gedaagde sub 2] c.s. is gedeclareerd. Bovendien zou [gedaagde sub 2] c.s. alleen Wmo-zorg hebben geleverd die niet bij ONVZ kan worden gedeclareerd. ONVZ heeft dit betoog echter, anders dan met een door haar zelf opgestelde bevestiging van het gesprek met [E] , niet onderbouwd. Daartegenover staat dat voor de zorgverlening aan [E] en [F] door een indicerend wijkverpleegkundige ondertekende indicaties en zorgplannen zijn overgelegd, zodat de rechtbank ervan uitgaat, mede gezien de urenverantwoordingen en de rapportages, dat de zorg zoals in deze stukken is beschreven volgens het principe “zorgplan = planning = realisatie, tenzij..” is verleend.\n\n2.8.. ONVZ heeft nog aangevoerd dat zorgverleners [G] , [H] en [I] nooit voor [onderneming 1] hebben gewerkt. Daartoe verwijst zij naar productie 42 waaruit dit moet blijken. Het is de rechtbank echter niet duidelijk wat de status van deze overzichten is en wie deze heeft ingevuld, zodat dit geen onderbouwing is voor de stelling van ONVZ.\n\nc. Geen sprake van door [gedaagde sub 2] c.s. gestelde zorgbehoefte en dus meer gedeclareerd dan nodig\n\n2.9.. ONVZ baseert deze stelling op het feit dat [E] en [F] vanaf december 2018 geen wijkverpleging meer hebben ontvangen en [A] vanaf 2020 ook niet. Bovendien heeft [B] volgens ONVZ vanaf 2020 veel minder zorg ontvangen dan in de periode daarvoor, net zoals [C] en [D] Het is de rechtbank niet duidelijk waarom uit het feit dat in een periode geen of minder zorg is verleend, de conclusie moet worden getrokken dat in de voorgaande periode meer is gedeclareerd dan nodig. Dat er geen of minder zorg is ontvangen kan immers ook het gevolg zijn van het feit dat de behoefte van de cliënten in de loop van de tijd is veranderd. Hoe het ook zij, uit deze feiten volgt nog niet dat [gedaagde sub 2] c.s. meer zorg heeft gedeclareerd dan zij heeft verleend.\n\nIndividuele zorgdossiers\n\nd. [onderneming 2] heeft een verkeerd tarief in rekening gebracht voor verzekerden [A] en [B]\n\n2.10.. Volgens ONVZ heeft [onderneming 2] het formele tarief gerekend terwijl zij informele (mantel)zorg heeft verleend waarvoor een lager tarief geldt. ONVZ meent dat [onderneming 2] informele (mantel) zorg heeft geleverd omdat [J] van [onderneming 2] de zus is van [B] Uit de door ONVZ overgelegde urenverantwoordingen en zorgrapportages blijkt dat de zorg aan [B] is verleend door [H] , [K] en [L] . Deze professionele zorgverleners zijn door [onderneming 2] ingeschakeld om de zorg aan [B] te verlenen, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat hiervoor terecht het formele tarief in rekening is gebracht. ONVZ stelt hetzelfde ten aanzien van [A] , maar uit de bijlagen waarnaar wordt verwezen blijkt niet dat [J] familie van hem is.\n\n2.11.. Uit het als bijlage 1 bij productie 41 overgelegde schema, waarvan de inhoud door [gedaagde sub 2] c.s. niet (gemotiveerd) is betwist, blijkt wel dat [gedaagde sub 2] in de periode januari tot en met december 2019 € 17.893,04 meer in rekening heeft gebracht bij [A] en [B] dan zij aan [onderneming 2] heeft hoeven te betalen. [gedaagde sub 2] heeft niet onderbouwd dat, of waarom, zij hier recht op had. Voor zover zij vindt dat dit rechtvaardig is, omdat zij recht heeft op een percentage van het door [onderneming 2] in rekening gebrachte bedrag, had zij moeten aantonen waarom dit rechtvaardig was en hoe hoog het percentage is. Uit de overgelegde overeenkomsten kan dit in ieder geval niet worden afgeleid.\n\n2.12.. \n\nDe rechtbank is dan ook van oordeel dat [gedaagde sub 2] ten onrechte een bedrag van\n\n€ 17.893,04bij ONVZ heeft gedeclareerd.