Skip to main content

ECLI:NL:GHAMS:2026:1802

Rechtbank

Amsterdam

Datum

19 June 2026

Taal

nl

Samenvatting

Rechtsvraag

Strafrecht

Uitspraak / Beslissing

Uitspraak

Amsterdam

Procedure: UitspraakDomain: StrafrechtType: uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001704-25

datum uitspraak: 5 juni 2026

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam, gewezen op het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 25 juni 2025 in de strafzaak onder parketnummer 13-351353-24 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1981,

adres: [adres 1].Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

22 mei 2026.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

primairhij op of omstreeks 07 juni 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, [adres 2], zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd, immers:

 heeft hij, verdachte, op voornoemde weg, bij het afslaan naar links, zich niet, in elk geval niet voldoende, vergewist dat de weg voor tegemoetkomend verkeer vrij was van verkeer en/of

 heeft hij, verdachte, een op dezelfde weg tegemoetkomende bestuurder van een motorfiets, niet voor laten gaan, waardoor hij, verdachte, met voornoemde bestuurder van een motorfiets in aanrijding en/of botsing is gekomen, waardoor voornoemde bestuurder van een motorfiets ten val is gekomen,

waarbij letsel aan personen, te weten [slachtoffer], is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht;

subsidiairhij op of omstreeks 7 juni 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als bestuurder van een personenauto op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, [adres 2], bij het afslaan naar links, teneinde teneinde een parkeergelegenheid, gelegen aan de [adres 2] in/op te rijden, een hem op dezelfde weg tegemoetkomende bestuurder van een motorfiets niet heeft laten voorgaan, waarbij letsel aan personen, te weten [slachtoffer], is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de kantonrechter.

Vrijspraak van het primair ten laste gelegde

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof stelt voorop dat niet iedere overtreding van een verkeersregel het veroorzaken van hinder of gevaar op de weg als bedoeld in artikel 5 Wegenverkeerswet 1994 (WVW) oplevert. De wetgever heeft beoogd slechts evidente vormen van hinder of gevaar aan te pakken (Kamerstukken II1990/91, 22030 en ECLI:NL:PHR:2015:2447, r.o. 4.6). De opvatting dat de bestuurder van een motorrijtuig die daarmee rijdt over een voorrangsweg, er – behoudens bijzondere gevallen – op mag vertrouwen dat het verkeer dat deze voorrangsweg kruist, voor hem of haar de doorgang vrij laat of (tijdig) vrij maakt, ook indien hij of zij met een veel hogere dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid de betreffende kruising is genaderd dan wel is opgereden, is bovendien in haar algemeenheid onjuist (ECLI:NL:HR:2004:AO6452, r.o. 3.4).

Het hof stelt vast dat op 7 juni 2024 op [adres 2] in Amsterdam een verkeersongeval heeft plaatsgevonden. De verdachte was de bestuurder van een personenauto. Hij sloeg linksaf om een parkeergarage in te rijden, waarbij een hem tegemoetkomende motorrijder tegen zijn auto is gebotst. De motorrijder heeft als gevolg daarvan diverse botbreuken opgelopen. De verdachte heeft verklaard dat hij zich bewust was van de onoverzichtelijke verkeerssituatie, onder meer door de tussengelegen trambaan, en dat hij om die reden goed om zich heen heeft gekeken en zijn snelheid heeft aangepast. De verdachte heeft verder verklaard dat hij de motorrijder niet heeft zien aan komen rijden.

De vraag die het hof moet beantwoorden is of de verdachte zich hiermee schuldig heeft gemaakt aan het veroorzaken van gevaar of hinder op de weg als bedoeld in artikel 5 WVW. In dat verband overweegt het hof dat uit door de verdediging ingebrachte rapportages blijkt dat de motorrijder kort voor de botsing zijn snelheid heeft verhoogd van 50 km/u naar 73 km/u. Een van de getuigen heeft verklaard dat hij het geluid van een accelererende motor hoorde en zag dat de motorfiets harder ging rijden. Op de camerabeelden is (aan de hand van de koplamp) te zien dat de motorfiets enkele seconden vóór de botsing omhoogkomt. Het hof stelt dan ook vast dat de motorrijder kort voor de botsing aanzienlijk harder reed dan ter plaatse toegestaan. De verdachte heeft als verkeersdeelnemer weliswaar de verantwoordelijkheid om rekening te houden met het verkeersgedrag van anderen, ook als dat gedrag een overtreding van de verkeersregels inhoudt, maar met een dermate grote overschrijding van de maximumsnelheid door de motorrijder had de verdachte naar het oordeel van het hof geen rekening kunnen en hoeven houden. Daar komt bij dat diezelfde verantwoordelijkheid ook voor de motorrijder heeft te gelden en dat hij, in tegenstelling tot de verdachte, zijn rijgedrag niet had aangepast op de voor hen beiden onoverzichtelijke verkeerssituatie met veel in- en uitrijdend en overstekend verkeer.

