ECLI:NL:GHAMS:2026:1710
Samenvatting
Civiel recht
Uitspraak
Amsterdam
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
team I (handel)
zaaknummer : 200.354.470/01
zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/15/345714/ HA ZA 23-612
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 16 juni 2026
in de zaak van
[appellant] ,
wonend in [plaats 1] ,
appellant,
incidenteel geïntimeerde,
advocaat: mr. E. Hoekstra te Alkmaar,
tegen
[geïntimeerde] h.o.d.n. [bedrijf] ,
wonend in [plaats 2] ,
geïntimeerde,
incidenteel appellant,
advocaat: mr. M.M. Hazewinkel te Amsterdam.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.
1. De zaak in het kort
Deze zaak draait om de vraag of tussen [geïntimeerde] en [appellant] een overeenkomst tot stand is gekomen, die – kort gezegd – inhoudt dat beide partijen in gelijke mate delen in de (toekomstige) opbrengsten afkomstig uit bemiddeling van vier voetballers naar betaald voetbalorganisaties. [appellant] heeft het bestaan van een dergelijke overeenkomst betwist. De rechtbank heeft [geïntimeerde] in het gelijk gesteld. [appellant] heeft tegen dit oordeel hoger beroep ingesteld en [geïntimeerde] heeft zijn vorderingen in (incidenteel) hoger beroep gewijzigd.
Het hof komt tot het oordeel dat tussen [geïntimeerde] en [appellant] geen overeenkomst tot stand is gekomen. Dit leidt tot vernietiging van het bestreden vonnis, afwijzing van de (op die overeenkomst gebaseerde) vorderingen en veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten in beide instanties.
2. Het geding in hoger beroep
[appellant] is bij dagvaarding van 8 april 2025 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 8 januari 2025 van de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser en [appellant] als gedaagde.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
memorie van grieven;
memorie van antwoord, tevens houdende verandering van eis, met producties.
Op 7 april 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. [appellant] heeft de zaak laten toelichten door mr. Hoekstra, voornoemd. [geïntimeerde] heeft de zaak laten toelichten door mr. Hazewinkel, voornoemd, en mr. J. Blakborn (advocaat te Amsterdam). De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd. [appellant] heeft nog een productie in het geding gebracht.
Ten slotte is arrest gevraagd.
3. Feiten
De rechtbank heeft in rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.24 van het bestreden vonnis de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Tegen deze feitenvaststelling zijn geen grieven gericht, zodat het hof ook van die feiten uitgaat. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten komen de (relevante) feiten neer op het volgende.
3.1..
[geïntimeerde] en [appellant] begeleiden en/of vertegenwoordigen voetballers bij de totstandkoming van arbeidsovereenkomsten met een voetbalclub (‘intermediairs’ of ‘zaakwaarnemers’). Intermediairs ontvangen voor hun werkzaamheden van de betrokken voetbalclub een overeengekomen commissie, vaak een percentage van 5 tot 10% van het bruto jaarloon van de speler en/of een percentage van de toekomstige transfersom die een nieuwe voetbalclub aan de oude club betaalt voor de transfer van een speler.
3.2.. Vanaf begin 2018 hebben [geïntimeerde] en [appellant] veelvuldig contact gehad over interessante voetballers en over een mogelijke gezamenlijke samenwerking met een Engels zaakwaarnemerskantoor (USM). Een onderdeel van de contacten tussen [geïntimeerde] en [appellant] uit deze periode zijn de volgende Whatsapp berichten:
12 maart 2018
[geïntimeerde] : He kerel alles goed? De spelers die we hebben besproken zoals [naam 1] , die van Galatasaray etc
Wat is hun status nu
Kunnen we nog bepaalde deals regelen?
Want ik heb deze spelers namelijk niet besproken met USM.
[appellant] : Hey [geïntimeerde] , alles goed man. Met jou?
