[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-zwolle":3},{"court":4,"decisions":10},{"id":5,"name":6,"country":7,"level":8,"jurisdiction":9},57,"Zwolle","nl","first_instance","civil",[11,24,33,41,48,56,65,72,80,87,95,103,110,117,125,132,139,147,154,161],{"id":12,"ecli":13,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":15,"fullText":16,"language":7,"source":17,"sourceUrl":18,"summary":14,"slug":19,"metadata":20},"483","ECLI:NL:RBOVE:2026:3912","","2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK OVERIJSSEL\n\nTeam Strafrecht\n\nMeervoudige kamer\n\nZittingsplaats Zwolle\n\nParketnummer: 05.000421.23\n\nDatum beslissing: 8 juli 2026\n\nTussenbeslissing in de zaak van de officier van justitie tegen:\n\nDe verdachte genaamd:\n\n [verdachte],\n\ngeboren op [geboortedatum 1] 1975 in [geboorteplaats],\n\nwonende aan het [woonplaats].\n\nDeze beslissing is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting (regiezitting) van 24 juni 2026. Daarbij zijn gehoord:\n\nde officier van justitie,\n\nde verdachte,\n\nde raadsman van verdachte.\n\nOok heeft de rechtbank acht geslagen op de ter terechtzitting overgelegde pleitnotities van de raadsman.\n\nDe ingediende verzoeken\n\nBij e-mail van 7 januari 2026 heeft mr. M. Hoekstra, officier van justitie, verzocht in deze zaak een regiezitting te plannen.\n\nMr. M.J. Jansma, advocaat in Kampen, heeft namens verdachte op 22 juni 2026 een schriftuur ingediend. De officier van justitie heeft op 23 juni 2026 op deze schriftuur gereageerd.\n\nRelatieve bevoegdheid\n\nDe rechtbank acht in het kader van de te nemen beslissing de volgende feiten en omstandigheden relevant.\n\nHet verloop van de procedure\n\nOp 30 april 2018 is het strafrechtelijk onderzoek naar verdachte gestart onder de naam ‘Zwarte Bes’. Naar aanleiding van dat onderzoek wordt verdachte twee feiten verweten die zich zouden hebben voorgedaan in de gemeente Weststellingwerf en\u002Fof Assen en een derde feit in de gemeente Assen. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting valt op te maken dat het toentertijd kennelijk door het Openbaar Ministerie (hierna: OM) niet wenselijk werd bevonden om de zaak te behandelen bij de rechtbank Noord-Nederland,\n\nomdat verdachte werkzaam was bij het arrondissementsparket Noord-Nederland. De zaak is vervolgens aangebracht bij de rechtbank Overijssel. Aan deze beslissing lag geen verwijzing als bedoeld in artikel 46b van de Wet op de Rechterlijke Organisatie (hierna: Wet RO) van de rechtbank Noord-Nederland ten grondslag.\n\nVervolgens is de zaak van verdachte op de terechtzitting van 1 augustus 2023 behandeld door de rechtbank Overijssel. Door de officier van justitie en de verdediging is toen geen verweer gevoerd over de relatieve bevoegdheid van de rechtbank Overijssel. Ter terechtzitting van 24 juni 2026 is door de raadsman van verdachte te kennen gegeven dat het destijds een bewuste keuze was om niet een beroep te doen op de onbevoegdheid van de rechtbank Overijssel, nu de verdediging er een belang bij had dat de zaak niet bij de rechtbank Noord-Nederland zou worden behandeld.\n\nNa het vonnis van de rechtbank Overijssel van 15 augustus 2023 en het daarop volgende appel van de officier van justitie, is de zaak op 17 maart 2025 behandeld door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het Hof). Het Hof heeft op 31 maart 2025 het vonnis van de rechtbank Overijssel vernietigd en de zaak van verdachte terugverwezen naar diezelfde rechtbank, teneinde met inachtneming van haar arrest recht te doen (artikel 423, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, hierna: Sv).\n\nDe zaak is vervolgens in eerste aanleg (opnieuw) aangebracht op de terechtzitting van 24 juni 2026. Ter terechtzitting is gebleken dat verdachte al gedurende lange tijd niet meer werkzaam is bij het arrondissementsparket Noord-Nederland. De verdediging heeft naar voren gebracht er nog steeds geen bezwaar tegen te hebben dat de zaak van verdachte wordt behandeld bij de rechtbank Overijssel. Ook de officier van justitie heeft te kennen gegeven het wenselijk te achten dat de zaak wordt behandeld bij de rechtbank Overijssel.\n\nDe beslissing van de rechtbank\n\nOp grond van de besproken feiten en omstandigheden overweegt de rechtbank als volgt.\n\nVoorop wordt gesteld dat de rechtbank haar relatieve bevoegdheid te allen tijde ambtshalve dient te beoordelen. Het Wetboek van Strafvordering kent anders dan bijvoorbeeld artikel 108 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering geen forumkeuze. De wensen van de officier van justitie en de verdediging op dit punt zijn derhalve irrelevant. De beslissing daarover kan dan ook nimmer tardief zijn, zoals de raadsman lijkt te bepleiten.\n\nNaar vaste rechtspraak dient een beroep op de (relatieve) onbevoegdheid van de rechtbank te worden gedaan bij de behandeling van de zaak in eerste aanleg.Een dergelijk beroep is door de raadsman of de officier van justitie niet gedaan tijdens de behandeling van de zaak in eerste aanleg in augustus 2023. De rechtbank (andere rechters dan de huidige meervoudige strafkamer) heeft zich in het vonnis van 15 augustus 2023 niet uitgelaten over de relatieve bevoegdheid, dus moet worden verondersteld dat zij zich bevoegd achtte. Vervolgens is de zaak in hoger beroep behandeld bij het Hof. Het Hof heeft in haar arrest van 31 maart 2025 de ontvankelijkheid van het OM beoordeeld, zijnde de tweede vraag van artikel 348 Sv, zonder zich uit te laten over de relatieve bevoegdheid van de rechtbank. Het Hof heeft hiermee de impliciete bevoegdheidsbeoordeling van de rechtbank in stand gelaten. Het Hof heeft in haar arrest vervolgens specifiek terugverwezen naar de rechtbank Overijssel (en niet een andere rechtbank), teneinde met inachtneming van haar arrest recht te doen. Uit de formulering van haar beslissing volgt dat het Hof ook na het terugverwijzen van de zaak heeft beoogd dat de rechtbank Overijssel de zaak (opnieuw) zou behandelen.\n\nDaarnaast acht de rechtbank het aannemelijk dat - indien de zaak was aangebracht bij de rechtbank Noord-Nederland, terwijl verdachte op dat moment werkzaam was bij het Arrondissementsparket Noord-Nederland - de zaak van verdachte op grond van de criteria neergelegd in artikel 46b Wet RO zou zijn verwezen door de rechtbank Noord-Nederland naar de rechtbank Overijssel. Die beslissing zou daarna van kracht blijven, ook als niet meer wordt voldaan aan de criteria. Het is om die reden ook niet van belang dat verdachte niet meer werkzaam is bij het arrondissementparket Noord-Nederland.\n\nGelet op voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank Overijssel van oordeel dat zij bevoegd is kennis te nemen van de zaakvan verdachte.\n\nPrejudiciële vraag\n\nDoor de raadsman is de rechtbank verzocht om op grond van artikel 553 Sv de Hoge Raad de volgende prejudiciële vraag te stellen:\n\n“of stukken waarvan de rechter-commissaris en raadkamer in het licht van een beklagprocedure ex artikel 98 Sv onherroepelijk hebben beslist dat het geheimhoudersstukken zijn en deze vernietigd moeten worden, toch alsnog mogen worden gebruikt in het opsporingsonderzoek en in het eindprocesverbaal, indien het Hof als zittingsrechter, anders dan Rechter-Commissaris en de raadkamer, oordeelt dat dit toch geen geheimhoudersstukken betreffen”.\n\nMet inachtneming van wat de Hoge Raad heeft overwogen in het arrest van 3 februari 2026en met inachtneming van wat het Hof heeft overwogen in de zaak van verdachte in haar arrest van 31 maart 2025, is de rechtbank van oordeel dat zij (als zittingsrechter) te zijner tijd bij de inhoudelijke behandeling van de zaak, indien noodzakelijk en eventueel aan de hand van eventuele verweren van de verdediging, de opgeworpen vraag kan behandelen of bepaalde stukken die zich in het dossier bevinden wel of niet onder het verschoningsrecht vallen en daar eventueel, op de voet van artikel 359a Sv, enig rechtsgevolg aan verbinden. Nu de naar voren gebrachte rechtsvraag door de raadsman niet noodzakelijk is voor het nemen van enige beslissing in de zaak van verdachte, zoals omschreven in artikel 553, eerste lid, Sv,wijst de rechtbank het verzoektot het stellen van een prejudiciële vraagaf.\n\nNiet-ontvankelijkheid feit 3\n\nDoor de raadsman is voorts aangevoerd dat de beslissing om voor feit 3 te vervolgen uiterst onzorgvuldig is geweest en dat in strijd met de hoorplicht van artikel 167a Sv en de Aanwijzing Zeden is gehandeld. Volgens de raadsman is het OM door deze schendingen niet-ontvankelijk in de vervolging ten aanzien van feit 3.\n\nVoor de rechtbank heeft als uitgangspunt te gelden dat de door de raadsman verzochte niet-ontvankelijkheidsverklaring van het OM slechts in zeer uitzonderlijke gevallen wordt toegewezen. Ook vraagt (de inhoud van) het verweer van de raadsman om een inhoudelijke beoordeling van de relevante bewijsmiddelen en de wijze waarop die tot stand zijn gekomen. Daarvoor is het huidige stadium van de procedure - de regiebehandeling - naar het oordeel van de rechtbank té vroeg. De rechtbank verklaart het verweerom deze redenenontijdig(artikel 283, vijfde lid, Sv) en zal daarover bij de einduitspraak beslissen.\n\nDe ingediende onderzoekswensen\n\nTe horen getuigen\n\nDe raadsman heeft verzocht om de volgende na te noemen personen als getuigen te horen, waartegen de officier van justitie zich niet heeft verzet.\n\nDe rechtbank wijst toehet verzoek tot het horen van de volgende personen als getuige:\n\n [getuige 1], wonende aan de [adres 1];\n\n [getuige 2];\n\n [getuige 3], geboren op [geboortedatum 2] 1984, wonende aan de [adres 2];\n\n [getuige 4], geboren op [geboortedatum 3] 1962, wonende aan de [adres 3];\n\n [getuige 5], geboren op [geboortedatum 4] 1980, wondende aan de [adres 4];\n\n [getuige 6], wonende te [plaats];\n\n [getuige 7], wondende aan de [adres 4];\n\n [getuige 8], geboren op [geboortedatum 5] 1971, wonende aan het [adres 5].\n\nDe rechtbank overweegt dat de getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 6] ouderlingen van de Jehovah’s getuigen zijn. In deze zaak is reeds geprocedeerd over het verschoningsrecht. Het verschoningsrecht hangt samen met de geheimhoudingsplicht; verdachte moet erop kunnen vertrouwen dat wat hij de ouderling heeft medegedeeld geheim blijft. Nu de getuigen worden gehoord op verzoek van verdachte, moet worden verondersteld dat verdachte een belang heeft bij de antwoorden van deze getuigen. Verdachte zal daartoe de getuigen moeten ontslaan van hun geheimhoudingsplicht. Verdachte dient in dat geval een schriftelijke verklaring inhoudende het ontslaan van de geheimhoudingsplicht over te leggen aan de rechter-commissaris en de desbetreffende ouderling, zodat de ouderling niet verweten kan worden dat hij de geheimhoudingsplicht heeft geschonden.\n\nDe rechtbank geeft de verdediging de opdracht om de ontbrekende NAW-gegevens van de getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 6] en [getuige 7], voor zover zij deze kan achterhalen, binnen 14 dagen door te geven aan de rechter-commissaris en het OM.\n\nToevoegen BOB-stukken inzake parketnummers 08.952753.18 en 05.000421.23\n\nGelet op de toezegging van de officier van justitie in de e-mail 23 juni 2026 om, indien aanwezig, de verzochte BOB-stukken toe te voegen aan het dossier, zal de rechtbank geen beslissing nemen op dit verzoek.\n\nKennisname dossier met parketnummer 05.740392.17 met bijbehorende BOB-stukken\n\nGelet op toelichting van de officier van justitie in de e-mail van 23 juni 2026 en de daarop volgende reactie van de raadsman ter terechtzitting van 24 juni 2026, inhoudende dat hij het verzoek laat vervallen, is er geen aanleiding voor de rechtbank om een beslissing te nemen op het verzoek.\n\nKennisname verhoorregistraties\n\nDe rechtbank wijst toehet verzoek tot kennisname van alle verhoorregistraties, voor zover er van de verhoren (nog) audio-opnames beschikbaar zijn, nu deze kennisname in het belang van de verdediging is. De kennisname dient plaats te vinden op het hoofdbureau van de Politie Zwolle (Koggelaan 8, 8017 JN, Zwolle).\n\nVerzoek open verwijzing naar de rechter-commissaris\n\nDe rechtbank wijst afhet verzoek van de raadsman om de zaak open te verwijzen naar de rechter-commissaris. Met inachtneming van wat door de raadsman en de officier van justitie hierover is aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding voor inwilliging van dit verzoek.\n\nSchorsing onderzoek ter terechtzitting voor onbepaalde tijd\n\nDe rechtbank:\n\nschorst het onderzoektot de terechtzitting van22 oktober 2026. Dit betreftde inhoudelijke behandeling;\n\nbeveelt de oproeping van verdachte, zijn raadsmanen debenadeelde partijen [getuige 3]en[getuige 7]voor die terechtzitting;\n\nstelthet dossier in handen van de rechter-commissaris teneinde de toegewezen getuigen te horen en voor het overige in handen van de officier van justitie.\n\nAldus beslist door mr. B.T.C. Jordaans, voorzitter, mr. S.H. Peper en mr. V. Wolting, rechters, in aanwezigheid van mr. M.S. de Bruin, griffier.\n\n Hoge Raad, 6 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6094.\n\nHoge Raad, 3 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:171, r.o. 3.7.2 en 3.7.3.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3912","ecli-nl-rbove-2026-3912",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},"Strafrecht","uitspraak","Uitspraak",{"id":25,"ecli":26,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":27,"fullText":28,"language":7,"source":17,"sourceUrl":29,"summary":14,"slug":30,"metadata":31},"278","ECLI:NL:RBOVE:2026:3908","2026-07-07T00:00:00.000Z","RECHTBANKOVERIJSSEL\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Zwolle\n\nZaaknummer: 11939378 \\ CV EXPL 25-3408\n\nVonnis van 7 juli 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [eiseres 1] ,\n\n wonende in [woonplaats 1] , 2. [eiseres 2],\n\n wonende in [woonplaats 2] , 3. [eiseres 3],\n\n wonende in [woonplaats 3] , 4. [eiseres 4],\n\n wonende in [woonplaats 4] , 5. [eiser],\n\n wonende in [woonplaats 5] , 6. [eiseres 5],\n\n wonende in [woonplaats 6] , 7. [eiseres 6],\n\n wonende in [woonplaats 7] , 8. [eiseres 7],\n\n wonende in [woonplaats 8] , 9. [eiseres 8],\n\n wonende in [woonplaats 9] , 10. [eiseres 9],\n\n wonende in [woonplaats 10] ,\n\neisende partijen, hierna samen te noemen: [eisers] , en afzonderlijk bij hun achternaam,\n\ngemachtigde: mr. S.M.M. Hamers,\n\ntegen\n\nde stichting\n\nSTICHTING [vestigingsplaats] ZIEKENHUIS,\n\ngevestigd in [vestigingsplaats],\n\ngedaagde partij, hierna te noemen: het [vestigingsplaats] Ziekenhuis,\n\ngemachtigden: mr. M.G.N. de Jonge en mr. S.W. Kleijer.\n\n1. De kern van de zaak\n\n1.1.. Deze zaak gaat over de uitleg van de begrippen bereikbaarheidsdienst en consignatiedienst in de cao Ziekenhuizen. [eisers] vinden dat de door hen gewerkte oproepdiensten bereikbaarheidsdiensten zijn en willen daarnaar worden beloond. Het [vestigingsplaats] Ziekenhuis vindt dat sprake is van consignatiediensten.\n\n1.2.. De kantonrechter komt in deze procedure tot het oordeel dat de diensten die [eisers] werken, moeten worden aangemerkt als bereikbaarheidsdiensten. De kantonrechter stelt partijen in de gelegenheid de gevolgen van dat oordeel voor het gevorderde salaris van de verpleegkundigen in een akte nader uit te werken.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 21 oktober 2025;\n\n- de conclusie van antwoord;\n\n- de aanvullende producties van de zijde van [eisers] ;\n\n- de mondelinge behandeling van 9 juni 2026, waar beide partijen spreekaantekeningen hebben voorgedragen en overgelegd en waar de griffier aantekeningen heeft gemaakt van wat er verder is besproken.\n\n2.2.. Ten slotte heeft de kantonrechter bepaald dat vonnis zal worden gewezen.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. \n [eiseres 1] , [eiseres 2] , [eiseres 3] en [eiseres 4] zijn bij het [vestigingsplaats] Ziekenhuis werkzaam (geweest) als Specialistisch Verpleegkundige Dialyse op de afdeling Dialyse. [eiseres 1] werkt inmiddels in een ander ziekenhuis en [eiseres 3] op een andere afdeling.\n\n3.2.. \n [eiser] , [eiseres 5] , [eiseres 6] , [eiseres 7] , [eiseres 8] en [eiseres 9] zijn bij het [vestigingsplaats] Ziekenhuis werkzaam als Laborant Hartfunctie op de afdeling Cardiologie.\n\n3.3.. Op de arbeidsovereenkomsten van deze medewerkers is de cao Ziekenhuizen van toepassing. In de cao Ziekenhuizen 2023-2025 is het volgende opgenomen:\n\n“Artikel 10.1 Definities\n\n1. Onder bereikbaarheidsdienst wordt verstaan een aaneengesloten periode van ten hoogste 24 uren waarin de werknemer, naast de bedongen arbeid, verplicht is om bereikbaar te zijn om op oproep zo spoedig mogelijk de bedongen arbeid te verrichten.\n\n2. Indien de werknemer na oproep binnen 15 minuten op de werkplek aanwezig dient te zijn om onmiddellijk de arbeid te kunnen verrichten, dan wordt de bereikbaarheidsdienst aangemerkt als een aanwezigheidsdienst in de zin van de Arbeidstijdenwet en wordt deze dienst bovendien conform artikel 10.5a en 10.6 vergoed als aanwezigheidsdienst.\n\n3. Onder aanwezigheidsdienst wordt verstaan een aaneengesloten periode van ten hoogste 24 uren waarin de werknemer, naast de bedongen arbeid, verplicht is op de arbeidsplaats aanwezig te zijn om op oproep zo spoedig mogelijk de bedongen arbeid te verrichten.\n\n4. Onder consignatie wordt verstaan een periode tussen twee opeenvolgende diensten of tijdens een pauze, waarin de werknemer uitsluitend verplicht is bereikbaar te zijn om in geval van onvoorziene omstandigheden, zoals spoedgevallen en storingen, op oproep zo spoedig mogelijk de bedongen arbeid te verrichten.\n\n5. In de lid 1, 3 en 4 genoemde diensten wordt aangesloten bij de wettelijke definities.\n\n(…)\n\n3.4.. Deze definities van de verschillende diensten stonden ook in de cao 2021-2023 en zijn gehandhaafd in de cao 2025-2027.\n\n3.5.. De toelichting bij artikel 10.1 uit de cao vermeldt het volgende:\n\n“10.1 Verschil bereikbaarheidsdienst en consignatiedienst\n\nEen bereikbaarheidsdienst is een bijzondere vorm van consignatie. Verschil is dat bij een bereikbaarheidsdienst vooraf al duidelijk is dat er 1 of meer oproepen zullen volgen. Daarnaast kent een bereikbaarheidsdienst ook afwijkende bepalingen voor wat betreft het maximaal aantal bereikbaarheidsdiensten en arbeidsduur.\n\nEen bereikbaarheidsdienst inclusief de afwijkende bepalingen mag alleen worden toegepast in de sectoren genoemd in het arbeidstijdenbesluit. Het arbeidstijdenbesluit stelt dat de bereikbaarheidsdienst uitsluitend van toepassing is op arbeid die bestaat uit verpleging of verzorging. Met de volgende nadere toelichting: “verpleging en verzorging: de verpleging, de verzorging, de begeleiding, de medische behandeling of het medisch onderzoek van personen in verband met hun lichamelijke of geestelijke gesteldheid dan wel hun gevorderde leeftijd”\n\nHet verschil tussen consignatie en bereikbaarheidsdienst is dat het opgeroepen worden in een bereikbaarheidsdienst een normaal onderdeel is van de functie en dus niet alleen plaatsvindt in noodgevallen. Denk bijvoorbeeld aan een verloskundige.\n\nNog een verschil is dat er in het geval van een consignatie dienst 14 oproepvrije dagen in 28 dagen zijn. Het aantal oproepdiensten is daarmee wel beperkt.\n\nOmdat een bereikbaarheidsdienst een grotere belasting kan zijn voor een werknemer zou je kunnen beargumenteren dat de compensatie hiervoor ook hoger is dan voor een consignatiedienst. Bij consignatie is tenslotte niet altijd zeker dat er een oproep volgt en zijn er minimaal 14 oproepvrije dagen (in 28 dagen).\n\nsamengevat: er is sprake van een bereikbaarheidsdienst bij een samenloop van: Oproep is normaal onderdeel van de functie; vrijwel zeker dat er 1 of meerdere oproepen volgen; specifiek voor bepaalde functies in de zorg.”\n\n3.6.. In de cao 2021-2023 werden de BAC-diensten (bereikbaarheidsdiensten, aanwezigheidsdiensten en consignatiediensten) tot 1 juli 2022 gelijk beloond. In de cao 2021-2023 is vanaf 1 juli 2022 een verhoging in de beloning van bereikbaarheidsdiensten ingevoerd, waardoor de bereikbaarheidsdiensten vanaf dat moment beter werden beloond dan consignatiediensten. In de cao 2023-2025 is de beloning voor bereikbaarheidsdiensten per 1 juli 2023 verder gewijzigd. In de cao 2025-2027 zijn de beloningen gelijk gebleven aan die van de cao 2023-2025.\n\n3.7.. Vanaf 1 maart 2024 is het [vestigingsplaats] Ziekenhuis de oproepdiensten gaan aanmerken en belonen als consignatiediensten.\n\n4. Het geschil\n\n4.1.. \n\n [eisers] willen dat het [vestigingsplaats] Ziekenhuis de consignatiediensten – met terugwerkende kracht – als bereikbaarheidsdiensten gaat kwalificeren en belonen. Daarom vorderen [eisers] – samengevat – dat de kantonrechter het [vestigingsplaats] Ziekenhuis zal veroordelen om:\n\nten aanzien van [eiseres 1] , [eiseres 2] , [eiseres 3] en [eiseres 4] :\n\n- binnen vijf dagen na de datum van het vonnis de aan [eiseres 1] , [eiseres 2] , [eiseres 3] en [eiseres 4] toegekende vergoeding (in geld en\u002Fof tijd) betreffende de consignatiediensten in de periode van 1 maart 2024 tot 1 juli 2025 vast te stellen (inclusief specificatie) en te delen met [eiseres 1] , [eiseres 2] , [eiseres 3] en [eiseres 4] , op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag dat het [vestigingsplaats] Ziekenhuis niet aan deze veroordeling voldoet, met een maximum van € 50.000,00;\n\n- binnen veertien dagen na de datum van het vonnis het te laat betaalde salaris (het verschil tussen hetgeen het [vestigingsplaats] Ziekenhuis had moeten betalen en hetgeen zij heeft betaald) aan [eiseres 1] , [eiseres 2] , [eiseres 3] en [eiseres 4] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente en de maximale wettelijke verhoging, te vermeerderen met de wettelijke rente;\n\nten aanzien van [eiser] , [eiseres 5] , [eiseres 6] , [eiseres 7] , [eiseres 8] en [eiseres 9] :\n\n- binnen zeven dagen na de datum van het vonnis het door hen berekende achterstallige loon (het verschil tussen hetgeen het [vestigingsplaats] Ziekenhuis had moeten betalen en hetgeen zij heeft betaald) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente en de maximale wettelijke verhoging, te vermeerderen met de wettelijke rente;\n\nen in alle gevallen dat de kantonrechter:\n\n- voor recht zal verklaren dat het [vestigingsplaats] Ziekenhuis vanaf 1 maart 2024 ten onrechte oproepdiensten heeft gekwalificeerd (en beloond) als zijnde consignatiediensten en dat het [vestigingsplaats] Ziekenhuis vanaf 1 maart 2024 de consignatiediensten (met terugwerkende kracht) dient te kwalificeren (en te belonen) als bereikbaarheidsdiensten;\n\n- voor recht zal verklaren dat het [vestigingsplaats] Ziekenhuis de cao Ziekenhuizen (2023-2025) onjuist interpreteert door ervan uit te gaan dat pas sprake kan zijn van een bereikbaarheidsdienst in het geval van een oproepfrequentie hoger dan 30%;\n\n- het [vestigingsplaats] Ziekenhuis zal veroordelen om binnen zeven dagen na de datum van het vonnis deugdelijke salarisspecificaties aan [eisers] te verstrekken in de periode van 1 maart 2024 tot heden, op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag dat het [vestigingsplaats] Ziekenhuis niet aan deze veroordeling voldoet, met een maximum van € 25.000,00;\n\n- het [vestigingsplaats] Ziekenhuis zal veroordelen om de buitengerechtelijke incassokosten van € 884,12 te betalen;\n\n- met veroordeling van het [vestigingsplaats] Ziekenhuis in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n4.2.. Het [vestigingsplaats] Ziekenhuis voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] , met veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure.\n\n5. De beoordeling\n\nHet geschil5.1.. In deze zaak is tussen partijen in geschil of de diensten van de verpleegkundigen op de afdelingen Cardiologie en Dialyse moeten worden aangemerkt als consignatiediensten of als bereikbaarheidsdiensten. In de cao Ziekenhuizen wordt onderscheid gemaakt tussen bereikbaarheids-, aanwezigheids- en consignatiediensten. In de cao staan definities van deze diensten (die overigens vrijwel gelijk zijn aan de definities in de Arbeidstijdenwet en het Arbeidstijdenbesluit). Aanvankelijk was het onderscheid tussen de diensten niet relevant, omdat de diensten hetzelfde werden beloond. Dit werd anders toen de vergoeding voor bereikbaarheidsdiensten in de cao per 1 juli 2022 werd verhoogd. Aanvankelijk heeft het [vestigingsplaats] Ziekenhuis voor de oproepdiensten van [eisers] de hogere vergoeding voor bereikbaarheidsdiensten betaald, maar sinds 1 maart 2024 merkt het [vestigingsplaats] Ziekenhuis de oproepdiensten van de verpleegkundigen aan als consignatiediensten.\n\n5.2.. \n [eisers] willen dat de door het [vestigingsplaats] Ziekenhuis als consignatiediensten vergoede oproepdiensten per 1 maart 2024 alsnog worden aangemerkt en beloond als bereikbaarheidsdiensten. [eisers] stellen zich op het standpunt dat de diensten van de verpleegkundigen in deze zaak bereikbaarheidsdiensten zijn. De verpleegkundigen stellen dat de oproepdiensten die zij draaien altijd bereikbaarheidsdiensten zijn geweest. Het verschil tussen een bereikbaarheidsdienst en een consignatiedienst zit volgens [eisers] in de voorzienbaarheid van de oproep. In de praktijk is een oproep voorzienbaar en een normaal onderdeel van de werkzaamheden. [eisers] weerspreken het oproeppercentage dat het [vestigingsplaats] Ziekenhuis stelt. Volgens [eisers] is duidelijk dat de verpleegkundige met oproepdienst in veel diensten zal worden opgeroepen en dat zorg zal moeten worden verleend. Dat is dus geen onvoorziene omstandigheid, aldus [eisers]\n\n5.3.. Het [vestigingsplaats] ziekenhuis heeft de diensten aangemerkt als consignatiediensten in plaats van bereikbaarheidsdiensten. Volgens het [vestigingsplaats] Ziekenhuis is pas sprake van een bereikbaarheidsdienst wanneer vrijwel zeker is dat een oproep zal volgen, maar alleen onduidelijk is op welk moment. Volgens het [vestigingsplaats] Ziekenhuis vindt maar in een beperkt aantal oproepdiensten (voor sommige diensten maar in 2 à 3 procent van de gevallen) een oproep plaats. Het [vestigingsplaats] Ziekenhuis heeft naar aanleiding van de nieuwe cao 2023-2025 beleid ontwikkeld om de oproepdiensten te kunnen onderverdelen in consignatiediensten en bereikbaarheidsdiensten. Daarin gaat het [vestigingsplaats] Ziekenhuis er kort gezegd van uit dat als een medewerker in de praktijk in minder dan 30% van de gevallen wordt opgeroepen tijdens een dienst, de dienst als consignatiedienst heeft te gelden. Daarbij merkt het [vestigingsplaats] Ziekenhuis op dat zij nog een ruime uitleg hanteert, omdat ‘zeker’ of ‘vrijwel zeker’ eigenlijk neerkomt op een percentage van (bijna) 100%. Nu het gemiddeld aantal oproepen van de verpleegkundigen onder de 30% ligt, is volgens het [vestigingsplaats] Ziekenhuis geen sprake van een zekere of vrijwel zekere oproep. Daarom is volgens het ziekenhuis sprake van consignatiediensten. Volgens het [vestigingsplaats] Ziekenhuis wordt de cao hiermee binnen de hele organisatie in gelijke omstandigheden op dezelfde manier toegepast.\n\n5.4.. Partijen interpreteren de begrippen bereikbaarheidsdienst en consignatiedienst in het [vestigingsplaats] Ziekenhuis op een verschillende manier. [eisers] redeneren vanuit het begrip onvoorziene omstandigheden zoals is vereist voor een consignatiedienst en komen vanwege de voorzienbaarheid en aard van de tijdens een oproepdienst te verrichten werkzaamheden tot de conclusie dat geen sprake is van een consignatiedienst. Het [vestigingsplaats] Ziekenhuis redeneert vanuit het feit dat in de toelichting op de Arbeidstijdenwet en de cao wordt uitgelegd dat bij een bereikbaarheidsdienst een oproep ‘zeker’ of anders ‘vrijwel zeker’ is. Het [vestigingsplaats] Ziekenhuis koppelt daar een percentage van 30% aan en betoogt dat als er een kans van minder dan 30% is dat een verpleegkundige in een dienst wordt opgeroepen, er dus geen sprake is van een zekere of vrijwel zekere oproep en dus niet van een bereikbaarheidsdienst.\n\n5.5.. De kantonrechter is van oordeel dat gelet op het kenmerkende verschil in de definities van onvoorziene omstandigheden, de diensten moeten worden aangemerkt als bereikbaarheidsdiensten en motiveert dat oordeel als volgt.\n\nHet toetsingskader5.6.. In de cao Ziekenhuizen is opgenomen wat moet worden verstaan onder consignatiediensten en bereikbaarheidsdiensten. Partijen verschillen van mening over de uitleg hiervan. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet een cao worden uitgelegd aan de hand van de zogeheten cao-norm. Deze norm houdt in dat een bepaling in een cao naar objectieve maatstaven moet worden uitgelegd, waarbij in beginsel de bewoordingen van die bepaling, gelezen in het licht van de gehele tekst van de cao, van doorslaggevende betekenis zijn. Daarmee komt het niet aan op de bedoelingen van de partijen die de cao tot stand hebben gebracht, voor zover deze niet uit de daarin opgenomen bepalingen kenbaar zijn, maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen van de cao. Bij deze uitleg kan onder meer acht worden geslagen op de elders in de cao gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden. Ook de bewoordingen van de eventueel bij de cao behorende schriftelijke toelichting moeten bij de uitleg van de cao worden betrokken. Indien de bedoeling van de partijen bij de cao naar objectieve maatstaven volgt uit de cao-bepalingen en de eventueel daarbij behorende schriftelijke toelichting, en dus voor de individuele werknemers en werkgevers die niet bij de totstandkoming van de overeenkomst betrokken zijn geweest, kenbaar is, kan ook daaraan bij de uitleg betekenis worden toegekend.\n\nUitleg van de cao5.7.. De definities van bereikbaarheidsdienst en consignatiedienst in de cao verschillen van elkaar in die zin dat bij een consignatiedienst de werknemer uitsluitend verplicht is bereikbaar te zijn om in geval van onvoorziene omstandigheden de bedongen arbeid te verrichten. Als voorbeelden van onvoorziene omstandigheden worden in de cao spoedgevallen en storingen genoemd. Bij een bereikbaarheidsdienst is de werknemer verplicht om bereikbaar te zijn om de bedongen arbeid te verrichten, waarbij de eis van onvoorziene omstandigheden dus niet wordt gesteld. Uitgaande van de tekst van de cao wordt het verschil tussen de bereikbaarheidsdienst en de consignatiedienst dus bepaald door het al dan niet aanwezig zijn van onvoorziene omstandigheden. Deze definities sluiten aan bij de definities in de Arbeidstijdenwet.\n\n5.8.. In de toelichting bij artikel 10.1 van de cao komt het begrip onvoorziene omstandigheden niet terug. Wel wordt daarin vermeld dat sprake is van een bereikbaarheidsdienst wanneer vrijwel zeker is dat er 1 of meerdere oproepen zullen volgen. Dit sluit aan bij de Memorie van Toelichting bij de Arbeidstijdenwet, waarin over het begrip onvoorziene omstandigheden is opgemerkt: “Bij een consignatiedienst moet de werknemer bereikbaar zijn om in geval van onvoorziene omstandigheden zo spoedig mogelijk de bedongen arbeid te verrichten. Bij een bereikbaarheidsdienst is op voorhand duidelijk dat een of meer oproepen zullen plaatsvinden om zo spoedig mogelijk arbeid te verrichten.”In de toelichting op de cao wordt ten aanzien van het verschil tussen een consignatiedienst en een bereikbaarheidsdienst ook vermeld dat het opgeroepen worden in een bereikbaarheidsdienst een normaal onderdeel is van de functie en dus niet alleen plaatsvindt in noodgevallen. Daarnaast wordt beschreven dat de bereikbaarheidsdienst in het Arbeidstijdenbesluit mogelijk is gemaakt voor beroepen in de verpleging en de verzorging.\n\n5.9.. Hieruit volgt dat aan de hand van het begrip ‘onvoorziene omstandigheden’ moet worden vastgesteld of sprake is van een consignatiedienst. Dat is kenmerkend voor de consignatiedienst. Bij een bereikbaarheidsdienst is op voorhand duidelijk dat een of meer oproepen zullen plaatsvinden. In de toelichting op de cao staat daarover dat de oproep bij een bereikbaarheidsdienst vrijwel zeker is. Daarnaast is van belang of het opgeroepen worden een normaal onderdeel van de functie van de verpleegkundigen is.