[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-maastricht":3},{"court":4,"decisions":10},{"id":5,"name":6,"country":7,"level":8,"jurisdiction":9},74,"Maastricht","nl","first_instance","civil",[11,24,31,38,45,53,62,71,78,86,93,101,109,117,125,132,141,148,155,163],{"id":12,"ecli":13,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":15,"fullText":16,"language":7,"source":17,"sourceUrl":18,"summary":14,"slug":19,"metadata":20},"1629","ECLI:NL:RBLIM:2026:6519","","2026-07-06T00:00:00.000Z","RECHTBANK LIMBURG\n\nZittingsplaats Maastricht\n\nStrafrecht\n\nParketnummer : 03.340006.23\n\nTegenspraak\n\nVonnis van de meervoudige kamer van 6 juli 2026\n\nin de strafzaak tegen\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,\n\nwonende te [adres] .\n\nDe verdachte wordt bijgestaan door mr. S.L.B. Duijf, advocaat kantoorhoudende te Maastricht.\n\n1. Onderzoek van de zaak\n\nDe zaak is inhoudelijk behandeld ter terechtzitting van 22 juni 2026. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.\n\n2. De tenlastelegging\n\nDe ter terechtzitting gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.\n\nDe verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:\n\nFeit 1:op 23 december 2023 heeft geprobeerd om zijn echtgenote [slachtoffer] van het leven te beroven door haar met een mes in de hand en\u002Fof het lichaam te steken (primair), dan wel zijn echtgenote [slachtoffer] zwaar heeft mishandeld door haar in de hand en\u002Fof het lichaam te snijden en\u002Fof te steken (subsidiair), dan wel een poging daartoe heeft gedaan (meer subsidiair);\n\nFeit 2:op 23 december 2023 [slachtoffer] van haar vrijheid heeft beroofd door haar enkels, armen en\u002Fof handen aan elkaar vast te binden met tape.\n\n3. De beoordeling van het bewijs3.1. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder feit 1 primairtenlastegelegde en heeft daartoe aangevoerd dat er op grond van het dossier niet vastgesteld kan worden dat de verdachte opzet had, ook niet in voorwaardelijke zin, op de dood van het slachtoffer.\n\nDe officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder feit 1 subsidiairtenlastegelegde en heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte boos was, dat hij het slachtoffer met ducttape heeft vastgebonden teneinde haar weerloos te maken en dat hij vervolgens met een uitbeenmes in de richting van het slachtoffer heeft gestoken, gezwaaid of gesneden. Het steken of snijden met een scherp uitbeenmes op een weerloos vastgebonden slachtoffer, roept de aanmerkelijke kans in het leven dat bij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zal worden toegebracht. Door dat op deze manier te doen heeft verdachte die kans ook bewust aanvaard. Het slachtoffer heeft door het handelen van verdachte snijverwondingen aan vier van haar rechtervingers opgelopen. Het slachtoffer is aan het letsel geopereerd, heeft na de operatie een gipsspalk gedragen en heeft drie maanden handtherapie gevolgd. Het slachtoffer kan de handpalm tot op heden nog steeds niet volledig plat leggen en er is sprake van een verminderde functie van de pezen in de eindgewrichten. Het slachtoffer heeft zwaar lichamelijk letsel opgelopen.\n\nDe officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder feit 2tenlastegelegde en heeft daartoe aangevoerd dat het slachtoffer met ducttape was vastgebonden, dat de woonkamerdeur was afgesloten en – zoals blijkt uit de geluidsopnames – dat de verdachte het slachtoffer met zijn uitlatingen meermalen heeft belet de woning te verlaten. Voor een bewezenverklaring van wederrechtelijke vrijheidsberoving is niet vereist dat sprake is van een absolute onmogelijkheid van het slachtoffer om zich fysiek te verplaatsen, maar daarvan is in dit geval wel sprake geweest.3.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft vrijspraak van alle tenlastegelegde feiten bepleit.\n\nTen aanzien van feit 1 primairheeft de raadsvrouw aangevoerd dat er onvoldoende bewijs is voor een bewezenverklaring van een poging tot doodslag. Er is sprake van twee verhalen, welke beide niet voldoende ondersteund worden door de inhoud van het dossier, mede doordat er geen sporenonderzoek in de woning is gedaan. Daarnaast blijkt nergens uit het dossier dat de verdachte opzet had op de dood van het slachtoffer.\n\nTen aanzien van feit 1 subsidiairen feit 1 meer subsidiairheeft de raadsvrouw aangevoerd dat het dossier niet volledig is en zowel de verklaring van het slachtoffer als de verklaring van verdachte niet meer geverifieerd kunnen worden, vooral over op welke wijze het mes is gebruikt en door wie. Uit niets blijkt verder dat de verdachte de opzet had het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.\n\nTen aanzien van feit 2heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de beperking te kortdurend, te gering en niet absoluut genoeg was om te kunnen kwalificeren als vrijheidsberoving. De verdachte had geen opzet op de vrijheidsberoving en het is onduidelijk gebleven hoe de tape was aangebracht. Deze lijkt bovendien maar kortdurend op de mond van aangeefster te hebben gezeten. Er is daarom geen sprake van een (voltooid) delict.3.3. Het oordeel van de rechtbank\n\nFeit 1 primair\n\nVrijspraak\n\nDe rechtbank is, samen met de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat er onvoldoende bewijs is dat de verdachte opzet had – ook niet in voorwaardelijke zin – op de dood van aangeefster. De primair tenlastegelegde poging tot doodslag kan daarom niet bewezenverklaard worden. De rechtbank zal de verdachte daarvan vrijspreken.\n\nFeit 1 subsidiair\n\nBewijsmiddelen\n\nHet proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] d.d. 23 december 2023, voor zover inhoudende:\n\nOp 23 december 2023 werd ik omstreeks 01.30 uur plotseling wakker gemaakt door mijn man [verdachte] . Vervolgens zijn wij naar de woonkamer gelopen. Ik zag dat hij de woonkamerdeur afsloot. Ik moest op mijn knieën op de grond in de woonkamer gaan zitten. Mijn man begon ducttape om mijn hoofd en mond te wikkelen. Mijn man wikkelde mijn enkels in ducttape. Hierna wikkelde hij mijn armen en handen in ducttape. Mijn armen waren op dat moment achter mijn rug. Ik zag dat mijn man een schaar had. Ik zag en voelde dat hij mijn haren aan het afknippen was. Ik wist mijn handen los te krijgen. Ik dacht op dat moment nog steeds dat hij een schaar in zijn hand had. Ik dacht dat hij me wilde neersteken. Ik deed mijn rechterarm omhoog. Ik hield deze hand op, om hem af te weren. Ik voelde opeens een erge pijnscheut in mijn rechterhand. Ik zag dat er bloed uit mijn hand liep. Toen zag ik dat het een mes was dat mijn man in zijn hand hield.\n\nDe verklaring van getuige [slachtoffer] , afgelegd ter terechtzitting van 22 juni 2026, voor zover inhoudende:\n\nIk zat met mijn knieën op de grond met mijn handen vastgebonden naar achter. Hij was mijn haren aan het knippen. Ik probeerde mijn handen los te krijgen en toen dat gelukt was heb ik mijn rechterarm\u002Fhand omhoog en naar voren gebracht. Ik zag op dat moment niet wat hij in zijn handen had. Ik kwam met mijn hand ergens tegenaan en voelde pijn. Toen ik keek zag ik dat hij een mes in zijn hand had. Ik dacht dat hij een schaar vast had, omdat hij mijn haren aan het knippen was, maar het was een mes.\n\nDe kennisgeving van inbeslagneming:\n\nOp 23 december 2023 te 02:15 uur werd in de woning op het adres [adres] te Heerlen een mes (geel) met bloedsporen aangetroffen en inbeslaggenomen.\n\nHet proces-verbaal van bevindingen, medisch dossier Zuyderland, voor zover inhoudende:\n\nConclusie letsel slachtoffer [slachtoffer]\n\n- Hand rechts: handpalm zijde van de vingers snijverwondingen van alle vingers, behalve dig II (wijsvinger) - Dig V (pink) relatief oppervlakkige wond van 1 cm midphalanx (vingerkootje) - Dig IV (ringvinger) en III (middelvinger) diepe wonden basisphalanx (vingerkootje) - Dig I (duim) diepe wond, lopende tot ulnaire zijde van de vinger, geschat over de helft van de totale omtrek van de duim\n\n- Sensibiliteit van alle vingers intact. Vasculair (bloedvaten) intact - Functieverlies FDS (Flexor Digitorum Superficialis; buig- of- flexpezen) van dig IV (ringvinger) en III (middelvinger), verder motoriek intact - Slachtoffer heeft na de operatie 5 dagen een gipsspalk gedragen, aansluitend is zij begonnen met EAM (Early Active Motion- handtherapie) - Twee weken na de operatie zijn de hechtingen verwijderd - 28 december 2023: Slachtoffer krijgt gedurendedrie maanden handentherapie - 14 februari 2023: Slachtoffer heeft moeite met buigen en strekken van de vingers, onder andere door de littekens.\n\nHet aanvullend proces-verbaal Forensisch onderzoek [slachtoffer] , met in de bijlage Forensisch medische letselrapportage d.d. 15 mei 2024, voor zover inhoudende:\n\nMw. [slachtoffer] heeft een operatie gehad van de buigpezen van de middelvinger, de ringvinger en de pink. Binnen een week na de operatie is mw. begonnen met oefenen met de handtherapeut. Drie maanden na de operatie kan mw. de eindgewrichten van de vingers nog matig bewegen. Er is nog sprake van verminderde functie van de pezen in de eindgewrichten.\n\nDe letsels zijn snijwonden die met bindweefselvorming zijn genezen. Nu zijn littekens zichtbaar. De beschreven verminderde hand- en vingerfunctie hangt samen met het door het incident veroorzaakte peesletsel.\n\nMw. kan de vingers van haar rechterhand niet volledig buigen en strekken.\n\nDe verwachte genezingsduur betreft bijna een half jaar na het incident alsnog minimaal 3 maanden. Het is onzeker of de rechterhandfunctie volledig terugkeert.\n\nBewijsoverweging\n\nDe rechtbank stelt voorop dat de verklaring van aangeefster over de toedracht van het letsel aan haar hand telkens consistent en gedetailleerd is geweest. Daartegenover staat de telkens wisselende verklaring over de toedracht van het letsel bij aangeefster door de verdachte. De verdachte heeft inmiddels drie verschillende versies naar voren gebracht, die op wezenlijke onderdelen van elkaar verschillen. De rechtbank acht de verklaring van aangeefster betrouwbaar en geloofwaardig en zal deze tot uitgangspunt nemen voor de verdere beoordeling van de tenlastelegging.\n\nDe vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of er in casu daadwerkelijk sprake is van zwaar lichamelijk letsel bij de aangeefster. Als algemene gezichtspunten voor de beantwoording van die vraag, kunnen in elk geval worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel.Aangeefster heeft aan de handpalmzijde van haar rechterhand snijverwondingen opgelopen in de pink, ringvinger, middelvinger en duim. Aangeefster heeft daardoor een operatie van de buigpezen van de middelvinger, ringvinger en pink ondergaan en heeft vervolgens drie maanden handtherapie gevolgd. Er is sprake van een verminderde functie van de pezen in de eindgewrichten; ze kan de eindgewrichten van de vingers nog matig bewegen en ze kan de vingers niet volledig strekken en buigen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze beperkingen van zodanige aard en ernst dat, mede in aanmerking genomen de belangrijke functie van de hand in het dagelijks leven, sprake is van zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).\n\nDe vraag rijst of sprake is van (voorwaardelijk) opzetop het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan de zijde van verdachte. De rechtbank ziet in de bewijsmiddelen onvoldoende aanknopingspunten om tot een bewezenverklaring van vol opzet op zwaar lichamelijk letsel te komen. Voor voorwaardelijk opzet is vereist dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn handelen zwaar lichamelijk letsel tot gevolg zou hebben. De verdachte heeft aangeefster met een mes in haar hand gesneden, terwijl zij op haar knieën, met ducttape om haar enkels en armen, op de grond zat. De kans op zwaar lichamelijk letsel is aanmerkelijk te noemen wanneer iemand met een vlijmscherp mes steekt of snijdt in de richting van een (weerloos) slachtoffer. De verdachte moet zich hiervan ten tijde van zijn handelen bewust zijn geweest. Door met een mes in de richting van aangeefster te bewegen heeft de verdachte deze aanmerkelijke kans dan ook bewust aanvaard. Verdachte heeft daarmee voorwaardelijk opzet gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht aan zijn echtgenote.\n\nFeit 2\n\nBewijsmiddelen\n\nHet proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] d.d. 23 december 2023, voor zover inhoudende:\n\nOp 23 december 2023 werd ik omstreeks 01.30 uur plotseling wakker gemaakt door mijn man [verdachte] . Vervolgens zijn wij naar de woonkamer gelopen. Ik zag dat hij de woonkamerdeur afsloot. Ik moest op mijn knieën op de grond in de woonkamer gaan zitten. Mijn man begon ducttape om mijn hoofd en mond te wikkelen. Mijn man wikkelde mijn enkels in ducttape. Hierna wikkelde hij mijn armen en handen in ducttape. Mijn armen waren op dat moment achter mijn rug.\n\nHet proces-verbaal van bevindingen (verbalisant [naam] ), voor zover inhoudende:\n\nTer plaatse trof ik het slachtoffer [slachtoffer] aan. Ik zag dat de vrouw een grijs stuk ducttape om haar nek had zitten. Ik zag dat de vrouw een stuk ducttape om haar rechterarm had zitten. Ik zag dat de vrouw een stuk grijze ducttape om haar rechterenkel had zitten.\n\nHet proces-verbaal van bevindingen, uitwerking geluidsfragment, voor zover inhoudende:\n\nNNV: Ga weg hier\n\nNNM: Nee\n\nNNV: Ga weg hier, ga opzij, ga weg hier, ik zeg dat je mij moet laten gaan\n\nNNM: Nee, nee, nee\n\nNNV: Ik wil weg van hier\n\nNNM: Nee, jij blijft hier\n\nNNV: Ik wil weg … [ntv] … praten\n\nNNM: Nee, nee je gaat daar zitten\n\nNNV: Ik ga niet praten\n\nNNM: Ga daar zitten, want anders bind ik je vast, ga daar zitten en beken zoals het een normaal mes betaamt en dan is het klaar, dan ga ik weg, is geen probleem\n\nNNM: Je gaat nergens naar toe, je gaat daar zitten in de hoek, je gaat niet bewegen, anders bind ik je vast en knip ik je haar helemaal af\n\nNNV: Nee, ik moet hier weg\u002Fuit\n\nNNM: Je gaat nergens naar toe\n\nNNV: Wat ga je dan doen?\n\nNNM: Je gaat daar zitten\n\nBewijsoverweging\n\nOp grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte aangeefster op haar knieën heeft laten zitten, dat hij haar heeft vastgebonden met ducttape bij haar enkels, armen en handen, dat hij de woonkamerdeur heeft afgesloten en dat hij haar meermalen heeft verboden om de ruimte te verlaten. Aangeefster kon zich daardoor niet op ieder gewenst ogenblik van de plaats waar zij zich bevond verwijderen.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte aangeefster wederrechtelijk van haar vrijheid heeft beroofd.3.4. \n\nDe bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht bewezen dat de verdachte\n\nFeit 1 subsidiair:\n\nop 23 december 2023 in de gemeente Heerlen, zijn echtgenote, [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten diepe sneden en peesletsel in meerdere vingers heeft toegebracht door in de hand van die [slachtoffer] met een mes te snijden;\n\nFeit 2:\n\nop 23 december 2023 in de gemeente Heerlen opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd, door de enkels, armen en handen van die [slachtoffer] met tape aan elkaar vast te binden.\n\nDe rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:\n\nFeit 1 subsidiair\n\nzware mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn echtgenote;\n\nFeit 2\n\nopzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven;\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.\n\n5. De strafbaarheid van de verdachte\n\nDe psychiater drs. R. Thomassen heeft een onderzoek ingesteld omtrent de persoon van de verdachte en heeft op 10 april 2024 een rapport uitgebracht. Uit dat rapport is gebleken dat bij de verdachte sprake is van een post-traumatische stresstoornis (PTSS) na een overval op zijn werk in 2014 en dat hij daar nog steeds klachten van ondervindt. De PTSS beïnvloedde de gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het tenlastegelegde echter niet. De rechtbank komt op basis van de in het rapport vervatte bevindingen niet tot de conclusie dat bij de verdachte sprake is van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.\n\nDe verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.\n\n6. De straf6.1. \n\nDe vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 36 maanden (met aftrek van voorarrest), waarvan 12 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren.6.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft verzocht rekening te houden met de complexe PTSS dan wel andere psychosociale problemen van de verdachte en daarom aan de verdachte geen gevangenisstraf op te leggen, dan wel geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf langer dan het voorarrest gelet op het tijdsverloop en de aan detentie verbonden negatieve consequenties voor de verdachte.6.3. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nBij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling en wederrechtelijke vrijheidsberoving van zijn echtgenote, inmiddels ex-vrouw, en moeder van zijn kinderen. De verdachte heeft het slachtoffer vastgebonden met ducttape, een groot deel van haar haren afgeknipt met een schaar en vervolgens met een mes in de handpalm van het slachtoffer gesneden. Uitermate vernederend en respectloos gedrag, dat de rechtbank de verdachte zeer kwalijk neemt. Het slachtoffer heeft bovendien ter terechtzitting toegelicht dat ze haar vingers door het opgelopen letsel tot op heden niet volledig kan strekken en buigen en dus niet volledig meer kan gebruiken. De verdachte heeft met zijn handelen een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit en persoonlijke waardigheid van zijn echtgenote gemaakt en de rechtbank rekent hem dit zwaar aan. Bovendien heeft verdachte een geluidsopname van de feiten gemaakt en deze begaan terwijl zijn kinderen aanwezig waren in de woning. Zelfs hun aanwezigheid heeft de verdachte niet van het plegen van de feiten weerhouden.\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op de reclasseringsadviezen van 8 mei 2024, 5 december 2024 en 2 juni 2026. Daaruit blijkt onder meer dat bij verdachte sprake is van problemen op diverse leefgebieden. Naast de relatieproblematiek hebben mogelijk ook het gebrek aan dagbesteding, financiële problemen, overmatig gokken en zijn psychosociaal functioneren een rol gespeeld in het delictgedrag. De verdachte is gediagnosticeerd met PTSS. De verdachte is op 16 mei 2024 geschorst en onder toezicht gesteld van de reclassering en heeft zich tot op heden goed aan de afspraken en voorwaarden gehouden. De verdachte volgt een behandeling bij de Rooyse Wissel gericht op emotieregulatie en traumabehandeling. De scheiding is inmiddels geregeld en er is co-ouderschap ten aanzien van de twee jongste kinderen. Volgens de toezichthouder zijn alle doelen binnen het toezicht bereikt en hebben verdere bijzondere voorwaarden geen toegevoegde waarde meer. De reclassering schat het risico op recidive in als laag. De verdere behandeling van de PTSS kan doorlopen in een vrijwillig kader, aldus de reclassering.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten, niet kan worden volstaan met een andere strafmodaliteit dan een gevangenisstraf. Een taakstraf of een geldboete doet onvoldoende recht aan de ernst van het gewelddadige handelen van verdachte en de gevolgen voor het slachtoffer. De rechtbank heeft acht geslagen op de Oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. De rechtbank heeft aansluiting gezocht bij het oriëntatiepunt voor opzettelijk toebrengen van zeer zwaar lichamelijk letsel met behulp van een wapen, gelet op het vastgestelde letsel, de gevolgen en de revalidatieperiode. Dit oriëntatiepunt gaat uit van een gevangenisstraf van 1 jaar. De rechtbank weegt de volgende omstandigheden strafverzwarend mee: het slachtoffer was de echtgenote van verdachte, er is sprake van huiselijk geweld, de verdachte heeft het slachtoffer uitermate vernederd door haar haren af te knippen, de verdachte heeft van zijn handelen een geluidsopname gemaakt en de verdachte heeft geen volledige openheid van zaken gegeven.\n\nGelet op al het voorgaande acht de rechtbank in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 26 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, passend. De rechtbank zal echter in strafmatigende zin rekening houden met overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Het uitgangspunt is dat de behandeling van de zaak op de zitting dient te zijn afgerond met een einduitspraak binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen. De rechtbank overweegt dat die termijn op 23 december 2023 is aangevangen, de dag dat de verdachte door de politie is verhoord. Gelet hierop zou uiterlijk op 23 december 2025 een einduitspraak gewezen moeten zijn. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn op de dag van deze uitspraak is overschreden met ruim 6 maanden. De rechtbank zal de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf, daarom matigen van 26 maanden naar 24 maanden. De rechtbank ziet verder geen strafmatigende omstandigheden.\n\nAlles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden – met aftrek van voorarrest – en waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden. Het voorwaardelijke deel dient als stok achter de deur, om de verdachte ervan te weerhouden in te toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.\n\n7. Het beslag\n\nDe rechtbank zal de inbeslaggenomen schaar verbeurdverklaren, nu dit een voorwerp betreft met behulp van welke het feit is begaan. De rechtbank zal teruggave aan de verdachte (beslagene) gelasten van de inbeslaggenomen GSM’s, de computer en de geluidsapparatuur, nadat hiervan de opnames verwijderd zijn. Het inbeslaggenomen vleesmes is reeds retour naar de eigenaar.\n\n8. De wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 57, 282, 302 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.\n\n9. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nVrijspraak\n\n- spreekt de verdachte vrij van het tenlastegelegde onder feit 1 primair;\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;\n\nspreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;\n\nStrafbaarheid\n\nverklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nveroordeelt de verdachte voor feit 1 subsidiairenfeit 2toteen gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren;\n\nbeveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\nbepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd van 2 jaren zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;\n\nBeslag\n\n- verklaart verbeurd het volgende in beslag genomen voorwerp:\n\n1 STK Schaar (goednummer: 1665325);\n\n- gelast de teruggave van de volgende inbeslaggenomen voorwerpen aan de verdachte:\n\n1 STK GSM (goednummer: 1665364);\n\n1 STK GSM (goednummer: 1665366);\n\n1 STK Computer (goednummer: 1665367);\n\n1 STK Geluidsapparatuur (nadat de opnames zijn verwijderd) (goednummer: 1665368).\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M.E.M.W. Nuijts, voorzitter, mr. D. Osmić en mr. T.C.M. Smeets, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.P.W.E. Bekkers, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 6 juli 2026.\n\nBIJLAGE I: De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is – na de wijziging ter terechtzitting – ten laste gelegd dat\n\nFeit 1 primair:\n\nhij op of omstreeks 23 december 2023 in de gemeente Heerlen, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om zijn echtgenote, [slachtoffer] , opzettelijk van het leven te beroven, met een mes, althans een scherp en\u002Fof puntig voorwerp, in de hand en\u002Fof lichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken,\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 23 december 2023 in de gemeente Heerlen, althans in Nederland, zijn echtgenote, [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten diepe sneden en\u002Fof peesletsel in een of meerdere vingers, heeft toegebracht door in de hand en\u002Fof lichaam van die [slachtoffer] met een mes te snijden en\u002Fof steken;\n\nmeer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 23 december 2023 in de gemeente Heerlen, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om zijn echtgenote [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een mes, althans een scherp en\u002Fof puntig voorwerp, in de hand en\u002Fof lichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken en\u002Fof gesneden,\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nFeit 2:\n\nhij op of omstreeks 23 december 2023 in de gemeente Heerlen, althans in Nederland opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en\u002Fof beroofd gehouden, door de enkels, armen en\u002Fof handen van die [slachtoffer] met tape aan elkaar vast te binden.\n\n Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Districtsrecherche Parkstad-Limburg, proces-verbaalnummer PL2431-2023202228 (onderzoek: Banner), gesloten d.d. 30 maart 2024, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 190.\n\n Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] d.d. 23 december 2023, p. 44 en 45.\n\n De kennisgeving van inbeslagneming (mes met bloedsporen), p. 168.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen, medisch dossier Zuyderland van 28 maart 2024, p. 72.\n\n Het aanvullend proces-verbaal Forensisch onderzoek [slachtoffer] , met in de bijlage Forensisch medische letselrapportage d.d. 15 mei 2024, p. 11 en 12.\n\n Hoge Raad 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1051, r.o. 2.4.\n\n Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] d.d. 23 december 2023, p. 44 en 45.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen (verbalisant [naam] ), p. 22.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen, uitwerking geluidsfragment, p. 99, 100, 101 en 105.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6519","ecli-nl-rblim-2026-6519",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},"Strafrecht","uitspraak","Uitspraak",{"id":25,"ecli":26,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":15,"fullText":27,"language":7,"source":17,"sourceUrl":28,"summary":14,"slug":29,"metadata":30},"1666","ECLI:NL:RBLIM:2026:6520","RECHTBANK LIMBURG\n\nZittingsplaats Maastricht\n\nStrafrecht\n\nParketnummer : 03.277358.23\n\nTegenspraak\n\nVonnis van de meervoudige kamer van 6 juli 2026\n\nin de strafzaak tegen\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboortegegevens] 1987,\n\nwonende te [adres 1] .\n\nDe verdachte wordt bijgestaan door mr. P.W. Szymkowiak, advocaat kantoorhoudende te Maastricht.\n\n1. Onderzoek van de zaak\n\nDe zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 22 juni 2026. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.\n\nDeze zaak is gelijktijdig behandeld met de strafzaak tegen de medeverdachte [medeverdachte 1] met het parketnummer 03.142029.24 en de strafzaak tegen de medeverdachte [medeverdachte 2] met het parketnummer 03.268186.23.\n\n2. De tenlastelegging\n\nDe tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.\n\nDe verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte (al dan niet samen met anderen):\n\nFeit 1: op 12 oktober 2023 opzettelijk (ongeveer) 32,87 gram heroïne, 4,54 gram cocaïne en 120,43 gram metamfetamine aanwezig heeft gehad;\n\nFeit 2: op 12 oktober 2023 de productie van heroïne, cocaïne, metamfetamine of in ieder geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I heeft voorbereid en bevorderd.\n\n3. De beoordeling van het bewijs3.1. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie acht beide feiten bewezen. De politie heeft op 12 oktober 2023 in de woning van de verdachte drugs en allerlei goederen voor de productie van drugs aangetroffen. De officier van justitie voert aan dat op camerabeelden in de omgeving van de woning op 12 oktober 2023 iemand te zien is die erg op de verdachte lijkt. Het DNA van de verdachte is in de woning aangetroffen, waaronder op een gasmasker, al heeft daarvan geen berekening van de bewijswaarde plaatsgevonden. De verdachte heeft in de betreffende periode zijn telefoon niet gebruikt. De verdachte legt daarnaast wisselende verklaringen af over het al dan niet kennen van de medeverdachte [medeverdachte 2] . De verdachte wist volgens de officier van justitie wat er in de woning aanwezig was en heeft zich daarmee (ook) schuldig gemaakt aan de voorbereidingshandelingen.3.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging bepleit vrijspraak. De verdachte heeft zijn woning uitgeleend en hij heeft geen drugs voorhanden gehad en ook geen voorbereidingshandelingen voor de productie van drugs getroffen. Als het al de verdachte op de camerabeelden is, dan zegt dat niet meer dan dat hij in de buurt was. Er is niet vastgesteld dat het DNA van de verdachte op het gasmasker zit. Er is ook niet duidelijk wat er geproduceerd zou gaan worden.3.3. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nBewijsmiddelen\n\nTer bevordering van de leesbaarheid van dit vonnis, heeft de rechtbank de bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in bijlage II.\n\nDe overwegingen van de rechtbank\n\nOp grond van die bewijsmiddelen acht de rechtbank het aanwezig hebben van de harddrugs (feit 1) en de voorbereiding\u002Fbevordering van de productie van synthetische drugs (feit 2) bewezen. De rechtbank overweegt daartoe in het bijzonder als volgt.\n\nDe medeverdachte [medeverdachte 2] is op 12 oktober 2023 door de politie aangetroffen onder het balkon van de woning van de verdachte aan de [adres 2] te Heerlen. [medeverdachte 2] hing – voordat de politie ter plekke kwam – aan dat balkon en hij is van dit balkon naar beneden gevallen, nadat een andere man heeft geprobeerd hem omhoog te trekken. Bij controle van de telefoon van [medeverdachte 2] kreeg de politie het vermoeden dat hij zich bezighield met (de productie van) verdovende middelen. De politie is daarop de woning van de verdachte binnengetreden en trof daar een hoeveelheid drugs aan en de tenlastegelegde voorwerpen en stoffen. Die voorwerpen en stoffen kunnen gebruikt worden voor de productie van synthetische drugs. De huurder van voornoemde woning is de verdachte. In de woning is op een dressoir in de woonkamer een gasmasker aangetroffen met daarop het DNA van de medeverdachte [medeverdachte 1] en op het tv-meubel een gasmasker met daarop het DNA van de medeverdachte [medeverdachte 2] .\n\nHet voorgaande levert redengevende feiten en omstandigheden op dat de verdachte -die verantwoordelijk is voor hetgeen zich in zijn woning afspeelt en bevindt- zich, samen met anderen, schuldig heeft gemaakt aan het hem tenlastegelegde. De verklaring van de verdachte over dit alles is naar het oordeel van de rechtbank ongeloofwaardig. De verdachte heeft aangevoerd dat hij niet thuis was toen die spullen in zijn woning kwamen en dat hij in die tijd vaak bij zijn opa in Amsterdam was. Hij zou zijn woning hebben uitgeleend aan een Dominicaanse man, een zekere [naam 1] of [naam 2] . De rechtbank acht het echter niet geloofwaardig dat de verdachte zijn woning heeft uitgeleend aan een persoon waarvan hij de voornaam niet eens kent. Dat de verdachte aanvoert in het verleden op straat te hebben geleefd en het daarom niet vreemd te vinden om zijn woning achter te laten aan iemand die hij niet of nauwelijks kent, maakt niet dat de rechtbank zijn verklaring geloofwaardig(er) vindt. Daar komt bij dat de verdachte tijdens de terechtzitting heeft verklaard [medeverdachte 2] niet te kennen, terwijl hij in de raadkamer gevangenhouding heeft verklaard hem wel drie à vijf minuten te hebben gezien. Dit is een opvallende tegenstrijdigheid die de geloofwaardigheid van de verklaring van de verdachte behoorlijk aantast.\n\nDe rechtbank concludeert, op grond van het voorgaande, dat de verdachte samen met anderen zich schuldig gemaakt geeft aan het hem tenlastegelegde.\n\nUit de bewijsmiddelen volgt overigens niet specifiek welke drugs geproduceerd zouden gaan worden, nu daarin enkel wordt gesproken over substanties voor de productie van synthetische drugs. De rechtbank acht daarmee niet bewezen dat de voorbereidingshandelingen specifiek gericht waren op de productie van heroïne, cocaïne en\u002Fof metamfetamine, maar wel op een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.3.4. \n\nDe bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht bewezen dat de verdachte\n\nten aanzien van feit 1:\n\nop 12 oktober 2023 in de gemeente Heerlen tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad:\n\n- ongeveer 32,87 gram heroïne, en\n\n- ongeveer 4,54 gram cocaïne, en\n\n- ongeveer 120,43 gram metamfetamine,\n\nzijnde heroïne, cocaïne en metamfetamine, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;\n\nten aanzien van feit 2:\n\nop 12 oktober 2023 in de gemeente Heerlen tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk vervaardigen van een (of meer) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en te bevorderen,\n\n- twee gasmaskers (met filter), en\n\n- een paar rubberen handschoenen, en\n\n- een weegschaal, en\n\n- een speciekuip, en\n\n- een maatbeker, en\n\n- een mes, en\n\n- een (of meer) spatel(s), en\n\n- een (of meer) jerrycan(s), en\n\n- een zak met het opschrift ‘Caus 5 kg’, en\n\n- een zak met het opschrift ‘Perka 3 kg’, en\n\n- een zak met het opschrijft ‘Wijnsteen 2,5 kg’,\n\nzijnde voorwerpen en stoffen waarvan hij, verdachte, en\u002Fof zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, voorhanden heeft gehad.\n\nDe rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:\n\nten aanzien van feit 1:\n\nmedeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;\n\nten aanzien van feit 2:\n\nmedeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.\n\n5. De strafbaarheid van de verdachte\n\nDe verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.\n\n6. De straf6.1. \n\nDe vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 180 dagen met aftrek van de duur van het voorarrest, waarvan 85 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en de bijzondere voorwaarde zoals geadviseerd door de reclassering. Daarnaast vordert de officier van justitie oplegging van een taakstraf van 80 uren.6.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nBij bewezenverklaring dient een straf overeenkomstig de duur van het voorarrest te worden opgelegd. De verdediging voert daartoe aan dat de redelijke termijn is overschreden.6.3. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nBij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.\n\nDe verdachte heeft zich met anderen schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor de productie van synthetische drugs en het bezit van een hoeveelheid harddrugs. De verdachte is daardoor medeverantwoordelijk voor de nadelige effecten die het gebruik van harddrugs veroorzaakt voor de volksgezondheid en de criminaliteit die met harddrugs gepaard gaat. Ook brengt de opslag van grondstoffen die worden gebruikt bij het vervaardigen en bewerken van harddrugs grote risico’s met zich mee, zoals brand- en ontploffingsgevaar en het vrijkomen van giftige dampen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de productiemiddelen zijn aangetroffen in een appartement in een woonwijk. Van de mogelijke gevolgen voor de omwonenden heeft de verdachte zich kennelijk niets aangetrokken.\n\nGelet op de ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat in beginsel een gevangenisstraf van aanzienlijke duur passend is. Daarbij heeft de rechtbank voor wat betreft het aanwezig hebben van de harddrugs gelet op de daarvoor geldende LOVS-oriëntatiepunten en voor wat betreft de voorbereidingshandelingen voor de productie van harddrugs op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank stelt daarbij vast dat de verdachte wisselende verklaringen heeft afgelegd, geen volledige openheid van zaken heeft willen geven en geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen. In het voordeel van de verdachte rekent de rechtbank mee het door de reclassering uitgebrachte advies, waaruit volgt dat hij zich goed aan de schorsingsvoorwaarden heeft gehouden en dat hij bezig is om zijn leven weer positief op te bouwen. Verder houdt de rechtbank, in strafmitigerende zin, rekening met de overschrijding van de redelijke termijn. In dit geval is de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn aangevangen op 22 oktober 2023, de datum waarop de verdachte in verzekering is gesteld. Dit betekent dat de redelijke termijn van twee jaren met ruim acht maanden is overschreden. Van bijzondere omstandigheden die deze termijnoverschrijding kunnen rechtvaardigen, is niet gebleken.\n\nGelet op de voornoemde strafmitigerende omstandigheden, zal de rechtbank de verdachte niet terugsturen naar de gevangenis. De rechtbank zal aan de verdachte opleggen een gevangenisstraf van 235 dagen, waarvan 140 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Het voorwaardelijke deel dient als een waarschuwing aan de verdachte: mocht hij nog eens overwegen om de wet te overtreden, dan weet hij wat hem mogelijk te wachten staat. Daarnaast zal de rechtbank aan de verdachte opleggen een taakstraf van 80 uren.\n\n7. Het beslag\n\nDe rechtbank beslist tot teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp, te weten de gsm.\n\n8. De wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet.\n\n9. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;\n\nspreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;\n\nStrafbaarheid\n\nverklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nveroordeelt de verdachte voor de beide feiten tot een gevangenisstraf van 235 dagen, waarvan 140 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren;\n\nbeveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\nbepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd van twee jaren zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;\n\nstelt als bijzondere voorwaarde, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd heeft te voldoen dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de veroordeelde zich binnen 5 dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij de reclassering van het Leger des Heils op het adres Putgraaf 3, 6411 GT Heerlen;\n\ngeeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;\n\nvoorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:\n\nten behoeve van het vaststellen van zijn\u002Fhaar identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;\n\nmedewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;\n\nveroordeelt de verdachte voor beide feiten tot een taakstraf voor de duur van 80 uren;\n\nbeveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 dagen;\n\nVoorlopige hechtenis\n\n- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden;\n\nBeslag\n\n- gelast de teruggave van het volgende in beslag genomen voorwerp aan de verdachte:\n\n1 STK GSM (G1648474).\n\nDit vonnis is gewezen door mr. D. Osmić, voorzitter, mr. M.E.M.W. Nuijts en mr. T.C.M. Smeets, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.A.H. Bohnen, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 6 juli 2026.\n\nBuiten staat\n\nDe griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.\n\nBIJLAGE I:De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd dat\n\nTen aanzien van feit 1:\n\nhij, op of omstreeks 12 oktober 2023 in de gemeente Heerlen tezamen en\n\nin vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen, opzettelijk\n\naanwezig heeft gehad:\n\n- ongeveer 32,87 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een\n\nmateriaal bevattende heroïne, en\u002Fof\n\n- ongeveer 4,54 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een\n\nmateriaal bevattende cocaïne, en\u002Fof\n\n- ongeveer 120,43 gram metamfetamine,\n\nin elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende\n\nmetamfetamine,\n\nzijnde heroïne, cocaïne en\u002Fof metamfetamine, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet\n\nbehorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel\n\n3a van die wet;\n\nTen aanzien van feit 2:\n\nhij, op of omstreeks 12 oktober 2023 in de gemeente Heerlen tezamen en\n\nin vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen, om een feit,\n\nbedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te\n\nweten\n\n- het opzettelijk binnen en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland\n\nbrengen, en\u002Fof\n\n- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen,\n\nafleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren, en\u002Fof\n\n- het opzettelijk vervaardigen,\n\nvan een (of meer) hoeveelhe(i)d(en) heroïne, cocaïne en\u002Fof metamfetamine, in elk geval een (of meer)\n\nmiddel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel\n\naangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet,\n\nvoor te bereiden en\u002Fof te bevorderen,\n\n- twee gasmaskers (met filter), en\u002Fof\n\n- een paar rubberen handschoenen, en\u002Fof\n\n- een weegschaal, en\u002Fof\n\n- een speciekuip, en\u002Fof\n\n- een maatbeker, en\u002Fof\n\n- een mes, en\u002Fof\n\n- een (of meer) spatel(s), en\u002Fof\n\n- een (of meer) jerrycan(s), en\u002Fof\n\n- een zak met het opschrift ‘Caus 5 kg’, en\u002Fof\n\n- een zak met het opschrift ‘Perka 3 kg’, en\u002Fof\n\n- een zak met het opschrijft ‘Wijnsteen 2,5 kg,\n\nzijnde voorwerpen en\u002Fof stoffen waarvan hij, verdachte, en\u002Fof zijn\n\nmededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat\n\nzij bestemd waren tot het plegen van dat feit, voorhanden heeft gehad.\n\nBIJLAGE II: De bewijsmiddelen\n\nHet proces-verbaal van bevindingenvan 12 oktober 2023, p.20-21\n\nOp 12 oktober 2023 bevonden wij ons op de [adres 2] te Heerlen, aan de achterzijde van de aldaar gelegen flat. Wij zagen dat er aan de achterzijde van de flat een persoon op de grond lag. Wij zagen dat deze persoon lag onder het tweede balkon gezien vanaf de [straatnaam 1] . Ik liep naar de vrouw die eerder bij de gewonde man stond. Zij verklaarde dat zij de man aan het balkon had zien hangen en dat een andere man deze man naar boven wilde trekken. Dat de man uiteindelijk toch viel en dat de andere man na een aantal minuten kwam kijken bij de gewonde en meteen ook weer weg liep. Teneinde de identiteit van de gewonde man te achterhalen bekeken wij de telefoon van het slachtoffer. Wij openden de telefoon en zagen in de fotogalerij foto's waarop vermoedelijk verdovende middelen, en de productie hiervan, te zien waren.\n\nHet proces-verbaal van bevindingenvan 12 oktober 2023, p.23-24\n\nOp 12 oktober 2023 was ik op de [adres 2] \u002F [straatnaam 2] in verband met een incident hulpverlening van een persoon die vanaf een balkon omlaag was gevallen. Ter plaatse kon achterhaald worden dat het om appartement [huisnummer] ging. Terwijl ik de woning betrad, rook ik bij binnenkomst in de woonkamer een weeïge geur, mij bekend als de geur van amfetamine. Ik zag diverse aanwijzingen waaruit ik vermoedde dat er in de woning harddrugs vervaardigd werden. Ik zag onder andere in de woonkamer:\n\n- Naast de tv een geel gasmasker liggen met een filterbus.