[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-ghams-2026-1353":3,"decision-more-ecli-nl-ghams-2026-1353":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1033","ECLI:NL:GHAMS:2026:1353","",56,"Amsterdam","amsterdam","2026-05-20T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF AMSTERDAM\n\nzaaknummer : 200.367.287\n\nzaaknummer hoofdzaak : 200.218.242\u002F01 OK en 200.218.242\u002F02 OK\n\nBeslissing van de wrakingskamer van 20 mei 2026\n\nop het wrakingsverzoek ingediend door\n\nde vennootschap naar het recht van Luxemburg\n\nConservatrix Groep S.a.r.l.,\n\ngevestigd te Luxemburg,\n\nhierna: CG,\n\nbijgestaan mr. W.A. Westenbroek en mr. H.M.W. Hompesch,\n\nadvocaten te Amsterdam,\n\n1. De procedure\n\n1.1.. De hoofdzaak betreft een verzoekschriftprocedure op grond van artikel 3:159ab Wet Financieel Toezicht (oud), waarin CG bij verzoekschrift, ingediend op 26 juni 2017, een verzoek heeft gedaan tot vaststelling van een aanvullende schadeloosstelling in verband met de verkoop van de door CG gehouden aandelen in Nederlandsche Algemeene Maatschappij van Levensverzekering ‘Conservatrix’ N.V. (hierna: Conservatrix) voor € 1,-,\n\n1.2.. CG heeft bij op 9 april 2026 ingekomen schriftelijk stuk (hierna: het klaagschrift) vergezeld van 20 bijlagen en een inventarislijst de wraking verzocht van de raadsheren mr. A.W.H. Vink en mr. J.M. de Jongh (hierna gezamenlijk: de raadsheren), leden van de Ondernemingskamer van het gerechtshof te Amsterdam (hierna: de OK).\n\n1.3.. De raadsheren hebben op 20 april 2026 ieder schriftelijk gereageerd op het verzoek tot wraking.\n\n1.4.. Het wrakingsverzoek is op 29 april 2026 door de wrakingskamer behandeld. Op de zitting waren aanwezig dhr. [naam 3] namens CG, bijgestaan door mr. W.A. Westenbroek en mr. H.M.W. Hompesch, en de raadsheren. Belangstellenden van de wederpartij in de hoofdzaak waren aanwezig.\n\n1.5.. Mr. Westenbroek heeft aan de hand van spreekaantekeningen - met daaraan gehecht een nog niet overgelegde productie - het woord gevoerd. Ook de raadsheren hebben het woord gevoerd.\n\n2. Het wrakingsverzoek en de standpunten daarover\n\n2.1.. De gronden van het wrakingsverzoek blijken uit het klaagschrift en de toelichting in de spreekaantekeningen. Samengevat legt CG aan haar verzoek ten aanzien van mr. De Jongh ten grondslag:\n\n1. dat hij zich op sociale media (LinkedIn) suggestief heeft uitgelaten over een zaak waarin CG is betrokken en waarover hij eerder zelf heeft geoordeeld en ook nog dient te oordelen. Dat heeft hij gedaan daags voor een afwijzende beslissing van een combinatie van de OK waarin hij zitting heeft, op een verzoek van CG in verband met een beschikking van de rechtbank Amsterdam van 5 februari 2026 in een procedure tussen CG en De Nederlandsche Bank (hierna: DNB), waarin is vastgesteld dat DNB bedrog heeft gepleegd, welke beschikking naar de mening van CG van belang is in deze zaak;\n\n2) dat CG op 2 april 2026 is gebleken dat mr. De Jongh een broer heeft die partner is van het advocatenkantoor A&O Shearman LLP (hierna A&O), het kantoor dat de Staat bijstaat in de hoofdzaak en ook DNB bijstond in de hiervoor al genoemde rechtbankprocedure in 2017.\n\nAan haar verzoek ten aanzien van mr. Vink legt CG – samengevat - ten grondslag dat, nu er gegronde vrees bestaat om te twijfelen aan de onpartijdigheid en objectiviteit van mr. De Jongh , dit ook raakt aan de onpartijdigheid en objectiviteit van de voorzitter, nu deze ten aanzien van de betrokken wrakingsgronden reeds standpunten heeft ingenomen in reacties in zijn hoedanigheid als voorzitter ten aanzien van de bezwaren tegen mr. De Jongh . Hierbij moet mede in aanmerking worden genomen dat de afwijzende beslissing van de OK op het verzoek van CG, is genomen onder het voorzitterschap van mr. Vink nadat mr. De Jongh zijn bericht op LinkedIn plaatste en de voorzitter dat bericht dus kennelijk evenmin ontoelaatbaar acht, gelet op de reacties namens mr. Vink en mr. De Jongh van 2 april 2026. CG neemt verder aan dat binnen de OK al langer bekend was dat de broer van mr. De Jongh als partner was verbonden aan A&O en dat hierover onder voorzitterschap van mr. Vink binnen de combinatie zoals te doen gebruikelijk overleg is gepleegd zonder dat dit tot een wijziging van de combinatie heeft geleid. De enkele reële mogelijkheid dat hierdoor beslissingen van de OK als rechtsprekend orgaan in het verleden (mogelijk onbedoeld en onbewust) mede zouden kunnen zijn beïnvloed door mogelijke (onbedoelde en onbewuste) vooringenomenheid van mr. De Jongh , rechtvaardigt ook de objectieve vrees van partijdigheid ten aanzien van de voorzitter.\n\n2.2.. \n\nDe raadsheren hebben in hun schriftelijke reacties meegedeeld dat zij niet in het verzoek tot wraking berusten.\n\nSamengevat voert mr. De Jongh het volgende aan naar aanleiding van de wrakingsgronden:\n\n- Doordat de rechterlijke controle op de uitspraken van de OK doorgaans beperkt is, zijn andere vormen van feedback essentieel voor het goed functioneren van de OK. De OK gaat daarom actief op zoek naar terugkoppeling uit de rechtspraktijk. De reactie van mr. De Jongh op een LinkedIn-bericht over CG moet tegen die achtergrond worden bezien: de rechtbank had het herroepingsverzoek weliswaar niet-ontvankelijk verklaard maar een stevig oordeel gegeven over de handelwijze van DNB. De OK had eerder een herroepingsbeschikking gegeven die onder de streep op hetzelfde neerkwam maar op inhoud verschilde. Mr. De Jongh heeft de rechtspraktijk hierop willen wijzen en uitgenodigd tot inhoudelijke kritiek op rechtbank én OK. Dat CG hierin een subtekst leest die rechtstreeks ingaat tegen zijn bedoeling en tegen zijn bewoordingen – “oordeel zelf” – kan niet afdoen aan zijn objectieve onpartijdigheid. Mr. De Jong nam niet deel aan het publieke debat, hij nodigde slechts uit tot debat;\n\n- De betrokkenheid van mr. De Jongh bij CG is tot nu toe beperkt gebleven tot de beschikkingen van 20 december 2024 en 4 juni 2025. Bij de herroepingszaak had hij geen betrokkenheid. Hij was evenmin betrokken bij de e-mail van 18 februari 2026, waarin mr. Vink in zijn hoedanigheid van voorzitter van de OK afwijzend besliste op een verzoek van CG om een nadere standpuntwisseling toe te staan naar aanleiding van het vonnis van de rechtbank van 5 februari 2026;\n\n- Op 2 april 2026 heeft de secretaris van de OK op verzoek van mr. De Jongh partijen erover geïnformeerd dat zijn broer partner is bij A&O. Daarin wordt toegelicht waarom mr. De Jongh meent de zaak met de vereiste subjectieve en objectieve onpartijdigheid te kunnen behandelen. De specialismen van mr. De Jongh en zijn broer overlappen niet. De broer van mr. De Jongh is gespecialiseerd in projectfinanciering. Er is geen enkel raakvlak met CG en mr. De Jongh heeft geen aanleiding te veronderstellen dat zijn broer daar op enige wijze bij betrokken is (geweest). Naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 bericht mr. De Jongh partijen voorafgaand aan iedere zitting waarin A&O optreedt dat zijn broer partner is bij dit kantoor. Pas met de klachtbrief van CG van 13 maart 2026 raakte mr. De Jongh ermee bekend dat hij weer zou moeten oordelen in de zaak CG. In afwachting van de reactie van de president van het hof en van mr. Vink heeft hij zich opnieuw de vraag gesteld of hij zichzelf in staat achtte de zaak met de vereiste subjectieve en objectieve onpartijdigheid te beoordelen. De uitkomst van zijn overwegingen is op 2 april 2026 met partijen gedeeld.