\n\n5.10.. Bij de oproepdiensten van de verpleegkundigen in deze zaak is geen sprake van onvoorziene omstandigheden. Tijdens de zitting hebben [eisers] toegelicht dat het gaat om normale zorgwerkzaamheden van een verpleegkundige (voortvloeiend uit de aard van het werk) die voortduren in het weekend of in de avond. Het gaat niet (alleen) om nieuwe spoedgevallen die niet voorzienbaar zijn. Ter zitting heeft [eiseres 1] namens de medewerkers van de afdeling Dialyse toegelicht dat vaak een dag van tevoren al duidelijk is of de oproepbare medewerker de dag erna terug moet komen voor het voortzetten van een behandeling. [eiser] heeft namens de medewerkers van de afdeling Cardiologie toegelicht dat van de patiënten die bijvoorbeeld op vrijdag binnenkomen al vast staat dat zij op zaterdag moeten worden onderzocht, omdat dat onderzoek nu eenmaal binnen 24 uur moet plaatsvinden. Doordeweeks voeren de medewerkers met een reguliere dienst dit onderzoek uit, in het weekend wordt die behandeling uitgevoerd door de medewerkers met een oproepdienst. In de gevallen die deze medewerkers hebben beschreven zijn een oproep en de te verrichten werkzaamheden niet onvoorzien. Zij hebben ook toegelicht dat ze met een oproepdienst in de praktijk rekening (moeten) houden bij hun privéplannen gedurende de dienst. Er is dus geen sprake van onvoorziene omstandigheden zoals bedoeld in de definitie van een consignatiedienst. Ook de werkzaamheden die het [vestigingsplaats] Ziekenhuis beschrijft, zoals het uitvoeren van een katheterisatie of een acute dialysebehandeling en het bieden van ondersteuning bij complicaties of acute medische problemen, kunnen niet als (het gevolg van) onvoorziene omstandigheden worden aangemerkt. Ook dit zijn werkzaamheden die voortvloeien uit de aard van het werk in de zorg. De aard van dit werk brengt mee dat op elk moment een extra verpleegkundige op de afdeling nodig kan zijn. Van werkelijk onvoorziene omstandigheden is dan geen sprake. Naar het oordeel van de kantonrechter zijn de oproepen dan ook een normaal onderdeel van de functie van de verpleegkundigen.\n\n5.11.. Zoals hiervoor is overwogen, is daarbij tevens van belang dat de werkzaamheden die de verpleegkundigen ter zitting hebben beschreven een normaal onderdeel van de functie zijn. Er is niet (altijd) sprake van noodgevallen. Aan de hand van de toelichting op de cao leidt dat eveneens tot de conclusie dat sprake is van een bereikbaarheidsdienst. Deze uitleg sluit aan bij het feit dat bereikbaarheidsdiensten in § 5.19 van het Arbeidstijdenbesluit specifiek voor onder andere de beroepsgroep ‘verpleging en verzorging’ mogelijk zijn gemaakt; deze diensten zijn dan ook geschikt en gebruikelijk voor personeel in de zorg. Deze uitleg staat ook in de toelichting bij de cao.\n\n5.12.. Het standpunt van het [vestigingsplaats] Ziekenhuis dat bij de diensten van deze verpleegkundigen sprake is van consignatiediensten kan niet worden gevolgd. Het [vestigingsplaats] Ziekenhuis heeft uitgelegd dat zij heeft gezocht naar een hanteerbare norm om de diensten in het ziekenhuis te duiden. Het [vestigingsplaats] Ziekenhuis hanteert vanuit het begrip ‘(vrijwel) zeker’ onder andere als onderscheidende grens een oproepfrequentie van 30%. Als het percentage oproepen voor een dienst lager is, is volgens het [vestigingsplaats] Ziekenhuis in beginsel geen sprake van een bereikbaarheidsdienst, maar van een consignatiedienst. Die uitleg en de feitelijke toepassing daarvan volgen echter niet uit de cao en de toelichting daarop. Een lage oproepfrequentie maakt de oproep en de werkzaamheden gelet op het voorgaande niet direct onvoorzien. Het [vestigingsplaats] Ziekenhuis baseert de kans dat iemand in een dienst wordt opgeroepen bovendien op het gemiddeld aantal oproepen in de periode daarvoor. Het [vestigingsplaats] Ziekenhuis geeft daarmee een invulling aan de cao en de daarin genoemde eis van onvoorziene omstandigheden die niet uit de tekst van de cao volgt. Zoals hiervoor is overwogen is niet de oproepfrequentie op zichzelf doorslaggevend voor de vraag of bij de oproep sprake is van onvoorziene omstandigheden, maar de aard en voorzienbaarheid van de werkzaamheden. Ondanks het relatief lage aantal oproepen (partijen verschillen van mening over het percentage, maar tussen partijen staat wel vast dat dit onder de 30% ligt) kan niet worden aangenomen dat de oproepdiensten gericht zijn op onvoorziene omstandigheden zoals bij consignatiediensten is vereist. Het is niet in lijn met de cao om op basis van een percentage te bepalen of sprake is van een consignatiedienst. Dat op voorhand niet per dienst te zeggen is met welk percentage van zekerheid de oproepbare medewerker zal worden opgeroepen, is dan ook niet voldoende om te oordelen dat de werkzaamheden het gevolg zijn van onvoorziene omstandigheden. De diensten van [eisers] kunnen niet worden aangemerkt als consignatiedienst in de zin van de cao.\n\n5.13.. De stelling van het [vestigingsplaats] Ziekenhuis dat het bestaan van een consignatiedienst illusoir zou worden wanneer de oproepdiensten van deze verpleegkundigen als een bereikbaarheidsdienst zouden worden aangemerkt, volgt de kantonrechter niet. Dit is afhankelijk van de reden en aard van de dienst. Bovendien is een consignatiedienst bijvoorbeeld ook mogelijk voor andere medewerkers in het ziekenhuis die zich niet direct met zorgverlening bezig houden, zoals ook ter zitting aan de orde is gekomen.\n\nConclusie5.14.. Uit het voorgaande volgt dat de diensten van de verpleegkundigen in deze zaak moeten worden aangemerkt als bereikbaarheidsdiensten in de zin van de cao. Het [vestigingsplaats] Ziekenhuis dient vanaf 1 maart 2024 de consignatiediensten (met terugwerkende kracht) te kwalificeren en te belonen als bereikbaarheidsdiensten. De daarop gerichte verklaringen voor recht zullen in het eindvonnis worden toegewezen.\n\nDe loonvorderingen5.15.. Ten aanzien van de loonvorderingen van [eisers] overweegt de kantonrechter als volgt. [eisers] heeft de loonvorderingen per medewerker berekend. De hoogte van deze loonvorderingen wordt door het [vestigingsplaats] Ziekenhuis betwist, in die zin dat zij de hoogte van de uurlonen betwist. Volgens het [vestigingsplaats] Ziekenhuis heeft [eisers] met de huidige hoogte van de lonen gerekend, in plaats van met het geldende loon ten tijde van de ingeroosterde diensten. Ook voert het [vestigingsplaats] Ziekenhuis aan dat niet met de juiste duur van diensten is gerekend. Zoals besproken tijdens de zitting zullen [eisers] in de gelegenheid worden gesteld de (uitgangspunten voor de) loonvorderingen schriftelijk nader toe te lichten. Ook kunnen [eisers] dan reageren op het aantal diensten dat het [vestigingsplaats] Ziekenhuis in nr. 3.35. van de conclusie van antwoord heeft genoemd.\n\n5.16.. \n [eisers] zullen in de gelegenheid worden gesteld om op een termijn van vier weken een akte te nemen over hetgeen in 5.15. is overwogen. Daarna mag het [vestigingsplaats] Ziekenhuis op een termijn van vier weken een antwoordakte nemen.\n\n5.17.. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.\n\n6. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n6.1.. stelt [eisers] in de gelegenheid om op een termijn van vier weken, dus op de rol van 4 augustus 2026, een akte nemen over het bepaalde in r.o. 5.15., waarna het [vestigingsplaats] Ziekenhuis op een termijn van vier weken een antwoordakte mag nemen;\n\n6.2.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. D.N.R. Wegerif en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.(SB)\n\no.a. HR 26 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5961 en recenter HR 24 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1622.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3908","ecli-nl-rbove-2026-3908",{"courtName":6,"legalDomain":32,"decisionType":22,"procedureType":23},"Civiel recht",{"id":34,"ecli":35,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":36,"fullText":37,"language":7,"source":17,"sourceUrl":38,"summary":14,"slug":39,"metadata":40},"963","ECLI:NL:GHARL:2026:4369","2026-07-03T00:00:00.000Z","Afdeling strafrecht\n\nParketnummer: 21-003929-25\n\nUitspraakdatum: 3 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle , gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle , van 17 september 2025 met parketnummer 84-313500-24 in de strafzaak tegen\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1969 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),\n\nwonende te [woonadres] .\n\nHoger beroep\n\nVerdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voornoemd vonnis van de politierechter.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 19 juni 2026 en het onderzoek op de terechtzitting van de politierechter.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot veroordeling van verdachte ten aanzien van het primair ten laste gelegde feit tot een taakstraf van 120 uren, waarvan 60 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.\n\nVerder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. E. Düsünceli, hebben aangevoerd.\n\nHet vonnis\n\nDe politierechter heeft verdachte vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit en veroordeeld ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde feit tot een taakstraf van 90 uren, bij niet naar behoren uitvoeren te vervangen door 45 dagen hechtenis.\n\nHet hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs en een andere strafoplegging dan de politierechter. Het hof zal daarom het vonnis van de politierechter vernietigen en opnieuw rechtdoen.\n\nTenlastelegging\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\nprimair\n\n hij op of omstreeks 15 september 2022 te [plaats] , althans in Nederland, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals en\u002Fof vervalst geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een arbeidsovereenkomst op naam van verdachte bij [bedrijf] , als ware het echt en onvervalst, door deze overeenkomst door tussenkomst van een derde te laten indienen bij het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen;\n\nsubsidiair\n\n Hij in of omstreeks de periode van 3 januari 2021 tot en met 13 november 2022 te [plaats] , althans in Nederland, in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten de inlichtingenplicht op grond van artikel 49 Ziektewet (ZW), opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken en dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een uitkering op grond van de Ziektewet, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, door niet aan het UWV te melden dat hij, verdachte, geen feitelijke dienstbetrekking heeft gehad voorafgaand aan de verstrekking of tegemoetkoming, waardoor over genoemde periode (wekelijks) door het UWV uitbetalingen zijn gedaan, in het kader van de toegekende ZW-uitkering, op de bankrekening van verdachte, waarop hij, verdachte, geen recht had.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nBewijsoverweging\n\nStandpunt van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich ten aanzien van het primair ten laste gelegde feit op het standpunt gesteld dat verdachte hiervan vrijgesproken moet worden. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat een geschrift enkel vals is als het een onjuiste voorstelling van zaken geeft. Dit was in dit geval niet aan de orde. Er was geen sprake van een gefingeerd dienstverband. De arbeidsovereenkomst was dus geldig. Dat bij het opstellen van de overeenkomst fouten zijn gemaakt, maakt dit niet anders. Verdachte heeft werkzaamheden verricht voor het bedrijf van medeverdachte. Hiervoor heeft hij loon ontvangen en hierover is ook loonbelasting afgedragen. Het afgesproken loon stond bovendien in verhouding tot de ervaring die verdachte had en de omzet die hij genereerde voor het bedrijf. Verdachte was vooral in de buitendienst werkzaam, maar vanwege zijn ervaring had hij hierin wel een hoofdrol en nam hij ook de leiding ten opzichte van ander personeel. Hij kwam daarmee mede in de logistiek of de planning terecht. Verder zijn er tal van klanten van het bedrijf die verklaard hebben dat zij zakelijk contact hebben gehad met verdachte. De bedragen die verdachte terugboekte, hadden betrekking op het terugbetalen van een lening voor het financieren van zijn longoperatie in Turkije . De arbeidsovereenkomst is niet opgesteld met de bedoeling om te misleiden, maar met de bedoeling om een arbeidssituatie vast te stellen. Niemand heeft kunnen voorspellen dat verdachte ernstig ziek zou worden en zou uitvallen. Er is geen sprake van een vals geschrift en daarmee ook geen sprake van opzet op misleiding. Verdachte moet dan ook worden vrijgesproken van het onder parketnummer 84-335368-24 ten laste gelegde feit.\n\nOordeel van het hof\n\nHet hof is van oordeel dat het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden op grond van de bewijsmiddelenuit het dossier. Het hof twijfelt niet aan de juistheid en betrouwbaarheid van deze bewijsmiddelen. Hiertoe overweegt het hof in het bijzonder als volgt.\n\nUit het dossier blijk dat verdachte een arbeidsovereenkomst heeft ondertekend voor bepaalde tijd bij [bedrijf] , te weten vanaf 1 juli 2021 tot en met 31 december 2021.Dit betreft het bedrijf waarvan medeverdachte (de zoon van verdachte) als bestuurder en algemeen directeur staat ingeschreven bij de KvK.In de arbeidsovereenkomst wordt verder vermeld dat [bedrijf] gevestigd is aan de [adres] te [plaats] , dat medeverdachte als werkgever optreedt en dat verdachte als werknemer optreedt.In het strafdossier bevindt zich tevens een (gelijkluidende) arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Verder geldt dat verdachte, kort na de op de overeenkomst genoteerde aanvangsdatum van 1 juli 2021, namelijk sinds 6 augustus 2021, is ziekgemeld.Hierdoor heeft het UWV verdachte met ingang van 3 januari 2022 tot en met 7 november 2022 een Ziektewet- uitkering toegekend en uitgekeerd.\n\nHet UWV heeft in het kader van het Themaonderzoek Gefingeerde Dienstverbanden onderzoek gedaan naar het betreffende dienstverband.In dit kader is verdachte op 7 september 2022, in het bijzijn van zijn advocaat Rosbach, gehoord op de locatie van het UWV te [plaats] .Na dit verhoor heeft verdachte, naar eigen zeggen, door tussenkomst van een ander (zijn toenmalige advocaat Rosbach of zijn zoon, hij weet het niet precies meer) een kopie van voornoemde arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd naar het UVW gestuurd.Op 26 september 2022 zijn de onderzoeksbevindingen gerapporteerd door de afdeling Handhaving van het UWV.Het UWV stelt zich in dit rapport op het standpunt dat verdachte niet verzekerd was voor de Ziektewet, omdat niet is voldaan aan de voorwaarden voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Verdachte had daarmee volgens het UWV geen recht op de aan hem gedane uitbetalingen in het kader van de toegekende Ziektewet-uitkering.\n\nAan verdachte is primair ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het gebruikmaken van een vals geschrift door de desbetreffende arbeidsovereenkomst door tussenkomst van een derde naar het UVW te sturen. Om tot een bewezenverklaring van dit feit te komen is vereist dat de verzonden (kopie)overeenkomst vals was. Met andere woorden: er moet geen sprake zijn geweest van een daadwerkelijke privaatrechtelijke dienstbetrekking. Derhalve dient het hof te beoordelen of hier al dan niet sprake van is geweest.\n\nOm dit te kunnen beoordelen dient het hof na te gaan of aan de cumulatieve vereisten voor het aannemen van een dergelijke dienstbetrekking is voldaan.Eén van deze vereisten is dat verdachte persoonlijk arbeid heeft verricht voor het bedrijf van medeverdachte. Naar het oordeel van het hof is aan dit vereiste niet voldaan. Op basis van het dossier is onvoldoende aannemelijk geworden dat verdachte daadwerkelijk voor [bedrijf] heeft gewerkt. Tijdens zijn hoorgesprek bij het UVW heeft verdachte verklaard dat hij vestigingsmanager was, dat het bedrijf in het pand aan de [adres] te [plaats] was gevestigd en dat dit ook zijn werklocatie was.Verdachte heeft echter op de zitting in hoger beroep verklaard dat hij dit niet tegenover de medewerkers van het UWV heeft verklaard en dat zij dit verkeerd hebben opgeschreven in het verslag. Verdachte heeft zijn stelling op dit punt niet nader onderbouwd, werd tijdens het betreffende verhoor bijgestaan door zijn advocaat en heeft het hoorverslag naderhand ook ondertekend.Bovendien komt de inhoud van zijn verklaring bij het UVW overeen met de functie die verdachte werd toebedeeld in de desbetreffende arbeidsovereenkomst, te weten dat van vestigingsmanager.Derhalve ziet het hof geen aanleiding om eraan te twijfelen dat de inhoud van het betreffende verslag overeenkomt met wat verdachte daadwerkelijk tegenover de medewerkers van het UWV heeft verklaard. Op de inhoud van deze verklaring is verdachte teruggekomen. Dit door op de zitting van de politierechter te verklaren dat hij geen manager was, maar in de buitendienst werkte en dat hij één keer in het betreffende pand is geweest.Op de zitting van de politierechter heeft verdachte ter ondersteuning van deze verklaring 3 geschreven verklaringen overgelegd van klanten die met hem samen zouden hebben gewerkt in de zomer van 2021. Op de zitting van het hof heeft verdachte ook verklaard dat hij in de buitendienst werkte en dat hij één keer in het pand is geweest om spullen te halen, daaraan heeft hij toegevoegd dat hij voor die ene keer ook nog twee keer in het pand is geweest.Los van het gegeven dat het verschil in verdachtes verklaringen over zijn functie opmerkelijk is, worden zij weerlegd door de inhoud van het dossier. Uit het dossier volgt namelijk dat het huurcontract voor het betreffende pand per 30 april 2021 is beëindigd.Dit terwijl uit de betreffende arbeidsovereenkomst tussen verdachte en [bedrijf] blijkt dat deze is aangegaan voor de periode vanaf zo’n 2 maanden daarna, te weten vanaf 1 juli 2021 tot en met 31 december 2021.Een en ander brengt met zich mee dat het niet zo geweest kan zijn dat verdachte vanaf 1 juli 2021 enige werkzaamheden, al dan niet als vestigingsmanager, in het desbetreffende pand heeft verricht. Dit wordt door de verklaring van de verhuurder van het pand bevestigd.Dit maakt in samenhang met verdachtes inconsistente verklaring en de inhoud van de desbetreffende arbeidsovereenkomst dat het hof van oordeel is dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte daadwerkelijk arbeid heeft verricht voor [bedrijf] in de periode waarop de arbeidsovereenkomst betrekking had. Gelet op het hiervoor overwogene en een gebrek aan de mogelijkheid ter verificatie van de inhoud ervan, maken de door verdachte bij de politierechter overgelegde schriftelijke verklaringen dit oordeel van het hof niet anders.\n\nEen tweede vereiste is dat loon wordt betaald. Op basis van het dossier stelt het hof vast dat ook aan dit vereiste niet is voldaan. Hiervoor acht het hof allereerst van belang dat uit de arbeidsovereenkomst blijkt dat het overeengekomen loon niet strookt met de bedragen waar loonaangifte voor wordt gedaan. Zo blijkt uit de arbeidsovereenkomst dat een loon overeen is gekomen van € 4.750.00 per maand, terwijl er loonaangifte wordt gedaan van € 7.942,04 per maand. Daarbij komt dat er geen vakantiegeld is betaald via de banken er 100% in plaats van 80% van het loon is doorbetaald bij ziekte, zoals vermeld wordt in de arbeidsovereenkomst.Tevens komen de nettoloonbetalingen die op de rekening van verdachte worden gestort niet overeen met de nettobetalingen die vermeld zijn op de loonstroken.Van doorslaggevend belang is echter dat uit de bankafschriften van verdachte blijkt dat hij vrijwel na iedere salarisbetaling op zijn rekening, binnen enkele minuten, een bijna gelijk bedrag heeft overgeboekt naar de bankrekening van medeverdachte of een andere zoon van verdachte met in de omschrijving “(terugbetaling) lening”.Dit had tot gevolg dat verdachte vrijwel al zijn inkomen, direct nadat hij het overgeboekt kreeg, weer van zijn rekening heeft weggeboekt. Verdachte heeft op de zitting van het hof hierover verklaard dat de terugboekingen zagen op de terugbetaling van een lening van zijn zoons zodat hij zijn longoperatie kon betalen.Deze verklaring, die door verdachte overigens op geen enkele wijze is onderbouwd, acht het hof in het licht van het hiervoor overwogene ongeloofwaardig en schuift het hof terzijde.\n\nEen en ander brengt met zich mee dat niet is voldaan aan de vereisten die nodig zijn om te kunnen spreken van een feitelijke dienstbetrekking. Derhalve is het hof op grond van het hiervoor overwogene, in onderlinge samenhang met elkaar bezien, van oordeel dat geen sprake is geweest van een feitelijke (privaatrechtelijke) dienstbetrekking tussen verdachte en [bedrijf] in de periode vanaf 1 juli 2021. Verdachte is zich hiervan bewust geweest, maar heeft desondanks gebruik gemaakt van de desbetreffende overeenkomst door deze door tussenkomst van een ander te laten indienen bij het UWV. Het hof is dan van oordeel dat het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:\n\nprimairhij op 15 september 2022 te [plaats] , opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een arbeidsovereenkomst op naam van verdachte bij [bedrijf] , als ware het echt en onvervalst, door deze overeenkomst door tussenkomst van een derde te laten indienen bij het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen.\n\nHet hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet primair bewezenverklaarde is strafbaar en levert op:\n\nopzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst.\n\nStrafbaarheid van verdachte\n\nVerdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.\n\nOplegging van straf\n\nBij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte. Het hof heeft in het bijzonder het navolgende meegewogen.\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk gebruiken van een vals geschrift als ware het echt en onvervalst door een valse arbeidsovereenkomst door tussenkomst van een ander te laten indienen bij het UVW. Verdachte heeft daarmee het vertrouwen geschonden dat in het maatschappelijke, financiële en economische verkeer in de juistheid van dergelijke geschriften moet kunnen worden gesteld. Verdachte heeft in hoger beroep geen verantwoordelijkheid genomen voor of enig inzicht getoond in de kwalijkheid van zijn handelen. Dit alles weegt het hof in strafverzwarende zin mee.\n\nHet hof weegt ook mee het strafblad van verdachte van 18 mei 2026. Daaruit volgt dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld voor andere strafbare feiten. Dit weegt het hof eveneens in strafverzwarende zin mee.\n\nDaarnaast heeft het hof gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte die op de zitting van het hof naar voren zijn gebracht. Verdachte heeft naar voren gebracht dat het niet goed gaat met zijn gezondheid. Hij heeft verschillende behandelingen gehad voor longkanker, waaronder een longoperatie in Turkije . Inmiddels is hij kankervrij verklaard. Wel kampt hij nog met verschillende gezondheidsklachten, waaronder ademhalingsproblemen, COPD en problemen met zijn hart en nieren. Verdachte heeft vanwege zijn slechte gezondheid lange tijd niet kunnen werken, maar inmiddels werkt hij weer 2 dagen in de week als chauffeur. Verdachte heeft geen eigen woning, maar verblijft bij zijn ouders. Onderhavige strafzaak, maar ook de hiermee verband houdende bestuursrechtelijke procedures, drukken zwaar op verdachte.\n\nGelet op het hiervoor overwogene en op de ouderdom van het bewezenverklaarde feit acht het hof passend en noodzakelijk de oplegging van een taakstraf van 120 uren, bij niet naar behoren uitvoeren te vervangen door 60 dagen hechtenis, waarvan 60 uren, bij niet naar behoren uitvoeren te vervangen door 30 dagenhechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Het voorwaardelijke gedeelte van deze straf zal als stok achter de deur dienen om verdachte ervan te weerhouden wederom strafbare feiten te plegen.\n\nWetsartikelen\n\nDe straf is gebaseerd op de artikelen 9, 22c, 22d en 225 van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde, dan wel zoals zij gelden op het moment van het wijzen van dit arrest.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nvernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nverklaartzoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaartniet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard enspreektde verdachte daarvanvrij.\n\nVerklaarthet primair bewezenverklaarde strafbaar,kwalificeertdit als hiervoor vermeld enverklaartde verdachte strafbaar.\n\nVeroordeeltde verdachte tot een taakstraf voor de duur van120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door60 (zestig) dagenhechtenis.\n\nBepaaltdat een gedeelte van de taakstraf, groot60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nDit arrest is gewezen door mr. T.H. Bosma, mr. Z.J. Oosting en mr. M.C. van Linde, in aanwezigheid van de griffier mr. I.C. Bita en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 3 juli 2026.\n\n Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers worden hiermee, tenzij anders aangegeven, bedoeld paginanummers van de in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakte processen-verbaal zoals opgenomen in het politiedossier met nummer A17930285-01 (zaaknummer: UWV\u002F2024\u002F03\u002F07) dat op 1 oktober 2024 op ambtseed is afgesloten en ondertekend door verbalisant [verbalisant] .\n\n Arbeidsovereenkomst met als aangegeven ondertekeningdatum 1 juli 2021, p. 65-69.\n\n Uittreksel KvK van 19 mei 2022, p. 35-36.\n\n Arbeidsovereenkomst met als aangegeven ondertekeningdatum 1 juli 2021, p. 65.\n\n Ontvangstbevestiging ziekmelding van 3 januari 2022, p. 20-26.\n\n Toekenning Ziektewet-uitkering van 11 januari 2022, p. 27-29.\n\n Onderzoeksrapport Handhaving Themaonderzoek van 26 september 2022, p. 89-114.\n\n Onderzoeksrapport Handhaving Themaonderzoek van 26 september 2022, p. 105-108 en gesprekverslag van 7 september 2022, zaaksnummer A17930285-01, p. 80-88.\n\n Verklaring van verdachte zoals afgelegd op de zitting van het hof van 19 juni 2026.\n\n Onderzoeksrapport Handhaving Themaonderzoek van 26 september 2022, p. 89-114.\n\n Onderzoeksrapport Handhaving Themaonderzoek van 26 september 2022, p. 110-114 en bijlage 13 t\u002Fm bij dit onderzoeksrapport, p. 115-124.\n\n Zoals ook vastgesteld in artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek.\n\n Gesprekverslag van 7 september 2022, zaaksnummer A17930285-01, p. 82.\n\n Onderzoeksrapport Handhaving Themaonderzoek van 26 september 2022, p. 105-108 en gesprekverslag van 7 september 2022, zaaksnummer A17930285-01, p. 80-88.\n\n Arbeidsovereenkomst met als aangegeven ondertekeningdatum 1 juli 2021, p. 65.\n\n De verklaring van verdachte zoals opgenomen op p. 2 van het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 17 september 2025.\n\n De verklaring van verdachte zoals afgelegd op de zitting van het hof van 19 juni 2026.\n\n Telefoonrapport van het gesprek met [naam] van 16 juni 2022, p. 78.\n\n Arbeidsovereenkomst met als aangegeven ondertekeningdatum 1 juli 2021, p. 65.\n\n Telefoonrapport gespreksverslag [naam] van 16 juni 2022, p. 78.\n\n Arbeidsovereenkomst met als aangegeven ondertekeningdatum 1 juli 2021, p. 66.\n\n Printscreen van PWS inhoudende gegevens over inkomstenverhoudingen op persoonsniveau of werkgeversniveau, p. 40.\n\n Overzicht bankafschriften verdacht van 13 juli 2019, p. 60.\n\n Arbeidsovereenkomst met als aangegeven ondertekeningdatum 1 juli 2021, p. 67 en overzicht bankafschriften verdacht van 13 juli 2019, p. 60.\n\n Overzicht bankafschriften verdacht van 13 juli 2019, p. 60 en loonstroken en de jaaropgave over 2021 van verdachte (juli t\u002Fm december 2021), p. 70-76.\n\n Overzicht bankafschriften verdacht van 13 juli 2019, p. 60.\n\n Verklaring van verdachte zoals afgelegd op de zitting van het hof van 19 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4369","ecli-nl-gharl-2026-4369",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":42,"ecli":43,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":36,"fullText":44,"language":7,"source":17,"sourceUrl":45,"summary":14,"slug":46,"metadata":47},"1616","ECLI:NL:GHARL:2026:4367","Afdeling strafrecht\n\nParketnummer: 21-001530-22\n\nUitspraakdatum: 3 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 7 april 2022 met parketnummer 16-047826-20 in de strafzaak tegen\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedag] 1975 in [geboorteplaats] ,\n\nwonende te [adres]\n\nHoger beroep\n\nVerdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voornoemd vonnis van de rechtbank.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 12 maart 2025 en 19 juni 2026 en het onderzoek op de terechtzitting van de rechtbank.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot\n\nveroordeling van verdachte ten aanzien van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten tot een taakstraf van 200 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren.\n\nniet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij in zijn vordering.\n\nDeze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.\n\nVerder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. W.J. Ausma, hebben aangevoerd.\n\nHet vonnis\n\nDe rechtbank heeft verdachte bij voornoemd vonnis veroordeeld ten aanzien van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten tot een taakstraf van 240 uren, bij niet naar behoren uitvoeren te vervangen door 120 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren. Verder heeft de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering.\n\nEr is in hoger beroep veel besproken en daarnaast zal het hof verdachte een andere straf opleggen. Daarom zal het hof het vonnis van de rechtbank vernietigen en opnieuw rechtdoen.\n\nTenlastelegging\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\n1. hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 2 september 2017 tot en met 23 oktober 2017 te [plaats 1] en\u002Fof [plaats 2] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (telkens) opzettelijk en wederrechtelijk in een (gedeelte van) (een) geautomatiseerd(e) werk(en), te weten computersyste(e)m(en) en\u002Fof server(s) van slachtoffer [benadeelde] en\u002Fof [naam 19] , is\u002Fzijn binnengedrongen door het doorbreken van een beveiliging en\u002Fof door een technische ingreep en\u002Fof met behulp van valse signalen of een valse sleutel en\u002Fof door het aannemen van een valse hoedanigheid te weten door\n\nhet (telkens) onrechtmatig opzetten van (een) Remote Desktop Protocol (RDP) sessie(s)\u002Fverbinding(en) naar het computersysteem van slachtoffer [benadeelde] en\u002Fof\n\nhet (telkens) inloggen met een onrechtmatig verkregen wallet ID en wachtwoord op de wallet van slachtoffer [benadeelde] bij [naam 19]\n\nen\u002Fof\n\nhij, verdachte, en\u002Fof zijn mededader(s) (telkens) door tussenkomst van de\u002Fhet geautomatiseerd(e) werk(en) waarin hij is binnengedrongen (het computersysteem van slachtoffer [benadeelde] ) de toegang heeft verworven tot één of meer geautomatiseerde werk(en) van één of meer derde(n), te weten de computersyste(e)m(en) en\u002Fof server(s) van [naam 19] , welk feit hij, verdachte, (telkens) heeft gepleegd door tussenkomst van een openbaar telecommunicatienetwerk (te weten het internet);\n\n2. hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 2 september 2017 tot en met 23 oktober 2017 te [plaats 1] en\u002Fof [plaats 2] , althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen\n\n30 Bitcoins (ter waarde van 115.380,00 euro) en\u002Fof\n\n30 Bitcoin Cash (ter waarde van 4.922,00 euro),\n\nwelke geheel of ten dele toebehoorde(n) aan slachtoffer [benadeelde] , althans een ander of anderen dan aan hem, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s), waarbij hij, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) de weg te nemen Bitcoins en\u002Fof Bitcoin Cash onder zijn\u002Fhun bereik heeft\u002Fhebben gebracht door middel van (een) valse sleutel(s), te weten\n\neen onrechtmatig verkregen wallet ID en wachtwoord voor het inloggen op de wallet van slachtoffer [benadeelde] bij [naam 19] en\u002Fof\n\neen onrechtmatig verkregen private key van de wallet van slachtoffer [benadeelde] (en deze naar zijn\u002Fhun eigen wallet op [naam 18] geïmporteerd),\n\nin elk geval (een) sleutel(s) tot het gebruik waarvan hij, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) niet gerechtigd was\u002Fwaren.