[geïntimeerde] : Lekker
[appellant] : Ik zal je morgen even wat spelers doorsturen
[geïntimeerde] : Ok top
Spreek je morgen
[appellant] : Stuur ik je een lijstje met spelers waarmee we kunnen werken[emoticon duim omhoog]
3 april 2018
[geïntimeerde] : Ik denk dat ze[USM, toevoeging hof] eerst een deal willen zien
Voordat ze gaan investeren
[appellant] : Ja begrijp ik maar zo werkt het niet
Want stel dat we toptalent hebben dan kunnen we die ook zelf doen
£ 200.000 - £ 300.000
Voor ons zelf ipv te delen
16 april 2018
[appellant] : Ja man commissie hoeveel % denk je aan
Per speler[ziet op gewenste vergoeding van USM, toevoeging hof]
[geïntimeerde] : 30%
[appellant] : Ben ik het mee eens
Tevens in de eventuele doorverkoop
[geïntimeerde] : Dat soort dingen moeten allemaal worden opgenomen in het contract, om miscommunicatie te verkomen
[appellant] : Ja laat daar maar aan mij over
[geïntimeerde] : Daar heb ik allang over nagedacht. Jij was die puzzelstukje die ik miste. Samen 1 team
[appellant] : Sowieso
24 april 2018
[geïntimeerde] : Ze[USM, toevoeging hof]weten toch dondersgoed dat jij het contract gaat weigeren
[appellant] : We gaan het zelf wel doen
[geïntimeerde] : Tuurlijk
[appellant] : Hebben die gasten niet nodig om wat te gaan opbouwen
[geïntimeerde] : Komt goed
[appellant] : Sowieso man
30 april 2018
[appellant] : Zo is er al nieuws?
Van USM
[geïntimeerde] : [naam 2] 18 jaar
Speler fortuna Sittard
[appellant] : Thanks! Ik ga hem checken
3.3.. Eind april 2018 is duidelijk geworden dat er geen samenwerking tussen [geïntimeerde] en [appellant] enerzijds en USM anderzijds tot stand zal komen. [geïntimeerde] en [appellant] zetten ook nadien hun communicatie via Whatsapp voort, zoals onder meer blijkt uit de volgende berichten:
9 juli 2018
[geïntimeerde] : Hij[een voetballer van een Engelse voetbalclub, toevoeging, hof]vroeg of ik hem over 30 min kan bellen
[appellant] : Heeft nog een 2 jarig contract dus kijken of we hem kunnen verhuren
[geïntimeerde] : Wat is allemaal belangrijk te weten
Juist
[appellant] : Of hij een zaakwaarnemer heeft en of hij daarmee getekend heeft
Zo ja dan kunnen we niets
[geïntimeerde] : Ok ik laat je weten
Want als hij geen agent heeft is dit echt een interessante speler
Voor ons samen
[appellant] : ja dan duiken we er vol op
2 augustus 2018
[appellant] : Ik wil hem[Spaanse spits, toevoeging rechtbank]hier
[geïntimeerde] : Mooie club [x]
[appellant] : Ja man
En voor ons goed om nog een spits in de jupiler te hebben
[geïntimeerde] : precies
3 november 2018
[appellant] : Sowieso zal ik je deze week even programma sturen zodat we aantal wedstrijden kunnen gaan bekijken en tevens interessante spelers die we kunnen benaderen
[geïntimeerde] : Kunnen we niet met hem mee naar Arsenal
Ik heb een goede speler voor ons
Die jongen waar ik het over had van Dord
[…] We gaan zeker binnenkort wedstrijd kijken daar
Hoe heet die jongen van Dord
[geïntimeerde] : [naam speler]
15 jaar[ …]
[appellant] : Kunnen hem zsm gaan bekijken
3.4.. Op 31 januari 2019 is de vennootschap Global Football Management B.V. (hierna: GFM) opgericht. [appellant] is vanaf de oprichting activiteiten gaan verrichten voor GFM, eerst in loondienst en vanaf 25 mei 2020 als (middellijk) aandeelhouder. Vlak nadien hadden [appellant] en [geïntimeerde] via Whatsapp contact over de voetballer [naam 3] (hierna: [naam 3] ), en wisselden de volgende berichten uit:
13 januari 2019
[appellant] : Bro! Vandaag ff bellen? In tussentijd check of je aan het nr van [naam 3] kan komen van Excelsior Maassluis. Is bij jou daar in de buurt
[geïntimeerde] : Is goed bro
We bellen straks
Wat is met [naam 3]
[appellant] : Ja super interessant voor profvoetbal
Hij doet het heel goed daar
[geïntimeerde] : Ok is goed ik ga het regelen
[…] [naam 4] ..vcf (bestand bijgevoegd)
Vader [naam 3]
Ze zijn op de hoogte
Noem mij naam maar
[appellant] : Top. Ik bel hem vandaag
[…] Heb ff met die pa[van [naam 3] , toevoeging hof]gesproken over de telefoon
[geïntimeerde] : Ok beter
Snel handelen is belangrijk
[appellant] : Precies
Veel makelaars hebben ze al gebeld
Ze hebben ook afspraken gehad
Maar blijkbaar nog niet de juiste
[geïntimeerde] : Wij zijn de juiste
Samen sterk
[appellant] : Sowieso bro!
