Skip to main content

ECLI:NL:GHAMS:2026:1704

Rechtbank

Amsterdam

Datum

16 June 2026

Taal

nl

Samenvatting

Rechtsvraag

Civiel recht

Uitspraak / Beslissing

Uitspraak

Amsterdam

Procedure: UitspraakDomain: Civiel rechtType: uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.308.779/01

zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : 9162043 EL 21-56

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 16 juni 2026

inzake

[appellant 1],

wonend te [plaats 1] , gemeente [plaats 2] ,

appellant,

advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Rotterdam,

tegen

DEXIA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

Partijen worden hierna afnemer en Dexia genoemd.

1. De zaak in het kort

Afnemer is een of meer effectenleaseovereenkomsten aangegaan met Dexia. De echtgenote van afnemer heeft deze effectenleaseovereenkomsten met een beroep op artikelen 1:88 en 1:89 Burgerlijk Wetboek (BW) vernietigd. In dit hoger beroep behandelt het hof de vraag of de vordering uit onverschuldigde betaling die voortvloeit uit de vernietiging is verjaard.

2. Het geding in hoger beroep

Dexia is bij dagvaarding van 23 februari 2022 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 25 november 2021, onder bovengenoemd zaak- en rolnummer gewezen tussen afnemer als eiser en Dexia als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

  • memorie van grieven, met producties;

  • memorie van antwoord, met productie;

  • akte uitlating afnemer, met producties;

  • antwoordakte Dexia.

Partijen hebben geconcludeerd zoals verwoord in de processtukken.

Ten slotte is arrest gevraagd.

3. Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2. vastgesteld van welke feiten is uitgegaan. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil, zodat ook het hof deze feiten als vaststaand zal aannemen. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten, komen de feiten neer op het volgende.

3.1.. Afnemer heeft met een rechtsvoorgangster van Dexia onderstaande effectenleaseovereenkomsten gesloten (hierna: de effectenleaseovereenkomsten). De effectenleaseovereenkomsten zijn op enig moment geëindigd, waarna Dexia de eindafrekeningen heeft opgesteld. De relevante gegevens van de effectenleaseovereenkomsten zijn als volgt:

Nr.

Contractnummer

Datum

Naam

Looptijd

Eindafrekening

Resultaat

1. [nummer 1]

18-1-2001

21-1-2004

WinstVerDriedubbelaar

Verlenging

36 mnd

36 mnd

16-1-2007

-/- € 6.147,98

2. [nummer 2]

18-1-2001

21-1-2004

WinstVerDriedubbelaar

Verlenging

36 mnd

36 mnd

16-1-2007

-/- € 8.891,07

3.2.. De echtgenote van afnemer (hierna: de echtgenote) heeft afnemer geen (schriftelijke) toestemming verleend voor het aangaan van de effectenleaseovereenkomsten.

3.3.. Bij brief van 9 juni 2006 aan Dexia (hierna: de vernietigingsbrief) heeft de echtgenote met een beroep op artikel 1:89 BW in samenhang met artikel 1:88 BW de effectenleaseovereenkomsten vernietigd.

4. Beoordeling

4.1.. Bij beschikking van 25 januari 2007 (ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033) heeft dit hof op de voet van artikel 7:907 lid 1 BW een overeenkomst tussen Dexia en anderen verbindend verklaard voor de kring van gerechtigden als bedoeld in artikel 2 van de WCAM-overeenkomst, inhoudende een algemene regeling voor de afwikkeling van effectenleaseovereenkomsten. Afnemer en de echtgenote hebben tijdig een opt out-verklaring uitgebracht, zodat deze WCAM-overeenkomst hen niet bindt.

4.2.. Het staat in hoger beroep niet ter discussie dat de onderhavige effectenleaseovereenkomsten op grond van artikel 1:89 BW zijn vernietigd.

4.3.. De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis in rov. 5.8 overwogen dat afnemer geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij de verjaring van de rechtsvordering uit onverschuldigde betaling na 2012 heeft gestuit, zodat de vordering is verjaard. Afnemer voert aan dat hij de verjaring wel tijdig heeft gestuit. Het hof overweegt als volgt.

4.4.. De verjaringstermijn van een vordering uit onverschuldigde betaling bedraagt vijf jaar nadat de schuldeiser zowel met het bestaan van de vordering als de persoon van de ontvanger bekend is geworden (artikel 3:309 BW). De effectenleaseovereenkomsten zijn op 9 juni 2006 buitengerechtelijk vernietigd door de echtgenote en de op dat moment aanhangige, hiervoor genoemde collectieve actie heeft de verjaring van de vordering uit onverschuldigde betaling van de echtgenote gestuit tot zes maanden nadat dit hof in zijn beschikking van 25 januari 2007 de WCAM-overeenkomst verbindend heeft verklaard, dus tot en met 25 juli 2007 (HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3018 en HR 19 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:936).