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nBewijsoverweging\n\nStandpunt van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte de ten laste gelegde feiten ontkent en de verklaring die verdachte tegenover medewerkers van [Bedrijfsnaam] heeft afgelegd, niet voor het bewijs kan worden gebruikt. Het ging hier niet om een gedegen politieverhoor met alle waarborgen die daarbij horen. Verdachte is onder druk gezet waardoor hij hem voorgehouden zinnen heeft geciteerd als zijn verklaring, en het geldbedrag en de Bitcoins heeft overgemaakt naar aangever. Het overige in het dossier aanwezige bewijs is onvoldoende om tot een bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten te komen. Dat verdachte een aantal Bitcoins in bezit had met een waarde die vrijwel gelijk was aan de waarde van de weggenomen Bitcoins van aangever maakt dit niet anders. Hiervoor heeft verdachte immers een verklaring gegeven, namelijk dat hij de betreffende Bitcoins voor een deel geërfd had van zijn vader, en verder verworven heeft door mining en trading. Verder kan op basis van het dossier niet worden vastgesteld dat verdachte over de zogeheten private key beschikte om toegang te verkrijgen tot de wallet van aangever. Bovendien blijkt uit de door verdachte overgelegde contra-expertiserapporten dat het niet mogelijk is om de private key te exporteren en te kopiëren. Daarbij komt dat niet bewezen kan worden dat verdachte de persoon is achter de 4 relevante RDP-sessies die in het rapport van [Bedrijfsnaam] aan hem worden toegeschreven. Bij 3 van deze sessies wordt geen herkenbaar IP-adres gevonden. Bij de RDP-sessie van 2 september 2017 wordt ingelogd op [naam 19] via het IP-adres van verdachte. Hierover heeft verdachte in hoger beroep verklaard dat hij niet de persoon is geweest die achter die sessie zit en dat het mogelijk is dat een ander een eerdere RDP-sessie die hij wel had gestart heeft overgenomen. Ook wordt in het rapport van [Bedrijfsnaam] gesteld dat door middel van de desbetreffende RDP-sessies vermoedelijk op de wallet van aangever is ingelogd. Dit blijkt echter verder niet uit het dossier. Bij de RDP-sessie in de nacht van 17 op 18 oktober 2017 zou op de webmail van [naam1] , het bedrijf van verdachte, zijn ingelogd. Ook dit wijst verdachte echter niet noodzakelijkerwijs aan als de persoon die achter de betreffende RDP-sessie zit. Iedereen die een account in gebruik had op dezelfde webmail had daarop kunnen inloggen, ook aangever zelf. Bovendien heeft verdachte stukken overgelegd waaruit blijkt dat ook sprake is geweest van een hack waardoor gebruikersnamen en wachtwoorden zijn buitgemaakt. Het kan hierdoor goed zijn dat het hier ook om de gegevens van aangever ging en dat daarmee door toedoen van een ander de cryptomunten uit de wallet zijn verdwenen. Los hiervan heeft verdachte gesteld dat aangever niet heeft kunnen aantonen dat hij over de private key beschikte ten tijde van het verdwijnen van de cryptomunten uit zijn wallet of daarna. Volgens verdachte betekent dit dat niet is aangetoond dat de verdwenen cryptomunten daadwerkelijk in het bezit van aangever zijn geweest. Het wegnemen van de betreffende munten is dan ook niet mogelijk.\n\nOordeel van het hof\n\nBewijsmiddelen\n\nUit het dossier blijkt dat aangever op 24 september 2017 aangifte heeft gedaan. Hij verklaarde in het bezit te zijn geweest van 30 Bitcoins, dat hij op 20 september 2017 samen met een ICT-er zijn [naam 21] -account heeft bekeken en zag dat op (zoals het hof begrijpt) 2 september 2017 rond 01.56 uur 30 Bitcoins uit zijn wallet waren weggenomen. Ook had aangever 30 Bitcoin Cash in zijn wallet die ongeveer 1,5 maand later, op 20 en 23 oktober 2017 uit zijn wallet waren weggenomen.De computer waarop de inlog van zijn [naam 21] -account staat, betreft de werkcomputer in zijn tandartsenpraktijk.\n\nOm na te gaan hoe de cryptomunten uit zijn wallet kunnen zijn verdwenen, heeft aangever op 12 januari 2018 contact opgenomen met [Bedrijfsnaam] . Dit is een bedrijf dat gespecialiseerd is in cyberveiligheid. [Bedrijfsnaam] heeft onderzoek gedaan naar de diefstal van de cryptomunten en daarover een rapport opgesteld.In het rapport schrijft [Bedrijfsnaam] onder meer het volgende:\n\nOpdrachtgever (het hof begrijpt: aangever) maakt sinds 2013 gebruik van een Bitcoinwallet via de website [naam 19] (...) Opdrachtgever heeft verklaard dat door hem gebruik werd gemaakt van het Bitcoinadres [Bitcoinadres] . (...) Op 2 september 2017 om 1:56:33 (blockchaintijd) zijn de 30 Bitcoins in twee transacties verzonden naar een adres dat niet in het bezit of beheer is van Opdrachtgever, te weten [Bitcoinadres2] . Tien dagen later zijn de Bitcoins vanaf dit adres in meerdere delen verzonden naar andere Bitcoinadressen buiten het beheer van Opdrachtgever. [Bedrijfsnaam] stelt vast dat het adres [bitcoinadres3] als wisseladres gebruikt wordt in dezelfde transactie en dus toebehoort aan dezelfde Bitcoinwallet van de dader.\n\n [Bedrijfsnaam] heeft, in opdracht van Opdrachtgever, onderzocht of de 30 Bitcoin Cash ook gestolen is. [Bedrijfsnaam] heeft vastgesteld dat op 20 oktober 2017 rond 1:24 10 Bitcoin Cash van Opdrachtgever is verzonden naar het adres [bitcoinadres4] . [Bedrijfsnaam] heeft vastgesteld dat op 23 oktober 2017 rond 22:49 nog 20 Bitcoin Cash van Opdrachtgever is verzonden naar het adres [bitcoinadres5] .\n\n(…)\n\nRDP (Remote Desktop Protocol) is een standaard onderdeel van het Microsoft Windows besturingssysteem dat mogelijkheid biedt om op afstand in te loggen op een computer. (...) In de nacht van 1 op 2 september 2017 heeft een opvallende RDP-sessie plaatsgevonden naar het praktijksysteem. Deze sessie is gestart om 1:24:13 en geëindigd om 2:09:16. Deze RDP-connectie is opgezet vanuit het 1P-adres [IP-adres] en daarbij is geauthentiseerd met de gebruikersnaam [naam 3] en het wachtwoord behorende bij deze gebruiker. (...) [Bedrijfsnaam] heeft vastgesteld dat de website [naam 19] en [naam 21] zijn bezocht en dat sporen aanwezig zijn die suggereren dat via Chrome ingelogd is op de [naam 19] van Opdrachtgever. Op 2 september 2017 vanaf 1:52 vindt nog meer [naam 19] activiteit plaats. Hierbij kan niet vastgesteld worden welke activiteit in de wallet plaatsvindt. Echter, gezien het tijdstip en de locatie van de activiteit, acht [Bedrijfsnaam] het aannemelijk dat hier de transacties van de 30 Bitcoins plaatsvind. (...)\n\nIn de nacht van dinsdag 17 op woensdag 18 oktober 2017 heeft een verdachte RDP-sessie plaatsgevonden naar het praktijksysteem. Deze sessie is gestart om 23:46:42 en geëindigd om 0:33:21. (...) [Bedrijfsnaam] heeft onderzoek verricht naar de activiteiten gedurende deze RDP-sessie. De internethistorie bevat registraties waaruit duidelijk wordt dat om 0:21:06 de gebruiker via de adresbalk het adres webmail. [naam1] deels intypt en vervolgens bezoekt. Daarbij wordt de URL [naam 17] bezocht. Dit suggereert dat de gebruiker inlogt op een account op de webmailomgeving van [naam1] . [Bedrijfsnaam] heeft vastgesteld dat vervolgens twee URL‘s direct na elkaar geopend zijn: [naam 14] en\n\n [naam 16] .\n\nDit suggereert dat een e-mail bekeken is in de webmailomgeving waarin een plaatje aanwezig was welke opgehaald werd van [naam 19] . Dit zou passen in een scenario waarin een e-mail van [naam 19] is bekeken. (...)\n\nIn de nacht van donderdag 19 op vrijdag 20 oktober 2017 hebben een tweetal verdachte RDP-sessies plaatsgevonden naar het praktijksysteem. (…)\n\nOp woensdag 25 oktober 2017 van 23:47.47 tot 23:58:28 heeft een verdachte RDP-sessie plaatsgevonden naar het praktijksysteem.\n\n(...)\n\n [Bedrijfsnaam] heeft een openbronnenonderzoek verricht naar het IP-adres [IP-adres] . De volgende domeinnamen zijn toegewezen aan het IP-adres:\n\n [naam 5] (sinds 13 juni 2017)\n\n [naam 6] (sinds 2 januari 2016)\n\n [naam 7] nl ( sinds 24 juni 2017)\n\n [naam 8] (sinds 12 februari 2016)\n\n [naam 9] (sinds 17 oktober 2017)\n\nOpvallend zijn de domeinnamen in het domein [naam1] . Deze domeinen zijn alle drie geregistreerd op naam van [naam 10] en\u002Fof [verdachte] .\n\n(…)\n\n [Bedrijfsnaam] heeft onderzoek verricht op het e-mailpostvak van Opdrachtgever. (...) Een van deze partijen is [naam 11] en reageert richting Opdrachtgever op 12 oktober 2017 09:18 (UTC+2) met de algemene melding geen oplossing voor de Bitcoindiefstal te vinden, tevens meldt hij dat er mogelijk nog Bitcoin Cash in de Bitcoinwallet van Opdrachtgever aanwezig is. Deze e-mail wordt op 16 oktober 2017 door Opdrachtgever doorgestuurd naar Betrokkene (het hof begrijpt: verdachte). Betrokkene antwoord dezelfde dag op deze e-mail. [Bedrijfsnaam] acht de timing van deze e-mail relevant, omdat op 17 oktober sinds 1,5 maand weer een verdachte RDP-sessie plaatsvindt naar het praktijksysteem.\n\nMet betrekking tot de in voornoemd rapport van [Bedrijfsnaam] genoemde IP-adres eindigend op * [cijfers] heeft verdachte op de zitting van het hof verklaard dat dat zijn IP-adres is.\n\nVerder blijkt uit het dossier dat onderzoek is gedaan naar bankrekeningnummer [bankrekeningnummer] op naam van verdachte en naar de volgende drie [naam 20] -accounts:\n\n- [verdachte] (User-ID [nummer 1] )\n\nDate of birth: [geboortedag] 1975\n\n- [verdachte] (User-ID [nummer 2] )\n\nDate of birth: [geboortedag] 1975\n\n- [naam 12] (User-ID [nummer 3] )\n\nDate of birth: onbekend\n\nUit de transacties van [naam 20] blijkt dat er Bitcoins zijn verzonden naar de desbetreffende [naam 20] -accounts. In totaal is een bedrag van € 129.031,03 verstuurd naar [naam 20] . Omgerekend met de koers van de transactiedatum gaat dat om 28.05 Bitcoins. In totaal is vanuit de [naam 20] -accounts een bedrag van € 128.326,21 uitbetaald op rekeningen van verdachte, [naam1] , [naam 13] en [naam 10] .\n\nTijdens een gesprek dat verdachte en [Bedrijfsnaam] op 6 maart 2018 hadden, heeft verdachte verklaard dat hij verantwoordelijk is geweest voor het wegnemen van de 30 Bitcoins en de 30 Bitcoin Cash.Ook heeft verdachte verklaard dat hij aangevers wachtwoord te weten is gekomen toen aangever problemen had met zijn browser. Tijdens deze werkzaamheden kwam verdachte erachter wat het wachtwoord was door deze na invoer zichtbaar te maken.Daarbij heeft verdachte op 6 maart 2018 een bedrag van € 77.950,00 overgemaakt naar de rekening van aangever, alsmede 2.94 Bitcoins (toentertijd omgerekend zo’n € 26.000,00) verstuurd naar de wallet van aangever.\n\nVerbalisant [verbalisant] heeft vervolgens de historische transacties van de gestolen Bitcoins van aangever en de door verdachte uitbetaalde Bitcoins aan aangever geanalyseerd in Chainalysis, een [naam 21] analyse tool.Verbalisant [verbalisant] zag dat de Bitcoins uit de wallet van aangever zijn verstuurd naar het Bitcoin-adres [Bitcoinadres2] .Vervolgens zijn de Bitcoins in 9 transacties opgesplitst, die direct of indirect naar Shapeshift.io zijn verstuurd.Shapeshift.io is een platform waar je cryptocurrencies kunt wisselen, een soort digitaal wisselkantoor, maar staat ook wel bekend als Bitcoinmixer. Een mixer is een soort dienst die Bitcointransacties door elkaar husselt, zodat het spoor onderbroken wordt en het traceren van de transacties vrijwel onmogelijk wordt.Middels Chainalysis is het mogelijk om dit spoor toch terug te vinden. Te zien is dat er in verschillende transacties Bitcoins op de accounts van verdachte zijn gestort via Shapeshift.io. Vijf van deze transacties zijn te herleiden naar de wallet van aangever.De door verdachte ontvangen Bitcoins worden vervolgens omgezet in Litebitcredits en uitbetaald op zijn bankrekeningen.\n\nBewijsoverweging\n\nOp grond van de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft gepleegd. Het hof twijfelt niet aan de juistheid en betrouwbaarheid van deze bewijsmiddelen. Het hof overweegt hiertoe aanvullend als volgt.\n\nAnders dan door de verdediging betoogd, is het hof van oordeel dat de door verdachte tegenover de medewerkers van [Bedrijfsnaam] afgelegde bekennende verklaring voor het bewijs kan worden gebruikt. Hoewel het hof wil aannemen dat sprake is geweest van enige druk, die vanzelfsprekend gepaard gaat met dergelijke verhoren, is op basis van het dossier niet gebleken dat deze druk dusdanig zou zijn geweest dat daardoor afbreuk wordt gedaan aan verdachtes verklaring. Bovendien is niet duidelijk geworden hoe de desbetreffende druk ertoe zou hebben moeten leiden dat verdachte een dusdanig specifieke verklaring heeft afgelegd en bovendien een groot geldbedrag en Bitcoins heeft overgeboekt naar aangever aan het eind van het verhoor. Anders dan door verdachte op de zitting van het hof is verklaard, is (mede gelet op de inhoud van de desbetreffende verklaring) niet aannemelijk geworden dat de verklaring die verdachte heeft afgelegd aan verdachte is voorgekauwd door de medewerkers van [Bedrijfsnaam] .\n\nGelet op de inhoud van deze verklaring van verdachte, in samenhang met de andere bewijsmiddelen zoals hierboven uitgewerkt, kunnen de verweren van de verdediging niet slagen voor zover zij inhouden dat verdachte niet over de private key heeft beschikt, dat verdachte niet achter de relevante RDP-sessies zat, dat niet vastgesteld kan worden dat door middel van één van deze sessies in de wallet van aangever is ingelogd en dat mogelijk anderen de cryptomunten hebben weggenomen nadat zij toegang hadden tot de wallet van aangever door middel van een hack.\n\nOok het verweer dat niet aangetoond is dat aangever eigenaar is (geweest) van de wallet en de cryptomunten daarin kan niet slagen. Het hof ziet namelijk geen reden om te twijfelen aan het eigenaarschap van de betreffende [naam 21] -wallet. Dat aangever inderdaad de eigenaar daarvan is, wordt onderbouwd door onderzoek aan de wallet en rekeningafschriften van de bankrekening van aangever door verbalisant [verbalisant] , waaruit blijkt dat op verschillende tijdstippen tussen 12 december 2013 en 2 november 2015 in totaal 30 Bitcoins zijn aangeschaft en betaald vanuit de rekening van aangever.De tijdstippen waarop de Bitcoins in de wallet verschijnen, komen hierbij overeen met de tijdstippen waarop de geldbedragen voor aanschaf van de Bitcoins van de rekening van aangever worden afgeschreven.Anders dan door verdachte betoogd, doet het gegeven dat aangever zijn wachtwoord voor het account op blokchain.info\u002F.com of de bij de wallet behorende private key niet kenbaar heeft gemaakt aan het voorgaande niet af. Zelfs in het geval dat aangever deze informatie ten tijde van het wegnemen van de cryptomunten niet meer zou hebben gehad, had hij daarmee niet zijn eigendom van de cryptomunten verloren (al kon hij dan hooguit niet meer over zijn eigendom beschikken).\n\nOok de stelling van verdachte dat het bedrag dat hij in december 2017 op zijn bankrekening heeft laten uitbetalen afkomstig zou zijn van Bitcoins die hij heeft gekregen van zijn vader, dan wel zelf heeft verworven door te minen of traden, acht het hof in het licht van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen niet aannemelijk geworden. Afgezien van het feit dat verdachte, na zijn stellige toezegging bewijs hiervoor aan te zullen leveren in de vorm van screenshots, op geen enkele wijze dit scenario nader heeft onderbouwd, verklaart dit scenario nog steeds niet het totale aantal Bitcoins dat verdachte in bezit heeft gehad. Verdachte heeft verklaard 20 Bitcoins van zijn vader te hebben gekregen. Naar eigen zeggen heeft hij vervolgens met die Bitcoins gemined en aan daytrading gedaan, waarbij met name dat laatste hem nog eens 5 Bitcoins zou hebben opgeleverd.Bij elkaar opgeteld levert dit 25 Bitcoins op. Daarbij komt dat zowel [Bedrijfsnaam] als verbalisant [verbalisant] onderzoek hebben gedaan naar de historie van Bitcoinadressen op naam van verdachte. Daarbij is geen enkele transactie aangetroffen van vóór de diefstal van de cryptomunten van aangever.\n\nTot slot geldt dat ook de inhoud van de door verdachte overgelegde contra-expertiserapporten niet maken dat de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten niet bewezen zouden kunnen worden. Allereerst geldt in dit kader dat het hof geen conclusies kan trekken op grond van de inhoud van de rapporten nu het voor het hof niet vast te stellen is wie het rapport precies heeft opgesteld en of deze perso(o)n(en) over de daarvoor vereiste (relevante) deskundigheid beschikte(n). Verdachte heeft hierover verklaard dat er meerdere mensen, waaronder ook hijzelf, hebben bijgedragen aan de totstandkoming van de rapporten, dat zij niet bij naam genoemd willen worden en dat de persoon die de rapporten heeft ondertekend een tandarts is (die volgens verdachte veel weet van cryptocurrency).Ook los hiervan geldt echter dat de rapporten van verdachte met name gericht zijn op het presenteren van verschillende alternatieve manieren waarop aangever mogelijk zijn cryptomunten ook zou kunnen hebben verloren, zonder deze nader te concretiseren en onderbouwen in het licht van het dossier en bovendien terwijl een deel van deze manieren al is weerlegd in de door [Bedrijfsnaam] samengestelde onderzoeksrapporten.\n\nHet hof is derhalve van oordeel dat de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:\n\n1. hij op tijdstippen in de periode van 2 september 2017 tot en met 23 oktober 2017 te [plaats 1] , telkens opzettelijk en wederrechtelijk in een (gedeelte van) geautomatiseerde werken, te weten computersystemen en\u002Fof servers van slachtoffer [benadeelde] en [naam 19] , is binnengedrongen door het doorbreken van een beveiliging en door een technische ingreep en met behulp van valse signalen of een valse sleutel en door het aannemen van een valse hoedanigheid te weten door\n\nhet telkens onrechtmatig opzetten van Remote Desktop Protocol (RDP) sessies naar het computersysteem van slachtoffer [benadeelde] en\n\nhet telkens inloggen met een onrechtmatig verkregen wallet ID en wachtwoord op de wallet van slachtoffer [benadeelde] bij [naam 19]\n\nen\n\nhij, verdachte, telkens door tussenkomst van het geautomatiseerde werk waarin hij is binnengedrongen (het computersysteem van slachtoffer [benadeelde] ) de toegang heeft verworven tot een geautomatiseerde werk van een derde, te weten de server van [naam 19] , welk feit hij, verdachte, telkens heeft gepleegd door tussenkomst van een openbaar telecommunicatienetwerk (te weten het internet);\n\n2. hij op tijdstippen in de periode van 2 september 2017 tot en met 23 oktober 2017 te [plaats 1] , telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen\n\n30 Bitcoins (ter waarde van 115.380,00 euro) en\n\n30 Bitcoin Cash (ter waarde van 4.922,00 euro),\n\nwelke toebehoorden aan slachtoffer [benadeelde] , waarbij hij, verdachte, de weg te nemen Bitcoins en Bitcoin Cash onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, te weten\n\neen onrechtmatig verkregen wallet ID en wachtwoord voor het inloggen op de wallet van slachtoffer [benadeelde] bij [naam 19] en\n\neen onrechtmatig verkregen private key van de wallet van slachtoffer [benadeelde] (en deze naar zijn eigen wallet op [naam 18] geïmporteerd).\n\nHet hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde is strafbaar en levert op:\n\nde voortgezette handeling van\n\ncomputervredebreuk, meermalen gepleegd\n\nen\n\ncomputervredebreuk, gepleegd door tussenkomst van een openbaar telecommunicatienetwerk, terwijl de dader vervolgens door tussenkomst van het geautomatiseerd werk waarin hij is binnengedrongen de toegang verwerft tot het geautomatiseerd werk van een derde, meermalen gepleegd(het onder 1 bewezenverklaarde)\n\nen\n\ndiefstal, waarbij de schuldige de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd(het onder 2 bewezenverklaarde).\n\nStrafbaarheid van verdachte\n\nVerdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.\n\nOplegging van straf\n\nBij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte. Het hof heeft in het bijzonder het navolgende meegewogen.\n\nVerdachte heeft vanuit zijn eenmanszaak gedurende een lange periode als systeembeheerder voor aangever werkzaamheden verricht. Uit hoofde van die functie wist hij dat aangever Bitcoins bezat. In de nacht van 1 op 2 september 2017 heeft verdachte via een RDP-sessie toegang verkregen tot het computersysteem van aangever. Vervolgens is hij ingelogd in diens [naam 21] -wallet om daar 30 Bitcoins uit weg te nemen. 1,5 maand later, nadat verdachte ervan op de hoogte was geraakt dat aangever ook nog 30 Bitcoin Cash bezat, heeft hij nogmaals verschillende RDP-sessies opgezet om in het computersysteem van aangever te komen. In die periode heeft hij ook de 30 Bitcoin Cash van aangever weggenomen. De totale waarde van de weggenomen cryptomunten was destijds ruim € 120.000,00. Verdachte heeft na het wegnemen van de cryptomunten zoveel mogelijk geprobeerd zijn digitale sporen uit te wissen. Door zijn handelen heeft verdachte niet enkel op grove wijze inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van aangever, maar het vertrouwen dat hij in verdachte had gesteld ook ernstig geschaad. Voor zijn handelen heeft in hoger beroep geen verantwoordelijkheid genomen. Dit weegt het hof in strafverzwarende zin mee.\n\nHet hof weegt ook mee het strafblad van verdachte van 18 mei 2026. Daaruit volgt dat verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten. Dit weegt het hof in strafmatigende zin mee.\n\nDaarnaast heeft het hof gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte die op de zitting van het hof naar voren zijn gebracht. Verdachte heeft naar voren gebracht dat hij een moeilijke periode doormaakt. Ten gevolge van deze strafzaak is verdachte klanten kwijtgeraakt. Ook is er in het kader van de burgerlijke procedure beslag gelegd onder verdachte. Verdachte ligt momenteel ook in echtscheiding met zijn toenmalige partner. Dit verloopt stroef. Hier heeft verdachte het, met name vanwege de gevolgen voor zijn kinderen, moeilijk mee.\n\nGelet op het hiervoor overwogene en op de ouderdom van de feiten acht het hof passend en noodzakelijk de oplegging van een taakstraf van 200 uren, bij niet naar behoren uitvoeren te vervangen door 100 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren. Het voorwaardelijke gedeelte van deze straf zal als stok achter de deur dienen om verdachte ervan te weerhouden wederom strafbare feiten te plegen.\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde]\n\nDe benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 110.538,80 aan materiële schade ingediend. De benadeelde partij is door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De benadeelde partij heeft, voordat hij overleed, middels het wensenformulier bij het hof aangegeven dat hij het oorspronkelijke bedrag nog steeds wenst te vorderen. Het hof neemt daarom een beslissing over de oorspronkelijk bij de rechtbank ingediende vordering.\n\nIn lijn met de beslissing van de rechtbank is het hof van oordeel dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij een onevenredige belasting van de strafprocedure zal opleveren. Daarom zal het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Namens de benadeelde partij zou de vordering eventueel nog bij de burgerlijke rechter kunnen worden ingediend.\n\nWetsartikelen\n\nDe straf is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 56, 57, 138ab en 311 van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde, dan wel zoals zij gelden op het moment van het wijzen van dit arrest.BESLISSING\n\nHet hof:\n\nvernietigthet vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nverklaartzoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaartniet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard enspreektde verdachte daarvanvrij.\n\nVerklaarthet onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar,kwalificeertdit als hiervoor vermeld enverklaartde verdachte strafbaar.\n\nVeroordeeltde verdachte tot eengevangenisstrafvoor de duur van6 (zes) maanden.\n\nBepaaltdat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nVeroordeeltde verdachte tot eentaakstrafvoor de duur van200 (tweehonderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door100 (honderd) dagen hechtenis.\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde]\n\nVerklaartde benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeeltde verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraakbegrootop nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. M.C. van Linde, mr. T.H. Bosma en mr. Z.J. Oosting, in aanwezigheid van de griffier mr. I.C. Bita en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 3 juli 2026.\n\n Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers worden hiermee bedoeld, tenzij anders aangegeven, paginanummers van in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakte processen-verbaal opgenomen in het politiedossier met nummer PL0900-2017292782 (onderzoek: 03Titanium\u002FMDRDD20003), afgesloten en ondertekend op 20 mei 2021.\n\n Proces-verbaal van aangifte van 24 september 2017, p. 9.\n\n Proces-verbaal van verdenking van 18 maart 2020, p. 173 en het onderzoeksrapportage van [Bedrijfsnaam] van 27 maart 2018, p. 24.\n\n Proces-verbaal van aangifte van 24 september 2017, p. 9.\n\n Het onderzoeksrapportage van [Bedrijfsnaam] van 27 maart 2018, p. 19.\n\n Het onderzoeksrapportage van [Bedrijfsnaam] van 27 maart 2018, p. 23.\n\n Het onderzoeksrapportage van [Bedrijfsnaam] van 27 maart 2018, p. 23A.\n\n Het onderzoeksrapportage van [Bedrijfsnaam] van 27 maart 2018, p. 24.\n\n Het onderzoeksrapportage van [Bedrijfsnaam] van 27 maart 2018, p. 25.\n\n Het onderzoeksrapportage van [Bedrijfsnaam] van 27 maart 2018, p. 25A.\n\n Het onderzoeksrapportage van [Bedrijfsnaam] van 27 maart 2018, p. 27-27A.\n\n Het onderzoeksrapportage van [Bedrijfsnaam] van 27 maart 2018, p. 27A.\n\n Het onderzoeksrapportage van [Bedrijfsnaam] van 27 maart 2018, p. 28.\n\n Het onderzoeksrapportage van [Bedrijfsnaam] van 27 maart 2018, p. 28A.\n\n Het onderzoeksrapportage van [Bedrijfsnaam] van 27 maart 2018, p. 29.\n\n De verklaring van verdachte zoals afgelegd op de zitting van het hof van 19 juni 2026.\n\n PV van bevindingen van 16 juli 2020, p. 223-224.\n\n PV van bevindingen van 16 juli 2020, p. 223-224.\n\n PV van bevindingen van 16 juli 2020, p. 229.\n\n Het onderzoeksrapportage van [Bedrijfsnaam] van 27 maart 2018, p. 30.\n\n Het onderzoeksrapportage van [Bedrijfsnaam] van 27 maart 2018, p. 30-30A.\n\n Het onderzoeksrapportage van [Bedrijfsnaam] van 27 maart 2018, p. 30A.\n\n Het onderzoeksrapportage van [Bedrijfsnaam] van 27 maart 2018, p. 31.\n\n PV van bevindingen van 24 juli 2020, 230.\n\n PV van bevindingen van 24 juli 2020, 230.\n\n PV van bevindingen van 24 juli 2020, 231.\n\n PV van bevindingen van 24 juli 2020, 232.\n\n PV van bevindingen van 24 juli 2020, 233-234.\n\n PV van bevindingen van 16 juli 2020, p. 228.\n\n PV van bevindingen van 16 december 2020 (incl. bijlagen), p. 274-280.\n\n PV van bevindingen van 16 december 2020 (incl. bijlagen), p. 274-280.\n\n PV van verhoor verdachte van 4 maart 2020, p. 183-184.\n\n De verklaring van verdachte zoals afgelegd op de zitting van het hof van 19 juni 2026.\n\n Onderzoeksrapport van [Bedrijfsnaam] van 27 maart 2018, p. 19-41A en deskundigenbericht van [Bedrijfsnaam] van 4 februari 2019, p. 48-64.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4367","ecli-nl-gharl-2026-4367",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":49,"ecli":50,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":51,"fullText":52,"language":7,"source":17,"sourceUrl":53,"summary":14,"slug":54,"metadata":55},"1442","ECLI:NL:RBOVE:2026:3812","2026-07-02T00:00:00.000Z","RECHTBANK OVERIJSSEL\n\nTeam Strafrecht\n\nMeervoudige kamer\n\nZittingsplaats Zwolle\n\nParketnummer: 08.316503.25 en 08-266989-23 (vord. tul) (P)\n\nDatum vonnis: 2 juli 2026\n\nVonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:\n\n [verdachte],\n\ngeboren op [geboortedatum 1] 2005 in [geboorteplaats 1] ,\n\nwonende aan de [adres 1] ,\n\nnu verblijvende in de PI [verblijfplaats] .\n\n1. Het onderzoek op de terechtzitting\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 18 juni 2026.\n\nDe rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsvrouw mr. N. Tanoglu, advocaat in Arnhem, naar voren is gebracht.\n\n2. De tenlastelegging\n\nDe verdenking komt er na wijziging van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van 18 juni 2026, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:\n\nfeit 1:heeft geprobeerd [slachtoffer] te doden door haar te wurgen(primair)dan wel dat hij heeft geprobeerd haar zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door haar te wurgen(subsidiair);\n\nfeit 2:[slachtoffer] heeft mishandeld door in haar keel te knijpen, tegen haar lichaam te slaan, aan de haren te trekken, een knietje tegen haar hoofd te geven, met een blikje tegen het hoofd te slaan, in de nek te knijpen en\u002Fof in de arm\u002Fhand te bijten;\n\nfeit 3:14,13 gram cocaïne voorhanden heeft gehad.\n\nVoluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:\n\n1\n\nhij op of omstreeks 22 november 2025 te Zwolle, althans in Nederland,\n\nter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om\n\nopzettelijk\n\neen ander, te weten [slachtoffer]\n\nvan het leven te beroven,\n\nmeermalen, althans eenmaal, de keel van die [slachtoffer] heeft vastgepakt\n\nen\u002Fof dichtgeknepen,\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling\n\nmocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 22 november 2025 te Zwolle, althans in Nederland,\n\nter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om\n\naan een ander, te weten [slachtoffer] ,\n\nopzettelijk\n\nzwaar lichamelijk letsel toe te brengen\n\nmeermalen, althans eenmaal, de keel van die [slachtoffer] heeft vastgepakt\n\nen\u002Fof dichtgeknepen,\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\n2\n\nhij op een of meerdere momenten op of omstreeks 22 november 2025 te\n\nZwolle, althans in Nederland,\n\n [slachtoffer] heeft mishandeld, door\n\n- meermalen, althans eenmaal, de keel van die [slachtoffer] vast te pakken\n\nen\u002Fof dicht te knijpen;\n\n- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, tegen haar hoofd en\u002Fof haar\n\nschouder, althans haar lichaam, te slaan,\n\n- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, aan haar haren te trekken,\n\n- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, een knietje tegen haar hoofd\n\nte geven,\n\n- die [slachtoffer] met een blikje cola, althans een soortgelijk voorwerp, tegen\n\nhaar (achter)hoofd te slaan,\n\n- die [slachtoffer] in haar nek te knijpen en\u002Fof\n\n- die [slachtoffer] in haar arm en\u002Fof hand te bijten;\n\n3\n\nhij op of omstreeks 22 november 2025 te Zwolle,\n\nopzettelijk\n\naanwezig heeft gehad\n\nongeveer 14,13 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een\n\nmateriaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne,\n\neen middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel\n\naangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.\n\n3. De bewijsmotivering\n\n3.1. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen verklaard.\n\n3.2. Het standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde, de aangifte van [slachtoffer] onbetrouwbaar is en het dichtknijpen van de keel niet tegen de wil van aangeefster heeft plaatsgevonden, maar met haar instemming in het kader van wurgseks. Mocht de rechtbank de verklaring van aangeefster wel betrouwbaar achten, dan kan niet worden bewezen dat sprake is van (voorwaardelijk) opzet op de dood dan wel zware mishandeling, aldus de verdediging.