3.5.. Op 2 april 2019 heeft [appellant] [geïntimeerde] het volgende Whatsapp-bericht gestuurd:
Jij bent met mij. Wij zijn samen. Wij zijn 1. Dus alles wat ik doe daar weet jij vanaf.
3.6.. Op 5 april 2019 heeft [naam 3] een overeenkomst getekend met voetbalclub ADO Den Haag. [geïntimeerde] en [appellant] zijn samen met [naam 3] bij zijn officiële presentatie daar op de foto vastgelegd.
3.7.. Naar aanleiding van het tekenen van een overeenkomst door voetballer [naam 2] (hierna: [naam 2] ) bij voetbalclub Fortuna Sittard hebben op 27 mei 2019 [geïntimeerde] en [appellant] elkaar de volgende Whatsapp-berichten gestuurd:
[geïntimeerde] : Maarja [naam 2] moet gewoon knallen en dan volgende stap
[appellant] : Precies dat bro
In die paar dagen Polen stel ik wel ff wat op voor ons zodat we gelijken zijn voor nu en in de toekomst. Dat je recht hebt op doorverkoop etc
[…]
[appellant] : Jij en ik hebben 10% bij [naam 2][ [naam 2] , toevoeging hof]
[naam 2] zelf ook 10%
[geïntimeerde] : […] Prima deal
3.8.. Op 31 juli 2019 heeft voetballer [naam 5] (hierna: [naam 5] ) een overeenkomst getekend met voetbalclub Go Ahead Eagles. [geïntimeerde] en [appellant] waren daarbij beiden aanwezig.
3.9.. Een broer van [geïntimeerde] , [naam 6] (hierna: [naam 6] ), is professioneel voetballer. In de zomer van 2019 hebben [geïntimeerde] , [appellant] namens GFM en een derde intermediair, [naam 7] , [naam 6] begeleid bij zijn transfer van voetbalclub Huddersfield naar Rode Ster Belgrado, tegen een bedongen commissie te betalen door die club. De overeenkomst over de verdeling van de commissie bepaalt dat GFM, [geïntimeerde] en [naam 7] ieder recht hebben op een gelijk deel van de commissie.
3.10.. Op 10 december 2019 heeft [appellant] [geïntimeerde] gevraagd om een bijdrage in de kosten voor [naam 3] :
[appellant] : Broerr, alles goed? Ben even met administratie bezig en je zei mbt etentje van [naam 3][ [naam 3] , toevoeging hof]de helft te willen doen, toch?
Laat mij maar even weten dan stuur ik je een tikkie.
[geïntimeerde] : Ja toch
Stuur maar een tikkie
3.11.. Op 12 maart 2020 heeft [appellant] RH Holding B.V. (hierna: RH Holding) opgericht. [appellant] is enig bestuurder en aandeelhouder van RH Holding. Op 25 mei 2020 werd [appellant] via RH Holding middellijk bestuurder van GFM en gevolmachtigde van GFM.
3.12.. Op 15 juni 2020 hebben [geïntimeerde] en [appellant] elkaar de volgende Whatsapp-berichten gestuurd:
[geïntimeerde] : [naam 3] is een goed voorbeeld voor die jongen
[appellant] : Zeker weten en heb dat ook tegen hem gezegd dat wij 2, [naam 3] naar ADO hebben gebracht
3.13.. In navolging van [appellant] heeft ook [geïntimeerde] in 2020 voor GFM gewerkt. In dat kader heeft GFM een overeenkomst opgesteld. Daarvoor hebben [naam 8] , indirect bestuurder van GFM (hierna: [naam 8] ), en [geïntimeerde] op 19 juni 2020 de volgende Whatsapp-berichten gestuurd:
[naam 8] : Zal morgen de commissie contracten meenemen voor [naam 2] , [naam 9] , [naam 10] en [naam 6] . Nog iemand vergeten?
[geïntimeerde] : [naam 3]
[naam 8] : Yes[emoticon duim omhoog]
[geïntimeerde] : Hoe laat spreken we af?
[naam 8] : Wat is jouw KvK-nummer en het adres van QSM?