\n\ne. [gedaagde sub 2] heeft meer gedeclareerd voor verzekerden [F] en [E] dan [onderneming 1]\n\n2.13.. ONVZ baseert haar stelling op bijlage 5 bij productie 41 waaruit blijkt dat [gedaagde sub 2] c.s. ( [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] ( h. o.d.n. [handelsnaam] ) in de periode oktober 2018 25% meer persoonlijke verzorging heeft gedeclareerd dan [onderneming 1] en 91,7% meer verpleging. Dit correspondeert volgens ONVZ met een bedrag van € 3.067,20. Deze stelling wordt niet (gemotiveerd) door [gedaagde sub 2] c.s. betwist, zodat de rechtbank moet vaststellen dat [gedaagde sub 2] c.s. € 3.067,20teveel bij ONVZ heeft gedeclareerd.\n\nf. [gedaagde sub 2] heeft meer gedeclareerd voor verzekerden [C] en [D] dan [onderneming 3] en [onderneming 1]\n\n2.14.. \n [onderneming 3] heeft op haar facturen geen eenheden vermeld. Dit maakt nog niet dat niet kan worden vastgesteld welke eenheden zij heeft gedeclareerd. De door [onderneming 3] gedeclareerde eenheden blijken namelijk uit de zorgrapportages. Het is de rechtbank niet gebleken dat de eenheden uit de zorgrapportages afwijken van de door [gedaagde sub 2] gedeclareerde eenheden. Als dit wel het geval was, dan had ONVZ dit moeten aanvoeren. Dat betekent dat onvoldoende is onderbouwd dat [gedaagde sub 2] meer eenheden heeft gedeclareerd dan [onderneming 3] heeft gedaan.\n\n2.15.. Wel blijkt uit bijlage 7 bij productie 41 dat [gedaagde sub 2] € 10.468,60 meer in rekening heeft gebracht aan ONVZ dan [onderneming 3] aan haar heeft gedaan. Ook dit verschil heeft [gedaagde sub 2] c.s. niet uitgelegd. Daaruit volgt dat niet komt vast te staan dat door [gedaagde sub 2] gedeclareerde zorg ter hoogte van € 10.468,60is geleverd zodat dit bedrag ten onrechte bij ONVZ is gedeclareerd.\n\n2.16.. Uit bijlage 8 bij productie 41, die niet gemotiveerd door [gedaagde sub 2] c.s. is betwist, blijkt dat [gedaagde sub 2] 4509 eenheden meer zorg heeft gedeclareerd dan [onderneming 1] volgens haar facturen heeft gewerkt. Dit is 35,6% van de door [gedaagde sub 2] gedeclareerde eenheden en correspondeert met een bedrag van € 20.920,08. Ook dit bedrag heeft [gedaagde sub 2] ten onrechte bij ONVZ gedeclareerd.\n\ng. ONVZ is op grond van artikel 7:962 BW gesubrogeerd in de rechten van de verzekerden\n\n2.17.. Volgens ONVZ kan zij daarom de bedragen die [gedaagde sub 2] ten onrechte heeft gedeclareerd van [gedaagde sub 2] terugvorderen. Zij verliest daarbij uit het oog dat ONVZ niet de schade heeft vergoed die verzekerden hebben geleden door onrechtmatig handelen van [gedaagde sub 2] , maar zorgkosten die de verzekerden hebben gemaakt. Daarop ziet artikel 7:962 BW niet.\n\nTussenconclusie\n\n2.18.. \n\nUit de voorgaande alinea’s volgt dat de rechtbank van oordeel is dat [gedaagde sub 2]\n\n(€ 17.893,04 + € 10.468,60 + € 20.920,08 =) € 49.281,72teveel bij ONVZ heeft gedeclareerd en vervolgens van ONVZ heeft ontvangen. Dit is de schade die ONVZ heeft geleden op grond van onrechtmatig handelen van [gedaagde sub 2] .