\n\nDe verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van feit 2, met uitzondering van het vastpakken en dichtknijpen van de keel, en feit 3.\n\n3.3. Het oordeel van de rechtbank\n\n3.3.1. \n\nBewijsmiddelen\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de volgende bewijsmiddelen:\n\nHet procesverbaal van aangifte van [slachtoffer] van 22 november 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:\n\nIk heb sinds ongeveer 4 jaar een relatie met [verdachte] .(…) Ik zag dat mijn vriend zijn vuist balde. Ik zag en voelde dat mijn vriend mij met deze rechtervuist op mijn hoofd en schouder sloeg. Mijn vriend probeerde mij uit de auto te krijgen door hard aan mijn haren te trekken. Ik voelde het haar uit mijn hoofd gaan, het deed ontzettend pijn. Ik zag en voelde dat hij mij twee keer met zijn rechtervuist op de rechterzijde van mijn hoofd sloeg. Ik voelde doffe pijn op mijn hoofd. Ik zag en voelde dat mijn vriend weer aan mijn haren trok om mij volledig uit de auto te krijgen. Mijn vriend duwde mij, waardoor ik op mijn linkerzij in de auto terechtkwam. Waarna hij mij 10-15 keer op mijn rechterboven- en onderarm en in mijn gezicht sloeg. Ik voelde een doordringende pijn op mijn rechterbovenarm.\n\nMijn vriend reed door naar de Esso gelegen aan de van [adres 2] . Daar gingen de mishandelingen verder. Op dat moment pleegde hij de volgende handelingen:\n\n- vijf á zes keer aan mijn haren trekken;\n\n- hij pakte en kneep mij in mijn nek en duwde mij met twee handen hard naar de grond;\n\n- hij beet mij in mijn hand en onderarm;\n\n- hij sloeg mij in totaal drie keer met zijn platte hand in mijn gezicht;\n\n- hij sloeg mij vier á vijf keer met zijn vuist op mijn linkerkaak en voorhoofd.\n\nIk stapte uit de auto waarna mijn vriend naar mij toe kwam. Mijn vriend pakte mij met beide handen bij mijn keel. Mijn vriend kneep mijn keel ongeveer 10 seconden lang hard dicht.\n\nIk moest hoesten, maar ik kon niet hoesten omdat mijn keel dichtgeknepen werd. Ik werd daardoor misselijk. Toen mijn vriend mijn keel losliet, hoestte ik en kwam er slijm vrij.\n\nMijn vriend stopte niet vrijwillig met het dichtknijpen van mijn keel, maar mijn vriend werd weggetrokken door zijn vriend ' [bijnaam] '. Ik voelde dat mijn vriend mijn nek vastpakte en mij twee knietjes op mijn voorhoofd gaf. Ik voelde gelijk hevige pijn op mijn voorhoofd. Ik greep naar zijn baard om mij los te rukken van hem. Ik voelde en zag dat hij mij weer met twee handen naar mijn keel greep en mijn keel ongeveer 5 seconden dichtkneep. Ik voelde dat dit krachtiger was dan de vorige keer dat hij mijn keel dichtkneep. Ik voelde dat ik urine verloor. (…) Ik zag wederom dat mijn vriend uit de auto stapte met een blikje Cola en dat op mijn achterhoofd kapotsloeg. Ik durf niet aangifte te doen tegen mijn vriend, omdat ik bang voor hem ben. Ik denk echt dat hij in staat is om mij dood te maken.\n\nHet aanvullend procesverbaal van 22 november 2025 (aanvullende aangifte [slachtoffer] ), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:\n\nHet duurde twintig seconden voor mijn gevoel. Ik zag hij mij met twee handen mij bij de keel vastpakte. Ik voelde dat hij mij zo hard kneep dat ik daardoor niet meer kon ademen. Het voelde voor mij alsof mijn ogen uit mijn oogkas zouden gaan komen. Ik had nu het gevoel alsof ik dood zou kunnen gaan.\n\nIk zag dat hij mij weer vastpakte bij mijn keel met twee handen en deze keer was het met veel meer kracht dan de eerste keer. Dit merkte ik doordat ik op dat moment ook urine verloor. Ik voelde alsof mijn gezicht in brand stond. Ik had het gevoel dat ik op dat moment niet kon ademen. Daarna heb ik hem gekrabd in zijn gezicht en heb ik zijn baard vastgepakt, ik zag dat hij mij daarna losliet.\n\nHet procesverbaal van bevindingen van 23 november 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:\n\nOp zaterdag 22 november om 04.33 uur, kwamen wij ter plaatse bij het 'Esso' tankstation, gelegen aan de [adres 2] . Ik zag een vrouw, welke mij later bleek te zijn: [slachtoffer] , [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2000 te [geboorteplaats 2] . Ik zag dat deze vrouw huilde. Ik zag dat ze hevig trilde. Ik hoorde dat ze meerdere keren zei: ''hij is weggereden in de richting van de Hogenkampsweg, maar waarschijnlijk nog wel ergens hier in de buurt haar in de gaten aan het houden was.'' Ik zag dat ze de hele tijd om zich heen keek. Dit wekte mij de indruk dat [slachtoffer] in paniek was.\n\nIk vroeg [slachtoffer] wat er was gebeurd. Ik hoorde dat [slachtoffer] zei dat zij zojuist in de auto en buiten de auto mishandeld was door haar vriend [verdachte] , later genoemd als verdachte. Ik hoorde dat [slachtoffer] zei dat ze door verdachte: aan haar haren was getrokken, dat zij door verdachte meerdere keren met vuisten op haar gezicht is geslagen, dat zij knietjes van verdachte op haar voorhoofd had gekregen en dat haar keel door verdachte was dichtgeknepen.\n\nNaast [slachtoffer] stond [getuige] , [getuige] . [getuige] vertelde mij dat zij een vriendin en collega was van [slachtoffer] en dat zij de mishandeling deels had gezien.\n\nIk zag en hoorde dat [slachtoffer] erg snel praatte, trilde en niet goed uit haar woorden kwam.Ik heb tijdens het opnemen van de aangifte ervaren dat [slachtoffer] alleen maar bezig was met de gevolgen die dit voor haar zou hebben, zoals: hij kan mijn woning naar binnenkomen via mijn buren, ik durf niet naar huis want hij komt mij opzoeken en dood maken, ik ben veiliger met hem in een relatie dan wanneer ik niet met hem in een relatie ben. Zowel ter plaatse als tijdens het opnemen van de aangifte kwam het slachtoffer op mij over als een slachtoffer die ontzettend bang was en is en vreest voor haar leven.\n\nDe forensischmedische letselbeschrijving van 12 december 2025, door W.A. Karst, forensisch arts KNMG, Landelijk Onderzoeks- en Expertisebureau FMO (het LOEF), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:\n\nBetrokkene: [slachtoffer]\n\nOp 22 november 2025 vanaf 14:30 uur werd een forensisch-medisch onderzoek uitgevoerd in het kader van nietfatale strangulatie.\n\nMw. [slachtoffer] vertelde mij dat ze twee keer bij de keel was gegrepen met 2 handen. De eerste keer duurde voor haar gevoel een seconde of 20, waarbij ze tussendoor wat lucht kon happen. De tweede keer was korter, mogelijk 5 tot 10 seconden, maar wel met volle kracht. Mw. [slachtoffer] beschreef dat het voelde alsof haar ogen uit haar oogkassen vielen.\n\nTijdens dit onderzoek zijn de volgende bevindingen gedaan:\n\n- Er waren onderhuidse bloeduitstortingen links en rechts op het voorhoofd, onder het\n\nlinkeroog, links in de hals, links in de nek, op de rechterschouder, op de borstkas, op\n\nbeide borsten, op beide armen en op de rechterduim;\n\n- Er waren krasletsels links in de hals, op de rechterbovenarm, op de linkerbovenarm en\n\nop de rechterpink;\n\n- Er was een huidbeschadiging op de kin;\n\n- Er was een toegenomen zichtbaarheid van bloedvaten in het oogwit van het linkeroog;.\n\nDe forensisch-medische letselrapportage met benoeming van 29 mei 2026, door G. Reijnen, forensisch arts, en E. van Mierlo, forensisch arts, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:\n\nOp 22-11-2025 heeft er een forensisch medisch onderzoek (FMO) plaatsgevonden bij betrokkene. Bij herziening van de foto’s werd in het linkeroog een puntbloeding op de overgang van het oogwit en het onderooglid gezien.\n\nDe vastgestelde letsels (bloeduitstortingen en krasletsel in de hals en een puntbloeding in het\n\noog), samen met de gemelde heesheid en het urineverlies kunnen passen bij een scenario\n\nverwurging. Er is geen alternatieve verklaring voor deze combinatie aan verschijnselen in de hals. De gevaarzetting van een verwurging hangt af van de kracht, de duur en de frequentie van de verwurging. Voor het ontstaan van een puntbloeding moeten de halsader links en rechts met enige kracht, gedurende 10-30 seconden worden dichtgedrukt. Een benadering van de gevaarzetting kan gemaakt worden op basis van de vastgestelde letsels, met inachtneming van de beperkingen van de studie van Plattner. Bij betrokkene resulteren de vastgestelde letsels (bloeduitstortingen en krasletsel in de hals en een puntbloeding in het linkeroog) en de gemelde heesheid en urineverlies in een categorie 2, matige verwurging. Dit is mogelijk levensbedreigend.\n\nHet proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 18 juni 2026, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:\n\nOp 22 november 2025 had ik ruzie met [slachtoffer] . Ik heb aan de haren van [slachtoffer] getrokken. Ik heb haar geslagen tegen de arm.\n\nDe rechtbank verklaart meerdere feiten bewezen. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.\n\n3.3.2. Overwegingen\n\nDe betrouwbaarheid van de door [slachtoffer] afgelegde verklaringen\n\nHoewel verdachte ontkent te hebben geprobeerd om [slachtoffer] te wurgen en [slachtoffer] ter zitting haar verklaring over het dichtknijpen van de keel heeft gewijzigd en heeft verklaard dat verdachte alleen in het kader van wurgseks in haar keel heeft geknepen, twijfelt de rechtbank niet aan de aangifte en de aanvullende verklaring die [slachtoffer] op 22 november 2025 heeft afgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze verklaringen gedetailleerd en consistent. Ook heeft [slachtoffer] in de aangifte direct verklaard over haar eigen rol, onder meer dat zij aan de baard van verdachte heeft getrokken om het dichtknijpen van de keel te stoppen. De rechtbank stelt daarnaast vast dat de door [slachtoffer] afgelegde verklaringen op concrete onderdelen steun vinden in andere bewijsmiddelen. De politieagenten die [slachtoffer] direct na het incident hebben aangetroffen, hebben in een procesverbaal van bevindingen beschreven dat [slachtoffer] in paniek was, dat zij vertelde dat zij was mishandeld door haar vriend en dat hij haar keel had dichtgeknepen en dat zij bang voor hem is. Getuige [getuige] heeft na het incident gezien dat [slachtoffer] huilde, dat het haar van [slachtoffer] in de war zat en dat haar kleding gescheurd was en [getuige] hoorde dat [slachtoffer] hoog in haar ademhaling zat. Ook past het door de forensisch arts omgeschreven letsel bij de geweldshandelingen die [slachtoffer] heeft omschreven. Daar komt bij dat de eerste verklaring van [slachtoffer] wordt ondersteund door een brief van [slachtoffer] aan het Openbaar Ministerie, die op 1 december 2025 is ontvangen, waarin zij heeft geschreven dat zij een zeer heftige ruzie heeft gehad met verdachte waarbij geweld is gebruikt en zij bij haar keel is gepakt. Over wurgseks wordt in deze brief niet gesproken.\n\nVerdachte heeft in de politieverhoren ontkend dat hij [slachtoffer] heeft vastgepakt bij de keel en haar keel heeft dichtgeknepen. Voor het eerst ter terechtzitting op 18 juni 2026, nadat [slachtoffer] ter terechtzitting heeft verklaard dat zij wurgseks heeft gehad met verdachte, heeft verdachte verklaard dat hij de keel van [slachtoffer] heeft vastgepakt en dichtgeknepen, maar dat hij dit deed met instemming van [slachtoffer] tijdens wurgseks. De rechtbank beschouwt de door verdachte ter terechtzitting afgelegde verklaring, gelet op de vastgestelde feiten en omstandigheden en het feit dat hij deze verklaring pas heeft afgelegd nadat [slachtoffer] ter zitting een gelijkluidende verklaring heeft afgelegd, als ongeloofwaardig en schuift deze terzijde.\n\nGelet op het voorgaande acht de rechtbank de aangifte en aanvullende verklaring van aangeefster betrouwbaar en zal deze dan ook voor het bewijs gebruiken.\n\nOverwegingen ten aanzien van feit 1\n\nVervolgens ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of de aangifte voldoende steun vindt in de overige bewijsmiddelen in het dossier en of sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood en verdachte deze kans bewust heeft aanvaard.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de aangifte voldoende steun vindt in het procesverbaal van bevindingen van de politieagenten die aangeefster hebben aangetroffen na het incident, de forensischmedische omschrijving van het letsel van aangeefster en de forensischmedische letselrapportage met de interpretatie van het letsel en de toelichting van deskundige G. Reijnen, forensisch arts KNMG, ter terechtzitting.\n\nDe politieagenten die [slachtoffer] direct na het incident hebben aangetroffen, hebben de emoties en angst bij [slachtoffer] waargenomen. Ook komt de verklaring van [slachtoffer] tegenover de politieagenten over de geweldshandelingen overeen met wat zij later in haar aangifte heeft verklaard.\n\nTijdens het forensischmedisch onderzoek is geconstateerd dat [slachtoffer] bloeduitstortingen in de nek, een huidbeschadiging op de kin en krasletsels op de hals had en dat sprake was van een toegenomen zichtbaarheid van bloedvaten in het linkeroog. Bij de letselinterpretatie werd ook een puntbloeding (petechie) in het linkeroog gezien. Deskundige Reijnen heeft beschreven dat de bloeduitstortingen in de hals en nek, het krasletsel in de hals en de huidbeschadiging op de kin kunnen worden verklaard door een samendrukkende krachtsinwerking op de hals. Een puntbloeding kan ontstaan als de halsaderen (links en rechts) met enige kracht, gedurende tenminste 10 tot 30 seconden worden dichtgedrukt. De vastgestelde letsels met de heesheid en het urineverlies kunnen passen bij het scenario van verwurging. Op de vraag hoe gevaarlijk het letsel is dat had kunnen optreden, heeft de deskundige beschreven dat het daadwerkelijk ontstane letsel niet levensbedreigend is geweest. Dit staat echter los van de gevaarzetting van de handeling van het uitoefenen van samendrukkend geweld op de hals door een derde (strangulatie). Het gevaar van een samendrukkende kracht op de hals bestaat uit het optreden van zuurstoftekort. Dit kan via twee mechanismes optreden, namelijk door het dichtdrukken van de bloedvaten of het dichtdrukken van de ademweg. Bij het uitoefenen van deze handeling kan er letsel optreden, zoals bloeduitstortingen, inwendig letsel en\u002Fof krasletsel. Dit letsel op zichzelf is niet levensbedreigend, maar de kans op zuurstoftekort is groter naarmate de uitgeoefende kracht op de hals groter is of langer duurt. Indien het zuurstoftekort niet tijdig wordt opgeheven, leidt dit tot bewustzijnsverlies en uiteindelijk tot de dood. Het kritieke punt waarop verwurging levensbedreigend wordt, is niet precies vast te stellen, net zoals de exacte duur dat een verwurging moet worden aangehouden na bewusteloosheid om het punt zonder spontaan herstel van het bewustzijn en de ademhaling te bereiken. Zonder medisch ingrijpen leidt deze situatie tot de dood. De gevaarzetting van de niet-fatale verwurging bij [slachtoffer] kan op basis van de letsels (bloeduitstortingen in de hals en nek, het krasletsel in de hals en de puntbloeding in het linkeroog) en de gemelde heesheid en urineverlies geclassificeerd worden als matige verwurging (Plattner’s classificatie klasse 2). Dit is mogelijk levensbedreigend. De Plattnerclassificatie moet volgens het rapport met voorzichtigheid worden benaderd en daarom heeft de rechtbank ook acht geslagen op wat de deskundige in aanvulling op het rapport heeft toegelicht over het risico van verwurging.\n\nTijdens het onderzoek ter terechtzitting op 18 juni 2026 heeft deskundige Reijnen in aanvulling op zijn deskundigenrapport toegelicht dat het ontstaan van een puntbloeding in het oog minder waarschijnlijk is bij het scenario van wurgseks, zoals daarover door [slachtoffer] ter terechtzitting is verklaard, dan bij het scenario van onvrijwillig verwurging. [slachtoffer] heeft ter zitting verklaard dat het wurgen tijdens de wurgseks vijf tot tien seconden duurde. Een puntbloeding ontstaat na minstens tien seconden verwurging. Het ontstaan van de puntbloeding is volgens de deskundige wel te verklaren door het scenario van onvrijwillige verwurging waarbij de keel tien tot twintig seconden is dichtgeknepen, zoals door [slachtoffer] in de aangifte en de aanvulling daarop is verklaard. Wat betreft het gevaar van verwurging heeft de deskundige toegelicht dat bewusteloosheid al na tien seconden verwurging kan optreden. Het is niet in zijn algemeenheid te zeggen hoelang het duurt tot de dood intreedt bij bewusteloosheid door verwurging; de dood kan plots intreden als de bloeddoorstroming naar de hersenen door de verwurging is onderbroken. Bij vrijwel iedere verwurgingshandeling is daarom levensgevaar aan de orde.\n\nGelet op het feit dat verdachte twee keer met kracht [slachtoffer] bij de keel heeft vastgepakt, waarvan de eerste keer minstens tien seconden, waarbij [slachtoffer] het gevoel had dat zij niet meer kon ademen en bloeduitstortingen in de hals en nek zijn ontstaan, en het volgens de deskundige aannemelijk is dat daardoor de puntbloeding in het oog is ontstaan, is de rechtbank van oordeel dat de kans op het overlijden van [slachtoffer] aanmerkelijk moet zijn geweest.\n\nUit de bewijsmiddelen blijkt bovendien dat verdachte niet zelf de keel van [slachtoffer] heeft losgelaten, maar dat zijn vriend hem de eerste keer wegtrok en dat hij de tweede keer losliet, omdat aangeefster in zijn gezicht krabde en aan zijn baard trok. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte de aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer] bewust heeft aanvaard.\n\nDe rechtbank acht het onder 1 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.\n\nOverwegingen ten aanzien van feit 2\n\nGelet op hetgeen de rechtbank hiervoor ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde heeft overwogen, en het feit dat de verdediging zich voor het overige heeft gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank en op de verklaring van verdachte ter terechtzitting, acht de rechtbank het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.\n\nFeit 3\n\nDe rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het onder 3 ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin, Sv, zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen:\n\nde bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 18 juni 2026;\n\nhet procesverbaal van bevindingen van 22 november 2025, pagina 104;\n\ngeschriften, te weten NFiDENT rapporten van 25 november 2025, pagina 169173.\n\n3.4. De bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n1\n\nhij op 22 november 2025 te Zwolle,\n\nter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] van het leven te beroven,\n\nmeermalen de keel van die [slachtoffer] heeft vastgepakt en dichtgeknepen,\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\n2\n\nhij op meerdere momenten op 22 november 2025 te Zwolle,\n\n [slachtoffer] heeft mishandeld, door\n\n- meermalen de keel van die [slachtoffer] vast te pakken en dicht te knijpen;\n\n- die [slachtoffer] meermalen tegen haar hoofd en haar schouder te slaan,\n\n- die [slachtoffer] meermalen aan haar haren te trekken,\n\n- die [slachtoffer] meermalen een knietje tegen haar hoofd te geven,\n\n- die [slachtoffer] met een blikje cola tegen haar (achter)hoofd te slaan,\n\n- die [slachtoffer] in haar nek te knijpen en\n\n- die [slachtoffer] in haar arm en hand te bijten;\n\n3\n\nhij op 22 november 2025 te Zwolle,\n\nopzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 14,13 gram cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.\n\nDe rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.\n\n4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde\n\nHet bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 45, 287 en 300 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet (OW). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:\n\nfeiten 1 en 2\n\nde eendaadse samenloop van de misdrijven:\n\npoging tot doodslag;\n\nen\n\nmishandeling;\n\nfeit 3\n\nhet misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.\n\n5. De strafbaarheid van verdachte\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.\n\n6. De op te leggen straf of maatregel\n\n6.1. De vordering van de officier van justitie\n\nDe officier heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 15 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren, en met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering is geadviseerd in het rapport van 1 mei 2026.\n\nDaarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr voor de duur van drie jaar wordt opgelegd, inhoudende een contactverbod met [slachtoffer] en een locatieverbod voor een gebied rondom haar woning, waarbij voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis van twee weken wordt toegepast De maatregel dient dadelijk uitvoerbaar te worden verklaard.\n\n6.2. Het standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft verzocht om bij oplegging van een gevangenisstraf deze voorwaardelijk op te leggen voor zover de duur ervan langer is dan de tijd die verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, en een proeftijd van maximaal twee jaren op te leggen.\n\n6.3. De gronden voor een straf of maatregel\n\nBij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.\n\nDe ernst van de feiten\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag en het mishandelen van zijn (ex-)partner [slachtoffer] . Verdachte heeft daarbij twee keer de keel van [slachtoffer] dichtgeknepen waardoor de kans bestond dat zij zou overlijden. Verdachte is eerder veroordeeld voor huiselijk geweld tegen [slachtoffer] en hij liep nog in een proeftijd van die veroordeling, maar dit heeft hem er niet van weerhouden om opnieuw geweld te plegen tegen [slachtoffer] . De rechtbank acht het zorgwekkend dat [slachtoffer] na het incident tegenover de politie heeft verklaard dat zij veiliger is in een relatie met verdachte dan wanneer zij de relatie verbreekt en dat zij bang is dat verdachte haar zal doden. Verdachte heeft weinig inzicht getoond in de ernst van de feiten. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het bezit van ruim 14 gram cocaïne. Het is algemeen bekend dat verdovende middelen schadelijk zijn voor de gezondheid van gebruikers en dat dit niet zelden leidt tot verslavingsproblematiek en bijkomende problemen. Dat heeft niet alleen gevolgen voor de gebruikers zelf, maar ook voor hun eigen omgeving en de maatschappij in het algemeen. De rechtbank neemt dit alles verdachte zeer kwalijk.\n\nDe persoon van de verdachte\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 28 april 2026. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor huiselijk geweld en een misdrijf op grond van de Opiumwet. Verdachte liep in een proeftijd van een veroordeling vanwege huiselijk geweld toen hij de nieuwe feiten pleegde. Dit weegt de rechtbank in strafverzwarende zin mee.\n\nDaarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de inhoud van het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 1 mei 2026. De reclassering heeft beschreven dat sprake is van een beginnend delictpatroon van huiselijk geweld. De voornaamste delictgerelateerde factoren zijn het psychosociaal functioneren van verdachte en de relatiedynamiek met aangeefster. De relatie is volgens verdachte en aangeefster inmiddels beëindigd. De reclassering schat het recidiverisico in als gemiddeld. De reclassering acht het zorgwekkend dat verdachte en aangeefster contact met elkaar blijven houden, mede gelet op de eerdere veroordeling van verdachte voor huiselijk geweld tegen aangeefster. De reclassering adviseert om diagnostiek en behandeling in te zetten, zodat verdachte risicosignalen leert te herkennen en handvatten aanleert om nieuwe geweldsincidenten, bijvoorbeeld in toekomstige partnerrelaties, te voorkomen. De reclassering adviseert daarnaast een contactverbod met aangeefster en een locatieverbod voor haar woonadres op te leggen. Ook adviseert de reclassering om als voorwaarde op te leggen dat verdachte meewerkt aan controles op het gebruik van verdovende middelen, zodat er zicht komt op zijn middelengebruik.\n\nGezien de ernst van de gepleegde feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de feiten een langere gevangenisstraf en een langer onvoorwaardelijk strafdeel rechtvaardigt dan door de officier van justitie is geëist. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een gevangenisstraf moet worden opgelegd voor de duur van 40 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en met een proeftijd van drie jaren en daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.\n\nDe op te leggen maatregel\n\nTot slot acht de rechtbank een maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr aangewezen in de vorm van een contactverbod. Het contactverbod houdt in dat verdachte op geen enkele manier (direct of indirect) contact mag opnemen, zoeken, of hebben met [slachtoffer] , tenzij het contact plaatsvindt met voorafgaande (schriftelijke) toestemming van en onder toezicht van de reclassering. Overeenkomstig de vordering van de officier van justitie geldt dit contactverbod voor de duur van drie jaren. Iedere overtreding van het contactverbod levert twee weken hechtenis op, met een maximum van zes maanden. Gelet op de duur van de opgelegde gevangenisstraf, zal de rechtbank geen 38vmaatregel opleggen in de vorm van een locatieverbod.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de op grond van artikel 38v Sr opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar moet zijn, nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en\u002Fof zich belastend zal gedragen jegens een bepaalde persoon. Verdachte is eerder veroordeeld voor huiselijk geweld tegen aangeefster en uit het reclasseringsadvies blijkt dat hij nog steeds contact onderhoudt met aangeefster, terwijl dat een risicofactor is voor herhaling.\n\n7. De vordering tenuitvoerlegging\n\n7.1. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd de vordering onder parketnummer 08.266989.23 tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 3 weken toe te wijzen.\n\n7.2. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft primair om afwijzing van de vordering verzocht. Subsidiair heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank indien de rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde.\n\n7.3. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de vordering van de officier van justitie moet worden toegewezen. Het is gebleken dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan het plegen van nieuwe strafbare feiten heeft schuldig gemaakt.\n\n8. De toegepaste wettelijke voorschriften\n\nDe hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 38w en 55 Sr.\n\n9. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nbewezenverklaring\n\n- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;\n\n- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;\n\nstrafbaarheid feiten\n\n- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;\n\n- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:\n\nfeiten 1 en 2, de eendaadse samenloop van de misdrijven:\n\npoging tot doodslag;\n\nen\n\nmishandeling;\n\nfeit 3, het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod\n\nstrafbaarheid verdachte\n\n- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 primair, 2 en 3 bewezen verklaarde;\n\nstraf\n\n- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van40 (veertig) maanden;\n\n- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 10 (tien) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van deproeftijd van 3 (drie) jarende navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:\n\n- stelt als algemene voorwaardedat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;\n\nDe rechter kan de tenuitvoerlegging ook gelasten indien de verdachte gedurende de\n\nproeftijd van 3 (drie) jarende navolgende bijzondere voorwaarden\n\nniet is nagekomen:\n\n- stelt als bijzondere voorwaardendat verdachte:\n\n- zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en\n\nzolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen twee werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het adres [adres 3] ;\n\n- zich diagnostisch laat onderzoeken en aansluitend laat behandelen door Transfore of\n\neen soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op agressiebeheersing. Indien er vanuit de middelencontroles blijkt dat er sprake is van problematisch middelengebruik, dan kan de aanpak daarvan eveneens onderdeel uitmaken van de behandeling. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;\n\n- op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met: [slachtoffer]\n\n , geboren op [geboortedatum 2] 2000, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het contact;\n\n- zich niet bevindt aan de [adres 4] en op het deel van de [adres 5] dat is gelegen tussen de [adres 4] , te [plaats] . Dit verbod geldt zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering kan tijdens deze periode het verboden gebied laten vervallen, het verboden gebied verkleinen en\u002Fof aan verdachte toestemming geven om zich voor een bepaalde periode in een bepaald deel van het verboden gebied te bevinden. Het Openbaar Ministerie kan op verzoek van de reclassering dit locatieverbod (deels) laten vervallen.\n\n- meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en\u002Fof het gebruik te leren\n\nbeheersen van verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), en lijst II (softdrugs). Deze controles kunnen bestaan uit een urineonderzoek, ademonderzoek of speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.\n\n- draagt de reclassering op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden; daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat de verdachte:\n\n- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;\n\n- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;\n\n- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;\n\nmaatregel\n\n- legt aan verdachte op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheidals\n\n bedoeld in artikel 38v Sr voor de duur van 3 (drie) jaren;\n\n- beveelt dat verdachte gedurende 3 (drie) jarenop geen enkele wijze – direct of\n\nindirect – contact op zal nemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2] 2000);\n\n- beveelt dat voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan de maatregel per overtreding wordt vervangen door 2 (twee) wekenhechtenis en bepaalt daarbij dat de maximale hechtenis zes maanden bedraagt;\n\n- beveelt deze maatregel dadelijk uitvoerbaar;\n\n- toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op;tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf met parketnummer 08.266989.23\n\n- beveelt de tenuitvoerleggingvan de bij vonnis van de politierechter te Almelo van 13 september 2024 voorwaardelijk opgelegdegevangenisstrafvoor de duur van3 (drie) weken.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. J. de Ruiter, voorzitter, mr. S.H. Peper en mr. T.C. Kuil, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Lautenbag, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026.\n\nBuiten staat\n\nMr. Kuil is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.\n\n Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid OostNederland van 9 april 2026 met nummer 2025566569. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.\n\n Pagina 16.\n\n Pagina 17.\n\n Pagina 18.\n\n Pagina 94.\n\n Pagina 128.\n\n Pagina 129.\n\n Pagina 66.\n\n Pagina 67.\n\n Pagina 81.\n\n Pagina 5-6 van de letselrapportage.\n\n Pagina 16 van de letselrapportage.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3812","ecli-nl-rbove-2026-3812",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":57,"ecli":58,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":59,"fullText":60,"language":7,"source":17,"sourceUrl":61,"summary":14,"slug":62,"metadata":63},"749","ECLI:NL:RBOVE:2026:3671","2026-06-30T00:00:00.000Z","RECHTBANK OVERIJSSEL\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ZWO 26\u002F1746\n uitspraak van de voorzieningenrechter van in de zaak tussen\n \n [verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker (hierna te noemen: [verzoeker]),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van Zwolle, het college\n\n(gemachtigde: [gemachtigde]).