\n\nMr. Vink heeft in zijn reactie vermeld:\n\n- dat hij door middel van de e-mail van de secretaris van de OK van 2 april 2026, waarin is meegedeeld dat hetgeen in de klachtbrief van 13 maart 2026 uiteengezet is geen aanleiding geeft tot het nemen van enige nadere procedurele beslissing, niet een standpunt heeft ingenomen over een wrakingsgrond maar een feitelijke mededeling heeft gedaan aan CG over de aan de klachtbrief te verbinden procedurele gevolgen;\n\n- dat de mededeling in de e-mail van 18 februari 2026, waarin aan CG is bericht dat de OK geen aanleiding ziet partijen gelegenheid te geven zich nader uit te laten, een volstrekt normale procedurele beslissing is, die als zodanig geen grond voor wraking kan opleveren;\n\n- dat het bericht van mr. De Jongh op LinkedIn volstrekt neutraal is geformuleerd en ter zake dienend is en dat dit niet een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat hij (of mr. De Jongh ) jegens een van partijen in deze zaak vooringenomen zou zijn;\n\n- dat het feit dat mr. Vink ervan op de hoogte is dat een broer van mr. De Jongh werkzaam is bij A&O, niet betekent dat mr. Vink jegens een van partijen in de hoofdzaak een vooringenomenheid zou koesteren dan wel dat de kennelijk bij CG dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.\n\n3. De beoordeling\n\nJuridisch kader\n\n3.1.. Artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) houdt in dat op verzoek van een partij, elk van de rechters die een zaak behandelen kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Deze bepaling is ook van toepassing op de raadsheren van de OK.\n\n3.2.. \n\nEen rechter kan alleen gewraakt worden als hij tegenover een procesdeelnemer\n\nvooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Uitgangspunt is dat\n\neen rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn. Voor het oordeel dat de rechterlijke\n\nonpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van uitzonderlijke\n\nomstandigheden. Het moet dan gaan om omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing\n\nopleveren voor het aannemen van partijdigheid of van de objectief gerechtvaardigde schijn\n\nvan partijdigheid.\n\nAanvullende wrakingsgronden\n\n3.3.. \n\nTijdens de mondelinge behandeling heeft CG nog de volgende gronden aan het verzoek toegevoegd.\n\nTen aanzien van mr. Vink :\n\n- dat hij in zijn hoedanigheid van voorzitter van de OK alleen en zelfstandig heeft beslist op het verzoek van 9 februari 2026, terwijl hij ten aanzien van dat verzoek niet meer onbevangen was omdat hij als voorzitter een combinatie had geleid die de beschikking van 31 juli 2025 had gewezen. Dit staat haaks op Aanbeveling 16 van de Leidraad onpartijdigheid en nevenfuncties in de Rechtspraak 2014. Het verzoek had daarom minst genomen door de meervoudige kamer moeten worden behandeld, zoals ook volgt uit artikel 16 Rv;\n\n- dat de e-mail van 9 maart 2026, waarin is medegedeeld dat de ongewijzigde samenstelling van de OK bij de beslissing van 18 februari 2026 betrokken was geweest, in dat opzicht misleidend is.\n\nTen aanzien van mr. De Jongh :\n\n- dat de hiervoor bedoelde omstandigheden ook de gestelde vrees voor vooringenomenheid van mr. De Jongh raken, omdat de beslissing van mr. Vink formeel een beslissing van de combinatie is waarvan mr. De Jong deel uitmaakt.