\n\nOnverschuldigde betaling\n\n2.19.. \n [E] en [F] ontvingen in 2018 zorg van zowel [gedaagde sub 2] als [gedaagde sub 1] ( h. o.d.n. [handelsnaam] ). De hiermee gemoeide kosten – in totaal € 12.946,32 – werden rechtstreeks aan [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] voldaan, omdat de vorderingen van [E] en [F] op ONVZ aan [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] zijn gecedeerd. Door deze cessie zijn de rechten en verplichtingen van [E] en [F] op hen overgegaan. Zij zijn dan ook de ontvangers van de gelden in de zin van artikel 6:203 lid 1 BW. De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat ten aanzien van de aan [E] en [F] geleverde zorg, € 3.067,20teveel is gedeclareerd door [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] . Dit bedrag is dan ook onverschuldigd betaald door ONVZ en moet aan haar worden terugbetaald. Omdat niet duidelijk is welk deel van het onverschuldigd betaalde aan [gedaagde sub 2] dan wel aan [gedaagde sub 1] is voldaan, zullen zij hoofdelijk worden veroordeeld tot terugbetaling.\n\nAansprakelijkheid van [gedaagde sub 1] als bestuurder\n\n2.20.. Uitgangspunt is dat alleen de rechtspersoon aansprakelijk is voor de schade die een derde heeft geleden vanwege een onrechtmatige daad gepleegd door deze rechtspersoon. Onder omstandigheden kan een bestuurder naast de rechtspersoon aansprakelijk zijn als hem een persoonlijk ernstig verwijt ter zake van de benadeling kan worden gemaakt. Het is aan ONVZ om de feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te onderbouwen op grond waarvan kan worden aangenomen dat aan [gedaagde sub 1] een ernstig verwijt kan worden gemaakt.\n\n2.21.. In dat kader heeft ONVZ aangevoerd dat [gedaagde sub 1] als bestuurder aansprakelijk is voor de schade van ONVZ omdat zij heeft toegelaten dat binnen haar organisatie indicaties werden opgesteld op basis waarvan kosten in rekening zijn gebracht waarop geen aanspraak bestond. Dit betoog faalt. Vast staat dat de indicaties zijn opgesteld door een onafhankelijke wijkverpleegkundige. Dat deze indicaties niet juist zijn blijkt nergens uit.\n\n2.22.. Daarnaast wordt [gedaagde sub 1] verweten dat de zorgadministratie achteraf is opgesteld. In het tussenvonnis van 28 juni 2023 heeft de rechtbank vastgesteld dat de aangeleverde zorgrapportages niet de schoonheidsprijs verdienen vanwege knip- en plakwerk, maar het staat niet vast dat dit knip- en plakwerk door [gedaagde sub 1] is gedaan. Bovendien heeft ONVZ onvoldoende onderbouwd dat dit knip- en plakwerk ertoe heeft geleid dat [gedaagde sub 2] bedragen heeft gedeclareerd voor zorg die niet is geleverd.\n\n2.23.. Verder wordt [gedaagde sub 1] verweten dat [gedaagde sub 2] Wmo-zorg als Zvw zorg heeft gedeclareerd. Dat blijkt echter nergens uit. Waarom het niet instellen van een raad van commissarissen, zoals ONVZ [gedaagde sub 1] tot slot verwijt, heeft geleid tot de door ONVZ geleden schade wordt helemaal niet onderbouwd. ONVZ heeft dus geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit volgt dat [gedaagde sub 1] een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Naar oordeel van de rechtbank is van bestuurdersaansprakelijkheid dan ook geen sprake.\n\nWettelijke rente\n\n2.24.. ONVZ heeft gevorderd dat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 2] c.s. worden veroordeeld tot vergoeding van de wettelijke rente over de verschuldigde hoofdsom vanaf 27 januari 2021. [gedaagde sub 2] c.s. heeft hier geen verweer tegen gevoerd, zodat de rechtbank dit deel van de vordering zal toewijzen.\n\nConclusie\n\n2.25.. Op grond van dat wat hiervoor is overwogen zal [gedaagde sub 2] worden veroordeeld om aan ONVZ een bedrag van € € 49.281,72 te voldoen en [gedaagde sub 2] c.s. zullen hoofdelijk worden veroordeeld om een bedrag van € 3.067,20 te voldoen, beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n2.26.. Omdat niet is gebleken dat aan [gedaagde sub 1] een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt van het onrechtmatig handelen van [gedaagde sub 2] is geen sprake van bestuurdersaansprakelijkheid van [gedaagde sub 1] en de vorderingen jegens haar zullen, behalve het hiervoor genoemde bedrag van € 3.067,20, worden afgewezen.