10 uur Almere zoals besproken met [appellant][ [appellant] , toevoeging hof]
3.14.. Op 23 juni 2020 heeft GFM aan [geïntimeerde] de overeenkomst in concept gestuurd. Daarin is onder meer opgenomen dat partijen overwegen dat zij een gezamenlijk belang hebben bij succesvolle bemiddeling tussen voetballers [naam 2] , [naam 6] , [naam 3] , [naam 5] , [naam 10] en [naam 9] en een voetbalclub en in dat kader afspraken overeenkomen over inkomsten die daaruit voortvloeien indien deze spelers een vertegenwoordigingsovereenkomst tekenen met GFM door toedoen van [geïntimeerde] . In die gevallen zou [geïntimeerde] tijdens de duur van de vertegenwoordigingsovereenkomst met GFM recht hebben op 50% van de door GFM ontvangen commissie over het bruto jaarsalaris dat deze spelers ontvangen van een voetbalclub (na aftrek van gemaakte kosten). De voorgestelde duur van de overeenkomst was twaalf maanden.
3.15..
[geïntimeerde] is niet akkoord gegaan met dat aanbod. Op 28 september 2020 heeft [geïntimeerde] GFM een tegenvoorstel gedaan, dat door GFM niet is geaccepteerd. [geïntimeerde] en GFM zijn ook daarna niet tot overeenstemming gekomen.
3.16.. In november 2020 is de bemiddeling van GFM voor [naam 6] beëindigd.
3.17.. Op 14 december 2020 heeft [geïntimeerde] aan [naam 8] laten weten te stoppen bij GFM met het volgende e-mailbericht:
“He [naam 8] alles goed? Ik heb veel nagedacht maar door situatie met me broertje zit niets anders op dan me terug te trekken en te stoppen bij GFM. We hebben nog wat spelers samen alleen dat is ook onzeker hoe dat verder gaat lopen. Ik wens jullie het beste en hoop dat je me keuze snapt.”
3.18.. Bij e-mail van 24 juni 2021 heeft [geïntimeerde] GFM onder meer aangesproken voor betaling van commissie inzake succesvolle bemiddeling van de in het conceptcontract genoemde spelers. GFM heeft in haar reactie onder meer laten weten dat zij geen overeenkomst met [geïntimeerde] heeft gesloten.
3.19..
[naam 3] is in de zomer van 2021 van ADO Den Haag naar SC Heerenveen overgestapt. GFM was als zijn zaakwaarnemer bij deze transfer betrokken.
3.20.. Op 19 oktober 2022 heeft RH Holding samen met een andere partij Iconics opgericht. RH Holding is medebestuurder van Iconics.
3.21.. In 2023 is [naam 3] overgestapt van SC Heerenveen naar Coventry City. Iconics was als zaakwaarnemer bij deze transfer betrokken.
3.22..
[geïntimeerde] heeft van [appellant] , RH Holding, GFM en/of Iconics geen commissie ontvangen in verband met bemiddeling van voetballers naar betaald voetbalorganisaties.
3.23.. Bij e-mail van 3 mei 2023 heeft de advocaat van [geïntimeerde] aan [appellant] (onder meer) geschreven:
“Client heeft nog steeds vorderingen op u uit hoofde van de samenwerkingsovereenkomst en uit hoofde van de commissieverdelingsovereenkomst met betrekking tot de transfer van [naam 6] .”
4. Procedure bij de rechtbank
4.1..
[geïntimeerde] heeft bij de rechtbank een procedure aanhangig gemaakt tegen [appellant] in privé en de vennootschappen GFM, RH Holding en Iconics. Inzet van de procedure was een verklaring voor recht dat tussen [geïntimeerde] en de gedaagden een 50/50 betalingsafspraak ten aanzien van zes voetballers bestaat, op basis waarvan de gedaagden hoofdelijk schuldenaar zijn van 50% van alle reeds betaalde en in de toekomst nog te betalen commissies en vergoedingen die zij hebben of nog zullen ontvangen voor deze spelers. Daarnaast vorderde [geïntimeerde] een hoofdelijke veroordeling van de gedaagden tot betaling van 50% van deze commissies en vergoedingen.