\n\n- Op het dressoir in de woonkamer lagen resten wit poeder en doorzichtige kristallen,\n\nalsmede gele rubberen handschoenen, een zwart gasmasker met filter en een weegschaal\n\nmet resten kristalachtige stof. In de keuken stond een witte speciekuip met daarin een oa een maatbeker, een mes, en spatels. Vervolgens zag ik op het balkon meerdere jerrycans staan.\n\nHet proces-verbaal van aanhouding verdachtevan 12 oktober 2023, p.245\n\nOp 12 oktober 2023 gingen wij ter plaatse in het Zuyderland ziekenhuis in Heerlen op verzoek van officier van dienst politie [naam 3] . Aldaar zou een onbekende man liggen die eerder op de dag van een balkon was gevallen. Volgens [naam 3] zou er een drugslab zijn aangetroffen in de woning waar de man van zou zijn gevallen. Aldaar troffen wij een Spaanssprekende man aan die aangaf [medeverdachte 2] te heten.\n\nHet proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagnamevan 13 oktober 2023, p.34\n\nOp 12 oktober 2023 werd voor een doorzoeking ter inbeslagneming binnengetreden in de woning, [adres 2] Heerlen. Tijdens de doorzoeking werd het volgende in beslag genomen: Gasmasker zwart, Gasmasker geel, Zakje cocaïne, Handschoenen zwart, Zakje brok heroïne, Zakje brok heroïne, Bolletje cocaïne, Zakje MDMA wit, Zakje MDMA bruin, Zak met opschrift “Caus 5kg”, Zak kleur paars met vloeistof, Zak met opschrift “Perka 3kg”, Zak met opschrift “Wijnsteen 2kkg”.\n\nHet proces-verbaal van bevindingenvan 24 oktober 2023, p.117\n\nHet is mij ambtshalve bekend dat de combinatie van de substantie Caus, Perka, Wijnsteen en Amfetamine gebruikt kan worden voor de productie van synthetische drugs.\n\nHet proces-verbaal van bevindingenvan 12 oktober 2023, p.163\n\nNaar aanleiding van het ontvangen huurcontract van Wonen Limburg in relatie tot het appartement: [adres 2] te Heerlen, ben ik in gesprek gegaan met een medewerker van Wonen Limburg. Op het overzicht zijn twee bankrekeningnummers weergegeven in relatie tot de hoofdhuurder [verdachte] .\n\nDe kennisgeving van inbeslagnemingvan 13 oktober 2023, p.101\n\nPlaats: [adres 2] Heerlen\n\nDatum en tijd: 12 oktober 2023 te 19:00 uur\n\nGoednummer: PL2300-2023162733-1646198, 33 gram heroine bruto\n\nDe kennisgeving van inbeslagnemingvan 13 oktober 2023, p.104\n\nPlaats: [adres 2] Heerlen\n\nDatum en tijd: 12 oktober 2023 te 19:00 uur\n\nGoednummer: PL2300-2023162733-1646209, 6 gram bruto cocaine\n\nDe kennisgeving van inbeslagnemingvan 13 oktober 2023, p.105\n\nPlaats: [adres 2] Heerlen\n\nDatum en tijd: 12 oktober 2023 te 19:00 uur\n\nGoednummer: PL2300-2023162733-1646213, 42 gram bruto amfetamine \u002F crystal meth\n\nDe kennisgeving van inbeslagnemingvan 13 oktober 2023, p.108\n\nPlaats: [adres 2] Heerlen\n\nDatum en tijd: 12 oktober 2023 te 19:00 uur\n\nGoednummer: PL2300-2023162733-1646224, 51 gram bruto crystal meth \u002F amfetamine\n\nDe kennisgeving van inbeslagnemingvan 13 oktober 2023, p.109\n\nPlaats: [adres 2] Heerlen\n\nDatum en tijd: 12 oktober 2023 te 19:00 uur\n\nGoednummer: PL2300-2023162733-1646231, 40 gram bruto mdma \u002F amfetamine\n\nHet proces-verbaal onderzoek verdovende middelenvan 14 november 2023, p.68-73\n\nDe aangeboden partij verdovende middelen bestond uit:\n\nGoednummer: PL2300-2023162733-1646198\n\nSIN: AAQQ7919NL\n\nRelatie met SIN: AAQR6444NL\n\nGoednummer: PL2300-2023162733-1646209\n\nSIN: AAQQ7920NL\n\nRelatie met SIN: AAQR6445NL\n\nGoednummer: PL2300-2023162733-1646231\n\nSIN: AAQQ7921NL\n\nRelatie met SIN: AAQR6446NL\n\nGoednummer: PL2300-2023162733-1646224\n\nSIN: AAQQ7922NL\n\nRelatie met SIN: AAQR6447NL\n\nGoednummer: PL2300-2023162733-1646213\n\nSIN: AAQQ7923NL\n\nRelatie met SIN: AAQR6448NL, AAQR6449NL, AAQR6450NL, AAQR6451NL\n\nDe deskundigenrapporten van ing. M. Visser-van Leeuwen,als rapporteur verbonden aan het Nederlands Forensisch Instituutte Den Haag van 13 november 2023, p.74-81\n\nKenmerk: AAQR6444NLOmschrijving: brokjes, bruin, uit 32,87 gram\n\nConclusie: bevat heroïne\n\nKenmerk: AAQR6445NL\n\nOmschrijving: poeder, wit, uit 4,54 gram\n\nConclusie: bevat cocaïne\n\nKenmerk: AAQR6446NLOmschrijving: poeder en brokjes, bruin, uit 35,70 gram\n\nConclusie: bevat metamfetamine\n\nKenmerk: AAQR6447NL\n\nOmschrijving: kristal, crèmekleurig, uit 47,30 gram\n\nConclusie: bevat metamfetamine\n\nKenmerk: AAQR6448NL\n\nOmschrijving: kristal, wit, uit 4,67 gram\n\nConclusie: bevat metamfetamine\n\nKenmerk: AAQR6449NL\n\nOmschrijving: kristal, wit, uit 2,10 gram\n\nConclusie: bevat metamfetamine\n\nKenmerk: AAQR6450NL\n\nOmschrijving: kristal, crèmekleurig, uit 21,27 gram\n\nConclusie: bevat metamfetamine\n\nKenmerk: AAQR6451NL\n\nOmschrijving: kristal, wit, uit 9,39 gram\n\nConclusie: bevat metamfetamine\n\nHet proces-verbaal van bevindingenvan 22 november 2023, p.180\n\nOp 12 oktober 2023 werd in de woning [adres 2] [huisnummer] te Heerlen een productielocatie voor synthetische drugs aangetroffen. In het appartement werden diverse goederen bemonsterd voor DNA-onderzoek.\n\nDe kennisgeving van inbeslagnemingvan 13 oktober 2023, p.91\n\nPlaats: [adres 2] Heerlen\n\nDatum en tijd: 12 oktober 2023 te 19:00 uur\n\nAAPV8333NL: zwartkleurig gasmasker (aangetroffen woonkamer)\n\nDe kennisgeving van inbeslagnemingvan 13 oktober 2023, p.95\n\nPlaats: [adres 2] Heerlen\n\nDatum en tijd: 12 oktober 2023 te 19:00 uur\n\nAAPV8335NL: geelkleurig gasmasker (aangetroffen woonkamer)\n\nDe deskundigenrapportagevan dr. PJ. Herbergs, forensisch DNA-deskundige, verbonden aanThe Maastricht Forensic Institute, van 16 november 2023, p.182-188\n\nBemonstering: Gehele contactvlak met het gezicht van het gasmasker (met SIN AAPV8335NL)\n\nDNA-profiel: DNA-mengprofiel afkomstig van celmateriaal van minimaal drie donoren, van wie zeker één man.*\n\nMogelijke donor van celmateriaal: Verdachte [medeverdachte 2] .\n\nOm een uitspraak te doen over het mogelijk aanwezig zijn van celmateriaal van verdachte [medeverdachte 2] in de bemonstering 'gehele contactvlak met het gezicht van het gasmasker (met SIN AAPV8335NL) AAQJ4430NL' is de likelihood-ratio (LR) methode toegepast. Daarbij worden de resultaten bezien in het licht van twee, elkaar uitsluitende hypothesen:\n\nHypothese 1: de bemonstering van het spoor bevat DNA van verdachte [medeverdachte 2] en twee onbekende, niet verwante personen.\n\nHypothese 2: de bemonstering van het spoor bevat DNA van drie onbekende, niet verwante\n\npersonen.\n\nDe resultaten van het onderzoek zijn extreem veel waarschijnlijker wanneer hypothese 1 juist is dan wanneer hypothese 2 juist is.\n\nBemonstering: Gehele contactvlak met het gezicht van gasmasker (met SIN AAPV8333NL)DNA-profiel: DNA-mengprofiel afkomstig van celmateriaal van minimaal drie donoren, van wie zeker één man.* Er is een DNA-hoofdprofiel afgeleid van een man. De frequentie van het DNA-hoofdprofiel is kleiner dan één op één miljard.\n\nMogelijke donor van celmateriaal: [medeverdachte 1] (DNA-hoofdprofiel)\n\nBemonstering: Rondom de filterventielen aan de binnenzijde van het gasmasker (met SIN AAPV8333NL)\n\nDNA-profiel: DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard\n\nMogelijke donor van celmateriaal: [medeverdachte 1]\n\n Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van de Districtsrecherche Parkstad-Limburg, proces-verbaalnummer LB2R023104-51, gesloten d.d. 15 februari 2024, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 305.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6520","ecli-nl-rblim-2026-6520",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":32,"ecli":33,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":15,"fullText":34,"language":7,"source":17,"sourceUrl":35,"summary":14,"slug":36,"metadata":37},"1664","ECLI:NL:RBLIM:2026:6518","RECHTBANK LIMBURG\n\nZittingsplaats Maastricht\n\nStrafrecht\n\nParketnummer : 03.268186.23\n\nTegenspraak (gemachtigde raadsman)\n\nVonnis van de meervoudige kamer van 6 juli 2026\n\nin de strafzaak tegen\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboortegegevens] 1976,\n\ndomicilie kiezende te [adres 1] .\n\nDe verdachte wordt bijgestaan door mr. H.G. Koopman, advocaat kantoorhoudende te Amsterdam.\n\n1. Onderzoek van de zaak\n\nDe zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 22 juni 2026. De verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsman. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.\n\nDeze zaak is gelijktijdig behandeld met de strafzaak tegen de medeverdachte [medeverdachte 1] met het parketnummer 03.277358.23 en de strafzaak tegen de medeverdachte [medeverdachte 2] met het parketnummer 03.142029.24.\n\n2. De tenlastelegging\n\nDe tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.\n\nDe verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte (al dan niet samen met anderen):\n\nFeit 1: op 12 oktober 2023 opzettelijk (ongeveer) 32,87 gram heroïne, 4,54 gram cocaïne en 120,43 gram metamfetamine aanwezig heeft gehad;\n\nFeit 2: op 12 oktober 2023 de productie van heroïne, cocaïne, metamfetamine of in ieder geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I heeft voorbereid en bevorderd.\n\n3. De beoordeling van het bewijs3.1. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie acht beide feiten bewezen. De politie heeft op 12 oktober 2023 in de woning van de medeverdachte [medeverdachte 1] drugs en allerlei goederen voor de productie van drugs aangetroffen. De verdachte heeft verklaard uit die woning te zijn gekomen en betrokken te zijn bij de productie van drugs in die woning.3.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nTen aanzien van de voorbereidingshandelingen concludeert de verdediging tot vrijspraak. De verdachte heeft de in de tenlastelegging genoemde voorwerpen niet aangeschaft. Niet in te zien is wat de bijdrage van de verdachte is geweest aan de voorbereidingshandelingen. De uiting van de voorbereidingshandelingen ligt niet op of omstreeks 12 oktober 2023, maar in de periode erna.3.3. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nBewijsmiddelen\n\nTer bevordering van de leesbaarheid van dit vonnis, heeft de rechtbank de bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in bijlage II.\n\nDe overwegingen van de rechtbank\n\nOp grond van die bewijsmiddelen acht de rechtbank het aanwezig hebben van de harddrugs (feit 1) en de voorbereiding\u002Fbevordering van de productie van synthetische drugs (feit 2) bewezen. De rechtbank overweegt daartoe in het bijzonder als volgt.\n\nDe verdachte is op 12 oktober 2023 door de politie aangetroffen onder het balkon van de woning aan de [adres 2] nummer [huisnummer] te Heerlen. De verdachte hing – voordat de politie ter plekke kwam – aan dat balkon en hij is van dit balkon naar beneden gevallen, nadat een andere man heeft geprobeerd hem omhoog te trekken. Bij controle van de telefoon van de verdachte kreeg de politie het vermoeden dat de verdachte zich bezighield met (de productie van) verdovende middelen. De politie is daarop voornoemde woning binnengetreden en trof daar een hoeveelheid drugs aan en de tenlastegelegde voorwerpen en stoffen. Die voorwerpen en stoffen kunnen gebruikt worden voor de productie van synthetische drugs. De huurder van de voornoemde woning is de medeverdachte [medeverdachte 1] . In de woning is op een dressoir in de woonkamer een gasmasker aangetroffen met daarop het DNA van de medeverdachte [medeverdachte 2] en op het tv-meubel een gasmasker met daarop het DNA van de verdachte.\n\nHet voorgaande levert redengevende feiten en omstandigheden op dat de verdachte het aan hem tenlastegelegde samen met anderen heeft gepleegd: naast medeverdachte [medeverdachte 2] is dat medeverdachte [medeverdachte 1] , de huurder van de bedoelde woning. En in een geval als dit, mag van de verdachte een aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring worden verwacht. Die is door de verdachte op geen enkel moment gegeven.\n\nDe rechtbank concludeert, op grond van het voorgaande, dat de verdachte samen met anderen zich schuldig gemaakt geeft aan het hem tenlastegelegde.\n\nUit de bewijsmiddelen volgt overigens niet specifiek welke drugs geproduceerd zouden gaan worden, nu daarin enkel wordt gesproken over substanties voor de productie van synthetische drugs. De rechtbank acht daarmee niet bewezen dat de voorbereidingshandelingen specifiek gericht waren op de productie van heroïne, cocaïne en\u002Fof metamfetamine, maar wel op een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.\n\n3.4. \n\nDe bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht bewezen dat de verdachte\n\nten aanzien van feit 1:\n\nop 12 oktober 2023 in de gemeente Heerlen tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad:\n\n- ongeveer 32,87 gram heroïne, en\n\n- ongeveer 4,54 gram cocaïne, en\n\n- ongeveer 120,43 gram metamfetamine,\n\nzijnde heroïne, cocaïne en metamfetamine, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;\n\nten aanzien van feit 2:\n\nop 12 oktober 2023 in de gemeente Heerlen tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk vervaardigen van een (of meer) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en te bevorderen,\n\n- twee gasmaskers (met filter), en\n\n- een paar rubberen handschoenen, en\n\n- een weegschaal, en\n\n- een speciekuip, en\n\n- een maatbeker, en\n\n- een mes, en\n\n- een (of meer) spatel(s), en\n\n- een (of meer) jerrycan(s), en\n\n- een zak met het opschrift ‘Caus 5 kg’, en\n\n- een zak met het opschrift ‘Perka 3 kg’, en\n\n- een zak met het opschrijft ‘Wijnsteen 2,5 kg’,\n\nzijnde voorwerpen en stoffen waarvan hij, verdachte, en\u002Fof zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, voorhanden heeft gehad.\n\nDe rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:\n\nten aanzien van feit 1:\n\nmedeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;\n\nten aanzien van feit 2:\n\nmedeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.\n\n5. De strafbaarheid van de verdachte\n\nDe verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.\n\n6. De straf6.1. \n\nDe vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van het voorarrest.6.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging verzoekt een straf op te leggen overeenkomstig de duur van de voorlopige hechtenis, te weten 244 dagen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat dat in de LOVS-oriëntatiepunten voor feit 1 een gevangenisstraf van 6 weken staat en dat de redelijke termijn is overschreden.6.3. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nBij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.\n\nDe verdachte heeft zich met anderen schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor de productie van synthetische drugs en het bezit van een hoeveelheid harddrugs. De verdachte is daardoor medeverantwoordelijk voor de nadelige effecten die het gebruik van harddrugs veroorzaakt voor de volksgezondheid en de criminaliteit die met harddrugs gepaard gaat. Ook brengt de opslag van grondstoffen die worden gebruikt bij het vervaardigen en bewerken van harddrugs grote risico’s met zich mee, zoals brand- en ontploffingsgevaar en het vrijkomen van giftige dampen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de productiemiddelen zijn aangetroffen in een appartement in een woonwijk. Van de mogelijke gevolgen voor de omwonenden heeft de verdachte zich kennelijk niets aangetrokken.\n\nGelet op de ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van aanzienlijke duur passend is. Daarbij heeft de rechtbank voor wat betreft het aanwezig hebben van de harddrugs gelet op de daarvoor geldende LOVS-oriëntatiepunten en voor wat betreft de voorbereidingshandelingen voor de productie van harddrugs op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank stelt daarbij vast dat de verdachte wisselende verklaringen heeft afgelegd, geen volledige openheid van zaken heeft willen geven en geen (volledige) verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen.\n\nDe rechtbank houdt er echter rekening mee dat in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. In dit geval is de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn aangevangen op 13 oktober 2023, de datum waarop de verdachte in verzekering is gesteld. Dit betekent dat de redelijke termijn van twee jaren met bijna negen maanden is overschreden. Van bijzondere omstandigheden die deze termijnoverschrijding kunnen rechtvaardigen, is niet gebleken. Daarom zal de rechtbank de op te leggen gevangenisstraf verminderen en een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 243 dagen opleggen, overeenkomstig de tijd die de verdachte in voorarrest heeft gezeten en hoeft de verdachte niet terug naar de gevangenis.\n\n7. Het beslag\n\nOnttrekking aan het verkeer\n\nDe rechtbank zal de inbeslaggenomen verdovende middelen en de verpakking daarvan onttrekken aan het verkeer. Ten aanzien van de verdovende middelen overweegt de rechtbank dat de feiten met betrekking tot deze voorwerpen zijn begaan en deze van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. De onttrekking aan het verkeer van een voorwerp omvat mede de verpakking, zodat ook deze zal worden onttrokken.\n\nTeruggave\n\nDe rechtbank beslist daarnaast tot teruggave van de simkaart.\n\n8. De wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing berust op de artikelen 36b, 36d, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet.\n\n9. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;\n\nspreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;\n\nStrafbaarheid\n\nverklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nveroordeelt de verdachte voor beide feiten tot een gevangenisstraf van 243 dagen;\n\nbeveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\nBeslag\n\n- onttrekt aan het verkeer de volgende in beslag genomen voorwerpen:\n\n1. STK Verdovende Middelen (G1646867);\n\n1. STK Verdovende Middelen (G1646111);\n\n1. STK Verdovende Middelen (G1646204);\n\n1. STK Verdovende Middelen (G1646424);\n\n1. STK Verdovende Middelen (G1646431);\n\n1. STK Verdovende Middelen (G1646434);\n\n1. STK Verdovende Middelen (G1646219);\n\n1. STK Zak (G1646187);\n\n- gelast de teruggave van het volgende in beslag genomen voorwerp aan de verdachte:\n\n1. STK Simkaart van zaktelefoon (G1646414).\n\nDit vonnis is gewezen door mr. D. Osmić, voorzitter, mr. M.E.M.W. Nuijts en mr. T.C.M. Smeets, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.A.H. Bohnen, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 6 juli 2026.\n\nBuiten staat\n\nDe griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.\n\nBIJLAGE I: De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd dat\n\nTen aanzien van feit 1:\n\nhij, op of omstreeks 12 oktober 2023 in de gemeente Heerlen tezamen en\n\nin vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen, opzettelijk\n\naanwezig heeft gehad:\n\n- ongeveer 32,87 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een\n\nmateriaal bevattende heroïne, en\u002Fof\n\n- ongeveer 4,54 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een\n\nmateriaal bevattende cocaïne, en\u002Fof\n\n- ongeveer 120,43 gram metamfetamine,\n\nin elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende\n\nmetamfetamine,\n\nzijnde heroïne, cocaïne en\u002Fof metamfetamine, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet\n\nbehorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel\n\n3a van die wet;\n\nTen aanzien van feit 2:\n\nhij, op of omstreeks 12 oktober 2023 in de gemeente Heerlen tezamen en\n\nin vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen, om een feit,\n\nbedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te\n\nweten\n\n- het opzettelijk binnen en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland\n\nbrengen, en\u002Fof\n\n- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen,\n\nafleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren, en\u002Fof\n\n- het opzettelijk vervaardigen,\n\nvan een (of meer) hoeveelhe(i)d(en) heroïne, cocaïne en\u002Fof metamfetamine, in elk geval een (of meer)\n\nmiddel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel\n\naangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet,\n\nvoor te bereiden en\u002Fof te bevorderen,\n\n- twee gasmaskers (met filter), en\u002Fof\n\n- een paar rubberen handschoenen, en\u002Fof\n\n- een weegschaal, en\u002Fof\n\n- een speciekuip, en\u002Fof\n\n- een maatbeker, en\u002Fof\n\n- een mes, en\u002Fof\n\n- een (of meer) spatel(s), en\u002Fof\n\n- een (of meer) jerrycan(s), en\u002Fof\n\n- een zak met het opschrift ‘Caus 5 kg’, en\u002Fof\n\n- een zak met het opschrift ‘Perka 3 kg’, en\u002Fof\n\n- een zak met het opschrijft ‘Wijnsteen 2,5 kg,\n\nzijnde voorwerpen en\u002Fof stoffen waarvan hij, verdachte, en\u002Fof zijn\n\nmededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat\n\nzij bestemd waren tot het plegen van dat feit, voorhanden heeft gehad.\n\nBIJLAGE II: De bewijsmiddelen\n\nHet proces-verbaal van bevindingenvan 12 oktober 2023, p.20-21\n\nOp 12 oktober 2023 bevonden wij ons op de [adres 2] te Heerlen, aan de achterzijde van de aldaar gelegen flat. Wij zagen dat er aan de achterzijde van de flat een persoon op de grond lag. Wij zagen dat deze persoon lag onder het tweede balkon gezien vanaf de [straatnaam 1] . Ik liep naar de vrouw die eerder bij de gewonde man stond. Zij verklaarde dat zij de man aan het balkon had zien hangen en dat een andere man deze man naar boven wilde trekken. Dat de man uiteindelijk toch viel en dat de andere man na een aantal minuten kwam kijken bij de gewonde en meteen ook weer weg liep. Teneinde de identiteit van de gewonde man te achterhalen bekeken wij de telefoon van het slachtoffer. Wij openden de telefoon en zagen in de fotogalerij foto's waarop vermoedelijk verdovende middelen, en de productie hiervan, te zien waren.\n\nHet proces-verbaal van bevindingenvan 12 oktober 2023, p.23-24\n\nOp 12 oktober 2023 was ik op de [adres 2] \u002F [straatnaam 2] in verband met een incident hulpverlening van een persoon die vanaf een balkon omlaag was gevallen. Ter plaatse kon achterhaald worden dat het om appartement [huisnummer] ging. Terwijl ik de woning betrad, rook ik bij binnenkomst in de woonkamer een weeïge geur, mij bekend als de geur van amfetamine. Ik zag diverse aanwijzingen waaruit ik vermoedde dat er in de woning harddrugs vervaardigd werden. Ik zag onder andere in de woonkamer:\n\n- Naast de tv een geel gasmasker liggen met een filterbus.\n\n- Op het dressoir in de woonkamer lagen resten wit poeder en doorzichtige kristallen,\n\nalsmede gele rubberen handschoenen, een zwart gasmasker met filter en een weegschaal\n\nmet resten kristalachtige stof. In de keuken stond een witte speciekuip met daarin een oa een maatbeker, een mes, en spatels. Vervolgens zag ik op het balkon meerdere jerrycans staan.\n\nHet proces-verbaal van aanhouding verdachtevan 12 oktober 2023, p.245\n\nOp 12 oktober 2023 gingen wij ter plaatse in het Zuyderland ziekenhuis in Heerlen op verzoek van officier van dienst politie [naam] . Aldaar zou een onbekende man liggen die eerder op de dag van een balkon was gevallen. Volgens [naam] zou er een drugslab zijn aangetroffen in de woning waar de man van zou zijn gevallen. Aldaar troffen wij een Spaanssprekende man aan die aangaf [verdachte] te heten.\n\nHet proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagnamevan 13 oktober 2023, p.34\n\nOp 12 oktober 2023 werd voor een doorzoeking ter inbeslagneming binnengetreden in de woning, [adres 2] Heerlen. Tijdens de doorzoeking werd het volgende in beslag genomen: Gasmasker zwart, Gasmasker geel, Zakje cocaïne, Handschoenen zwart, Zakje brok heroïne, Zakje brok heroïne, Bolletje cocaïne, Zakje MDMA wit, Zakje MDMA bruin, Zak met opschrift “Caus 5kg”, Zak kleur paars met vloeistof, Zak met opschrift “Perka 3kg”, Zak met opschrift “Wijnsteen 2kkg”.\n\nHet proces-verbaal van bevindingenvan 24 oktober 2023, p.117\n\nHet is mij ambtshalve bekend dat de combinatie van de substantie Caus, Perka, Wijnsteen en Amfetamine gebruikt kan worden voor de productie van synthetische drugs.\n\nHet proces-verbaal van bevindingenvan 12 oktober 2023, p.163\n\nNaar aanleiding van het ontvangen huurcontract van Wonen Limburg in relatie tot het appartement: [adres 2] te Heerlen, ben ik in gesprek gegaan met een medewerker van Wonen Limburg. Op het overzicht zijn twee bankrekeningnummers weergegeven in relatie tot de hoofdhuurder [medeverdachte 1] .\n\nDe kennisgeving van inbeslagnemingvan 13 oktober 2023, p.101\n\nPlaats: [adres 2] Heerlen\n\nDatum en tijd: 12 oktober 2023 te 19:00 uur\n\nGoednummer: PL2300-2023162733-1646198, 33 gram heroine bruto\n\nDe kennisgeving van inbeslagnemingvan 13 oktober 2023, p.104\n\nPlaats: [adres 2] Heerlen\n\nDatum en tijd: 12 oktober 2023 te 19:00 uur\n\nGoednummer: PL2300-2023162733-1646209, 6 gram bruto cocaine\n\nDe kennisgeving van inbeslagnemingvan 13 oktober 2023, p.105\n\nPlaats: [adres 2] Heerlen\n\nDatum en tijd: 12 oktober 2023 te 19:00 uur\n\nGoednummer: PL2300-2023162733-1646213, 42 gram bruto amfetamine \u002F crystal meth\n\nDe kennisgeving van inbeslagnemingvan 13 oktober 2023, p.108\n\nPlaats: [adres 2] Heerlen\n\nDatum en tijd: 12 oktober 2023 te 19:00 uur\n\nGoednummer: PL2300-2023162733-1646224, 51 gram bruto crystal meth \u002F amfetamine\n\nDe kennisgeving van inbeslagnemingvan 13 oktober 2023, p.109\n\nPlaats: [adres 2] Heerlen\n\nDatum en tijd: 12 oktober 2023 te 19:00 uur\n\nGoednummer: PL2300-2023162733-1646231, 40 gram bruto mdma \u002F amfetamine\n\nHet proces-verbaal onderzoek verdovende middelenvan 14 november 2023, p.68-73\n\nDe aangeboden partij verdovende middelen bestond uit:\n\nGoednummer: PL2300-2023162733-1646198\n\nSIN: AAQQ7919NL\n\nRelatie met SIN: AAQR6444NL\n\nGoednummer: PL2300-2023162733-1646209\n\nSIN: AAQQ7920NL\n\nRelatie met SIN: AAQR6445NL\n\nGoednummer: PL2300-2023162733-1646231\n\nSIN: AAQQ7921NL\n\nRelatie met SIN: AAQR6446NL\n\nGoednummer: PL2300-2023162733-1646224\n\nSIN: AAQQ7922NL\n\nRelatie met SIN: AAQR6447NL\n\nGoednummer: PL2300-2023162733-1646213\n\nSIN: AAQQ7923NL\n\nRelatie met SIN: AAQR6448NL, AAQR6449NL, AAQR6450NL, AAQR6451NL\n\nDe deskundigenrapporten van ing. M. Visser-van Leeuwen,als rapporteur verbonden aan het Nederlands Forensisch Instituutte Den Haag van 13 november 2023, p.74-81\n\nKenmerk: AAQR6444NLOmschrijving: brokjes, bruin, uit 32,87 gram\n\nConclusie: bevat heroïne\n\nKenmerk: AAQR6445NL\n\nOmschrijving: poeder, wit, uit 4,54 gram\n\nConclusie: bevat cocaïne\n\nKenmerk: AAQR6446NLOmschrijving: poeder en brokjes, bruin, uit 35,70 gram\n\nConclusie: bevat metamfetamine\n\nKenmerk: AAQR6447NL\n\nOmschrijving: kristal, crèmekleurig, uit 47,30 gram\n\nConclusie: bevat metamfetamine\n\nKenmerk: AAQR6448NL\n\nOmschrijving: kristal, wit, uit 4,67 gram\n\nConclusie: bevat metamfetamine\n\nKenmerk: AAQR6449NL\n\nOmschrijving: kristal, wit, uit 2,10 gram\n\nConclusie: bevat metamfetamine\n\nKenmerk: AAQR6450NL\n\nOmschrijving: kristal, crèmekleurig, uit 21,27 gram\n\nConclusie: bevat metamfetamine\n\nKenmerk: AAQR6451NL\n\nOmschrijving: kristal, wit, uit 9,39 gram\n\nConclusie: bevat metamfetamine\n\nHet proces-verbaal van bevindingenvan 22 november 2023, p.180\n\nOp 12 oktober 2023 werd in de woning [adres 2] te Heerlen een productielocatie voor synthetische drugs aangetroffen. In het appartement werden diverse goederen bemonsterd voor DNA-onderzoek.\n\nDe kennisgeving van inbeslagnemingvan 13 oktober 2023, p.91\n\nPlaats: [adres 2] Heerlen\n\nDatum en tijd: 12 oktober 2023 te 19:00 uur\n\nAAPV8333NL: zwartkleurig gasmasker (aangetroffen woonkamer)\n\nDe kennisgeving van inbeslagnemingvan 13 oktober 2023, p.95\n\nPlaats: [adres 2] Heerlen\n\nDatum en tijd: 12 oktober 2023 te 19:00 uur\n\nAAPV8335NL: geelkleurig gasmasker (aangetroffen woonkamer)\n\nDe deskundigenrapportagevan dr. PJ. Herbergs, forensisch DNA-deskundige, verbonden aanThe Maastricht Forensic Institute, van 16 november 2023, p.182-188\n\nBemonstering: Gehele contactvlak met het gezicht van het gasmasker (met SIN AAPV8335NL)\n\nDNA-profiel: DNA-mengprofiel afkomstig van celmateriaal van minimaal drie donoren, van wie zeker één man.*\n\nMogelijke donor van celmateriaal: Verdachte [verdachte] .\n\nOm een uitspraak te doen over het mogelijk aanwezig zijn van celmateriaal van verdachte [verdachte] in de bemonstering 'gehele contactvlak met het gezicht van het gasmasker (met SIN AAPV8335NL) AAQJ4430NL' is de likelihood-ratio (LR) methode toegepast. Daarbij worden de resultaten bezien in het licht van twee, elkaar uitsluitende hypothesen:\n\nHypothese 1: de bemonstering van het spoor bevat DNA van verdachte [verdachte] en twee onbekende, niet verwante personen.\n\nHypothese 2: de bemonstering van het spoor bevat DNA van drie onbekende, niet verwante\n\npersonen.\n\nDe resultaten van het onderzoek zijn extreem veel waarschijnlijker wanneer hypothese 1 juist is dan wanneer hypothese 2 juist is.\n\nBemonstering: Gehele contactvlak met het gezicht van gasmasker (met SIN AAPV8333NL)DNA-profiel: DNA-mengprofiel afkomstig van celmateriaal van minimaal drie donoren, van wie zeker één man.* Er is een DNA-hoofdprofiel afgeleid van een man. De frequentie van het DNA-hoofdprofiel is kleiner dan één op één miljard.\n\nMogelijke donor van celmateriaal: [medeverdachte 2] (DNA-hoofdprofiel)\n\nBemonstering: Rondom de filterventielen aan de binnenzijde van het gasmasker (met SIN AAPV8333NL)\n\nDNA-profiel: DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard\n\nMogelijke donor van celmateriaal: [medeverdachte 2]\n\n Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van de Districtsrecherche Parkstad-Limburg, proces-verbaalnummer LB2R023104-51, gesloten d.d. 15 februari 2024, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 305.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6518","ecli-nl-rblim-2026-6518",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":39,"ecli":40,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":15,"fullText":41,"language":7,"source":17,"sourceUrl":42,"summary":14,"slug":43,"metadata":44},"1665","ECLI:NL:RBLIM:2026:6516","RECHTBANK LIMBURG\n\nZittingsplaats Maastricht\n\nStrafrecht\n\nParketnummer : 03.142029.24\n\nTegenspraak (gemachtigde raadsman)\n\nVonnis van de meervoudige kamer van 6 juli 2026\n\nin de strafzaak tegen\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboortegegevens] 1991,\n\nwonende te [adres 1] .\n\nDe verdachte wordt bijgestaan door mr. P.E. van Zon, advocaat kantoorhoudende te Eindhoven.\n\n1. Onderzoek van de zaak\n\nDe zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 22 juni 2026. De verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsman. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.\n\nDeze zaak is gelijktijdig behandeld met de strafzaak tegen de medeverdachte [medeverdachte 1] met het parketnummer 03.277358.23 en de strafzaak tegen de medeverdachte [medeverdachte 2] met het parketnummer 03.268186.23.\n\n2. De tenlastelegging\n\nDe tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.\n\nDe verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:\n\nop 12 oktober 2023 de productie van heroïne, cocaïne, metamfetamine of in ieder geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I heeft voorbereid en bevorderd.\n\n3. De beoordeling van het bewijs3.1. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie acht het feit bewezen. De politie heeft op 12 oktober 2023 in de woning van de medeverdachte [medeverdachte 1] allerlei goederen voor de productie van drugs aangetroffen. Van de verdachte is DNA aangetroffen op een van deze goederen, te weten een aldaar aangetroffen gasmaker. De verdachte heeft daarvoor geen verklaring gegeven, anders dan dat hij wel eens in die woning kwam.3.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging concludeert tot vrijspraak. De verdediging voert daartoe aan dat het enige mogelijke bewijsmiddel een DNA spoor betreft op een verplaatsbaar voorwerp, waarvan niet vaststaat dat het delict gerelateerd is. Subsidiair voert de verdediging aan dat alleen het voorhanden hebben van een gasmasker niet voldoende is om voorbereidingshandelingen te bewijzen.3.3. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nBewijsmiddelen\n\nTer bevordering van de leesbaarheid van dit vonnis, heeft de rechtbank de bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in bijlage II.\n\nDe overwegingen van de rechtbank\n\nOp grond van die bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor de productie van drugs. De rechtbank overweegt daartoe in het bijzonder als volgt.\n\nDe medeverdachte [medeverdachte 2] is op 12 oktober 2023 door de politie aangetroffen onder het balkon van de woning aan de [adres 2] te Heerlen. [medeverdachte 2] hing – voordat de politie ter plekke kwam – aan dat balkon en hij is van dit balkon naar beneden gevallen, nadat een andere man heeft geprobeerd hem omhoog te trekken. Bij controle van de telefoon van [medeverdachte 2] kreeg de politie het vermoeden dat hij zich bezighield met (de productie van) verdovende middelen. De politie is daarop voornoemde woning binnengetreden en trof daar een hoeveelheid drugs aan en de tenlastegelegde voorwerpen en stoffen. Die voorwerpen en stoffen konden gebruikt worden voor de productie van synthetische drugs. De huurder van voornoemde woning is de medeverdachte [medeverdachte 1] . In de woning is op een dressoir in de woonkamer een gasmasker aangetroffen met daarop het DNA van de verdachte en op het tv-meubel een gasmasker met daarop het DNA van de medeverdachte [medeverdachte 2] .\n\nEr is DNA van de verdachte aangetroffen rondom de filterventielen aan de binnenzijde van het gasmasker. Op het gehele contactvlak met het gezicht van datzelfde gasmasker is daarnaast een DNA mengprofiel aangetroffen, met het DNA-hoofdprofiel van de verdachte. Het gasmasker betreft weliswaar een verplaatsbaar object, maar het wordt in de woning van de medeverdachte [medeverdachte 1] aangetroffen in combinatie met drugs en een grote hoeveelheid andere voorwerpen die bedoeld zijn om harddrugs te vervaardigen. Daarom acht de rechtbank (de aanwezigheid van) dit gasmasker een daderspoor. Daarbij komt dat het procesdossier aanknopingspunten biedt voor de conclusie dat het drugsgerelateerde strafbare feit, gepleegd in de woning van de medeverdachte [medeverdachte 1] , door meerdere personen is gepleegd. Er zijn immers dadersporen aangetroffen en wel van de verdachte en van medeverdachte [medeverdachte 2] , terwijl dit zich allemaal heeft afgespeeld in de woning van de andere medeverdachte, [medeverdachte 1] . En in een geval als dit, waarbij er aldus redengevende feiten en omstandigheden zijn die wijzen op een samenwerkingsverband waarvan de verdachte deel heeft uitgemaakt, mag van de verdachte een aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring worden verwacht. Die is door de verdachte niet gegeven. De verdachte heeft bij de politie slechts verklaard dat hij een paar keer in de woning van de medeverdachte [medeverdachte 1] is geweest en dat hij niet weet wat hij toen heeft aangeraakt.\n\nDe rechtbank concludeert, op grond van het voorgaande, dat de verdachte samen met anderen zich schuldig gemaakt geeft aan het hem tenlastegelegde.\n\nUit de bewijsmiddelen volgt overigens niet specifiek welke drugs geproduceerd zouden gaan worden, nu daarin enkel wordt gesproken over substanties voor de productie van synthetische drugs. De rechtbank acht daarmee niet bewezen dat de voorbereidingshandelingen specifiek gericht waren op de productie van heroïne, cocaïne en\u002Fof metamfetamine, maar wel op een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.3.4. \n\nDe bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht bewezen dat de verdachte\n\nop 12 oktober 2023 in de gemeente Heerlen tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk vervaardigen van een (of meer) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en te bevorderen,\n\n- twee gasmaskers (met filter), en\n\n- een paar rubberen handschoenen, en\n\n- een weegschaal, en\n\n- een speciekuip, en\n\n- een maatbeker, en\n\n- een mes, en\n\n- een (of meer) spatel(s), en\n\n- een (of meer) jerrycan(s), en\n\n- een zak met het opschrift ‘Caus 5 kg’, en\n\n- een zak met het opschrift ‘Perka 3 kg’, en\n\n- een zak met het opschrijft ‘Wijnsteen 2,5 kg’,\n\nzijnde voorwerpen en stoffen waarvan hij, verdachte, en\u002Fof zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, voorhanden heeft gehad.\n\nDe rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:\n\nmedeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.\n\n5. De strafbaarheid van de verdachte\n\nDe verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.\n\n6. De straf6.1. \n\nDe vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.6.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de strafmaat.6.3. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nBij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.\n\nDe verdachte heeft zich met anderen schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor de productie van synthetische drugs. De verdachte is daardoor medeverantwoordelijk voor de nadelige effecten die het gebruik van harddrugs veroorzaakt voor de volksgezondheid en de criminaliteit die met harddrugs gepaard gaat. Ook brengt de opslag van grondstoffen die worden gebruikt bij het vervaardigen en bewerken van harddrugs grote risico’s met zich mee, zoals brand- en ontploffingsgevaar en het vrijkomen van giftige dampen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de productiemiddelen zijn aangetroffen in een appartement in een woonwijk. Van de mogelijke gevolgen voor de omwonenden heeft de verdachte zich kennelijk niets aangetrokken.\n\nGelet op de ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van aanzienlijke duur passend is. Daarbij heeft de rechtbank gelet op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de verdachte geen openheid van zaken heeft willen geven en geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen.\n\nDe rechtbank dient er rekening mee te houden dat in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. In dit geval is de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn aangevangen op 9 april 2024, de datum waarop de verdachte in verzekering is gesteld. Dit betekent dat de redelijke termijn van twee jaren met bijna 3 maanden is overschreden. Van bijzondere omstandigheden die deze termijnoverschrijding kunnen rechtvaardigen, is niet gebleken. Zonder overschrijding van de redelijke termijn had de rechtbank aan de verdachte opgelegd een gevangenisstraf van 200 dagen waarvan een deel voorwaardelijk. Nu deze redelijke termijn wel is overschreden, zal de rechtbank aan de verdachte opleggen een gevangenisstraf van 180 dagen waarvan 90 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Het voorwaardelijke deel dient als een waarschuwing aan de verdachte: mocht hij nog eens overwegen om de wet te overtreden, dan weet hij wat hem mogelijk te wachten staat.\n\n7. De wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c en 47 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 10a van de Opiumwet.\n\n8. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;\n\nspreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;\n\nStrafbaarheid\n\nverklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 180 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren;\n\nbeveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\nbepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd van twee jaren zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. D. Osmić, voorzitter, mr. M.E.M.W. Nuijts en mr. T.C.M. Smeets, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.A.H. Bohnen, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 6 juli 2026.\n\nBuiten staat\n\nDe griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.\n\nBIJLAGE I: De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd dat\n\nhij, op of omstreeks 12 oktober 2023 in de gemeente Heerlen tezamen en\n\nin vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen, om een feit,\n\nbedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te\n\nweten\n\n- het opzettelijk binnen en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland\n\nbrengen, en\u002Fof\n\n- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen,\n\nafleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren, en\u002Fof\n\n- het opzettelijk vervaardigen,\n\nvan een (of meer) hoeveelhe(i)d(en) heroïne, cocaïne en\u002Fof metamfetamine, in elk geval een (of meer)\n\nmiddel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel\n\naangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet,\n\nvoor te bereiden en\u002Fof te bevorderen,\n\n- twee gasmaskers (met filter), en\u002Fof\n\n- een paar rubberen handschoenen, en\u002Fof\n\n- een weegschaal, en\u002Fof\n\n- een speciekuip, en\u002Fof\n\n- een maatbeker, en\u002Fof\n\n- een mes, en\u002Fof\n\n- een (of meer) spatel(s), en\u002Fof\n\n- een (of meer) jerrycan(s), en\u002Fof\n\n- een zak met het opschrift ‘Caus 5 kg’, en\u002Fof\n\n- een zak met het opschrift ‘Perka 3 kg’, en\u002Fof\n\n- een zak met het opschrijft ‘Wijnsteen 2,5 kg,\n\nzijnde voorwerpen en\u002Fof stoffen waarvan hij, verdachte, en\u002Fof zijn\n\nmededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat\n\nzij bestemd waren tot het plegen van dat feit, voorhanden heeft gehad.\n\nBIJLAGE II: De bewijsmiddelen\n\nHet proces-verbaal van bevindingenvan 12 oktober 2023, p.20-21\n\nOp donderdag 12 oktober 2023 bevonden wij ons op de openbare weg, de [adres 2] te Heerlen, aan de achterzijde van de aldaar gelegen flat. Wij zagen dat er aan de achterzijde van de flat een persoon op de grond lag. Wij zagen dat deze persoon lag onder het tweede balkon gezien vanaf de [straatnaam 1] . Ik liep naar de vrouw die eerder bij de gewone man stond. Zij verklaarde dat zij de man aan het balkon had zien hangen en dat een andere man deze man naar boven wilde trekken. Dat de man uiteindelijk toch viel en dat de andere man na een aantal minuten kwam kijken bij de gewonde en meteen ook weer weg liep. Teneinde de identiteit van de gewonde man te achterhalen bekeken wij de telefoon van het slachtoffer. Wij openden de telefoon en zagen in de fotogalerij foto's waarop vermoedelijk verdovende middelen, en de productie hiervan, te zien waren.\n\nHet proces-verbaal van bevindingenvan 12 oktober 2023, p.23-24\n\nOp 12 oktober 2023 was ik op de [adres 2] \u002F [straatnaam 2] in verband met een incident hulpverlening van een persoon die vanaf een balkon omlaag was gevallen. Ter plaatse kon achterhaald worden dat het om appartement [huisnummer] ging. Terwijl ik de woning betrad, rook ik bij binnenkomst in de woonkamer een weeïge geur, mij bekend als de geur van amfetamine. Ik zag diverse aanwijzingen waaruit ik vermoedde dat er in de woning harddrugs vervaardigd werden. Ik zag onder andere in de woonkamer:\n\n- Naast de tv een geel gasmasker liggen met een filterbus.\n\n- Op het dressoir in de woonkamer lagen resten wit poeder en doorzichtige kristallen,\n\nalsmede gele rubberen handschoenen, een zwart gasmasker met filter en een weegschaal\n\nmet resten kristalachtige stof. In de keuken stond een witte speciekuip met daarin een oa een maatbeker, een mes, en spatels. Vervolgens zag ik op het balkon meerdere jerrycans staan.