\n\nProceskosten en wettelijke rente\n\n2.27.. \n [gedaagde sub 2] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. [gedaagde sub 1] wordt niet (mede) veroordeeld in de proceskosten omdat zij niet grotendeels in het ongelijk is gesteld. De proceskosten van ONVZ worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n147,63\n\n- griffierecht\n\n€\n\n5.737,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n9.499,00\n\n(3,50 punten × € 2.714,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n178,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n15.561,63\n\n2.28.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n2.29.. \n\nDe veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.\n\n3. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n3.1.. \n\nveroordeelt [gedaagde sub 2] tot betaling aan ONVZ van een schadevergoeding van\n\n€ 49.281,72, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 27 januari 2021 tot de dag van volledige betaling,\n\n3.2.. \n\nveroordeelt [gedaagde sub 2] c.s. hoofdelijk tot betaling aan ONVZ van een bedrag van\n\n€ 3.067,20, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 27 januari 2021 tot aan de dag van volledige betaling,\n\n3.3.. veroordeelt [gedaagde sub 2] in de proceskosten van € 15.561,63, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde sub 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n3.4.. veroordeelt [gedaagde sub 2] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n3.5.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,\n\n3.6.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. C.P. Lunter, mr. J. M. van Jaarsveld en mr. S. M. van Meer en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2024.\n\n4420","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2024:3902","ecli-nl-rbmne-2024-3902",{"courtName":6,"legalDomain":110,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":120,"ecli":121,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":122,"fullText":123,"language":7,"source":17,"sourceUrl":124,"summary":14,"slug":125,"metadata":126},"365","ECLI:NL:RBMNE:2023:5437","2023-10-18T00:00:00.000Z","RECHTBANK Midden-Nederland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Lelystad\n\nZaaknummer: C\u002F16\u002F541028 \u002F HL ZA 22-168\n\nVonnis van 18 oktober 2023\n\nin de zaak van\n\nONVZ ZIEKTENKOSTENVERZEKERAAR N.V.,\n\ngevestigd te Houten,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: ONVZ,\n\nadvocaat: mr. A.C. van der Salm te 's-Gravenhage,\n\ntegen\n\n1. [gedaagde sub 1] ,\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nhierna te noemen: [gedaagde sub 1] , 2. [gedaagde sub 2],\n\ngevestigd te [vestigingsplaats] ,\n\nhierna te noemen: [gedaagde sub 2] ,\n\ngedaagde partijen,\n\nhierna samen te noemen in vrouwelijk enkelvoud: [gedaagde c.s.] ,\n\nadvocaat: mr. A. Frederiksen te Amsterdam.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\nhet vonnis van 28 juni 2023;\n\nde akte van ONVZ met daarin de incidentele vordering tot het verstrekken van bescheiden tevens de akte uitlaten bewijslevering door het horen van getuigen met producties 37 en 38;\n\nde antwoordakte in het incident van [gedaagde c.s.]\n\n1.2.. Daarna is vonnis bepaald in het incident.\n\n2. De verdere beoordeling\n\n2.1.. Bij tussenvonnis van 28 juni 2023 heeft de rechtbank ONVZ toegelaten te bewijzen dat [gedaagde c.s.] zorg heeft gedeclareerd die (deels) niet is geleverd.