\n\n3.4.. \n\nDe wrakingskamer stelt voorop dat het hier om nieuw aangevoerde omstandigheden gaat, die niet (onmiskenbaar) deel uitmaken van de in het wrakingsverzoek van 9 april 2026 aangevoerde wrakingsgronden. Om die reden kunnen deze omstandigheden niet bij de beoordeling van het wrakingsverzoek worden betrokken. Artikel 37, derde lid, Rv vereist immers dat alle wrakingsgronden tegelijk worden voorgedragen. Het doel van dit voorschrift is dat onnodige vertraging wordt voorkomen. Nieuwe omstandigheden worden alleen in de beoordeling betrokken als deze pas na indiening van het wrakingsverzoek bekend zijn geworden. Dat de beslissing op het verzoek van 9 februari 2026 (mede) is genomen door mr. Vink die ook bij de beschikking van 31 juli 2025 was betrokken, was CG reeds voor indiening van het wrakingsverzoek bekend.\n\nVoor zover CG stelt dat de beslissing niet (gemandateerd) door mr. Vink namens de combinatie van de OK die de zaak behandelt genomen had kunnen worden, geldt bovendien dat dit een processuele beslissing betreft die – behoudens buitengewone omstandigheden die niet zijn voorgedragen - geen grond voor wraking oplevert.\n\nBeoordeling in deze zaak\n\nMr. De Jongh3.5.. De eerste wrakingsgrond houdt - zoals hiervoor uiteengezet - in dat mr. De Jongh zich op sociale media (LinkedIn) suggestief heeft uitgelaten over een nog lopende zaak bij de OK, waarin CG is betrokken en waarover mr. De Jongh eerder zelf heeft geoordeeld en ook nog dient te oordelen, terwijl vlak daarna een combinatie van de OK waarin mr. De Jongh zitting heeft, afwijzend heeft beslist op het verzoek van CG om zich te mogen uitlaten over de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 5 februari 2026, welke beschikking naar de mening van CG van belang is voor de beoordeling van de zaak.\n\n3.6.. Voor een goede beoordeling van deze wrakingsgrond is het nodig de context, waarbinnen de “gewraakte” mededeling door mr. De Jongh is gedaan, in ogenschouw te nemen. Daarbij zijn de volgende feiten van belang:\n\nOp verzoek van DNB heeft de rechtbank Amsterdam bij beschikking van 15 mei 2017 - kort gezegd - bepaald dat alle aandelen in Conservatrix worden overgedragen aan Trier tegen betaling van € 1,-. Het door CG ingestelde cassatieberoep tegen deze beschikking is door de Hoge Raad verworpen bij beschikking van 17 mei 2019.\n\nIn een daarop volgende procedure bij de OK (met zaaknummer 200.218.242\u002F01) op grond van artikel 3:159ab Wet Financieel Toezicht (oud) heeft CG de OK verzocht een aanvullende schadeloosstelling vast te stellen omdat volgens haar de waarde van de aandelen in Conservatrix op 15 mei 2017 aanzienlijk hoger was dan de door Trier betaalde prijs van € 1,- (hierna ook: de schadeloosstellingsprocedure).\n\nBij beschikking van 24 augustus 2021 heeft de OK in de schadeloosstellingsprocedure overwogen dat zij een deskundigenonderzoek zal gelasten ter beantwoording van de vraag naar de waarde van de aandelen in Conservatrix per 15 mei 2017. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de te benoemen deskundigen en de aan deze deskundigen te stellen vragen.\n\nBij beschikking van 20 december 2024 heeft de OK in de schadeloosstellingsprocedure deskundigen benoemd en hen verzocht een plan van aanpak en een begroting op te stellen. Mr. De Jongh maakte deel uit van de combinatie die deze beschikking heeft gegeven.\n\nOp 14 mei 2025 heeft de OK in de schadeloosstellingsprocedure aan (onder andere) CG een e-mailbericht van 12 mei 2025 doorgestuurd, waaruit volgde dat één van de deskundigen diende te worden vervangen en waarin een nieuwe deskundige werd voorgesteld.\n\nBij brief van 20 mei 2025 in de schadeloosstellingsprocedure heeft CG bezwaar gemaakt tegen benoeming van de nieuwe deskundige.