4.2.. De rechtbank heeft in het bestreden vonnis de tegen GFM, RH Holding en Iconics ingestelde vorderingen afgewezen, omdat deze vennootschappen niet gebonden zijn aan een betalingsafspraak met [geïntimeerde] . Voor het overige heeft de rechtbank de vorderingen van [geïntimeerde] grotendeels toegewezen en voor recht verklaard dat tussen [geïntimeerde] en [appellant] een 50/50 betalingsafspraak bestaat ten aanzien van [naam 3] , [naam 2] , [naam 5] en [naam 9] , op basis waarvan [appellant] schuldenaar is van 50% van alle betaalde en nog te betalen commissies die [appellant] heeft ontvangen en nog zal ontvangen voor bemiddeling van deze spelers. Daarnaast heeft de rechtbank [appellant] veroordeeld om 50% van deze commissies aan [geïntimeerde] te betalen. Tot slot heeft de rechtbank [appellant] , als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de (na)kosten met rente.
5. Vorderingen in hoger beroep, incidenteel hoger beroep
5.1.. In hoger beroep vordert [appellant] vernietiging van het bestreden vonnis en alsnog – uitvoerbaar bij voorraad – afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerde] , althans matiging en aanpassing van die vorderingen, met veroordeling van [geïntimeerde] tot terugbetaling van de door [appellant] betaalde proceskosten in eerste aanleg en veroordeling in de kosten van het geding in beide instanties.
5.2.. Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] zijn eis gewijzigd. [geïntimeerde] concludeert tot afwijzing van het principaal hoger beroep en vordert met inachtneming van deze eiswijziging, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
een verklaring voor recht dat tussen [geïntimeerde] en [appellant] een 50/50 betalingsafspraak bestaat ten aanzien van [naam 3] , [naam 2] , [naam 5] en [naam 9] , op basis waarvan [appellant] schuldenaar is van 50% van alle aan hem, RH Holding, GFM en/of Iconics, dan wel aan iedere (rechts)persoon waarmee [appellant] direct of indirect is verbonden – op welke wijze en in welke hoedanigheid dan ook –, reeds betaalde en in de toekomst nog te betalen opbrengsten van de bemiddeling ten behoeve van deze spelers en de betaald voetbalorganisaties;
veroordeling van [appellant] tot betaling aan [geïntimeerde] een bedrag van € 420.708,08 aan ontvangen opbrengsten voor de bemiddeling ten behoeve van [naam 3] en respectievelijk ADO Den Haag, SC Heerenveen en Coventry City, dan wel een in goede justitie vast te stellen bedrag, te vermeerderen met rente vanaf 18 april 2025 tot aan de dag van betaling;
veroordeling van [appellant] tot betaling aan [geïntimeerde] een bedrag van 50% van alle overige door hem, RH Holding, GFM en/of Iconics, dan wel aan iedere (rechts)persoon waarmee [appellant] direct of indirect is verbonden – op welke wijze en in welke hoedanigheid dan ook – ontvangen en te ontvangen opbrengsten voor de bemiddeling van de betreffende spelers en betaald voetbalorganisaties;
met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep, met nakosten en rente.
5.3.. De eiswijziging in hoger beroep heeft te gelden als een incidentele grief, omdat [geïntimeerde] daarmee een aanpassing beoogt in het dictum van het bestreden vonnis. Het hof zal daarom beslissen op het door [appellant] ingestelde principaal hoger beroep en op het door [geïntimeerde] ingestelde incidentele hoger beroep.
5.4.. Bij gelegenheid van de zitting in hoger beroep heeft [geïntimeerde] zijn eis opnieuw gewijzigd in die zin dat het gevorderde onder (i) als volgt komt te luiden:
een verklaring voor recht dat tussen [geïntimeerde] en [appellant] een 50/50 betalingsafspraak bestaat ten aanzien van [naam 3] , [naam 2] , [naam 5] en [naam 9] , op basis waarvan [appellant] schuldenaar is van 50% van alle aan hem, RH Holding, GFM en/of Iconics, dan wel aan iedere (rechts)persoon waarmee [appellant] direct of indirect is verbonden – op welke wijze en in welke hoedanigheid dan ook -, reeds betaalde en in de toekomst nog te betalen opbrengsten van de bemiddeling ten behoeve van deze spelers en de betaald voetbalorganisaties, minus de in de betreffende periode voor de betreffende speler(s) gemaakte kosten door één van partijen.
5.5..
[appellant] heeft tegen deze eiswijziging (op grond van artikel 130 Rv) bezwaar gemaakt. Het hof zal op dat bezwaar in het hiernavolgende terugkomen.
