Skip to main content

ECLI:NL:GHARL:2025:5647

Rechtbank

Zwolle

Datum

12 September 2025

Taal

nl

Samenvatting

Rechtsvraag

Strafrecht; Strafprocesrecht

Uitspraak / Beslissing

Uitspraak

Zwolle

Procedure: UitspraakDomain: Strafrecht; StrafprocesrechtType: uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-000211-25

Uitspraakdatum: 12 september 2025

TEGENSPRAAK

Verkort arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 20 januari 2025 met parketnummer 18-236412-24 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 18-234092-20, in de strafzaak tegen
[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,

wonende te [adres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 29 augustus 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsvrouw, mr. A. Faber, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter heeft bij vonnis van 20 januari 2025, waartegen het hoger beroep is gericht, verdachte ter zake van de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken, waarvan vier weken voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast heeft de politierechter de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling afgewezen.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1. hij op of omstreeks 27 april 2024 te [plaats] , [slachtoffer 1] heeft bedreigd, met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen "je gaat binnenkort gekielhaald worden" en/of "Ik maak je kanker kapot als je de cel uitloopt" en/of "als je nog één keer bij mij komt maak ik je kankerdood" en/of "je wordt geget door de andere Marokkanen als je buiten komt" en/of "je krijgt een kogel door je kop", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2. hij op of omstreeks 27 april 2024 te [plaats] , zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet, tegen een of meerdere ambtena(a)r(en), te weten: [slachtoffer 1] ( [functie 1] bij de politie Eenheid Noord-Nederland) en/of [slachtoffer 2] ( [functie 2] bij de politie eenheid Noord-Nederland), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn/hun bediening, te weten ter aanhouding en/of overbrenging van verdachte, door

  • zijn armen los te trekken, althans deze te bewegen in een andere richting dan daar waar verbalisant(en) het trachtte(n) te bewegen,

  • schoppende bewegingen naar achteren te maken, en/of

  • één of meerdere kopstoten te geven;

3. hij op of omstreeks 27 april 2024 te [plaats] , een ambtenaar, te weten verbalisant [slachtoffer 1] , werkzaam als [functie 1] bij politie Eenheid Noord-Nederland, gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door een of meerdere schoppen tegen de benen, althans tegen het lichaam, van die [slachtoffer 1] te geven.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft bewezenverklaring gevorderd ter zake van de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich niet uitgelaten omtrent de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten.

Oordeel van het hof

Het hof verenigt zich met de overwegingen van de politierechter omtrent de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten waar de politierechter overweegt (hierna cursief weergegeven):

De politierechter acht de ten laste gelegde feiten 1, 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen en verwijst daartoe naar de processen-verbaal van bevindingen van verbalisanten [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [verbalisant] , alsmede de omschrijving van de dashcam- en bodycambeelden.

Ten aanzien van het ten laste gelegde feit 1, de bedreiging, merkt de politierechter op dat de uitingen van dien aard waren en de bedreiging onder zodanige omstandigheden is gedaan dat bij verbalisant [slachtoffer 1] wel degelijk de redelijke vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee werd gedreigd ook zal worden gepleegd. Dat verdachte op dat moment werd aangehouden en naar een cel werd gebracht, doet hier niet aan af. Immers, verdachte zou op enig moment ook weer uit detentie komen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, die later zullen worden uitgewerkt indien tegen dit arrest cassatie wordt ingesteld en waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel - ook in onderdelen - slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1. hij op 27 april 2024 te [plaats] , [slachtoffer 1] heeft bedreigd, met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen "je gaat binnenkort gekielhaald worden" en "Ik maak je kanker kapot als je de cel uitloopt" en "als je nog één keer bij mij komt maak ik je kankerdood" en "je wordt geget door de andere Marokkanen als je buiten komt" en "je krijgt een kogel door je kop";

2. hij op 27 april 2024 te [plaats] , zich met geweld heeft verzet, tegen meerdere ambtenaren, te weten: [slachtoffer 1] ( [functie 1] bij de politie Eenheid Noord-Nederland) en [slachtoffer 2] ( [functie 2] bij de politie eenheid Noord-Nederland), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten ter aanhouding en overbrenging van verdachte, door

  • zijn armen te bewegen in een andere richting dan daar waar verbalisant(en) het trachtte(n) te bewegen, en

  • schoppende bewegingen naar achteren te maken;

3. hij op 27 april 2024 te [plaats] , een ambtenaar, te weten verbalisant [slachtoffer 1] , werkzaam als [functie 1] bij politie Eenheid Noord-Nederland, gedurende en terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door meerdere schoppen tegen de benen van die [slachtoffer 1] te geven.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

wederspannigheid.

Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:

mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, de feiten 2 en 3 in eendaadse samenloop begaan.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken, waarvan vier weken voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht om oplegging van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf. Daartoe heeft zij aangevoerd dat het momenteel goed gaat met verdachte: hij is druk bezig met het aflossen van zijn schulden, heeft zich losgemaakt van zijn negatieve sociale netwerk en is de laatste tijd minder in contact gekomen met politie en justitie. Oplegging van een vrijheidsbenemende straf zou deze positieve ontwikkeling doorkruizen, aldus de raadsvrouw.

Oordeel van het hof

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven, wederspannigheid en mishandeling van een politieambtenaar. Door aldus te handelen heeft verdachte niet alleen de lichamelijke integriteit van het slachtoffer aangetast. Dergelijk gedrag getuigt naar het oordeel van het hof ook van een gebrek aan respect voor het openbaar gezag.

Het hof heeft bij de strafoplegging in strafverzwarende zin acht geslagen op het de verdachte betreffende uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 1 augustus 2025. Daaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke strafbare feiten.

Het hof heeft voorts acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals die uit het dossier blijken en ter terechtzitting in hoger beroep door zijn raadsvrouw naar voren zijn gebracht.

Anders dan de raadsvrouw, is het hof van oordeel dat, gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten, niet volstaan kan worden met een geheel voorwaardelijke straf. Gelet op het voorgaande acht het hof, alles afwegende, oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van zes weken, waarvan vier weken voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank te Noord-Nederland van 14 december 2020 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes weken, met parketnummer 18-234092-20. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling deels wordt toegewezen, te weten voor de duur van drie weken.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht om de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling af te wijzen omdat verdachte al geruime tijd niet meer politie en justitie in contact is gekomen en de tenlastegelegde feiten andersoortige feiten betreffen.

Oordeel van het hof

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden bevolen. In hetgeen de advocaat-generaal en de raadsvrouw hebben aangevoerd ziet het hof geen aanleiding om de vordering af te wijzen dan wel slechts gedeeltelijk toe te wijzen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 55, 57, 180, 285, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van6 (zes) weken.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 4 (vier) weken, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 14 december 2020, parketnummer 18-234092-20, voorwaardelijk opgelegde straf, te weten van:

een gevangenisstrafvoor de duur van6 (zes) weken.

Aldus gewezen door

mr. L.T. Wemes, voorzitter,

mr. M.C. Fuhler en mr. F.E.J. Goffin, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A.M.J. Flach, griffier,

en op 12 september 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Meer Beslissingen