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van [verzoeker] in verband met de behandeling van zijn bezwaarschrift tegen het besluit van het college van 11 juni 2026. In dit besluit heeft het college aan [verzoeker] bijzondere bijstand toegekend. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.\n\n1.1.. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.\n\n1.2.. Het college heeft met het besluit van 3 maart 2026 aan [verzoeker] bijzonder bijstand toegekend voor de kosten van seksuele zorg tot een bedrag van € 204,00 per twee maanden. Dit bedrag wordt maandelijks uitbetaald, zodat [verzoeker] per maand € 102,00 ontvangt. [verzoeker] heeft hiertegen bezwaar gemaakt.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als \"onverwijlde spoed\" dat vereist. De conclusie van de voorzieningenrechter is dat er in dit geval geen spoedeisend belang aanwezig is.\n\n2.1.. De aard van een verzoek om een voorlopige voorziening veronderstelt een acute, dus actuele, spoedeisendheid. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt of als er geen acute noodsituatie is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.\n\n2.2.. \n [verzoeker] heeft ter onderbouwing van zijn standpunt dat sprake is van spoedeisend belang het volgende – samengevat weergegeven – aangevoerd. [verzoeker] stelt dat er een medische noodzaak bestaat voor de seksuele hulpverlening die hij krijgt. Zonder deze zorg ontstaat er een ernstige, psychische ontregeling. Hij kan de kosten van € 204,00 per afspraak niet voorschieten. Het college vergoedt slechts € 102,00 per maand, waardoor hij de noodzakelijk zorg niet kan betalen, aldus [verzoeker]. Ter onderbouwing van de noodzakelijkheid van de zorg verwijst [verzoeker] naar een rapport van JPH Consult van 14 november 2024.\n\n2.3.. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in wat [verzoeker] heeft aangevoerd, geen spoedeisend belang besloten ligt. Vaststaat dat er een noodzaak is voor de zorg die [verzoeker] ontvangt. [verzoeker] geeft in zijn verzoekschrift aan dat zijn zorgverlener per afspraak, eens per twee maanden, € 204,00 in rekening brengt. [verzoeker] ontvangt bijzondere bijstand om die noodzakelijke zorg te kunnen betalen. De hoogte daarvan is € 204,00 per twee maanden. Dit wordt in 2 termijnen uitgekeerd van € 102,00 per maand. [verzoeker] kan de zorg dan ook betalen met de bijzondere bijstand die hij ontvangt. Het is daarom ook niet gebleken dat [verzoeker] verstoken is van de noodzakelijk zorg. Uit wat [verzoeker] heeft aangevoerd blijkt niet dat hij in een situatie komt te verkeren die maakt dat onmiddellijk moet worden ingegrepen. Ook anderszins is niet gebleken van een voor [verzoeker] zo zwaarwegend belang, dat hij de behandeling van zijn bezwaarschift niet kan afwachten.\n\nConclusie en gevolgen\n\n3. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. F. Koster, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van\n\nA. van den Ham, griffier. Uitgesproken in het openbaar op\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3671","ecli-nl-rbove-2026-3671",{"courtName":6,"legalDomain":64,"decisionType":22,"procedureType":23},"Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht",{"id":66,"ecli":67,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":59,"fullText":68,"language":7,"source":17,"sourceUrl":69,"summary":14,"slug":70,"metadata":71},"750","ECLI:NL:RBOVE:2026:3723","RECHTBANK OVERIJSSEL\n\nTeam Strafrecht\n\nMeervoudige kamer\n\nZittingsplaats Zwolle\n\nParketnummers: 08.105279.26 (P) en 13.057968.24 (TUL)\n\nDatum vonnis: 30 juni 2026\n\nVonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:\n\n [verdachte],\n\ngeboren op [geboortedatum] 1998 in [geboorteplaats],\n\nwonende aan de [woonplaats],\n\nnu verblijvende in de PI [locatie].\n\n1. Het onderzoek op de terechtzitting\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 16 juni 2026.\n\nDe rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. E.M. Rengelink, advocaat in Amsterdam, naar voren is gebracht.\n\n2. De tenlastelegging\n\nDe verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:\n\nfeit 1:opzettelijk 4.165 gram hasj en 175,39 kilogram hennep heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en of vervoerd;\n\nfeit 2:opzettelijk 4.165 gram hasj en 175,39 kilogram hennep aanwezig heeft gehad.\n\nVoluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:\n\nfeit 1\n\nhij op of omstreeks 8 april 2026 te Deventer, althans in Nederland, opzettelijk heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en\u002Fof vervoerd, een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, te weten ongeveer 4.165 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj), waaraan geen andere substanties waren toegevoegd en\u002Fof ongeveer 175,39 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hasjiesj en\u002Fof hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\nfeit 2\n\nhij op of omstreeks 8 april 2026 te Deventer, althans in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 4.165 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj), waaraan geen andere substanties waren toegevoegd en\u002Fof ongeveer 175,39 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hasjiesj en\u002Fof hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.\n\n3. De bewijsmotivering\n\n3.1. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat verdachte op zijn minst voorwaardelijk opzet heeft gehad op het vervoeren en aanwezig hebben van de hasj en hennep.\n\n3.2. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat vrijspraak moet volgen voor de onderdelen verkopen, afleveren en verstrekken als ten laste gelegd onder feit 1 omdat bewijs ontbreekt dat verdachte zich hieraan schuldig heeft gemaakt. Daarnaast heeft de raadsman vrijspraak van zowel feit 1 als 2 bepleit omdat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte wetenschap dan wel opzet heeft gehad op het voorhanden hebben en vervoeren van de hennep en hasj.\n\n3.3. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank komt tot een bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, met uitzondering van de hierna te bespreken partiële vrijspraak, op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte deze feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, behoudens het hierna te bespreken verweer aangaande de wetenschap van verdachte, - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.\n\nhet proces-verbaal van de terechtzitting van 16 juni 2026, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;\n\nhet proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van 8 april 2026, pagina 5 en 7;\n\nhet proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] van 9 april 2025, pagina 9.\n\nPartiële vrijspraak verkopen, afleveren en verstrekken\n\nOp basis van het dossier acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte de hasj en hennep heeft verkocht, afgeleverd en\u002Fof verstrekt, zodat zij verdachte daarvan zal vrijspreken.\n\nWetenschap\n\nVerdachte heeft verklaard dat hij niet wist dat de dozen die achterin de bus zaten gevuld waren met softdrugs. De rechtbank acht de verklaring van verdachte niet aannemelijk en ongeloofwaardig en zal deze terzijde schuiven. Zij overweegt daartoe het volgende.\n\nVerdachte heeft, naast hetgeen hierboven is weergeven, verklaard dat toen hem werd gevraagd om te rijden, hij wel wist dat het om iets kon gaan wat niet mocht. Hij heeft hier vervolgens geen vragen over gesteld. Dat verdachte wel op de hoogte was van de illegale inhoud van de dozen leidt de rechtbank ook af uit zijn gedrag vlak voor de staandehouding. Verdachte volgde in eerste instantie het volgteken dat hij van de verbalisanten kreeg maar stuurde halverwege de uitvoegstrook zijn bestelbus weer terug de snelweg op. Door dit gedrag lijkt het er sterk op dat verdachte zich probeerde te onttrekken aan de controle van de verbalisanten. Van belang acht de rechtbank verder dat verdachte een relatief hoge vergoeding, te weten € 500, zou ontvangen voor deze rit. Tot slot acht de rechtbank het niet aannemelijk dat iemand ruim 175 kilogram hennep en 4 kilogram hasj, wat een zeer hoge straatwaarde vertegenwoordigt, in een bestelauto zou laden zonder dat de chauffeur van die lading op de hoogte is. Dit zou voor de eigenaar een te groot risico op het verliezen van de drugs opleveren. Een dergelijk risico zal men in het criminele circuit niet snel nemen.\n\nGelet op het voorgaande, in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat verdachte wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van softdrugs in zijn bestelauto. De verdachte heeft aldus opzet gehad op het voorhanden hebben en vervoeren van de in de tenlastelegging genoemde hoeveelheid softdrugs.\n\nEendaadse samenloop\n\nFeit 1 en feit 2 zijn zo nauw met elkaar verbonden dat de rechtbank de feiten als één enkele daad zal beschouwen en daarom als eendaadse samenloop zal beoordelen.\n\n3.4. De bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:\n\nfeit 1\n\nhij op 8 april 2026 te Deventer opzettelijk heeft vervoerd, een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, te weten 4.165 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) en 175,39 kilogram, hennep, zijnde hasjiesj en hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;\n\nfeit 2\n\nhij op 8 april 2026 te Deventer opzettelijk aanwezig heeft gehad 4.165 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) en 175,39 kilogram hennep, zijnde hasjiesj en hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.\n\nDe rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.\n\n4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde\n\nHet bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in artikel 11 van de Opiumwet (OW). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op de eendaadse samenloop van:\n\nfeit 1\n\nhet misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod; en\n\nfeit 2\n\nhet misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.\n\n5. De strafbaarheid van verdachte\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.\n\n6. De op te leggen straf of maatregel\n\n6.1. De vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar met de bijzondere voorwaarden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd en met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.\n\n6.2. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft verzocht een gevangenisstraf op te leggen waarvan een aanzienlijk deel voorwaardelijk met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd. De raadsman heeft daarnaast verzocht om de voorlopige hechtenis op te heffen, dan wel te schorsen.\n\n6.3. De gronden voor een straf of maatregel\n\nBij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.\n\nDe ernst van de feiten\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben en vervoeren van ongeveer 180 kilogram softdrugs. Dit is een uitzonderlijk grote hoeveelheid die een hoge financiële waarde vertegenwoordigd. Het kan dan ook niet anders dan dat deze drugs bestemd zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De handel in verdovende middelen gaat gepaard met ernstige vormen van georganiseerde criminaliteit waarbij het gebruik van geweld niet wordt geschuwd. Het handelen van verdachte heeft bijgedragen aan de instandhouding hiervan. Daar komt bij dat hasj en hennep stoffen betreffen die schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid van personen. Verdachte heeft zich niet bekommerd om deze risico’s en heeft enkel oog gehad voor zijn eigen financiële gewin. De rechtbank rekent dit verdachte aan.\n\nDe persoon van verdachte\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 5 juni 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor drugsfeiten. Wel is verdachte meermaals veroordeeld voor vermogens- en geweldsfeiten. Tijdens het plegen van onderhavige feiten liep verdachte in een proeftijd.\n\nDe rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van het over verdachte opgemaakte reclasseringsadvies van 29 mei 2026, opgemaakt door [naam], reclasseringswerker bij Reclassering Nederland. Hieruit blijkt dat verdachte vanaf jonge leeftijd in aanraking komt met justitie. De reclassering signaleert problematiek op alle leefgebieden. Voorafgaand aan zijn detentie leidde verdachte een zwerversbestaan, ervoer hij depressieve klachten en was er sprake van overmatig alcoholgebruik. Volgens verdachte heeft hij ten tijde van onderhavige feiten de consequenties van zijn handelen niet ingezien en was er wegens gebrek aan werk en inkomen sprake van een financieel motief. De reclassering schat het risico op recidive in als hoog. Zij adviseren een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen aan verdachte en dat hij daarnaast meewerkt aan de volgende bijzondere voorwaarden:\n\n- meldplicht;\n\n- ambulante behandeling;\n\n- verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang;\n\n- aflossing schulden; en\n\n- beheersing middelengebruik.\n\nDe op te leggen straf\n\nDe rechtbank houdt bij de bepaling van de straf rekening met de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) ten aanzien van het aanwezig hebben van dergelijke hoeveelheden softdrugs. Als uitgangspunt hiervoor geldt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden. De rechtbank houdt er daarnaast rekening mee dat sprake is van eendaadse samenloop. Met de officier van justitie ziet de rechtbank in de persoonlijke omstandigheden van verdachte reden om een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen in combinatie met bijzondere voorwaarden. De rechtbank hoopt dat het voorwaardelijke strafdeel verdachte ervan weerhoudt opnieuw de fout in te gaan. Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar met de bijzondere voorwaarden, zoals die hieronder zijn geformuleerd en met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.\n\nDe rechtbank is, anders dan de raadsman, van oordeel dat een situatie als bedoeld in artikel 67a, derde lid, Sv nog niet aan de orde is en zal het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis afwijzen. Ook ziet de rechtbank geen persoonlijke belangen van verdachte die op dit moment tot schorsing van de voorlopige hechtenis moeten leiden. De rechtbank wijst ook dit verzoek af.\n\n6.4. De in beslag genomen voorwerpen\n\nDe officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat de onder verdachte in beslag genomen telefoon kan worden teruggegeven aan verdachte nu er geen indicaties zijn gevonden dat deze telefoon is gebruikt bij de strafbare feiten.\n\nDe raadsman heeft verzocht dat de telefoon wordt teruggeven aan verdachte.\n\nDe rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van de telefoon, te weten een Apple Iphone met goednummer 3674982, aangezien deze niet vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.\n\n7. De vordering tenuitvoerlegging 13.057968.24\n\n7.1. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de bij vonnis van de Rechtbank Amsterdam van 23 mei 2025 voorwaardelijk opgelegde straf, te weten een taakstraf voor de duur van 60 uren, ten uitvoer wordt gelegd.\n\n7.2. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft primair om afwijzing van de vordering verzocht en subsidiair de rechtbank verzocht om terughoudendheid te betrachten en haar beslissing zo vorm te geven dat deze aansluit bij het reclasseringstraject.\n\n7.3. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de vordering van de officier van justitie moet worden toegewezen. Het is gebleken dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan het plegen van nieuwe strafbare feiten heeft schuldig gemaakt.\n\n8. De toegepaste wettelijke voorschriften\n\nDe hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c en 57 van het Wetboek van Strafrecht .\n\n9. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nbewezenverklaring\n\n- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;\n\n- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;\n\nstrafbaarheid feiten\n\n- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;\n\n- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:\n\nde eendaadse samenloop van,\n\nfeit 1\n\nhet misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod; en\n\nfeit 2\n\nhet misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;\n\nstrafbaarheid verdachte\n\n- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;\n\nstraf\n\n- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van12 (twaalf) maanden;\n\n- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 4 (vier) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van deproeftijd van 2 (twee) jarende navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:\n\n- stelt als algemene voorwaardedat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;\n\nDe rechter kan de tenuitvoerlegging ook gelasten indien de verdachte gedurende de\n\nproeftijd van 2 (twee) jarende navolgende bijzondere voorwaarden\n\nniet is nagekomen:\n\n- stelt als bijzondere voorwaardendat verdachte:\n\n- zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken bij Reclassering Nederland, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met verdachte opnemen voor de eerste afspraak;\n\n- zich gedurende de proeftijd laat behandelen door een zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. Verdachte werkt mee aan diagnostiek en daaruit voortvloeiende behandeling. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling;\n\n- gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;\n\n- meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;\n\n- gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en\u002Fof het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan urineonderzoek\u002Fademonderzoek\u002F speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;\n\n- draagt de reclassering op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden; daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat de verdachte:\n\n- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;\n\n- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;\n\n- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;\n\nde in beslag genomen voorwerpen\n\n- gelast de teruggavevan de telefoon, te weten een Apple Iphone met goednummer 3674982, aan verdachte;\n\ntenuitvoerlegging voorwaardelijke straf met parketnummer\n\n- beveelt de tenuitvoerleggingvan de bij vonnis van Rechtbank Amsterdam van 23 mei 2025 voorwaardelijk opgelegdetaakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren;\n\nde voorlopige hechtenis\n\n- wijst het verzoek tot opheffing af;\n\n- wijst het verzoek tot schorsing af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. S.H. Peper, voorzitter, mr. A. van Holten en mr. M. ter Riet, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.M.A. van den Hoek, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026.\n\nBuiten staat\n\nMr. A. van Holten is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.\n\nWanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2026170007. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3723","ecli-nl-rbove-2026-3723",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":73,"ecli":74,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":59,"fullText":75,"language":7,"source":17,"sourceUrl":76,"summary":14,"slug":77,"metadata":78},"1119","ECLI:NL:RBOVE:2026:3672","RECHTBANK OVERIJSSEL\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ZWO 26\u002F1538\n uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen\n [verzoeker 1] en [verzoeker 2] uit [woonplaats], verzoekers\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van Wierden\n\n(gemachtigde: mr. J.J.C. Wenno).\n\nSamenvatting\n\n1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van [verzoeker 1] en [verzoeker 2] (hierna: [verzoeker 1]) gericht tegen een brief van het college van 23 december 2021. In die brief wordt [verzoeker 1] meegedeeld dat het college niet meewerkt aan de verkoop\u002Fverhuur van een aan het woonperceel van verzoekers grenzend perceel kadastraal bekend gemeente [kadastrale aanduidingen 1] en wordt verzoekers verzocht het betreffende perceel uiterlijk op 1 december 2022 te ontruimen.\n\n1.1.. Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.\n\nInleiding: feiten en procesverloop\n\n2.1. \n [verzoeker 1] is eigenaar van de woning met grond op het perceel kadastraal bekend gemeente [kadastrale aanduidingen 2]. De gemeente is eigenaar van de aangrenzende percelen kadastraal bekend gemeente [kadastrale aanduidingen 3] (hierna kavel A) en [kadastrale aanduidingen 1] (hierna kavel B). Het perceel van verzoekers ligt tussen beide gemeentelijke percelen.\n\n2.2. Bij brief van 27 september 2021 heeft [verzoeker 1] de gemeente Wierden gevraagd de percelen A en B aan hem te verkopen.\n\n2.3. \n\nMet de brief van 23 december 2021 heeft het college op het verzoek gereageerd.\n\nMeegedeeld is dat het college meewerkt aan de verkoop\u002Fverhuur van perceel A maar dat het college niet meewerkt aan verjaring\u002Fverkoop van kavel B.\n\nIn de brief verzoekt het college [verzoeker 1] perceel B uiterlijk op 1 december 2022 geheel ontruimd zonder hekwerk aan de gemeente op te leveren.\n\n2.4. \n [verzoeker 1] heeft op 28 januari 2022 (pro forma) bezwaar ingediend tegen de brief van 23 december 2021.\n\n2.5. Bij deurwaardersexploot van 15 mei 2025 is [verzoeker 1] aangezegd om het perceel binnen dertig dagen te ontruimen. Daaraan heeft [verzoeker 1] geen gevolg gegeven.\n\n2.6. \n\nPartijen hebben civielrechtelijk geprocedeerd over de vraag of sprake is van eigendomsverkrijging door verzoekers door verjaring ten aanzien van perceel B. Het college heeft de bezwaarprocedure aangehouden in afwachting van een onherroepelijk besluit van de civiele rechter.\n\nMet het arrest van 22 mei 2026 van de Hoge Raad staat onherroepelijk vast dat de gemeente Wierden eigenaar is van het perceel kadastraal bekend gemeente [kadastrale aanduidingen 1].\n\n2.7. \n\n [verzoeker 1] heeft de gronden van bezwaar aangevuld bij brief van 26 mei 2026 en bij brief van 27 mei 2026 een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.\n\n [verzoeker 1] vraagt de voorzieningenrechter om bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van 23 december 2021 tot ontruiming van het perceel B te schorsen, althans de werking ervan op te schorten, tot 2 weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar.\n\n2.8. Verzoekers hebben op 29 juni 2026 nog nadere producties in het geding gebracht.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\nToetsingskader\n\n3.1. De voorzieningenrechter is op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb bevoegd om een voorlopige voorziening te treffen tijdens de bezwaarprocedure. Bij de beoordeling is van belang of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Het bezwaar heeft geen redelijke kans van slagen als het niet is gericht tegen een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Op grond van artikel 7:1, eerste lid, in samenhang met artikel 8:1, eerste lid, van de Awb kan namelijk alleen bezwaar worden gemaakt tegen een besluit.\n\nDe wettelijke regels die van belang zijn voor de beoordeling van deze zaak staan in de bijlage.\n\n3.2. Het college heeft in het verweerschrift van 2 juni 2026 gereageerd op het verzoek om voorlopige voorziening. De brief van 23 december 2021, door [verzoeker 1] gekwalificeerd als ‘het ontruimingsbesluit’ is niet gericht op enig rechtsgevolg en heeft ook niet een publiekrechtelijk karakter. Het college stelt dan ook dat dat er geen sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb waartegen rechtsmiddelen aangewend kunnen worden.\n\n3.3. \n [verzoeker 1] is het niet met het college eens en vindt dat sprake is van een besluit.\n\n3.4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat geen sprake is van een besluit in de zin van de Awb omdat geen sprake is van een publiekrechtelijke rechtshandeling. Het ontruimingsbesluit houdt een verzoek in om perceel B te ontruimen en zonder hekwerk aan de gemeente op te leveren. Met de brief van 23 december 2021 wordt geen verplichting door het college in het leven geroepen. In de brief wordt de ontruiming geformuleerd als een verzoek en in de brief is geen rechtsmiddelenclausule opgenomen. Dat, zoals [verzoeker 1] stelt, het college reeds voor de brief van 23 december 2021 op grond van het door haar gevoerde beleid had besloten kavel B te ontwikkelen tot woningbouwkavel en [verzoeker 1] het perceel voor een bepaalde datum volledig ontruimd diende op te leveren, maakt dat niet anders.\n\n3.5. \n\nVoor zover wel sprake is van een rechtshandeling ontbreekt het publiekrechtelijke karakter. Zoal het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in het arrest van 18 maart 2025 heeft overwogen spreekt (het college namens) de gemeente in de brief van 23 december 2021 aanspraken van [verzoeker 1] en [verzoeker 2] op de eigendom van kavel B tegen en gebruikt zij daarin geen publiekrechtelijke bevoegdheid.\n\nDat het college, zoals [verzoeker 1] stelt, kavel B wil uitgeven als bouwkavel en daarmee uitvoering geeft aan het gemeentelijke woningbouwbeleid maakt dat niet anders.\n\n3.6. \n [verzoeker 1] stelt tot slot dat de brief van 23 december 2021 als een besluit moet worden aangemerkt om het door de gemeente gevoerde grond- en uitgiftebeleid in een concreet geval afdwingbaar te maken. Voor zover [verzoeker 1] hiermee beoogt te stellen dat de brief van 23 december 2021 geldt als bestuurlijk rechtsoordeel dat omwille van de rechtsbescherming als besluit aangemerkt dient te worden, wordt hij daarin niet gevolgd. Een bestuurlijk rechtsoordeel is een zelfstandig en als definitief bedoeld oordeel van een bestuursorgaan over de toepasselijkheid van een wettelijk voorschrift waarvan de toepassing tot de bevoegdheid van het bestuursorgaan hoort.Daarvan is zoals overwogen onder 3.5 geen sprake nu het gaat om uitoefening van het eigendomsrecht door de gemeente als publiekrechtelijke rechtspersoon.\n\n3.7. Verzoekers dienen zich tot de civiele rechter te richten indien zij wensen te voorkomen dat uitvoering wordt gegeven aan de ontruiming van het in geding zijnde perceel grond.\n\nConclusie en gevolgen\n\n4.1. Op grond van de systematiek van de Awb kan alleen bezwaar worden gemaakt tegen een besluit. Nu de brief van 23 december 2021 niet als besluit in de zin van de Awb kan worden aangemerkt, leidt dit tot de conclusie dat het bezwaar van [verzoeker 1] naar alle verwachting niet-ontvankelijk zal worden verklaard.\n\n4.2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af, omdat het bezwaar van [verzoeker 1] geen redelijke kans van slagen heeft.\n\n4.3. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.W.M. Bunt, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Landstra, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op\n\ngriffier\n\nde voorzieningenrechter is buiten staat de uitspraak te tekenen\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.Bijlage: voor deze zaak van belang zijnde wet- en regelgeving\n\nAlgemene wet bestuursrecht\n\nartikel 1:3\n\n1. Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.\n\n(…)\n\nartikel 7:1\n\n1. Degene aan wie het recht is toegekend beroep bij een bestuursrechter in te stellen, dient alvorens beroep in te stellen bezwaar te maken, tenzij:\n\nartikel 8:81\n\n1. Indien tegen een besluit (…) voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt (…) kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.\n\n Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3222, rechtsoverweging 4","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3672","ecli-nl-rbove-2026-3672",{"courtName":6,"legalDomain":79,"decisionType":22,"procedureType":23},"Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht",{"id":81,"ecli":82,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":59,"fullText":83,"language":7,"source":17,"sourceUrl":84,"summary":14,"slug":85,"metadata":86},"1120","ECLI:NL:RBOVE:2026:3711","RECHTBANK OVERIJSSEL\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ZWO 26\u002F1470\n uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen\n [verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker,\n\ngemachtigde: mr. V.C.D. Klaassen,\n\nen\n\nde Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV),\n\ngemachtigde: [gemachtigde].\n\nAls derde-partij neemt aan de zaak deel: Ministerie van Defensie (Defensie),\n\ngemachtigden: mr. A. Smajic en P.M. van der Weijden\n\nProcesverloop\n\n1. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 30 december 2025 (bestreden besluit) waarbij aan hem de maatregel is opgelegd dat zijn uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) blijvend geheel niet wordt uitbetaald. Op 20 mei 2026 heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.\n\n1.1.. Het UWV heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.2.. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 25 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en zijn gemachtigde (via Teams), de gemachtigde van het UWV (via Teams) en de gemachtigden van Defensie.\n\nFeiten en omstandigheden\n\n2. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.\n\n2.1.. Verzoeker was als wachtcoördinator in dienst van Defensie. Op 4 juli 2024 en op 12 november 2024 is verzoeker voorwaardelijk ontslagen wegens plichtsverzuim. Op 13 januari 2025 is verzoeker ziek uitgevallen. Bij besluit van 25 november 2025 heeft Defensie verzoeker disciplinair ontslagen wegens plichtsverzuim. Daaraan ligt, samengevat weergegeven, ten grondslag dat verzoeker gedurende zijn ziekteperiode meermaals zijn verantwoordelijkheden in het kader van zijn re-integratie niet is nagekomen en dat hij zich toegang heeft verschaft tot de Legerplaats bij [plaats] met een Defensiepas die niet aan hem toebehoort, maar op naam van een collega staat. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Defensie heeft nog niet op dit bezwaar beslist. Defensie heeft naar aanleiding van het bezwaar van verzoeker een psychiater verzocht om te onderzoeken in welke mate de gedragingen aan verzoeker kunnen worden toegerekend. Verzoeker is tweemaal uitgenodigd voor een onderzoek door deze psychiater, maar hij is niet op de afspraken verschenen.\n\n2.2.. Het UWV heeft aan verzoeker met ingang van 1 december 2025 een ZW-uitkering toegekend, die wordt betaald door Defensie, die eigenrisicodrager (ERD) is. Op 19 december 2025 heeft Defensie aan het UWV verzocht om aan verzoeker een maatregel op te leggen van blijvend gehele weigering van de uitbetaling van de ZW-uitkering. Bij besluit van 30 december 2025 heeft het UWV deze maatregel aan verzoeker opgelegd. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen deze maatregel. Het UWV heeft nog niet op het bezwaar beslist. In het kader van dit bezwaar zal door een verzekeringsarts Bezwaar en Beroep worden onderzocht in hoeverre de aan verzoeker verweten gedragingen hem kunnen worden toegerekend, mede gelet op zijn medische situatie. In verband met achterstanden bij het UWV is dit onderzoek nog niet opgestart.\n\n2.3.. Op 20 mei 2026 heeft verzoeker een verzoek ingediend om bij wege van voorlopige voorziening te bepalen dat aan hem met ingang van een door de voorzieningenrechter in redelijkheid te bepalen datum een ZW-uitkering wordt verstrekt.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan\n\nde voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak,\n\nop verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter over de rechtmatigheid van het bestreden besluit heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.\n\n3.1.. De voorzieningenrechter neemt spoedeisend belang aan. Verzoeker heeft voldoende onderbouwd dat hij geen woning en inkomsten meer heeft, dat het verkrijgen van bijstand nog niet is gelukt, en dat er betalingsachterstanden zijn ontstaan als gevolg van de maatregel.