\n\nHet proces-verbaal van aanhouding verdachtevan 12 oktober 2023, p.245\n\nOp donderdag 12 oktober 2023 gingen wij ter plaatse in het Zuyderland ziekenhuis in Heerlen op verzoek van officier van dienst politie [naam] . Aldaar zou een onbekende man liggen die eerder op de dag van een balkon was gevallen. Volgens [naam] zou er een drugslab zijn aangetroffen in de woning waar de man van zou zijn gevallen. Aldaar troffen wij een Spaanssprekende man aan die aangaf [medeverdachte 2] te heten.\n\nHet proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagnamevan 13 oktober 2023, p.34\n\nOp 12 oktober 2023 werd voor een doorzoeking ter inbeslagneming binnengetreden in de woning, [adres 2] Heerlen. Tijdens de doorzoeking werd het volgende in beslag genomen: Gasmasker zwart (Partij 1), Gasmasker geel (Partij 3), Zakje cocaïne (Partij 14), Handschoenen zwart (Partij 2), Zakje brok heroïne (Partij 4), Zakje brok heroïne (Partij 5), Bolletje cocaïne (Partij 11), Zakje MDMA wit (Partij 17), Zakje MDMA bruin (Partij 18), Zak met opschrift “Caus 5kg” (Partij 19), Zak kleur paars met vloeistof (Partij 20), Zak met opschrift “Perka 3kg” (Partij 21), Zak met opschrift “Wijnsteen 2kkg” (Partij 22).\n\nHet proces-verbaal van bevindingenvan 24 oktober 2023, p.117\n\nHet is mij ambtshalve bekend dat de combinatie van de substantie Caus, Perka, Wijnsteen en Amfetamine gebruikt kan worden voor de productie van synthetische drugs.\n\nHet proces-verbaal van bevindingenvan 12 oktober 2023, p.163\n\nNaar aanleiding van het ontvangen huurcontract van Wonen Limburg in relatie tot het appartement: [adres 2] te Heerlen, ben ik in gesprek gegaan met een medewerker van Wonen Limburg. Op het overzicht zijn twee bankrekeningnummers weergegeven in relatie tot de hoofdhuurder [medeverdachte 1] .\n\nHet proces-verbaal van verhoor van de verdachte[verdachte] van 9 april 2024, p.295-300\n\nV: Door verbalisanten wordt onderstaande foto op A4( [medeverdachte 1] ) formaat getoond aan de verdachte. Herkent u deze man?A: Ja, dat is [medeverdachte 1] .V: Weet u waar deze persoon woont?A: Ik ben een paar keer bij hem thuis geweest. Ik weet waar hij woont. Het adres weet ik niet, het is in Heerlen.\n\nHet proces-verbaal van bevindingenvan 22 november 2023, p.180\n\nOp 12 oktober 2023 werd in de woning [adres 2] te Heerlen een productielocatie voor synthetische drugs aangetroffen. In het appartement werden diverse goederen bemonsterd voor DNA-onderzoek. AAPV8333NL: een zwart gasmasker aangetroffen op het grote dressoir in de woonkamer.\n\nDe kennisgeving van inbeslagnemingvan 13 oktober 2023, p.91\n\nPlaats: [adres 2] Heerlen\n\nDatum en tijd: 12 oktober 2023 te 19:00 uur\n\nAAPV8333NL: zwartkleurig gasmasker (aangetroffen woonkamer)\n\nDe kennisgeving van inbeslagnemingvan 13 oktober 2023, p.95\n\nPlaats: [adres 2] Heerlen\n\nDatum en tijd: 12 oktober 2023 te 19:00 uur\n\nAAPV8335NL: geelkleurig gasmasker (aangetroffen woonkamer)\n\nDe deskundigenrapportagevan dr. PJ. Herbergs, forensisch DNA-deskundige, verbonden aan The Maastricht Forensic Institute, van 16 november 2023, p.182-188\n\nBemonstering: Gehele contactvlak met het gezicht van het gasmasker (met SIN AAPV8335NL)\n\nDNA-profiel: DNA-mengprofiel afkomstig van celmateriaal van minimaal drie donoren, van wie zeker één man.*\n\nMogelijke donor van celmateriaal: Verdachte [medeverdachte 2] .\n\nOm een uitspraak te doen over het mogelijk aanwezig zijn van celmateriaal van verdachte [medeverdachte 2] in de bemonstering 'gehele contactvlak met het gezicht van het gasmasker (met SIN AAPV8335NL) AAQJ4430NL' is de likelihood-ratio (LR) methode toegepast. Daarbij worden de resultaten bezien in het licht van twee, elkaar uitsluitende hypothesen:\n\nHypothese 1: de bemonstering van het spoor bevat DNA van verdachte [medeverdachte 2] en twee onbekende, niet verwante personen.\n\nHypothese 2: de bemonstering van het spoor bevat DNA van drie onbekende, niet verwante\n\npersonen.\n\nDe resultaten van het onderzoek zijn extreem veel waarschijnlijker wanneer hypothese 1 juist is dan wanneer hypothese 2 juist is.\n\nBemonstering: Gehele contactvlak met het gezicht van gasmasker (met SIN AAPV8333NL)DNA-profiel: DNA-mengprofiel afkomstig van celmateriaal van minimaal drie donoren, van wie zeker één man.* Er is een DNA-hoofdprofiel afgeleid van een man. De frequentie van het DNA-hoofdprofiel is kleiner dan één op één miljard.\n\nMogelijke donor van celmateriaal: [verdachte] (DNA-hoofdprofiel)\n\nBemonstering: Rondom de filterventielen aan de binnenzijde van het gasmasker (met SIN AAPV8333NL)\n\nDNA-profiel: DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard\n\nMogelijke donor van celmateriaal: [verdachte]\n\n Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van de Districtsrecherche Parkstad-Limburg, proces-verbaalnummer LB2R023104-51, gesloten d.d. 15 februari 2024, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 305.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6516","ecli-nl-rblim-2026-6516",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":46,"ecli":47,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":48,"fullText":49,"language":7,"source":17,"sourceUrl":50,"summary":14,"slug":51,"metadata":52},"661","ECLI:NL:GHSHE:2026:1741","2026-06-29T00:00:00.000Z","Parketnummer : 20-000659-25\n\nUitspraak : 29 juni 2026\n\nTEGENSPRAAKArrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof's-Hertogenbosch\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 21 februari 2025, in de strafzaak met parketnummer 03-326567-23 tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 1985,\n\nwonende te [adres 1] .\n\nHoger beroep\n\nBij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘mishandeling’ veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 140 uren, subsidiair 70 dagen hechtenis. Voorts heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toegewezen tot een bedrag van € 949,19, bestaande uit € 249,19 aan vergoeding van materiële schade en € 700,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 augustus 2023 tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nVan de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met aanvulling van de bewijsmiddelen en met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.\n\nDe verdediging heeft primair vrijspraak bepleit en heeft subsidiair een straftoemetingsverweer gevoerd. Voorts heeft de verdediging verweer gevoerd ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is tenlastegelegd dat:\n\nhij op of omstreeks 12 augustus 2023 te Afferden (L), gemeente Bergen (L), althans in Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] een kopstoot te geven en\u002Fof te slaan.\n\nDe in de tenlastelegging voorkomende taal- en\u002Fof schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\nhij op 12 augustus 2023 te Afferden (L), gemeente Bergen (L), [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] een kopstoot te geven.\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewijsmiddelen\n\nTenzij anders vermeld wordt hierna verwezen naar pagina’s van het dossier van de politie-eenheid Limburg, registratienummer PL2300-2023128211, gesloten d.d. 20 november 2023, opgemaakt door verbalisant [verbalisant] , brigadier van politie (doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 42). Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.\n\n1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 15 augustus (p. 9-12), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [slachtoffer] :\n\nOp 12 augustus 2023 was ik op camping [camping] . Deze camping is gelegen op [adres 2] .\n\nDe jongen (het hof begrijpt: de zoon van de verdachte) rende naar boven weg en zei dat hij zijn vader ging halen. Op een gegeven moment hoor ik een jongensstem roepen: \"Daar is hij.\" Ik zie dat die jongen, die zijn vader ging halen, naar mij wijst. Op dat moment komt er een man naar mij toe en pakt mij vast. De man zei: \"Jij gaat mijn zoon niet aanraken of bedreigen\" en geeft mij vervolgens een kopstoot. Wat hierna gebeurde, weet ik niet meer. Ik werd op de grond gewerkt. Daarna werd de man door iemand anders van mij afgehaald.\n\nIk ben hierna naar de huisartsenpost gegaan. Ik heb 4 hechtingen bij mijn rechterwenkbrauw gekregen. Tevens zijn mijn bril en kleding kapotgegaan door de mishandeling. Mijn bril was verbogen en het brilmontuur is gescheurd. In mijn kleding zit bloed en dat krijg ik er niet meer uit.\n\nIk hoorde op de camping dat de man die mij mishandeld had [verdachte] betrof.\n\n2. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 9 november 2023 (p. 19-22), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige 1] :\n\nOp 12 augustus 2023 was ik op camping [camping] te Afferden. De jongen (het hof begrijpt: de zoon van de verdachte) liep weg en zei nog dat hij zijn vader ging halen. In een keer hoorde ik een geschreeuw van de jongen die riep “Daar is hij papa.” Ik zag dat de vader van deze jongen met een versnelde pas op ons af kwam lopen en ik zag dat hij boos keek. Ik kon aan zijn houding zien dat hij boos was.\n\nIk zag dat deze man mijn man bij zijn schouder pakte en iets tegen hem zei in de zin van “Je bedreigt mijn zoon”. Ik zag dat deze man mijn man meteen een kopstoot gaf. Ik zag dat mijn man op zijn gezicht, op zijn shirt en op zijn handen onder het bloed zat. Ik zag dat mijn man's rechterwenkbrauw open was gesprongen.\n\nIk kreeg via de eigenaar van Camping [camping] te horen dat de man die mijn man aanviel [verdachte] heet.\n\n3. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 20 november 2023 (p. 13-15), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige 2] :\n\nIk ben werkzaam op camping [camping] in Afferden. Op 12 augustus 2023 stond ik achter de bar. Ik zag dat de zoon van [verdachte] huilend uit de speeltuin kwam en naar zijn vader liep. Daarop zag ik dat [verdachte] helemaal overstuur richting de speeltuin liep. Ik liep er meteen achteraan omdat ik dacht dat dit fout zou gaan. Ik ken [verdachte] al wat langer dus ik zag dat hij boos was.\n\nIk hoorde de zoon van [verdachte] ineens tegen zijn vader roepen 'Daar loopt hij'. Daarop hoorde ik dat [verdachte] de man aanriep. Toen ik de hoek omkwam zag ik dat [verdachte] de man op de grond gooide. Ik zag dat de man zich probeerde te verdedigen. Ik zag ook dat de man die op de grond lag bloed op zijn voorhoofd had.\n\n4. Het proces-verbaal van getuigenverhoor van de getuige [getuige 2] door de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit gerechtshof, d.d. 8 januari 2026, voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige 2] voornoemd:\n\n [verdachte] liep naar beneden toe. Ik zei tegen mijn vrouw dat ik er beter achteraan kon gaan omdat ik dacht dat het uit de hand kon lopen, want je zag aan [verdachte] dat hij boos was. Er zat denk ik 15 tot 20 seconden tussen het moment dat [verdachte] was vertrokken en ik erachteraan ging. Toen ik de hoek om kwam zag ik een meneer op de grond liggen met een bebloed voorhoofd en [verdachte] erbovenop. Die meneer lag op de grond op zijn rug, [verdachte] zat op de borst van die meneer met zijn knie.\n\n5. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 7 november 2023 (p. 16-18), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige 3] :\n\nV: Kunt u zo gedetailleerd mogelijk verklaren wat u zag?\n\nA: Op 12 augustus 2023 bevond ik mij op het terras tegenover het zwembad op camping [camping] . De vader van het kindje dat geduwd werd (het hof begrijpt: de benadeelde partij [slachtoffer]) vroeg aan de andere vader (het hof begrijpt: de verdachte) of het normaal was dat er geduwd werd op de trampoline. De andere vader reageerde hier al meteen heel erg fel op. Ik hoorde dat de vader van het duwende kind begon te schreeuwen. Ik zag dat de man van het duwende kind daarna ook nog een harde kopstoot gaf tegen de andere vader. Hierop viel deze vader op de grond. Ik zag dat deze vader meteen bloed had bij de neus en mond en dat dit bloed naar de kin liep. Ik zag ook dat de bril van de man was afgevallen. Ik zag dat man die de mishandeling pleegde daarna ook boven op de andere man sprong.\n\nV: Weet u wie deze man is?\n\nA: Dit betreft een vaste gast van de camping. Volgens mij heeft hij [verdachte] .\n\n6. Het proces-verbaal van getuigenverhoor van de getuige [getuige 3] door de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit gerechtshof, d.d. 8 januari 2026, voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige 3] voornoemd:\n\nRaadsman: Kunt u nog eens omschrijven wat er volgens uw herinnering gebeurde?\n\nGetuige: In eerste instantie werd er zoals het op het oog leek een beetje gepraat. Toen deelde de verdachte een kopstoot uit waardoor het slachtoffer op de grond viel. De verdachte sprong er toen echt bovenop.\n\nRaadsheer-commissaris: U zegt de verdachte sprong er bovenop.\n\nGetuige: Ik weet niet hoe ik dat moet uitleggen. De verdachte gaf die kopstoot, die andere man viel en de verdachte ging er bovenop. De getuige maakt een beweging waarbij ze haar lichaam van achteren naar voren beweegt en haar armen gebogen naar voren houdt.Na die kopstoot viel de andere man op zijn rug en hij probeerde een beetje naar de zijkant te draaien, meer een beschermende houding.\n\nRaadsheer-commissaris: Heeft u gezien of het slachtoffer ook fysieke handelingen heeft gedaan in de richting van de verdachte?\n\nGetuige: Alleen afweren.\n\nRaadsman: Heeft u op enig moment gezien dat zij met de hoofden tegen elkaar aan stonden?\n\nGetuige: Dat was secondewerk voordat de kopstoot werd uitgedeeld, na de duw. Het slachtoffer was terug op zijn voeten, toen stonden zij best dicht op elkaar door het terug stappen, dat was toen secondewerk waarop zij heel dicht bij elkaar hebben gestaan.\n\nRaadsman: Als ik u goed begrijp dan heeft u qua geweldshandelingen gezien dat er in eerste instantie werd geduwd door verdachte, daarop de andere meneer struikelde, wankelde en terugkwam. U heeft dat weren of afweren genoemd. Nadat zij dichtbij elkaar waren is er een kopstoot uitgedeeld, de andere meneer is op de grond gevallen…\n\nGetuige: Ja en toen is de verdachte er letterlijk meteen bovenop gesprongen. De verdachte zat op hem.\n\n7. Een overig geschrift, te weten een geneeskundige verklaring, betreffende het slachtoffer [slachtoffer] d.d. 17 november 2023 (p. 41), voor zover inhoudende als verklaring van [arts] , huisarts:\n\nMedische informatie betreffende:\n\nAchternaam: [slachtoffer]\n\nVoornamen: [slachtoffer]\n\nGeboren: [geboortedag 2] 1992\n\nGeboorteplaats: [geboorteplaats 2]\n\nOmschrijving van het letsel:\n\nUitwendig waargenomen letsel: Scheurwond rechterwenkbrauw aan de kant van de neus. Is gehecht.\n\nDatum waarop voornoemde persoon werd onderzocht: 12 augustus 2023.\n\nBewijsoverwegingen\n\nDe beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.\n\nTer terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging vrijspraak bepleit. Hiertoe heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier voorhanden is om tot een bewezenverklaring te komen. De raadsvrouw van de verdachte heeft in dat kader naar voren gebracht dat de verklaringen van getuige [getuige 3] onvoldoende betrouwbaar zouden zijn om als steunbewijs gebruikt te worden, omdat hierin discrepanties zouden zitten ten opzichte van de aangifte en overige getuigenverklaringen. Voorts kan volgens de raadsvrouw van de verdachte niet met zekerheid gesteld worden dat het letsel dat bij de benadeelde partij [slachtoffer] is ontstaan het gevolg is van de tenlastegelegde handelingen. Hieromtrent wijst zij op het door de verdachte aangebrachte alternatieve scenario, waarbij het letsel zou zijn ontstaan doordat de verdachte en [slachtoffer] elkaar vasthielden en samen op de grond vielen, waarbij de verdachte met zijn elleboog op het gezicht van [slachtoffer] zou zijn gevallen.\n\nHet hof overweegt dienaangaande als volgt.\n\nTen aanzien van de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen stelt het hof voorop dat de selectie en waardering van het beschikbare bewijsmateriaal is voorbehouden aan het hof. Ook de vraag of bepaalde verklaringen gelet op hun betrouwbaarheid voor het bewijs kunnen worden gebruikt is een kwestie van waardering van het bewijs en daarmee voorbehouden aan het hof. In deze zaak zijn verschillende getuigen gehoord, zowel door de politie als door de raadsheer-commissaris. Het hof is van oordeel dat de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] onafhankelijke getuigen zijn; zij hebben geen directe (familiaire) connectie met de verdachte, dan wel met de benadeelde partij [slachtoffer] en hebben het incident van dichtbij meegemaakt. De discrepanties in de getuigenverklaring van getuige [getuige 3] ten opzichte van de aangifte en overige getuigenverklaringen die door de raadsvrouw van de verdachte worden omschreven, herkent het hof niet. De getuigenverklaring is consistent en sluit aan bij het verhaal van de aangever en haar verklaring bij de raadsheer-commissaris bevestigt dit verhaal. Ook vindt deze verklaring op onderdelen bevestiging in de verklaring van de onafhankelijke getuige [getuige 2] en in de verklaring van de partner van de aangever. Het hof acht daarmee de getuigenverklaring van [getuige 3] betrouwbaar om als bewijsmiddel in deze zaak gebezigd te worden.\n\nTen aanzien van het door de raadsvrouw van de verdachte geschetste alternatieve scenario overweegt het hof dat dit scenario niet aannemelijk is geworden. Zoals hiervoor overwogen gaat het hof uit van de verklaringen van de getuigen [getuige 3] en [getuige 2] , omdat deze getuigen de meest onafhankelijke getuigen zijn. Hun verklaringen weerspreken het scenario zoals door verdachte geschetst op verschillende onderdelen. Zo weerspreken de getuigenverklaringen de verklaring van de verdachte dat het letsel van aangever [slachtoffer] zou zijn ontstaan doordat de verdachte op zijn gezicht zou zijn gevallen. Getuige [getuige 2] omschrijft hoe de verdachte [slachtoffer] op de grond gooide, terwijl [slachtoffer] zich probeerde te verdedigen en waarbij hij op dat moment reeds bloedde in het gezicht. Getuige [getuige 3] omschrijft hoe de verdachte [slachtoffer] , na de kopstoot (waarbij zij direct bloed zag in het gezicht van [slachtoffer] ) hem eerst op de grond duwde en daarna boven op hem sprong. Door verschillende getuigen is verklaard dat de verdachte vervolgens bovenop [slachtoffer] zat. Ook door de partner van de aangever is verklaard dat zij na de kopstoot zag hoe [slachtoffer] in het gezicht bloedde. Het hof stelt op grond hiervan vast dat het letsel reeds is ontstaan voordat de verdachte en [slachtoffer] samen op de grond belandden. Het hof schuift het door de verdediging opgeworpen alternatieve scenario dan ook als ongeloofwaardig terzijde.\n\nHet tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging wordt derhalve verworpen.\n\nOp grond van de gebezigde en door het hof betrouwbaar aangemerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:\n\nmishandeling.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.\n\nOp te leggen sanctie\n\nTer terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw van de verdachte primair bepleit dat het hof zal volstaan met de oplegging van een voorwaardelijke taakstraf zoals zou volgen uit de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en daarbij rekening houdt met het tijdsverloop en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat het hof in ieder geval niet een straf zal opleggen die hoger uitkomt dan deze oriëntatiepunten voorschrijven.\n\nHet hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.\n\nHet hof heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nTen laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling. Hij heeft aan de benadeelde partij een kopstoot gegeven, waardoor letsel is ontstaan. Dit alles gebeurde op een camping, voor de ogen van hele jonge kinderen, waaronder zijn eigen kind en het kind van de aangever. Dit heeft logischerwijs een diepe indruk achtergelaten bij het slachtoffer en de mensen die eromheen stonden. De verdachte heeft door zijn handelen de lichamelijke integriteit van het slachtoffer aangetast. De verdachte heeft met zijn handelswijze zich daar geen enkele rekenschap van gegeven, hetgeen hem door het hof wordt aangerekend.\n\nHet hof heeft voorts acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 9 maart 2026, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte. Daaruit blijkt dat de verdachte eerder, maar niet in de afgelopen vijf jaren, onherroepelijk is veroordeeld voor geweldsdelicten. Deze veroordelingen hebben de verdachte er niet van weerhouden opnieuw een strafbaarfeit te begaan.\n\nVoorts heeft het hof acht geslagen op het reclasseringsadvies d.d. 15 februari 2024. Hieruit komt naar voren dat de leefgebieden op orde lijken te zijn. Er kunnen geen (in)directe verbanden worden gelegd tussen de verdenking en mogelijke criminogene- of beschermende factoren. Een plan van aanpak met toezicht en\u002Fof interventies wordt niet geadviseerd. Het risico op recidive kan niet worden ingeschat.\n\nDaarnaast heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. In dat kader heeft de verdediging gewezen op het feit dat de verdachte zzp’er is, maar door lichamelijke klachten beperkt wordt in zijn mogelijkheden. Ook toont de verdachte tekenen van een burn-out. De verdachte gebruikt pijn- en slaapmedicatie voor zijn klachten. De verdediging heeft voorts gewezen op de grote gevolgen die het campingverbod voor de verdachte heeft. Hij is niet meer welkom op de camping waar hij jarenlang met zijn familie stond en heeft zijn caravan met verlies moeten verkopen.\n\nHet hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf tevens de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) in aanmerking genomen. Volgens de LOVS-oriëntatiepunten kan bij een mishandeling door een kopstoot, lichamelijk letsel ten gevolge hebbend, een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 120 uren als oriëntatiepunt aangehouden worden.\n\nAlles afwegende acht het hof oplegging van een taakstraf voor de duur van 120 uren passend en geboden.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer]\n\nDe benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 949,19, bestaande uit € 249,19 aan materiële schade en € 700,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De materiële schadevordering valt uiteen in de volgende onderdelen:\n\nBril € 199,20\n\nKorte broek € 29,99\n\nT-shirt € 20,00.\n\nBij het vonnis waarvan beroep is de vordering toegewezen tot een totaalbedrag van\n\n€ 949,19, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 augustus 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.\n\nDe benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven.\n\nDe verdediging heeft de vordering ter terechtzitting in hoger beroep betwist en heeft daarbij mede gewezen op de verweren die in eerste aanleg zijn gevoerd, welke derhalve als herhaald en opnieuw ingelast zullen worden beschouwd. In dat kader is primair door de verdediging naar voren gebracht dat onvoldoende duidelijk is geworden dat het letsel het gevolg is van het bewezenverklaarde, wat ertoe zou moeten leiden dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering tot schadevergoeding. Subsidiair is bepleit dat het hof de vordering ten aanzien van de materiële schade niet-ontvankelijk dient te verklaren, omdat deze schade niet goed onderbouwd zou zijn en het een feit van algemene bekendheid zou zijn dat bloedvlekken op koude temperatuur gewassen moeten worden. Meer subsidiair is bepleit dat de immateriële schadevergoeding gematigd zou moeten worden, omdat er een mate van eigen schuld aan de kant van de benadeelde partij zou bestaan doordat deze een vorm van confrontatie heeft gezocht bij het kind van de verdachte.\n\nHet hof overweegt als volgt\n\nUit het onderzoek ter terechtzitting is, anders dan de verdediging, gebleken dat het door de verdediging gevoerde scenario dat het letsel bij de benadeelde partij is ontstaan nadat de verdachte op het gezicht van de benadeelde partij zou zijn gevallen, onaannemelijk is. Uit de gebezigde en door het hof als betrouwbaar aangemerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, blijkt dat het niet is gegaan zoals de verdachte heeft verklaard. Dit weerspreekt de verklaring van de verdachte en daarmee ook de verklaring dat het letsel is ontstaan door een val. Wat resteert is de conclusie dat het letsel is ontstaan als gevolg van de kopstoot. Het hof verwerpt daarmee dit verweer.\n\nGelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, is het hof van oordeel dat voldoende verband bestaat tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de door de benadeelde partij gevorderde schade om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden.\n\nMateriële schade\n\nAnders dan de verdediging, acht het hof het aannemelijk dat als gevolg van deze geweldshandeling schade is ontstaan aan de bril en kleding van de benadeelde partij. Hierover is ook door meerdere getuigen verklaard. Deze schade is voldoende onderbouwd middels het voegingsformulier en hetgeen ter terechtzitting namens de benadeelde partij naar voren is gebracht. Het hof erkent niet dat het een feit van algemene bekendheid zou zijn dat bloedvlekken op koude temperatuur gewassen moeten worden. In ieder geval heeft de benadeelde partij naar het oordeel van het hof, conform het oordeel van de politierechter, zijn schadebeperkingsplicht niet geschonden.\n\nOp grond van het voorgaande zal het hof de vordering ten aanzien van de materiële schade geheel toewijzen.\n\nImmateriële schade\n\nDe benadeelde partij vordert een bedrag van € 700,- aan immateriële schade. De benadeelde partij heeft de vordering gebaseerd op artikel 6:106 sub b BW. Vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 sub b BW is mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer of goede naam of 'op andere wijze' in zijn persoon is aangetast.​\n\nHet hof stelt vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit, te weten een scheurwond bij de rechterwenkbrauw aan de kant van de neus, een litteken ten gevolge hebbende.\n\nImmateriële schade wordt naar billijkheid begroot met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt. Verder wordt bij de begroting, zoveel als mogelijk, gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.\n\nHet hof ziet, anders dan de verdediging, geen aanleiding om het bedrag te matigen op grond van eigen schuld. Het hof is van oordeel dat er geen sprake is van een mate van eigen schuld aan de kant van de benadeelde partij doordat deze het kind van de verdachte had aangesproken op zijn speelgedrag. Het door een volwassene aanspreken van een kind over gedrag tijdens een speelactiviteit is geenszins reden om door een andere volwassene mishandeld te worden. De reactie daarop door de verdachte was buitensporig.\n\nGelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend is het hof van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is. Het hof wijst de vordering van de benadeelde partij daarom geheel toe.\n\nWettelijke rente\n\nHet toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 augustus 2023, zijnde het moment waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening.\n\nProceskosten\n\nHet hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de kosten en de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nOp grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer] is toegebracht tot een bedrag van € 949,19. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.\n\nHet hof ziet aanleiding om aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen tot een bedrag van € 949,19, te vermeerderen met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 9 dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door60 (zestig) dagen hechtenis.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 949,19 (negenhonderdnegenenveertig euro en negentien cent) bestaande uit € 249,19 (tweehonderdnegenenveertig euro en negentien cent) als vergoeding van materiële schade en € 700,00 (zevenhonderd euro) als vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 augustus 2023 tot aan de dag der voldoening.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 949,19 (negenhonderdnegenenveertig euro en negentien cent) bestaande uit € 249,19 (tweehonderdnegenenveertig euro en negentien cent) aan materiële schadevergoeding en € 700,00 (zevenhonderd euro) aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 augustus 2023 tot aan de dag der voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogte 9 dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. G.M. Goes, voorzitter,\n\nmr. C.A. van Roosmalen en mr. M.J.M.A. van der Put, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. A.D. van Zaalen, griffier,\n\nen op 29 juni 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1741","ecli-nl-ghshe-2026-1741",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":56,"fullText":57,"language":7,"source":17,"sourceUrl":58,"summary":14,"slug":59,"metadata":60},"985","ECLI:NL:RBLIM:2026:6577","2026-06-26T00:00:00.000Z","RECHTBANK Limburg\n\nTeam Insolventie\n\nZittingsplaats Maastricht\n\nRekestnummers: NL:TZ:2615347:R-RK en NL:TZ:2615362:R-RK\n\nUitspraak van 26 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoeker],\n\ngeboren op [geboortedatum 1] 1979 te [geboorteplaats 1]\n\nen\n\n [verzoekster] ,\n\ngeboren op [geboortedatum 2] 1977 te [geboorteplaats 2] ,\n\nbeiden wonende te [adres 1] , [woonplaats] ,\n\nhierna te noemen verzoekers\n\ntegen\n\n [verweerster],\n\ngevestigd te [adres 2] , [vestigingsplaats] ,\n\ngemachtigde: mr. D.E.M. Ghijsen,\n\nhierna te noemen verweerster,\n\ntot het treffen van een voorlopige voorziening op grond van artikel 287 lid 4 Faillissementswet (Fw).\n\nSamenvatting\n\nEr is verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.\n\nDe rechtbank wijst de verzoeken af.\n\n1. De procedure1.1.. Verzoekers hebben bij verzoek ingekomen op 16 juni 2026 verzocht om de vaststelling van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 287 lid 4 Fw en vervolgens de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit te spreken.\n\n1.2.. \n\nTer zitting van 23 juni 2026 zijn verschenen:\n\n- verzoekers;\n\n- [naam 1] , namens Kredietbank Limburg;\n\n- [naam 2] namens verweerster, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. D.E.M. Ghijsen;\n\n- [naam 3] namens de beschermingsbewindvoerder.\n\n1.3.. Verweerster heeft ter zitting een verweerschrift overgelegd.1.4.. \n\nDe uitspraak is bepaald op vandaag.\n\n2. Het verzoek\n\n2.1.. De rechtbank is verzocht om verweerster gedurende een termijn van zes maanden te verbieden om het beslag op het loon en de openbare verkoop van de woning van verzoekers, met het adres [adres 1] , [woonplaats] , voort te zetten.\n\n2.2.. Ter zitting is hier naar aanleiding van het verweer nog aan toegevoegd dat de opbrengst van de verkoop van het bedrijf ca. € 120.000,- is geweest en dat daarvan in eerste instantie € 80.000,- en later nog eens € 27.000,- naar de belastingdienst zijn gegaan. Van het restant is een auto voor verzoekster gekocht voor € 9.000,-. De rest is gebruikt om van te leven. De privéonttrekkingen hebben daar ook betrekking op. Na de opheffing van het bedrijf is verzoeker per 1 april 2023 als ZZP’er gaan werken onder hetzelfde KvK-nummer.\n\n2.3.. \n\nVerzoeker heeft als ZZP’er nimmer fulltime gewerkt. In de periode dat verzoeker nog door het Leger des Heils werd ingehuurd (tot begin dit jaar) kwam hij samen met de uren voor Zo Wonen gemiddeld op 25-30 uur per week. Per 7 mei 2026 is verzoeker vervolgens via uitzendbureau Job Place gaan werken, maar dit was maar van korte duur. Deze week heeft verzoeker een dag meegelopen bij Jeugdzorg en dat gaat hij nog twee dagen doen. De vooruitzichten voor verzoeker zijn goed: hij kan er een opleiding volgen en het is het werkgebied waarin verzoeker graag zou willen werken. Verzoeker ontkent dat er sprake is van een alcoholverslaving. Hij zou niet bij Jeugdzorg kunnen werken als hij verslaafd is. In de periode dat verzoeker thuis zat, maakte hij hoogstens 1-1,5 fles wijn per dag open, maar dan is er geen sprake van een verslaving, aldus verzoeker.\n\nInmiddels is er nog maar één auto. De motor en scooter die op naam van verzoeker staan, zijn van familieleden.\n\n2.4.. Verzoekster werkt 24 tot 28 uur per week bij Vivantes en heeft daarnaast nog een eigen nagelstudio waar zij gemiddeld 17 klanten per maand ontvangt. Zelf heeft zij berekend dat zij 13 uur per week werkzaam is in haar nagelstudio. Per klant is verzoekster ca. 2 uur bezig. Als de rechter haar voorhoudt dat zij volgens een berekening gemiddeld 7,75 uur per week besteedt aan klanten, geeft verzoekster aan dat zij toch wel 13 uur per week zit. Van haar inkomen kan verzoekster ondanks het beslag toch alle vaste lasten betalen. Er blijft echter niet veel geld over.\n\n3. Het verweer\n\n3.1.. Verweerster stelt zich op het standpunt dat het verzoek dient te worden afgewezen.\n\n3.2.. Hiertoe is door verweerster aangevoerd dat de ontstaansgeschiedenis van de vordering van verweerster anders is dan wordt vermeld in het verzoek. De vordering van verweerster is oorspronkelijk ontstaan bij [naam BV] . Doordat verzoeker niet reageerde op betalingsverzoeken is er op 11 oktober 2024 een notariële akte opgemaakt. Het was dus niet allemaal zo vrijblijvend als verzoekers aangeven in het verzoek. Ook daarna heeft verzoeker opnieuw niet voldaan aan de in de notariële akte opgenomen betalings-regeling. Ook op andere momenten toen verzoeker de beschikking moet hebben gehad over financiële middelen, zoals na de verkoop van het bedrijf omstreeks april 2023 met een opbrengst van vermoedelijk tussen de € 100.000,- en € 150.000,- of na de verkoop van 1200 banden die bij [naam BV] zijn afgenomen en waarvan mag worden aangenomen dat die zijn doorverkocht, is er niets terugbetaald van de vordering.\n\n3.3.. Met betrekking tot het juridisch kader wordt aangevoerd dat:\n\ner geen deugdelijk minnelijk traject is doorlopen nu alleen aan verweerster een aanbod van € 25.000,- is gedaan zonder dat er een berekening van de afloscapaciteit is gemaakt en er geen pro-rato aanbod aan alle schuldeisers is gedaan;\n\nhet onaannemelijk is dat verzoekers toegelaten zullen gaan worden tot de Wsnp, aangezien de goede trouw ontbreekt. Vóór de verkoop van zijn onderneming heeft verzoeker zeer veelvuldig en omvangrijke bestellingen geplaatst zonder daarvoor te betalen. Het ging om ca. 1200 banden. De geschatte omzet van de verkoop van deze banden van ca. € 300.000,- is niet gebruikt om de vordering (deels) af te lossen. Ook de opbrengst van de verkoop van het bedrijf is niet gebruikt voor betaling van de vordering;\n\nhet niet aannemelijk is dat verzoekers de Wsnp-verplichtingen gaan nakomen. De continuïteit van het inkomen van verzoeker is niet onderbouwd, stukken worden niet op tijd aangeleverd en verzoeker kampt met een alcoholprobleem. De verklaring van verzoekster dat de alcoholverslaving onder controle zou zijn nu verzoeker weer werkt, is geen verklaring van een hulpverlener zoals vereist in de Wsnp;\n\ner geen serieuze intentie is om tot een minnelijke regeling te komen.\n\n3.4.. Daar komt bij dat het belang van verweerster zwaarwegend is. Verweerster wordt geconfronteerd met een schuldenaar die zijn verplichtingen gedurende meerdere jaren niet nakomt (de vordering is ontstaan in 2022-2023), waardoor er hoge kosten zijn gemaakt nu de hele executieprocedure is doorlopen, meerdere beslagen zijn gelegd en de veiling is georganiseerd. Als er een Wsnp wordt ingesteld vervalt het beslag van verweerster van rechtswege en wordt haar vordering concurrent en zal verweerster slechts een fractie van haar vordering ontvangen, terwijl de woning de enige substantiële verhaalsmogelijkheid is en overwaarde aanwezig is. Daarnaast is het zeer aannemelijk dat de woning alsnog in het Wsnp-traject verkocht moet worden.\n\n3.5.. Verder wordt er nog melding gemaakt dat er naast twee auto’s ook nog een motor en een scooter in bezit zijn van verzoekers. Tevens wordt er gewezen op de privéonttrekkingen die er blijkens de jaarcijfers hebben plaatsgevonden. In de periode 2023 t\u002Fm 2025 betreft het ruim € 169.000,-.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. De rechtbank wijst de verzoeken af, omdat het heel onaannemelijk is dat de schuldsaneringsverzoeken gaan slagen. Er heeft geen minnelijk traject plaatsgevonden en schulden lijken niet te goeder trouw onbetaald te zijn gelaten. Dit blijkt onder andere doordat van een deel van de verkoopopbrengst van het bedrijf een auto is gekocht, terwijl de enkele reisafstand naar het werk van verzoekster slechts 7 km bedraagt, er al langere tijd niet fulltime is gewerkt door beiden. Dit terwijl er geen beperkingen zijn. Ook zijn er ca 1200 banden verkocht, maar hiermee is niet een deel van de vordering van verweerster betaald. Daarnaast is het de vraag of verzoekers klaar zijn voor een Wsnp, aangezien het aanleveren van een ID-bewijs bij de beschermingsbewindvoerder nu al niet is gelukt, waardoor de beschermingsbewindvoerder haar werkzaamheden niet kan starten.\n\n4.2.. Verder is het niet mogelijk om de woning te behouden. Ook in de schuldsanerings-regeling dient de woning te worden verkocht. Het kan immers niet zo zijn dat een schuldenaar na het verkrijgen van de schone lei nog een zo waardevol vermogensbestand-deel heeft met een overwaarde van vermoedelijk ca. € 150.000,-.\n\n4.3.. Daar komt nog bij dat verweerster een zwaarwegend belang heeft. Bij een Wsnp moet de opbrengst van de woning worden gedeeld met de andere schuldeisers, maar nu mag verweerster de gehele opbrengst zelf houden. Het belang van verzoekers is om de woning te behouden, maar dat mag dus ook in de Wsnp niet. Bij verweerster zou het niet doorzetten van de veiling te veel financieel nadeel opleveren. Het belang van verweerster weegt daarom zwaarder dan dat van verzoekers.4.4.. Met betrekking tot het beslag op het inkomen ziet de rechtbank ook niet dat de belangen van verzoekers zwaarder wegen. Helemaal nu verzoekers hun vaste lasten van het overgebleven inkomen kunnen betalen.\n\n4.5.. Verzoekers wordt verzocht om uiterlijk 10 juli 2026 aan te geven of zij hun verzoeken tot toelating tot de schuldsaneringsregeling nog ter zitting behandeld willen hebben of dat zij deze verzoeken intrekken. In afwachting van dit bericht worden de verzoeken tot toelating tot de schuldsaneringsregeling aangehouden.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n5.1.. wijst de verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening af;\n\n5.2.. houdt de verzoeken tot toelating tot de schuldsaneringsregeling aan in afwachting van de reactie van verzoekers uiterlijk 10 juli 2026.\n\nDit is de beslissing van mr. G.M. Drenth, rechter, in samenwerking met N.W.M. Clement, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2026.\n\nHoger beroep\n\nTegen deze uitspraak kan verzoek(st)er en door de in de procedure verschenen belanghebbenden hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden bij het gerechtshof dat van de zaak kennis moet nemen, te rekenen van de dag van de uitspraak en door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6577","ecli-nl-rblim-2026-6577",{"courtName":6,"legalDomain":61,"decisionType":22,"procedureType":23},"Civiel recht; Insolventierecht",{"id":63,"ecli":64,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":65,"fullText":66,"language":7,"source":17,"sourceUrl":67,"summary":14,"slug":68,"metadata":69},"782","ECLI:NL:RBLIM:2026:5790","2026-06-18T00:00:00.000Z","RECHTBANKLIMBURG\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Maastricht\n\nZaaknummer: 12238701 CV EXPL 26-2803\n\nVonnis in kort geding van 18 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nWONINGSTICHTING SERVATIUS,\n\nte Maastricht,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: Servatius,\n\ngemachtigde: mr. G. Vansant,\n\ntegen\n\n1. [huurder],\n\nte [plaats] ,\n\ngedaagde partij sub 1,\n\nhierna te noemen: [huurder],\n\nniet verschenen,2. 2. [bewindvoerder], h.o.d.n. [bewindvoerderskantoor],\n\nin hoedanigheid van bewindvoerder in het beschermingsbewind van [huurder],\n\nte [plaats] ,\n\ngedaagde partij sub 2,\n\nhierna te noemen: de bewindvoerder q.q.,\n\nprocederend in persoon.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaardingen - de mondelinge behandeling van 15 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.2. De feiten en het geschil\n\n2.1.. Tussen Servatius en [huurder] is in maart 2022 een huurovereenkomst tot stand gekomen, waarbij Servatius de woning aan [adres] (hierna: het gehuurde) verhuurt aan [huurder].\n\n2.2.. Bij beschikking van de kantonrechter zijn alle goederen die behoren of zullen toebehoren aan [huurder] onder bewind gesteld.\n\n2.3.. Bij brief van 29 september 2025 heeft Servatius de huurovereenkomst opgezegd tegen 1 januari 2026, met als reden dat [huurder] het gehuurde niet als hoofdverblijf heeft.\n\n2.4.. Tussen Servatius en [huurder] is vervolgens een afspraak tot stand gekomen inhoudende dat [huurder] het gehuurde zou ontruimen en opleveren aan Servatius.\n\n2.5.. Omdat [huurder] telkens niet is verschenen bij de opleveringsafspraken, heeft Servatius [huurder] gesommeerd het gehuurde uiterlijk 20 april 2026 te ontruimen. Een kopie van dit schrijven is aan de bewindvoerder q.q. gestuurd.\n\n3. Het geschil en de beoordeling\n\n3.1.. Servatius vordert - samengevat - ontruiming van het gehuurde.\n\n3.2.. De bewindvoerder q.q. heeft tijdens de mondelinge behandeling geen verweer gevoerd en de feiten, zoals ten grondslag gelegd aan de vordering, niet betwist.\n\n3.3.. Tegen de niet verschenen [huurder] wordt verstek verleend, nu de voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht zijn genomen.\n\n3.4.. De vorderingen tegen de [huurder] komen niet onrechtmatig of ongegrond voor (tenzij hierna anders wordt overwogen), en zullen conform het bepaalde in art. 140 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering als een vonnis op tegenspraak in dezelfde zin worden toegewezen als tegen de wel verschenen gedaagde.\n\n3.5.. \n\nIn het petitum is, gelet op het lichaam van de dagvaarding, een duidelijke omissie geslopen in de zin dat onder 1. voor “[huurder]” moet worden gelezen:\n\n“de bewindvoerder q.q. - en [huurder] voorwaardelijk, onder de voorwaarde dat het bewind na datum vonnis wordt beëindigd -”. [huurder] wordt hierdoor niet benadeeld.\n\n3.6.. \n [huurder] staat onder bewind. In 2014 heeft de Hoge Raad beslist dat in een geding met betrekking tot een onder bewind gesteld goed, de bewindvoerder en niet de rechthebbende in rechte betrokken dient te worden (ECLI:NL:HR:2014:525). De eisende partij wordt normaliter niet-ontvankelijk verklaard in de vordering jegens de rechthebbende. Servatius heeft hier zowel de bewindvoerder als de rechthebbende in rechte betrokken, omdat een voorwaardelijkevordering is ingesteld tegen [huurder] voor het geval het bewind zou eindigen tussen de datum vonnis en de datum van de aangezegde ontruiming. Aangezien een einde van het bewind niet is uit te sluiten, is Servatius ontvankelijk in haar voorwaardelijke vordering jegens [huurder].\n\n3.7.. De kantonrechter stelt voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een maatregel is, die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet - volgens vaste jurisprudentie - grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een - diepgaand - onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is.\n\n3.8.. Het spoedeisend belang is niet weersproken en vloeit voort uit de stelling dat het gehuurde reeds geruime tijd niet wordt bewoond, dat de leegstand heeft geleid tot verwaarlozing en overlast en dat Servatius de woning thans niet kan toewijzen aan een woningzoekende. Gewezen is op de schaarste op de sociale woningmarkt.\n\n3.9.. De bewindvoerder q.q. erkent dat [huurder] met Servatius de afspraak heeft gemaakt dat [huurder] het gehuurde zou ontruimen en opleveren. [huurder] heeft op enig moment zelf de huur opgezegd. De bewindvoerder q.q. kan zich vinden in het einde van de huur. [huurder] woont namelijk bij haar vriend en wil niet meer terug naar het gehuurde, aldus de bewindvoerder q.q. Deze was zelfs al in de veronderstelling dat het gehuurde reeds was opgeleverd – reden waarom de huur over de laatste maand (nog) niet is betaald. De kantonrechter begrijpt uit dit laatste dat de datum, waarop de huurovereenkomst (ook volgens bewindvoerder q.q.) is geëindigd, inmiddels is gepasseerd. Daarmee wordt aangenomen dat de huurovereenkomst inmiddels formeel tot een einde is gekomen.\n\n3.10.. De bewindvoerder q.q. erkent eveneens dat in de woning nog altijd (veel) spullen van [huurder] aanwezig zijn en dat het gehuurde ook anderszins niet is opgeleverd. Zo is niet betwist dat de sleutels ook niet zijn ingeleverd. De bewindvoerder q.q. verzet zich niet tegen de gevorderde ontruiming. Zo heeft hij [huurder] geadviseerd de woning op tijd leeg te maken. Concluderend is de kantonrechter voorshands van oordeel het zeer waarschijnlijk is dat een ontruiming in een bodemprocedure zal worden toegewezen. De gevorderde ontruiming is daarmee toewijsbaar. De vordering zal voorwaardelijk worden toegewezen jegens [huurder].\n\n3.11.. Een ontruimingstermijn van twee weken is gebruikelijk. Servatius stelt dat een kortere termijn van zeven dagen hier is gerechtvaardigd omdat [huurder] al niet meer in het gehuurde woont. De bewindvoerder q.q. heeft zich niet met zoveel woorden tegen die verkorte termijn verzet. Wel heeft hij erop gewezen dat [huurder], die een Wajong-uitkering ontvangt, begeleiding krijgt en hulp nodig heeft om het gehuurde leeg te krijgen. De bewindvoerder q.q. heeft twee weken geleden geld overgemaakt naar [huurder] om het gehuurde met hulp te doen ontruimen. Het bewind loopt goed. [huurder] heeft het schuldsaneringstraject doorlopen. Een gedwongen ontruiming zal evenwel tot kosten, en daarmee nieuwe schulden, leiden. De bewindvoerder q.q. wil daarom proberen om middels Opruimservice Limburg het gehuurde nog tijdig leeg te krijgen. Voorkomen moet worden dat [huurder] opnieuw in de schulden geraakt. Aangegeven is dat sowieso nog (een vergoeding gelijk aan) de huurprijs zal worden doorbetaald.\n\n3.12.. Hoewel een kortere termijn hier in beginsel is gerechtvaardigd, is de kantonrechter al met al van oordeel dat in dit geval een ontruimingstermijn van veertien dagen (óók in het voorwaardelijke geval) het meest redelijk is. Daarmee wordt aan [huurder] alsnog een reële(re) kans geboden om een gedwongen ontruiming, met alle financiële gevolgen van dien, te voorkomen.\n\n3.13.. De (ook voorwaardelijk) gevorderde machtiging om de ontruiming zo nodig zelf te doen uitvoeren met behulp van de sterke arm van justitie zal worden afgewezen, omdat zij ingevolge artikel 556 lid 1 en artikel 557 Rv overbodig is.3.14.. \n\nDe bewindvoerder q.q. en [huurder] (als voorwaardelijke partij) zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Het tarief voor verstek is hier overigens niet van toepassing op [huurder].\n\nDe proceskosten van Servatius worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n156,75\n\n- griffierecht\n\n€\n\n139,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n865,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.304,75\n\n3.15.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n4. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n4.1.. veroordeelt de bewindvoerder q.q. - en [huurder] voorwaardelijk, onder de voorwaarde dat het bewind na datum vonnis wordt beëindigd - om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde aan [adres] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Servatius zijn, en de sleutels af te geven aan Servatius,\n\n4.2.. veroordeelt de bewindvoerder q.q. - en [huurder] voorwaardelijk, onder de voorwaarde dat het bewind na datum vonnis wordt beëindigd - in de proceskosten van € 1.304,75, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als de bewindvoerder q.q. niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n4.3.. veroordeelt de bewindvoerder q.q. - en [huurder] voorwaardelijk, onder de voorwaarde dat het bewind na datum vonnis wordt beëindigd - tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n4.4.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,\n\n4.5.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Bisscheroux en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:5790","ecli-nl-rblim-2026-5790",{"courtName":6,"legalDomain":70,"decisionType":22,"procedureType":23},"Civiel recht; Verbintenissenrecht",{"id":72,"ecli":73,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":65,"fullText":74,"language":7,"source":17,"sourceUrl":75,"summary":14,"slug":76,"metadata":77},"783","ECLI:NL:RBLIM:2026:5843","RECHTBANKLIMBURG\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Maastricht\n\nZaaknummer: 12245721 \\ CV EXPL 26-2921\n\nVonnis in kort geding van 18 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [verhuurder] h.o.d.n. [bedrijf],\n\nte [plaats 1] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [verhuurder] ,\n\ngemachtigde: mr. D.L. Hendrikx,\n\ntegen\n\n [huurder],\n\nte [plaats 2] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [huurder] ,\n\ngemachtigde: mr. M. Raaijmakers.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met producties 1 tot en met 7\n\n- de aanvullende producties 8 en 9 van [verhuurder]\n\n- het verplaatsingsverzoek van [huurder]\n\n- de reactie van [verhuurder]\n\n- het bericht namens de kantonrechter aan partijen\n\n- de conclusie van antwoord\n\n- de pleitnota van [verhuurder] - de mondelinge behandeling van 11 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [verhuurder] verhuurt aan [huurder] de woonruimte aan [adres] (hierna: de woning) met ingang van 19 januari 2026. De kale huurprijs bedraagt € 725,00 per maand en het maandelijkse voorschot energie bedraagt € 150,00. Het totale maandelijkse bedrag van € 875,00 dient bij vooruitbetaling aan [verhuurder] voldaan te worden.\n\n2.2.. Partijen zijn een borgsom overeengekomen van € 820,00.\n\n2.3.. \n [huurder] is twee jaar geleden vanuit Georgië naar Nederland gekomen in het kader van gezinshereniging met haar vrouwelijke partner. [huurder] woont in de woning met haar minderjarig kind. Haar partner woont in een studio in [plaats 3].\n\n2.4.. Ondanks meerdere aanmaningen heeft [huurder] de huurpenningen vanaf aanvang van de huurovereenkomst en de borgsom niet betaald aan [verhuurder] .\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n\n [verhuurder] vordert – samengevat - om [huurder] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis te veroordelen tot:\n\nI. ontruiming van de woning binnen veertien dagen na betekening van het vonnis,\n\nII. betaling van € 4.375,00 aan achterstallige huurpenningen berekend tot en met mei 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente, alsmede de huurpenningen vanaf juni 2026 tot aan de dag van ontruiming,\n\nIII. betaling van € 820,00 aan overeengekomen borgsom, te vermeerderen met de wettelijke rente,\n\nIV. betaling van de proceskosten, alsmede de nakosten.\n\n3.2.. \n [verhuurder] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [huurder] heeft sinds aanvang van de huurovereenkomst geen enkele huurtermijn betaald. Ten aanzien van de borgsom zijn partijen overeengekomen dat [huurder] het verschuldigde bedrag in drie gelijke delen van € 273,33 per maand zou voldoen vanaf januari 2026. Enige betaling is uitgebleven. [huurder] is dan ook structureel tekortgeschoten in de nakoming van haar betalingsverplichtingen uit hoofde van de huurovereenkomst. Op grond van artikel 6:265 BW in samenhang met artikel 7:231 BW is ontbinding van de huurovereenkomst, indien het geschil zou worden voorgelegd aan de bodemrechter, gerechtvaardigd.\n\n3.3.. \n [huurder] voert verweer. [huurder] concludeert tot ongegrondverklaring van de verzoeken van [verhuurder] , althans deze aan hem te ontzeggen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [verhuurder] in de kosten van deze procedure.\n\n3.4.. \n\n [huurder] voert het volgende aan. Er is geen sprake van betalingsonwil, maar van betalingsonmacht. [huurder] had onvoldoende inkomen – slechts € 250,00 per maand uit verhuur van een appartement in Georgië – om de huurpenningen te kunnen voldoen. [huurder] had geen verblijfsstatus en kon daarom niet werken. De verblijfsstatus is sinds\n\n1 juni 2026 toegewezen en [huurder] zal fulltime gaan werken. Met het te ontvangen loon kan zij de lopende huur betalen. [huurder] stelt zich op het standpunt dat de tekortkoming de ontruiming met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Bij een ontruiming zullen [huurder] en haar minderjarig kind dakloos worden en zeer waarschijnlijk uitgezet worden naar het land van herkomst. Er is dan ook sprake van een noodtoestand. [huurder] doet een beroep op artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (hierna: IVRK). Ten slotte verzoekt [huurder] om een eventuele veroordeling niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n3.5.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nSpoedeisend belang\n\n4.1.. Uit de stukken en de toelichting op de mondelinge behandeling is genoegzaam gebleken dat [verhuurder] een spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen.\n\nBetalingsachterstand en ontruiming\n\n4.2.. De kantonrechter stelt voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een maatregel is, die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet – volgens vaste jurisprudentie – grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een – diepgaand – onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is.\n\n4.3.. \n [huurder] heeft de hoogte van de huurachterstand niet betwist. Daarmee staat de bij dagvaarding gestelde huurachterstand van vijf maanden vast. Het gevorderde bedrag van € 4.375,00 aan achterstallige huurpenningen berekend tot en met mei 2026 wordt toegewezen.\n\n4.4.. De vraag is of deze huurachterstand kan leiden tot ontruiming van de woning. De maatstaf is of voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter de huurovereenkomst wegens deze tekortkoming op grond van artikel 6:265 BW zal ontbinden. Op grond van voornoemd artikel geeft iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van haar verbintenissen, aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt.\n\n4.5.. Op het moment van de mondelinge behandeling was sprake van zes maanden huurachterstand. Een bestaande betalingsonmacht komt voor rekening en risico van [huurder] . [huurder] wist bij het sluiten van de huurovereenkomst dat zij over onvoldoende inkomsten beschikte om de maandelijkse huurpenningen te kunnen voldoen. [huurder] voert aan dat zij dacht dat zij de huurpenningen in termijnen kon betalen en dat zij daarmee meende juist te handelen. Zoals de gemachtigde van [huurder] ook zelf ter mondelinge behandeling heeft erkend, ligt het logischerwijs niet voor de hand om maandelijkse huurpenningen in termijnen te betalen. Op die manier zou de huurachterstand alsmaar blijven oplopen.\n\n4.6.. De kantonrechter stelt voorop dat een huurachterstand van drie maanden of meer in de regel van voldoende gewicht wordt gevonden om tot ontbinding van de huurovereenkomst, en vooruitlopend daarop in kort geding, de ontruiming van het gehuurde uit te spreken. Het beroep van [huurder] op de tenzij-bepaling van artikel 6:265 BW slaagt niet. [huurder] heeft naar het oordeel van de kantonrechter geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die ertoe kunnen leiden dat de ontbinding (en dus de ontruiming in kort geding) niet gerechtvaardigd is. De gevolgen van een ontruiming zijn altijd ingrijpend voor een huurder, maar zijn ook inherent eraan. Dat [huurder] bij een ontruiming zeer waarschijnlijk zal worden uitgezet naar het land van herkomst is geheel niet onderbouwd en ligt in de risicosfeer van [huurder] . De kantonrechter is van oordeel dat het belang van [huurder] om in de woning te blijven wonen – gezien de substantiële huurachterstand – niet prevaleert boven het belang van [verhuurder] bij de ontruiming van de woning.\n\n4.7.. Bij de beoordeling van de ontruimingsvordering wordt ook het belang van het minderjarig kind van [huurder] in overweging genomen. Ingevolge het bepaalde in artikel 3 van het IVRK vormen de belangen van het kind de eerste overweging bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen. Aangenomen moet worden dat een ontruiming van de woning (ook) voor het minderjarige kind van [huurder] nadelige gevolgen meebrengt. Bij de beoordeling van een op zichzelf gerechtvaardigde vordering tot ontruiming zullen de belangen van de daarbij betrokken kinderen onder ogen gezien dienen te worden. Dit gaat evenwel niet zover dat de betrokkenheid van kinderen automatisch leidt tot een blokkade voor de toewijzing van een vordering tot ontruiming. Het is voor alles de taak van [huurder] om de nodige maatregelen te nemen ter voorkoming van al te nadelige gevolgen. Zowel de verantwoordelijkheid voor de tekortkoming die tot de ontruiming leidt (of kan leiden) als de verantwoordelijkheid voor het welzijn van de kinderen ligt bij haar. Om die reden dient niet te snel te worden aangenomen dat de betrokkenheid van minderjarige kinderen aan toewijzing van de vordering tot ontruiming in de weg staat. Dit zal in bepaalde omstandigheden wel het geval kunnen zijn als de ontruiming tot een acute noodsituatie voor een kind zou leiden. Volgens [huurder] is haar inmiddels een verblijfsstatus toegewezen. Dit betekent dat [huurder] zich kan wenden tot hulpinstanties. Dat sprake is van een acute noodtoestand is dan ook niet aannemelijk geworden zodat de enkele aanwezigheid van het minderjarig kind in dit concrete geval niet tot afwijzing van de ontruimingsvordering zal leiden. Wel ziet de kantonrechter hierin aanleiding om de gevorderde ontruimingstermijn van veertien dagen te verlengen naar drie weken. De kantonrechter vindt deze termijn redelijk nu ter mondelinge behandeling al aan partijen is medegedeeld dat de gevorderde ontruiming zal worden toegewezen en [huurder] dus vanaf dat moment kon beginnen met het treffen van maatregelen.\n\nBorgsom\n\n4.8.. \n [huurder] dient de borgsom op grond van de huurovereenkomst te betalen aan [verhuurder] . Vast staat dat [huurder] dat niet gedaan heeft. [huurder] heeft geen verweer gevoerd tegen de verschuldigdheid van deze borgsom. Het gevorderde bedrag van € 820,00 aan borgsom wordt daarom toegewezen.\n\nWettelijke rente\n\n4.9.. De wettelijke rente over de achterstallige huurpenningen en de waarborgsom wordt toegewezen zoals gevorderd nu [huurder] daartegen geen inhoudelijk verweer heeft gevoerd en [huurder] in verzuim verkeert.\n\nUitvoerbaar bij voorraad\n\n4.10.. Hoewel [huurder] hier bezwaar tegen heeft gemaakt, zal de kantonrechter dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaren. De kantonrechter is van oordeel dat – zoals hiervoor is vastgesteld – de substantiële mate waarin [huurder] is tekortgeschoten in haar betalingsverplichtingen als huurder, maken dat [verhuurder] er belang bij heeft om op zo kort mogelijke termijn de woning aan een huurder te verhuren die wel zijn verplichtingen nakomt. Hoewel [huurder] een evident belang heeft bij het kunnen blijven wonen in de woning totdat deze uitspraak kracht van gewijsde heeft of op een eventueel rechtsmiddel is beslist, weegt dat belang in de gegeven omstandigheden niet op tegen het belang van [verhuurder] bij de ontruiming van de woning.\n\nProceskosten\n\n4.11.. \n [huurder] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [verhuurder] worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n153,02\n\n- griffierecht\n\n€\n\n265,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n865,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.427,02\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. veroordeelt [huurder] om binnen drie weken na betekening van dit vonnis de woning aan de [adres] met al het hare en de haren te verlaten en te ontruimen en ontruimd te houden, onder afgifte van alle sleutels aan [verhuurder] ,\n\n5.2.. veroordeelt [huurder] om te betalen aan [verhuurder] :\n\na. a) € 4.375,00 aan achterstallige huur tot en met mei 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente over de verschuldigde huurtermijnen, telkens te rekenen vanaf de vervaldata van die huurtermijnen tot de dag van voldoening,\n\nb) € 875,00 per maand vanaf juni 2026 tot aan de dag waarop de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden,\n\n5.3.. veroordeelt [huurder] om te betalen aan [verhuurder] € 820,00 aan borgsom, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de datum waarop deze opeisbaar is geworden, tot aan de dag van volledige betaling,\n\n5.4.. veroordeelt [huurder] in de proceskosten van € 1.427,02, te vermeerderen met de kosten van betekening,\n\n5.5.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.6.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Quaedackers en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:5843","ecli-nl-rblim-2026-5843",{"courtName":6,"legalDomain":70,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":79,"ecli":80,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":81,"fullText":82,"language":7,"source":17,"sourceUrl":83,"summary":14,"slug":84,"metadata":85},"478","ECLI:NL:RBLIM:2026:5657","2026-06-17T00:00:00.000Z","RECHTBANK Limburg\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Maastricht\n\nZaaknummer: C\u002F03\u002F337611 \u002F HA ZA 25-6\n\nVonnis van 17 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [eiser 1] ,\n\nte [plaats 1] , 2. [eiser 2],\n\nte [plaats 2] ,\n\neisers,\n\nadvocaat: mr. H.T.L. Janssen,\n\ntegen\n\n1. [gedaagde 1] ,\n\n2. [gedaagde 2],\n\nbeiden te [plaats 3] (Duitsland),\n\ngedaagden,\n\nadvocaat: mr. J.P. van Mulken.\n\nPartijen worden hierna [eisers] en [gedaagden] genoemd.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis van 3 december 2025 - de akte van [eisers] van 7 januari 2026 - de akte van [gedaagden] van 7 januari 2026\n\n- de e-mail van de rechtbank van 2 februari 2026 aan partijen waarin zij geïnformeerd zijn dat de rechter die de zaak behandeld heeft tijdens de mondelinge behandeling en die het tussenvonnis van 3 december 2025 heeft gewezen, niet langer werkzaam is bij het team burgerlijk recht vanwege een roulatie naar een ander rechtsgebied en dat de zaak om die reden verder behandeld zal worden door de rechter die tijdens de mondelinge behandeling aanwezig was in de zaal.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De verdere beoordeling\n\nHet tussenvonnis van 3 december 2025\n\n2.1.. De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 3 december 2025 (hierna: het tussenvonnis) in rov. 4.22. tot en met 4.28. een deskundigenonderzoek aangekondigd en partijen in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de wenselijkheid van een deskundigenbericht, het aantal en het specialisme van de te benoemen deskundige(n), de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen, en de maximaal acceptabele hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige(n). Partijen hebben zich hierover uitgelaten bij akte.\n\nDe wenselijkheid van een deskundigenbericht\n\n2.2.. Volgens [eisers] is een deskundigenonderzoek niet nodig om de herstelkosten te begroten. Hun [deskundige 1] heeft immers al een begroting gemaakt. Voor zover de rechtbank toch een deskundige wil inschakelen, zullen zij hun medewerking daaraan verlenen.\n\n2.3.. \n [gedaagden] betogen dat eerst een deskundige benoemd moet worden om te onderzoeken wat er moet gebeuren om de zolderverdieping geschikt te maken als leefruimte. Dat hoeft niet per definitie te bestaan uit de werkzaamheden die genoemd zijn in het rapport van [deskundige 1] , aldus [gedaagden] Hun eigen deskundige heeft namelijk laten weten dat een bedrag van € 12.179,00 toereikend is om de zolderverdieping geschikt te maken als leefruimte. Een deskundige benoemen om de omvang van de herstelkosten te laten vaststellen, is volgens hen niet nodig, omdat zij instemmen met een bedrag van € 12.179,00 als vergoeding voor herstelkosten. Als de rechtbank toch een deskundige benoemt om de kosten van herstel te berekenen, kan het rapport van [deskundige 1] niet als uitgangspunt dienen. Hij is niet onafhankelijk, zo menen zij. Ook gaat hij in zijn berekening uit van een volledig geïsoleerd dak, terwijl dat niet nodig is om de zolderverdieping geschikt te maken als leefruimte. [gedaagden] wijzen in dat kader op de rechtsoverwegingen 4.12. en 4.13. van het tussenvonnis.\n\n2.4.. De rechtbank stelt het volgende voorop. In het tussenvonnis heeft de rechtbank de door [eisers] aangevoerde rechtsgronden voor hun vorderingen beoordeeld. Drie rechtsgronden slaagden niet, te weten onrechtmatige daad, dwaling en tekortkoming wegens schending vertrouwen dat het schuine dak van de woning geheel was geïsoleerd. De rechtsgrond tekortkoming wegens de aanwezigheid van een latent probleem dat de zolderverdieping ongeschikt maakt als leefruimte slaagde wel. De rechtbank volhardt bij deze oordelen.Verder heeft de rechtbank geoordeeld in dat tussenvonnis dat [gedaagden] bij conclusie van antwoord en tijdens de mondelinge behandeling niet hebben betwist dat herstel van het zolderplafond dient te geschieden overeenkomstig hetgeen daarover is opgenomen in het rapport van [deskundige 1] . Omdat partijen wel twistten over de hoogte van de kosten van die wijze van herstel heeft de rechtbank in het tussenvonnis geoordeeld dat een onafhankelijk deskundige nodig is om de omvang van de herstelkosten te begroten. De rechtbank volhardt ook bij deze oordelen.2.5.. \n [gedaagden] betwisten in de akte na het tussenvonnis alsnog de wijze van herstel zoals beschreven is door [deskundige 1] in zijn rapport. Deze betwisting is te laat aangevoerd in de procedure en wordt daarom gepasseerd. De verwijzing van [gedaagden] naar rov. 4.12. en 4.13. van het tussenvonnis kan hen niet baten. Die rechtsoverwegingen zagen immers op een andere, niet gehonoreerde rechtsgrond van [eisers] De slotsom is dat de rechtbank niet terugkomt op het oordeel dat de wijze van herstel, die [deskundige 1] beschreven heeft in zijn rapport, geldt als uitgangspunt voor de berekening van de herstelkosten. Het voorstel van [gedaagden] om eerst een deskundige te benoemen die beoordeelt wat er moet gebeuren om de zolderverdieping geschikt te maken als leefruimte, volgt de rechtbank daarom niet.\n\n2.6.. Omdat [gedaagden] de omvang van de kosten die [deskundige 1] berekend heeft, voor het tussenvonnis met offertes betwist had, heeft de rechtbank een deskundigenonderzoek naar de omvang van de herstelkosten nodig geacht. Hetgeen [eisers] in hun akte na het tussenvonnis hebben aangevoerd, leidt niet ertoe dat de rechtbank aanleiding ziet om terug te komen op dat oordeel. Het deskundigenonderzoek zal in dit vonnis dan ook worden bevolen.\n\nHet aantal deskundigen\n\n2.7.. Beide partijen achten benoeming van één deskundige voldoende. De rechtbank zal daarom volstaan met het benoemen van één deskundige.\n\nDe persoon van de deskundige\n\n2.8.. Partijen hebben de rechtbank bij akten na het tussenvonnis laten weten dat zij geen overeenstemming hebben bereikt over de benoeming van een deskundige. De griffier van de rechtbank heeft vervolgens als deskundige benaderd de heer ing. [deskundige 2] , verbonden aan [bedrijf] , die als deskundige ingeschreven is bij het Landelijk Register van Gerechtelijk Deskundigen. De deskundige heeft de rechtbank laten weten dat het hem vrijstaat om als deskundige op te treden in deze zaak. Na hierover in kennis te zijn gesteld, hebben beide partijen de rechtbank per mail bericht in te kunnen stemmen met benoeming van de heer [deskundige 2] . De rechtbank zal hem in dit vonnis als deskundige benoemen.\n\nDe vragen aan de deskundige\n\n2.9.. \n [eisers] stemmen in met de vragen die de rechtbank heeft voorgesteld in het tussenvonnis.\n\n2.10.. \n [gedaagden] stellen voor om als vraag te stellen: welke werkzaamheden zijn nodig om de zolderverdieping leefbaar te maken en hoeveel bedragen de kosten van deze werkzaamheden?\n\n2.11.. Gelet op wat de rechtbank hiervoor in dit vonnis heeft overwogen bij rov. 2.5 volgt de rechtbank [gedaagden] niet in de door hen voorgestelde vragen. De rechtbank zal aan de deskundige de vragen stellen:\n\n1. Hoeveel kost een herstel dat wordt verricht overeenkomstig de herstelwerkzaamheden opgenomen in het onderzoeksrapport van [deskundige 1] (gedateerd 24 september 2024)?\n\n2. Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen, waarvan de rechter volgens u kennis moet nemen bij de verdere beoordeling?\n\n2.12.. \n [eisers] hebben laten weten dat zij niet bereid zijn om mee te werken aan destructief onderzoek door de deskundige, omdat zij de zolder inmiddels in gebruik hebben genomen. Nu de deskundige kan uitgaan van de wijze van herstel zoals beschreven door [deskundige 1] en hij alleen diens kostenbegroting hoeft te beoordelen, gaat de rechtbank er van uit dat de deskundige in het kader van zijn onderzoek geen destructief onderzoek hoeft te verrichten. Mocht de deskundige daardoor niet in staat zijn (op onderdelen) een goede begroting te maken van de kosten, dan zal dat blijken uit zijn rapport. In dat geval komt de onmogelijkheid van het niet (volledig) kunnen begroten van de kosten voor risico van [eisers] Mocht de deskundige ten behoeve van zijn onderzoek wel de woning willen bezoeken, ondanks dat destructief onderzoek niet nodig is, dan zal de deskundige partijen dat laten weten.\n\nDe kosten van de deskundige\n\n2.13.. De deskundige heeft het voorschot begroot op een bedrag van € 1.706,10 (inclusief btw). Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om hierop te reageren. Zij hebben geen bezwaar gemaakt tegen de begroting van het voorschot. De rechtbank zal het voorschot vaststellen op een bedrag van € 1.706,10 (inclusief btw).\n\n2.14.. De deskundige heeft de rechtbank meegedeeld dat er algemene voorwaarden van toepassing zijn. De rechtbank heeft partijen hiervan in kennis gesteld en hen de algemene voorwaarden ter kennisneming toegezonden. Partijen hebben daarna verklaard in te stemmen met benoeming van de deskundige. Over de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden hebben zij zich niet expliciet uitgelaten. De rechtbank begrijpt dat zij zich niet verzetten tegen de toepasselijkheid van deze voorwaarden. Gelet hierop aanvaardt de rechtbank dit voorbehoud van de deskundige voor zover deze algemene voorwaarden voorzien in een beperking van aansprakelijkheid. De publiekrechtelijke aard van de rechtsverhouding tussen de rechtbank en een deskundige, zoals geregeld in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), verzet zich tegen integrale toepassing van de algemene voorwaarden. Voor de volledigheid merkt de rechtbank op dat deze aansprakelijkheidsbeperking van toepassing is op de verhouding tussen de deskundige en partijen.\n\nHet voorschot\n\n2.15.. In de vorige beslissing is al aangekondigd en toegelicht door welke partij het voorschot op de kosten van de deskundige moet worden betaald, namelijk [eisers]\n\n2.16.. \n [eisers] hebben laten weten dat zij van mening zijn dat [gedaagden] de kosten zouden moeten voorschieten, omdat zij de omvang van de kosten toereikend hebben toegelicht met het rapport van [deskundige 1] . Tegelijkertijd conformeren zij zich aan het oordeel van de rechtbank.\n\n2.17.. De rechtbank ziet geen aanleiding in hetgeen [eisers] hebben aangevoerd om terug te komen op het oordeel dat [eisers] op grond van de hoofdregel van artikel 195 Rv belast worden met betaling van het voorschot van de kosten van de deskundige.\n\nOverig\n\n2.18.. De rechtbank wijst erop dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundige. De rechtbank zal deze verplichting uitwerken zoals hierna onder de beslissing omschreven is. Wordt aan een van deze verplichtingen niet voldaan, dan kan de rechtbank daaraan de gevolgen verbinden die zij geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij.\n\n2.19.. Als een partij op verzoek van de deskundige of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundige toestuurt, moet zij daarvan direct een afschrift aan de wederpartij verstrekken.\n\n2.20.. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.\n\n3. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n3.1.. beveelt een onderzoek door een deskundige voor de beantwoording van de volgende vragen:\n\nHoeveel kost een herstel dat wordt verricht overeenkomstig de herstelwerkzaamheden opgenomen in het onderzoeksrapport van [deskundige 1] (gedateerd 24 september 2024)?\n\nZijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen, waarvan de rechter volgens u kennis moet nemen bij de verdere beoordeling?\n\n3.2.. benoemt tot deskundige:\n\nde heer ing. [deskundige 2] , verbonden aan [bedrijf] ,\n\n [adres] ,\n\n [telefoonnummer] ,\n\n [e-mailadres] ,\n\n3.3.. bepaalt dat de griffier een kopie van dit vonnis aan de deskundige zal toezenden,\n\nhet voorschot\n\n3.4.. stelt de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige vast op € 1.706,10 (inclusief btw),\n\n3.5.. bepaalt dat [eisers] het voorschot moeten overmaken binnen twee wekenna de datum van de nog te ontvangen nota met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak,\n\n3.6.. draagt de griffier op om de deskundige onmiddellijk in kennis te stellen van de betaling van het voorschot,\n\nhet onderzoek\n\n3.7.. bepaalt dat [eisers] het procesdossier in afschrift aan de deskundige moeten toesturen,\n\n3.8.. bepaalt dat de deskundige het onderzoek zelfstandig zal instellen op de door de deskundige in overleg met partijen te bepalen tijd en plaats,\n\n3.9.. wijst de deskundige erop dat:\n\n- de deskundige voor aanvang van het onderzoek kennis moet nemen van de Gedragscode voor gerechtelijk deskundigen in civielrechtelijke en bestuursrechtelijke zaken én van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (beide te raadplegen op www.rechtspraak.nl),\n\n- de deskundige het onderzoek pas begint na het bericht van de griffier omtrent betaling van het voorschot,\n\n- de deskundige het onderzoek onmiddellijk staakt en contact opneemt met de griffier, als tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn,\n\n- de deskundige bij het onderzoek de partijen in de gelegenheid moet stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het schriftelijk bericht vermeldt of aan dit voorschrift is voldaan, onder vermelding van de eventueel gemaakte opmerkingen en\u002Fof gedane verzoeken,\n\n- de deskundige partijen bij een onderzoek van een object ter plaatse, gelegenheid moet bieden dit onderzoek bij te wonen; als slechts één partij (althans niet alle partijen) bij het onderzoek van objecten ter plaatse aanwezig is of zijn, de deskundige dit onderzoek niet mag uitvoeren, tenzij alle partijen zijn uitgenodigd om bij dat onderzoek aanwezig te zijn, en dat uit het rapport moet blijken dat hieraan is voldaan,\n\n- als partijen bij het onderzoek van objecten ter plaatse aanwezig zijn geweest, uit het rapport moet blijken welke opmerkingen zij hebben gemaakt en welke verzoeken zij hebben gedaan, en hoe de deskundige hierop heeft gereageerd,\n\n3.10.. bepaalt dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundige moeten verstrekken als de deskundige daarom vraagt, de deskundige toegang moeten verschaffen tot voor het onderzoek noodzakelijke plaatsen, en de deskundige ook voor het overige gelegenheid moeten geven om het onderzoek te verrichten,\n\nhet schriftelijk rapport\n\n3.11.. draagt de deskundige op om uiterlijk drie maandenna het schriftelijk bericht van de griffier over de betaling van het voorschot een schriftelijk en ondertekend rapport in drievoud ter griffie van de rechtbank in te leveren, met een gespecificeerde declaratie,\n\n3.12.. wijst de deskundige erop dat:\n\n- uit het schriftelijk rapport moet blijken op welke stukken het oordeel van de deskundige is gebaseerd,\n\n- de deskundige een concept van het rapport aan partijen moet toezenden, waarna partijen de gelegenheid krijgen om binnen vier weken daarover bij de deskundige opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het definitieve rapport de door partijen gemaakte opmerkingen en verzoeken en de reactie van de deskundige daarop moet vermelden,\n\n3.13.. bepaalt dat partijen bij de deskundige geen gelegenheid hebben om op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het concept-rapport te reageren,\n\noverige bepalingen\n\n3.14.. draagt de griffier op om de zaak op de rol te plaatsen:\n\n- als het voorschot niet binnen de daarvoor bepaalde (eventueel verlengde) termijn is ontvangen: voor akte uitlating voortprocederen van beide partijen op een termijn van twee weken of,\n\n- na ontvangst ter griffie van het rapport: voor conclusie na deskundigenbericht van beide partijen op een termijn van vier weken,\n\n3.15.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Etman en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.\n\n Zie rov. 4.3. tot en met 4.17. van het tussenvonnis.\n\n Zie rov. 4.21. van het tussenvonnis.\n\n Productie 7 bij dagvaarding.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:5657","ecli-nl-rblim-2026-5657",{"courtName":6,"legalDomain":70,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":87,"ecli":88,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":81,"fullText":89,"language":7,"source":17,"sourceUrl":90,"summary":14,"slug":91,"metadata":92},"786","ECLI:NL:RBLIM:2026:5664","RECHTBANK Limburg\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Maastricht\n\nZaaknummer: C\u002F03\u002F340610 \u002F HA ZA 25-145\n\nVonnis van 17 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [eiser 1] ,\n\nte [plaats 1] , 2. [eiser 2],\n\nte [plaats 1] ,\n\neisende partijen,\n\nhierna samen te noemen: [eisers] ,\n\nadvocaat: mr. W.J.F. Geertsen,\n\ntegen\n\n [gedaagde] B.V.,\n\nte [plaats 2] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\nadvocaat: mr. G.J.M. Philipsen.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis van 28 januari 2026 - de akte van [eisers] van 11 maart 2026 - de akte van [gedaagde] van 11 maart 2026 met de daarbij bijgevoegde producties 4 en 5.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De verdere beoordeling\n\n2.1.. Bij tussenvonnis van 28 januari 2026 (hierna: het tussenvonnis) is door de rechtbank bepaald dat een onderzoek door (een) deskundige(n) zal worden bevolen. Daarbij is vermeld dat naar het oordeel van de rechtbank kan worden volstaan met de benoeming van één deskundige op het gebied van bouwkunde. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de wenselijkheid van een deskundigenbericht, het aantal, het specialisme en de persoon van de te benoemen deskundige(n) en de door de rechtbank opgestelde vragen. Dit deskundigenonderzoek zal in dit vonnis worden bevolen.\n\nDe wenselijkheid van een deskundigenbericht2.2.. \n [eisers] stemt in met benoeming van een deskundige. [gedaagde] heeft bij akte verzocht het voornemen om een deskundige te benoemen te herzien. Daartoe voert zij aan dat het bewijs ontbreekt dát er stankoverlast zou zijn.\n\n2.3.. De rechtbank verwijst naar hetgeen zij heeft overwogen in het tussenvonnis van 28 januari 2026 in rechtsoverweging 4.5. in het kader van de stelplicht. De daar genoemde omstandigheden vormen voor de rechtbank voldoende aanleiding om tot het deskundigenonderzoek over te gaan.\n\nHet aantal deskundigen en de persoon van de deskundige2.4.. Partijen hebben bij akte te kennen gegeven dat zij de voorkeur geven aan benoeming van één deskundige. Zij zijn er niet in geslaagd om in onderling overleg overeenstemming te bereiken over de persoon van de te benoemen deskundige. [eisers] . hebben de heer [naam 1] van [bedrijf 1] voorgesteld en [gedaagde] heeft een medewerker van [bedrijf 2] of een medewerker van [bedrijf 3] voorgesteld.\n\n2.5.. Partijen hebben over en weer bezwaar gemaakt tegen de door de andere partij genoemde deskundige(n). In rechtsoverweging 4.29. van het tussenvonnis is door de rechtbank uitdrukkelijk overwogen dat een partij gemotiveerd dient aan te geven waarom de door de wederpartij voorgestelde deskundige niet voor benoeming in aanmerking mag komen. Beide partijen baseren hun bezwaar op de vrees dat er een professionele relatie bestaat tussen de voorgedragen deskundige en de tegenpartij. De rechtbank overweegt dat het enkele feit dat een advocaat in het verleden in andere procedures dezelfde deskundige heeft aangedragen als nu in deze zaak, onvoldoende is als onderbouwing van deze vrees. Het aantal deskundigen met ervaring in gerechtelijke procedures is beperkt, zodat het niet vreemd is dat advocaten vaker een bepaalde deskundige voorstellen. Verder geldt dat vóór benoeming aan de deskundigen standaard de vraag wordt voorgelegd of het hen vrij staat de zaak in behandeling te nemen. De rechtbank komt gelet op deze omstandigheden tot het oordeel dat benoeming van één van de aangedragen deskundigen geen bezwaar oplevert. Op basis van openbare informatie, die te vinden is op internet, over de drie voorgestelde deskundigen, bestaat bij de rechtbank het vertrouwen dat zij allen geschikt zijn als deskundige.\n\n2.6.. \n\nDe rechtbank zal de heer [naam 2] , werkzaam voor [bedrijf 1] , als deskundige benoemen. De rechtbank kiest voor deze deskundige, omdat [bedrijf 1] als enige van de drie voorgestelde bedrijven vermeld is in het landelijk register van deskundigen dat door gerechten geraadpleegd wordt als benoeming van een deskundige nodig is. De deskundige heeft te kennen gegeven bereid te zijn de zaak te aanvaarden en vrij te staan ten opzichte van partijen en hun advocaten. [gedaagde] heeft, nadat de rechtbank partijen in kennis heeft gesteld van het voornemen om de heer [naam 2] te benoemen, per e-mail van 8 juni 2026 de vraag opgeworpen of zijn expertise aansluit bij de vragen die door de rechtbank beantwoord moeten worden. De deskundige heeft dezelfde dag per e-mail aan de rechtbank laten weten 37 jaar werkervaring te hebben, dat zijn expertise van bouwkundige\u002Ftechnische aard is en dat hij meerdere deskundigenonderzoeken verricht heeft waarbij deze expertise nodig is. De rechtbank heeft [gedaagde] op 9 juni 2026 hiervan in kennis gesteld. [gedaagde] heeft vervolgens die dag per e-mail laten weten geen vragen of opmerkingen meer te hebben. De rechtbank leidt daaruit af dat [gedaagde] geen bezwaar heeft tegen de persoon van de heer [naam 2] .\n\nDe vraagstelling2.7.. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de in het tussenvonnis door de rechtbank voorgestelde vraagstelling die ter beoordeling aan de deskundige moet worden voorgelegd. Partijen hebben hiermee ingestemd. Aan de deskundige zullen daarom de volgende vragen worden voorgelegd:\n\n1e gebrek:ontbreken dakontluchting\n\n- Kan de wijze waarop de doorvoer van de ontspanningsleiding is gerealiseerd leiden tot stankoverlast in de technische ruimte en de zolder? Kunt u daarbij ingaan op de discussie tussen partijen of er wel\u002Fgeen dakontluchting aanwezig is?\n\n- Als de wijze waarop de doorvoer van de ontspanningsleiding gerealiseerd is nietkan leiden tot stankoverlast in de technische ruimte en op zolder, wat is dan de oorzaak van het door [eisers] . gestelde stankprobleem? Kunt u daarbij ingaan op de suggestie van [gedaagde] dat het gestelde stankprobleem vermoedelijk komt door het openbaar riool?\n\n2e gebrek: geborrel in de wc\n\n- Wat is de oorzaak van het geborrel op de toiletten: geen overdruk regulering door het ontbreken van dakontluchting (zoals [eisers] . stellen) of het openbaar riool (zoals [gedaagde] stelt), of andere oorzaken?\n\n3e gebrek: stankoverlast bij de H.W.A.’s\n\n- Wat is naar uw oordeel de oorzaak van de stank die van buiten komt en die [eisers] . stellen binnen te ruiken? Kunt u reageren op de mogelijke oorzaak die genoemd is door [eisers] . op basis van het rapport van RRS (zie rov. 4.13. van het tussenvonnis van 28 januari 2026).\n\n- Als er een oorzaak te duiden is: houdt die verband met het werk van [gedaagde] of ligt de oorzaak uitsluitend in het openbaar gebied waar [gedaagde] geen bemoeienis mee heeft?\n\n4e gebrek: verzakkingen in de terreinleiding\n\n- Neemt u verzakkingen waar, zo ja waar, en wat is de oorzaak van de verzakkingen die na de oplevering zijn ontstaan?\n\n5e gebrek: fout ontwerp binnenriolering\n\n- Is er een foutief ontwerp van de binnenriolering?\n\n- Zo ja, is er een causaal verband met de gestelde stankoverlast? Als er geen causaal verband is met de stankoverlast, tot welk probleem kan het foutieve ontwerp van de binnenriolering leiden?\n\n- Is aanpassing van de binnenriolering noodzakelijk (zo ja, hoe?), of zijn er andere oplossingen om problemen in de toekomst te voorkomen?\n\n6e gebrek: brandveiligheidsrisico\n\n- Bestaat er een toekomstig risico ten aanzien van brandveiligheid en op schimmelvorming door de wijze waarop de ontspanningsleiding uitkomt onder de zonnepanelen?\n\nOverig\n\n- Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis moet nemen bij de verdere beoordeling?\n\nKosten deskundige2.8.. De deskundige heeft het voorschot begroot op € 7.260,00 (inclusief btw). [eisers] . hebben per e-mail op 1 juni 2026 laten weten in te stemmen met de hoogte van het voorschot. [gedaagde] heeft per e-mail van 8 juni 2026 de rechtbank verzocht bij de deskundige een specificatie op te vragen van dit voorschot. De rechtbank heeft dit verzoek vervolgens voorgelegd aan de deskundige, die op 8 juni 2026 een specificatie van de kosten heeft toegestuurd. Op 9 juni 2026 is deze informatie toegezonden aan [gedaagde] , die dezelfde dag heeft laten weten geen vragen of opmerkingen meer te hebben. De rechtbank leidt daaruit af dat ook [gedaagde] akkoord gaat de hoogte van het voorschot van de deskundige.\n\n2.9.. De rechtbank zal het voorschot vaststellen op een bedrag van € 7.260,00 (inclusief btw). In rechtsoverweging 4.27. van het tussenvonnis is al aangekondigd en toegelicht door welke partij ( [eisers] .) het voorschot op de kosten van de deskundige moet worden betaald.\n\nVerplichtingen partijen in het kader van het deskundigenonderzoek2.10.. De rechtbank wijst erop dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundige. De rechtbank zal deze verplichting uitwerken zoals nader onder de beslissing is omschreven. Wordt aan een van deze verplichtingen niet voldaan, dan kan de rechtbank daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij.\n\n2.11.. Indien een partij desgevraagd of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundige doet toekomen, dient zij daarvan terstond afschrift aan de wederpartij te verstrekken.\n\nVervolg procedure2.12.. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.\n\n3. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n3.1.. beveelt een onderzoek door één deskundige voor de beantwoording van de volgende vragen:\n\n1e gebrek:ontbreken dakontluchting\n\n- Kan de wijze waarop de doorvoer van de ontspanningsleiding is gerealiseerd leiden tot stankoverlast in de technische ruimte en de zolder? Kunt u daarbij ingaan op de discussie tussen partijen of er wel\u002Fgeen dakontluchting aanwezig is?\n\n- Als de wijze waarop de doorvoer van de ontspanningsleiding gerealiseerd is nietkan leiden tot stankoverlast in de technische ruimte en op zolder, wat is dan de oorzaak van het door [eisers] . gestelde stankprobleem? Kunt u daarbij ingaan op de suggestie van [gedaagde] dat het gestelde stankprobleem vermoedelijk komt door het openbaar riool?\n\n2e gebrek: geborrel in de wc\n\n- Wat is de oorzaak van het geborrel op de toiletten: geen overdruk regulering door het ontbreken van dakontluchting (zoals [eisers] . stellen) of het openbaar riool (zoals [gedaagde] stelt), of andere oorzaken?\n\n3e gebrek: stankoverlast bij de H.W.A.’s\n\n- Wat is naar uw oordeel de oorzaak van de stank die van buiten komt en die [eisers] . stellen binnen te ruiken? Kunt u reageren op de mogelijke oorzaak die genoemd is door [eisers] . op basis van het rapport van RRS (zie rov. 4.13. van het tussenvonnis van 28 januari 2026).\n\n- Als er een oorzaak te duiden is: houdt die verband met het werk van [gedaagde] of ligt de oorzaak uitsluitend in het openbaar gebied waar [gedaagde] geen bemoeienis mee heeft?\n\n4e gebrek: verzakkingen in de terreinleiding\n\n- Neemt u verzakkingen waar, zo ja waar, en wat is de oorzaak van de verzakkingen die na de oplevering zijn ontstaan?\n\n5e gebrek: fout ontwerp binnenriolering\n\n- Is er een foutief ontwerp van de binnenriolering?\n\n- Zo ja, is er een causaal verband met de gestelde stankoverlast? Als er geen causaal verband is met de stankoverlast, tot welk probleem kan het foutieve ontwerp van de binnenriolering leiden?\n\n- Is aanpassing van de binnenriolering noodzakelijk (zo ja, hoe?), of zijn er andere oplossingen om problemen in de toekomst te voorkomen?\n\n6e gebrek: brandveiligheidsrisico\n\n- Bestaat er een toekomstig risico ten aanzien van brandveiligheid en op schimmelvorming door de wijze waarop de ontspanningsleiding uitkomt onder de zonnepanelen?\n\nOverig\n\n- Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis moet nemen bij de verdere beoordeling?\n\n3.2.. benoemt tot deskundige:\n\nDe heer [naam 2] , werkzaam bij [bedrijf 1] B.V.,\n\n [adres] ,\n\n [telefoonnummer] ,\n\n [e-mailadres] ,\n\nhet voorschot\n\n3.3.. stelt de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige vast op € 7.260,00 (inclusief btw),3.4.. bepaalt dat [eisers] het voorschot moeten overmaken binnen twee wekenna de datum van de nog te ontvangen nota met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak,\n\n3.5.. draagt de griffier op om de deskundige onmiddellijk in kennis te stellen van de betaling van het voorschot,\n\nhet onderzoek3.6.. bepaalt dat [eisers] . hun procesdossier in afschrift aan de deskundige dienen te doen toekomen,\n\n3.7.. bepaalt dat de deskundige het onderzoek zelfstandig zal instellen op de door de deskundige in overleg met partijen te bepalen tijd en plaats,\n\n3.8.. wijst de deskundige er op dat:\n\n- de deskundige voor aanvang van het onderzoek dient kennis te nemen van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (te raadplegen op www.rechtspraak.nl of desgevraagd te verkrijgen bij de griffie),\n\n- de deskundige het onderzoek pas na het bericht van de griffier omtrent betaling van het voorschot dient aan te vangen,\n\n- de deskundige het onderzoek onmiddellijk dient te staken en contact dient op te nemen met de griffier, indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn,\n\n- de deskundige partijen bij een onderzoek van een object ter plaatse gelegenheid dient te bieden dit onderzoek bij te wonen; indien slechts één partij, althans niet alle partijen, bij het onderzoek van objecten ter plaatse aanwezig is of zijn, de deskundige dit onderzoek niet mag uitvoeren, tenzij alle partijen zijn uitgenodigd om bij dat onderzoek aanwezig te zijn, en dat uit het rapport moet blijken dat hieraan is voldaan,\n\n- indien partijen bij het onderzoek van objecten ter plaatse aanwezig zijn geweest, uit het rapport moet blijken welke opmerkingen zij hebben gemaakt en welke verzoeken zij hebben gedaan, en hoe de deskundige hierop heeft gereageerd,\n\n3.9.. bepaalt dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundige dienen te verstrekken indien deze daarom verzoekt, de deskundige toegang dienen te verschaffen tot voor het onderzoek noodzakelijke plaatsen, en de deskundige ook voor het overige gelegenheid dienen te geven tot het verrichten van het onderzoek,\n\nhet schriftelijk rapport\n\n3.10.. draagt de deskundige op om uiterlijk drie maandenna het schriftelijk bericht van de griffier over de betaling van het voorschot een schriftelijk en ondertekend rapport in drievoud ter griffie van de rechtbank in te leveren, met een gespecificeerde declaratie,\n\n3.11.. wijst de deskundige er op dat:\n\n- uit het schriftelijk bericht moet blijken op welke stukken het oordeel van de deskundige is gebaseerd,\n\n- de deskundige een concept van het rapport aan partijen moet toezenden, opdat partijen de gelegenheid krijgen binnen vier weken daarover bij de deskundige opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het definitieve rapport de door partijen gemaakte opmerkingen en verzoeken en de reactie van de deskundige daarop moet vermelden,\n\n3.12.. bepaalt dat partijen binnen vier weken dienen te reageren op het concept-rapport van de deskundige nadat dit aan partijen is toegezonden en dat partijen bij de deskundige geen gelegenheid hebben op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het concept-rapport te reageren,\n\noverige bepalingen\n\n3.13.. draagt de griffier op om de zaak op de rol te plaatsen:\n\n- als het voorschot niet binnen de daarvoor bepaalde (eventueel verlengde) termijn is ontvangen: voor akte uitlating voortprocederen van beide partijen op een termijn van twee weken of\n\n- na ontvangst ter griffie van het rapport: voor conclusie na deskundigenbericht van beide partijen op een termijn van vier weken,\n\n3.14.. verwijst voor het overige naar de beslissingen in het tussenvonnis van 28 januari 2026,\n\n3.15.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Etman en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:5664","ecli-nl-rblim-2026-5664",{"courtName":6,"legalDomain":70,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":94,"ecli":95,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":81,"fullText":96,"language":7,"source":17,"sourceUrl":97,"summary":14,"slug":98,"metadata":99},"794","ECLI:NL:RBLIM:2026:5652","RECHTBANK Limburg\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Maastricht\n\nZaaknummer: C\u002F03\u002F344831 \u002F HA ZA 25-373\n\nVonnis in incident van 17 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nNOVUM ORTHOPEDIE B.V.,\n\nte Eindhoven,\n\neisende partij in conventie in de hoofdzaak,\n\nverwerende partij in reconventie in de hoofdzaak,\n\nverwerende partij in het incident,\n\nhierna te noemen: Novum,\n\nadvocaat: mr. N.P.F.E. van der Peet,\n\ntegen\n\nSMEETS LOOPCOMFORT BEHEER B.V.,\n\nte Sweikhuizen,\n\ngedaagde partij in conventie in de hoofdzaak,\n\neisende partij in reconventie in de hoofdzaak,\n\nverwerende partij in het incident,\n\nhierna te noemen: Smeets Loopcomfort Beheer,\n\nadvocaat: mr. J.J. Hartman Kok.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:\n\nhet vonnis in incident van 24 december 2025,\n\nde brief waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,\n\nde conclusie van antwoord in reconventie,\n\nhet verzoek van Smeets Loopcomfort Beheer tot het verlenen van verlof tot het instellen van tussentijds hoger beroep tegen het vonnis van 24 december 2025,\n\nde reactie op voormeld verzoek van Novum,\n\nde beslissing van de rechtbank houdende de afwijzing van voormeld verzoek,\n\nde conclusie houdende de incidentele vordering tot aanhouding van Smeets Loopcomfort Beheer met productie 1,\n\nde conclusie van antwoord in het incident met productie 47.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.\n\n2. De vordering in het incident en de beoordeling daarvan\n\n2.1.. De incidentele vordering strekt tot aanhouding van deze procedure totdat het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (verder: het hof) heeft beslist op het hoger beroep dat Smeets Loopcomfort Beheer heeft ingesteld tegen het vonnis in incident van 24 december 2025.\n\n2.2.. Ter onderbouwing van haar verzoek verwijst Smeets Loopcomfort Beheer naar de navolgende overweging uit het tussenarrest dat het hof wees naar aanleiding van het door Smeets Loopcomfort Beheer ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van 24 december 2025:\n\n‘Het hof overweegt dat voor wat betreft het incident ex artikel 194 en 195 Rv (het verzoek om inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens (het inzagerecht)) in artikel 200 lid 1 Rv is bepaald dat tegen de beslissing op een dergelijk verzoek (toe- dan wel afwijzing) hoger beroep kan worden ingesteld binnen vier weken te rekenen van de dag van de uitspraak. De rechter die de beslissing over het inzagerecht heeft gegeven hoeft voor dit hoger beroep geen toestemming te geven.’\n\n2.3.. Novum heeft, onder verwijzing naar de inhoud van de vervolgens bij het hof genomen (althans na toestemming daartoe te nemen) antwoordakte inzake de ontvankelijk van het hoger beroep van Smeets Loopcomfort Beheer, betoogd dat hoger beroep tegen het vonnis van 24 december 2025 niet openstond. Om die reden dient de onderhavige zaak niet te worden aangehouden, aldus Novum.\n\n2.4.. Het vonnis van 24 december 2025 is gewezen naar aanleiding van het tijdens deze procedure door Smeets Loopcomfort Beheer gedane verzoek op grond van artikel 195 Rv. Het betreft daarmee niet een voorlopige bewijsverrichting als bedoeld in paragraaf 8 van afdeling 9 van titel 2 van boek 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (de artikelen 196 tot en met 204). Deze paragraaf ziet op bewijsverrichtingen voorafgaand aan een bodemprocedure. Tegen een in dat kader gegevenbeslissing op het verzoek tot inzage staat op grond van artikel 200 lid 1 Rv hoger beroep open. Deze bepaling geldt niet voor een op grond van artikel 195 Rv gewezen incidenteel tussenvonnis, waartegen – behoudens daartoe verleend verlof – geen hoger beroep openstaat. Het alsnog ingesteld beroep en voormelde overweging van het hof geven daarom geen aanleiding deze procedure aan te houden.\n\n2.5.. De vordering in het incident moet worden afgewezen. De procedure wordt voorgezet middels de al geplande mondelinge behandeling op 26 juni 2026.\n\n2.6.. Smeets Loopcomfort Beheer zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in het incident, aan de zijde van Novum tot op heden vastgesteld op:\n\nsalaris advocaat € 614,00 (1 punt x tarief II),\n\nnakosten € 178,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\ntotaal € 792,00.\n\n2.7.. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.\n\n3. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nin het incident in conventie en reconventie\n\n3.1.. wijst het gevorderde af,\n\n3.2.. veroordeelt Smeets Loopcomfort Beheer in de proceskosten van Novum van € 792,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, met bepaling dat als Smeets Loopcomfort Beheer niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, Smeets Loopcomfort Beheer dan € 92,00 extra, plus de kosten van betekening, moet betalen,\n\n3.3.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. De Bruijn en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.\n\n zie ook AG De Bock bij HR 6 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:201, onder 5.18.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:5652","ecli-nl-rblim-2026-5652",{"courtName":6,"legalDomain":100,"decisionType":22,"procedureType":23},"Civiel recht; Burgerlijk procesrecht",{"id":102,"ecli":103,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":104,"fullText":105,"language":7,"source":17,"sourceUrl":106,"summary":14,"slug":107,"metadata":108},"1229","ECLI:NL:RBLIM:2026:5759","2026-06-15T00:00:00.000Z","RECHTBANKLIMBURG\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Maastricht\n\nZaaknummer: 12202038 \\ CV EXPL 26-2292\n\nVonnis in kort geding van 15 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [persoon 1],\n\nte [plaats 1] ,\n\neisende partij in conventie,\n\nverwerende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: [persoon 1] ,\n\ngemachtigde: mr. A. Afzali,\n\ntegen\n\n [persoon 2] H.O.D.N. [bedrijf],\n\nte [plaats 2] ,\n\ngedaagde partij in conventie,\n\neisende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: [bedrijf] ,\n\ngemachtigde: mr. J.W.J. Schoonbrood.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het exploot van dagvaarding d.d. 1 mei 2026 met producties 1 tot en met 7; - de conclusie van antwoord met productie 1, tevens eis in reconventie; - de mondelinge behandeling van 1 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.2. De feiten\n\n2.1.. \n [persoon 1] is bezitter van een personenauto van het merk: Mercedes, model: E200 CDI met (Roemeens) kenteken: [kenteken] (hierna: ‘de auto’). De eigendom van de auto berust bij haar partner, de heer [persoon 3] . [persoon 1] heeft met haar partner een bruikleenovereenkomst gesloten op grond waarvan [persoon 1] de auto mag gebruiken.\n\n2.2.. \n [persoon 1] heeft de auto op 19 december 2025 bij [bedrijf] achtergelaten voor een inspectie.\n\n2.3.. \n [bedrijf] heeft een inspectie uitgevoerd en vastgesteld dat een nieuwe motor nodig was. [bedrijf] heeft [persoon 1] hiertoe een aanbieding gedaan, welke [persoon 1] te duur vond. Partijen zijn overeengekomen dat [persoon 1] zelf een passende motor zou zoeken. De auto is op het terrein van [bedrijf] blijven staan.\n\n2.4.. Nadat [persoon 1] een nieuwe motor had gevonden verzocht zij [bedrijf] om garantie te verlenen op de door hem te verrichten werkzaamheden. [bedrijf] heeft dit geweigerd, waarna [persoon 1] heeft besloten de werkzaamheden elders te laten uitvoeren.\n\n2.5.. \n [persoon 1] verzocht afgifte van de auto. [bedrijf] weigerde afgifte totdat een bedrag van € 500,00 exclusief btw (€ 605,00 inclusief btw) voor de verrichte werkzaamheden alsmede een bedrag van € 50,00 per dag aan stallingskosten zouden zijn betaald.\n\n2.6.. Op 4 maart 2026 heeft [persoon 1] [bedrijf] bezocht en een voorstel gedaan tot betaling van € 300,00 ter finale kwijting. [bedrijf] heeft dit voorstel afgewezen.\n\n2.7.. Op 26 maart 2026 heeft [persoon 1] [bedrijf] aangeschreven en afgifte van de auto verzocht. [bedrijf] heeft hier op 26 maart 2026 en op 31 maart 2026 op gereageerd en aangegeven dat hij niet tot afgifte overgaat zolang zijn vorderingen niet zijn voldaan. Op 1 april 2026 heeft [persoon 1] nogmaals schriftelijk afgifte van de auto gevorderd, onder aankondiging dat bij het uitblijven daarvan een kortgedingprocedure zou worden gestart. [bedrijf] heeft [persoon 1] op 12 april 2026 gesommeerd om de diagnosekosten en de stallingskosten te betalen.\n\n3. Het geschil\n\nin conventie en in reconventie\n\n3.1.. \n\n [persoon 1] vordert - samengevat – bij vonnis, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad, om [bedrijf] :\n\nI. [bedrijf] te bevelen om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis aan [persoon 1] toegang te verlenen tot de auto en deze auto aan [persoon 1] , als bezitter, af te geven;\n\nII. te bevelen om binnen dezelfde termijn de in de auto aanwezige persoonlijke documenten van [persoon 1] aan haar af te geven en gelijktijdig schriftelijk te bevestigen dat (a) geen brandstof, onderdelen of andere componenten uit de auto zijn verwijderd, en (b) de auto zich in dezelfde stat bevindt als ten tijde van afgifte door [persoon 1] ;\n\nIII. te bevelen volledige medewerking te verlenen aan een opname van de staat van de auto en een inventarisatie van de aanwezige onderdelen\u002Finhoud door een door eiseres in te schakelen gerechtsdeurwaarder, die daarvan proces-verbaal van constatering mag opmaken, een en ander bij afgifte;\n\nIV. te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 500,00 per dag of dagdeel dat hij in gebreke blijft aan de gevorderde bevelen te voldoen, met een maximum van € 25.000,00, althans een in goede justitie te bepalen dwangsom en\u002Fof maximumbedrag;\n\nV. te veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.\n\n3.2.. \n [persoon 1] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [persoon 1] heeft als bezitter van de auto recht op afgifte daarvan. De gevorderde kosten voor inspectie zijn evident disproportioneel en niet overeengekomen. Ook zijn er geen afspraken gemaakt over stallingskosten of toepasselijke algemene voorwaarden. [bedrijf] heeft derhalve geen (opeisbare) vordering op [persoon 1] op basis waarvan hij zich kan beroepen op retentierecht.\n\n3.3.. \n [bedrijf] voert verweer. [bedrijf] concludeert primair tot niet-ontvankelijkheid van [persoon 1] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [persoon 1] , subsidiair te bepalen dat afgifte van de auto uitsluitend plaatsvindt tegen betaling van de openstaande vorderingen dan wel tegen adequate zekerheidsstelling en meer subsidiair een zodanige voorziening te treffen als de voorzieningenrecht in goede justitie passend acht, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [persoon 1] in de kosten van deze procedure.\n\n3.4.. \n [bedrijf] voert daartoe het volgende aan. [bedrijf] beroept zich op zijn retentierecht. [persoon 1] heeft de auto aangeboden ter diagnose en [bedrijf] heeft werkzaamheden verricht ter vaststelling van de technische gebreken aan de auto. Nu hierover geen prijsafspraak is gemaakt heeft [bedrijf] hiervoor recht op een redelijk loon. Ook heeft de auto vanaf 19 december 2025 op het terrein van [bedrijf] gestaan waardoor hij deze bedrijfsruimte niet heeft kunnen gebruiken voor andere voertuigen en werkzaamheden. [persoon 1] heeft de auto niet tijdig opgehaald ondanks verzoeken daartoe. Het is derhalve redelijk dat [bedrijf] aanspraak maakt op stallingsvergoeding. [bedrijf] houdt de auto onder zich totdat betaling van deze openstaande vorderingen plaatsvindt dan wel daarvoor voldoende zekerheid wordt gesteld.\n\n3.5.. Op zijn beurt vordert [bedrijf] in reconventie - samengevat - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [persoon 1] tot betaling van diagnosekosten ad € 605,00 inclusief btw en stallingskosten ad € 8.200,00, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, alsmede veroordeling in de proceskosten.\n\n3.6.. \n [persoon 1] voert verweer.\n\n3.7.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nin conventie en in reconventie\n\n4.1.. Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie, zal de kantonrechter deze vorderingen gezamenlijk behandelen.\n\nSpoedeisend belang en het toetsingskader\n\n4.2.. Een vordering in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt daarbij een spoedeisend belang heeft. Verder is voor toewijzing van de vordering in kort geding vereist dat de feiten en omstandigheden die aan de vordering ten grondslag zijn gelegd, voldoende aannemelijk zijn. Ook moet in voldoende mate waarschijnlijk zijn dat de vordering in een nog te voeren gewone procedure zal worden toegewezen, zodat het gerechtvaardigd is hierop vooruit te lopen door het treffen van een voorlopige voorziening. Voor nader onderzoek naar bepaalde feiten en omstandigheden of voor bewijslevering door bijvoorbeeld getuigen is in dit kort geding geen plaats. Dat moet gebeuren in een eventuele bodemprocedure. De beoordeling in dit kort geding is dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.\n\n4.3.. Het spoedeisend belang van de vordering in conventie vloeit voort uit de aard daarvan, nu [persoon 1] inmiddels geruime tijd geen beschikking meer heeft over die auto en de daarin aanwezige persoonlijke documenten. In reconventie vordert [bedrijf] betaling voor haar werkzaamheden en stalling van de auto op haar terrein alvorens de auto af te willen geven. Gezien de hierdoor ontstane, inmiddels maanden durende, impasse en de verwevenheid van beide vorderingen, acht de kantonrechter ook de vorderingen van [bedrijf] in reconventie ontvankelijk wegens spoedeisendheid.\n\nDiagnose- en stallingskosten\n\n4.4.. \n [persoon 1] heeft op 19 december 2025 haar defecte auto doen afslepen naar [bedrijf] , teneinde [bedrijf] in ieder geval de oorzaken van dit defect te laten onderzoeken. [bedrijf] heeft de auto vervolgens ook onderzocht, de aard van het defect vastgesteld en [persoon 1] daarover geïnformeerd. Daarmee staat vast dat tussen partijen ter zake een overeenkomst van opdracht is gesloten. Partijen verschillen verder van mening over de omvang van de verrichtte werkzaamheden, de tussen hen gemaakte afspraken en de verschuldigdheid van loon en van stallingskosten.\n\n4.5.. \n [bedrijf] heeft op grond van de wet recht op loon voor de door hem verrichtte werkzaamheden.Partijen hebben voorafgaand aan het onderzoek geen afspraak gemaakt over de hoogte van dat loon. Bij het ontbreken van een prijsafspraak is [persoon 1] in ieder geval een op de gebruikelijke wijze berekend of redelijk loon verschuldigd.[persoon 1] stelt dat door [bedrijf] minimale werkzaamheden zijn verricht en dat de inspectie, in haar bijzijn, slechts enkele minuten heeft geduurd. [bedrijf] betwist dat de inspectie in het bijzijn van [persoon 1] heeft plaatsgevonden en stelt dat het onderzoek 10 tot 11 uren zou hebben geduurd. [bedrijf] vordert in reconventie derhalve een bedrag van € 605,00 inclusief btw aan loon voor verrichte werkzaamheden.\n\n4.6.. \n [bedrijf] heeft geen factuur en\u002F of specificatie van diens werkzaamheden ingebracht. Gezien de betwisting door [persoon 1] mocht dat wel van hem worden verwacht. De aard en omvang van die werkzaamheden komt daarmee niet vast te staan. Gelet op het ontbreken van enige onderbouwing acht de kantonrechter het eerder door [persoon 1] aangeboden bedrag van € 300,00 exclusief btw een redelijk loon voor het door [bedrijf] verrichte onderzoek. Dit bedrag zal dan ook in reconventie aan diagnosekosten worden toegewezen.\n\n4.7.. \n [bedrijf] vordert in reconventie verder een bedrag van € 8.200,00 aan stallingskosten voor de tijd dat de auto op zijn terrein heeft gestaan. [bedrijf] stelt dat hij heeft aangegeven dat als de auto door hem gerepareerd zou worden [persoon 1] geen stallingskosten verschuldigd zou zijn en dat in het andere geval er stallingskosten van € 50,00 per dag in rekening zouden worden gebracht. [persoon 1] betwist dat partijen hebben gesproken over stallingskosten. Ook hier geldt dat [bedrijf] haar vorderingen niet heeft onderbouwd met een factuur of iets dergelijks. Daarmee is niet komen vast te staan dat er afspraken zijn gemaakt over kosten voor het stallen van de auto. De kantonrechter wijst deze vordering in reconventie daarom af.\n\nAfgifte van de auto en persoonlijke eigendommen aan [persoon 1] en dwangsom\n\n4.8.. \n [persoon 1] vordert in conventie afgifte van de auto door [bedrijf] . [bedrijf] heeft niet betwist dat [persoon 1] als bezitter van de auto recht heeft op afgifte daarvan, zij het na betaling van de kosten. Nu in reconventie betaling door [persoon 1] van € 300,00 exclusief BTW wordt toegewezen, zal de kantonrechter de vordering tot afgifte van de auto toewijzen, met dien verstande dat [bedrijf] tot afgifte van de auto moet overgaan nadat [persoon 1] het bedrag van € 300,00 exclusief BTW aan loon heeft betaald.\n\n4.9.. \n [persoon 1] vordert verder in conventie [bedrijf] te bevelen volledige medewerking te verlenen aan een opname (door een gerechtsdeurwaarder) van de staat van de auto en een inventarisatie daarvan, alsookschriftelijk te bevestigen dat geen brandstof, onderdelen of andere componenten uit de auto zijn verwijderd en dat de auto zich in dezelfde staat bevindt als ten tijde van afgifte door [persoon 1]. Deze vorderingen zullen worden afgewezen wegens gebrek aan enig gesteld belang. Na afgifte van de auto door [bedrijf] kan indien dan nog gewenst een deurwaarder een dergelijk proces-verbaal opstellen. Daar is de medewerking van [bedrijf] niet voor nodig. Daarbij zal van zelf blijken of de auto zich in dezelfde staat bevindt als bij afgifte door [persoon 1] .\n\n4.10.. Ook vordert [persoon 1] in conventie veroordeling van [bedrijf] tot betaling van een dwangsom voor de tijd dat hij in gebreke blijft met het voldoen aan de veroordelingen in dit vonnis. [bedrijf] vindt de dwangsom, mede gelet op de leeftijd en de beperkte waarde van de auto, exorbitant hoog. De kantonrechter zal evenwel de gevorderde dwangsom toewijzen als hierna in het dictum aangegeven, te meer nu [bedrijf] deze pas verschuldigd wordt als hij in gebreke blijft met voldoening aan de veroordelingen nadat [persoon 1] het bedrag van € 300,00 exclusief BTW heeft betaald.\n\nProceskosten\n\n4.11.. In conventie is [bedrijf] grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [persoon 1] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [bedrijf] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten.De proceskosten van [persoon 1] worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n93,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n865,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\nTotaal\n\n€\n\n1.102,00\n\n4.12.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten in conventie wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n4.13.. In reconventie is [persoon 1] grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [bedrijf] worden begroot op:\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n865,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.009,00\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\nin conventie\n\n5.1.. veroordeelt [bedrijf] om, binnen 24 uur na ontvangst van [persoon 1] van het in reconventie aan [bedrijf] toegewezen bedrag zoals hierna opgenomen onder 5.7, aan [persoon 1] toegang te verlenen tot de auto (merk: Mercedes, model E200CDI, (Roemeens) [kenteken] en [chassisnummer] en deze auto aan [persoon 1] af te geven, alsook de in de auto aanwezige persoonlijke documenten,\n\n5.2.. veroordeelt [bedrijf] om aan [persoon 1] een dwangsom te betalen van € 100,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan de veroordeling onder 5.1 voldoet, tot een maximum van € 5.000,00 is bereikt,\n\n5.3.. veroordeelt [bedrijf] in de proceskosten van € 1.102,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,\n\n5.4.. veroordeelt [bedrijf] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n5.5.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.6.. wijst het meer of anders gevorderde af,\n\nin reconventie\n\n5.7.. veroordeelt [persoon 1] om aan [bedrijf] te betalen een bedrag van € 300,00 exclusief btw,\n\n5.8.. veroordeelt [persoon 1] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [persoon 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.9.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.10.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Otto en in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2026.\n\n Artikel 7:405 lid 1 Burgerlijk Wetboek\n\n Artikel 7:405 lid 2 Burgerlijk Wetboek.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:5759","ecli-nl-rblim-2026-5759",{"courtName":6,"legalDomain":70,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":110,"ecli":111,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":112,"fullText":113,"language":7,"source":17,"sourceUrl":114,"summary":14,"slug":115,"metadata":116},"1295","ECLI:NL:RBLIM:2026:5461","2026-06-11T00:00:00.000Z","RECHTBANKLIMBURG\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Maastricht\n\nZaaknummer: 12231600 \\ CV EXPL 26-2730\n\nVonnis in kort geding van 11 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [huurder 1] , 2. [huurder 2] ,\n\nbeiden te [plaats 1] ,\n\neisende partijen,\n\ngemachtigde: mr. B.H.A. Augustin,\n\ntegen\n\n [verhuurder],\n\nte [plaats 2] ,\n\ngedaagde partij,\n\nprocederend in persoon.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met producties 1 tot en met 4\n\n- het aanhoudingsverzoek van [verhuurder]\n\n- de aanvullende producties 5 tot en met 7 van [huurders]\n\n- productie 1 van [verhuurder]\n\n- de mondelinge behandeling van 28 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [verhuurder] verhuurt aan [huurders] de woonruimte aan [adres] (hierna: de woning). De huurovereenkomst is gesloten voor de duur van twaalf maanden, ingaande 1 mei 2025 en lopende tot en met 30 april 2026. Op grond van artikel 3.4. van de huurovereenkomst is inmiddels sprake van een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd. De huurprijs bedraagt € 900,00 per maand.\n\n2.2.. In de huurovereenkomst is – voor zover relevant – het volgende opgenomen:\n\n“6.2 Gas en water wordt gedeeld met de bovenwoning. Woning heeft een eigen gasmeter, maandelijks wordt gekeken wat er verbruikt is en verrekend met de bovenwoning. Water zal maandelijks berekend worden en door 2 woningen worden verdeeld.”\n\n2.3.. Op donderdag 14 mei 2026 (Hemelvaartsdag) kwamen [huurders] erachter dat het water en gas waren afgesloten in de woning. [huurders] hebben [verhuurder] een WhatsAppbericht gestuurd met de volgende inhoud:\n\n“Hey [verhuurder] , we hebben geen water meer.\n\nWe hebben wml gesproken en door administratieve redenen hebben ze het water afgesloten. Wml gaf aan jou dit door te geven om z.s.m. een oplossing te bieden.”\n\n2.4.. \n [huurders] hebben twee jonge kinderen en zijn op zoek gegaan naar een andere verblijfsruimte. [huurder 1] heeft kunnen verblijven bij vrienden en [huurder 2] heeft met de kinderen kunnen verblijven bij haar ouders. [huurders] zijn op 15 mei 2026 bij [begeleider] (de begeleider van het gezin) geweest om de situatie toe te lichten. Op maandag 18 mei 2026 zijn [huurders] teruggegaan naar de woning en bij controle bleek het gas en water weer aangesloten.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n [huurders] vorderen – samengevat en na eisvermindering – om [verhuurder] te verbieden gedurende de looptijd van de huurovereenkomst, althans totdat in een bodemprocedure anders is beslist, de gas- en\u002Fof watervoorziening van de woning opnieuw af te sluiten, te onderbreken of anderszins te beperken, waarbij [verhuurder] een dwangsom van € 2.500,00 verbeurt bij overtreding van voornoemd verbod. [huurders] vorderen tevens veroordeling van [verhuurder] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n3.2.. \n [huurders] leggen aan de vordering het volgende ten grondslag. Vanaf aanvang van de huurovereenkomst zijn er gebreken in de woning. [verhuurder] heeft nagelaten om de gebreken te verhelpen, terwijl hij daartoe wel gehouden is op grond van artikel 7:206 lid 1 BW. Vanwege deze gebreken hebben [huurders] , op advies van de Huurcommissie, betaling van de huurpenningen voor de helft opgeschort. [verhuurder] heeft gedreigd dat hij het water en gas zou afsluiten indien [huurders] betaling van de huurpenningen bleven opschorten. [verhuurder] heeft op 14 mei 2026 daadwerkelijk het water en gas afgesloten en de woning daarmee praktisch onbewoonbaar gemaakt. [huurders] hebben contact opgenomen met WML en Enexis en zij gaven beiden te kennen dat het afsluiten niet bij hen lag. [huurders] hebben op 15 mei 2026 een sommatiebrief gestuurd aan [verhuurder] . Het afsluiten van gas en water aan een woonruimte levert evident een ernstig gebrek op in de zin van artikel 7:204 lid 2 BW, althans een ernstige aantasting van het huurgenot die volledig in de risicosfeer van de verhuurder ligt. [verhuurder] is verplicht de voorzieningen beschikbaar te houden en, indien door of vanwege hem onderbroken, onmiddellijk te herstellen. Door het gas en water af te sluiten schiet [verhuurder] ernstig tekort in de nakoming van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst en handelt hij tevens onrechtmatig jegens [huurders] De voorzieningen zijn inmiddels weer hersteld (en in verband daarmee is de aanvankelijk eerste vordering vervallen). [huurders] willen zekerheid dat dit in de toekomst ook zo blijft.\n\n3.3.. \n [verhuurder] voert verweer. [verhuurder] betwist dat hij gedreigd heeft om het gas en water af te sluiten en dat hij dat daadwerkelijk heeft gedaan op 14 mei 2026. [verhuurder] voert aan dat hij de sommatiebrief niet ontvangen heeft. Deze brief is naar zijn oude adres gestuurd, terwijl [huurders] wisten dat [verhuurder] daar niet meer woonde. [verhuurder] heeft enkel van [huurders] via WhatsApp vernomen dat WML het water vanwege administratieve redenen had afgesloten en dat WML contact met [verhuurder] zou opnemen. Vanwege deze mededeling heeft [verhuurder] toen geen actie ondernomen. De dagvaarding is op 20 mei 2026 betekend aan [verhuurder] . [verhuurder] is daarop meteen vanuit [plaats 2] naar de woning gereden. Bij aankomst bleek het gas en water gewoon aangesloten. Indien er gebreken zijn en [huurders] deze gebreken ook melden, dan lost [verhuurder] deze gebreken op, zoals ook met de defecte cv-ketel in het verleden. Volgens [verhuurder] heeft hij sinds juli 2025 geen enkele huurbetaling meer ontvangen van [huurders]\n\n3.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. [huurders] dienen allereerst een spoedeisend belang te hebben bij hun vordering. Het ter beschikking hebben van gas en water in een woonruimte is van groot belang en [huurders] hebben daarom een spoedeisend belang bij hun vordering.\n\n4.2.. Voor toewijzing van een voorlopige voorziening is slechts plaats indien in hoge mate waarschijnlijk is dat de bodemrechter, zo het geschil aan hem wordt voorgelegd, zal overgaan tot toewijzing van de vordering. [huurders] hebben aangevoerd dat het gas en water in de woning vanaf 14 mei 2026 enige tijd niet beschikbaar is geweest. Hoelang dat het geval is geweest, is niet vast te stellen. [huurders] hebben namelijk pas op 18 mei 2026 getest of het gas en water het weer deed en dat was toen ook het geval. Het kan dus zijn dat het gas en water al eerder dan 18 mei 2026 weer beschikbaar waren. [huurders] hebben zich tot hulpinstanties gewend, hetgeen ook begrijpelijk is in hun situatie met twee jonge kinderen. [verhuurder] voert aan dat de overgelegde verklaring van de hulpinstantie alleen van horen zeggen is en dat van alles verteld kan worden tegen een instantie. [huurders] hebben daarnaast een verklaring van hun overbuurman in het geding gebracht en uit die verklaring volgt dat deze overbuurman samen met [huurders] heeft gezien dat [verhuurder] handmatig de leidingen heeft afgesloten door middel van een ketting en een hangslot. Volgens [verhuurder] zou dit, mocht dit hebben plaatsgevonden, helemaal niet kunnen worden waargenomen. De hoofdmeter van het gas en water bevindt zich namelijk in een andere woonruimte in het desbetreffende pand ( [nummer] ). Die andere woonruimte werd tot januari 2026 ook verhuurd door [verhuurder] . [huurders] hebben een foto in het geding gebracht waarop een deur te zien is die is afgesloten met een hangslot. [verhuurder] heeft ter mondelinge behandeling toegelicht dat dit niets te maken had met het incident betreffende het gas en water. [verhuurder] erkent dat hij op 14 mei 2026 in de andere woonruimte ( [nummer] ) is geweest. De bewoner van [nummer] heeft de woonruimte in januari 2026 verlaten en [verhuurder] heeft die woonruimte vanwege lichamelijke klachten niet eerder kunnen bezoeken. Toen hij op 14 mei 2026 bij die woonruimte aankwam, bleek de sleutel niet te werken. [verhuurder] heeft het slot daarom opengebroken en hij moest de deur bij vertrek kunnen afsluiten. Daarom heeft [verhuurder] de deur afgesloten met een hangslot. De kantonrechter merkt op dat op de overgelegde foto’s geen ketting te zien is zoals de overbuurman verklaart. Op de foto is te zien dat het oorspronkelijke slot op de deur verwijderd is.\n\n4.3.. De kantonrechter is gelet op het verweer van [verhuurder] , dat in dit stadium niet op voorhand als onaannemelijk van de hand kan worden gewezen, van oordeel dat de vraag of [verhuurder] op 14 mei 2026 gas en water van de woning van [huurders] heeft afgesloten, nader onderzoek naar feiten en omstandigheden behoeft, waarvoor in kort geding geen plaats is. De vordering moet reeds om die reden worden afgewezen.\n\n4.4.. \n [huurders] worden in het ongelijk gesteld en worden daarom veroordeeld in de proceskosten. De proceskosten van [verhuurder] worden begroot op € 50,00 aan verletkosten.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. wijst de vorderingen af,\n\n5.2.. veroordeelt [huurders] in de proceskosten van € 50,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [huurders] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Quaedackers en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:5461","ecli-nl-rblim-2026-5461",{"courtName":6,"legalDomain":70,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":118,"ecli":119,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":112,"fullText":120,"language":7,"source":17,"sourceUrl":121,"summary":14,"slug":122,"metadata":123},"1248","ECLI:NL:RBLIM:2026:5188","RECHTBANKLIMBURG\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Maastricht\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12136542 \\ AZ VERZ 26-43\n\nBeschikking van 11 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [werknemer],\n\nte [plaats 1] ,\n\nverzoekende partij,\n\ngemachtigde: mr. N. Soro,\n\ntegen\n\n [werkgever] B.V.,\n\nte [plaats 2] ,\n\nverwerende partij,\n\nprocederend in persoon.\n\nPartijen worden hierna aangeduid als [werknemer] en [werkgever] .\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit het verzoekschrift van [werknemer] en het schrijven van [werkgever] dat ontvangen is per e-mail op 20 mei 2026 en dat de kantonrechter heeft opgevat als verweerschrift.\n\n1.2.. Op 21 mei 2026 heeft de mondelinge behandeling van het verzoek plaatsgevonden. [werkgever] heeft zich per e-mail van 20 mei 2026 hiervoor afgemeld en is niet ter zitting verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen [werknemer] ter toelichting op zijn standpunten ter zitting naar voren heeft gebracht.\n\n1.3.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [werknemer] , geboren [datum] 1968, is op 4 november 2024 op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in dienst getreden bij [werkgever] , in de functie van “Sloper I”, met een loon van € 3.158,27 bruto per maand, exclusief emolumenten. De arbeidsovereenkomst is aanvankelijk aangegaan voor de duur van twaalf maanden en vervolgens op 4 november 2025 verlengd voor nog eens twaalf maanden. Op de arbeidsovereenkomst is de cao Bouw en Infra van toepassing verklaard.\n\n2.2.. Naast de werkzaamheden die [werknemer] in loondienst voor [werkgever] verrichtte, had hij een eenmanszaak als glazenwasser. Eind 2024 heeft [werknemer] in zijn privésituatie blijvend letsel aan zijn knie opgelopen waardoor hij genoodzaakt was de eenmanszaak stop te zetten. Door het wegvallen van dit inkomen kon [werknemer] de lease van de rolstoelbus voor zijn (stief)dochter, die beperkingen heeft, niet meer betalen.\n\n2.3.. Medio 2025 heeft [werknemer] zijn nijpende financiële situatie met de heer [leidinggevende], leidinggevende bij [werkgever] , besproken en verzocht om een lening dan wel voorschot op zijn loon. [werkgever] heeft daar negatief op gereageerd. De rolstoelbus is vervolgens openbaar geveild maar bracht aanzienlijk minder op dan de koopsom waardoor voor [werknemer] een schuld ontstond, waarvoor hij een betalingsregeling heeft kunnen treffen.\n\n2.4.. \n\nOp 12 januari 2026 is [werknemer] op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief van 12 januari 2026 heeft [werkgever] vermeld:\n\n“(…) Ondanks eerdere waarschuwingen merken wij onvoldoende verbetering in uw functioneren en werkhouding. Er blijven meldingen en klachten binnenkomen over uw werktempo, het correct registreren van uw uren, uw houding en motivatie. Uw leidinggevenden hebben herhaaldelijk zorgen geuit over uw bijdrage aan het team en de uitvoering van uw taken. Gezien het herhaaldelijke gebrek aan verbetering zijn wij genoodzaakt uw dienstverband te beëindigen. (…)”\n\n2.5.. Door het wegvallen van zijn inkomen bij [werkgever] is [werknemer] nog verder in de financiële problemen geraakt. Er is een achterstand ontstaan in de betaling van de betalingsregeling inzake de rolstoelbus. Ook is er een huurachterstand ontstaan met betrekking tot de door [werknemer] gehuurde rolstoelvriendelijke woning. [werknemer] leasede tevens een camper maar ook aan die betalingsverplichting kon hij niet meer voldoen.\n\n2.6.. Sinds medio maart 2026 werkt [werknemer] via een uitzendbureau.\n\n3. Het verzoek en het verweer\n\n3.1.. \n [werknemer] berust in de opzegging van de arbeidsovereenkomst en verzoekt de kantonrechter om hem een billijke vergoeding toe te kennen en om [werkgever] te veroordelen tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en de transitievergoeding omdat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. [werknemer] voert aan dat de redenen die [werkgever] voor het ontslag op staande voet heeft gegeven voornamelijk zien op disfunctioneren en dat levert geen dringende reden in de zin van de wet op. Bovendien betwist [werknemer] de verwijten die hem worden gemaakt ten aanzien van zijn functioneren. Hij heeft voorafgaand aan het ontslag op staande voet nooit een officiële waarschuwing van [werkgever] ontvangen en [werkgever] heeft aan hem ook nooit een concreet en reëel verbetertraject aangeboden. Op 4 november 2025 is zijn arbeidsovereenkomst nog voor een jaar verlengd. Dat zou niet gebeurd zijn als hij niet goed functioneerde, aldus [werknemer] .\n\n3.2.. \n [werkgever] voert verweer en stelt dat de verzoeken van [werknemer] moeten worden afgewezen. [werkgever] voert – samengevat – aan dat sprake is van structureel en verwijtbaar disfunctioneren, het niet opvolgen van redelijke instructies van de werkgever en het uitblijven van verbetering ondanks herhaalde waarschuwingen en geboden ondersteuning en dat dit dringende redenen zijn die het ontslag op staande voet rechtvaardigen. [werkgever] voert tevens aan dat zij meerdere voorstellen heeft gedaan om [werknemer] in staat te stellen zijn functioneren te verbeteren maar [werknemer] heeft expliciet aangegeven hier geen gebruik van te willen maken, aldus [werkgever] .