\n\nin het incident\n\n2.2.. Met het oog op deze bewijsopdracht vordert ONVZ in dit incident dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde c.s.] veroordeelt om aan ONVZ een afschrift te verstrekken van de volgende stukken, binnen zeven dagen na het vonnis in incident op straffe van een dwangsom:\n\nde overeenkomsten van opdracht die [gedaagde c.s.] heeft gesloten met de voor verzekerden ingeschakelde zorgverleners c.q. onderaannemers;\n\nde facturen van de inschakelde zorgverleners c.q. onderaannemers aan [gedaagde c.s.] en de bewijzen van betaling (bankafschriften) hiervan;\n\nbewijzen van betaling van de door verzekerden aan [gedaagde c.s.] (door)betaalde facturen met een totaalbedrag van € 158.230,97.\n\n2.3.. ONVZ heeft haar vordering gebaseerd op artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en artikel 88 en 98 van de Zorgverzekeringswet (Zvw). Zij heeft betoogd dat zij een afschrift van de stukken nodig heeft gelet op de bewijsopdracht van de rechtbank en vanwege het feit dat andere gebruikelijke gegevens waaruit de levering van de zorg kan blijken, zoals zorgrapportages en urenregistraties, door toedoen van [gedaagde c.s.] ontbreken. Ook heeft ONVZ gesteld dat een getuigenverhoor overbodig kan zijn of juist efficiënt en effectief kan worden ingericht, afhankelijk van hetgeen uit de stukken blijkt.\n\n2.4.. \n [gedaagde c.s.] heeft verweer gevoerd tegen de incidentele vordering. Zij heeft betoogd dat (het ontbreken van) een schriftelijke overeenkomst van opdracht tussen [gedaagde c.s.] en de voor verzekerden ingeschakelde zorgverleners en onderaannemers niet met zekerheid tot de conclusie leidt dat de zorg (niet) is geleverd. Ook zonder een schriftelijke overeenkomst kan er volgens [gedaagde c.s.] zorg zijn verleend. Hetzelfde betoog geldt volgens [gedaagde c.s.] voor de facturen die [gedaagde c.s.] bij haar zorgverleners en onderaannemers in rekening heeft gebracht en de betalingen die zijn verricht. Volgens [gedaagde c.s.] is het haar eigen keuze wat zij met het geld doet dat zij van ONVZ heeft ontvangen en zegt dat niets over de zorg die is geleverd. [gedaagde c.s.] stelt bovendien dat het (ontbreken van een) bewijs van betaling door verzekerden hoe dan ook in haar voordeel pleit. Als de betalingen wel zijn verricht, dan pleit dat voor de stelling van [gedaagde c.s.] dat de zorg geleverd is. Maar als de betalingen niet zijn verricht, dan heeft [gedaagde c.s.] geen geld ontvangen en kan zij ook niet verplicht worden teveel ontvangen gelden aan ONVZ (terug) te betalen. Als gevolg van het voorgaande ontbreekt er een rechtmatig belang bij de vordering, aldus [gedaagde c.s.] Voor het overige heeft [gedaagde c.s.] aangevoerd dat ONVZ geen partij is bij de rechtsbetrekking waarop de stukken zien. Ten slotte beroept zij zich op haar belang om geen privacy- en bedrijfsgevoelige informatie te hoeven verstrekken als dat onvoldoende belang dient.\n\nArtikel 843a Rv2.5.. Op grond van artikel 843a Rv heeft ONVZ recht op een afschrift van de gevorderde bescheiden, als sprake is van (1) een rechtmatig belang bij een afschrift. Verder moeten de stukken waarvan een afschrift wordt gevraagd (2) voldoende specifiek zijn, deze moeten (3) zien op een rechtsbetrekking waarbij ONVZ partij is en ten slotte is vereist (4) dat [gedaagde c.s.] de gevraagde stukken tot haar beschikking of onder haar berusting heeft. Als aan deze vereisten is voldaan, kan inzage in de stukken alsnog worden afgewezen vanwege (5) gewichtige redenen of omdat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder inzage in de gevraagde gegevens