Skip to main content

ECLI:NL:GHARL:2026:3555

Rechtbank

Leeuwarden

Datum

2 June 2026

Taal

nl

Samenvatting

Rechtsvraag

Civiel recht

Uitspraak / Beslissing

Uitspraak

Leeuwarden

Procedure: UitspraakDomain: Civiel rechtType: uitspraak

haarGERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.350.603/01

zaaknummer rechtbank Overijssel 310609

arrest van 2 juni 2026

in de zaak van

1. [appellante]

die woont in [woonplaats]

2. [appellant]

die woont in [woonplaats]

hierna samen: [appellanten]

advocaat: mr. D.D. Senders

en

1. [geïnitmeerde1]

die woont in [woonplaats]

2. [geïntimeerde2]

die woont in [woonplaats]

hierna samen: [geïntimeerden]

advocaat: mr. D.E.J. Maes

1. Het verdere verloop van de procedure

1.1.. Naar aanleiding van het arrest van 16 december 2025 heeft op 20 april 2026 een mondelinge behandeling ter plaatse plaatsgevonden. Daarbij is de zaak behandeld tegelijk met de zaak met nummer 200.353.556/01 (tussen [geïntimeerden] en [naam1 en naam2] ). Het verslag van de mondelinge behandeling (het proces-verbaal) is toegevoegd aan het dossier. Voorafgaand aan de behandeling heeft mr. Senders toegezonden een akte uitlaten producties en een akte overleggen producties (producties 31 t/m 34). Mr. Maes heeft voorafgaand aan de zitting een akte overleggen producties toegezonden (producties h10 t/m h13). Ook die stukken behoren tot het procesdossier. Aan het slot van de mondelinge behandeling heeft het hof een datum voor de uitspraak bepaald.

2. De kern van de zaak

2.1.. Partijen zijn buren van elkaar. De schutting [geïntimeerden] staat deels op het perceel van [appellanten] Volgens [appellanten] wordt daarmee inbreuk gemaakt op hun eigendomsrecht en zij willen dat die inbreuk beëindigd wordt. [geïntimeerden] menen dat in redelijkheid niet van hen verlangd kan worden dat zij de schutting verwijderen.

2.2..
[appellanten] hebben bij de rechtbank gevorderd [geïntimeerden] te veroordelen de schutting van het perceel van [appellanten] te verwijderen. Ook hebben zij gevorderd om [geïntimeerden] te verbieden om bomen, heesters of heggen binnen twee meter van de erfgrens te plaatsen en om [geïntimeerden] te veroordelen tot vergoeding van de kosten van een grensreconstructie door het Kadaster. [geïntimeerden] hebben verweer gevoerd.

2.3.. De rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, heeft op 23 oktober 2024 eindvonnis gewezen.Daarbij heeft de rechtbank de vorderingen van [appellanten] afgewezen. [appellanten] zijn veroordeeld in de proceskosten en die veroordeling is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

2.4..
[appellanten] hebben hoger beroep ingesteld en daarbij hebben zij hun eis gewijzigd. In hoger beroep vorderen zij primair dat [geïntimeerden] veroordeeld worden de schutting van het perceel van [appellanten] te verwijderen, op straffe van verbeurte van een dwangsom. Voor het geval die vordering zou worden afgewezen, vorderen [appellanten] subsidiair een vergoeding van € 500 per jaar wegens inbreuk op hun eigendomsrecht. Verder vorderen zij ook in hoger beroep vergoeding van de kosten van het Kadaster (€ 460) en vergoeding van proceskosten.

2.5.. Het hof oordeelt dat het hoger beroep grotendeels slaagt. Het hof zal [geïntimeerden] alsnog veroordelen om de schutting van het perceel van [appellanten] te verwijderen. Het hof licht dat oordeel hierna toe. Daarbij wordt eerst een kort overzicht gegeven van de feiten.