\n\nDaarnaast heeft CG bij verzoekschrift van diezelfde datum de OK verzocht de beschikkingen van de OK van 24 augustus 2021 en 20 december 2024 te herroepen, althans terug te komen op een aantal bindende eindbeslissingen in die beschikkingen en het deskundigenonderzoek met directe ingang aan te houden. Tevens is verzocht de Staat te bevelen een aantal stukken aan CG over te leggen.\n\nCG heeft op 20 mei 2025 tevens bij de rechtbank Amsterdam een verzoekschrift ingediend strekkende tot herroeping van de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 15 mei 2017 en daarbij overlegging van dezelfde stukken ex. artikel 195 Rv verzocht.\n\nBij beschikking van 4 juni 2025 (in de zaak met zaaknummer 200.218.242\u002F01) heeft de OK in de schadeloosstellingsprocedure de bezwaren tegen de deskundige afgewezen, het voorschot op de kosten van het onderzoek door deskundigen bepaald en bepaald dat de Staat en CG ieder voor de helft het voorschot zullen dragen. Het verzoek van CG om aanhouding heeft de OK afgewezen. Daartoe heeft de OK overwogen dat de procedure bij de OK in de kern alleen de vraag betreft of de Staat aan CG een aanvullende schadeloosstelling dient te betalen en dat de OK in het kader van deze procedure vooralsnog heeft uit te gaan van de juistheid van de beschikking van de rechtbank van 15 mei 2017. Mr. De Jongh maakte deel uit van de combinatie die deze beschikking heeft gegeven.\n\nBij beschikking van 31 juli 2025 (met zaaknummers 200.218.242\u002F01 en 200.218.242\u002F02) heeft de OK het verzoek tot herroeping van CG afgewezen. Daarbij heeft de OK (onder andere) overwogen dat niet aannemelijk is dat de rechtbank Amsterdam tot een andere beslissing zou zijn gekomen als daarbij was meegewogen dat de door Trier op grond van het overdrachtsplan te verschaffen kapitaalversterking van Conservatrix om tot een solvabiliteitsratio van 135% te komen (deels) bestond uit de met CBL gesloten Herverzekering. Ook de overige verzoeken van CG zijn afgewezen, waaronder verzoeken om terug te komen op (bindende eind)beslissingen in de beschikkingen van 24 augustus 2021, 20 december 2024 of 4 juni 2025.\n\nCG heeft de OK in de schadeloosstellingsprocedure begin september 2025 meegedeeld niet tot betaling van het voorschot over te gaan. Daarop heeft de OK bij e-mail van 8 september 2025 aan partijen meegedeeld dat zij over het verdere verloop (in de zaak met zaaknummer 200.218.242\u002F01) bij beschikking zal beslissen. De uitspraak is vervolgens een aantal malen aangehouden.\n\nBij beschikking van 5 februari 2026 heeft de rechtbank Amsterdam CG niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek om herroeping. Daarbij heeft de rechtbank echter, buiten de dragende overwegingen die leiden tot niet-ontvankelijkverklaring, geoordeeld dat inderdaad sprake is van “bedrog in het geding gepleegd” als bedoeld in artikel 382 onder a Rv, kort gezegd omdat de herverzekering (naast kapitaalstorting) als onderdeel van het bereiken van de benodigde solvabiliteit door Conservatrix door DNB buiten de procedure is gehouden. Daardoor heeft geen volwaardig debat kunnen plaatsvinden over de vraag of minder vergaande maatregelen (alternatieven) mogelijk waren geweest om Conservatrix te ‘redden’. DNB heeft bij beroepschrift van 18 februari 2026 hoger beroep ingesteld tegen deze beschikking.\n\nDe beschikking van 5 februari 2026 heeft geleid tot Kamervragen.\n\nIn het Financieel Dagblad van 6 februari 2026 is een artikel opgenomen met de titel ‘DNB pleegde bedrog bij onteigening Conservatrix, oordeelt rechter’.