Het hof is, alles afwegende en mede gelet op de hiervoor vooropgestelde uitgangspunten, van oordeel dat onder deze omstandigheden niet kan worden gesproken van evident gevaarlijk rijgedrag van de zijde van de verdachte, zodat de verdachte zich niet schuldig heeft gemaakt aan het veroorzaken van gevaar of hinder op de weg als bedoeld in artikel 5 WVW. De verdachte moet daarom van het primair tenlastegelegde worden vrijgesproken.

Bewijsoverweging ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte primair moet vrijgesproken van het subsidiair tenlastegelegde en subsidiair moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging vanwege afwezigheid van alle schuld, omdat van het niet verlenen van voorrang als bedoeld artikel 18 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV) geen sprake is als de motorrijder zich aan de maximumsnelheid had gehouden.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof heeft hiervoor vastgesteld dat de verdachte geen voorrang heeft verleend aan de motorrijder, terwijl hij dat wel had moeten doen. De omstandigheid dat de motorrijder te hard heeft gereden maakt dat niet anders. Voor een beroep op afwezigheid van alle schuld is geen ruimte. Het subsidiair tenlastegelegde betreft een overtreding, waarbij schuld in de zin van verwijtbaarheid geen rol speelt. Alleen in het geval de verdachte in het geheel geen verwijt te maken zou zijn, zou sprake kunnen zijn van afwezigheid van alle schuld, maar dat is in deze zaak niet aan de orde.

Het hof acht aldus wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte artikel 18 RVV heeft overtreden.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

subsidiairhij op 7 juni 2024 te Amsterdam, als bestuurder van een personenauto op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, [adres 2], bij het afslaan naar links teneinde een parkeergelegenheid, gelegen aan [adres 2], in te rijden, een hem op dezelfde weg tegemoetkomende bestuurder van een motorfiets niet heeft laten voorgaan, waarbij letsel aan personen, te weten [slachtoffer], is ontstaan en schade aan goederen is toegebracht.

Hetgeen subsidiair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het subsidiair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het subsidiair bewezenverklaarde levert op:

overtreding van het bepaalde bij artikel 18, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het subsidiair bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De kantonrechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg primair bewezenverklaarde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 250,00, subsidiair 5 dagen hechtenis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

De raadsman heeft bij een bewezenverklaring verzocht de verdachte een geldboete op te leggen die hoger is dan € 250,00, zodat de verdachte eventueel cassatie kan instellen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft als bestuurder van een personenauto een verkeersovertreding begaan door linksaf te slaan en daarbij een tegemoetkomende motorrijder geen voorrang te verlenen. De motorrijder is op de auto van de verdachte gebotst en heeft als gevolg daarvan diverse botbreuken opgelopen en langere tijd moeten revalideren. Het ongeval heeft voor hem zowel fysiek als mentaal veel impact gehad, zoals ook blijkt uit zijn schriftelijke slachtofferverklaring.

Het hof heeft kennisgenomen van hetgeen de verdachte met betrekking tot zijn persoonlijke omstandigheden ter terechtzitting in hoger beroep naar voren heeft gebracht. De verdachte heeft zijn leven goed op de rit en van bijzonderheden is niet gebleken, anders dan dat hij sinds het ongeval extra oplettend is in het verkeer.

Het hof heeft bij het bepalen van de straf rekening gehouden met de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd en acht, alles afwegende, een geldboete van na te melden hoogte passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikelen 18 en 92 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 en de artikelen 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Ten aanzien van het onder subsidiair bewezenverklaarde

Veroordeelt de verdachte tot een geldboetevan€ 350,00 (driehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door3 (drie) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. D.A.C. Koster, mr. A.M. Koolen - Zwijnenburg en mr. P.H.M. Kuster, in tegenwoordigheid van mr. L. van Dijk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

5 juni 2026.

Mr. P.H.M. Kuster is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

proces-verbaal uitspraak


GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001704-25

Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, op 5 juni 2026.

Tegenwoordig zijn:

mr. H.A. van Eijk, raadsheer,

C. Tomopawiro, griffier.

Het openbaar ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. D. Kruimel, advocaat-generaal.

De raadsheer doet de zaak tegen de verdachte [verdachte] uitroepen.

De verdachte is wel / nietin de zaal van de terechtzitting aanwezig.

Raadsman is wel / nietaanwezig.

(zo ja:) naam raadsman/raadsvrouw en plaats:

De raadsheer spreekt het arrest uit.

De raadsheer geeft de verdachte kennis, dat daartegen binnen 14 dagen na heden beroep in cassatie kan worden ingesteld. (indien de VTE is verschenen)

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de raadsheer en de griffier is vastgesteld en ondertekend.

Meer Beslissingen