\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Het gaat in deze zaak om de vraag of [werknemer] aanspraak kan maken op de door hem verzochte billijke vergoeding, gefixeerde schadevergoeding en transitievergoeding. Voor het antwoord op die vraag is bepalend of het door [werkgever] gegeven ontslag op staande voet rechtsgeldig is of niet.\n\nToetsingskader\n\n4.2.. Een ontslag op staande voet is een uiterste maatregel die, gelet op de verstrekkende gevolgen, slechts gegeven mag worden als sprake is van een dringende reden. Op grond van artikel 7:677 lid 1 BW is een partij in dat geval bevoegd de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen vanwege die dringende reden, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij. Onder een dringende reden moet worden verstaan zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet verlangd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling of van een dringende reden sprake is, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Daarbij behoren in de eerste plaats te worden betrokken de aard en ernst van hetgeen de werkgever als dringende reden aanmerkt, en verder onder meer de aard en duur van de dienstbetrekking, de wijze waarop de werknemer deze heeft vervuld, alsmede de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals de leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet zou hebben.\n\nDringende reden\n\n4.3.. Voor de beoordeling van de vraag of een dringende reden aanwezig is, zijn de aan [werknemer] meegedeelde redenen, die staan vermeld in de ontslagbrief van 12 januari 2026, maatgevend. De door [werkgever] genoemde redenen komen erop neer dat [werkgever] niet tevreden was over de manier waarop [werknemer] zijn functie vervulde. Hoe [werknemer] precies zijn functie vervulde en wat daaraan niet deugde, is niet duidelijk geworden aangezien de ontslagbrief uitblinkt in vaagheid op dat punt. Het niet voldoende functioneren of disfunctioneren is daarbij op zichzelf niet voldoende voor een dringende reden voor ontslag op staande voet, nog daargelaten dat [werknemer] betwist dat hij niet goed functioneerde en dat hij stelt dat hij de door [werkgever] overgelegde waarschuwingen met betrekking tot zijn functioneren – die ook vaag zijn en geen concrete verwijten bevatten – nooit heeft ontvangen. Waarom op 12 januari 2026 ineens de maat vol was voor [werkgever] en overgegaan moest worden tot een ontslag op staande voet, heeft zij niet nader toegelicht. Het door [werkgever] geschetste beeld van een disfunctionerende werknemer kwalificeert naar het oordeel van de kantonrechter in elk geval niet als een zodanige daad, eigenschap of gedraging van [werknemer] , dat van [werkgever] redelijkerwijze niet kon worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren, zoals bepaald is in de wet. Het had op de weg van [werkgever] gelegen, nu zij van mening was dat het functioneren van [werknemer] ondermaats was, om dat concreet te onderbouwen en vervolgens de daarvoor geëigende paden te bewandelen. De wetvereist in een dergelijk geval van een werkgever dat hij de werknemer een serieuze en reële gelegenheid tot verbetering biedt, zoals een concreet verbeterplan dat tussentijds wordt geëvalueerd, en dat de werkgever duidelijk maakt dat bij gebreke van verbetering ontslag zal volgen.\n\n4.4.. De kantonrechter is op grond van het voorgaande van oordeel dat de door [werkgever] aangedragen feiten en omstandigheden geen dringende reden voor ontslag op staande voet opleveren. Het ontslag op staande voet is dan ook niet rechtsgeldig gegeven.\n\nGefixeerde schadevergoeding\n\n4.5.. Doordat [werknemer] berust in de beëindiging van de arbeidsovereenkomst op 12 januari 2026 is de arbeidsovereenkomst beëindigd zonder inachtneming van de geldende opzegtermijn. Op grond van artikel 7:672 lid 11 BW is [werkgever] daarvoor een vergoeding verschuldigd aan [werknemer] die gelijk is aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren.\n\n4.6.. Uit artikel 1.2 van de arbeidsovereenkomst volgt dat bij opzegging de wettelijke opzegtermijn geldt. In de arbeidsovereenkomst is verder bepaald dat opzegging niet hoeft te gebeuren tegen het einde van de kalendermaand. Rekening houdende met een maand opzegtermijn zou de arbeidsovereenkomst, bij een opzegging op 12 januari 2026, dus eindigen op donderdag 12 februari 2026. Artikel 1.6.3 van de toepasselijke cao (versie 2025-2027) schrijft echter voor dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst van een bouwplaatswerknemer, zoals [werknemer] , dient te gebeuren tegen het einde van een kalenderweek en dat de feitelijke beëindiging plaatsvindt op een maandag. Hiermee rekening houdende, concludeert de kantonrechter dat de arbeidsovereenkomst van [werknemer] bij een regelmatige opzegging op 12 januari 2026 geëindigd zou zijn op maandag 16 februari 2026.\n\n4.7.. \n [werknemer] heeft – onweersproken – gesteld dat hij maandelijks structureel overwerk verrichtte en gemiddeld een bedrag van € 433,60 bruto per maand aan overwerkvergoeding ontving, hetgeen hij heeft onderbouwd door de overgelegde loonstroken. De kantonrechter zal daarom uitgaan van een gemiddeld brutoloon van € 3.591,87 exclusief vakantietoeslag.\n\n4.8.. Over de maand januari 2026 heeft [werkgever] een bedrag van € 1.622,18 aan [werknemer] voldaan zodat voor die maand nog een bedrag van € 1.969,69 bruto door [werkgever] resteert te betalen. In de periode van 1 tot en met 16 februari 2026 was er sprake van elf van de twintig werkdagen in die maand zodat over die periode € 1.975,53 brutoloon verschuldigd was, namelijk 11\u002F20e deel van het maandloon inclusief overwerkvergoeding. Vermeerderd met de vakantietoeslag van 8% bedraagt de totale gefixeerde schadevergoeding € 4.260,84 bruto.\n\n4.9.. De wettelijke rente over dit bedrag zal op grond van artikel 7:686a lid 1 BW worden toegewezen vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 12 januari 2026.\n\nTransitievergoeding\n\n4.10.. Het verzoek om [werkgever] te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding wordt eveneens toegewezen. De kantonrechter heeft hiervoor geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet terecht is gegeven, omdat daarvoor geen dringende reden aanwezig was. Een dringende reden valt niet zonder meer samen met ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werknemer maar bij gebreke van een dringende reden en gelet op de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden is er geen grond om te oordelen dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [werknemer] . Dat betekent dat de transitievergoeding verschuldigd is.\n\n4.11.. De kantonrechter dient ambtshalve de hoogte van de transitievergoeding vast te stellen.Bij de berekening daarvan moet hier worden uitgegaan van een fictieve einddatum van 16 februari 2026, omdat het gaat om de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd. Verder wordt ook in deze berekening uitgegaan van een gemiddelde maandelijkse overwerkvergoeding van € 433,60 bruto zoals onweersproken gesteld door [werknemer] . Ten slotte wordt in de berekening 8% vakantietoeslag over het loon en de overwerkvergoeding meegenomen. Uitgaande van deze gegevens bedraagt de transitievergoeding € 1.662,40 bruto. [werkgever] zal veroordeeld worden tot betaling van dit bedrag.\n\n4.12.. De gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding wordt op grond van artikel 7:686a lid 1 BW toegewezen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 12 februari 2026.\n\nBillijke vergoeding\n\n4.13.. Artikel 7:681 lid 1 onder a BW bepaalt dat de kantonrechter op verzoek van de werknemer ten laste van de werkgever een billijke vergoeding kan toekennen indien de werkgever heeft opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW. Daarvan is hier sprake omdat hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. Daarbij wordt opgemerkt dat een ongeldig ontslag als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever moet worden aangemerkt.\n\n4.14.. Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding heeft de Hoge Raadeen aantal uitgangspunten geformuleerd. De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle (uitzonderlijke) omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van het ontslag kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen. Daarbij kan de kantonrechter de vraag in aanmerking nemen of de werkgever de arbeidsovereenkomst ook op rechtmatige wijze zou hebben kunnen beëindigen, en op welke termijn dit dan had kunnen gebeuren en vermoedelijk zou zijn gebeurd.\n\n4.15.. Uitgangspunt bij de vaststelling van de hoogte van de billijke vergoeding is in de eerste plaats de inkomensschade die [werknemer] leidt als gevolg van het ontslag op staande voet, omdat die schade een gevolg is van het ernstig verwijtbaar handelen van [werkgever] en daaraan toegerekend kan worden.\n\n4.16.. \n [werkgever] heeft aangevoerd dat zij niet tevreden was over het functioneren van [werknemer] . Een ontslag op die grond verlangt echter eerst het aanbieden van een verbetertraject. In het geval [werkgever] aan [werknemer] een verbetertraject had aangeboden, had het voor de hand gelegen dat dit traject een aantal maanden in beslag zou hebben genomen. Mogelijk had [werknemer] daarmee zijn baan kunnen behouden en zo niet, dan had ook het aanvragen van een ontslag op die grond nog behoorlijk wat tijd in beslag kunnen nemen. Nu heeft [werknemer] plots een nieuwe baan moeten zoeken. Weliswaar heeft hij sinds medio maart 2026 een nieuwe baan gevonden maar dat is werk via een uitzendbureau en dus vrij onzeker, terwijl hij, bij het voortduren van zijn dienstverband bij [werkgever] , mogelijk had kunnen rekenen op een stabiel inkomen tot 4 november 2026. Ter zitting heeft [werknemer] nog toegelicht dat hij meer dan zestig sollicitaties heeft moeten versturen voordat hij deze baan heeft kunnen vinden en dat zijn positie op de arbeidsmarkt dus niet erg rooskleurig is. Verder speelt bij de begroting van de billijke vergoeding een rol dat [werkgever] op oneigenlijke wijze een traject van disfunctioneren uit de weg is gegaan, door op onhoudbare grond een ontslag op staande voet te geven. Daarbij wordt ook rekening gehouden met het gegeven dat [werknemer] zijn nijpende financiële positie en privésituatie bij [werkgever] heeft aangekaart en dat [werkgever] desondanks, op een ongeldige grond, naar het uiterste middel van het ontslag op staande voet heeft gegrepen.\n\n4.17.. Bij het bepalen van de billijke vergoeding wordt rekening gehouden met de omstandigheid dat [werknemer] de gefixeerde (schade)vergoeding toegewezen krijgt, zijnde het loon over de opzegtermijn van iets meer dan een maand. Dat is immers een gestandaardiseerde vergoeding voor het gemiste inkomsten over de duur van de opzegtermijn en komt in mindering op de factor inkomensschade als onderdeel van de billijke vergoeding.\n\n4.18.. Gelet op al het voorgaande acht de kantonrechter het redelijk om aan [werknemer] een billijke vergoeding toe te kennen van € 23.275,32 bruto, gelijk aan het brutoloon over zes maanden, vermeerderd met de gemiddelde maandelijkse overwerkvergoeding en 8 % vakantietoeslag.\n\n4.19.. \n [werkgever] zal dus worden veroordeeld tot betaling van een billijke vergoeding van € 23.275,32 bruto. De verzochte wettelijke rente over de billijke vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking. De vergoeding is immers opeisbaar geworden vanaf de datum van deze beschikking. [werkgever] krijgt veertien dagen om het bedrag te betalen. Na het verstrijken van deze termijn is sprake van verzuim en is [werkgever] wettelijke rente verschuldigd.\n\nProceskosten\n\n4.20.. De proceskosten komen voor rekening van [werkgever] , omdat [werkgever] overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [werknemer] worden begroot op € 1.762,00 (€ 753,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.\n\n4.21.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] de vergoeding wegens onregelmatige opzegging te betalen van € 4.260,84 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 januari 2026 tot de dag van volledige betaling,\n\n5.2.. veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] een transitievergoeding te betalen van € 1.662,40 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 12 februari 2026 tot de dag van volledige betaling,\n\n5.3.. veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] een billijke vergoeding te betalen van € 23.275,32 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking tot de dag van volledige betaling,\n\n5.4.. veroordeelt [werkgever] in de proceskosten van € 1.762,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werkgever] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,\n\n5.5.. veroordeelt [werkgever] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n5.6.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.7.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Kuster en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2026.\n\n Artikel 7:678 lid 1 BW.\n\n Artikel 7:669 lid 1 sub d BW.\n\n Artikel 7:673 lid 1 BW.\n\n ECLI:NL:HR:2025:365.\n\n ECLI:NL:HR:2020:1286.\n\n Kamerstukken I, 2013-2014, 33 818, nr. C, pag. 99 en 113.\n\n ECLI:NL:HR:2017:1187.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:5188","ecli-nl-rblim-2026-5188",{"courtName":6,"legalDomain":124,"decisionType":22,"procedureType":23},"Civiel recht; Arbeidsrecht",{"id":126,"ecli":127,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":112,"fullText":128,"language":7,"source":17,"sourceUrl":129,"summary":14,"slug":130,"metadata":131},"1679","ECLI:NL:RBLIM:2026:5578","RECHTBANK Limburg\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Maastricht\n\nZaaknummer: C\u002F03\u002F352304 \u002F KG ZA 26-178\n\nVonnis in kort geding van 11 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nwonende te [plaats 1] ,\n\neiser\u002Foppossant,\n\nhierna te noemen: [eiser] ,\n\nadvocaat: mr. B. Coomans,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nwonende te [plaats 2] ,\n\ngedaagde\u002Fgeopposseerde,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\nadvocaat: mr. R.P.H.W. Haas.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de onderhavige verzetprocedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding, met de producties 1 tot en met 4,\n\n- de brief met de producties 19 tot en met 24 van [gedaagde] , - de mondelinge behandeling van 4 juni 2026 met de spreekaantekeningen van mr. Haas.\n\n1.2.. In verband met de spoedeisendheid van de zaak is bij kop-staartvonnis van 4 juni 2026 op het door [eiser] gevorderde beslist. De feiten en de motivering waarop de in dat vonnis gegeven beslissing steunt, volgen hieronder.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Partijen zijn op 10 januari 2024 onder huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd. Voorafgaand aan het huwelijk hebben zij gedurende 37 jaar een affectieve relatie gehad.\n\n2.2.. \n [eiser] en [gedaagde] hebben de woning aan [adres 1] , in gezamenlijk eigendom (hierna: de woning).\n\n2.3.. Op 11 maart 2025 heeft [gedaagde] een verzoekschrift tot echtscheiding (met zaaknummer C\u002F03\u002F339833) bij de rechtbank Limburg ingediend (zaaknummer C\u002F03\u002F339833). De mondelinge behandeling staat gepland voor 21 oktober 2026.\n\n2.4.. \n [gedaagde] heeft de rechtbank Limburg verzocht om voorlopige voorzieningen voor de duur van de echtscheidingsprocedure te treffen. Bij proces-verbaal van 9 mei 2025 zijn partijen (onder andere) het volgende overeengekomen:\n\n“(…) 3. De man zal de woning gelegen aan [adres 1] niet zonder\n\nvoorafgaand overleg met de vrouw betreden. (…)”\n\n2.5.. \n [gedaagde] heeft op 27 november 2025 tegen [eiser] aangifte gedaan voor diefstal van de bestelauto.\n\n2.6.. Op 1 januari 2026 heeft [gedaagde] tegen [eiser] aangifte gedaan van stalking.\n\n2.7.. Op 27 februari 2026 heeft [gedaagde] tegen [eiser] aangifte gedaan van het middels braak of inklimming betreden van de woning, het vernielen van de meterkast en het zonder haar toestemming wegnemen van haar laptop, internetmodem, camera en papieren van haar advocaat. Achter het raam van de woning trof zij een bordje ‘'Drugspand gesloten” aan en de gaskraan in de berging was opengedraaid.\n\n2.8.. \n [gedaagde] heeft op 28 februari 2026 en 13 maart 2026 opnieuw aangifte tegen [eiser] gedaan voor vernieling van de sloten van de woning.\n\n2.9.. De politie heeft [eiser] op 13 maart 2026 aangehouden, omdat hij probeerde de woning binnen te komen.\n\n2.10.. Op 16 maart 2026 heeft [gedaagde] tegen [eiser] aangifte gedaan van stalking en bedreiging.\n\n2.11.. \n [gedaagde] en de politie hebben de sloten van de woning meermaals vervangen.\n\n2.12.. Bij kort geding vonnis van 15 april 2026, waarbij de voorzieningenrechter tegen [eiser] verstek heeft verleend, is (onder andere) het volgende beslist:\n\n“(…) 5.1. verbiedt [eiser] zich onmiddellijk na betekening van dit vonnis voor de duur van één jaar te bevinden dan wel op te houden binnen een straal van 400 meter rondom de\n\nwoning, staande en gelegen te [adres 1] , zulks op\n\nverbeurte van een dwangsom van € 500,00 voor elke overtreding hiervan, tot een maximum\n\nvan € 25.000,00 en - indien [eiser] geen gehoor geeft aan het verbod - met machtiging aan\n\n [gedaagde] tot handhaving van het gegeven verbod om de hulp in te roepen van de sterke arm\n\nvan politie en justitie, (…)”\n\n2.13.. De voorzieningenrechter heeft daartoe (onder meer) het volgende overwogen:\n\n“(…) Achter de woning liggen voetbalvelden en groen. Zij[ [gedaagde] , toevoeging de voorzieningenrechter]vordert daarom een straatverbod met een straal van 400 meter rondom de woning en niet alleen een verbod om specifieke straten te betreden. [eiser] staat vaak in de [straat 1] en [straat 2] te posten. [gedaagde] moet via de [straat 3] naar haar werk gaan. Deze voornoemde straten vallen allemaal in de gevorderde 400-meter-straal. [eiser] wordt niet in de uitoefening van zijn werk belemmerd door het straatverbod in een straal van 400 meter rondom de woning. (…)”\n\n2.14.. \n [gedaagde] heeft op 8 april 2026 aangifte gedaan bij de politie van vernieling, omdat een voor [gedaagde] onbekende man het slot van haar voordeur met een boormachine heeft vernield. Op 5 mei 2026 heeft zij opnieuw aangifte gedaan van (poging) vernieling, omdat een andere voor [gedaagde] onbekende man een klinker naar\u002Ftegen de woning heeft gegooid.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n [eiser] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover uitvoerbaar bij voorraad:\n\nI. bepaalt dat het door de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, locatie Maastricht, op 15 april 2026 gewezen verstekvonnis onder zaaknummer C\u002F03\u002F350724 \u002F KG ZA 26-103, wordt vernietigd en dat daarbij het straatverbod wordt beperkt tot uitsluitend de [straat 4] te [plaats 3] , althans tot de directe omgeving van de woning aan [adres 1] , zulks ter beoordeling van de voorzieningenrechter;\n\nII. de aan het straatverbod gekoppelde dwangsom van € 500,00 per overtreding,\n\nmet een maximum van € 25.000,00, wordt gematigd tot een bedrag van € 100,00\n\nper overtreding met een maximum van € 5.000,00;\n\nIII. [gedaagde] wordt veroordeeld in de kosten van deze procedure.\n\n3.2.. \n [gedaagde] voert verweer.\n\n3.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nVerzet tijdig\n\n4.1.. Het verzet is tijdig en op de juiste wijze ingesteld (artikel 143 lid 2 Rv), zodat [eiser] in zijn verzet kan worden ontvangen.\n\nSpoedeisend belang\n\n4.2.. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is er gelet op de aard van de zaak en de ernstig verstoorde verhouding tussen partijen sprake van een spoedeisend belang.\n\nBeperking straatverbod en matiging dwangsom?\n\n4.3.. \n\n [eiser] stelt dat het bij verstekvonnis van 15 april 2026 opgelegde straatverbod dat hem verbiedt zich binnen een straal van 400 meter rondom de woning te bevinden, disproportioneel is. [eiser] betoogt dat hij door het opgelegde verbod wordt belemmerd om zich vrijelijk naar het kantoorpand van zijn onderneming (gelegen aan de [adres 2] ) te begeven. Daarnaast voert [eiser] aan dat hij, voorafgaand aan het opgelegde straatverbod, een verbouwingsopdracht had aangenomen voor een woning die binnen de straal van 400 meter van de woning gelegen is, waardoor hij inkomsten zal mislopen als het verbod gehandhaafd zal blijven. Voorts stelt [eiser] dat hij door het verbod ook in zijn dagelijkse leven ernstig wordt belemmerd, omdat hij niet in de gelegenheid is om naar de woning van hun dochter en naar zijn huisarts te gaan. [eiser] voert derhalve aan dat het straatverbod dient te worden beperkt tot de straat waar de woning gelegen is (de [straat 4] te [plaats 3] ).\n\n [gedaagde] betwist dat het opgelegde straatverbod disproportioneel is.\n\n4.4.. \n\nNaar het oordeel van de voorzieningenrechter dient voorop te worden gesteld dat een straatverbod inbreuk maakt op het aan ieder toekomende fundamenteel recht zich vrijelijk te bewegen en te gedragen. Voor het opleggen van een dergelijke ingrijpende maatregel moet –\n\nzoals de voorzieningenrechter onder rechtsoverweging 4.2. van het verstekvonnis van 15 april 2026 reeds heeft opgemerkt – sprake zijn van in hoge mate aannemelijke feiten en omstandigheden die een zodanige inbreuk kunnen rechtvaardigen.\n\n4.5.. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het in de onderhavige procedure opgelegde straatverbod met een straal van 400 meter rondom de woning – ondanks het ingrijpende karakter ervan – op zijn plaats is. Daarvoor is van belang dat de voorzieningenrechter het betoog van [eiser] dat hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan gedragingen waardoor [gedaagde] zich, kort gezegd, voortdurend bedreigd voelt in haar veiligheid en woonrust onvoldoende aannemelijk acht. Uit de door [gedaagde] gedane aangiftes kan immers genoegzaam worden afgeleid dat [eiser] , nadat partijen waren overeengekomen dat hij de woning niet zou betreden, zich desondanks bij herhaling rondom de woning heeft begeven dan wel de woning wilde betreden. In het licht hiervan is [eiser] door het openbaar ministerie dan ook als verdachte aangemerkt dat op termijn hierover een vervolgingsbeslissing zal nemen. Dat het “slechts om aangiftes” zou gaan, waarmee niet vaststaat dat hetgeen daarin staat ook waar is, zoals [eiser] stelt, maakt dat niet anders, mede in aanmerking genomen dat voor ‘aannemelijkheid’, de toets die de voorzieningenrechter in civilibusdient te hanteren, geen strafrechtelijk bewijs vereist is.\n\n4.6.. \n\nHet bezwaar van [eiser] dat hij zich door het straatverbod met een straal van 400 meter niet vrijelijk naar zijn kantoorpand kan begeven, kan hem niet baten. [eiser] heeft naar eigen zeggen immers verklaard dat zijn kantoorpand op 500 meter van de woning gelegen is en derhalve buiten de straal van 400 meter ligt. De voorzieningenrechter stelt daarnaast vast dat zijn kantoorpand via andere wegen (zoals de [straat 5] , de [straat 6] en de [straat 7] te [plaats 3] ) voldoende bereikbaar is. Voorts passeert de voorzieningenrechter het bezwaar van [eiser] dat hij door het opgelegde straatverbod inkomsten uit een verbouwingsopdracht zou mislopen, nu niet gebleken is dat de onderhandelingen tot een overeenkomst hebben geleid. Voorts heeft [gedaagde] in reactie op de stelling van [eiser] onweersproken gesteld dat de woning van de dochter van partijen ruim buiten de straal van 400 meter van de woning gelegen is, omdat zij woonachtig is in Geleen aan de andere kant van de snelweg. [gedaagde] heeft ook betwist dat de huisarts van [eiser] gelegen is binnen de straal van 400 meter van de woning.\n\nDe voorzieningenrechter concludeert op basis van de aangevoerde feiten en omstandigheden dat het opgelegde straatverbod met een straal van 400 meter gerechtvaardigd is.\n\n4.7.. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om de opgelegde dwangsom te matigen. [gedaagde] heeft terecht aangevoerd dat gelet op de stelselmatige eerdere gedragingen en bejegeningen en de invloed hiervan op haar woonrust en haar veiligheidsgevoel – en de ernst hiervan – maken dat de opgelegde (hoogte van de) dwangsom een voldoende prikkel tot nakoming dient te vormen. Van een disproportionele omvang is daarom geen sprake. Dit spreekt temeer, nu [eiser] het verbeuren van dwangsommen niet hoeft te vrezen, als hij zich aan het opgelegde straatverbod met een straal van 400 meter houdt en zal houden.\n\n4.8.. Gelet op het voorgaande, zal het verzet van [eiser] ongegrond worden verklaard en het gewezen verstekvonnis zal integraal in stand worden gelaten.\n\nProceskosten\n\n4.9.. De voorzieningenrechter ziet gelet op de aangevoerde feiten en omstandigheden geen aanleiding om de proceskosten te compenseren. [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n341,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.177,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.707,00\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\n5.1.. verklaart het verzet ongegrond,\n\n5.2.. laat het gewezen verstekvonnis van 15 april 2026 onder zaaknummer C\u002F03\u002F350724 \u002F KG ZA 26-103 integraal in stand,\n\n5.3.. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.707,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.4.. verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Provaas, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2026.\n\nProductie 1 bij de originele dagvaarding van [gedaagde] .","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:5578","ecli-nl-rblim-2026-5578",{"courtName":6,"legalDomain":70,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":133,"ecli":134,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":135,"fullText":136,"language":7,"source":17,"sourceUrl":137,"summary":14,"slug":138,"metadata":139},"1587","ECLI:NL:RBLIM:2026:5324","2026-06-10T00:00:00.000Z","RECHTBANK Limburg\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Maastricht\n\nZaaknummer: C\u002F03\u002F332605 \u002F HA ZA 24-316\n\nVonnis van 10 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [persoon 1],\n\nte [plaats 1],\n\neisende partij in conventie,\n\nverwerende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: [persoon 1],\n\nadvocaat: mr. V.C.C. Luijten,\n\ntegen\n\n [persoon 2],\n\nte [plaats 2],\n\ngedaagde partij in conventie,\n\neisende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: [persoon 2],\n\nadvocaat: mr. I.K. Decupere.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding, - de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie, - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,\n\n- de conclusie van antwoord in reconventie, - het bericht van 29 april 2025 met productie van [persoon 2], - het bericht van 6 mei 2025 met productie van [persoon 1], - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 8 mei 2025,\n\n- de bij gelegenheid van de mondelinge behandeling door mr. Decupere voorgedragen spreekaantekeningen,\n\n- de verwijzing naar de parkeerrol in overleg met partijen,\n\n- het bericht van 11 februari 2026 van partijen waarin zij verzoeken de zaak weer op de reguliere rol van 11 maart 2026 te plaatsen, - de akte uitlaten productie van [persoon 2].\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [erflater], geboren op [datum 1] 1961, (hierna te noemen: erflater) heeft bij testament van 21 juli 2000 over zijn nalatenschap beschikt. Daarin staat onder meer:\n\n‘B. VRUCHTGEBRUIK-\n\nIk legateer aan mijn partner, Mevrouw [persoon 1] (lees: [persoon 1] toevoeging rechtbank) geboren te [plaats 3] op [datum 2] negentienhonderddrieënzestig:\n\na.\n\nhet recht van vruchtgebruik van het registergoed [adres] dan wel van het registergoed dat mijn genoemde partner en ik in de plaats daarvan bij mijn overlijden als eigenaar mochten bewonen dan wel van mijn aandeel in bedoeld registergoed. (…)\n\nb. het recht van vruchtgebruik van al mijn inboedelgoederen dan wel mijn aandeel in bedoelde inboedelgoederen, waarbij onder inboedel dient te worden verstaan het geheel van tot huisraad en tot stoffering en meubilering van een woning dienende roerende zaken met inbegrip van boekerijen en kunstvoorwerpen.\n\n(…)\n\nC. ERFSTELLING\n\nOnder de last van voormeld legaat benoem ik tot mijn erfgenamen mijn ouders en voorts uitsluitend de bloedverwanten van moederszijde, dus diegenen die mijn erfgenamen volgens de wet zouden zijn (met uitzondering van de bloedverwanten van mijn vader), indien ik ongehuwd zou zijn overleden, tezamen en voor gelijke delen met inachtneming van plaatsvervulling zoals geregeld in het Burgerlijk Wetboek voor erfopvolging bij versterf.’\n\n2.2.. \n [persoon 1] en erflater zijn op [datum 3] 2002 gehuwd.\n\n2.3.. Erflater is overleden op [datum 4] 2021. Zijn ouders waren vooroverleden. [persoon 2] is een oom van erflater aan moederszijde. Tot de nalatenschap van erflater behoort de onderverdeelde aandeel van een woning die hij samen met [persoon 1] in eigendom had.\n\n3. Het geschil in conventie en reconventie\n\n3.1.. \n [persoon 1] vordert in conventie - samengevat – dat de rechtbank voor recht verklaart:\n\nprimair: dat het testament van erflater aldus moet worden uitgelegd dat [persoon 1] enig erfgename van erflater is,\n\nsubsidiair: dat aan het testament van erflater de werking is komen te ontvallen, aldus dat daaraan geen betekenis toekomt voor wat de vererving van de nalatenschap van erflater en dat daarop het versterferfrecht van toepassing is\n\n3.2.. \n [persoon 2] vordert in reconventie - samengevat – dat de rechtbank voor recht verklaart dat hij de enig erfgenaam is in de nalatenschap van erflater.\n\n3.3.. \n\nPartijen voeren verweer tegen de vordering van de ander. Op hun stellingen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling in conventie en reconventie\n\n4.1.. \n\nDeze procedure gaat over de uitleg van de in het testament van erflater opgenomen erfstelling. [persoon 1] baseert haar vordering op het standpunt dat erflater de erfstelling alleen heeft bedoeld voor het geval hij ongehuwd zou komen te overlijden, wat niet het geval was. In die situatie was de erfstelling uit het testament volgens [persoon 1] niet van toepassing, wat zou betekenen dat zij op grond van het versterfrecht de enige erfgenaam is. [persoon 2] stelt dat uit het testament volgt dat, omdat de ouders van erflater zijn vooroverleden, de familieleden aan moederszijde erven.\n\nOp de uitleg van de erfstelling in het testament zal hierna verder worden ingegaan.\n\n4.2.. Bij de uitleg van een uiterste wilsbeschikking zoals een testament, moet worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt (art. 4:46 lid 1 BW). De rechtbank stelt voorop dat zij bij de verdere beoordeling geen acht slaat op het door [persoon 2] overgelegde bericht van het notariskantoor waaraan de notaris die het testament opstelde was verbonden. De daarin vervatte opinie is namelijk niet kenbaar gebaseerd op de aantekeningen van de betrokken notaris en ook is niet gebleken dat de inhoud van de opinie anderszins volgt uit het dossier van deze concrete zaak. Daarmee betreft het een mening met geen bijzondere toegevoegde waarde.\n\n4.3.. Niet in geschil is dat erflater in ieder geval wenste dat, ingeval van het vooroverlijden van zijn ouders, zijn familieleden aan vaderszijde niet zouden erven. In zoverre is de bedoeling van erflater duidelijk. De vraag is wat de erfstelling betekent voor de positie van degene met wie erflater gehuwd was bij zijn overlijden, [persoon 1] dus.\n\n4.4.. \n [persoon 1] stelt dat uit de zinsnede ‘indien ik ongehuwd zou zijn overleden’ blijkt dat erflater de erfstelling enkel heeft gemaakt voor de situatie dat hij ongehuwd zou komen te overlijden. Nu die situatie zich niet heeft voorgedaan, wordt aan de erfstelling niet toegekomen of komt daar geen betekenis aan toe, aldus [persoon 1]. De rechtbank volgt haar daarin niet.\n\nAls erflater bedoeld zou hebben de erfstelling alleen van toepassing te laten zijn als hij ongehuwd zou overlijden, had daarbij gepast dat er bewoordingen zouden zijn gebruikt als ‘indien ik ongehuwd overlijd’ en niet ‘indien ik ongehuwd zou zijn overleden’. Immers kan bij het overlijden worden vastgesteld of erflater gehuwd was, dus is het onlogisch om dat in de door [persoon 1] voorgestane uitleg in een erfstelling in het midden te laten.\n\nDaarbij komt dat in de erfstelling niet apart aandacht wordt gegeven aan de situatie waarin erflater gehuwd was bij overlijden. Dat zou voor de hand hebben gelegen als bedoeld was de echtgenote tot erfgenaam te benoemen in plaats van (of eventueel naast) de expliciet genoemde erfgenamen. Het is, anders gezegd, niet aannemelijk dat erflater heeft gewild zijn echtgenote tot erfgenaam te benoemen zonder dat met zoveel woorden te vermelden in het testament terwijl tegelijkertijd ouders en familie moederszijde wel expliciet als erfgenamen zijn genoemd.\n\nVerder geldt dat de door [persoon 1] aangehaalde zinsnede klaarblijkelijk onderdeel uitmaakt van de uitleg van of toelichting op de kring van erfgenamen die zijn geduid als ‘mijn ouders en voorts uitsluitend de bloedverwanten van moederszijde’. Dit blijkt uit het woordje ‘dus’. Wat daarop volgt is daarom een andere omschrijving van deze kring van erfgenamen, waartoe overduidelijk de eventuele echtgenote niet behoort. In zoverre is de wijze waarop de erfstelling is verwoord veeleer een aanwijzing dat erflater ook een eventuele huwelijkspartner niet tot de kring van erfgenamen wenste te vatten. Hij benoemde immers zijn ouders en bloedverwanten moederszijde en benadrukt in de verdere uitleg (na ‘dus’) dat dit de personen zijn die zijn erfgenamen zouden zijn als hij ongehuwd zou zijn overleden. Hier wijzen de woorden ‘zou zijn’ erop dat het er niet om gaat wat de daadwerkelijke huwelijksstatus bij overlijden was, maar om de kring van erfgenamen vast te stellen uitgaande van de aanname of fictie dat erflater ongehuwd zou komen te overlijden.\n\nDe slotsom is dat de rechtbank ervan uitgaat dat de erfstelling gold voor zowel het geval dat erflater bij overlijden gehuwd was als het geval waarin hij ongehuwd was. In beide gevallen zouden alleen zijn ouders en bloedverwanten moederszijde de erfgenamen zijn.\n\n4.5.. \n [persoon 1] heeft in de dagvaarding gesteld dat erflater haar tijdens hun huwelijk altijd heeft voorgehouden dat het testament zodanig was opgesteld dat zij door het huwelijk zijn erfgenaam was. Tijdens de mondeling behandeling is echter gebleken dat deze stelling op een misverstand was gebaseerd. [persoon 1] huidige standpunt is dat zij pas na het overlijden van erflater is geconfronteerd met het feit dat er een testament was en zij dus niet voor diens overlijden met erflater heeft gesproken over het testament. De stelling in de dagvaarding is daarmee verlaten en geeft dus geen aanleiding om te onderzoeken of de feitelijke verhoudingen bij overlijden niet meer aansloten bij wat erflater wenste te regelen.\n\n4.6.. \n\n [persoon 1] heeft als productie 4 een formulier van de uitvaartverzekeraar van erflater overgelegd, waaruit blijkt dat erflater op enig moment heeft aangegeven wie hij voor zijn uitvaart uitgenodigd zou willen zien. [persoon 2] staat daar niet bij. Als productie 5 heeft [persoon 1] een verklaring van haar zus en schoonbroer overgelegd. Deze verwijzen daarin ook naar de wensen van erflater over zijn uitvaart. Ook verklaren zij dat zij zijn geïnformeerd over de verstoorde verhouding tussen erflater en (onder andere) [persoon 2] als gevolg van kwetsende uitlatingen aan het adres van erflater. Als productie 6 heeft [persoon 1] een eigen verklaring overgelegd met als bijlage een aan erflater toegeschreven verklaring. In de eigen verklaring van [persoon 1] wordt een op een niet nader geduid moment gevoerd telefoongesprek aangehaald waarin iets door [persoon 2] zou zijn gezegd waardoor erflater gegriefd was. Ook verklaart zij dat erflater niet wilde dat er familie bij zijn uitvaart was. De aan erflater toegeschreven verklaring is een brief aan zijn op dat moment al overleden vader, kort gezegd een aanklacht inhoudend over hoe erflater is behandeld door zijn vader. [persoon 2] wordt in deze verklaring wel een enkele keer genoemd maar over diens relatie met erflater wordt niet uitgeweid. Over de echtgenote van [persoon 2] (‘[naam]’) vermeldt de verklaring dat zij [persoon 1] op enig moment zou hebben beledigd, zonder dat duidelijk wordt waaruit dat heeft bestaan.\n\nNaar de rechtbank begrijpt wenst [persoon 1] met deze stukken te betogen dat de feitelijke verhoudingen bij overlijden niet meer aansloten bij wat erflater in de erfstelling wenste te regelen. [persoon 2] heeft dat betwist, daarbij onder meer ontkennend dat hij of zijn echtgenote erflater onheus heeft bejegend en ook dat zij gebrouilleerd waren. Het contact zou goed en nauw zijn geweest, zij het in de latere jaren wat verwaterd, zonder dat [persoon 2] daarvoor een duidelijke reden kan aanwijzen.\n\nBij de beoordeling van het standpunt van [persoon 1] stelt de rechtbank voorop dat, als de relatie tussen erflater en [persoon 2] is verslechterd, dit op zichzelf niet zonder meer betekent dat de feitelijke verhoudingen bij overlijden niet meer aansloten bij wat erflater wenste te regelen. Het één leidt immers niet zonder meer tot het ander. Daarbij kan worden gewezen op de slechte verhouding die erflater, uitgaande van de aan hem toegeschreven verklaring, van jongs af aan – dus ook voorafgaand aan het opmaken van het testament in 2000 – met beide ouders had, wat hem er niet van heeft weerhouden beiden als erfgenaam aan te wijzen. Verder moet worden vastgesteld dat de door [persoon 1] aangenomen aanleiding voor de verslechterde verhouding met specifiek [persoon 2], is gebaseerd op een enkel telefoongesprek en een niet nader geduid voorval tussen [persoon 1] en de echtgenote van [persoon 2]. Zonder te willen afdoen aan de mogelijke impact van een en ander, gaat het naar het oordeel van de rechtbank te ver om aan deze incidenten, afgezet tegen de (duur van de) gehele relatie tussen erflater en [persoon 2] de gevolgtrekking te verbinden dat erflaters testament niet meer beantwoordde aan wat hij wilde. Daarbij moet worden opgemerkt dat erflater in de aan hem toegeschreven verklaring aan [persoon 2] geen (duidelijke) verwijten maakt. Dat erflater geen enkele bloedverwant heeft opgenomen in het lijstje van mensen die hij op zijn uitvaart uitgenodigd wilde zien, en [persoon 2] dus ook niet, geeft onvoldoende aanleiding om daarom aan te nemen dat de erfstelling ten gunste van (uiteindelijk) [persoon 2] toch niet meer was wat erflater wilde.\n\n4.7.. De conclusie is dat:\n\n- wordt aangenomen dat de erfstelling ook is bedoeld te gelden als erflater bij zijn overlijden gehuwd was,\n\n- die erfstelling inhoudt dat, vanwege het vooroverlijden van de ouders van erflater, de bloedverwanten aan moederszijde de erfgenamen zijn,\n\n- niet kan worden aangenomen dat de erfstelling bij het overlijden van erflater niet meer beantwoordde aan diens wens,\n\n- [persoon 2] als (kennelijk) de enige bloedverwant aan moederszijde bij het overlijden van erflater de enige erfgenaam van erflater is.\n\nDit betekent dat de vordering van [persoon 1] moeten worden afgewezen en die van [persoon 2] moet worden toegewezen.\n\n4.8.. \n [persoon 1] is in conventie en reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [persoon 2] worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n320,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.306,00\n\n(2 punten × € 653,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.815,00\n\n4.9.. \n\nBij de begroting van dr proceskosten is er rekening mee gehouden dat [persoon 2] in reconventie nagenoeg geen extra proceshandelingen heeft hoeven te verrichten.\n\nDe gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nin conventie\n\n5.1.. wijst de vorderingen van [persoon 1] af,\n\nin reconventie\n\n5.2.. verklaart voor recht dat [persoon 2] enig erfgenaam is in de nalatenschap van erflater,\n\nin conventie en in reconventie\n\n5.3.. veroordeelt [persoon 1] in de proceskosten van € 1.815,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,\n\n5.4.. veroordeelt [persoon 1] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n5.5.. veroordeelt [persoon 1] tot betaling van € 98,00 plus de kosten van betekening als zij niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. De Bruijn en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:5324","ecli-nl-rblim-2026-5324",{"courtName":6,"legalDomain":140,"decisionType":22,"procedureType":23},"Civiel recht",{"id":142,"ecli":143,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":135,"fullText":144,"language":7,"source":17,"sourceUrl":145,"summary":14,"slug":146,"metadata":147},"1680","ECLI:NL:RBLIM:2026:5453","RECHTBANKLIMBURG\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Maastricht\n\nZaaknummer: 11999112 \\ CV EXPL 25-5321\n\nVonnis van 10 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eisende partij] B.V.,\n\nte [plaats],\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eisende partij],\n\ngemachtigde: DAS Rechtsbijstand,\n\ntegen\n\nBREAK-AWAY.CC B.V. M.H.O.D.N. BREAKAWAY LIMBURG B.V.,\n\nte Sint Geertruid, Eijsden-Margraten,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: Breakaway,\n\nprocederend in persoon.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met producties 1 t\u002Fm 4, - de conclusie van antwoord, - de conclusie van repliek met productie 5, - de conclusie van dupliek.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [eisende partij] heeft voor Breakaway diverse boekhoudkundige werkzaamheden verricht.\n\n2.2.. In 2023 en 2024 heeft [eisende partij] in verband met deze werkzaamheden onder andere onder andere de volgende facturen aan Breakaway gestuurd:\n\n€ 605,00 factuur 22 augustus 2023,\n\n€ 199,65 factuur 18 november 2023,\n\n€ 750,20 factuur 16 december 2023,\n\n€ 254,10 factuur 15 januari 2024,\n\n€ 868,18 factuur 24 februari 2024.\n\n2.3.. Breakaway heeft de bovenstaande facturen van in totaal € 2.677,13 onbetaald gelaten.\n\n2.4.. Op 11 januari 2024 heeft Breakaway aan [eisende partij] een e-mail gestuurd waarin onder meer het volgende is opgenomen:\n\n“Na lang nadenken heb ik besloten om vanaf 1 januari 2024 de boekhouding zelf te gaan doen, inclusief btw-aangifte en de jaarrekening. (…) Ik waardeer alle ondersteuning die jullie tot nu toe hebben geboden. Jullie werk was absoluut van waarde, maar ik merk dat ik moeite had met het gebrek aan direct inzicht in mijn cijfers.”\n\n2.5.. Bij brief van 3 en 26 april 2024 en 24 september 2024 heeft de incassogemachtigde van [eisende partij] Breakaway gesommeerd om tot betaling van de openstaande facturen van in totaal € 2.677,13 over te gaan, waarbij Breakaway € 392,71 aan incassokosten in het vooruitzicht zijn gesteld als zij niet binnen vijf dagen na ontvangst van de brief zou betalen. Het betreffende bedrag is niet binnen de door [eisende partij] gestelde termijn betaald.