\n\nVoorlopig oordeel over de besluitvorming\n\n3.2.. Volgens vaste rechtspraak is sprake van een benadelingshandeling in de zin van artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW in situaties waarin een werknemer zijn recht op loon prijsgeeft op een moment dat het arbeidsongeschiktheidsrisico al is ingetreden. Hiermee is immers een einde gekomen aan de loonbetalingsverplichting van een werkgever op grond van artikel 7:629 van het Burgerlijk Wetboek, ter vervanging waarvan vervolgens ziekengeld wordt gevraagd. De maatregel die bij een benadelingshandeling kan worden opgelegd wordt volgens het tweede lid van het artikel afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de verzekerde de gedraging kan worden verweten. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien als elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Hier moet dus onderzoek naar worden gedaan.\n\n3.3.. \n\nOp grond van artikel 63a, eerste lid, van de ZW verricht de ERD de werkzaamheden ter zake van de voorbereiding van besluiten op grond van de ZW. Het UWV en de ERD hebben daarbij ieder hun eigen verantwoordelijkheden en taken. In de Regeling werkzaamheden, administratieve voorschriften en kosten eigenrisicodragen ZW (Regeling) zijn op grond van artikel 63a, negende lid, van de ZW nadere regels gesteld.\n\n In artikel 2 van de Regeling is (onder meer) bepaald dat de ERD de beslissing op zorgvuldige wijze dient voor te bereiden, waarbij het voorstel wordt gedragen door de onderliggende feiten en dat het UWV dit voorstel dient te toetsen alvorens de gevraagde beschikking af te geven. Ook moet de ERD alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan het UWV zenden.\n\n3.4.. In de toelichtingbij artikel 2 van de Regeling staat vermeld:“Het UWV voert slechts een marginale toets uit op het voorstel van de eigenrisicodrager. Marginale toetsing wil zeggen dat beoordeeld wordt of het voorstel op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en of het voorstel gedragen kan worden door de feiten en omstandigheden die de eigenrisicodrager heeft aangedragen. Het UWV toetst alleen dát aspect op grond waarvan een beslissing via een beschikking bekend gemaakt moet worden. Bijvoorbeeld: de eigenrisicodrager doet een voorstel voor het opleggen van een maatregel. Het UWV betrekt in haar toetsing uitsluitend de voor die maatregel van belang zijnde aspecten. Alle overige aspecten die te maken hebben met recht\u002Fhoogte\u002Fduur van de uitkering, worden hierbij niet betrokken. Dergelijke aspecten komen in een periodieke toetsing van het functioneren van de eigenrisicodrager aan de orde (artikel 3). Indien de eigenrisicodrager het voorstel voor een beslissing niet of niet voldoende zorgvuldig heeft voorbereid, zal het UWV hem eenmaal een termijn geven om een en ander te herstellen. Bij uitblijven hiervan verricht het UWV (een deel van) de werkzaamheden (conform artikel 63a, vijfde lid, ZW).”\n\n3.5.. De voorzieningenrechter stelt vast dat Defensie bij het voorstel slechts enkele stukken heeft gevoegd, maar niet het ontslagbesluit van 25 november 2025 waarin de verweten gedragingen zijn omschreven, en ook niet het verslag van de hoorzitting die naar aanleiding van het ontslagvoornemen is gehouden. Daarnaast heeft Defensie in het voorstel niet meer opgenomen dan de mededeling dat aan verzoeker disciplinair ontslag is verleend en dat dat een benadelingshandeling is. Het UWV heeft niet getoetst, en ook niet kunnen toetsen, of het voorstel op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en of het voorstel gedragen kon worden door de feiten en omstandigheden die Defensie heeft aangedragen. Ook stelt de voorzieningenrechter vast dat voorafgaand aan het nemen van het besluit van 30 december 2025 geen enkel onderzoek is gedaan naar de vraag of verzoekers gedragingen hem wel of niet kunnen worden aangerekend, niet door Defensie en ook niet door het UWV. Het UWV is direct overgegaan tot een blijvend gehele weigering van de uitkering zodra het verder ongemotiveerde verzoek van Defensie binnenkwam. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is dit volstrekt onzorgvuldig. Het UWV heeft bij voorbaat de zwaarst denkbare maatregel opgelegd zonder enig onderzoek naar de vraag of aan de voorwaarden daarvoor is voldaan. Dat in de toelichting op de Regeling staat dat er alleen een marginale toets moet worden uitgevoerd, betekent niet dat het UWV in het geheel niet hoeft te toetsen of aan de voorwaarden voor oplegging van de maatregel wordt voldaan, zoals in dit geval lijkt te zijn gebeurd. Dat beoordeeld moet worden of het voorstel op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en of het voorstel gedragen kan worden door de feiten en omstandigheden die de ERD heeft aangedragen, impliceert dat ook beoordeeld moet worden of de voorgestelde maatregel op de juiste wijze is afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de verzekerde de gedraging verweten kan worden. Pas als uit adequaat (medisch) onderzoek volgt dat het handelen van verzoeker hem daadwerkelijk was te verwijten kan een maatregel worden opgelegd. Er was dus geen rechtsgeldige aanleiding om de uitbetaling van de ZW-uitkering te beëindigen.\n\n3.6.. Uit 3.5 volgt dat aan het bestreden besluit een gebrek kleeft. Een dergelijk gebrek kan echter in bezwaar worden gerepareerd. Het (de) vereiste (medische) onderzoek(en) naar de vraag van de verwijtbaarheid moet(en) dan alsnog plaatsvinden. Daarbij is van evident belang dat verzoeker wel op de afspraken verschijnt van de onderzoekers en dat hij meewerkt aan het onderzoek of de onderzoeken. Dit is op de zitting van de voorzieningenrechter ook besproken. De voorzieningenrechter merkt in dit kader nog op dat de gevolgen van de uitkomsten van het onderzoek van de door Defensie ingeschakelde psychiater naar de toerekenbaarheid niet per definitie dezelfde moeten zijn voor het ontslagbesluit als voor het besluit waarbij de maatregel is opgelegd. Mogelijk is het nodig dat, zoals het UWV heeft aangekondigd, ook nog een onderzoek door een verzekeringsarts Bezwaar en Beroep wordt uitgevoerd. De voorzieningenrechter wijst erop dat in artikel 8, eerste lid, van de Beleidsregel maatregelen UWV, is bepaald dat bij het niet naleven van een verplichting uit de vierde categorie, de hoogte van de maatregel wordt vastgesteld op 50 procent indien er sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Ook zal in bezwaar, gelet op de stelling van verzoeker dat de maatregel onevenredig is, moeten worden beoordeeld of geheel of gedeeltelijk moet worden afgezien van het opleggen van een maatregel indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.\n\n3.7.. Met het oog op de vraag of de voorzieningenrechter aanleiding ziet om een voorlopige voorziening te treffen wordt het volgende overwogen. Tussen partijen is op zichzelf niet in geschil dat verzoeker ten tijde van het einde van zijn dienstverband ongeschikt was voor zijn eigen werk in de zin van de ZW. Duidelijk is dat hij op dat moment kampte met psychische klachten, een instabiele woonsituatie, gezinsproblematiek en financiële problemen. Dit doet ook vermoeden dat verzoeker vanwege zijn problematiek onvoldoende in staat was zelf de situatie ten goede te keren. Gelet op de aard van de problemen van verzoeker is de voorzieningenrechter er niet op voorhand van overtuigd dat zijn gedragingen hem daadwerkelijk (volledig) kunnen worden aangerekend. Ook is de voorzieningenrechter er nog niet van overtuigd, gelet op de instabiele woonsituatie en overige problemen van verzoeker, dat er geen dringende redenen zijn om geheel of gedeeltelijk van de maatregel af te zien. Om die reden bestaat er reële twijfel of een volledige weigering van uitkering in bezwaar stand kan houden. Hierin ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n4. Een voorlopige voorziening kan in beginsel slechts aanvangen per datum van indiening van het verzoek, dat is 20 mei 2026, en worden opgelegd tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar. De voorzieningenrechter draagt het UWV daarom op de ZW-aanspraken van verzoeker met ingang van 20 mei 2026 voorlopig volledig uit te betalen.\n\n5. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, is er aanleiding het UWV te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze worden op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.868,- (waarbij geldt 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Daarnaast moet het UWV het door verzoeker betaalde griffierecht van € 54,- aan hem vergoeden.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\nbepaalt dat de uitbetaling van de ZW-uitkering van verzoeker met ingang van 20 mei 2026 wordt hervat;\n\nveroordeelt het UWV in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.868,-;\n\ndraagt het UWV op het betaalde griffierecht van € 54,- aan verzoeker te vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. Eikelenboom, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A. van den Ham, griffier. Uitgesproken in het openbaar op\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Stcrt 2009, 20617","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3711","ecli-nl-rbove-2026-3711",{"courtName":6,"legalDomain":64,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":88,"ecli":89,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":59,"fullText":90,"language":7,"source":17,"sourceUrl":91,"summary":14,"slug":92,"metadata":93},"1122","ECLI:NL:RBOVE:2026:3715","RECHTBANK OVERIJSSEL\n\nZittingsplaats Zwolle\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: ZWO 25\u002F2235, 25\u002F2236, 25\u002F2237 en 25\u002F2238\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank Overijssel in de zaken tussenMaatschap [eiseres 1], uit [vestigingsplaats 1],\n\neiseres in 25\u002F2235,\n\nhierna te noemen: [eiseres 1],\n\nV.O.F. [eiseres 2], uit [vestigingsplaats 2], eiseres in 25\u002F2236,\n\nhierna te noemen: [eiseres 2],\n\nMaatschap [eiseres 3], uit [vestigingsplaats 3], eiseres in 25\u002F2237,\n\nhierna te noemen: [eiseres 3],\n\nMaatschap [eiseres 4], uit [vestigingsplaats 4], eiseres in 25\u002F2238,\n\nhierna te noemen: [eiseres 4],\n\n(gemachtigde in alle zaken: mr. A.C. Hoogmoed),\n\nen\n\nhet college van Gedeputeerde Staten van Overijssel\n\nhierna te noemen: het college\n\n(gemachtigden: [gemachtigde 1], [gemachtigde 2] en [gemachtigde 3]).\n\nSamenvatting\n\n1.1. Deze uitspraak betreft de vraag of de verzoeken van eisers om legalisatie moeten worden aangemerkt als aanvragen in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eisers zijn zogenaamde PAS‑melders. Zij mochten onder het voormalige Programma Aanpak Stikstof (PAS) hun activiteiten uitvoeren op basis van een melding in plaats van een vergunning. Ten gevolge van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling)is dat programma vervallen en hebben de PAS-melders veelal alsnog een vergunning nodig. Het college had de ingebrekestellingen van deze PAS-melders buiten behandeling gelaten omdat geen sprake zou zijn van een aanvraag. De daartegen gemaakte bezwaren zijn niet‑ontvankelijk verklaard.\n\n1.2.. De rechtbank oordeelt dat deze legalisatieverzoeken wél als aanvragen moeten worden aangemerkt omdat deze zijn gericht op het verkrijgen van een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming. Dat het college deze verzoeken heeft geplaatst in het kader van een aanmelding voor een afzonderlijk legalisatieprogramma, doet daaraan niet af. Een dergelijk onderscheid tussen aanmelden en aanvragen kent geen basis in de Awb. Eisers krijgen dus gelijk. De beroepen zijn gegrond. De besluiten worden vernietigd, de rechtbank stelt de dwangsommen vast en het college dient alsnog te besluiten op de aanvragen van deze PAS-melders.\n\n1.3.. Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.\n\nProcesverloop\n\n2.1. Met de bestreden besluiten van 2 juli 2025 op de afzonderlijke bezwaren van eisers heeft het college de bezwaren van eisers tegen de brieven van het college van 19 maart 2025 niet-ontvankelijk verklaard.\n\n2.2.. Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.\n\n2.3.. De rechtbank heeft de beroepen op 8 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen:\n\n- [naam 1] en [naam 2] namens [eiseres 1],\n\n- [naam 3] en [naam 4] namens [eiseres 2],\n\n- [naam 5] namens [eiseres 3],\n\n- [naam 6] en [naam 7] namens [eiseres 4],\n\n- alle eisers zijn bijgestaan door mr. A.C. Hoogmoed en mr. R. van den Broek en vergezeld van [adviseur], adviseur;\n\n- [gemachtigde 1], [gemachtigde 2] en [gemachtigde 3] namens het college.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nDe feiten\n\n3.1.. Alle eisers zijn agrarische bedrijven die zijn aan te merken als zogeheten PAS-melders. Voorafgaand aan de inwerkingtreding van het PAS hadden zij een vergunning op grond van de Wet milieubeheer dan wel exploiteerden zij hun bedrijf rechtmatig op basis van een melding die gebaseerd was op regelgeving die voorafging aan het PAS. Als gevolg van de inwerkingtreding van het PAS, waarbij de vergunningplicht voor activiteiten met een geringe uitstoot kwam te vervallen, waren eisers niet langer vergunningplichtig en gold voor hun inrichtingen een meldingsplicht. [eiseres 1] heeft op 20 november 2015 een PAS-melding gedaan. [eiseres 2] heeft op 3 september 2015 een PAS-melding gedaan. [eiseres 3] heeft op 2 oktober 2015 een PAS-melding gedaan en [eiseres 4] heeft op 26 mei 2016 een PAS-melding gedaan.\n\n3.2.. De Afdeling heeft in een uitspraak van 29 mei 2019geoordeeld dat het PAS niet voldoet aan de eisen die het Hof van Justitie van de Europese Unie stelt aan de daaraan ten grondslag liggende passende beoordeling en dat activiteiten die zonder vergunning zijn gerealiseerd of verricht, waaronder activiteiten die in overeenstemming met het PAS werden verricht, alsnog vergunningplichtig zijn. Omdat de meldingsbevestiging op grond van het PAS niet op rechtsgevolg was gericht, gold een dergelijke bevestiging niet als besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Deze uitspraak van de Afdeling heeft ertoe geleid dat activiteiten die op basis van meldingen op grond van het PAS werden verricht, waaronder de bedrijfsactiviteiten van eisers, met onmiddellijke ingang illegaal zijn geworden.\n\n3.3.. Om legalisering van de activiteiten van de PAS-melders mogelijk te maken is onder meer de Wet natuurbescherming met ingang van 1 juli 2021 gewijzigd en is, voor zover hier van belang, artikel 1.13a aan de wet toegevoegd. Op grond van het eerste lid van dit artikel draagt de minister in het belang van de rechtszekerheid tezamen met gedeputeerde staten van de provincies zorg voor het legaliseren van de projecten met een geringe stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden die voldeden aan de voorwaarden van artikel 2.12 van het Besluit natuurbescherming, zoals dat luidde op 28 mei 2019. Op grond van het tweede lid van dit artikel stelt de Minister stelt zo spoedig mogelijk een programma vast met maatregelen om de gevolgen van de stikstofdepositie van de in het eerste lid bedoelde projecten te mitigeren of te compenseren, gericht op de verlening voor de projecten van onder meer een vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid. Het vierde lid bepaald dat de in het programma opgenomen maatregelen worden uitgevoerd binnen drie jaar na de vaststelling van het programma.\n\n3.4.. Op 14 april 2021 heeft [eiseres 1] een verzoek om legalisatie ingediend via het digitale portaal mijn.rvo.nl, met gebruikmaking van het daartoe bestemde formulier in het kader van het landelijke legalisatieprogramma voor PAS-melders, welk programma op basis van het Besluit natuurbescherming is vastgesteld. In dit digitale formulier is onder meer de vraag gesteld of een vergunning nodig is. Deze vraag is door [eiseres 1] bevestigend beantwoord. [eiseres 2] heeft een dergelijk verzoek op 29 april 2021 gedaan, [eiseres 3] op 11 februari 2021 en [eiseres 4] op 15 april 2021. Ook in deze gevallen is desgevraagd bevestigd dat een vergunning nodig is. Bij voormelde verzoeken zijn tevens verschillende bijlagen geüpload met AERIUS-berekeningen en (deskundigen)rapportages, waarin in de gevallen van [eiseres 1] en [eiseres 3] bovendien expliciet in deze bijlagen is vermeld dat een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming wordt aangevraagd. Op 20 september 2023 heeft [eiseres 1] een brief van het college gekregen waarin onder meer is aangegeven dat op dat moment nog geen legaliserende vergunning kon worden aangevraagd. [eiseres 2] heeft op 18 september 2023 een dergelijke brief gekregen, [eiseres 3] op 17 mei 2024 en [eiseres 4] op 14 december 2023.\n\n3.5.. Op 1 maart 2025 zijn namens eisers afzonderlijke ingebrekestellingen gestuurd aan het college omdat – in de visie van eisers – niet tijdig was beslist op de door hen gedane verzoeken om legalisatie. Bij brieven van 19 maart 2025 heeft het college gereageerd op de ingebrekestellingen. In elk van deze brieven is aangegeven dat geen sprake is van een aanvraag en dat daarom ook geen beslistermijn is verstreken. Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen deze brieven. Bij de bestreden besluiten van 2 juli 2025 zijn deze bezwaren niet-ontvankelijk verklaard.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\n4.1.. De rechtbank overweegt dat volgens vaste jurisprudentieeen reactie op een ingebrekestelling als bedoeld in artikel 4:17, derde lid, van de Awb een besluit kan zijn. Daarvoor is vereist dat de ingebrekestelling betrekking heeft op het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Artikel 1:3, derde lid, van de Awb bepaalt dat onder een aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen. De rechtbank zal daarom beoordelen of de door eisers ingediende verzoeken om legalisatie als zodanig kunnen worden aangemerkt.\n\n4.2.. De rechtbank is van oordeel dat de door eisers gedane verzoeken om legalisatie moeten worden aangemerkt als aanvragen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eisers hun verzoeken hebben ingediend via het daartoe bestemde digitale formulier op mijn.rvo.nl en dat deze verzoeken, gelet op de daarin opgenomen gegevens en de daarbij gevoegde bijlagen, voldoen aan de vereisten voor een aanvraag als bedoeld in artikel 4:2, eerste lid, van de Awb. Voor zover de verzoeken niet voldeden aan een of meer vereisten als bedoeld in artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, bijvoorbeeld omdat niet alle benodigde gegevens of bescheiden waren overgelegd, had het college deze aanvragen met toepassing van artikel 4:5 van de Awb buiten behandeling kunnen laten, mits eisers eerst de gelegenheid tot herstel was geboden. Dat heeft het college niet gedaan. Daarbij komt dat in het digitale formulier expliciet is gevraagd of een vergunning nodig is en dat deze vraag door eisers bevestigend is beantwoord. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de door eisers gedane verzoeken om legalisatie – gelet op deze inhoud en strekking – niet anders begrepen worden dan als verzoeken om een vergunning op grond van de (destijds van kracht zijnde) Wet natuurbescherming (thans Omgevingswet). Dat enkele eisers dit in de bijlagen bij hun verzoek bovendien uitdrukkelijk hebben benoemd, bevestigt dit oordeel. Daarmee is sprake van aanvragen in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb.\n\n4.3.. Dat het college deze verzoeken heeft geplaatst in het kader van het legalisatieprogramma voor PAS-melders en daarbij kennelijk onderscheid maakt tussen het aanmelden voor dat programma en het indienen van een aanvraag, maakt dit niet anders, nu voor een dergelijk onderscheid geen wettelijke grondslag bestaat binnen het systeem van de Awb.Voor de kwalificatie als aanvraag is bepalend of een belanghebbende een verzoek doet om een besluit te nemen. De door het college, althans het rijk, gehanteerde inrichting van het legalisatieproces kan daaraan niet afdoen. Het standpunt van het college dat de aanvragen niet voor inwilliging in aanmerking komen en het niet in het belang van PAS-melders zou zijn om nu een beslissing te krijgen, laat onverlet dat sprake is van een verzoek van een belanghebbende om een besluit te nemen waartegen rechtsbescherming openstaat, inclusief de mogelijkheid om op te komen tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op een aanvraag.\n\n4.4.. Omdat de door eisers gedane verzoeken om legalisatie moeten worden aangemerkt als aanvragen, dienen de mededelingen dat de ingebrekestellingen en daarmee de aanvragen niet in behandeling zullen worden genomen, te worden aangemerkt als besluiten waartegen bezwaar kon worden gemaakt. De bezwaren zijn dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank zal de bestreden besluiten vernietigen. De rechtbank zal ook de besluiten tot het buiten behandeling stellen van de ingebrekestellingen van 19 maart 2025 herroepen.4.5. In het kader van finale geschillenbeslechting overweegt de rechtbank als volgt. Daargelaten de vraag of de mededelingen van 18 en 20 september 2023, 14 december 2023 en 17 mei 2024 als mededelingen in de zin van artikel 4:14, derde lid, van de Awb kunnen worden aangemerkt, is de rechtbank van oordeel dat ten tijde van de ingebrekestellingen van 1 maart 2025 de redelijke termijn voor het nemen van besluiten op de aanvragen was verstreken. Eisers hebben daarom terecht bezwaarschriften ingediend tegen de besluiten van het college van 19 maart 2025 om de ingebrekestellingen buiten verdere behandeling te laten. Het college heeft tot op heden geen besluiten genomen.\n\n4.6.. De rechtbank zal de hoogte van de dwangsommen vaststellen. Op 1 maart 2025 hebben eisers het college in gebreke gesteld. Op grond van artikel 4:17, derde lid, van de Awb is 17 maart 2025 de eerste dag waarop de dwangsommen zijn verschuldigd, Omdat het college nog geen besluiten heeft genomen, zijn na ontvangst van de ingebrekestellingen meer dan 42 dagen verstreken. Op grond van artikel 4:17, tweede lid, van de Awb bedraagt de door het college de verbeurde dwangsommen € 1442 voor iedere eisers afzonderlijk. Verder dient het college alsnog te besluiten op de aanvragen. De rechtbank zal hiervoor een termijn van twaalf weken geven.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5.1.. De beroepen zijn gegrond. De bestreden besluiten dienen te worden vernietigd. Ook dienen de besluiten van 19 maart 2025 te worden herroepen.\n\n5.2.. De rechtbank stelt de verbeurde dwangsommen vast en bepaalt dat het college alsnog dient te beslissen op de aanvragen.\n\n5.3.. Omdat de beroepen gegrond zijn moet het college het griffierecht aan eisers vergoeden. Ook ziet de rechtbank aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten die eisers in verband met de behandeling van hun beroepen redelijkerwijs hebben moeten maken. Vanwege de samenhang tussen de beroepen van eisers ziet de rechtbank aanleiding om te volstaan met toekenning van 1 punt voor het instellen van de gezamenlijke beroepen en 1 punt voor de gezamenlijke behandeling ter zitting. De waarde per punt is € 934. De aan eisers te vergoeden proceskosten bedragen daarmee € 1.868.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart de beroepen gegrond;\n\nvernietigt de bestreden besluiten;\n\nherroept de besluiten van 19 maart 2025;\n\nstelt de hoogte van de dwangsommen vast op € 1442 voor iedere eiser;\n\ndraagt het college op om binnen twaalf weken na verzending van deze uitspraak besluiten te nemen op de aanvragen van eisers;\n\nveroordeelt het college in de proceskosten van eisers, ten bedrage van € 1.868, te betalen aan eisers;\n\nbepaalt dat het college de griffierechten van in totaal € 1.540 (€ 385 aan elk van de eisers) aan eisers moet vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, voorzitter, mr. K. Ides en mr. B.A.J. Haagen, leden, in aanwezigheid van mr. A. van der Weij, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op .\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Uitspraak van 29 mei 2019, ECLI:NL:2019:1603\n\n ECLI:NL:RVS:2019:1603\n\n Vgl. ABRvS 17 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:409\n\n Vgl. ABRvS 5 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2574 en CRvB 16 september 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1381.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3715","ecli-nl-rbove-2026-3715",{"courtName":6,"legalDomain":94,"decisionType":22,"procedureType":23},"Bestuursrecht; Omgevingsrecht",{"id":96,"ecli":97,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":59,"fullText":98,"language":7,"source":17,"sourceUrl":99,"summary":14,"slug":100,"metadata":101},"1124","ECLI:NL:RBDHA:2026:17811","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Zwolle\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.34871\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser\n\ngemachtigde: mr. H.W. Omvlee,\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie.\n\nProcesverloop\n\nDe minister heeft op 9 april 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.\n\nEiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.\n\nDe minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.\n\nDe rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten op 25 juni 2026.\n\nOverwegingen\n\n1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2002.\n\n2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.\n\n3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 29 april 2026 in de zaak NL26.20239 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 23 april 2026.\n\n4. Eiser stelt zich op het standpunt dat er geen zicht op uitzetting meer is, nu er nog geen enkele reactie is ontvangen van de Algerijnse autoriteiten op zijn laissez passer (lp) aanvraag. Eiser stelt zich op het standpunt dat de minister met een lichter middel moet volstaan. Eiser heeft verklaard dat zijn zus in Frankrijk een kopie van zijn paspoort zou opsturen\u002Flangsbrengen. Hiermee heeft hij geprobeerd om zijn documenten te verstrekken. Ook geeft hij daarbij aan zo spoedig mogelijk te willen vertrekken. Hieruit blijkt dat hij zich meewerkend opstelt en ook voornemens is om te vertrekken. Op de minister rust, naarmate de bewaring voortduurt, de verplichting om telkens te beoordelen of een lichter middel kan worden toegepast. Betrokkene verblijft inmiddels ruim drie maanden in bewaring. Gelet op zijn meewerkende houding en zijn bereidheid om zich aan een meldplicht te houden, bestaat er aanleiding om de bewaring te vervangen door een minder ingrijpende maatregel en dient de belangenafweging in het voordeel van eiser uit te vallen.\n\n5. De rechtbank is van oordeel dat er nog zicht op uitzetting van eiser naar Algerije bestaat. Allereerst geldt dat de Algerijnse autoriteiten in zijn algemeenheid bereid zijn tot afgifte van lp’s. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat de lp-aanvraag loopt en er regelmatig wordt gerappelleerd, laatstelijk op 4 juni 2026. In het vooralsnog uitblijven van een reactie van de Algerijnse autoriteiten op deze aanvraag, ziet de rechtbank op dit moment geen aanleiding voor het oordeel dat het zicht op uitzetting ontbreekt. Verder is niet gebleken dat de Algerijnse autoriteiten hebben laten weten dat zij geen lp voor eiser zullen afgeven.\n\n6. In de maatregel heeft de minister voldoende gemotiveerd waarom in het geval van eiser niet met een lichter middel kan worden volstaan. Uit het dossier volgt verder dat de belangen van eiser regelmatig worden afgewogen. Zo wordt na elk vertrekgesprek beoordeeld of eiser omstandigheden heeft aangevoerd die maken dat de bewaringsmaatregel niet langer zou kunnen voortduren. De rechtbank is van oordeel dat zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet met een lichter middel kan worden volstaan en dat een belangenafweging niet in het voordeel van eiser uitvalt. De rechtbank stelt vast dat eiser ten aanzien van zijn paspoort wisselend heeft verklaard. Eiser heeft verklaard dat hij zelf zijn terugkeer niet kan bespoedigen, omdat hij geen identiteitsdocumenten heeft en ook geen kopieën hiervan. Later verklaart eiser dat hij zijn zus heeft gevraagd zijn paspoort te brengen. Eiser stelt weliswaar te hebben geprobeerd om aan zijn paspoort te komen, maar tot op heden is dat paspoort er nog niet. In de enkele verklaring van eiser dat hij wil terugkeren, ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel. De enkele duur van de vreemdelingenbewaring maakt gelet op de gronden en de motivering daarvan ook niet dat de belangenafweging in het geval van eiser in zijn voordeel dient uit te vallen. De beroepsgrond slaagt niet\n\n7. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding om de bewaring onrechtmatig te achten. \n\n8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.\n\n9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- wijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.M. van Veelen, rechter, in aanwezigheid van\n\nH.B. Slot - Akkerman, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.\n\nECLI:EU:C:2025:647, ECLI:EU:C:2022:858 en ECLI:NL:RVS:2026:329.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17811","ecli-nl-rbdha-2026-17811",{"courtName":6,"legalDomain":102,"decisionType":22,"procedureType":23},"Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":104,"ecli":105,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":59,"fullText":106,"language":7,"source":17,"sourceUrl":107,"summary":14,"slug":108,"metadata":109},"1121","ECLI:NL:RBOVE:2026:3714","RECHTBANK OVERIJSSEL\n\nZittingsplaats Zwolle\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ZWO 25\u002F1578\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser], uit [woonplaats],\n\n(gemachtigde: mr. B.N. van Hoek),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van Enschede\n\n(gemachtigde: mr. M. Ichoh).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek van [eiser] om informatie op grond van de Wet open overheid (de Woo) door het college. [eiser] heeft gevraagd om de bestuurlijke signalen over zorgfraude die zijn opgemaakt vanaf 2015 en de namen van de betrokken ambtenaren. Het college heeft dat geweigerd, onder andere omdat sprake is van persoonsgegevens van strafrechtelijke aard, persoonlijke beleidsopvattingen en omdat geheimhouding nodig is voor het functioneren van de Staat en andere publiekrechtelijke lichamen. [eiser] is het niet eens met de afwijzing van zijn Woo-verzoek. Hij voert daartoe aan dat het college de openbaarmaking van de aangetroffen documenten niet integraal heeft mogen weigeren omdat per document een afweging gemaakt moet worden. Ook kleeft er een motiveringsgebrek aan het bestreden besluit omdat niet aannemelijk is dat geen enkel deel openbaar gemaakt kan worden. Tot slot voert [eiser] aan dat de weigering tot openbaarmaking in strijd is met het gelijkheidsbeginsel.\n\n2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de openbaarmaking van de documenten integraal heeft mogen weigeren. Er is geen sprake van een motiveringsgebrek. Evenmin is er sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel. [eiser] krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarmee ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n3. [eiser] heeft op 17 mei 2024 bij het college een verzoek om informatie op grond van de Woo ingediend. Hij verzoekt om (1) het compleet opgestelde bestuurlijke signaal dat is opgesteld over Zorgburo Maatwerk B.V., (2) alle opgestelde bestuurlijke signalen met betrekking tot zorgfraude vanaf 2015 tot op het moment van het indienen van het Woo-verzoek en (3) de namen en functies van de ambtenaren binnen de gemeente Enschede die de bestuurlijke signalen hebben opgesteld.\n\n4. Het college heeft het Woo-verzoek van [eiser] bij besluit van 13 juni 2024 afgewezen. In het besluit schrijft het college dat er een zoekslag is uitgevoerd aan de hand van het Woo-verzoek, waarbij 42 documenten zijn aangetroffen die onder de reikwijdte vallen van het Woo-verzoek. Dit betreffen signaalformulieren ten aanzien van diverse partijen. Het college weigert integraal de documenten openbaar te maken omdat het bepaalde in de artikelen 8.8, 5.1 en 5.2 van de Woo daaraan in de weg staat.