6. Beoordeling
In het principaal hoger beroep
6.1.. Het principaal hoger beroep van [appellant] is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat tussen [geïntimeerde] en [appellant] een betalingsafspraak tot stand is gekomen, op grond waarvan [appellant] gehouden is 50% van de ontvangen en nog te ontvangen commissies voor bemiddeling van de vier onder 4.2 genoemde voetballers te betalen aan [geïntimeerde] . [appellant] betwist dat hij een dergelijke afspraak met [geïntimeerde] heeft gemaakt. [appellant] bestrijdt daarmee ook dat op hem een betalingsverplichting rust tegenover [geïntimeerde] , te meer nu hij in privé nooit commissie stelt te hebben ontvangen (grief 1, 3 en 4). Daarnaast stelt [appellant] dat de betalingsafspraak nietig is wegens strijd met dwingendrechtelijke bepalingen uit de FIFA/KNVB-licentiereglementen, omdat [geïntimeerde] geen licentie heeft voor intermediairswerkzaamheden (grief 2). Voor zover nodig, stelt [appellant] dat [geïntimeerde] bij hem het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat hij geen aanspraak meer zou maken op nakoming van de betalingsafspraak (rechtsverwerking, grief 6). Tot slot heeft [appellant] gesteld dat de door de rechtbank ten laste van hem uitgesproken veroordeling (het dictum) te onbepaald en te executiegevoelig zou zijn (grief 5). De in hoger beroep gewijzigde vorderingen van [geïntimeerde] , die inzet zijn van het incidenteel hoger beroep, hangen tevens af van het bestaan van die betalingsafspraak.
6.2.. De vraag die het hof daarom moet beantwoorden is of tussen [geïntimeerde] en [appellant] de overeenkomst tot stand is gekomen, die [geïntimeerde] aan zijn vorderingen ten grondslag legt. Een overeenkomst komt doorgaans tot stand door een aanbod en de aanvaarding daarvan (artikel 6:217 lid 1 BW), maar dit hoeft niet steeds het geval te zijn. Of een overeenkomst tot stand is gekomen, is afhankelijk van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen hebben afgeleid en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mochten afleiden. Daarnaast geldt het vereiste dat de verbintenissen die partijen op zich nemen bepaalbaar moeten zijn (artikel 6:227 BW).
Geen 50/50 betalingsafspraak tot stand gekomen
6.3..
[geïntimeerde] stelt zich op het standpunt dat hij met [appellant] mondeling en via Whatsapp een betalingsafspraak heeft gemaakt, die in de kern inhoudt dat zij gezamenlijk professionele voetballers zouden benaderen en begeleiden en de opbrengsten die daaruit zouden voortvloeien gelijkelijk zouden verdelen (hierna: de 50/50 betalingsafspraak). Begin 2018 zou volgens van [geïntimeerde] al sprake zijn van een bestaand samenwerkingsverband met [appellant] . De taakverdeling tussen partijen was volgens [geïntimeerde] dat hij de spelers via zijn sociale netwerk zou binnenhalen en begeleiden en dat [appellant] vervolgens het zakelijk deel van de werkzaamheden (zoals (contract)onderhandelingen) op zich zou nemen. [appellant] stelt dat hooguit sprake was van een informele samenwerking in een bepaalde periode waarbij hij en [geïntimeerde] soms gezamenlijk optraden richting spelers, maar niet van een afdwingbare 50/50 betalingsafspraak zoals [geïntimeerde] aan zijn vorderingen ten grondslag legt.
6.4..
Het hof stelt voorop dat [geïntimeerde] de relevante feiten en omstandigheden moet stellen (en zo nodig bewijzen) die de conclusie kunnen dragen dat de door hem gestelde 50/50 betalingsafspraak tot stand is gekomen; een afspraak die het karakter heeft van een juridisch afdwingbare overeenkomst waaruit concrete en bepaalbare verbintenissen voortvloeien.
Volgens [geïntimeerde] zijn de afspraken mondeling en via Whatsapp tot stand gekomen. [geïntimeerde] heeft niet concreet gesteld welke afspraken mondeling tot stand zijn gekomen en wanneer. Wel heeft hij gesteld dat alle afspraken blijken uit de Whatsapp-berichten uitgewisseld in de jaren 2018, 2019 en 2020. Bij gebreke van een schriftelijke overeenkomst, komt het dus aan op wat partijen in die Whatsapp-correspondentie over en weer hebben verklaard, wat zij uit die verklaringen hebben afgeleid en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mochten afleiden.
6.5.. Het hof is van oordeel dat, in het licht van de gemotiveerde betwisting van [appellant] , uit de gewisselde Whatsapp-berichten niet is gebleken dat [geïntimeerde] en [appellant] hebben afgesproken dat zij in gelijke mate de opbrengsten zouden delen ten aanzien van spelers die zij vanuit hun samenwerking zouden binnenhalen. De summiere verwijzing naar de “afspraken (…) net als bij [naam 2] , [naam 3] etc.”in het Whatsapp-bericht van [appellant] van 1 juli 2020 is daartoe in elk geval onvoldoende, ook omdat partijen in die periode onderhandelden over een overeenkomst tussen [geïntimeerde] en GFM. [geïntimeerde] mocht uit dit bericht in de gegeven omstandigheden niet redelijkerwijze afleiden dat [appellant] daarmee bevestigde dat er tussen hem en [geïntimeerde] een 50/50 betalingsafspraak bestond zoals door [geïntimeerde] gesteld. Ook het hiervoor onder 3.7 genoemde bericht van 27 mei 2019 verwijst niet naar een structureel samenwerkingsverband tussen [appellant] en [geïntimeerde] over toekomstige opbrengsten, maar hooguit naar een incidentele afspraak over een bepaalde voetballer. Hetzelfde geldt voor de onder 3.10 genoemde Whatsapp-communicatie, waaruit volgt dat [appellant] en [geïntimeerde] de kosten deelden voor een etentje met [naam 3] . In de periode 2018 – 2020 zijn weliswaar door partijen met enige regelmaat berichten uitgewisseld over het gezamenlijk verkrijgen van inkomsten, maar hoe deze inkomsten zouden worden verdeeld blijkt daaruit niet. Kortom, de kern van de gestelde 50/50 betalingsafspraak, dat [geïntimeerde] en [appellant] de huidige en toekomstige opbrengsten uit bemiddeling van voetballers zouden delen, volgt niet uit deze Whatsapp-berichten.
6.6.. Daarnaast blijkt uit de tussen partijen gewisselde Whatsapp-berichten niet van concrete en bepaalbare afspraken over de wijze waarop partijen onderling de taken hebben verdeeld. [geïntimeerde] verklaart bovendien zelf dat hem altijd onduidelijk is gebleven waaruit de zakelijke werkzaamheden van [appellant] precies bestonden, welke (commissie)afspraken [appellant] maakte met spelers en clubs en wat hij precies daarmee verdiende. Ook volgt daaruit niet wat precies de rol van [geïntimeerde] zou zijn.
6.7.. Verder blijkt uit gewisselde Whatsapp-berichten niet van concrete en bepaalbare afspraken ten aanzien van de vraag over welke (toekomstige) commissies of vergoedingen tussen [geïntimeerde] en [appellant] zou moeten worden afgerekend. Ook blijkt niet van afspraken over de vraag hoe deze vergoedingen zouden moeten worden berekend en of hierbij nog bepaalde kosten zouden moeten worden verdisconteerd. Ook ter zitting heeft [geïntimeerde] desgevraagd niet kunnen concretiseren wat partijen hierover hadden afgesproken. Tot slot blijkt uit de gewisselde Whatsapp-berichten niet van concrete en bepaalbare afspraken over de duur van de afspraak, de wijze van beëindiging daarvan en of de werkzaamheden van partijen door anderen zouden kunnen worden voortgezet.
6.8.. Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van het hof dat [geïntimeerde] en [appellant] weliswaar enige tijd samen zijn opgetrokken, maar dat hun samenwerking hooguit het karakter had van een intentieafspraak om gezamenlijk geld te gaan verdienen aan de (toekomstige) loopbaan van interessante voetbalspelers. Het hof vindt hiervoor bevestiging in de navolgende feiten en omstandigheden. Ten eerste heeft de samenwerking tussen [geïntimeerde] en [appellant] nooit geresulteerd in een schriftelijke overeenkomst, terwijl [geïntimeerde] heeft verklaard dat dat wel de bedoeling was en hij dat ook belangrijk vond. Daarnaast hebben tussen [geïntimeerde] enerzijds en GFM (onder meer vertegenwoordigd door [appellant] ) anderzijds wel concrete onderhandelingen plaatsgevonden over de verdeling van opbrengsten uit bemiddeling van voetballers. Uit de onder 3.14 genoemde conceptovereenkomst blijkt immers van concrete en bepaalbare afspraken over (onder meer) de berekening van de commissie (50% van het bruto jaarsalaris van met naam genoemde voetballers) en de duur van de afspraak. [geïntimeerde] heeft dit voorstel van de hand gewezen en heeft in december 2020 de gesprekken met GFM beëindigd. Naar [geïntimeerde] ter zitting heeft verklaard, kon hij niet instemmen met de conceptovereenkomst vanwege de beperking in de duur en de verrekening van advocaatkosten. Tot slot heeft [geïntimeerde] pas bij e-mail van 3 mei 2023 weer aanspraak gemaakt op nakoming van de gestelde betalingsafspraak met [appellant] in privé.