is gewaarborgd\n\nAd 1. - rechtmatig belang2.6.. ONVZ heeft voldoende aangevoerd om te oordelen dat zij een rechtmatig belang heeft. Zij heeft een direct en concreet belang bij de stukken, omdat zij deze informatie nodig heeft met het oog op de bewijslevering na de bewijsopdracht in het tussenvonnis van de rechtbank en - mogelijk - ter voorbereiding op het getuigenverhoor. De rechtbank is het niet eens met de stelling van [gedaagde c.s.] dat uit (het ontbreken van) de stukken op voorhand de conclusie moet worden getrokken dat dit niet bijdraagt aan het vaststellen van de rechtspositie van ONVZ en dat deze stukken op geen enkele wijze kunnen bijdragen aan de bewijsopdracht. [gedaagde c.s.] loopt hiermee ten onrechte vooruit op de beantwoording van de vraag die in de hoofdzaak aan de orde moet komen. Nu de gevraagde stukken aanwijzingen kunnen bevatten over de vraag die daadwerkelijk is geleverd, is deze relevant voor de rechtspositie van ONVZ en daarmee kan van een rechtmatig belang worden gesproken.\n\nAd 2. - voldoende specifiek2.7.. De rechtbank stelt vast dat de gevraagde stukken voldoende specifiek zijn omschreven en dat ten aanzien van dit vereiste ook geen verweer is gevoerd.\n\nAd 3. - rechtsbetrekking2.8.. Anders dan [gedaagde c.s.] lijkt te betogen, hoeft ONVZ geen directe partij te zijn bij de gevraagde stukken om inzage in die stukken te kunnen krijgen. Er moet sprake zijn van een rechtsbetrekking, waaronder niet alleen een overeenkomst maar ook een verbintenis uit de wet - zoals een onrechtmatige daad - valt. Een verzoek tot afschrift van documenten kan bovendien betrekking op een overeenkomst tussen twee andere partijen of een ander document waarbij ONVZ geen partij is.\n\n2.9.. De gevraagde stukken hebben betrekking op handelingen van [gedaagde c.s.] waarvan ONVZ heeft gesteld dat deze onrechtmatig zijn. Het is gelet hierop voldoende aannemelijk dat de stukken zien op een rechtsbetrekking waarbij ONVZ partij is.\n\nAd 4. - bezit van de stukken2.10.. \n [gedaagde c.s.] heeft niet betwist dat zij de stukken heeft, zodat dit niet in de weg staat aan toewijzing van de vordering.\n\nAd 5. - gewichtige redenen2.11.. Ten slotte heeft [gedaagde sub 2] aangevoerd dat de gevraagde gegevens privacy- en bedrijfsgevoelig zijn en niet zonder voldoende belang mogen worden verstrekt, terwijl ONVZ haar belang onvoldoende heeft aangetoond en niet eerst rechtstreeks contact heeft gezocht met haar verzekerden.\n\n2.12.. Hiervoor is geoordeeld dat ONVZ een rechtmatig belang heeft bij de door haar gevraagde gegevens. Het privacybelang van [gedaagde c.s.] weegt niet op tegen het belang van ONVZ bij een afschrift van de gegevens. Dat klemt te meer nu ONVZ voor een juiste beoordeling van de bij haar ingediende declaraties moet weten welke zorg de bij haar verzekerde zorgcliënten hebben ontvangen, terwijl de zorgrapportages van [gedaagde c.s.] slordig waren en sprake was van knip- en plakwerk. De rechtbank wijst ONVZ erop dat zij de stukken na ontvangst enkel voor deze procedure mag gebruiken.\n\n2.13.. Dat ONVZ de gevraagde gegevens (deels) bij haar verzekerden kan opvragen, staat er ten slotte niet aan in de weg dat ONVZ een afschrift van deze stukken bij [gedaagde c.s.] mag opvragen.\n\nConcluderend2.14.. De incidentele vordering tot het verkrijgen van een afschrift van de stukken zal op grond van artikel 843a Rv worden toegewezen. De rechtbank zal daarom in het midden laten of [gedaagde c.s.] ook op grond van artikel 88 en 89 Zvw verplicht is informatie te verstrekken.