ECLI:NL:GHAMS:2026:1771
Samenvatting
Bestuursrecht; Belastingrecht
Uitspraak
Amsterdam
GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerk 25/1339
3 maart 2026
uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X], wonende te [Z], belanghebbende,
tegen de uitspraak van 17 april 2025 in de zaak met kenmerk HAA 24/2959 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van de gemeente [Z], de heffingsambtenaar.
1. Ontstaan en loop van het geding
1.1.. De heffingsambtenaar heeft de WOZ-waarde van de onroerende zaak [A-straat] 5 te [Z] (de woning) voor het kalenderjaar 2023 vastgesteld op € 695.000.
1.2.. Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de WOZ-waarde van de woning gehandhaafd.
1.3.. Het daartegen ingestelde beroep heeft de rechtbank ongegrond verklaard.
1.4.. Belanghebbende heeft tijdig hoger beroep ingesteld. Na het instellen van het hoger beroep zijn de volgende stukken ingediend:
een aanvulling van de gronden van het hoger beroep door belanghebbende met een aantal bijlagen;
een verweerschrift door de heffingsambtenaar;
een nader stuk van 1 oktober 2025 door belanghebbende, en
een nader stuk van 20 oktober 2025 door belanghebbende.
1.5.. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
2. Feiten
2.1.. De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld:
“1. Eiser is huurder van de woning. Het betreft een hoekwoning met bouwjaar 1921. De woning is voorzien van drie dakkapellen en een berging.
2. De eigenaar van de woning is [Stichting] te [Z].”2.2.. Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden zal ook het Hof daarvan uitgaan. In aanvulling daarop vult het Hof de feiten als volgt aan.
2.3.. De huurwoning is een zogenoemde vrije sector woning (geliberaliseerde woonruimte).
3. Geschil in hoger beroep
In hoger beroep is in geschil of de rechtbank het beroep terecht ongegrond heeft verklaard. In geschil is in het bijzonder of belanghebbende een procesbelang heeft zoals hij stelt en de heffingsambtenaar weerspreekt.
4. Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft het volgende overwogen:
“4. De rechtbank overweegt dat als uitgangspunt geldt dat eenieder aan wie een WOZ-beschikking is bekendgemaakt, bij die beschikking en dus bij de daarin vastgestelde waarde een belang heeft (zie het arrest van de Hoge Raad van 20 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:467). Bij arrest van 8 maart 2024 (ECLI:NL:HR:2024:238) is hierop een uitzondering gemaakt. Indien uit de vaststaande feiten volgt dat een gebruiker van een woning door een wijziging van de vastgestelde WOZ-waarde niet in een gunstiger positie kan komen, is geen sprake van een procesbelang. In die gevallen dient, in afwijking van het hiervoor genoemde uitgangspunt, te worden aangenomen dat een rechtsmiddel (bezwaar, beroep of hoger beroep) niet-ontvankelijk moet worden verklaard als de indiener daarbij geen belang heeft, in die zin dat het aanwenden van dat rechtsmiddel, ongeacht de gronden waarop het steunt, hem niet in een betere positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit en eventuele bijkomende (rechterlijke) beslissingen zoals die met betrekking tot proceskosten en griffierecht (zie Hoge Raad 8 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:238). Die situatie doet zich voor indien (i) er geen sprake is van een niet-geliberaliseerde woonruimte en (ii) de indiener als huurder van de woning evenmin anderszins een direct financieel gevolg ondervindt bij een wijziging van de vastgestelde WOZ-waarde. De rechtbank overweegt verder dat het aan degene is die bezwaar maakt of (hoger) beroep instelt om aannemelijk te maken dat hij procesbelang heeft.
5. Een huurder kan dus onder omstandigheden een procesbelang hebben als het gaat om een sociale huurwoning. Ter zitting heeft eiser verklaard dat hij in de vrije sector huurt, waardoor het voorgaande niet van toepassing is.
6. De rechtbank stelt verder vast dat de WOZ-waarde niet gebruikt is als heffingsmaatstaf voor de afvalstoffenheffing, die op hetzelfde biljet is vermeld als de WOZ-beschikking. Uit het biljet volgt dat de afvalstoffenheffing uit een vast bedrag bestaat. De hoogte van de aanslag is dus niet afhankelijk van de WOZ-waarde.
7. Eiser heeft gesteld dat hij voornemens is de woning van de eigenaar te kopen. Eiser heeft aangevoerd dat de WOZ-waarde een van de uitgangspunten is bij het onderhandelen van de koopsom zodat hij belang heeft bij een zo laag mogelijke WOZ-waarde. Eiser heeft verder gesteld dat de WOZ-waarde van belang is voor een eventuele hypotheek en voor financiële en andersoortige processen. Eiser is verder van mening dat de juistheid van de WOZ-waarde ook van groot maatschappelijk belang is.