\n\n5. Met het bestreden besluit van 30 april 2025 op het bezwaar van [eiser] is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven, zij het dat het college de weigeringsgrondslag van artikel 8.8 van de Woo heeft laten vallen.\n\n6. [eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n7. De rechtbank heeft het beroep op 21 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser], de gemachtigde van [eiser] en de gemachtigde van het college.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n8. De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:29 van de Awb kennisgenomen van de door het college overgelegde vertrouwelijke stukken.\n\n9. In beroep voert [eiser] aan dat het college ten onrechte, onder verwijzing naar de weigeringsgronden van artikel 5.1 en 5.2 van de Woo, integraal heeft geweigerd om de aangetroffen documenten (signaalformulieren) openbaar te maken. Het is volgens [eiser] niet aannemelijk dat er helemaal geen delen van de signaalformulieren openbaar gemaakt kunnen worden. Het college had per onderdeel en per formulier moeten motiveren welke weigeringsgrond van toepassing is. Nu het college dit niet heeft gedaan, is er sprake van een motiveringsgebrek. Verder heeft het college gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat bij [eiser] een situatie bekend is van een derde die op grond van de Woo wel een signaalformulier openbaar gemaakt heeft gekregen.\n\n10. Het college heeft het verzoek om openbaarmaking afgewezen en integraal geweigerd de documenten openbaar te maken onder verwijzing naar de volgende weigeringsgronden uit de Woo:\n\npersoonsgegevens van strafrechtelijke aard (artikel 5.1, eerste lid, onder d);\n\ninspectie, controle en toezicht door bestuursorganen (artikel 5.1, tweede lid, onder d);\n\nbescherming persoonlijke levenssfeer (artikel 5.1, tweede lid, onder e);\n\nhet goed functioneren van de Staat of bestuursorganen (artikel 5.1, tweede lid, onder i), en;\n\npersoonlijke beleidsopvattingen (artikel 5.2, eerste lid)\n\n11. De rechtbank overweegt dat in beroep niet meer in geschil is dat het college de namen van behandelend ambtenaren heeft mogen weigeren op grond van artikel 5.1, tweede lid, onder 2, van de Woo (bescherming persoonlijke levenssfeer).\n\n12. De rechtbank oordeelt dat het college integraal openbaarmaking van de signaalformulieren heeft mogen weigeren. Zij overweegt hiertoe dat het college onder verwijzing naar de weigeringsgronden ‘inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen’ en ‘het goed functioneren van de Staat of bestuursorganen’ afdoende heeft onderbouwd dat de betrokken belangen in de weg staan aan (gedeeltelijke) openbaarmaking van de documenten. Daarbij acht de rechtbank het relevant dat de inhoud van de gevraagde documenten, de signaalformulieren, zeer gevoelig is. De inhoud van de signaalformulieren bevat speculaties over mogelijke zorgfraude. Uit deze informatie kan naar het oordeel van de rechtbank de werkwijze van inspectie en controle worden afgeleid, openbaarmaking waarvan onwenselijk is gelet op de taak die het college als bestuursorgaan heeft met betrekking tot de controle op de naleving van zorgcontracten. Daar komt bij dat de signaalformulieren worden gedeeld met ketenpartners in het Regionaal Informatie- en Expertise Centrum (RIEC). Indien de inhoud van de signaalformulieren (gedeeltelijk) openbaar zouden worden gemaakt, zal dit volgens het college de ‘doodsteek’ betekenen voor een effectieve gegevensuitwisseling. Tussen de RIEC-partners zou minder (of geen) informatie worden uitgewisseld indien het risico bestaat dat de informatie openbaar wordt gemaakt. De rechtbank kan deze redenering volgen en overweegt dat dit het goed functioneren van het college als bestuursorgaan raakt. De rechtbank overweegt tot slot dat, als alle informatie zal worden ‘gelakt’ die terecht kan worden geweigerd gelet op deze weigeringsgronden, er geen informatie over zal blijven die de moeite waard is om te delen. Het college heeft de documenten daarom integraal mogen weigeren openbaar te maken.\n\n13. De rechtbank volgt het standpunt van [eiser] niet dat er aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft. Zoals hiervoor is overwogen, heeft het college in het Woo-besluit van 13 juni 2024 en het bestreden besluit van 30 april 2025 per weigeringsgrond gemotiveerd welke informatie kan worden geweigerd en waarom, en is die motivering toereikend.\n\n14. Tot slot volgt de rechtbank evenmin het standpunt van [eiser] dat er sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel. De zaak waarnaar hij verwijst is niet vergelijkbaar omdat de betreffende verzoeker om openbaarmaking van zijn eigen signaalformulier had verzocht en het college na afstemming en goedkeuring van hem het betreffende signaalformulier openbaar heeft gemaakt. Onbetwist is dat er geen signaalformulier is aangetroffen van Zorgburo Maatwerk B.V. dat openbaar gemaakt kan worden of aan [eiser] zelf verstrekt kan worden, zodat bij het verzoek van [eiser] geen sprake is van een dergelijk ‘eigen signaalformulier’.\n\n15. De beroepsgronden slagen niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n16. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat [eiser] ongelijk krijgt. Het college heeft de openbaarmaking van de documenten integraal mogen weigeren. [eiser] krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Rozeboom, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. J.P. Fortuin, griffier, uitgesproken in het openbaar op\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3714","ecli-nl-rbove-2026-3714",{"courtName":6,"legalDomain":79,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":111,"ecli":112,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":59,"fullText":113,"language":7,"source":17,"sourceUrl":114,"summary":14,"slug":115,"metadata":116},"1123","ECLI:NL:RBDHA:2026:17809","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Zwolle\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.34635\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser\n\ngemachtigde: mr. E.J.P. Cats,\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie.\n\nProcesverloop\n\nDe minister heeft op 15 mei 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.\n\nEiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.\n\nDe minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.\n\nDe rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten op 25 juni 2026.\n\nOverwegingen\n\n1. Eiser stelt van Palestijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1994.\n\n2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.\n\n3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 2 juni 2026 in de zaak NL26.27593 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek 28 mei 2026.\n\n4. Eiser stelt dat bewaring niet langer nodig is en dat kan worden volstaan met een meldplicht, nu eiser bereid is mee te werken aan de overdracht van 30 juni 2026. De bewaring valt eiser erg zwaar.\n\n5. In de maatregel heeft de minister uitgebreid overwogen waarom gelet op de gronden en motiveringen een lichter middel niet is aangewezen. Door eiser is ook niet overtuigend gesteld dat een dergelijke maatregel voor de daadwerkelijke effectuering van zijn vertrek kan volstaan. In het vertrekgesprek van 21 mei 2026 blijkt dat eiser niet wilde meewerken aan zijn overdracht. De rechtbank verwijst ook naar wat in de uitspraak in zaaknummer NL26.27593 is overwogen ten aanzien van een lichter middel. Dat eiser op 22 juni 2026 het beroep tegen het overdrachtsbesluit en het verzoek om voorlopige voorziening heeft ingetrokken, is naar het oordeel van de rechtbank, gelet op het voorgaande, onvoldoende om aan te nemen dat nu wel met een lichter middel kan worden volstaan. Weliswaar geeft eiser aan dat de maatregel van vreemdelingenbewaring hem zwaar valt maar de overdracht aan Duitsland staat gepland op 30 juni 2026 en de bewaring zal dan ook niet lang meer duren. De beroepsgrond slaagt niet.\n\n6. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel\n\nvan bewaring onrechtmatig is.\n\n7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.\n\n8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- wijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.M. van Veelen, rechter, in aanwezigheid van\n\nH.B. Slot - Akkerman, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.\n\n ECLI:EU:C:2022:858.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17809","ecli-nl-rbdha-2026-17809",{"courtName":6,"legalDomain":102,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":118,"ecli":119,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":120,"fullText":121,"language":7,"source":17,"sourceUrl":122,"summary":14,"slug":123,"metadata":124},"1510","ECLI:NL:RBDHA:2026:17722","2026-06-29T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Zwolle\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.36466\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] Timoth, V-nummer: [V-nummer], eiser\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: drs. [gemachtigde]).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat de homoseksuele gerichtheid van eiser en de daardoor ondervonden problemen ongeloofwaardig zijn. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Tanzaniaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2001. De minister heeft met het bestreden besluit van 1 augustus 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.\n\n2.1.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 4 juni 2026 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, E.J. Nyembo als tolk en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nHet asielrelaas\n\n3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser kwam er in juli 2020, op negentienjarige leeftijd, achter dat hij van homoseksuele gerichtheid is. Zijn eerste partner, [naam 1] , werd in december 2020 opgepakt. Omdat eiser hoorde dat de politie ook op zoek was naar hem is hij vertrokken naar Dar es Salaam, waar hij twee jaren heeft verbleven. Daar kreeg hij een relatie met [naam 2] . Eiser werd in november\u002Fdecember 2022 aangehouden door de politie, mishandeld en weer vrijgelaten. Hierna is hij in januari 2023 legaal naar Zuid-Afrika gereisd en daarna uiteindelijk naar Nederland. Eiser vreest dat hij bij terugkeer vanwege zijn gerichtheid door de politie zal worden opgepakt en levenslang in de gevangenis moet blijven.\n\nHet bestreden besluit\n\n4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:\n\n-de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;\n\n-de seksuele gerichtheid en daaruit voorvloeiende problemen.\n\nDe minister stelt zich hierover op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn. De seksuele gerichtheid en daaruit voortvloeiende problemen vindt de minister echter niet geloofwaardig. Omdat eiser kennelijk inconsequente en tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd, heeft de minister de asielaanvraag als kennelijk ongegrond afgewezen.\n\nHeeft de minister zich op het standpunt kunnen stellen dat de homoseksuele gerichtheid van eiser ongeloofwaardig is?\n\nWat is het betoog van eiser?\n\n5. Eiser stelt dat hij moeite heeft om te verklaren over zijn gerichtheid. Dat hij niet veel opleiding heeft gehad, heeft gevolgen voor zijn vermogen te kunnen verklaren en te kunnen reflecteren op zijn eigen ontwikkeling en gevoelens. Eiser stelt dat hij wel wat heeft verklaard over zijn gevoelens voor [naam 1] en dat de aantrekking die hij voelde voor hem op een haast natuurlijke, geleidelijke wijze is ontstaan. De minister heeft volgens eiser verder niet onderbouwd waarom het referentiekader\u002Fde achtergrond van eiser maakt dat eiser daarom meer onderzoek had moeten doen naar de situatie van LHBTI’ers in Tanzania. In Nederland voelt eiser zich een stuk rustiger. Hij gaat een keer per maand naar bijeenkomsten van LGBT-Community Center en het doet hem goed met gevoelsgenoten samen te zijn.\n\nWat is het oordeel van de rechtbank?5.1.. De minister heeft zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de homoseksuele gerichtheid van eiser ongeloofwaardig is. De minister heeft van belang kunnen vinden dat eiser summiere verklaringen heeft afgelegd over hoe hij tot het besef kwam dat hij homoseksueel was terwijl hij woonde in een land waar het verboden is. De minister heeft daarbij in aanmerking kunnen nemen dat het niet geloofwaardig is dat eiser er, voordat hij ging samenwonen met [naam 1], nooit over heeft nagedacht op welk geslacht hij viel. Ook heeft de minister in aanmerking kunnen nemen dat eiser geen concreet antwoord heeft gegeven op de vraag hoe de vriendschapsrelatie met [naam 1] veranderde in een liefdesrelatie. De enkele verklaring dat dit heel natuurlijk en geleidelijk ging omdat ze dichterbij elkaar kwamen doordat ze hun woning deelden is hiervoor onvoldoende. Eiser verklaart daarmee niet hoe het kan dat deze verandering binnen vijf of zes dagen plaatsvond, terwijl hij er eerder nooit over had nagedacht op welk geslacht hij viel. De minister heeft verder van belang kunnen vinden dat eiser summier en oppervlakkig heeft verklaard over zijn relaties en gevoelens. Daarbij heeft de minister het volgende kunnen betrekken. Eiser heeft summier verklaard over zijn gevoelens voor [naam 1] en over de persoonlijkheid van [naam 1]. De enkele verklaringen van eiser dat hij ‘blij in zijn hoofd’ was, dat [naam 1] een goed persoon is die hem heeft geholpen en dat [naam 1] perfect was en geen mindere kanten had, kon de minister onvoldoende vinden. Ook heeft eiser summier en tegenstrijdig verklaard over de herinneringen die hij heeft en vertelt hij weinig over de relatie met [naam 2], terwijl hij hem elke twee weken zou hebben gezien. Zo weet eiser niet hoe oud [naam 2] is, kan hij weinig over zijn persoonlijkheid vertellen, kan hij niet vertellen hoe lang de relatie heeft geduurd en verklaart hij wisselend over zijn gevoelens. Dat eiser, mede door zijn lage opleiding, moeite zou hebben zijn gevoelens onder woorden te brengen, leidt niet tot een ander oordeel. Blijkens het besluit heeft de minister daar rekening mee gehouden. De hoormedewerker heeft eiser bovendien uitvoerig geholpen door vragen te herhalen, vragen op verschillende manieren te stellen en voorbeelden te geven. De minister heeft er op zitting nog op gewezen dat het niet zo is dat eiser helemaal niet is opgeleid, zodat wel wat van eiser mag worden verlangd. Eiser heeft de basisschool gevolgd en heeft ook gewerkt. Dat eiser zich inmiddels in Nederland rustiger voelt en naar bijeenkomsten van LGBT-Community Center zou gaan, maakt het oordeel ook niet anders. Het is allereerst aan eiser om geloofwaardig verklaringen af te leggen over zijn gerichtheid. De stelling van eiser dat de minister niet heeft onderbouwd waarom het referentiekader\u002Fde achtergrond van eiser maakt dat hij daarom meer onderzoek had moeten doen naar de situatie van LHBTI’ers in Tanzania, slaagt ook niet, aangezien dit niet in het besluit staat. De minister heeft zich juist op het standpunt gesteld dat van eiser, ondankszijn referentiekader, verwacht mag worden dat hij meer onderzoek doet. Eiser heeft in beroep niet aangevoerd waarom hij dat niet zou kunnen. Deze beroepsgronden slagen niet.\n\nHeeft de minister zich op het standpunt kunnen stellen dat de problemen van eiser ongeloofwaardig zijn?\n\nWat is het betoog van eiser?\n\n6. Eiser weet niet wat de reden van de arrestatie van [naam 1] was maar het is volgens eiser reëel te veronderstellen dat dit te maken had met het feit dat ze in een homoseksuele relatie samenleefden aangezien dit in Tanzania verboden en levensgevaarlijk is. De minister kan niet van eiser verwachten dat hij navraag had gedaan naar de situatie van [naam 1], want dat zou hun relatie openbaren en eiser aan gevaar blootstellen. Eiser betoogt verder dat de verklaringen over het incident in de club niet tegenstrijdig zijn, maar aanvullend. Eiser weet niet wie hem heeft verraden bij de politie, maar het was duidelijk dat het net zich rond hem begon te sluiten en dat hij niet meer veilig was in Tanzania. Eiser stelt ten slotte dat de minister en nieuwe afweging had moeten maken, aangezien de minister eiser volgt in een aantal reacties op het voornemen waardoor een deel van de onderbouwing van het besluit is komen te vervallen.\n\nWat is het oordeel van de rechtbank?6.1.. \n\nDe minister heeft zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de gestelde problemen van eiser ongeloofwaardig zijn. De minister heeft van belang kunnen vinden dat niet geloofwaardig is dat eiser wordt gezocht vanwege de arrestatie van [naam 1] in 2020. Daarvoor heeft de minister in aanmerking kunnen nemen dat eiser slechts van de buren heeft gehoord dat [naam 1] is gearresteerd en dat het niet geloofwaardig is dat eiser geen navraag heeft gedaan naar wat er met hem is gebeurd. Dat dit niet van eiser verwacht zou kunnen worden omdat eiser dan gevaar zou lopen slaagt niet. Aangezien het hier om zijn gestelde liefdespartner ging, mocht de minister verwachten dat eiser in ieder geval pogingen had ondernomen meer te weten te komen. Eiser had daarbij kunnen verzwijgen dat het om zijn partner ging en had kunnen zeggen dat [naam 1] een gewone huisgenoot was. Dat het volgens eiser reëel is te veronderstellen dat de arrestatie te maken had met hun gestelde homoseksuele relatie slaagt ook niet aangezien eiser hiervoor geen concrete aanwijzingen naar voren heeft gebracht. De minister heeft verder in aanmerking kunnen nemen dat eiser geen inspanning heeft geleverd om aan te tonen dat hijzelf wordt gezocht. Daarbij is van belang dat eiser in beroep niet heeft bestreden dat hij nog jaren zonder problemen in Tanzania heeft gewoond en heeft deelgenomen aan de maatschappij.\n\nDe minister heeft verder van belang kunnen vinden dat eiser wisselend en summier heeft verklaard over (de aanleiding van) het incident in 2022 en de reden van vertrek. Eiser heeft niet bestreden dat de minister het ongeloofwaardig heeft gevonden dat hij in 2022 na zijn arrestatie is vrijgelaten en dat hij legaal het land kon verlaten terwijl hij zou worden gezocht vanwege het gestelde incident in 2020 en homoseksuele gerichtheid verboden is in Tanzania. De minister heeft daarom al voldoende gemotiveerd dat de (aanleiding van) de arrestatie in 2022 ongeloofwaardig is. Dat eiser zou zijn vrijgelaten omdat hij veel bloedde doordat ze hem hadden mishandeld volgt de rechtbank niet, aangezien eiser dat pas op zitting naar voren heeft gebracht. De stelling van eiser dat een deel van het besluit is komen te vervallen omdat de minister eiser op een aantal punten volgt, slaagt niet. De minister heeft eiser inderdaad op twee punten gevolgd, maar dit waren slechts onderdelen van een standpunt van de minister. De betreffende standpunten zelf bleven ongewijzigd. Deze beroepsgronden slagen niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen. De minister heeft de aanvraag ook terecht afgewezen als kennelijk ongegrond, wat eiser overigens ook niet heeft bestreden. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Korporaal-Wisman, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Vreemdelingenwet 2000\n\n Zaak NL25.36467","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17722","ecli-nl-rbdha-2026-17722",{"courtName":6,"legalDomain":102,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":126,"ecli":127,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":120,"fullText":128,"language":7,"source":17,"sourceUrl":129,"summary":14,"slug":130,"metadata":131},"1511","ECLI:NL:RBDHA:2026:17723","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Zwolle\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.33873\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser\n\n(gemachtigde: mr. H. Postma),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. K. Diender).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, b en e van de Vw. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. De rechtmatigheid van het opleggen van de maatregel is niet in geschil, maar het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig, omdat op enig moment na oplegging duidelijk werd dat eiser geen asielaanvraag meer wilde indienen. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 17 juni 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 25 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. De voor de beoordeling van de overige beroepsgronden belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.\n\nDe aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring\n\n4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. Daarnaast heeft de minister deze maatregel opgelegd omdat eiser (1o) in vreemdelingenbewaring werd gehouden in het kader van een terugkeerprocedure uit hoofde van de Terugkeerrichtlijn, (2o) reeds de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure heeft gehad en (3o) op redelijke gronden kan worden aangenomen dat hij de aanvraag louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen.\n\n4.1.. In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:\n\na. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt; b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit; d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat; h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer; n. zich niet heeft gehouden aan een hem opgelegde maatregel ter beperking van beweging van de vrijheid, bedoeld in artikel 56, eerste lid, van de Vw; r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.\n\n5. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die door de minister in de maatregel van vreemdelingenbewaring zijn opgenomen, inhoudelijk niet betwist. De gronden zijn voldoende om de maatregel te dragen. Daarom kan worden aangenomen dat er een risico op onderduiken bestaat.\n\n6. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het opleggen van de maatregel ten tijde van de oplegging daarvan onrechtmatig was.\n\nIs de maatregel van vreemdelingenbewaring na oplegging onrechtmatig geworden?\n\n7. De rechtbank stelt verder vast dat niet in geschil is dat de maatregel na oplegging daarvan onrechtmatig is geworden, omdat op 18 juni 2026 duidelijk werd dat eiser geen asielaanvraag wilde doen en de grondslag had moeten worden omgezet naar artikel 59, eerste lid, van de Vw. Dit heeft de minister niet tijdig gedaan en daarom is de maatregel vanaf 18 juni 2026 onrechtmatig. De minister heeft daarom terecht schadevergoeding aangeboden vanaf 18 juni 2026. De rechtbank acht gronden aanwezig om schadevergoeding toe te kennen voor vijf dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 5 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = €600,-\n\nIs er aanleiding voor proceskostenvergoeding?\n\n8. Eiser voert aan dat er bij de brief van de minister van 24 juni 2026 naast schadevergoeding ook proceskostenvergoeding had moeten worden aangeboden. Eiser heeft zijn gemachtigde genoemd als voorkeursadvocaat en die heeft maandag 22 juni 2026 contact opgenomen met de DTenV om de grondslag van de maatregel omgezet te krijgen. Aangezien je ter zitting nog gronden mag aanvoeren is het onjuist dat alleen proceskostenvergoeding wordt aangeboden als een advocaat schriftelijk gronden indient. Het is niet mogelijk om zelf beroep in te stellen, dus dat het met een kennisgeving aanhangig is gemaakt, is onvermijdelijk. Bovendien werden vroeger bij de 28-dagen kennisgevingen ook proceskosten vergoed.\n\n8.1.. De minister stelt dat een automatische kennisgeving geen beroep is waarvoor de gemachtigde handelingen heeft moeten verrichten. De minister verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling van 23 februari 2024.In dit geval is vóór de zitting al schadevergoeding aangeboden, waardoor een zitting met werkzaamheden niet nodig was geweest.\n\n8.2.. De rechtbank is van oordeel dat eiser procesbelang heeft bij de beoordeling van dit punt, omdat de minister te kennen heeft gegeven dit standpunt in alle zaken die voorafgaand aan de zitting worden opgeheven te zullen hanteren. De rechtbank is van oordeel dat eiser in dit geval om twee redenen recht heeft op een proceskostenvergoeding:\n\n8.2.1.. De eerste reden is dat de zitting plaatsvond op 25 juni 2026 en de minister pas bij brief van 24 juni 2026 om 14:25 uur te kennen heeft gegeven schadevergoeding te willen aanbieden. Voorstelbaar is dat de gemachtigde op dat tijdstip, net als de rechtbank, de zitting al had voorbereid en dus werkzaamheden had verricht. Bovendien ontbrak nog de M113 ter bevestiging dat de maatregel daadwerkelijk is opgeheven; dat is pas ter zitting bevestigd en pas op 26 juni 2026 geüpload in het dossier.\n\n8.2.2.. De tweede reden is dat, zodra de rechtbank de kennisgeving heeft ontvangen, de vreemdeling geacht wordt beroep te hebben ingesteld tegen het besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel.Iemand heeft recht op een proceskostenvergoeding als het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen.Daarbij is niet bepalend of er al gronden van beroep zijn ingediend. In dit geval is de maatregel niet opgeheven vanwege bijvoorbeeld een reeds geplande uitzetting, maar rechtstreeks vanwege een fout die aan het licht is gekomen na het aanhangig worden van de zaak bij de rechtbank. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser terecht beroep heeft ingesteld (door middel van een kennisgeving) en er daarom recht is op een proceskostenvergoeding.\n\n8.2.3.. Omdat de bevestiging van de opheffing pas is ontvangen na de zitting, heeft eiser ook recht op proceskostenvergoeding voor de zitting.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf 18 juni 2026 onrechtmatig.\n\n10. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 600,00, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.M. van Veelen, rechter, in aanwezigheid van S. Hitijahubessy - Brussaard, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\nBijlage: wettelijk kader\n\nArtikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. De minister kan in vreemdelingenbewaring stellen de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder f, subonderdeel 2° of onder h, subonderdeel 2°, van de Vw voor zover dit betrekking heeft op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van de Vw, als vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op vaststelling van de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling. Deze grond voor vreemdelingenbewaring is aanwezig, als de identiteit of de nationaliteit van de vreemdeling met onvoldoende zekerheid bekend is en zich ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nArtikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. De minister kan in vreemdelingenbewaring stellen de vreemdeling die die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder f, subonderdeel 2° of onder h, subonderdeel 2°, van de Vw voor zover dit betrekking heeft op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van de Vw, als vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op het vaststellen van de gegevens gegevens die ten grondslag liggen aan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van de Vw en die niet zouden kunnen worden verkregen indien de aanvrager niet in vreemdelingenbewaring zou worden gehouden, met name wanneer er sprake is van een onderduikrisico. Deze grond voor vreemdelingenbewaring is aanwezig, als door middel van vreemdelingenbewaring de gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een aanvraag tot het verkrijgen van een verblijfsvergunning kunnen worden verkregen en zich ten minste van de twee gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nArtikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw. De minister kan in vreemdelingenbewaring stellen de vreemdeling die die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder f, subonderdeel 2° of onder h, subonderdeel 2°, van de Vw voor zover dit betrekking heeft op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van de Vw, als de vreemdeling:\n\nin vreemdelingenbewaring werd gehouden in het kader van een terugkeerprocedure uit hoofde van de Terugkeerrichtlijn;\n\nreeds de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure heeft gehad; en\n\nop redelijke gronden aangenomen kan worden dat hij de aanvraag louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen.\n\nBij de beoordeling of sprake is van een dergelijke aanvraag worden alle omstandigheden van het geval betrokken, waaronder met name:\n\nof de vreemdeling eerder een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft gedaan;\n\nde termijn waarbinnen de vreemdeling zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kenbaar heeft gemaakt in het licht van zijn verklaringen hieromtrent;\n\n de omstandigheden waaronder de vreemdeling is aangetroffen dan wel zijn aanvraag kenbaar heeft gemaakt;\n\nof de vreemdeling in het Schengeninformatiesysteem ter zake van een inreisverbod gesignaleerd staat;\n\nde gestelde nationaliteit in het licht van de toepassing van artikel 30b, eerste lid, onder b van de Vw;\n\nde onderbouwing van de aanvraag.\n\nArtikel 59c van de Vw. De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. In het besluit tot vreemdelingenbewaring vermeldt de minister de feitelijke en juridische gronden waarop de vreemdelingenbewaring is gebaseerd en de reden dat geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast.\n\n Vreemdelingenwet 2000.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Zie het arrest C, B en X van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.\n\n Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 23 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:777, r.o. 12.1.\n\n Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.\n\n Dit volgt uit artikel 5.7, eerste lid, van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.7, tweede lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17723","ecli-nl-rbdha-2026-17723",{"courtName":6,"legalDomain":102,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":133,"ecli":134,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":120,"fullText":135,"language":7,"source":17,"sourceUrl":136,"summary":14,"slug":137,"metadata":138},"1512","ECLI:NL:RBDHA:2026:17677","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Zwolle\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.47826\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. Y. Izgi),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. Y.E.C. Thole).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat de verklaringen van eiser over de (te verwachten) problemen als gevolg van zijn activisme in Cuba ongeloofwaardig zijn. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt burger te zijn van Congo [woonplaats] en te zijn geboren op [geboortedatum] 1995. De minister heeft met het bestreden besluit van 22 september 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.\n\n2.1.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 22 juni 2026 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M. Nyembo als tolk en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nHet asielrelaas\n\n3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft vanaf januari 2016 gestudeerd in Cuba met behulp van een studiebeurs van de Congolese autoriteiten. Omdat zijn studiebeurs een aantal maanden niet werd uitbetaald is eiser rond maart\u002Fapril 2019 gaan staken met andere studenten. Hij was daarbij een van de leiders. Uiteindelijk kwam het tot een gevecht met de Cubaanse politie. Hierna kregen ze hun geld weer uitbetaald. Als gevolg hiervan kwam de naam van eiser op een lijst van leiders van studenten die hebben gestaakt, welke lijst in handen kwam van de Congolese autoriteiten. In juli 2019 is het broertje van eiser in Congo ontvoerd en vermoord. Eiser vermoedt dat dit te maken heeft met zijn activiteiten in Cuba. Omdat eiser ook vreest gedood te worden door de Congolese autoriteiten is hij op 8 februari 2024 naar Nederland vertrokken.