\n\nOp of omstreeks 7 februari 2026 heeft prof. [naam 4] (hierna: [naam 4] ) op zijn LinkedIn pagina (onder andere) de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 5 februari 2026 besproken onder de kop ´Evident onredelijk en bedrog’met als onderkop: ‘Het is niet de maand van de toezichthouders, wel die van onze rechtspraak’, met daaronder een verwijzing naar het artikel daarover in het Financieel Dagblad. Het bericht bevat onder meer de melding“Nog opvallender is het oordeel van de rechter […] dat DNB bedrog heeft gepleegd in de procedure rondom Conservatrix”.\n\nOp of omstreeks 7 of 8 februari 2026 heeft mr. De Jongh onder deze post op LinkedIn het volgende geschreven: “De Ondernemingskamer wees eerder een herroepingsverzoek in Conservatrix af. Oordeel zelf:”.De daarop volgende link in het bericht verwijst naar de hiervoor genoemde beschikking van de OK van 31 juli 2025 (met zaaknummers 200.218.242\u002F01 en 200.218.242\u002F02).\n\nOp 9 februari 2026 heeft CG de beschikking van de rechtbank Amsterdam aan de OK toegezonden. Daarbij heeft CG verzocht zich in de schadeloosstellingsprocedure te mogen uitlaten over deze nieuwe ontwikkeling alvorens de OK (eind)uitspraak zou doen.\n\nDe secretaris van de OK heeft CG bij e-mail van 18 februari 2026 namens de OK meegedeeld dat de OK geen aanleiding zag om partijen in de bij de OK lopende procedure in de gelegenheid te stellen zich (bij akte of regiezitting) uit te laten over de voortzetting van de procedure.\n\nDe (eind)uitspraak in de schadeloosstellingsprocedure (in de zaak met zaaknummer 200.218.242\u002F01) is daarna wederom aangehouden, laatstelijk tot 14 mei 2026.\n\n3.7.. Wat betreft de uitlating van mr. De Jongh op LinkedIn, stelt de wrakingskamer voorop dat, zoals hiervoor onder 3.6 uiteengezet, de OK in haar beschikking van 31 juli 2025 heeft geoordeeld dat het herroepingsverzoek van CG om meerdere redenen geen kans van slagen heeft, terwijl de rechtbank Amsterdam ruim een half jaar later in haar beschikking van 5 februari 2026 heeft geoordeeld dat de beslissing van de rechtbank op het oorspronkelijke verzoek in 2017 berust op bedrog door DNB in het geding gepleegd en dat de door CG aangevoerde herroepingsgrond door de rechtbank dan ook in beginsel voor juist wordt gehouden. Van deze laatste beschikking heeft DNB hoger beroep ingesteld, aanhangig bij dit gerechtshof. Verder heeft deze laatste beschikking geleid tot (onder andere) Kamervragen, het genoemde artikel in het Financieel Dagblad en een korte bespreking van deze beschikking door [naam 4] op zijn LinkedIn pagina.\n\n3.8.. \n\nDe wrakingskamer stelt vast dat mr. De Jongh zich, met zijn post op de LinkedIn pagina van [naam 4] begin februari 2026, met de hiervoor aangehaalde uitlating “De Ondernemingskamer wees eerder een herroepingsverzoek in Conservatrix af. […]” met een link naar de beschikking van de OK van 31 juli 2025, heeft gemengd in het publieke debat over een zaak, waarin nog door een zittingscombinatie van de OK waarvan mr. De Jongh deel uitmaakt, (verder) beslist moet worden. Het betreft dan de schadeloosstellingsprocedure, waarin Conservatrix partij is.\n\nDe wrakingskamer constateert dat ten tijde van de uitlating de termijn voor het instellen van hoger beroep van de beschikking van de rechtbank van 5 februari 2026 nog liep en dat de beschikking van de OK van 31 juli 2025 nog bij de Hoge Raad voorligt.\n\nDe wrakingskamer stelt daarnaast vast dat de procedures die hebben geleid tot de uitspraken van (laatstelijk) 4 juni 2025 enerzijds en 31 juli 2025 anderzijds met elkaar verweven zijn. In de beschikking van 31 juli 2025 (die niet door een combinatie is gewezen, waarin mr. De Jongh zitting had) zijn beslissingen aan de orde die direct doorwerken in de schadeloosstellingsprocedure, in welke zaak als gezegd mr. De Jongh wel deel uitmaakt(e) van de combinatie. Bovendien betrof de (mede namens mr. De Jongh genomen) beslissing van de OK op 18 februari 2026 – dus daags na de post door mr. De Jongh op LinkedIn – de afwijzing van het verzoek van CG om het debat in de schadeloosstellingsprocedure te heropenen vanwege - kort gezegd - het in de uitspraak van de rechtbank van 5 februari 2026 geconstateerde bedrog.