\n\n2.6.. Bij e-mail van 1 mei 2025 heeft de gemachtigde van [eisende partij] Breakaway verzocht om het bedrag van € 2.677,13 aan onbetaalde facturen binnen veertien dagen na ontvangst te betalen.\n\n2.7.. Breakaway heeft nadat zij daartoe meermaals is gesommeerd de facturen niet betaald, waarna zij is gedagvaard.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n\n [eisende partij] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van Breakaway tot betaling van € 3.181,86, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 juli 2025 over\n\n€ 2.677,13, € 392,71 aan buitengerechtelijke incassokosten, met veroordeling van Breakaway in de kosten van de procedure.\n\n3.2.. Het bedrag van € 3.181,86 kan als volgt worden gespecificeerd:\n\n€ 2.677,13 aan onbetaalde facturen (hierna: de hoofdsom),\n\n€ 504,83 aan rente tot en met 8 juli 2025.\n\n3.3.. \n [eisende partij] legt aan de vordering ten grondslag dat Breakaway toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar betalingsverplichting uit hoofde van de overeenkomst van opdracht. Breakaway heeft tot op heden nagelaten om de achterstand in betalingen te voldoen.\n\n3.4.. Break-Away voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partij].\n\n3.5.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. De vraag die in dit geschil centraal staat, is of [eisende partij] aanspraak kan maken op betaling van de aan Breakaway verzonden facturen van in totaal € 2.677,13, te vermeerderen met rente en buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter komt tot het oordeel dat Breakaway de facturen van [eisende partij], de rente en de buitengerechtelijke incassokosten moet betalen. Hierna zal worden toegelicht hoe de kantonrechter tot dit oordeel is gekomen.\n\nOvereenkomst\n\n4.2.. Tussen partijen is niet in geschil dat Breakaway met [eisende partij] een overeenkomst van opdracht heeft gesloten voor onder andere het verzorgen van de administratie van Breakaway.\n\nTekortkoming in de nakoming\n\n4.3.. Allereerst moet worden beoordeeld of er sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst aan de zijde van Breakaway.[eisende partij] stelt dat dat het geval is, omdat Breakaway de facturen van 22 augustus 2023 en 18 november 2023 tot en met 24 februari 2024 niet heeft betaald. De kantonrechter oordeelt daartoe als volgt.\n\n4.4.. \n\nTussen partijen is overeengekomen dat [eisende partij] onder andere de boekhouding voor Breakaway doet. Op basis daarvan heeft [eisende partij] een vijftal facturen gestuurd voor in totaal\n\n€ 2.677,13. Breakaway heeft deze facturen onbetaald gelaten. In beginsel levert dit een tekortkoming in de betalingsverplichting uit hoofde van de overeenkomst op. Breakaway dient immers voor de geleverde diensten van [eisende partij] te betalen. Breakaway stelt echter dat zij de facturen niet hoeft te betalen, omdat zij gedurende de samenwerking meerdere malen aan [eisende partij] heeft medegedeeld dat zij niet tevreden is over de samenwerking. Zij geeft aan dat de communicatie slecht was, stukken te laat of niet werden aangeleverd en dat zij geen inzicht kreeg in haar eigen boekhouding. Op 11 januari 2024 heeft Breakaway per e-mail aan [eisende partij] medegedeeld dat zij per 1 januari 2024 haar eigen boekhouding gaat doen. Zij stelt dat zij vervolgens zeer hoge en onvoldoende gespecificeerde facturen van [eisende partij] heeft ontvangen. Volgens haar was niet duidelijk om welke werkzaamheden het ging, over welke periode de werkzaamheden zijn uitgevoerd en om hoeveel uren het ging. [eisende partij] betwist de stelling van Breakaway en stelt dat Breakaway in februari 2024 voor het eerst geklaagd over het door [eisende partij] verrichte werk. Door pas dan te klagen heeft, volgens [eisende partij], Breakaway de klachtplicht als bedoeld in art. 6:89 BW geschonden, te weten om binnen bekwame tijd te protesteren tegen een gebrek in de door [eisende partij] verrichte prestatie. Zij heeft nooit eerder geklaagd of [eisende partij] in gebreke gesteld, waardoor zij hem nooit de gelegenheid heeft geboden om werkzaamheden te herstellen, aldus [eisende partij]. Bovendien heeft Breakaway in de e-mail van 11 januari 2024 nog te kennen geeft dat zij de ondersteuning van [eisende partij] waardeerde en het verrichte werk absoluut van waarde was.\n\n4.5.. Breakaway heeft zich vervolgens bij conclusie van dupliek tegen het beroep op de klachtplicht verweerd door te stellen dat zij tijdens de samenwerking meerdere keren per e-mail, telefonisch en in gesprekken heeft aangegeven dat zij niet tevreden was over de samenwerking. Dit heeft Breakaway echter niet nader onderbouwd, met bijvoorbeeld afdrukken van die e-mails, data van gesprekken met bij naam te noemen personen. De kantonrechter gaat daar dan ook verder aan voorbij, zodat [eisende partij] met succes een beroep doet op het schenden van de klachtplicht. Het gevolg van het achterwege laten van een dergelijk protest is dat Breakaway haar recht heeft verwerkt bezwaren op te werpen tegen het door [eisende partij] verrichtte werk. De gevorderde hoofdsom komt derhalve voor volledige toewijzing in aanmerking.\n\n4.6.. Voor zover Breakaway stelt door de gestelde tekortkomingen van [eisende partij] voor een bedrag van € 1.379,10 aan schade te hebben geleden, kan de kantonrechter dit verweer niet volgen. Breakaway heeft haar stellingen tegenover de ontkenning daarvan door [eisende partij] niet of nauwelijks gemotiveerd en onderbouwd. Breakaway heeft aan deze stellingen ook geen (juridische) gevolgen verbonden die kunnen rechtvaardigen dat zij de facturen van [eisende partij] niet hoeft te betalen.\n\n4.7.. Ook als het verweer van Breakaway als een beroep op ontbinding, opschorting of verrekening zou worden opgevat, kan het niet tot de door Breakaway gewenste gehele of gedeeltelijke afwijzing van de vordering van [eisende partij] leiden. Door de betwisting van [eisende partij] ligt het op de weg van Breakaway om haar stelling nader te onderbouwen, bijvoorbeeld door te laten zien waarom de werkzaamheden niet zijn uitgevoerd zoals overeengekomen. De stelling dat de communicatie slecht was, stukken te laat of niet werden aangeleverd en dat zij geen inzicht kreeg in haar eigen boekhouding en daardoor werk zelf heeft moeten verrichten is, zonder nadere toelichting, onvoldoende, omdat daaruit niet kan worden afgeleid dat sprake is van gebrekkig werk. Er kan namelijk niet worden vastgesteld waaruit de gestelde tekortkomingen van [eisende partij] precies bestaan en wat de gevolgen daarvan zijn, en evenmin of Breakaway daardoor schade heeft geleden en zo ja, welke. Het beroep van Breakaway op een tekortkoming in de nakoming slaagt daarom niet.\n\n4.8.. De conclusie van het voorgaande is, dat Breakaway zal worden veroordeeld tot betaling van de hoofdsom van € 2.677,13.\n\nRente\n\n4.9.. Omdat Breakaway in verzuim is met de betaling van de facturen, zal de tot en met 8 juli 2025 gevorderde wettelijke handelsrente van € 504,83 als onbetwist worden toegewezen.\n\n4.10.. Naar het oordeel van de kantonrechter zal de gevorderde wettelijke handelsrente over de hoofdsom van € 2.677,13 echter pas worden toegewezen vanaf 9 juli 2025 in plaats van de gevorderde 8 juli 2025. Door [eisende partij] is immers al een bedrag van € 504,83 aan wettelijke handelsrente tot en met 8 juli 2025 gevorderd, waardoor ook pas weer vanaf dat moment opnieuw rente kan worden gevorderd.\n\nBuitengerechtelijke incassokosten\n\n4.11.. \n [eisende partij] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eisende partij] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eisende partij] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 392,71 worden toegewezen.\n\nProces- en nakosten\n\n4.12.. Breakaway is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisende partij] worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n122,35\n\n- griffierecht\n\n€\n\n514,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n506,00\n\n(2 punten × € 253,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n126,50\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.268,85\n\n4.13.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\nUitvoerbaar bij voorraad\n\n4.14.. De kantonrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als een van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. veroordeelt Breakaway om aan [eisende partij] te betalen een bedrag van € 3.181,96, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 2.677,13, met ingang van 9 juli 2025, tot de dag van volledige betaling,\n\n5.2.. veroordeelt Breakaway om aan [eisende partij] te betalen een bedrag van € 392,71 aan buitengerechtelijke kosten,\n\n5.3.. veroordeelt Breakaway in de proceskosten van € 1.268,85, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Breakaway niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.4.. veroordeelt Breakaway tot betaling van de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n5.5.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Otto en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.\n\nArtikel 6:74 BW.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:5453","ecli-nl-rblim-2026-5453",{"courtName":6,"legalDomain":140,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":149,"ecli":150,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":135,"fullText":151,"language":7,"source":17,"sourceUrl":152,"summary":14,"slug":153,"metadata":154},"1682","ECLI:NL:RBLIM:2026:5452","RECHTBANKLIMBURG\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Maastricht\n\nZaaknummer: 12102489 \\ CV EXPL 26-848\n\nVonnis van 10 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nBILLINK FINANCE B.V. h.o.d.n. BILLINK,\n\nte Gouda,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: Billink,\n\ngemachtigde: Van Lith Gerechtsdeurwaarders en Incasso,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nte [plaats 1],\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde],\n\nprocederend in persoon.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 4 februari 2026 met producties 1 tot en met 5 - de schriftelijke weergave van het antwoord met ongenummerde producties - de conclusie van repliek tevens houdende vermeerdering van eis met producties 6 tot en met 9 - de conclusie van dupliek met ongenummerde producties.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. Het geschil\n\n2.1.. Billink vordert - samengevat en na eisvermeerdering - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 96,42 (€ 56,31 aan hoofdsom, de buitengerechtelijke incassokosten van € 40,00 en € 0,11 aan wettelijke rente tot aan de dag van dagvaarding), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding en de proceskosten.\n\n2.2.. Billink legt het volgende aan haar vordering ten grondslag. [gedaagde] heeft op 16 januari 2025 via de webwinkel “[webwinkel]” (hierna: de webwinkel) in totaal 12 producten besteld. Op de koopovereenkomst zijn de algemene voorwaarden van toepassing. [gedaagde] heeft bij het afrekenen van de online bestelling gekozen voor de betaalmogelijkheid “achteraf betalen” via Billink. Door deze keuze werd de vordering op [gedaagde] tot betaling van de koopprijs direct door de webwinkel in eigendom overgedragen aan Billink middels cessie ex artikel 3:94 BW. Billink heeft op 16 januari 2025 een factuur verstuurd voor een totaalbedrag van € 278,33. De betaling diende plaats te vinden vóór 30 januari 2025. [gedaagde] heeft twee producten gehouden en de rest van de bestelling geretourneerd. Voor de producten die [gedaagde] gehouden heeft, is zij een bedrag verschuldigd van € 46,39. [gedaagde] is daarnaast de retourkosten van € 9,92 verschuldigd. [gedaagde] is dus in totaal € 56,31 aan hoofdsom verschuldigd. Billink heeft meerdere aanmaningen verstuurd, maar [gedaagde] heeft niet betaald. [gedaagde] dient dan ook de buitengerechtelijke incassokosten en de wettelijke rente te betalen.\n\n2.3.. \n [gedaagde] voert verweer. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat zij alle 12 ontvangen producten tijdig heeft geretourneerd. [gedaagde] heeft bevestigingen van die retournering ontvangen van de webwinkel en deze bevestigingen overgelegd. Uit die bevestigingen volgt dat de webwinkel de producten op 11 februari 2025 heeft ontvangen en op 13 februari 2025 de retourzending verwerkt heeft. [gedaagde] heeft op 3 februari 2025 per e-mail een betalingsherinnering ontvangen van Billink. [gedaagde] ging ervan uit dat de retourzending nog verwerkt moest worden en achtte deze e-mail daarom niet relevant. Volgens [gedaagde] heeft zij op 24 februari 2026 contact gehad met Billink en toen werd aan haar medegedeeld dat er geen probleem was met haar dossier. [gedaagde] voert aan dat zij verder nooit aanmaningen heeft ontvangen, maar dat dit wellicht kan komen omdat zij in de tussentijd verhuisd is. Volgens [gedaagde] is zij rauwelijks gedagvaard.\n\n2.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n3. De beoordeling\n\nAmbtshalve toetsing informatieverplichtingen en bedingen in algemene voorwaarden\n\n3.1.. De vordering is gebaseerd op een overeenkomst op afstand tussen een handelaar (de webwinkel) en een consument ([gedaagde]). Bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten moet ter bescherming van de consument aan de essentiële wettelijke (pre)contractuele informatieverplichtingen van de artikelen 6:230m lid 1 BW en 6:230v BW worden voldaan. De kantonrechter oordeelt, gelet op de stellingen van Billink en de bij de dagvaarding overgelegde producties, dat is voldaan aan de voornoemde verplichtingen.\n\n3.2.. Billink vordert betaling van de wettelijke rente en de buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter dient ambtshalve te toetsen of in de algemene voorwaarden een oneerlijke rente- of bikbeding is opgenomen. De kantonrechter merkt op dat in de overgelegde algemene voorwaarde geen rente- of bikbeding is opgenomen.\n\nDe hoofdsom\n\n3.3.. De stelling van [gedaagde] dat zij rauwelijks gedagvaard is wordt bij de beoordeling van de hoofdsom onbesproken gelaten. Mocht sprake zijn van rauwelijks dagvaarden, dan kan dit hoogstens gevolgen hebben voor de proceskostenveroordeling.\n\n3.4.. Tussen partijen staat vast dat [gedaagde] een bestelling heeft geplaatst bij de webwinkel ter waarde van € 278,33 en dat [gedaagde] daarbij heeft gekozen voor achteraf betalen, waarbij de vordering over is gegaan op Billink. Ook staat tussen partijen vast dat [gedaagde] de bestelde producten heeft ontvangen. Dit maakt dat het risico voor de producten overeenkomstig artikel 7:11 lid 1 BW vanaf het moment van ontvangst bij [gedaagde] ligt. In het geschil is of [gedaagde] alle producten heeft geretourneerd. Mocht dat zo zijn, dan is [gedaagde] niets meer verschuldigd aan Billink.\n\n3.5.. \n [gedaagde] stelt dat zij alle 12 producten geretourneerd heeft. Op grond van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is het aan [gedaagde] om te stellen en te onderbouwen dat zij de volledige bestelling retour heeft gezonden en dat de bestelling ook volledig is ontvangen door de webwinkel. Zoals [gedaagde] ook al zelf aankaart, kan [gedaagde] dat niet omdat in de bevestigingen van de webwinkel geen specifieke producten genoemd zijn. Billink heeft daarentegen na het uitbrengen van de dagvaarding navraag gedaan bij de webwinkel en deze heeft bevestigd dat 10 van de 12 producten geretourneerd zijn. Het voorgaande leidt ertoe dat de vordering van Billink van € 46,39 met betrekking tot de twee niet geretourneerde producten toewijsbaar is.\n\n3.6.. Voorts moet worden beoordeeld of [gedaagde] de retourkosten ter hoogt van € 9,92 aan Billink dient te vergoeden. Op grond van artikel 6:230s lid 2 BW draagt de consument de kosten van het terugzenden van de zaak, tenzij de handelaar heeft nagelaten de consument mede te delen dat hij deze kosten moet dragen. Uit het door Billink overgelegde voorbeeld van het bestelproces (productie 1) blijkt dat op de website onder “Retourneren” het volgende is opgenomen: “Servicepoint EUR 2,99 incl. eerste 3 items + EUR 0,99 per extra item”. De webwinkel heeft er dan ook op gewezen dat de consument de retourkosten moet dragen. Op grond van het voorgaande worden de gevorderde retourkosten toegewezen.\n\nWettelijke rente\n\n3.7.. Billink vordert de wettelijke rente vanaf de vervaldata van de factuur (30 januari 2025). [gedaagde] verkeert vanaf voornoemde datum in verzuim en [gedaagde] heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen de gevorderde rente. De wettelijke rente is toewijsbaar zoals gevorderd.\n\nBuitenrechtelijke incassokosten\n\n3.8.. Billink vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] een consument is. Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. Billink heeft op 3 februari 2025 aan [gedaagde] een aanmaning verstuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. [gedaagde] erkent deze aanmaning te hebben ontvangen. Daarom zal het gevorderde bedrag van € 40,00 worden toegewezen.\n\nProceskosten\n\n3.9.. Volgens [gedaagde] heeft zij na de aanmaning van 3 februari 2025 niets meer vernomen van Billink en is zij een jaar later dan ook rauwelijks gedagvaard. Billink betwist dit. Uit de door Billink overgelegde stukken blijkt dat Billink meerdere e-mails heeft verstuurd aan het bekende e-mailadres van [gedaagde]. Billink heeft daarnaast op 27 maart 2025 een laatste aanmaning per post verstuurd naar het bij Billink bekende adres te [plaats 2]. Billink heeft een uittreksel van de Basisregistratie Personen (BRP) overgelegd als productie 7 en daaruit volgt dat [gedaagde] op 29 september 2025, dus een half jaar na de laatste aanmaning, is verhuisd naar een adres te [plaats 1]. De kantonrechter kan op grond van het voorgaande dan ook niet concluderen dat [gedaagde] rauwelijks gedagvaard is. Er is dan ook geen aanleiding om af te wijken van de hoofdregel van artikel 237 Rv dat de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten wordt veroordeeld. [gedaagde] is de in het ongelijk gestelde partij en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Billink worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n127,08\n\n- griffierecht\n\n€\n\n139,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n86,00\n\n(2 punten × € 43,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n21,50\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n373,58\n\n4. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n4.1.. veroordeelt [gedaagde] om aan Billink te betalen een bedrag van € 96,42, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over € 46,39, met ingang van 4 februari 2026, tot de dag van volledige betaling,\n\n4.2.. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 373,58, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n4.3.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Otto en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:5452","ecli-nl-rblim-2026-5452",{"courtName":6,"legalDomain":70,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":156,"ecli":157,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":158,"fullText":159,"language":7,"source":17,"sourceUrl":160,"summary":14,"slug":161,"metadata":162},"1669","ECLI:NL:RBLIM:2026:5540","2026-05-27T00:00:00.000Z","RECHTBANK Limburg\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Maastricht\n\nZaaknummer: C\u002F03\u002F335483 \u002F HA ZA 24-474\n\nVonnis van 27 mei 2026\n\nin de zaak van\n\n [zus],\n\nte op een geheim adres,\n\neisende partij in conventie,\n\nverwerende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: [zus] ,\n\nadvocaat: mr. B. Coomans,\n\ntegen\n\n [broer],\n\nte [plaats] ,\n\ngedaagde partij in conventie,\n\neisende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: [broer] ,\n\nadvocaat: mr. E. Sars.\n\nPartijen worden hierna [zus] en [broer] genoemd.\n\n1. De verdere procedure\n\n1.1.. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het incidenteel vonnis van 12 februari 2025\n\n- de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie\n\n- de conclusie van antwoord in reconventie\n\n- de oproepingsbrief van 9 april 2025, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald\n\n- de op 16 september 2025 nader ingezonden productie aan de zijde van [zus]\n\n- de akte wijziging van eis d.d. 17 september aan de zijde van [zus]\n\n- de op 18 september 2025 nader ingezonden producties aan de zijde van [broer]\n\n- de mondelinge behandeling d.d. 25 september 2025\n\n- de op 4 februari 2026 nader ingezonden productie aan de zijde van [zus] .\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [zus] en [broer] zijn broer en zus van elkaar. [moeder] was hun moeder.\n\n2.2.. Moeder heeft bij testament van 23 november 2016, verleden voor mr. J.M.A. Pas, kandidaat-notaris te Beek, over haar nalatenschap beschikt. In haar testament heeft zij [broer] tot enig erfgenaam benoemd en [zus] (alsmede haar afstammelingen) uitdrukkelijk uitgesloten als erfgenaam.\n\n2.3.. Tot het overlijden van moeder had zij een eenmanszaak en verrichte zij diensten aan mensen die in medisch opzicht hulpbehoevend zijn.\n\n2.4.. Moeder en [broer] zijn sinds 4 mei 2021 samen eigenaar van de woning, staande en gelegen aan [adres] . Hierop was een hypotheek gevestigd op beider naam.\n\n2.5.. Moeder is op [datum] 2023 overleden.\n\n2.6.. Op verzoek van [zus] heeft [notaris] bij brief van 27 december 2023 laten weten dat [zus] aanspraak maakt op haar legitieme deel van de nalatenschap van moeder.\n\n2.7.. Op 11 januari 2024 is [broer] door de notaris verzocht om diverse documenten over te leggen, die ertoe dienen te strekken inzage te geven in de omvang van de legitimaire massa.\n\n2.8.. \n\n [zus] heeft ter verzekering van de door haar gepretendeerde vordering op\n\n20 augustus 2024 conservatoir beslag gelegd ten laste van [broer] op de onverdeelde helft van de onroerende zaak staande en gelegen aan [adres] .\n\n3. Het geschil\n\nin conventie\n\n3.1.. \n\n [zus] vordert na vermeerdering van eis dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: I. Aan de hand van de door [broer] in het incident te verstrekken bescheiden bij wijze van verklaring voor recht de omvang van de legitimaire massa en de legitieme portie van eiseres vast zal stellen;\n\nII. De vordering van [zus] op [broer] als enig erfgenaam in de nalatenschap van erflaatster bij wijze van verklaring voor recht vast zal stellen op het onder I. vastgestelde bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding;\n\nIII. [broer] zal veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [zus] te betalen het onder II. vastgestelde bedrag vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van dagvaarding; IV. Bij wijze van verklaring voor recht de omvang van de legitieme portie van [zus] vast te stellen op € 300.000,00 dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag; en\n\nV. [broer] zal veroordelen in de kosten van het geding, met inbegrip van de buitengerechtelijke kosten en de nakosten zoals bedoeld in artikel 237 lid 4 Rv alsmede de beslagkosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het tijdstip dat [broer] in verzuim is deze kosten te voldoen.\n\n3.2.. \n [broer] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [zus] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [zus] in de kosten van deze procedure.\n\n3.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\nin reconventie\n\n3.4.. \n\n [broer] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: I. voor recht verklaart dat [broer] een vordering op de nalatenschap heeft van € 167.740,72, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag;\n\nII. [zus] veroordeelt in de proceskosten.\n\n3.5.. \n [zus] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering, met compensatie van de proceskosten.\n\n3.6.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nin conventie en reconventie\n\n4.1.. Met de vordering in conventie wenst [zus] dat haar legitieme portie wordt vastgesteld. Met de vordering in reconventie wenst [broer] een aanspraak te maken ten laste van de legitieme portie. Daarmee lenen de twee vorderingen zich voor een gezamenlijke beoordeling.\n\n4.2.. De legitieme portie wordt op grond van artikel 4:65 BW berekend over de waarde van de goederen van de nalatenschap die wordt vermeerderd met de giften en verminderd met de schulden als bedoeld in artikel 4:7 lid 1 onder a tot en met c en f BW. Onder de schulden vallen de schulden die niet door de dood teniet gaan, de uitvaartkosten en de kosten van vereffening van de nalatenschap. De uitkomst hiervan wordt de legitimaire massa genoemd. De hoogte van de vordering van [zus] wordt berekend door de helft van de legitimaire massa te delen door het aantal afstammelingen. In dit geval zijn dat [zus] en [broer] . De concrete berekening van de legitieme portie van [zus] is de helft van de helft legitimaire massa (artikel 4:64 lid 1 BW). Derhalve bedraagt de legitieme portie van [zus] uiteindelijk 25% van de legitimaire massa.\n\n4.3.. \n\nVoor het bepalen van de legitimaire massa (en de hoogte daarvan) moet dus worden bepaald welke goederen tot de nalatenschap behoren (omvangspeildatum), welke waarde deze hadden ten tijde van overlijden van erflaatster (waardepeildatum), welke giften zijn gedaan, en wat de schulden van de nalatenschap zijn.\n\nWaarde van de goederen inclusief vorderingen\n\nDe woning4.4.. De woning aan [adres] is eigendom van moeder en [broer] . Dit betekent dat de helft van de waarde van de woning in de legitimaire massa valt. De vraag die in dit verband moet worden beantwoord is wat de waarde van de woning op het moment van overlijden was.\n\n4.5.. \n [zus] stelt dat de aankoopwaarde van de woning door moeder en [broer] – zijnde € 350.000,00, als uitgangspunt moet worden genomen. Moeder heeft 1,5 jaar in het huis gewoond voordat ze overleed. Door tijdsverloop is de waarde van de woning gestegen. [zus] laat echter na te onderbouwen hoeveel die waardevermeerdering zou zijn. Wel is namens [zus] een taxatierapport overgelegd, gedateerd op 12 december 2025, waaruit blijkt dat de woning op 20 november 2025 een marktwaarde had van € 450.000,00. Hiermee is echter nog niet duidelijk wat de waarde van de woning was op het moment dat moeder is overleden. Om die reden kan aan dit taxatierapport niet de waarde worden toegekend die [zus] (mogelijk) voor ogen staat.\n\n4.6.. Aan de zijde van [broer] is niets gesteld ten aanzien van de waarde van de woning, behalve dat hij de woning na aankoop voor een bedrag van € 128.000,00 zou hebben verbouwd. Welke consequentie dit mogelijk zou hebben voor de waarde van de woning, heeft [broer] niet naar voren gebracht.\n\n4.7.. Nu geen van partijen onderbouwd hebben gesteld wat de waarde was van de woning op het moment dat moeder overleed, zal de rechtbank die waarde zelf schattenderwijs vast stellen. Daarbij neemt de rechtbank als uitgangspunt dat de waarde van de woning op [datum] 2023 moet liggen tussen de aankoopwaarde en de getaxeerde waarde op 20 november 2025. De rechtbank schat die waarde dan op € 400.000,00. Als controle van die waarde heeft de rechtbank voorts de vrij toegankelijke gegevens van waardestijgingen zoals te vinden op de [website] in haar overweging betrokken. Uit deze controle volgt dat een waarde van € 400.000,00 een redelijke schatting is.\n\nAuto4.8.. \n [zus] heeft gesteld dat tot de legitimaire massa ook moet worden gerekend de auto die moeder in haar bezit had. Van deze auto is komen vast te staan dat dit een lease auto betrof. Tijdens de mondelinge behandeling is door [broer] onbetwist gebleven gesteld dat de lease-auto ten tijde van overlijden van moeder een waarde had van € 6.000,00. Nu de rechtbank geen aanleiding ziet om aan de juistheid hiervan te twijfelen, zal de rechtbank van dit bedrag uitgaan bij de vaststelling van de legitimaire massa.\n\n4.9.. \n [broer] heeft nog betoogd dat hij de auto moest afkopen, waarmee hij beoogt dat de afkoopsom een vordering is die ten laste van de legitimaire massa moet strekken. De rechtbank volgt [broer] hier echter niet in. Hij heeft er namelijk zelf voor gekozen om de leaseovereenkomst af te kopen en de auto voor eigen gebruik te houden. Het afkoopbedrag komt daarmee niet ten laste van de nalatenschap, maar voor zijn eigen rekening.\n\nHorloge\n\n4.10.. \n [zus] heeft bij dagvaarding gesteld dat moeder beschikte over een Rolex. Die stelling is door [broer] betwist. Nu [zus] geen enkel begin van bewijs heeft geleverd of aangeboden die haar stelling kan onderbouwen, zal dit gestelde vermogensbestanddeel buiten de vaststelling van de legitimaire massa worden gelaten.\n\nBankrekeningen4.11.. In deze procedure heeft [zus] meermaals geprobeerd inzage te krijgen in de financiële situatie van moeder zoals die was ten tijde van haar overlijden. Zo is in de eerste plaats op haar verzoek door de notaris bij [broer] gevraagd om inzage te verschaffen in – onder andere – de bankrekeningen van moeder. Aan dit verzoek heeft hij op dat moment geen gehoor gegeven. Bij vonnis in incident van 12 februari 2025 is [broer] veroordeeld om, voor zover bij de beoordeling van dit onderdeel van de vordering van belang, afschriften te verstrekken van:\n\nDe saldi per [datum] 2023 van de bank- en girorekeningen en de nummers van deze rekeningen;\n\nDe belastingaanslagen, met name de Inkomstenbelasting;\n\nBankafschriften te verstrekken die zijn op de periode van vijf jaren voorafgaand aan het overlijden van moeder op [datum] 2023.\n\nAan het verstrekken van deze gegevens is een dwangsom verbonden, van € 250,00 per dag met een maximum van € 10.000,00.\n\n4.12.. Op 26 juni 2025 heeft [broer] aan de gemachtigde van [zus] rekeningafschriften verstrekt van een rekening van de Rabobank met nummer [rekeningnummer]. Omdat de tenaamstelling is weggelakt, kan de rechtbank niet vaststellen dat het daadwerkelijk de betaalrekening van moeder betrof. Echter is dit door [zus] niet ter discussie gesteld, zodat de rechtbank uitgaat van de juistheid van de stelling van [broer] . Het saldo van die rekening bedroeg op [datum] 2023 € 145,51. Dit bedrag zal dan ook bij de vaststelling van de legitimaire massa worden meegenomen. Alle bedragen die na overlijden van moeder nog zijn bij- of afgeschreven, vallen buiten het bestek van de legitimaire massa en laat de rechtbank derhalve buiten beschouwing.\n\n4.13.. De belastingaanslagen heeft [broer] niet overgelegd, omdat die er volgens zijn verklaring niet zijn. Hoewel daar op zitting wel naar is gevraagd door de rechtbank, heeft [broer] geen toelichting kunnen geven waarom die aanslagen er niet zijn. Nu echter aan de zijde van [zus] niet is betwist dat de aanslagen er niet zijn, zal de rechtbank ervanuit gaan dat [broer] niet kan beschikken over deze aanslagen omdat deze aanslagen er niet zijn.\n\n4.14.. De vraag deed zich nog voor of er nog andere rekeningen waren, mede omdat moeder tot aan haar overlijden als ZZP’er werkte. [broer] heeft onweersproken toegelicht dat moeder haar zakelijke rekening ook privé mocht gebruiken en dat er om die reden geen andere rekeningen waren op naam van moeder. Dat die informatie onjuist, is door [zus] niet gesteld, zodat hier van wordt uitgegaan.\n\n4.15.. Wel geldt ten aanzien van de bankrekeningen nog het volgende. [broer] is veroordeeld tot het verstrekken van bescheiden, op straffe van een dwangsom. Die dwangsommen zijn verbeurd en [zus] is ook tot incasseren overgegaan.4.16.. Vast staat dat [broer] niet direct overgegaan is tot het overleggen van de bescheiden die waren gevraagd door [zus] . Ook na het vonnis in incident heeft het nog een aantal maanden geduurd voordat [broer] alle gevraagde informatie had verstrekt. Naar zijn eigen zeggen is er per e-mail van 16 oktober 2024 informatie aan de gemachtigde van [zus] verstrekt. Hoewel de gemachtigde van [zus] ter zitting heeft gezegd dat hij zich die e-mail niet kan herinneren, is een afschrift van die e-mail mét onderliggende stukken niet aan het procesdossier gevoegd. De rechtbank kan dan ook niet verifiëren of en welke bescheiden op 16 oktober 2024 zouden zijn overgelegd. Wel kan de rechtbank vaststellen dat [broer] pas op 26 juni 2026 de bankafschriften heeft overgelegd. Naar zijn eigen zeggen kon hij pas op 27 mei 2025 bij de notaris terecht voor een verklaring van erfrecht en die was nodig omdat de Rabobank anders geen inzage in de rekening wilde geven. [zus] heeft niettemin dwangsommen geïncasseerd en dat is volgens [broer] misbruik van recht. De rechtbank volgt [broer] niet in dit standpunt. [broer] was immers al eerder verzocht door [notaris] in januari 2024, om inzage te geven in alle bescheiden die relevant waren voor de vaststelling van de legitimaire massa. Weliswaar is [broer] bij vonnis in incident pas veroordeeld tot het overleggen van die afschriften, maar na het vonnis heeft het ook nog zo’n drie maanden geduurd voordat [broer] een verklaring van erfrecht heeft verkregen. Niet blijkt dat [broer] met voortvarendheid een afspraak bij de notaris heeft gemaakt, zodat het gegeven dat de notaris pas op 27 mei 2025 tijd zou hebben gehad voor het opmaken van een verklaring van erfrecht voor rekening en risico komt van [broer] . Nu niet blijkt dat door een omstandigheid buiten toedoen van [broer] er pas na 27 mei 2025 een verklaring voor erfrecht kon worden verkregen, heeft [zus] terecht de dwangsommen verbeurd en is er geen sprake van misbruik van recht.\n\nSchulden4.17.. De schulden van moeder moeten van het positieve saldo worden afgetrokken, zoals dit ook onder rechtsoverweging 4.2 is uitgelegd.\n\nUitvaartkosten en notariskosten\n\n4.18.. Vast staat dat [broer] kosten heeft gemaakt voor de uitvaart van moeder. Tijdens de mondelinge behandeling is gesteld dat de gemachtigde van [zus] bij e-mail van 16 oktober 2024 een overzicht van die kosten heeft ontvangen. De gemachtigde van [zus] herinnert zich die e-mail niet. Wat daar ook van zij, namens [broer] is verzuimd om de kosten van de uitvaart in deze procedure te stellen en onderbouwen. Zodoende kan de rechtbank geen rekening houden met de kosten van de uitvaart bij de bepaling van de legitimaire massa. Wel is door [broer] gesteld dat hij € 85,00 aan notariskosten heeft moeten maken voor het opvragen van het testament en € 906,83 voor het opstellen van een verklaring van erfrecht. De kosten komen de rechtbank aannemelijk voor.\n\nHypotheek4.19.. Vast staat verder dat op de woning van moeder en [broer] een hypotheek rust die bij aanvang € 190.000 bedroeg en die volgens een annuïteitenregeling afgelost moet worden. Verder bestaat er ook geen discussie tussen partijen dat er op de hypotheek, tot aan het moment dat moeder overleed, maandelijks aflossingen zijn gedaan. [broer] heeft echter nagelaten een overzicht te verstrekken van de hypotheekstand ten tijde van het overlijden van moeder. Pas tijdens de mondelinge behandeling heeft [broer] een poging ondernomen om inzage te verschaffen, maar vervolgens is nagelaten die schriftelijk te verstrekken. Gelet op de overlegde stukken zal de rechtbank daarom zelf de waarde van de hypotheek vast stellen. De rechtbank neemt daarbij als uitgangspuntdat het maandbedrag € 684,37 bedroeg. De eerste betaling was verschuldigd op 30 juni 2021. De rechtbank stelt dan ook vast dat tot het overlijden van moeder in totaal € 19.162,36 (28 maanden x € 684,37) aan hypotheek is betaald. Dit bedrag dient in mindering te worden gebracht op de oorspronkelijke hypoheeksom. Derhalve bedroeg de hypotheekschuld ten tijde van het overlijden van moeder (€ 190.000,00 minus € 19.162,36) € 170.837,64.\n\n4.20.. Voor zover er nog hypotheeklasten zijn betaald ná overlijden van moeder, blijven die kosten buiten beschouwing nu dit voor de omvang van de legitimaire massa niet van belang is. Voor zover [broer] heeft willen betogen dat [zus] mede gehouden was om na het overlijden van moeder mee te betalen in de hypotheeklasten, miskent hij dat [zus] geen erfgenaam is en om die reden ook niet kan meedelen in schulden die zijn ontstaan ná het overlijden van moeder.\n\nOverige kosten\n\n4.21.. \n [broer] heeft gesteld dat hij als enige de hypotheeklasten betaalde, evenals de aanslagen van de BSGW en de kosten voor levensonderhoud. Moeder zou namelijk zelf geen inkomen hebben gehad, volgens [broer] . [zus] heeft dit betwist en tijdens de mondelinge behandeling is door de gemachtigde van [zus] erop gewezen dat moeder volgens de bankafschriften een AOW-uitkering ontving alsmede een (klein) pensioen uit Duitsland. Dit is op zichzelf niet weersproken door [broer] . De gemachtigde van [zus] heeft hiermee willen betogen dat niet blijkt of er tussen moeder en [broer] afspraken waren gemaakt over voormelde kosten, laat staat wat die afspraken zouden zijn. De rechtbank is met de gemachtigde van [zus] van oordeel dat van afspraken op dit punt niet is gebleken. [broer] draagt hier wel de bewijslast van. Door hem is echter op geen enkele wijze een begin van bewijs geleverd dat hij alle kosten heeft gedragen, of dat moeder nog gehouden was de kosten aan hem te vergoeden. Daarmee zal deze opgevoerde post geen rol spelen bij de vaststelling van de legitimaire massa.\n\nVerklaring voor recht ten aanzien van verbouwingskosten4.22.. \n [broer] vordert een verklaring voor recht dat hij voor een bedrag van € 128.000,00 een vordering op de nalatenschap heeft. Dit zou het bedrag zijn dat hij heeft betaald aan verbouwingskosten. Ter onderbouwing van die kosten heeft [broer] een groot aantal foto’s overgelegd waarop verbouwingswerkzaamheden zijn te zien, alsmede facturen. De rechtbank is van oordeel dat de vordering om meerdere redenen moet worden afgewezen.\n\n4.23.. De rechtbank begrijpt dat [broer] met zijn vordering beoogt te bewerkstelligen dat het totale bedrag aan verbouwing van de legitimaire massa moet worden afgetrokken. De verklaring voor recht is echter zodanig geformuleerd dat de rechtbank alleen zou kunnen vaststellen dat [broer] een vordering heeft ten laste van de nalatenschap. Nu hij echter enig erfgenaam is van die nalatenschap – [zus] is namelijk onterfd en kan slechts aanspraak maken op haar legitieme deel en is daarmee geen erfgenaam – ziet de rechtbank niet in welk belang [broer] bij die verklaring zou hebben. Ook al zou dit belang er wel zijn, dan geldt dat [zus] de verbouwing en de kosten die daarmee volgens [broer] gepaard gingen, heeft betwist. Met [zus] stelt de rechtbank vast dat op de foto’s niet blijkt dat de verbouwing daadwerkelijk heeft plaatsgevonden aan het huis dat moeder met [broer] had gekocht. Ook de overgelegde facturen kunnen de stelling van [broer] niet staven. Enerzijds is slechts voor een deel van het gevorderde bedrag facturen overgelegd en verder blijkt niet van enige betaling. En ook ten aanzien van deze vordering geldt dat niet blijkt van afspraken tussen moeder en [broer] , waaruit zou voortvloeien dat moeder het eens is met de verbouwing, de kosten en het gegeven dat zij daar voor de helft aan zou moeten meebetalen. Daarmee wordt de gevorderder verklaring voor recht afgewezen.\n\nSlotsom\n\n4.24.. Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen, komt de legitimaire massa – en vervolgens de legitieme portie die bestaat uit 25% van de legitimaire massa – op het volgende uit:\n\n4.25.. De vordering van [zus] wordt dan ook tot een bedrag van € 58.579,01 toegewezen. De wettelijke rente over dit bedrag wordt, conform de vordering, toegewezen vanaf de dag van dagvaarding.\n\nBuitengerechtelijke incassokosten\n\n4.26.. \n\n [zus] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. .\n\nVoor vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten kan (in de onderhavige zaak) een grondslag worden gevonden in artikel 6:96 lid 2 aanhef en onder c BW. De in deze bepaling genoemde kosten komen voor vergoeding in aanmerking indien deze de dubbele redelijkheidstoets kunnen doorstaan en het liquidatietarief daarop geen betrekking heeft. De partij die dergelijke kosten vordert moet stellen en specificeren dat deze kosten zijn gemaakt voor andere verrichtingen dan de verrichtingen waarvoor de artikelen 237 tot en met 240 Rv een vergoeding plegen in te sluiten. Het zal daarbij moeten gaan om verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (herhaalde) sommatie of het enkel doen van een – niet aanvaard – schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. Namens [zus] is geprobeerd om informatie te verkrijgen ter vaststelling van de legitimaire massa. Van andere werkzaamheden blijkt niet voldoende. De vordering tot vergoeding van de proceskosten wordt dan ook afgewezen.\n\nProceskosten4.27.. In de omstandigheid dat partijen in familierechtelijke rechtsbetrekking tot elkaar staan en het geschil de afwikkeling van de nalatenschap van hun moeder betreft, ziet de rechtbank aanleiding om de proceskosten te compenseren. Aan een veroordeling tot betaling van nakosten wordt daarom niet toegekomen. Slechts de procespartij die een volledige veroordeling van zijn wederpartij in de proceskosten verkreeg, heeft recht op nakosten.\n\nDe beslagkosten4.28.. Op 20 augustus 2024 is op verzoek van [zus] ten laste van [broer] conservatoir beslag gelegd op de woning van [broer] , om zekerheid te krijgen voor (de betaling van) een vordering die zij op [broer] stelde te hebben. [zus] vordert veroordeling van [broer] tot betaling van de beslagkosten, vermeerderd met rente. Deze vordering is op grond van artikel 706 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op:\n\nDeurwaarderskosten € 320,37\n\nGriffierecht € 320,00\n\nKosten advocaat € 1214,00 (1 punt, waarde tarief anno 2024)\n\nTotaal € 1.854,37.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nin conventie\n\n5.1.. verklaart voor recht dat de legitimaire massa € 234.316,04 bedraagt,\n\n5.2.. verklaart voor recht dat de legitieme portie € 58.579,01 bedraagt,\n\n5.3.. veroordeelt [broer] om aan [zus] te betalen een bedrag van € 57.712,63, binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum dagvaarding tot de dag van algehele voldoening,\n\n5.4.. veroordeelt [broer] in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 1.864,37, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van algehele voldoening,\n\nIn reconventie\n\n5.5.. wijst de vorderingen van [broer] af,\n\nIn conventie en reconventie\n\n5.6.. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,\n\n5.7.. wijst het meer of anders gevorderde af;\n\n5.8.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Piëtte en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026.\n\n Gebaseerd op productie 7 bij conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:5540","ecli-nl-rblim-2026-5540",{"courtName":6,"legalDomain":70,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":164,"ecli":165,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":166,"fullText":167,"language":7,"source":17,"sourceUrl":168,"summary":14,"slug":169,"metadata":170},"1257","ECLI:NL:RBLIM:2026:4905","2026-05-21T00:00:00.000Z","RECHTBANKLIMBURG\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Maastricht\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12098846 \\ AZ VERZ 26-27\n\nBeschikking van 21 mei 2026\n\nin de zaak van\n\n [werkgever] BV,\n\nte [plaats 1] ,\n\nverzoekende partij,\n\nverwerende partij in het (voorwaardelijk) tegenverzoek,\n\nhierna te noemen: [werkgever] ,\n\ngemachtigde: [gemachtigde] bc,\n\ntegen\n\n [werknemer],\n\nte [plaats 2] ,\n\nverwerende partij,\n\nverzoekende partij in het (voorwaardelijk) tegenverzoek,\n\nhierna te noemen: [werknemer] ,\n\ngemachtigde: mr. C.A.H. Lemmens.