Skip to main content

ECLI:NL:GHAMS:2026:1861

Rechtbank

Amsterdam

Datum

7 July 2026

Taal

nl

Samenvatting

Rechtsvraag

Strafrecht

Uitspraak / Beslissing

Uitspraak

Amsterdam

Procedure: UitspraakDomain: StrafrechtType: uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000030-25

datum uitspraak: 7 juli 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 23 december 2024 in de strafzaak onder parketnummer 13-296136-23 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,

adres: [adres] .Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

23 juni 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de strafoplegging – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat:

het hof het vonnis aanvult met de hierna volgende bewijsoverwegingen;

de kwalificatie van het onder 1 primair bewezenverklaarde verbeterd leest, in die zin dat sprake is van ‘overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaarlichamelijk letsel wordt toegebracht.’

Aanvullende bewijsoverwegingen

De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel omdat (enkel) sprake is van zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof dient de vraag te beantwoorden of het door de verdachte bij de aangever [slachtoffer] (verder: [slachtoffer] ) veroorzaakte letsel naar normaal spraakgebruik als ‘zwaar lichamelijk letsel’ (in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994) kan worden aangeduid. Bij de beantwoording van die vraag kunnen verschillende factoren worden betrokken, zoals de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. Ook van belang kan zijn in hoeverre tijdens de periode van herstel sprake is van pijn en/of fysieke beperkingen.

Uit de stukken in het dossier kan worden afgeleid dat [slachtoffer] bij het ongeval een hoofdtrauma (hersenschudding) en verschillende wonden en kneuzingen, waaronder een kneuzing van de enkel, heeft opgelopen. [slachtoffer] heeft zich mede als gevolg van aanhoudende klachten (constante hoofdpijn, duizeligheid, verstoorde oogmotoriek, slapeloosheid) na het ongeval onder behandeling moeten stellen van een neuroloog, een fysiotherapeut, een sportarts, een chiropractor en een ergotherapeut. Daarnaast heeft hij EMDR therapie gevolgd in verband met mentale klachten ten gevolge van het ongeval (zie onder meer de hierna te noemen stukken van het UWV, p. 3 van de medische rapportage). In december 2023 werd vastgesteld dat er sprake is van een zogenaamd postcommotioneel syndroom.

In hoger beroep zijn nadere stukken omtrent de medische situatie van [slachtoffer] ingebracht (e-mail met bijlagen van [slachtoffer] aan ressortsparket, van 6 maart 2026). Uit die stukken blijkt onder meer het volgende.

In 2024 zat [slachtoffer] in de ziektewet en was zijn studie ‘on hold’ gezet ten gevolge van zijn klachten (Eindverslag ergotherapie 10 maart 2025). Een specialistenbericht neurologie van

6 februari 2024 vermeldt dat [slachtoffer] kampt met ‘aanhoudende forse postcommotionele klachten’. Ruim anderhalf jaar later waren de klachten nog altijd niet volledig verdwenen. Zo blijkt uit een brief van Chiropractie Harderwijk van 2 september 2025 dat (destijds) maximale cognitieve belasting nog een lichte moeite met procesverwerking opleverde. Bijna twee jaar na het ongeval ondervond [slachtoffer] nog steeds pijn aan zijn linkerenkel (anamnesekaart fysiotherapeut [persoon] , indicatiedatum

21 januari 2025). Ook ruim tweeëneenhalf jaar na dato werd het slachtoffer in zijn dagelijks en werkende leven nog altijd belemmerd door de gevolgen van de aanrijding, zo blijkt uit een diagnose die is gesteld door een verzekeringsarts van het UWV in een medische rapportage van 20 oktober 2025 die luidt: Postcommotioneel syndroom bij status na trauma aan het hoofd, persisterende enkelklachten links. Deze verzekeringsarts heeft op grond van een uitgebreide medische beschouwing, vastgesteld dat bij [slachtoffer] sprake was van stoornis in de energie huishouding, waardoor [slachtoffer] als beperkt belastbaar moet worden aangemerkt. Bij beslissing van 3 november 2025 oordeelde het UWV dat het slachtoffer nog altijd recht had op een Ziektewet-uitkering.

Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden oordeelt het hof, anders dan de verdediging, dat het door de verdachte bij [slachtoffer] veroorzaakte letsel zodanig ernstig is dat dit moet worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel in de hiervoor bedoelde zin.

De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep voorts op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte het verkeersgedrag van de verdachte heeft gekwalificeerd als zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam. Volgens de raadsman zou de bewezenverklaring beperkt moeten blijven tot het feit dat de verdachte zich onachtzaam heeft gedragen door een impulsieve, onhandige stuurbeweging te maken, maar niet meer dan dat.