\n\n3.9.. \n\nCG wijst terecht erop dat deze gang van zaken niet in overeenstemming is met de NVvR-rechterscode 2026, waarin onder 2.3 (onder andere) wordt bepaald dat rechters zich niet in het openbaar uitlaten over hun eigen zaken of over zaken van collega’s. Uitzonderingen zijn mogelijk, bijvoorbeeld in het kader van onderwijs of voorlichting, maar ook dan is de rechter zich bewust van de noodzaak terughoudend te zijn.\n\nTerughoudendheid in deze zin is (ook) vanuit wrakingsperspectief geboden, omdat een uitlating in het openbaar het gevaar in zich draagt dat zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.\n\n3.10.. \n\nMr. De Jongh voert aan dat hij met zijn opmerking: “De Ondernemingskamer wees eerder een herroepingsverzoek in Conservatrix af. Oordeel zelf”,slechts de rechtspraktijk heeft willen wijzen op het verschil tussen de uitspraken van de OK en de rechtbank en heeft uitgenodigd tot inhoudelijke kritiek op rechtbank én OK. Volgens mr. De Jongh nam hij dus niet deel aan het debat, maar nodigde hij slechts uit tot debat.\n\nCG heeft daarentegen het standpunt ingenomen dat de post een reactie vormde op het hierboven vermelde bericht van [naam 4] en het artikel in het FD. De suggestie is daarmee volgens CG gewekt dat mr. De Jongh met zijn post en de opmerking “Oordeel zelf” bedoelde tegengas te geven tegen de daarin besproken beschikking van de rechtbank.\n\nDe wrakingskamer overweegt dat mr. De Jongh een link heeft gepost naar een uitspraak van de OK, terwijl hij zelf deel uitmaakt van de OK. Ook al maakte mr. De Jongh zelf niet deel uit van de combinatie die deze uitspraak deed, is de wrakingskamer van oordeel dat met de uitnodiging van mr. De Jong , met name gelet op de sterke verwevenheid van deze uitspraak met de schadeloosstellingsprocedure waarbij hij wel betrokken is, objectief de schijn kan zijn gewekt dat hij die uitspraak onderschrijft. Daarbij acht de wrakingskamer van belang dat het bericht van [naam 4] aan de orde stelde dat toezichthouders in korte tijd twee keer (ernstig) op de vingers zijn getikt. De wijze waarop mr. De Jongh zijn bericht heeft geformuleerd, waarbij het gaat om het gebruik van de woorden “Oordeel zelf” na de opmerking dat de OK eerder een herroepingsverzoek “in Conservatrix” afwees, kan in deze context objectief gezien als tegenwicht worden opgevat en kan daarmee als niet neutraal worden geïnterpreteerd.\n\n3.11.. Gelet op voorgaande feiten en omstandigheden komt de wrakingskamer tot de vaststelling dat de vrees objectief gerechtvaardigd is dat mr. De Jongh ten aanzien van de hoofdzaak (de schadeloosstelingsprocedure) vooringenomen is. De wrakingskamer benadrukt dat hiermee niet is uitgesproken dat mr. De Jongh daadwerkelijk (subjectief) partijdig is, maar dat onder de beschreven omstandigheden voor de externe waarnemer objectief beschouwd de schijn van partijdigheid kan zijn gewekt. Het verzoek tot wraking zal daarom worden toegewezen.\n\n3.12.. De tweede wrakingsgrond betreffende mr. De Jongh met betrekking tot het feit dat zijn broer als partner bij het advocatenkantoor A&O werkzaam is, kan daarmee buiten bespreking blijven.