\n\nDwangsom2.15.. De termijn waarbinnen [gedaagde c.s.] aan de veroordeling moet voldoen wordt bepaald op zeven dagen na de betekening van dit vonnis. Als [gedaagde c.s.] de stukken niet binnen deze termijn verstrekt, dan moet zij een dwangsom betalen van € 250,00 voor iedere dag of ieder dagdeel dat zij hieraan niet voldoet, tot een maximum van € 20.000,00 is bereikt.\n\nDe proceskosten in het incident2.16.. Omdat [gedaagde c.s.] ongelijk krijgt in het incident, moet zij de proceskosten van ONVZ in het incident vergoeden. Die proceskosten worden begroot op € 598,00 voor het salaris advocaat (1 punt van liquidatietarief II),\n\nin de hoofdzaak\n\n2.17.. ONVZ heeft aangevoerd dat zij na ontvangst van de gevraagde stukken kan vaststellen of verdere bewijslevering nodig is. De rechtbank zal de hoofdzaak daarom verwijzen naar de rol van 15 november 2023, zodat ONVZ zich kan uitlaten over het vervolg en - voor zover zij geen bewijs wil leveren door het horen van getuigen - een akte met bewijsstukken kan indienen.\n\n2.18.. Iedere verdere beslissing in de hoofdzaak zal worden aangehouden.\n\n3. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nin het incident\n\n3.1.. veroordeelt [gedaagde c.s.] om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis afschriften te verstrekken van:\n\nde overeenkomsten van opdracht die [gedaagde c.s.] heeft gesloten met de voor verzekerden ingeschakelde zorgverleners c.q. onderaannemers;\n\nde facturen van de inschakelde zorgverleners c.s. onderaannemers aan [gedaagde c.s.] en de bewijzen van betaling (bankafschriften) hiervan;\n\nbewijzen van betaling van de door verzekerden aan [gedaagde c.s.] (door)betaalde facturen met een totaalbedrag van € 158.230,97;\n\n3.2.. veroordeelt [gedaagde c.s.] tot het betalen van een dwangsom van € 250,00 per dag, een deel van de dag daaronder begrepen, dat [gedaagde c.s.] in gebreke blijft na de genoemde termijn aan de veroordeling onder 3.1 te voldoen, met een maximaal te verbeuren dwangsom van € 20.000,00;\n\n3.3.. veroordeelt [gedaagde c.s.] in de proceskosten van het incident, aan de zijde van ONVZ begroot op € 598,00 voor het salaris advocaat (1 punt van liquidatietarief II),\n\n3.4.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,\n\nin de hoofdzaak\n\n3.5.. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 15 november 2023voor het nemen van een akte door ONVZ, waarin zij zich uitlaat of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en\u002Fof door een ander bewijsmiddel;\n\n3.6.. bepaalt dat ONVZ, als zij geen bewijs meer door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukkenwil overleggen, die stukken direct op de rolzitting in het geding moet brengen;\n\n3.7.. bepaalt dat ONVZ, als zij getuigenwil laten horen, de verhinderdagen van partijen, hun advocaten en de getuigen in de maanden november 2023 tot en met april 2024 op de rolzitting moet opgeven, waarna een datum en tijdstip van het getuigenverhoor zal worden bepaald;\n\n3.8.. bepaalt dat dit getuigenverhoor op de zitting van mr. S.M. van Meer zal plaatsvinden in het gerechtsgebouw in Lelystad aan het Stationsplein 15;\n\n3.9.. bepaalt dat alle partijen uiterlijk tien dagenvoor het eerste getuigenverhooralle beschikbare bewijsstukkenaan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen;\n\n3.10.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. C.P. Lunter en in het openbaar uitgesproken op 18 oktober 2023.\n\n 5425","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2023:5437","ecli-nl-rbmne-2023-5437",{"courtName":6,"legalDomain":110,"decisionType":22,"procedureType":23}]