\n\nDe zaak in het kort\n\nIn deze zaak verzoekt de werkgever om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met de werknemer. De kantonrechter wijst het verzoek toe, omdat er een redelijke grond is voor ontbinding, te weten een verstoorde arbeidsverhouding. Aan de werknemer wordt een billijke vergoeding toegekend, omdat de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift met bijlagen 1 tot en met 8\n\n- het verweerschrift, met een (voorwaardelijk) tegenverzoek met bijlagen 1 tot en met 27 - de door [werkgever] overgelegde aanvullende bijlagen 9 tot en met 15\n\n- de spreekaantekeningen van de heer Wassen\n\n- de mondelinge behandeling van 30 april 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.\n\n1.2.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [werknemer] , geboren op [datum] 1967, is sinds 1 november 1998 in dienst bij [werkgever] . De functie van [werknemer] is Management- en P&O assistente met een loon van € 4.840,01 bruto per maand (exclusief 8% vakantietoeslag).\n\n2.2.. De werkzaamheden van [werknemer] bestaan uit directiesecretariaat, HR-administratie en wagenparkbeheer. Daarnaast is zij vertrouwenspersoon binnen [werkgever] .\n\n2.3.. In het functioneringsverslag 2023\u002F2024 heeft de (toenmalige) leidinggevende van [werknemer] haar voor de competenties “communicatief en sociaal vaardig”, “connected”, “klantgericht” en “samenwerking & communicatie” een lage score gegeven. Verder staat er bij “Focuscompetenties” het volgende vermeld:\n\n“Focus besproken tijdens Functioneringsgesprek:\n\nReflectie en communicatie: Zoals aangegeven de communicatie met sommige medewerkers gaat niet altijd vlekkeloos. Dit wil niet zeggen dat je niet duidelijk moet communiceren dat dingen bv niet kunnen, maar het is de toon die de muziek maakt en dit is soms wat te aanvallend, wat sommige medewerkers erg afschrikt.”\n\n2.4.. In het functioneringsverslag 2024\u002F2025 heeft de (huidige) leidinggevende van [werknemer] , de heer [leidinggevende] (hierna; [leidinggevende] ), haar voor de competenties “communicatief en sociaal vaardig”, “connected”, “klantgericht” en “samenwerking & communicatie” een midden score gegeven. Verder heeft [leidinggevende] [werknemer] op sommige competenties een hogere score gegeven dan [werknemer] zichzelf had gegeven.\n\n2.5.. Op 6 augustus 2025 heeft [werkgever] voor [werknemer] een ontslagaanvraag ingediend bij het UWV op grond van bedrijfseconomische omstandigheden. [werkgever] heeft hierin aangevoerd dat de functie van [werknemer] is komen te vervallen doordat de werkzaamheden voor het wagenpark binnen een andere afdeling zijn ondergebracht en haar andere werkzaamheden onder collega’s zijn verdeeld.\n\n2.6.. Op 13 augustus 2025 is het bedrijfsaccount van [werknemer] in opdracht van de heer [directeur] (hierna: [directeur] ), directeur bij [werkgever] , vergrendeld.\n\n2.7.. \n [werknemer] heeft zich op 14 augustus 2025 ziek gemeld.\n\n2.8.. Het UWV heeft op 15 december 2025 geweigerd om toestemming te geven om de arbeidsovereenkomst met [werknemer] op te zeggen. In deze beslissing staat - onder meer - het volgende:\n\n“Financiële situatie\n\n(…)\n\nUit de overgelegde cijfers maken wij op dat bij werkgever in de jaren 2022 tot en met 2024 er sprake is geweest van een negatief bedrijfsresultaat. Werkgever heeft nagelaten de verzochte 26-weken prognoses resultatenrekening van de onderneming bij gewijzigd en ongewijzigd beleid te overleggen. (…) Het is ons onduidelijk welk resultaat werkgever precies beoogt te bewerkstelligen met het voorgenomen ontslag van werknemer en of deze maatregel in verhouding staat tot de resultaten.\n\nHet is ons daarnaast niet duidelijk geworden aan de hand van de uitleg van werkgever en de door hem overgelegde stukken, waarom er op dit specifieke moment dient te worden ingegrepen en waarom het verval van de functie van de werknemer noodzakelijk en doelmatig is. (…) Waarom een besparing specifiek op de functie van werknemer zou moeten zien, volgen wij niet uit de stukken. Daarnaast is gebleken dat nieuwe werknemers zijn aangenomen na indiening van de ontslagaanvraag. Ook op de afdeling van werknemer. Een en ander draagt niet bij aan het inzicht tot noodzaak van het verval van de arbeidsplaats van werknemer.\n\n(…)\n\nOntslagvolgorde\n\n(…)\n\nNaar onze mening is niet helder onderbouwd wat de functie van werknemer is en wat haar taken zijn. Werknemer heeft verschillende stukken overgelegd waaruit haar functie en de invulling daarvan blijken. Werkgever heeft echter nagelaten de invulling van de functie met consistente stukken te onderbouwen. Onduidelijk blijft daarom of er sprake is van een unieke functie of een duobaan en of het afspiegelingsbeginsel had moeten worden toegepast. (…)”\n\nEindoordeel\n\nWij vinden dat er geen redelijke grond voor het ontslag van werknemer is.”\n\n2.9.. De bedrijfsarts heeft in zijn terugkoppeling van de spreekuren van 29 oktober 2025, 17 december 2025 en 26 januari 2026 geadviseerd om mediation te starten omdat het arbeidsconflict in de weg staat aan re-integratie.\n\n2.10.. \n [werkgever] heeft op 6 februari 2026 een offerte voor mediation ondertekend.\n\n2.11.. \n [werkgever] heeft op 13 februari 2026 het ontbindingsverzoek ingediend.\n\n2.12.. De bedrijfsarts heeft [werkgever] op 9 maart 2026 in de terugkoppeling van het spreekuur het volgende laten weten:\n\n“In het vorige consult in mediation geadviseerd, naar ik heb vernomen heeft dit nog niet plaatsgevonden.”\n\n3. Het verzoek, het verweer en het (voorwaardelijk) tegenverzoek\n\n3.1.. \n [werkgever] verzoekt - na intrekking van het primaire verzoek en na hernummering -:\n\nprimair: de arbeidsovereenkomst met [werknemer] te ontbinden op grond van een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond), met toekenning van de transitievergoeding en zonder toekenning van een billijke vergoeding;\n\nsubsidiair: de arbeidsovereenkomst met [werknemer] te ontbinden op grond van disfunctioneren (d-grond), zonder toekenning van een billijke vergoeding;\n\nmeer subsidiair: de arbeidsovereenkomst met [werknemer] te ontbinden op grond van de combinatiegrond (i-grond), met toekenning van de wettelijke cumulatievergoeding;\n\nuiterst subsidiair: indien de arbeidsovereenkomst op verzoek van [werknemer] wordt ontbonden, de transitievergoeding van € 48.212,29 bruto toe te wijzen en de verzochte billijke vergoeding aanzienlijk te matigen;\n\nde verzochte werkelijke advocaatkosten af te wijzen en de proceskosten te begroten conform het liquidatietarief.\n\n3.2.. \n [werkgever] heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd dat de arbeidsverhouding verstoord is geraakt doordat er grote twijfels zijn over de integriteit van [werknemer] . Zowel bij [directeur] als bij de directieleden, het MT en de HR-afdeling is geen vertrouwen meer in [werknemer] . Daardoor kan van [werkgever] niet meer worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Verder is [werknemer] meerdere keren gewaarschuwd dat er een gebrek is aan integriteit en dat zij niet met vertrouwelijke informatie om kan gaan. Ondanks deze waarschuwingen heeft dit niet tot enige verbetering in haar functioneren geleid. Ook moesten haar werkzaamheden ten aanzien van het wagenparkbeheer steeds worden gecontroleerd omdat die niet juist waren uitgevoerd. Daardoor is eveneens sprake van disfunctioneren van [werknemer] .\n\n3.3.. \n [werknemer] verweert zich tegen het verzoek en stelt dat de verzochte ontbinding primair moet worden afgewezen. [werknemer] voert aan - samengevat - dat sprake is van een opzegverbod omdat zij al voor de officiële ziekmelding van 14 augustus 2025 spanningsklachten had door de samenwerking met [directeur] . Verder is de verstoring van de arbeidsverhoudingen door [werkgever] veroorzaakt doordat [werkgever] onaangekondigd en onverwacht haar account heeft geblokkeerd, heeft verzocht haar te ontheffen als vertrouwenspersoon en op oneigenlijke gronden een procedure bij het UWV is gestart. [werknemer] betwist verder dat sprake zou zijn van disfunctioneren. De waarschuwingen waarnaar [werkgever] verwijst, heeft [werknemer] nooit ontvangen. Bovendien heeft zij altijd goede functioneringsbeoordelingen gekregen.\n\n3.4.. \n\nVoor het geval de arbeidsovereenkomst toch wordt ontbonden, verzoekt [werknemer] om:\n\nI. [werkgever] te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding van € 48.212,29 bruto;\n\nII. [werkgever] te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding van\n\n € 230.438,00 bruto aan inkomensschade;\n\n € 103.872,00 bruto aan pensioenschade;\n\n € 15.000,00 netto aan immateriële schadevergoeding;\n\nIII. bij het bepalen van de einddatum rekening te houden met de opzegtermijn van vier maanden en zonder aftrek van de proceduretijd;\n\nIV. voor zover de ontbinding plaatsvindt op de i-grond, de maximale cumulatievergoeding toe te kennen;\n\nV. [werkgever] te veroordelen in de gemaakte kosten van rechtsbijstand van € 13.387,61;\n\nVI. [werkgever] te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente vanaf tijdstip van opeisbaarheid over de hierboven genoemde vergoedingen;\n\nVII. [werkgever] te veroordelen in de proceskosten.\n\n3.5.. \n\n [werknemer] heeft een voorwaardelijk tegenverzoek ingediend voor het geval het ontbindingsverzoek van [werkgever] wordt afgewezen of het verzoek door [werkgever] wordt ingetrokken. Voor dat geval verzoekt zij:\n\nI. de arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van 7:671c BW onder toekenning van de transitievergoeding van € 48.212,29 bruto;\n\nII. [werkgever] te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding van\n\n € 230.438,00 bruto aan inkomensschade;\n\n € 103.872,00 bruto aan pensioenschade;\n\n € 15.000,00 netto aan immateriële schadevergoeding;\n\nIII. bij het bepalen van de einddatum rekening te houden met de opzegtermijn van vier maanden en zonder aftrek van de proceduretijd;\n\nIV. [werkgever] te veroordelen in de gemaakte kosten van rechtsbijstand van € 13.387,61;\n\nV. [werkgever] te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente vanaf tijdstip van opeisbaarheid over de hierboven genoemde vergoedingen;\n\nVI. [werkgever] te veroordelen in de proceskosten.\n\n4. De beoordeling van het verzoek\n\nDe zaak in het kort\n\n4.1.. Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden.\n\n4.2.. De kantonrechter zal de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbinden wegens een duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. Die is echter niet het gevolg van enig handelen van [werknemer] , maar juist van ernstig verwijtbaar handelen van [werkgever] . Daarom zal aan [werknemer] niet alleen een transitievergoeding van € 48.212,29 bruto, maar ook een billijke vergoeding van € 240.000,00 bruto worden toegewezen, uitgaande van een ontbinding van de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 oktober 2026. De kantonrechter zal hierna uitleggen hoe zij tot dit oordeel is gekomen.\n\nOpzegverbod\n\n4.3.. \n [werknemer] stelt dat sprake is van een opzegverbod. [werkgever] stelt zich op het standpunt dat [werknemer] zich op 14 augustus 2025 ziek heeft gemeld en dat deze datum na de datum van de indiening van de ontslagaanvraag bij het UWV op 6 augustus 2025 ligt. Het ontbindingsverzoek is vervolgens tijdig na afwijzing van de ontslagaanvraag ingediend, zodat [werknemer] zich ingevolge het bepaalde in artikel 7:670 eerste lid onder b BW jo 7:671 b lid 7 BW niet op het opzegverbod kan beroepen.\n\n4.4.. \n\nDe Hoge Raad heeft in zijn arrest van 18 februari 2022onder rechtsoverweging 3.5.3. inderdaad geoordeeld dat artikel 7:671b lid 7 BW ruimte laat voor een ontbinding op de a-grond als de werknemer al eerder, doch na de ontslag aanvraag bij het UWV, ziek is geworden. Echter, [werkgever] verzoekt niet langer ontbinding op de a-grond, maar op andere gronden. In dat geval geldt het opzegverbod wegens ziekte onverkort.\n\nNiettemin kan de kantonrechter een door de werkgever ingediend ontbindingsverzoek verzoek toewijzen, indien:\n\n- het verzoek geen verband houdt met omstandigheden waarop het opzegverbod betrekking heeft; of\n\n- sprake is van omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst in het belang van de werknemer behoort te eindigen.\n\n4.5.. De kantonrechter is van oordeel dat in het onderhavige geval sprake is van een situatie waarin het in het belang van [werknemer] wordt geacht dat de arbeidsovereenkomst eindigt. Uit het hierboven weergegeven feitenrelaas blijkt immers dat de bedrijfsarts meerdere malen heeft benoemd dat sprake is van een arbeidsconflict. De bedrijfsarts dringt al maanden aan om dat conflict (middels mediation) op te lossen, maar [werkgever] heeft daarmee niets gedaan. [werknemer] heeft ook zelf in haar voorwaardelijk tegenverzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzocht. Daarnaast heeft [werknemer] ter zitting verklaard dat terugkeer bij [werkgever] niet meer mogelijk is. Onder die omstandigheden komt het de kantonrechter voor dat het niet (meer) in het belang van [werknemer] is om voortzetting van het dienstverband na te streven.\n\nDe arbeidsovereenkomst wordt ontbonden\n\n4.6.. Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is.Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt.\n\n4.7.. De kantonrechter zal de arbeidsovereenkomst ontbinden. [werknemer] heeft erkend dat inmiddels sprake is van een zodanige verstoring van de arbeidsverhouding dat een voortzetting daarvan niet meer mogelijk is. Zij heeft ook zelf ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzocht als voorwaardelijk tegenverzoek. Herplaatsing van [werknemer] ligt daarmee ook niet in de rede.\n\nDe transitievergoeding wordt toegewezen\n\n4.8.. Partijen zijn het erover eens dat [werknemer] recht heeft op een transitievergoeding van € 48.212,29 bruto. Het verzoek om [werkgever] te veroordelen tot betaling van die transitievergoeding wordt daarom toegewezen. De verzochte wettelijke rente over de transitievergoeding wordt ook toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd.\n\nDe billijke vergoeding\n\nErnstig verwijtbaar handelen van [werkgever]\n\n4.9.. De kantonrechter ziet aanleiding om aan [werknemer] een billijke vergoeding toe te kennen. Een billijke vergoeding kan worden toegekend als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.Dat zal zich alleen voordoen in uitzonderlijke gevallen en als een werkgever de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst in ernstige mate schendt. Bij de beoordeling of de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen.In dit geval is sprake van dergelijk ernstig verwijtbaar handelen of nalaten. Dat wordt als volgt toegelicht.4.10.. \n [werkgever] heeft voorafgaand aan het ontbindingsverzoek een ontslagaanvraag ingediend bij het UWV om bedrijfseconomische redenen. De toestemming om de arbeidsovereenkomst met [werknemer] op te zeggen is door het UWV geweigerd, onder meer omdat de aanvraag onvoldoende onderbouwd was. Vervolgens heeft [werkgever] een ontbindingsverzoek ingediend waarbij zij oorspronkelijk als primaire grond de bedrijfseconomische omstandigheden (a-grond) had aangevoerd. Deze grond heeft [werkgever] op de mondelinge behandeling ingetrokken. Daar heeft [werkgever] ook verklaard dat zij voor de route van het UWV had gekozen om daarna met [werknemer] te kunnen onderhandelen over een minnelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst.\n\n4.11.. Niet alleen heeft [werkgever] , na indiening van de ontslagaanvraag, geen onderhandelingen met [werknemer] gevoerd, zij heeft in haar verzoekschrift ook geen onderbouwing van de bedrijfseconomische omstandigheden gegeven en heeft net zo makkelijk deze grond op de mondelinge behandeling ingetrokken. Daarmee is duidelijk dat de bedrijfseconomische noodzaak een farce is geweest en [werkgever] om andere redenen de arbeidsovereenkomst met [werknemer] wenste te beëindigen. Dat blijkt ook uit de stukken die [werkgever] - na lang aandringen - aan het UWV heeft verstrekt (en niet allemaal bij het verzoekschrift heeft overgelegd) en de motivering van het UWV van de afwijzing van de ontslagaanvraag.\n\n4.12.. Vast staat dat [werkgever] van [werknemer] af wil. Dat is door [werkgever] ook met zoveel woorden erkend. Als reden daarvoor heeft [werkgever] op de mondelinge behandeling aangevoerd dat “ [werknemer] vanwege haar hechte relatie als directiesecretaresse van de vorige bestuurder van [werkgever] , niet zonder meer gehandhaafd kon worden in een vertrouwelijke positie aan het directiesecretariaat van een organisatie in herstel.” Zoals onder rechtsoverweging 4.6 reeds is overwogen, kan een arbeidsovereenkomst alleen ontbonden worden als er sprake is van een in de wet genoemde grond. De door [werkgever] aangevoerde werkelijke reden valt niet onder een van de in de wet genoemde gronden.\n\n4.13.. \n [werkgever] heeft aangevoerd dat er sprake is geweest van disfunctioneren en een (door toedoen van [werknemer] ) verstoorde arbeidsverhouding. De kantonrechter merkt op dat veel feiten en omstandigheden die aan het ontbindingsverzoek op deze gronden ten grondslag zijn gelegd, niet zijn onderbouwd met concrete voorbeelden of voorvallen. Zo benoemt [werkgever] als reden voor de verstoring van de arbeidsverhouding de door [werknemer] aangehaalde citaten van collega’s in haar UWV-verweer. Op welke citaten [werkgever] doelt, is niet duidelijk geworden. Ook zou het gaan om “tal van incidenten” die de verstoorde relatie met [directeur] duidelijk maken en dat er “oeverloze gesprekken” met [werknemer] zijn geweest. Uit dit alles leidt [werkgever] af dat [werknemer] een onbetrouwbare werknemer zou zijn. Om welke incidenten het zou gaan en waar de gesprekken over zijn gevoerd, heeft [werkgever] niet nader onderbouwd. Bovendien volgt uit de functioneringsverslagen dat [werknemer] in haar langdurige dienstverband (van zevenentwintig jaar) nimmer negatieve beoordelingen heeft ontvangen.\n\n4.14.. \n\n [werkgever] beroept zich verder op een waarschuwing, die zij op 26 november 2024 aan [werknemer] zou hebben gestuurd, en op een brief van 12 februari 2025.In de brief van 26 november 2024 staat - voor zover van belang - :\n\n“In dit gesprek is het voorval van woensdag 6 november jl. met jou besproken. Op deze woensdag heeft er een gesprek plaats gevonden tussen [directeur] , [naam 1] en jouwzelf omtrent oproer over de teambuilding activiteit van het management op 22 november aanstaande. Aanleiding van dit gesprek was een gesprek wat jij [werknemer] eerder die dag hebt gevoerd met [naam 2] .\n\nIn dit gesprek met [naam 2] zou onder meer zijn aangegeven dat de activiteit gevaarlijk zou zijn en dat “niemand er zin in zou hebben”. Deze strekking heeft ook [directeur] bereikt, waarna deze met jullie in gesprek is gegaan op zijn kantoor. Ook in dit gesprek met [directeur] zou gezegd zijn dat “niemand er zin in zou hebben”.\n\n(…)\n\nTevens blijkt uit jou verhaal dat [naam 2] het onderwerp van de teambuilding aangesneden zou hebben, echter blijkt na verificatie hiervan dat jij diegene bent die het onderwerp gestart is met [naam 2] , met daarin een behoorlijke kleur over wat je van de teambuildingsactiviteit vond, en dat je hiermee een bepaalde boodschap wilde overbrengen.\n\nBinnen jouw rol ben je onderdeel van het HR team. Bij een dergelijke rol wordt verwacht dat je op een positieve manier en constructieve manier spreekt over de organisatie en dat je onderwerpen discreet behandeld. Hierbij hoort dan ook geen stemming makerij of je mening over “vertrouwelijke” dan wel directie aangelegenheden ventileren binnen de organisatie.\n\nVoor bovenstaande ontvang je dan ook een officiële waarschuwing en willen we met stipt benadrukken dat dergelijk gedrag niet passend is binnen de rol maar ook niet binnen de [werkgever] organisatie.\n\nWe gaan ervan uit dat je gedrag hierin een positieve draai aanneemt en dat een dergelijke situatie als bovenstaande zich niet meer zal voortdoen.”\n\n4.15.. In de brief van 12 februari 2025 staat - voor zover van belang - het volgende vermeld:\n\n“Pro activiteit rondom wagenpark beheer:\n\n [werknemer] is vaak afwachtend. Rondom wagenparkbeheer taken moet er door [directeur] vaak meerdere keren actief gestuurd worden alvorens er actie wordt ondernomen. Opdrachten die worden uitgevoerd zijn vaak onvolledig of niet uitgevoerd zoals bedoeld.\n\n(…)\n\nFaciliterende rol en geen beleidsrol:\n\n [werknemer] heeft vaak de neiging om beleidsbeslissingen in twijfel te trekken, zonder hieromtrent ook maar de vraag te stellen wat ertoe heeft geleid dat deze beslissing is genomen.\n\nDaarbij ventileert zij haar mening hierover openlijk en niet altijd op de juiste plek of bij de juiste personen.\n\nGesproken over dat zij onderdeel is van het HR team en dat hier discretie is gevraagd. (…) Besproken is dat dit de tweede keer is dat zij hieromtrent wordt aangesproken en dat bij de derde keer er naar een andere oplossing gekeken dient te worden.\n\nGeregeld eerder weg:\n\nGeconstateerd is dat [werknemer] vaak eerder weg is als directie ook niet meer aanwezig is.\n\n(…)”\n\n4.16.. \n [werknemer] betwist dat de inhoud van de brief van 12 februari 2025 met haar is besproken. Bovendien heeft zij de ontvangst van de beide brieven betwist. [werkgever] heeft vervolgens twee foto’s van een beeldschermovergelegd, waaruit volgens haar blijkt dat de betreffende brieven als een bijlage in pdf-bestand door de heer [leidinggevende] per e-mail naar [werknemer] zouden zijn verstuurd. [werknemer] heeft op de mondelinge behandeling nog steeds stellig betwist dat zij deze brieven heeft ontvangen. Zij heeft aangevoerd dat [leidinggevende] in november 2024 tegen haar gezegd heeft dat hij juist géén schriftelijke waarschuwing naar haar zou sturen. Ook voert zij aan dat het opvallend is dat beide brieven niet zijn opgenomen in haar personeelsdossier (dat zij heeft opgevraagd). Daarnaast heeft zij opgemerkt het vreemd te vinden dat blijkens de foto’s van de beide e-mails een bestand is meegestuurd van 726 KB, terwijl de brieven van 26 november 2024 en 12 februari 2025 qua lengte van tekst verschillen. [werkgever] heeft over deze laatste opmerking aangevoerd dat pdf’s van documenten met hetzelfde aantal pagina’s altijd evenveel KB’s hebben en zich ontstemd getoond over de insinuatie dat de screenshots zouden zijn gemanipuleerd.\n\n4.17.. \n\nDe kantonrechter stelt voorop dat de bewijslast dat een verklaring de andere partij heeft bereikt, rust op degene die zich op die verklaring beroept. Nu [werknemer] betwist dat beide brieven haar hebben bereikt, rust de bewijslast op [werkgever] . Middels de overgelegde foto’s van het beeldscherm met daarop twee e-mailberichten waar een bijlage is bijgevoegd, heeft [werkgever] dat bewijs niet geleverd. In de eerste plaats valt op dat de e-mail waar de brief van 26 november 2024 zou zijn bijgevoegd, is verstuurd op 25 november 2024, de dag ervoor. Het bijgevoegde document heeft een grootte van 726 KB. Ondanks het feit dat in de brief staat dat het een officiële waarschuwing betreft, is de brief niet opgenomen in het personeelsdossier van [werknemer] . De e-mail waarmee de brief van 12 februari 2025 aan [werknemer] zou zijn gestuurd, is verstuurd op 17 februari 2025. In deze brief staat dat hij zal worden opgenomen in het personeelsdossier van [werknemer] , maar dat is niet gebeurd. Op de foto van de e-mail is te zien dat een pdf-document als bijlage wordt meegestuurd. Ook dit document heeft een grootte van 726 KB. De stelling van [werkgever] dat elke pdf hetzelfde aantal KB’s heeft naarmate het aantal pagina’s hetzelfde zijn, wordt niet gevolgd, nu dit niet juist is. De kantonrechter heeft beide brieven ingescand en naar zichzelf verstuurd. De brief van 26 november 2024 was 81 KB en de brief van 12 februari 2025 was 70 KB. Dat bij beide\n\ne-mails een document is gevoegd met precies evenveel KB, roept dus wel degelijk vragen op.\n\n4.18.. Al met al heeft [werknemer] de ontvangst van beide brieven voldoende gemotiveerd betwist. [werkgever] heeft bewijs aangeboden dat [werknemer] beide brieven wel heeft ontvangen, maar aan dat bewijsaanbod wordt voorbij gegaan. Ook al zou [werknemer] deze brieven wel hebben ontvangen, dan nog zouden de door [werkgever] aangevoerde omstandigheden onvoldoende zijn om het ontbindingsverzoek van [werkgever] toe te wijzen. Uit deze brieven blijkt immers allerminst dat er sprake zou zijn van disfunctioneren.\n\n4.19.. \n [werknemer] heeft haar visie gegeven op het gebeuren dat aanleiding gaf tot de “waarschuwing” van 26 november 2024. Die visie komt erop neer dat zij een leidinggevende binnen [werkgever] heeft geadviseerd om zijn zorgen (in verband met zijn medische conditie) over een door de directie geplande teambuildingsactiviteit met de directeur te bespreken. [directeur] heeft kennelijk een andere lezing van deze gebeurtenis en beschouwde dit advies als stemmingmakerij en het ongeoorloofd uiten van vertrouwelijke directieaangelegenheden en vond het nodig daarvoor een waarschuwing te geven. Nu dit gebeuren het enige concrete voorbeeld is dat door [werkgever] is gegeven over het “niet integere gedrag van [werknemer] ” en volstrekt onvoldoende is om die aantijging te onderbouwen, zal de kantonrechter hier verder niet op in gaan.\n\n4.20.. De brief van 12 februari 2025 blinkt wederom uit in vaagheden en kan derhalve ook buiten bespreking worden gelaten. [directeur] is zelf niet op de mondelinge behandeling verschenen. [leidinggevende] , de direct leidinggevende van [werknemer] wel. Wat betreft het verwijt in de brief van 12 februari 2025 dat [werknemer] veelvuldig eerder vertrekt als de directie weg is, heeft hij verklaard dat hij dat niet heeft opgemerkt, behalve op momenten dat [werknemer] een fysiotherapeut moest bezoeken.\n\n4.21.. \n [werknemer] heeft verslagen van haar functioneringsgesprekken overgelegd. Daar blijkt uit dat zij steeds goed heeft gefunctioneerd en dat de hiervoor genoemde “waarschuwingen” daar ook niet zijn besproken. Dit alles maakt dat [werkgever] op geen enkele manier hard heeft weten te maken dat [werknemer] niet goed zou hebben gefunctioneerd.\n\n4.22.. Uit de overgelegde stukken blijkt duidelijk dat de arbeidsverhouding pas is verstoord door het handelen van [werkgever] en in haar pogingen om [werknemer] uit dienst te krijgen. Zo is in opdracht van [directeur] op 13 augustus 2025 het bedrijfsaccount van [werknemer] geblokkeerd. Daarnaast heeft [werknemer] onweersproken gesteld dat [directeur] vervolgens de ondernemingsraad heeft benaderd met het verzoek om [werknemer] per direct uit de functie van vertrouwenspersoon te ontheffen en dat hij de IT-afdeling heeft gevraagd om het account van [werknemer] te doorzoeken op mogelijk belastend materiaal. Zowel de ondernemingsraad als de IT-afdeling hebben de aan hen gerichte verzoeken afgewezen, omdat elke aanleiding of noodzaak daartoe ontbrak. De noodzaak om [werknemer] te ontslaan is kennelijk alleen gelegen in de persoonlijke antipathie van [directeur] jegens [werknemer] .\n\n4.23.. Tot slot heeft [werkgever] , in strijd met de duidelijke adviezen van de bedrijfsarts, geweigerd om (tijdig) mediation te starten om, in ieder geval, een poging te ondernemen om de lucht te klaren en een oplossing te vinden voor de - niet op feiten gestoelde - antipathie van [directeur] tegen [werknemer] .\n\n4.24.. Uit het voorgaande volgt dat [werkgever] van [werknemer] af wil en vanaf augustus 2025 aanstuurt op haar vertrek, zonder dat daarvoor een redelijke grond aanwezig is. [werkgever] schroomt niet om [werknemer] te beschuldigen van niet integer gedrag, zonder één concreet voorbeeld te noemen, heeft in de UWV procedure in strijd met de waarheid aangevoerd dat de functie van [werknemer] zou komen te vervallen (terwijl [werkgever] intussen al een andere persoon in plaats van [werknemer] had aangenomen) en heeft geen enkele poging gedaan om met [werknemer] in gesprek te komen. Dergelijk gedrag is geen “schoonheidsfoutje” zoals [werkgever] stelt, maar kwalificeert zonder meer als ernstig verwijtbaar. [werkgever] dient dan ook aan [werknemer] een billijke vergoeding te betalen.\n\nDe hoogte van de billijke vergoeding\n\n4.25.. Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd.De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van de ontbinding kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen.\n\nInkomensschade\n\n4.26.. Gelet op het ruim zeventwintigjarige dienstverband van [werknemer] bij [werkgever] en het feit dat altijd sprake is geweest van goede functioneringsverslagen (hetgeen [werkgever] ook niet heeft betwist), is de kantonrechter van oordeel dat er geen aanleiding is om te veronderstellen dat, indien [werkgever] niet ernstig verwijtbaar zou hebben gehandeld, [werknemer] niet tot aan haar pensioengerechtigde leeftijd in dienst zou zijn gebleven bij [werkgever] , met bijbehorend salaris en pensioenopbouw. Dat [werknemer] nog maar drie tot vijf jaar bij [werkgever] zou hebben gewerkt, zoals [werkgever] op de zitting heeft betoogd, is verder niet onderbouwd.\n\n4.27.. Verder stelt [werknemer] dat zij met haar leeftijd van (inmiddels) 59 jaar en een eenzijdig curriculum vitae met maar één werkgever, bovengemiddeld lang werkloos zal blijven, waardoor zij aanspraak zal moeten maken op de maximale duur van de werkloosheidsuitkering. En bij een nieuwe baan zal zij een aanzienlijk lager salaris moeten accepteren van 50% van haar huidige salaris. De kantonrechter acht dit een redelijke veronderstelling. [werkgever] betwist dit weliswaar en voert aan dat [werknemer] 65% tot 80% van haar laatstverdiende salaris zou kunnen verdienen, maar een verdere onderbouwing, bijvoorbeeld door de overlegging van vacatures, is achterwege gebleven.\n\n4.28.. \n [werknemer] stelt dat haar inkomensverlies tot haar pensioen neerkomt op een bedrag van (€ 501.812,00 - (€ 88.339,00 aan WW + € 188.179,00 aan een lager te verdienen loon) =) € 230.438,00 bruto. In deze berekening heeft [werknemer] evenwel een fout gemaakt, aangezien de uitkomst van deze som € 225.294,00 bruto bedraagt.\n\nPensioenschade\n\n4.29.. Met de gestelde pensioenschade van € 103.872,00 bruto wordt bij de vaststelling van de billijke vergoeding geen rekening gehouden. Op de loonstroken is te zien dat de pensioenpremie volledig van het brutoloon wordt betaald. In veel gevallen is het mogelijk om vrijwillig pensioensparen voort te zetten. De compensatie van het inkomensverlies biedt [werknemer] de mogelijkheid om voor deze vrijwillige voortzetting te kiezen. In dat geval heeft [werknemer] geen pensioenschade. [werknemer] heeft onvoldoende onderbouwd hoe zij tot de conclusie is gekomen dat zij wel pensioenschade zal lijden.\n\nImmateriële component\n\n4.30.. Bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding mag ook de mate van de ernstige verwijtbaarheid worden meegewogen en de gevolgen die dat voor de werknemer heeft gehad. [werknemer] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij gedurende haar dienstverband van 27 jaar steeds met enorme toewijding en loyaliteit voor [werkgever] heeft gewerkt en vergroeid was met de organisatie. Door de wijze waarop zij thans aan de kant wordt gezet, voelt zij zich aangetast en ervaart zij psychische klachten. Ook heeft zij geen afscheid heeft kunnen nemen van collega’s doordat haar bedrijfsaccount per direct was geblokkeerd. De kantonrechter rekent [werkgever] de wijze waarop zij [werknemer] heeft geprobeerd eruit te werken na haar lange vlekkeloze staat van dienst zwaar aan en is van oordeel dat dit in de billijke vergoeding tot uitdrukking dient te komen.\n\nConclusie\n\n4.31.. Alles afwegend zal de kantonrechter in totaal een billijke vergoeding toekennen van € 240.000,00 bruto. Anders dan [werknemer] heeft verzocht, wordt het gehele bedrag bruto toegekend, omdat de immateriële component is verzocht en wordt toegewezen als onderdeel van de billijke vergoeding ex art 7:671b lid 9 onder c BW en niet op grondslag van het bepaalde in artikel 6:106 BW. De verzochte wettelijke rente over de billijke vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking. De vergoeding is immers opeisbaar geworden vanaf de datum van deze beschikking. [werkgever] krijgt veertien dagen om het bedrag te betalen. Na het verstrijken van deze termijn is sprake van verzuim en is [werkgever] wettelijke rente verschuldigd.\n\nAdvocaatkosten\n\n4.32.. \n [werknemer] heeft verzocht om een vergoeding van de volledig door haar gemaakte buitengerechtelijke kosten, omdat deze kosten uitsluitend het gevolg zijn van de handelswijze van [werkgever] . Het gaat in totaal om een bedrag van € 13.387,61 inclusief btw. Daarbij verwijst [werknemer] naar de bij het verweerschrift overgelegde urenspecificatie. [werknemer] doet daarvoor een beroep op de New Hairstyle beschikkingop grond waarvan de mogelijkheid bestaat de kosten voor de rechtsbijstand te baseren op artikel 7:611 BW in verbinding met artikel 6:96 BW. [werkgever] betwist dat deze kosten daarvoor in aanmerking komen. Volgens [werkgever] gaat het om kosten gemaakt voor het verweer in de UWV-procedure waarvoor geen kostenveroordeling bestaat, zodat deze kosten niet gekwalificeerd kunnen worden als buitengerechtelijke kosten. Ook is de drempel voor vergoeding van de werkelijke kosten niet gehaald. Tot slot heeft [werkgever] in het buitengerechtelijk traject reeds een vergoeding in advocaatkosten voorgesteld, hetgeen is afgewezen.\n\n4.33.. De kantonrechter overweegt dat uit bovenstaande beoordeling van het ontbindingsverzoek genoegzaam blijkt dat [werkgever] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en zich daarmee niet als een goed werkgever heeft gedragen. [werkgever] heeft eerst een ontslagaanvraag bij het UWV ingediend met een flinterdun dossier waarin elke onderbouwing ontbrak waarom [werknemer] - als enige werknemer - [werkgever] zou moeten verlaten. Ook heeft [werkgever] [werknemer] zonder deugdelijke reden afgesloten van haar account zodat [werknemer] pardoes thuis kwam te zitten. Tot slot heeft [werkgever] geweigerd de adviezen van de bedrijfsarts te volgen om mediation in te zetten en stevende zij af op een beëindiging van het dienstverband. Dat [werknemer] zich in deze periode heeft voorzien van juridische bijstand om zich te verweren tegen de wijze waarop met haar werd omgegaan, is het directe gevolg van deze onzorgvuldige handelwijze van [werkgever] jegens haar. De kantonrechter ziet daarom aanleiding om [werkgever] te veroordelen tot vergoeding van de kosten van deze juridische bijstand, voorafgaand aan deze verzoekschriftprocedure, op grond van artikel 6:96 lid 2 BW. [werknemer] heeft deze kosten immers gemaakt om te trachten om buiten rechte tot een redelijke oplossing te komen en om het nog verder oplopen van de schade voor haarzelf te voorkomen of te beperken.\n\n4.34.. \n [werknemer] heeft ter onderbouwing van het door haar verzochte bedrag een urenspecificatie van haar gemachtigde overgelegd met daarop het aantal gewerkte uren en het overeengekomen uurtarief. Die onderbouwing is afdoende en niet door [werkgever] betwist. Het bedrag van € 13.387,61 inclusief btw zal worden toegewezen. De verzochte wettelijke rente hierover zal worden toegewezen vanaf de datum van deze beschikking.\n\nDe einddatum\n\n4.35.. Nu de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van [werkgever] , zal de proceduretijd niet in mindering worden gebracht. De arbeidsovereenkomst zal met toepassing van de geldende opzegtermijn van vier maanden worden ontbonden met ingang van 1 oktober 2026. Dit is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd.\n\n [werkgever] krijgt de gelegenheid om haar verzoek in te trekken\n\n4.36.. Omdat de kantonrechter voornemens is aan [werknemer] , bij toewijzing van het ontbindingsverzoek van [werkgever] , een billijke vergoeding toe te wijzen, moet de kantonrechter [werkgever] de gelegenheid geven haar verzoek in te trekken.[werkgever] krijgt tot en met 4 juni 2026 om haar verzoek in te trekken.\n\n4.37.. De proceskosten komen voor rekening van [werkgever] , omdat [werkgever] overwegend ongelijk krijgt en sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van [werkgever] . De proceskosten aan de zijde van [werknemer] worden begroot op € 1.009,00 (€ 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.\n\n4.38.. Ook als [werkgever] het verzoek intrekt, zal [werkgever] de proceskosten van [werknemer] moeten betalen.\n\n5. De beoordeling van het voorwaardelijk tegenverzoek\n\n5.1.. \n\nAls [werkgever] haar verzoek tijdig intrekt, is de kantonrechter voornemens de arbeidsovereenkomst tussen partijen op verzoek van [werknemer] te ontbinden. Op grond van hetgeen bij de beoordeling van het verzoek van [werkgever] is overwogen, is de arbeidsverhouding tussen partijen door ernstig verwijtbaar gedrag van [werkgever] namelijk dusdanig duurzaam verstoord dat deze zo spoedig mogelijk dient te eindigen.\n\nDe arbeidsovereenkomst zal in geval van toewijzing van het ontbindingsverzoek van [werknemer] worden ontbonden met ingang van 1 oktober 2026.\n\n5.2.. De transitievergoeding van € 48.212,29 bruto en een billijke vergoeding van € 240.000,00 bruto zullen in geval van ontbinding van de arbeidsovereenkomst worden toegewezen.\n\n5.3.. De verzochte wettelijke rente over de transitievergoeding wordt ook toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd.De verzochte wettelijke rente over de billijke vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking.\n\n5.4.. Verder zullen de buitengerechtelijke kosten van € 13.387,61 inclusief btw en kantoorkosten worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van deze beschikking.\n\n5.5.. Nu aan [werknemer] een lagere billijke vergoeding wordt toegewezen dan zij heeft verzocht, zal zij eveneens in de gelegenheid worden gesteld om haar tegenverzoek in te trekken en wel tot en met 18 juni 2026.\n\n5.6.. Als [werknemer] haar verzoek niet intrekt, zal [werkgever] worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten omdat [werkgever] overwegend ongelijk krijgt en er sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [werkgever] . De proceskosten aan de zijde van [werknemer] worden begroot op € 1.009,00 (€ 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.\n\n5.7.. Als [werknemer] haar verzoek (ook) intrekt, is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat partijen, voor wat betreft het tegenverzoek, ieder hun eigen proceskosten dragen. Beide partijen hebben dan immers hun verzoeken ingetrokken.\n\n6. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\nop het verzoek\n\n6.1.. stelt [werkgever] in de gelegenheid om het verzoek uiterlijk 4 juni 2026 in te trekken, door middel van een schriftelijke mededeling aan de griffier, met toezending van een kopie daarvan aan de (gemachtigde van) [werknemer] ,\n\nVoor het geval [werkgever] het verzoek niet binnen die termijn intrekt:\n\n6.2.. ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 oktober 2026,\n\n6.3.. veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] een transitievergoeding te betalen van € 48.212,29 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 november 2026, tot aan de dag van de gehele betaling,\n\n6.4.. veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] een billijke vergoeding te betalen van € 240.000,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de 15e dag na de datum van deze beschikking tot aan de dag van de gehele betaling,\n\n6.5.. veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] een vergoeding voor de buitengerechtelijke kosten te betalen van € 13.387,61 inclusief btw en kantoorkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van deze beschikking,\n\n6.6.. veroordeelt [werkgever] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werkgever] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,\n\n6.7.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,\n\n6.8.. wijst het meer of anders verzochte af,\n\nVoor het geval [werkgever] het verzoek binnen die termijn intrekt:\n\n6.9.. veroordeelt [werkgever] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werkgever] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,\n\n6.10.. verklaart onderdeel 6.9. van deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,\n\nop het tegenverzoek (voor het geval [werkgever] haar verzoek uiterlijk op 4 juni 2026 intrekt)\n\n6.11.. stelt [werknemer] in de gelegenheid om het verzoek uiterlijk 18 juni 2026 in te trekken, door middel van een schriftelijke mededeling aan de griffier, met toezending van een kopie daarvan aan de (gemachtigde van) [werkgever] ,\n\nVoor het geval [werknemer] het verzoek niet binnen die termijn intrekt:\n\n6.12.. ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 oktober 2026,\n\n6.13.. veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] een transitievergoeding te betalen van € 48.212,29 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 november 2026, tot aan de dag van de gehele betaling,\n\n6.14.. veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] een billijke vergoeding te betalen van € 240.000,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de 15e dag na de datum van deze beschikking tot aan de dag van de gehele betaling,\n\n6.15.. veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] een vergoeding voor de buitengerechtelijke kosten te betalen van € 13.387,61 inclusief btw en kantoorkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van deze beschikking,\n\n6.16.. veroordeelt [werkgever] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werkgever] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,\n\n6.17.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,\n\n6.18.. wijst het meer of anders verzochte af,\n\nVoor het geval [werknemer] het verzoek binnen die termijn intrekt:\n\n6.19.. compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Bisscheroux en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026.\n\n ECLI:NL:HR:2022:276\n\n Artikel 7:671b lid 6 BW.\n\n Artikel 7:669 lid 3 BW.\n\n Artikel 7:669 lid 1 BW.\n\n Artikel 7:671b lid 9, onder c, BW.\n\n Hoge Raad 21 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:63 (Juridisch secretaresse).\n\n Zie hiervoor onder 2.8.\n\n Zie hiervoor onder 2.8.\n\n Zie productie 5 van [werkgever] .\n\n Producties 12 en 13 van [werkgever] .\n\n Artikel 150 Rv jo artikel 3:37 lid 3 BW.\n\n Hoge Raad 8 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:878 (Zinzia).\n\n Hoge Raad 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187.\n\n Artikel 7:671b lid 9, onder a, BW.\n\n Artikel 7:686a lid 6 BW.\n\n Artikel 7:686a lid 1 BW.\n\n Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:4905","ecli-nl-rblim-2026-4905",{"courtName":6,"legalDomain":124,"decisionType":22,"procedureType":23}]