\n\nMr. Vink\n\n3.13.. De wrakingsgrond ten aanzien van mr. Vink houdt in - zoals hiervoor onder 2.1 uiteengezet - dat, nu er gegronde vrees bestaat om te twijfelen aan de onpartijdigheid en objectiviteit van mr. De Jongh , dit ook raakt aan de onpartijdigheid en objectiviteit van mr. Vink . Mr. Vink heeft namelijk in zijn hoedanigheid van voorzitter van de combinatie omtrent de ten aanzien van mr. De Jongh naar voren gebrachte wrakingsgronden reeds standpunten ingenomen, zoals allereerst blijkt uit zijn reactie aan CG van 2 april 2026 op de klachtbrief van CG van 13 maart 2026 aan het gerechtsbestuur van het hof. Daarnaast blijkt zulks uit de e-mail van eveneens 2 april 2026, waarin namens mr. De Jongh wordt ingegaan op zijn bericht op LinkedIn en op het feit dat zijn broer als partner bij A&O werkzaam is. CG leidt uit deze berichten af dat mr. Vink het door mr. De Jongh op LinkedIn geplaatste bericht kennelijk evenmin ontoelaatbaar acht. Ook heeft het feit dat de broer van mr. De Jongh bij A&O werkzaam is, niet ertoe geleid dat mr. Vink tot een wijziging van de combinatie is overgegaan.\n\n3.14.. Om met dat laatste te beginnen: het is niet aan mr. Vink in zijn hoedanigheid van voorzitter van de OK dan wel van de combinatie die over een zaak oordeelt, om te bepalen of leden van die combinatie zich wel of niet zouden moeten verschonen. Het is aan de individuele raadsheren zelf om te bepalen of zij vrij staan een zaak te behandelen en aldus deel uit te (blijven) maken van de combinatie die op de zaak zit.\n\n3.15.. Wat betreft de e-mail van 2 april 2026, waarin de secretaris van de OK ingaat op de uitlatingen van mr. De Jongh op LinkedIn, stelt de wrakingkamer voorop dat deze e-mail namens mr. De Jongh is geschreven. De bedoelde passage luidt: “ Mr. De Jongh meent overigens dat het feit dat hij op LinkedIn heeft verwezen naar een herroepingsbeschikking van de Ondernemingskamer evenmin afbreuk doet aan zijn rechterlijke onpartijdigheid. Dat bericht behelsde immers niet meer dan een neutrale verwijzing naar een uitspraak in een op zichzelf staande procedure waarbij hij niet betrokken was. Mr. De Jongh geeft regelmatig voorlichting over rechtspraak van de Ondernemingskamer, onder meer in vakpublicaties, cursussen, hoorcolleges, op congressen en op social media. Dat is hier niet anders.”Uit niets blijkt dat deze e-mail van de hand van mr. Vink is geweest dan wel dat daarin het standpunt van mr. Vink wordt weergegeven.\n\n3.16.. De wrakingskamer is dan ook van oordeel dat bedoelde e-mail geen zwaarwegende reden vormt om aan te nemen dat mr. Vink vooringenomenheid koestert ten aanzien van CG of haar standpunten in de hoofdzaak, laat staan van een objectief gerechtvaardigde vrees van CG voor vooringenomenheid van mr. Vink . Bijkomende feiten en omstandigheden die een dergelijke vrees wel kunnen rechtvaardigen, zijn niet gebleken. Dat mr. Vink in het kader van zijn verweer in de wrakingsprocedure heeft aangegeven dat hij geen moeite heeft met het LinkedIn bericht van mr. De Jongh is niet zo’n bijkomende omstandigheid.\n\n3.17.. Een en ander leidt tot de volgende beslissing.\n\n4. De beslissing\n\nDe wrakingskamer:\n\n- wijst het verzoek tot wraking van mr. J.M. de Jongh toe;\n\n- wijst het verzoek tot wraking van mr. A.W.H. Vink af;\n\n- bepaalt dat een afschrift van deze beslissing wordt gezonden aan CG, de raadsheren en de Staat.\n\nDeze beslissing is gegeven door mr. H.A. van den Berg, mr. A.R. Sturhoofd en mr. J.F. Aalders, in tegenwoordigheid van mr. C. van der Laan als griffier en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1353","ecli-nl-ghams-2026-1353",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":66,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":67,"language":12,"source":13,"sourceUrl":68,"summary":6,"slug":69,"metadata":70},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":71,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]