4.5.. Afnemer betoogt in hoger beroep dat de verjaring is gestuit door de brieven van 24 januari 2012 en 27 oktober 2016 die Leaseproces namens al haar cliënten, waaronder afnemer, aan Dexia heeft gestuurd. Dexia stelt dat uit de brieven onvoldoende blijkt welk recht op nakoming wordt voorbehouden en waartegen zij zich eventueel heeft te verweren. Voorts voert Dexia aan dat zij nooit een sommatiebrief ten aanzien van de vorderingen van afnemer heeft ontvangen.

4.6.. Ten aanzien van de brieven van 24 januari 2012 en 27 oktober 2016 heeft dit hof reeds als volgt geoordeeld (hof Amsterdam 15 oktober 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:3735, rov. 2.4):

“(…)

De brief van 24 januari 2012 luidt, voor zover van belang, als volgt:

“Namens de op de bijgesloten lijsten A en B vermelde personen berichten wij u dat zij hun vorderingen op Dexia onverkort handhaven en dat deze brief met bijlagen bedoeld is om de verjaring van deze vorderingen, voor zover nodig, te stuiten. Dit geldt ook voor de vorderingen van de eega’s (…) van de op deze lijst vermelde personen uit hoofde van de artikelen 1:88 en 1:89 BW.”

Dexia brengt daartegen in dat genoemde brieven dermate algemeen van aard zijn dat daaruit geenszins kan worden afgeleid welke specifieke vordering Leaseproces namens haar cliënten wenst te stuiten en dat [Y] niet in de bijlagen staat.

Voor zover Dexia met dit betoog het oog heeft op de vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling wegens de door [Y] ingeroepen buitengerechtelijke vernietiging, overweegt het hof dat in de brief van 24 januari 2012 deze bevoegdheid uitdrukkelijk wordt vermeld. Dit geldt eveneens voor de brief van 27 oktober 2016 die op dit punt gelijkluidend is. Het bestaan van en de inhoud van deze brieven heeft Dexia niet weersproken. Anders dan Dexia nog heeft betoogd, is het hof van oordeel dat met de verwijzing in de brieven naar de eega’s van de op de bijgesloten lijsten vermelde personen, hier: [X], wel aan de eisen van artikel 3:317 BW is voldaan.”

Het hof blijft bij dit oordeel. Dexia heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd die het hof aanleiding geven om hiervan terug te komen. Dexia betwist ook niet dat afnemer staat vermeld op de lijsten die behoren bij de brieven van 24 januari 2012 en 27 oktober 2016. Door het feit dat de effectenleaseovereenkomsten met een beroep op artikelen 1:88 en 89 BW zijn vernietigd behoorde het voor Dexia redelijkerwijs duidelijk te zijn dat afnemer (dan wel de echtgenote) op enig moment een vordering pretendeerde tot terugbetaling van al hetgeen uit hoofde van de effectenleaseovereenkomsten is betaald.

4.7.. Uit het vorenstaande volgt dat de verjaring van de vordering uit onverschuldigde betaling tijdig is gestuit, zodat het verjaringsverweer van Dexia wordt verworpen. Dit betekent dat de effectenleaseovereenkomsten zijn vernietigd en dat Dexia gehouden is tot terugbetaling van al hetgeen aan haar uit hoofde van de effectenleaseovereenkomsten is betaald.

Slotsom

4.8.. Uit het voorgaande volgt dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd.

4.9.. Dexia is in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Het hof stelt deze kosten als volgt vast:

kosten dagvaarding € 131,18

griffierecht € 783,00

salaris advocaat € 1.935,00(tarief II, 1,5 punt)

totaal € 2.849,18

5. Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

en opnieuw recht doende:

verklaart voor recht dat de effectenleaseovereenkomsten zoals bedoeld in 3.1 zijn vernietigd;

veroordeelt Dexia tot terugbetaling aan afnemer van al hetgeen afnemer uit hoofde van de effectenleaseovereenkomsten aan Dexia heeft betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente telkens vanaf de dag van betaling tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt Dexia in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van afnemer begroot op € 2.849,18 en op € 189,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,00 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. L. Alwin, W.J.J. Los en R.M. de Winter en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026.

Meer Beslissingen