Wat dit standpunt betreft, verwijst het hof naar de overwegingen in het vonnis van de rechtbank hierover. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat – samengevat – het in het donker, zonder geldig rijbewijs, rijden onder invloed en daarbij plotsklaps naar links afslaan zonder zich er van te vergewissen of er sprake is van enig kruisend (fiets)verkeer, terwijl verdachte plaatselijk goed bekend was en dus moest weten dat hij een fietspad zou kruisen, zonder meer gekwalificeerd moet worden als onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam.

Oplegging van straffen

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden en tot een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van drie jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van drie jaren.

De raadsman heeft het hof in het kader van de strafmaat verzocht om rekening te houden met de persoonlijke situatie van de verdachte rondom het ongeval, zijn huidige persoonlijke situatie, de mate van schuld aan het ongeval en de gevolgen die een vrijheidsbenemende straf en/of een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de verdachte voor gevolgen zouden hebben.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich, door zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam rijgedrag, schuldig gemaakt aan een ernstig verkeersmisdrijf ten gevolge waarvan het slachtoffer [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. De verdachte is in de nacht van het ongeval in zijn auto gaan rijden nadat hij zodanig veel alcohol had gedronken dat hij niet tot het behoorlijk besturen van zijn auto in staat kon worden geacht. Dat de verdachte ervoor heeft gekozen om toch te gaan rijden is des te meer verwijtbaar, omdat het rijbewijs van de verdachte slechts zes dagen eerder was ingevorderd wegens het rijden na het (eveneens) drinken van te veel alcohol. De verdachte had zijn rijbewijs op 16 april 2023 nog niet terug. Door zo veel te drinken en zich daarna in het verkeer te begeven, heeft de verdachte onverantwoorde risico’s genomen en de kans op een ongeval zeer vergroot. Tijdens een onverantwoorde stuurmanoeuvre naar links is de verdachte de macht over het stuur verloren en heeft hij het slachtoffer aangereden die op dat moment met zijn fiets rechtdoor op het fietspad reed. Nu, meer dan drie jaar na dato, is gebleken dat het ongeval heeft geleid tot zeer ernstig letsel, waarbij op dit moment volledig herstel bepaald nog niet in zicht is. Het leven van het slachtoffer is door het ongeluk drastisch in negatieve zin veranderd, zoals het slachtoffer op de terechtzitting in hoger beroep op indringende wijze heeft toegelicht. Het hof neemt het de verdachte bijzonder kwalijk dat de verdachte, nadat duidelijk was geworden dat hij het slachtoffer had aangereden, niet zijn verantwoordelijkheid heeft genomen en zich niet om hem heeft bekommerd. De verdachte heeft eerst meermalen geprobeerd om weg te rijden en omdat dat niet lukte is de verdachte van de plek van het ongeval weggerend. Het is aan een oplettende getuige te danken dat de politie de verdachte alsnog heeft kunnen aanhouden. Door aldus te handelen heeft de verdachte blijk gegeven van grove miskenning van zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer en van minachting voor het door hem aangereden slachtoffer. Het hof rekent dit alles de verdachte zeer zwaar aan.

Ten nadele van de verdachte weegt het hof mee dat uit het strafblad van de verdachte volgt dat hij onherroepelijk is veroordeeld voor het rijden onder invloed van alcohol op 10 april 2023.

Het hof heeft bij de strafoplegging voorts acht geslagen op de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd. Daarbij is rekening gehouden met de Oriëntatiepunten voor Straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daarin wordt voor het veroorzaken van een verkeersongeval waarbij sprake is van ernstige schuld en zwaar lichamelijk letsel terwijl sprake is van alcoholgebruik boven de 570 µg/l een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van drie jaren genoemd. Het hof ziet noch in hetgeen door de verdediging is aangevoerd, noch in het gegeven dat de rechtbank een lagere straf heeft opgelegd, aanleiding om van dit oriëntatiepunt af te wijken en zal dit daarom volgen. Het hof is zich ervan bewust dat het moeten ondergaan van een vrijheidsstraf voor de verdachte ingrijpend zal zijn en dat de verdachte hierdoor mogelijk zijn woning en baan zal kwijtraken. De (mogelijke) gevolgen van deze straf en van een lange rijontzegging zijn door de verdediging nadrukkelijk voor het voetlicht gebracht waarbij er is aangevoerd dat de verdachte (inmiddels) hulp heeft gezocht voor zijn alcoholgebruik en zijn leven, in positieve zin, heeft omgegooid. Een andersoortige of lagere straf doet naar het oordeel van het hof echter onvoldoende recht aan de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd en de gevolgen voor het slachtoffer. Ook is het hof van oordeel dat vanuit het oogpunt van norminprenting en generale preventie een duidelijk signaal moet worden afgegeven.

Het hof acht, alles afwegende, een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf en een ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden duur passend en geboden.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigthet vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van7 (zeven) maanden.

Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2, en 3 bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de duur van3 (drie) jaren.

Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Bevestigthet vonnis waarvan beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. T. de Bont, mr. E.J. Hofstee en mr. C.A. Boom, in tegenwoordigheid van mr. S. Bonset, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 7 juli 2026.

Meer Beslissingen