6.9.. Het hof komt tot de conclusie dat er geen overeenkomst tot stand is gekomen tussen [geïntimeerde] en [appellant] , op grond waarvan [appellant] gehouden is 50% van de (toekomstige) opbrengsten uit de bemiddeling van voetballers te betalen aan [geïntimeerde] . Omdat de daarop betrekking hebbende grieven 1, 3 en 4 in het principaal appel van [appellant] slagen, behoeven de andere door hem voorgedragen grieven geen behandeling en zal het bestreden vonnis worden vernietigd.
In het incidenteel hoger beroep
6.10.. In het incidenteel hoger beroep vordert [geïntimeerde] , na twee eiswijzigingen in hoger beroep, een verklaring voor recht, een veroordeling van [appellant] tot betaling van een bedrag van € 420.708,08 wegens bemiddeling van [naam 3] en een veroordeling van [appellant] tot betaling van 50% van (toekomstige) opbrengsten van de andere spelers. Omdat alle vorderingen van [geïntimeerde] zijn gebaseerd op het bestaan van de 50/50 betalingsafspraak en het hof in het principaal hoger beroep tot het oordeel komt dat deze overeenkomst niet tot stand is gekomen, kunnen deze vorderingen niet worden toegewezen.
6.11..
[appellant] heeft bezwaar gemaakt tegen de ter zitting ingediende tweede eiswijziging en betoogd dat deze – wegens strijd met een goede procesorde – buiten beschouwing dient te blijven, althans dat hij in de gelegenheid moet worden gesteld daarover nog een nadere akte te nemen. Het hof is van oordeel dat bij deze stand van zaken [appellant] geen belang heeft bij zijn bezwaar en het nog mogen nemen van een akte.
Slotsom, kosten en bewijsaanbod
6.12.. Het principaal hoger beroep van [appellant] slaagt en het incidenteel hoger beroep van [geïntimeerde] slaagt niet. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd en de vorderingen van [geïntimeerde] , zoals gewijzigd in hoger beroep, zullen worden afgewezen. Het hof ziet geen aanleiding om [geïntimeerde] toe te laten tot bewijslevering, omdat hij geen bewijs heeft aangeboden van voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden.
6.13..
[geïntimeerde] zal als in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in eerste aanleg en de proceskosten in principaal en incidenteel hoger beroep. Het hof stelt de proceskosten als volgt vast:
Eerste aanleg
griffierecht € 1.301,00
salaris advocaat (inclusief nakosten) € 2.428,00
Totaal € 3.729,00
Principaal hoger beroep
explootkosten € 148,90
griffierecht € 362,00
salaris advocaat € 2.580,00(tarief II, 2 punten)
Totaal € 3.090,90
Incidenteel hoger beroep
- salaris advocaat € 645,00 (helft van tarief II, 1 punt)
7. Beslissing
Het hof:
in principaal en incidenteel hoger beroep:
7.1. vernietigt het bestreden vonnis, voor zover aan het hof voorgelegd, en doet opnieuw recht;
7.2. wijst af de vorderingen van [geïntimeerde] , zoals gewijzigd in hoger beroep;
7.3. veroordeelt [geïntimeerde] tot terugbetaling van de proceskosten die [appellant] op grond van het bestreden vonnis heeft voldaan;
7.4.. veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van [appellant] in principaal en incidenteel hoger beroep, tot nu toe in principaal hoger beroep vastgesteld op € 3.090,90 en in incidenteel hoger beroep op € 645,00;
7.5.. veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van [appellant] in eerste aanleg, vastgesteld op € 3.729,00;
7.6.. veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellant] van € 189,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als betekening van dit arrest plaatsvindt;
7.7.. verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
7.8.. wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.D. Lubach, J.F. Aalders en K.A.J. Bisschop en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026.