3. De feiten

3.1..
[geïntimeerden] zijn eigenaar van het perceel met woning aan [adres1] in [woonplaats] . Het perceel van [geïntimeerden] is kadastraal bekend als gemeente [gemeentenaam] , [sectie] , nummer 4161 . Het perceel van [geïntimeerden] grenst aan de zuidzijde aan het perceel van [appellanten] en aan het perceel van [naam1] en [naam2] (hierna: [naam1 en naam2] ). Het perceel van [appellanten] ligt aan de [adres2] en heeft als kadastraal nummer 4188 . Het perceel van [naam1 en naam2] ligt aan de [adres3] een heeft als kadastraal nummer 4187 . Het gaat om royale percelen van ruim 1.100 m2 elk die gelegen zijn in het buitengebied van [woonplaats] . De ligging van de percelen ten opzichte van elkaar is als volgt (perceel 4161 van [geïntimeerden] ; perceel 4188 van [appellanten] ; perceel 4187 van [naam1 en naam2] ):

3.2.. De genoemde kadastrale percelen waren aanvankelijk alle onderdeel van een kadastraal perceel dat eigendom was van Meatpoint B.V. (hierna: Meatpoint). Op 18 november 2020 heeft een aanwijs plaatsgevonden ten behoeve van de splitsing van het kadastrale perceel van Meatpoint in (onder meer) de percelen met nummers 4161 , 4187 en 4188 .

3.3.. Op 12 november 2020 – dus kort voor de genoemde aanwijs – hebben [geïntimeerden] hun perceel als bouwkavel gekocht van Meatpoint. Ter uitvoering van die overeenkomst heeft Meatpoint in april 2021 kadastraal perceel 4161 geleverd aan [geïntimeerden] Meatpoint heeft perceel 4188 (ook als bouwkavel) overgedragen aan [appellanten]

3.4.. In 2021 is op het perceel van [geïntimeerden] onder meer een woning gebouwd. [appellanten] hebben in 2021/2022 op hun perceel een woning en een bijgebouw laten bouwen. Het bijgebouw van [appellanten] staat aan de noordzijde van hun perceel. De achterzijde van het bijgebouw staat vlak bij de erfgrens met het perceel van [geïntimeerden]

3.5.. Op enig moment hebben [geïntimeerden] bij de grens tussen hun perceel en het perceel van [naam1 en naam2] een schutting laten plaatsen (van circa 12 meter lang). In oktober 2022 hebben [geïntimeerden] de schutting laten verlengen in oostelijke richting, dit bij de grens tussen het perceel van [geïntimeerden] en het perceel van [appellanten] (over een afstand van ongeveer 5 meter bij de grens tussen die percelen).

3.6.. In het voorjaar van 2023 is de verstandhouding tussen [geïntimeerden] en [appellanten] verslechterd. Tussen partijen is een conflict ontstaan over onder meer de schutting en de wadi (aan de oostzijde van de percelen). In een brief van 30 mei 2023 schreven [appellanten] aan [geïntimeerden] onder meer:

“Wadi en erfgrens

(…)

(…) De erfgrens zoals deze destijds is bepaald, komt niet overeen met het door jullie gespannen touwtje, wat volgens jullie de erfgrens zou zijn. Het touwtje is meerdere malen verplaatst en heeft aan meerdere palen vastgezeten, waar tevens bewijsmateriaal van is in de vorm van foto's. De oorspronkelijke grenspalen zijn door iemand weggehaald, net zoals de oranje plastic hoed die op een paal bevestigd was. We kunnen daarom vaststellen dat de palen en het gespannen touwtje geen bepaling zijn voor de officiële erfgrens.”

3.7.. Op 11 augustus 2023 heeft de advocaat van [appellanten] per brief aan [geïntimeerden] bericht dat [appellanten] aan het Kadaster opdracht hadden gegeven op korte termijn een grensreconstructie uit te voeren om zo de exacte ligging van de erfgrens te bepalen. In reactie daarop hebben [geïntimeerden] op 16 augustus 2023 aan [appellanten] geschreven dat de verkoper van de percelen (Meatpoint) piketpalen voor de toekomstige kadastrale grenzen had geplaatst, dat de door die piketpalen aangegeven grens gerespecteerd dient te worden en dat zij niet inzien wat het nut is van een grensreconstructie door het Kadaster.

3.8.. Op 23 september 2023 hebben [geïntimeerden] de schutting bij de erfgrens met het perceel van [appellanten] verder verlengd met een lager schuttingdeel, dit over een afstand van ongeveer 19 meter. De schutting loopt daarmee vrijwel tot aan de oostgrens van de percelen. De totale lengte van de schutting van [geïntimeerden] bedraagt daarmee ongeveer 38 meter (waarvan ongeveer 25 meter langs de grens met het perceel van [appellanten] en bijna 13 meter bij de grens met het perceel van [naam1 en naam2] ).3.9.. Op 4 oktober 2023 is in opdracht van [appellanten] een grensreconstructie uitgevoerd. Uit het relaas van bevindingen van het Kadaster van 4 oktober 2023 volgt dat de schutting van [geïntimeerden] deels op het perceel van [appellanten] staat. [appellanten] hebben [geïntimeerden] hiervan op 10 oktober 2023 op de hoogte gesteld.

3.10.. Op 7 maart 2024 heeft het Kadaster nog een grensreconstructie uitgevoerd, deze keer in opdracht van [geïntimeerden] Ook uit deze grensreconstructie blijkt dat de schutting deels op het perceel van [appellanten] staat (en eveneens deels op het perceel van [naam1 en naam2] ). Het relaas van bevindingen van het Kadaster van 7 maart 2024 bevat de volgende afbeelding (de onderbroken lijn is de kadastrale grens; de kruisende doorgetrokken lijn is de schutting; de schuur (‘schr’) is het bijgebouw [appellanten] ; de grens tussen het perceel van [appellanten] en het perceel van [naam1 en naam2] is niet ingetekend):

3.11..
[appellanten] hebben [geïntimeerden] op 12 februari 2024 gedagvaard in de procedure bij de rechtbank. Ook [naam1 en naam2] zijn een procedure tegen [geïntimeerden] begonnen. In die procedure vorderen [naam1 en naam2] onder meer dat het deel van de schutting dat op hun perceel staat, door [geïntimeerden] wordt verwijderd.

3.12..
[geïntimeerden] hebben de rechtbank tevergeefs verzocht om de procedures van [appellanten] en [naam1 en naam2] gevoegd of tegelijk te behandelen. In deze procedure – de procedure van [appellanten] – is op 23 oktober 2024 eindvonnis gewezen. In dat vonnis heeft de rechtbank de vordering van [appellanten] tot verwijdering van de schutting afgewezen. Op 15 januari 2025 heeft de rechtbank eindvonnis gewezen in de procedure van [naam1 en naam2] In dat vonnis heeft de rechtbank [geïntimeerden] onder meer veroordeeld om het deel van de schutting dat op het perceel van [naam1 en naam2] staat, van dat perceel te verwijderen.

3.13.. Zowel in deze zaak (van [appellanten] ) als in de zaak van [naam1 en naam2] is hoger beroep ingesteld. In hoger beroep zijn de zaken gezamenlijk behandeld.

4. De beoordeling

De schutting

4.1..
[appellanten] vorderen dat het hof [geïntimeerden] veroordeelt om het deel van de schutting dat op het perceel van [appellanten] staat, van dat perceel te verwijderen. [appellanten] betogen dat er met de schutting (en de daarin geïntegreerde haardhokken) inbreuk wordt gemaakt op hun eigendomsrecht. Volgens [appellanten] hebben zij ook een praktisch belang bij de verwijdering van de schutting. De schutting zou het onderhoud aan de achterzijde van hun bijgebouw bemoeilijken. Ook zou de schutting [appellanten] beperken in de mogelijkheden om in de toekomst een ruimer bijgebouw te plaatsen (zie grieven I en II). [geïntimeerden] menen dat de vordering moet worden afgewezen. Zij beroepen zich op misbruik van recht.

4.2.. Het hof stelt voorop dat de schutting, zoals ook niet ter discussie staat, deels op het perceel van [appellanten] staat. Uit de grensreconstructie van 7 maart 2024 blijkt dat de uiterste schuttingpaal aan de westelijke zijde, 14 cm over de erfgrens staat (op het perceel van [naam1 en naam2] ). Verder blijkt daaruit dat de schutting vanaf daar in een rechte lijn in oostelijke richting loopt en dat de mate waarin de grens overschreden wordt daarbij steeds verder afneemt. Bij de overgang naar het lagere schuttingdeel (het deel dat op 23 september 2023 is geplaatst) bedraagt de overschrijding nog ca. 7 cm, en aan de oostzijde van het bijgebouw van [appellanten] kruist de schutting de erfgrens (waarna de schutting dus op het eigen perceel van [geïntimeerden] staat; zie hierboven, onder 3.10). Uit deze gegevens leidt het hof af dat de overschrijding aan de westzijde van het perceel van [appellanten] ongeveer 10 cm bedraagt en dat de overschrijding in oostelijke richting verder afneemt totdat op enig punt van een grensoverschrijding geen sprake meer is.

4.3.. Omdat [geïntimeerden] de schutting – zonder dat [appellanten] daarmee hadden ingestemd – deels op het perceel van [appellanten] hebben geplaatst, maken [geïntimeerden] met de schutting inbreuk op het eigendomsrecht van [appellanten] In beginsel hebben [appellanten] er recht op dat die inbreuk ongedaan wordt gemaakt.

4.4.. Volgens [geïntimeerden] maken [appellanten] , door verwijdering van de schutting te vorderen, misbruik van recht (zie artikel 3:13 BW). [geïntimeerden] betogen dat hun belang bij handhaving van de huidige situatie veel groter is dan het belang van [appellanten] bij het ongedaan maken van de overschrijding. Vanwege die onevenredigheid kunnen [appellanten] , aldus [geïntimeerden] , in redelijkheid geen aanspraak maken op verwijdering. [geïntimeerden] wijzen erop dat de mate waarin de erfgrens overschreden wordt zeer beperkt is. Volgens [geïntimeerden] belemmert de schutting [appellanten] ook niet in het gebruik van hun perceel. [geïntimeerden] merken verder op dat zij voor het verwijderen of verplaatsen van de schutting aanzienlijke kosten zouden moeten maken. Het zou niet mogelijk zijn om slechts een deel van de schutting te verplaatsen. Als de grensoverschrijding bij [appellanten] ongedaan moet worden gemaakt, dan moet de volledige, 38 meter lange schutting verwijderd of verplaatst worden. De kosten van verwijdering bedragen volgens [geïntimeerden] € 13.801,53. De kosten voor verplaatsing bedragen volgens hen € 33.214,17. Dat de kosten van verplaatsing zo hoog zijn, komt volgens [geïntimeerden] doordat bij verplaatsing bijvoorbeeld ook de tuintegels aangepast moeten worden. Het zou ook niet mogelijk zijn om de huidige schutting geheel of gedeeltelijk opnieuw te gebruiken. Ter onderbouwing van dit alles verwijzen [geïntimeerden] naar de overgelegde offertes van Hoveniersbedrijf Boerhof van 7 mei 2024 (producties 4 en 5 bij conclusie van antwoord).

4.5.. Naar het oordeel van het hof kan echter niet worden aangenomen dat [appellanten] met hun vordering misbruik van recht maken. [appellanten] hebben voldoende aangetoond dat zij in elk geval enig redelijk belang hebben bij handhaving van de erfgrens. Zo wijzen zij er terecht op dat de grensoverschrijding van de schutting hen redelijkerwijs kan hinderen bij eventueel onderhoud van het bijgebouw. Het hof neemt verder in aanmerking dat [geïntimeerden] een aanzienlijk deel van de schutting geplaatst hebben nádat [appellanten] hen gewaarschuwd hadden dat de grenslijn waar [geïntimeerden] van uitgingen, niet juist zou zijn (zie hierboven, onder 3.6 t/m 3.8). [appellanten] wijzen er terecht op dat [geïntimeerden] zijn afgegaan op de markeringen die geruime tijd geleden door de verkoper of de aannemer geplaatst zouden zijn, en niet op bijvoorbeeld een grensreconstructie van het Kadaster. Nu [appellanten] de waarschuwing van [appellanten] over de grenslijn in de wind hebben geslagen, kunnen de (financiële) gevolgen van die keuze van [geïntimeerden] niet snel met succes aan [appellanten] worden tegengeworpen.

4.6.. Tegenover het belang van [appellanten] bij verwijdering van de schutting staan naar het oordeel van het hof geen zwaarwegende belangen van [geïntimeerden] Het betoog van [geïntimeerden] dat er voor verwijdering of verplaatsing van de schutting hoge kosten gemaakt zouden moeten worden, is namelijk tevergeefs. In de zaak tegen [naam1 en naam2] – welke zaak op verzoek van [geïntimeerden] in hoger beroep gezamenlijk met deze zaak behandeld is – komt het hof namelijk op zelfstandige gronden tot het oordeel dat [geïntimeerden] het deel van de schutting dat op het perceel van [naam1 en naam2] staat, van dat perceel dienen te verwijderen. [geïntimeerden] hebben uitdrukkelijk gesteld dat verwijdering van een deel van de schutting niet mogelijk is en dat zij, als zij veroordeeld worden om een deel te verwijderen, ervoor kiezen de hele schutting (van 38 meter) te verplaatsen naar hun zijde van de erfgrens. Nu uit de eigen stellingen van [geïntimeerden] al volgt dat zij de hele schutting zullen verplaatsen, is niet in te zien waarom de vordering van [appellanten] tot verwijdering nog zou afstuiten op misbruik van recht.

4.7.. Het hof zal [geïntimeerden] veroordelen de inbreuk op het eigendomsrecht van [appellanten] te staken en gestaakt te houden door de schutting met toebehoren (waaronder begrepen de geïntegreerde haardhokken) van het perceel van [appellanten] te verwijderen en verwijderd te houden. [geïntimeerden] dienen een redelijke termijn te krijgen om aan die veroordeling te voldoen. Het hof zal die termijn vaststellen op drie maanden na betekening van dit arrest. Dat, zoals [geïntimeerden] vermelden, verwijdering binnen die termijn niet mogelijk zou zijn, valt zonder nadere toelichting en onderbouwing niet in te zien. Aan de veroordeling zal, zoals gevorderd, een dwangsom worden verbonden. Mede gelet op de slechte verstandhouding tussen partijen, hoeven [appellanten] hier namelijk geen genoegen te nemen met de enkele toezegging van [geïntimeerden] dat zij aan een eventuele veroordeling zullen voldoen. Het hof zal de dwangsom vaststellen op € 100 per dag of dagdeel dat niet aan de veroordeling voldaan wordt, met een maximum van € 10.000.

4.8.. Het hof merkt voor de duidelijkheid nog op dat [geïntimeerden] niet voldoende duidelijk en gemotiveerd weersproken hebben dat de grens tussen de eigendommen van partijen, overeenkomt met de kadastrale grens tussen hun percelen. Het hof neemt daarom als vaststaand aan dat de grens tussen de percelen van partijen samenvalt met de kadastrale grens. [geïntimeerden] hebben overigens wel vraagtekens geplaatst bij het verslag van het Kadaster van de aanwijs en bij de verslagen van het Kadaster van de grensreconstructies. Volgens [geïntimeerden] vermeldt het Kadaster telkens andere coördinaten. Daarbij wijzen zij ook op een overgelegd document van ‘Siegers Landmeetkunde’ (productie h10). [appellanten] hebben in reactie op dat alles opgemerkt dat het Kadaster wel verschillende coördinaten noemt, maar dat de relevante coördinaten zich bevinden op dezelfde (grens)lijn. Dit laatste is door [geïntimeerden] niet voldoende duidelijk en begrijpelijk gemotiveerd weersproken. Voor zover het betoog van [geïntimeerden] aldus begrepen moet worden dat de metingen van het Kadaster onjuist of tegenstrijdig zouden zijn, is dat betoog dan ook onvoldoende toegelicht en onderbouwd.

De kosten van het Kadaster

4.9..
[appellanten] vorderen vergoeding van de kosten van de grensreconstructie door het Kadaster van 4 oktober 2023 (grief III). Die vordering zal worden afgewezen. [geïntimeerden] wijzen er terecht op dat zij – zoals ook blijkt uit het relaas van bevindingen van het Kadaster (productie 4 bij dagvaarding) – niet voor de grensreconstructie waren uitgenodigd. Omdat [geïntimeerden] niet bij de reconstructie aanwezig waren, hebben zij in maart 2024 nogmaals, op eigen kosten, een grensreconstructie laten uitvoeren. De kosten van de grensreconstructie van 4 oktober 2023 zijn gelet daarop geen kosten die als redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid, door [geïntimeerden] vergoed dienen te worden. Er is ook voor het overige geen grond om [geïntimeerden] te veroordelen die kosten te vergoeden.

De conclusie

4.10.. Het hoger beroep van [appellanten] slaagt grotendeels. Voor wat betreft de procedure in eerste aanleg worden partijen daarmee per saldo alsnog in min of meer dezelfde mate in het gelijk gesteld. Het hof zal daarom bepalen dat partijen de eigen kosten moeten dragen van de procedure in eerste aanleg (grief IV slaagt in zoverre). Daarbij zullen [geïntimeerden] , die in dit hoger beroep overwegend in het ongelijk worden gesteld, veroordeeld worden in de kosten van dit hoger beroep. Onder de te betalen proceskosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na de betekening.

4.11.. De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een partij de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

5. De beslissing

Het hof:

5.1.. vernietigt het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle van 23 oktober 2024 en beslist als volgt:

5.2.. veroordeelt [geïntimeerden] om binnen 3 maanden na betekening van dit arrestde inbreuk op het eigendomsrecht van [appellanten] te staken door de erfafscheiding met toebehoren, waaronder begrepen de geïntegreerde haardhokken, voor zover deze op het perceel van [appellanten] staat, van het perceel van [appellanten] te verwijderen, en om die erfafscheiding met toebehoren vervolgens ook verwijderd te houden;5.3.. veroordeelt [geïntimeerden] tot betaling van een dwangsom van € 100,- voor elke dag, een deel van een dag daaronder begrepen, dat niet of niet volledig aan de onder 5.2 genoemde veroordeling wordt voldaan,tot een maximum aan dwangsommen van € 10.000;

5.4.. veroordeelt [geïntimeerden] tot betaling van de volgende proceskosten van [appellanten] in hoger beroep:

€ 362 aan griffierecht;

€ 148,39 aan kosten voor betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding;

€ 2.580 aan salaris advocaat (2 punten x het toepasselijke tarief ad € 1.290);

5.5.. bepaalt dat de onder 5.4 genoemde kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag; als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;

5.6.. bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt van de procedure in eerste aanleg;

5.7.. verklaart de bovenstaande veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

5.8.. wijst af wat verder is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.A.J. Smelt, J.H. Kuiper en J.E. Wichers, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026.

Rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, 23 oktober 2024, ECLI:NL:RBOVE:2024:5542.

Rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, 15 januari 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:230, gevolgd door een herstelvonnis van 29 oktober 2025 (herstelvonnis is niet gepubliceerd).

HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.

Meer Beslissingen