\n\nHet bestreden besluit\n\n4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:\n\n- identiteit, nationaliteit en herkomst;\n\n- activisme in Cuba vanwege het krijgen van de studiebeurs;\n\n- problemen vanwege activisme op Cuba.\n\nDe minister stelt zich hierover op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn. De minister gelooft ook het activisme van eiser in Cuba. De minister vindt het echter niet geloofwaardig dat eiser daardoor problemen heeft ondervonden of zal ondervinden. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen als ongegrond.\n\nHeeft de minister zich op het standpunt kunnen stellen dat de problemen vanwege het activisme van eiser op Cuba ongeloofwaardig zijn?\n\nWat is het betoog van eiser?\n\n5. Eiser stelt dat hij er alles aan heeft gedaan om aan het Congolese krantenartikel te komen waar de namen van de leiders van de staking en dus ook zijn naam, in staan vermeld. De minister zou hem daarom het voordeel van de twijfel moeten geven. Verder is de minister eraan voorbij gegaan dat wereldwijd op nieuwskanalen is te zien dat de stakingen hebben plaatsgevonden in Cuba. Het is volgens eiser logisch dat de moord op zijn broertje in Congo het gevolg is van de rol van eiser bij de stakingen in Cuba, aangezien dit plaatsvond vlak na de stakingen en eiser op de eerdergenoemde lijst stond. Als onderbouwing legt eiser een overlijdensakte over. Eiser vertrok pas in 2024 uit Cuba omdat hij eerst zijn studie wilde afronden en hij in Cuba weinig te vrezen had van de Congolese autoriteiten. In Congo heeft hij wel te vrezen voor de autoriteiten. Eiser legt ter onderbouwing uitnodigingen over, van 24 februari 2024 en 5 juni 2024, die hij en zijn neef hebben ontvangen van de Congolese autoriteiten en waarin staat dat ze op het politiebureau moeten verschijnen. Ook legt eiser vertalingen over van het in de besluitvormingsprocedure overgelegde arrestatiebevel uit 2019 en de brief die zijn neef op 9 juni 2025 aan de politie heeft gestuurd. Omdat de Congolese autoriteiten er daardoor van op de hoogte zijn dat ze zijn neef per ongeluk hebben aangezien voor eiser, is het gevaar voor eiser bij terugkeer groter geworden. De minister heeft volgens eiser ten onrechte niet alles in onderlinge samenhang beoordeeld.\n\nWat is het oordeel van de rechtbank?5.1.. \n\nDe minister heeft zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat het ongeloofwaardig is dat er problemen zijn ontstaan door het activisme van eiser in Cuba of dat daar problemen door zullen ontstaan.\n\nDaarvoor heeft de minister van belang kunnen vinden dat eiser het krantenartikel, waar zijn naam in zou staan, niet heeft overgelegd en daar geen verschoonbare verklaring voor heeft gegeven. Verwacht had mogen worden dat eiser meer pogingen had ondernomen om dit op te vragen bij familie, vrienden of medestudenten, vooral aangezien het voor eiser een heel belangrijk stuk is en zijn verklaringen had kunnen onderbouwen. De stelling van eiser dat niemand dit artikel (meer) heeft en dat niemand het kan vinden hoefde de minister niet te volgen.\n\nHet betoog van eiser dat de minister eraan voorbij is gegaan dat de stakingen zijn opgepikt door nieuwskanalen slaagt ook niet. Blijkens het bestreden besluit heeft de minister zich daarover, voldoende gemotiveerd, op het standpunt gesteld dat uit het beeldmateriaal slechts blijkt dat stakingen hebben plaatsgevonden en niet dat eiser daardoor problemen heeft ondervonden. Eiser heeft ook niet aangevoerd dat dit er wel uit blijkt. Dat de stakingen hebben plaatsgevonden heeft de minister niet bestreden.\n\nDe minister heeft verder van belang kunnen vinden dat het op vermoedens is gebaseerd dat het broertje van eiser is vermoord vanwege de rol van eiser bij de stakingen. Dat dit logisch zou zijn omdat het plaats zou hebben gevonden vlak na de stakingen is geen concrete aanwijzing daarvoor. Daarbij betrekt de rechtbank de toevoeging van de minister op zitting dat het vreemd is dat de autoriteiten zijn broertje zouden vermoorden, maar dat eiser door mocht studeren en een studiebeurs bleef ontvangen. De door eiser overgelegde overlijdensakte maakt het oordeel niet anders, alleen al omdat de reden voor de gestelde moord hier niet uit blijkt. Bovendien had verwacht mogen worden dat eiser deze akte eerder had overgelegd, aangezien deze al in 2020 zou zijn opgemaakt. De enkele stelling op zitting dat dit niet lukte is een onvoldoende verklaring daarvoor.\n\nDe minister heeft er ook bij kunnen betrekken dat eiser pas in 2024 Cuba heeft verlaten, zodat het vermoeden bestaat dat zijn vertrek niet is gemotiveerd door asielgerelateerde problemen. Het betoog van eiser dat hij zijn studie af wilde maken en hij in Cuba niet veel te vrezen had voor de Congolese autoriteiten volgt de rechtbank niet. Aangezien de Congolese autoriteiten ervan op de hoogte waren waar eiser zich bevond en eiser bovendien het vermoeden had dat zijn broertje vanwege zijn activistische activiteiten is vermoord is het ongeloofwaardig dat hij niet meteen is gevlucht.\n\nVoor wat betreft de door eiser overgelegde foto van het arrestatiebevel, dat zijn neef zou hebben ontvangen, heeft de minister van belang kunnen vinden dat de authenticiteit hiervan niet kan worden gecontroleerd, omdat het een foto is. Verder heeft de minister het opmerkelijk kunnen vinden dat dit bevel dateert uit 2019 en dat zijn neef pas in 2025 kenbaar zou hebben gemaakt dat het om een persoonsverwisseling ging en dat ze niet hem, maar eiser moeten hebben. Dat de reden voor de late melding zou zijn dat zijn neef zich schuilhield volgt de rechtbank niet. Het is niet geloofwaardig dat zijn neef niet meteen naar de autoriteiten zou gaan om de gestelde persoonsverwisseling recht te zetten. Ook heeft de minister het vreemd kunnen vinden dat eiser tijdens de gehoren niets heeft gezegd over dit bevel.\n\nVerder blijkt uit de door eiser overgelegde uitnodigingen niet waarom eiser op het politiebureau moest verschijnen en waarom dit pas in 2024 werd gevraagd, aangezien de stakingen al in 2019 plaatsvonden. De stelling van eiser op zitting dat dit te maken had met het einde van zijn studie volgt de rechtbank niet, aangezien eiser die stelling niet verder heeft geconcretiseerd. Daarbij komt dat het niet geloofwaardig is dat de Congolese autoriteiten zowel eiser als zijn neef zouden uitnodigen aangezien zijn neef pas in 2025, als reactie op deze uitnodigingen, de autoriteiten zou hebben geïnformeerd dat ze niet hem maar eiser moesten hebben. Verder heeft de minister op zitting nog toegevoegd dat de uitnodigingen niet origineel zijn, maar in kopie zijn overgelegd.\n\nEr is ten slotte geen grond voor het oordeel dat de minister niet alles voldoende in onderlinge samenhang heeft beoordeeld. Eiser heeft ook niet nader geconcretiseerd waarom daar geen sprake van zou zijn. Daarbij is ook van belang dat eiser niet heeft bestreden dat de minister zijn verklaringen over zijn paspoort en de hulp van de ambassademedewerker ongeloofwaardig heeft bevonden. De beroepsgronden van eiser slagen niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.\n\nHet beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. T.M. Weeda, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. A. Korporaal-Wisman, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Vreemdelingenwet 2000\n\n Zaak NL25.47827","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17677","ecli-nl-rbdha-2026-17677",{"courtName":6,"legalDomain":102,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":140,"ecli":141,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":142,"fullText":143,"language":7,"source":17,"sourceUrl":144,"summary":14,"slug":145,"metadata":146},"1868","ECLI:NL:RBDHA:2026:17595","2026-06-26T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Zwolle\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.41452\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. M.K. Bulthuis),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister\n\n(gemachtigde: mr. S. Yousef).\n\nProcesverloop\n\n1. Eiseres heeft op 17 oktober 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 12 augustus 2025 deze aanvraag in de verlengde asielprocedure ingewilligd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet.\n\n2. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\n2.1.. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 10 april 2026 op zitting behandeld. De gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister zijn verschenen.\n\n2.3.. Op 22 mei 2026 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de minister verzocht te reageren op de omstandigheid dat de Eerste Kamer de Wet invoering Tweestatusstelsel op 21 april 2026 heeft aangenomen. Op 4 juni 2026 heeft de minister hierop gereageerd. Namens eiseres is op 23 juni 2026 gereageerd. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nWat is het standpunt van de minister in het bestreden besluit?\n\n3. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1988 en heeft de Somalische nationaliteit. In het bestreden besluit stelt de minister zich op het standpunt dat de verklaringen over de identiteit, nationaliteit geloofwaardig zijn. Ook vindt de minister de verklaringen van eiseres over de problemen vanwege haar gedwongen huwelijk geloofwaardig. De asielaanvraag van eiseres is ingewilligd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. Eiseres krijgt geen verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw, omdat de geloofwaardig geachte asielmotieven niet te herleiden zijn tot één van de gronden van het Vluchtelingenverdrag.\n\nOok wijst de minister op het landenbeleid, waaruit blijkt dat de minister voor Zuid- en Centraal-Somalië alleenstaande vrouwen als risicoprofiel aanmerkt (Vc C2\u002F30.3.2). Aan een alleenstaande vrouw uit Somalië verleent de minister in de regel een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw. Dat eiseres bescherming nodig heeft vanwege haar alleenstaande status, wordt echter niet gevolgd. Uit de verklaringen van eiseres blijkt niet dat eiseres is aan te merken is als een alleenstaande vrouw, omdat uit haar verklaringen blijkt dat zij familie heeft in Somalië. Eiseres krijgt daarom geen verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\nHeeft eiseres procesbelang bij haar beroep?\n\n4. De minister stelt zich in het verweerschrift en op zitting op het standpunt dat eiseres geen procesbelang heeft bij de beoordeling van het beroep en dat het beroep om die reden niet-ontvankelijk verklaard moet worden. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat de vreemdeling, indien hij reeds over een verblijfsvergunning asiel beschikt, tegen dat oordeel van de minister dat geen vergunning wordt verleend als verdragsvluchteling op de a-grond, kan opkomen bij het besluit tot intrekking of de weigering tot verlenging van de aan hem verleende verblijfsvergunning. De Afdeling heeft op 25 maart 2022bevestigd dat een wijziging van de verleningsgrond van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet leidt\n\ntot een gunstigere positie. Ook kan het procesbelang niet worden ontleend aan een toekomstige onzekere gebeurtenis, zoals de uitkomst van een wetgevings-\n\nprocedure. De minister verwijst naar de uitspraken van de Afdeling van 21 november 2025. Daarom kan het procesbelang niet worden ontleend aan het aanhangige wetsvoorstel Tweestatusstelsel.\n\nIn de brief van 4 juni 2026 heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat eiseres vanaf 12 juni 2026 procesbelang zal hebben bij de beoordeling van de vraag of terecht de vluchtelingstatus is onthouden.\n\n5. De rechtbank ziet zich daarom eerst voor de vraag of eiseres procesbelang heeft bij de beoordeling van haar beroep. Een belanghebbende kan bij de daartoe bevoegde rechter tegen een besluit opkomen, indien hij of zij daarbij een belang heeft. Daarvan is sprake wanneer het instellen van het rechtsmiddel ertoe kan leiden dat de belanghebbende in een gunstigere positie zou kunnen komen.\n\n5.1.. \n\nDe rechtbank stelt allereerst vast dat de Eerste Kamer de Wet invoering Tweestatusstelsel op 21 april 2026 heeft aangenomen en de wet op 12 juni 2026 in werking is getreden. De uitkomst van de wetgevingsprocedure is dan ook geen onzekere toekomstige gebeurtenis meer.\n\nDe rechtbank stelt vervolgens vast dat de consequentie van de Wet invoering Tweestatusstelsel is, dat er andere rechten en voorwaarden kunnen worden toegekend aan subsidiair beschermden dan aan personen met de vluchtelingenstatus.Met een wijziging van de verleningsgrond van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kan eiseres dus in een gunstigere positie komen. Eiseres heeft, gelet op het voorgaande, procesbelang en de rechtbank behandelt het beroep daarom inhoudelijk.\n\nHeeft de minister voldoende gemotiveerd of eiseres wordt aangemerkt als verdragsvluchteling?\n\nHet betoog van eiseres\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat in het bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd wordt waarom zij niet kan worden aangemerkt als vluchteling zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. Eiseres heeft in haar asielrelaas uitgebreid verklaard over haar etnische afkomst en dat zij tot een minderheidsclan behoort. Haar problemen houden daar direct verband mee. Eiseres stelt ook dat zij ten onrechte niet is aangemerkt als alleenstaande vrouw. Haar vader is namelijk gedood en eiseres heeft niemand waar zij voor opvang en bescherming op kan terugvallen.\n\nHet oordeel van de rechtbank\n\n7. De rechtbank constateert dat de minister in het bestreden besluit weliswaar concludeert dat eiseres geen verblijfsvergunning krijgt op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw, omdat de geloofwaardig geachte asielmotieven niet te herleiden zijn tot één van de gronden van het Vluchtelingenverdrag en zij niet tot een risicoprofiel behoort. De minister heeft echter nagelaten om in het bestreden besluit te motiveren waarom eiseres niet kan worden aangemerkt als Vluchteling in de zin van het vluchtelingverdrag. De minister heeft namelijk niet inzichtelijk gemaakt waarom de door eiseres gestelde feiten en omstandigheden niet leiden tot verlening van de vluchtelingenstatus. Ook heeft de minister niet gemotiveerd waaruit blijkt dat eiseres op haar familie kan terugvallen voor opvang en bescherming. De minister stelt immers dat eiseres niet behoort tot het risicoprofiel van alleenstaande vrouw omdat zij familie heeft in Somalië. Dit levert een motiveringsgebrek op. Tegen die achtergrond dient de minister te onderzoeken of eiseres als gevolg van haar problemen kan worden aangemerkt als verdragsvluchteling en\u002Fof behoort tot het risicoprofiel van alleenstaande vrouw. Wanneer de minister van mening is dat de vluchtelingenstatus niet wordt verleend, zal de minister in een (voornemen en) nieuw besluit deugdelijk moeten motiveren waarom deze afgewezen wordt. Temeer nu de beide statussen in de Wet invoering Tweestatusstelsel geen gelijke rechten kennen. De beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Het beroep zal gegrond worden verklaard omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. De rechtbank zal daarom het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.8.1. De rechtbank bepaalt dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak.Alvorens de minister een nieuw besluit neemt dient de minister een voornemen van dit besluit aan eiseres kenbaar te maken en eiseres de gelegenheid te bieden hierover een zienswijze in te dienen.\n\n8.2.. \n\nOmdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten.\n\n De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit van 12 augustus 2025;\n\n- draagt de minister op een voornemen en nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;\n\n- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. T.M. Weeda, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. T.C. Kasper-Kleve, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Vreemdelingenwet 2000\n\n ECLI:NL:RVS:2022:906.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:5592.\n\n Kamerstukken II 2024–2025, 36 703, nr. 3, p 4 (MvT).\n\n Zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.\n\n met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17595","ecli-nl-rbdha-2026-17595",{"courtName":6,"legalDomain":102,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":148,"ecli":149,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":142,"fullText":150,"language":7,"source":17,"sourceUrl":151,"summary":14,"slug":152,"metadata":153},"1869","ECLI:NL:RBOVE:2026:3613","RECHTBANK OVERIJSSEL\n\nZittingsplaats Zwolle\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ZWO 26\u002F661\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [eiser], uit [woonplaats],\n\nhierna: [eiser],\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van Zwolle\n\n(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2]),\n\nhierna: het college.\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over het beroep van [eiser] dat is ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op zijn verzoek om handhaving.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de rechtbank onbevoegd is om kennis te nemen van het beroep van [eiser] tegen het niet tijdig nemen van een besluit.\n\nInleiding\n\n2. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van [eiser] wegens het niet tijdig beslissen door het college op zijn verzoek om handhaving.\n\n2.1.. \n [eiser] heeft op 7 november 2025 bij het college een verzoek om handhaving ingediend. Hij heeft hierin vermeld dat sinds de zomer steevast één of meerdere pleziervaartuigen aangemeerd liggen aan de kleine steiger in de [locatie], ook wel ‘[locatie]’ genoemd. Omdat dit een overtreding is van de Algemene Plaatselijke Verordening, heeft [eiser] het college verzocht hiertegen handhavend op te treden.\n\n2.2.. Wegens het uitblijven van een reactie van het college heeft [eiser] het college op 5 januari 2026 in gebreke gesteld en daarbij verzocht alsnog binnen twee weken een besluit te nemen op zijn verzoek.\n\n2.3.. \n [eiser] heeft op 11 februari 2026 beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit.\n\n2.4.. Het college heeft op 23 februari 2026 gereageerd op het verzoek om handhaving en op de ingebrekestelling.\n\n2.5.. Het college heeft op 25 februari 2026 een verweerschrift ingediend.\n\n2.6.. \n [eiser] heeft op 25 februari 2026 een aanvullend beroepschrift ingediend.\n\n2.7.. Het college heeft op 21 april 2026 een aanvullend verweerschrift ingediend.\n\n2.8.. De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser] en de gemachtigden van het college.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3. [eiser] voert aan dat zijn verzoek om handhaving een aanvraag is, zoals bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). [eiser] stelt belanghebbende te zijn bij het verzoek, omdat hij een voldoende objectief, persoonlijk, eigen, rechtstreeks en actueel belang heeft. Hij woont in de nabije omgeving van de steiger en maakt regelmatig gebruik van de steiger als hij vaart met zijn kano, bijvoorbeeld om in en uit te stappen of om te pauzeren. Ter onderbouwing van zijn recreatieve activiteiten met de kano wijst [eiser] op zijn voorzitterschap van de Zwolse kanovereniging De Peddelaars en op zijn lidmaatschap van de landelijke Toeristische Kanobond Nederland. Ook wandelt hij vaak langs (de directe omgeving van) de steiger.\n\n4. Op grond van artikel 1:3, derde lid, van de Awb wordt onder aanvraag verstaan een verzoek van een belanghebbende een besluit te nemen.\n\n5. Op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.\n\n6. Op grond van artikel 6:2 van de Awb worden voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijkgesteld:\n\n a. de schriftelijke weigering een besluit te nemen, en\n\n b. het niet tijdig nemen van een besluit.\n\n7. Op grond van artikel 8:1 van de Awb kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter.\n\n8. De rechtbank overweegt als volgt. Het college hoeft op het verzoek om handhaving van [eiser] alleen een besluit te nemen als dat verzoek kan worden aangemerkt als een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Een verzoek van iemand die geen belanghebbende is, is geen aanvraag als bedoeld in de Awb. Daarop hoeft dan ook geen besluit te worden genomen. In dat geval kan ook geen sprake zijn van het niet tijdig nemen van een besluit.\n\n9. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van Statevolgt dat de wetgever met het belanghebbendenbegrip een zekere begrenzing heeft beoogd. Een louter subjectief gevoel van betrokkenheid bij een besluit is niet voldoende om te kunnen spreken van een rechtstreeks bij het besluit betrokken belang. Ook een persoon die wellicht enig belang heeft, maar zich niet in voldoende mate onderscheidt van anderen, kan niet worden aangemerkt als belanghebbende als bedoeld in de Awb.\n\n10. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] geen belanghebbende is bij zijn verzoek om handhaving. Hoewel [eiser] recreatief gebruik maakt van de steiger voor zijn kano-activiteiten, onderscheidt hij zich hiermee onvoldoende van andere gebruikers van de steiger. [eiser] heeft ter zitting desgevraagd aangegeven dat de steiger ook gebruikt wordt door andere leden van de Zwolse kanovereniging. Daarbij komt dat de steiger ook kan worden gebruikt door andere watersportgebruikers. Het recreatieve gebruik van de steiger is daarom niet voldoende om te kunnen spreken van een belang dat [eiser] in voldoende mate onderscheidt van andere gebruikers van de steiger.\n\n11. Gelet op het voorgaande is het verzoek van [eiser] geen aanvraag als bedoeld in de Awb. Dat betekent dat het college geen besluit hoefde te nemen. Het uitblijven van een reactie op het verzoek van [eiser] kan daarom ook niet met een besluit gelijkgesteld worden.\n\n12. De rechtbank is daarom onbevoegd om van het beroep kennis te nemen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n13. De rechtbank is onbevoegd om van het beroep kennis te nemen. De rechtbank zal daarom, gelet op artikel 2.5, zevende lid, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken 2025, de griffier opdragen het door [eiser] betaalde griffierecht terug te storten.\n\n13.1.. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart zich onbevoegd.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. van Berlo, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Diele, griffier, uitgesproken in het openbaar op\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3107.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3613","ecli-nl-rbove-2026-3613",{"courtName":6,"legalDomain":79,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":155,"ecli":156,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":142,"fullText":157,"language":7,"source":17,"sourceUrl":158,"summary":14,"slug":159,"metadata":160},"1867","ECLI:NL:RBOVE:2026:3612","RECHTBANK OVERIJSSEL\n\nZittingsplaats Zwolle\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ZWO 25\u002F3863\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van de rechtbank Overijssel in de zaak tussen\n [eiser], uit [woonplaats], eiser,\n\nhierna te noemen: [eiser],\n\n(gemachtigde: [gemachtigde 1]),\n\nen\n\nde directie van het CBR,\n\nhierna te noemen: het CBR,\n\n(gemachtigde: [gemachtigde 2]).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van [eiser] tegen het besluit waarbij aan hem een cursus verantwoord rijgedrag is opgelegd. [eiser] is het niet eens met dat besluit. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van het bestreden besluit.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard omdat het bezwaar van [eiser] niet voorzien was van gronden. Hij heeft geen gebruik gemaakt van de hem geboden gelegenheid om dit verzuim te herstellen. [eiser] krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\n1.2.. Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 25 november 2025 op het bezwaar van eiser heeft het CBR het bezwaar van [eiser] niet-ontvankelijk verklaard.\n\n2.1.. \n [eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 17 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen:\n\n [gemachtigde 1] namens [eiser];\n\n [gemachtigde 2] namens het CBR.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nDe feiten\n\n3.1.. Op 24 september 2025 is [eiser] staande gehouden door twee agenten. Uit het door hen opgestelde proces-verbaal van bevindingen blijkt dat [eiser] veel te hard reed, dat hij veel te dicht op auto’s voor hem reed en dat hij slingerde. Nog dezelfde dag is ten aanzien van hem een mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 gedaan. Vervolgens heeft het CBR bij besluit van 13 oktober 2025 een cursus verantwoord rijgedrag, op eigen kosten te volgen, aan [eiser] opgelegd.\n\n3.2.. Bij brief van 27 oktober 2025 heeft [gemachtigde 1] namens [eiser] bezwaar gemaakt tegen het besluit van 13 oktober 2025. Het bezwaarschrift bevatte geen gronden.\n\n3.3.. Bij brief van 28 oktober 2025 heeft het CBR [eiser] erop gewezen dat het bezwaarschrift geen gronden bevatte en heeft het CBR hem in de gelegenheid gesteld om dit gebrek uiterlijk op 18 november 2025 te herstellen.\n\n3.4.. Bij het bestreden besluit heeft het CBR het namens [eiser] ingediende bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\n4.1.. \n [eiser] stelt zich op het standpunt dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard omdat geen herstel verzuim is toegezonden aan zijn gemachtigde.\n\n4.2.. De rechtbank stelt vast dat uit de door het CBR overgelegde stukken, waaronder een overzicht uit de verzendadministratie van het CBR, blijkt dat op 28 oktober 2025 een drietal brieven is verzonden aan zowel [eiser] als aan zijn gemachtigde. Een van de drie op 28 oktober 2025 aan de gemachtigde verzonden brief is een brief waarbij een kopie van de brief van die datum aan [eiser] is gevoegd, waarbij het CBR hem in de gelegenheid gesteld om het geconstateerde gebrek uiterlijk op 18 november 2025 te herstellen. Aan het vereiste van artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dat aan de indiener van een bezwaar dat niet voldoet aan het bepaalde in artikel 6:5 van de Awb eerst de gelegenheid dient te worden geboden om het verzuim te herstellen binnen een gestelde termijn, is dan ook voldaan.\n\n4.3.. De rechtbank overweegt dat de door het CBR geboden hersteltermijn verstreek voordat de gehele bezwaartermijn als bedoeld in artikel 6:7 van de Awb was verstreken. In een dergelijk geval geldt dat [eiser], als bezwaarmaker, de gehele bezwaartermijn van zes weken ter beschikking stond om zijn bezwaarschrift van gronden te voorzien. Dit betekent dat [eiser] hiervoor tot en met 24 november 2025 de tijd had. Nu hij van deze gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt, mocht het CBR eisers bezwaar op grond van het bepaalde in artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk verklaren.\n\n4.4.. Het bestreden besluit vermeldt dat [eiser] niet wordt uitgenodigd voor een hoorzitting. Op grond van het bepaalde in artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Awb mocht het CBR afzien van het horen van [eiser]. Nu het bezwaarschrift niet was voorzien van gronden en geen gebruik was gemaakt van de mogelijkheid om dit verzuim te herstellen, was het bezwaar immers kennelijk niet-ontvankelijk.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen het besluit van 13 oktober 2025 in stand blijft. [eiser] krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. W.J.B. Cornelissen, rechter, in aanwezigheid van mr. A. van der Weij, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op .\n\n De rechter is buiten staat om deze uitspraak\n\n te ondertekenen.\n\nGriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n. Ab,RvS 19 maart 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE0921","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3612","ecli-nl-rbove-2026-3612",{"courtName":6,"legalDomain":79,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":162,"ecli":163,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":164,"fullText":165,"language":7,"source":17,"sourceUrl":166,"summary":14,"slug":167,"metadata":168},"1594","ECLI:NL:RBOVE:2026:3810","2026-06-25T00:00:00.000Z","RECHTBANKOVERIJSSEL\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Zwolle\n\nZaaknummer: 12168256 \\ RR FORM 26-19\n\nVonnis van 25 juni 2026 in de experimentele procedure bij de kantonrechter als regelrechter\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nwonende in [woonplaats],\n\neisende partij, hierna te noemen: [eiser],\n\nprocederend in persoon,\n\ntegen\n\nde vennootschap onder firma [gedaagde V.O.F.], handelend onder de naam[bedrijf],\n\ngevestigd in [vestigingsplaats],\n\ngedaagde partij, hierna te noemen: [bedrijf],\n\nniet verschenen.\n\n1. De procedure\n\n1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het aanvraagformulier met bijlagen van [eiser];\n\n- de mondelinge behandeling van 11 juni 2026, waar de griffier aantekeningen heeft gemaakt van wat er is besproken;\n\n- het aan [bedrijf] verleende verstek.\n\n1.2. Ten slotte heeft de kantonrechter bepaald dat vonnis zal worden gewezen.\n\n2. Waar deze zaak over gaat\n\n2.1. \n [eiser] heeft met [bedrijf] een overeenkomst gesloten, op basis waarvan [bedrijf] rijlessen voor [eiser] zou verzorgen en voor het theorie- en praktijkexamen zou zorgen.\n\n2.2. \n [eiser] heeft vooraf € 2.025,00 betaald voor 30 rijlessen, het theorie-examen, het praktijkexamen en rijschoolkosten.\n\n2.3. \n [eiser] heeft 11,5 lessen bij [bedrijf] gevolgd. Daarna was de rij-instructeur van [bedrijf] niet of nauwelijks meer beschikbaar. Er was geen andere instructeur beschikbaar.\n\n2.4. \n [bedrijf] heeft [eiser] in verband met de niet genoten rijlessen en het niet afgelegde praktijkexamen een creditfactuur gezonden voor een bedrag van € 1.277,50. Op de creditfactuur staat vermeld dat [bedrijf] dit bedrag zo spoedig mogelijk aan [eiser] zal overmaken. [eiser] heeft het gecrediteerde bedrag niet ontvangen.\n\n2.5. \n [eiser] vordert in deze procedure dat [bedrijf] wordt veroordeeld om een bedrag van € 1.277,50 aan [eiser] te betalen. Dat bedrag bestaat uit € 1.073,00 voor de 18,5 rijlessen die [eiser] niet heeft kunnen volgen, € 136,50 voor het reeds betaalde CBR Praktijkexamen en € 148,50 voor de reeds betaalde rijschoolkosten voor het praktijkexamen.\n\n3. De beoordeling\n\n3.1. Bij het oproepen van [bedrijf] zijn de voorgeschreven formaliteiten in acht genomen. Aan [bedrijf] is daarom verstek verleend.\n\n3.2. Gelet op het verleende verstek zal de kantonrechter de vordering van [eiser] toewijzen tenzij de vordering hem onrechtmatig of ongegrond voorkomt.\n\n3.3. De vordering komt de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor. De vordering zal dan ook worden toegewezen.\n\n3.4. \n\n [bedrijf] wordt in deze procedure in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van [eiser] betalen. Daarnaast moet [bedrijf] de kosten van de eventuele betekening van dit vonnis betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:\n\nreis-, verblijf- en verletkosten € 50,00\n\ngriffierecht € 233,00\n\ntotaal € 283,00\n\n4. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n4.1. veroordeelt [bedrijf] om een bedrag van € 1.277,50 aan [eiser] te betalen;\n\n4.2. veroordeelt [bedrijf] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] begroot op € 283,00;\n\n4.3. veroordeelt [bedrijf] tot betaling van de kosten van betekening als zij niet binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;\n\n4.4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. H.J. Berends en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.(SB)","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3810","ecli-nl-rbove-2026-3810",{"courtName":6,"legalDomain":32,"decisionType":22,"procedureType":23}]