8. De rechtbank acht niet aannemelijk dat eiser vanwege zijn wens ergens in de toekomst de woning te kopen, belang heeft bij de WOZ-waarde van de woning voor 2023, vastgesteld naar de waardepeildatum 1 januari 2022. Van de overige punten van eiser kan niet worden gezegd dat deze direct financiële gevolgen als bedoeld in voornoemd arrest van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2024:238) met zich kunnen meebrengen. Eiser heeft daarom geen belang bij een beoordeling van de WOZ-waarde per genoemde waardepeildatum.
9. Gelet op het voorgaande had verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk moeten verklaren. Het bestreden besluit bevat dus een verkeerde beslissing. De rechtbank overweegt dat vernietiging van de gedane uitspraak wegens een (vermeende) misslag in de beslissing slechts aangewezen is indien de belangen van de belanghebbende daarmee kunnen worden gediend. Dat zal in het algemeen niet het geval zijn indien het bestuursorgaan naar het oordeel van de rechtbank niet ongegrond, maar niet-ontvankelijk had moeten verklaren. In het geval van eiser zouden zowel ongegrondverklaring als niet-ontvankelijkverklaring in de weg staan aan de door hem verlangde verlaging van de WOZ-waarde. Met de vernietiging van het besluit zou in het onderhavige geval dus geen enkel belang gediend worden. De rechtbank zal daarom de uitspraak op bezwaar niet vernietigen maar de uitspraak op bezwaar in stand laten (vlg. de arresten van de Hoge Raad van 8 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:238, rechtsoverweging 4.1.5 en 8 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1033, rechtsoverwegingen 3.1 tot en met 3.3).
10. Kortom, de rechtbank is tot de conclusie gekomen dat verweerder het bezwaar van eiser wegens het ontbreken van een procesbelang niet-ontvankelijk had moeten verklaren, maar omdat de rechtbank de uitspraak op bezwaar desondanks in stand laat, zal de rechtbank het beroep van eiser ongegrond verklaren.
11. Bij deze uitkomst ziet de rechtbank geen aanleiding de verhuurder in de gelegenheid te stellen om deel te nemen aan het geding op de voet van 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht.
Slotsom
12. Het beroep is ongegrond.”
5. Beoordeling van het geschil
5.1.. Het Hof verenigt zich met de hiervoor weergegeven beslissingen van de rechtbank en maakt de gronden waarop deze beslissingen berusten tot de zijne. Mede naar aanleiding van hetgeen belanghebbende in hoger beroep naar voren heeft gebracht, overweegt het Hof in aanvulling daarop als volgt.
5.2.. Belanghebbende is de huurder van de woning waarop de WOZ-beschikking ziet. De met de WOZ-waarde samenhangende belastingen zijn opgelegd aan de eigenaar/verhuurder van de woning. Belanghebbende heeft in zoverre geen procesbelang.
5.3.. Vorenstaande neemt niet weg dat ook een huurder in voorkomende gevallen een belang kan hebben bij een lagere WOZ-waarde, bijvoorbeeld als de woning een sociale huurwoning is, waarbij de WOZ-waarde van invloed is op de huurprijs. Het is evenwel aan de huurder om de nodige feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken.
5.4.. Daarin is belanghebbende niet geslaagd. In het onderwerpelijke geval is sprake van een zogenoemde ‘vrije sector’ huurwoning en heeft belanghebbende geen aan de huurprijs gerelateerd belang bij de WOZ-waarde gesteld. Dat zijn ‘hele buurt’, zoals belanghebbende betoogt, baat heeft bij een verlaging van de WOZ-waarde van de woning (via het uitstralingseffect) vormt evenmin een procesbelang in voornoemde zin. Het oordeel van de rechtbank is daarom juist.
5.5.. Belanghebbende heeft ook in hoger beroep aangevoerd dat zijn belang bij een lagere WOZ-waarde is gelegen bij de mogelijkheid dat de eigenaar van de woning, [Stichting], hem in de toekomst de woning ten verkoop aanbiedt, in welk geval deze Stichting de verkoopprijs zal relateren aan de WOZ-waarde.
5.6.. Daargelaten of een dergelijk niet-fiscaal gevolg een procesbelang in voornoemde zin kan opleveren, acht het Hof deze stelling over mogelijke toekomstige gebeurtenissen, die belanghebbende niet in eigen hand heeft, te onbepaald om de conclusie te kunnen dragen dat belanghebbende belang heeft bij de onderwerpelijke procedure over de WOZ-waarde van zijn huurwoning voor het onderwerpelijke jaar (vgl. Hof Amsterdam 1 augustus 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:3553, r.o. 5.7).
5.7.. Door het ontbreken van een procesbelang komt het Hof aan een inhoudelijke behandeling van de overige door belanghebbende aangevoerde grieven niet toe.
Slotsom5.8.. De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.
6. Kosten
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
7. Beslissing
Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door mrs. C.J. Hummel, voorzitter, B.A. van Brummelen en W.J. Blokland, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. A.H. van Dapperen als griffier. De beslissing is op 3 maart 2026 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
(alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: