ECLI:NL:GHARL:2026:3739
Samenvatting
Civiel recht; Insolventierecht
Uitspraak
Arnhem
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.367.988
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht 2604692
arrest van 9 juni 2026
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats]
die hoger beroep heeft ingesteld
hierna: [de schuldenaar]
advocaat: mr. E.R. Butin Bik
1. De procedure bij de rechtbank
1.1.. De Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor het Beroepsvervoer over de Weg (het pensioenfonds) heeft een verzoek ingediend tot faillietverklaring van [de schuldenaar] . Hierop heeft [de schuldenaar] op 12 februari 2026 bij de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht een voorwaardelijk verzoek ingediend om ten aanzien van hem de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (wsnp) uit te spreken. De faillissementsprocedure is geschorst totdat onherroepelijk is beslist op het schuldsaneringsverzoek.
1.2.. Bij vonnis van 17 april 2026 heeft de rechtbank [de schuldenaar] niet-ontvankelijk verklaard in zijn (voorwaardelijke) verzoek om te worden toegelaten tot de wsnp.
2. De procedure bij het hof
2.1.. Door middel van een op 27 april 2026 bij het hof binnengekomen beroepschrift heeft [de schuldenaar] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 17 april 2026. [de schuldenaar] wil met zijn hoger beroep bereiken dat zijn (voorwaardelijke) verzoek om te worden toegelaten tot de wsnp alsnog wordt toegewezen. Het verzoek van [de schuldenaar] tot toelating tot de wsnp is voorwaardelijk, namelijk op voorwaarde dat is komen vast te staan dat zijn poging om een minnelijke schuldregeling tot stand te brengen niet is geslaagd.
2.2.. Het hof heeft naast het beroepschrift met producties kennisgenomen van de tijdens de mondelinge behandeling bij het hof overgelegde brief van 24 april 2026 aan de belastingdienst.
2.3.. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 juni 2026. Hierbij is [de schuldenaar] verschenen, bijgestaan door mr. Butin Bik .
3. De motivering van de beslissing in hoger beroep
De feiten
3.1..
[de schuldenaar] heeft in de vorm van een eenmanszaak een transportbedrijf onder de naam [naam1] . Vanuit deze eenmanszaak verzorgt [de schuldenaar] als zzp-er transportopdrachten voor diverse bedrijven. Naast zijn werkzaamheden als zzp-er is [de schuldenaar] op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd gedurende 32 uur per week werkzaam als nachtplanner. [de vof] , waarvan [de schuldenaar] vennoot was, is niet meer actief en de onderneming is uitgeschreven bij het Handelsregister van de Kamer van Koophandel.
3.2..
[de schuldenaar] heeft een aanzienlijke schuldenlast. Hiervoor heeft hij in augustus 2025 de hulp ingeschakeld van Advocatenkantoor Moerdijk als schuldbemiddelaar. Mr. Butin Bik is als advocaat verbonden aan dit kantoor. In een poging om een minnelijke schuldsaneringsregeling tot stand te brengen heeft [de schuldenaar] op 22 januari 2026, via zijn schuldbemiddelaar, een betalingsvoorstel gedaan aan de bij hem bekende schuldeisers waaronder het pensioenfonds en de belastingdienst.
3.3.. In haar reactie op het betalingsvoorstel heeft het pensioenfonds, naar [de schuldenaar] heeft verklaard, op 28 januari 2026 aan de schuldbemiddelaar laten weten in plaats van het in het betalingsvoorstel opgenomen percentage van 13,21%, een bedrag gelijk aan een percentage van 20% van haar vordering te willen ontvangen.
3.4.. Kort daarvoor had het pensioenfonds een verzoekschrift tot faillietverklaring van [de schuldenaar] ingediend. Vervolgens heeft [de schuldenaar] op 12 februari 2026 zijn (voorwaardelijke) verzoek om toelating tot de wsnp gedaan.
3.5.. Op 17 februari 2026 heeft de rechtbank [de schuldenaar] in de gelegenheid gesteld om in verband met zijn (voorwaardelijke) toelatingsverzoek nadere stukken aan te leveren. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling op 30 maart 2026, heeft (de raadsman van) [de schuldenaar] om uitstel gevraagd om een minnelijke regeling met zijn schuldeisers te kunnen bereiken. In reactie hierop heeft de rechtbank [de schuldenaar] en zijn raadsman erop gewezen dat het verzoek om toelating tot de wsnp moest worden aangevuld met de noodzakelijke stukken. Op 13 april 2026 heeft (de raadsman van) [de schuldenaar] opnieuw een verzoek ingediend om de behandeling van zijn toelatingsverzoek uit te stellen.
3.6.. De belastingdienst heeft in reactie op het betalingsvoorstel van [de schuldenaar] met zijn brief van 3 april 2026 om aanvullende informatie verzocht. Met zijn brief van 24 april 2026 heeft (de schuldbemiddelaar van) [de schuldenaar] deze nadere gegevens aan de belastingdienst verstrekt. Op 29 mei 2026 heeft de belastingdienst aan de schuldbemiddelaar laten weten nog zo’n zes tot acht weken nodig te hebben om op het betalingsvoorstel te kunnen reageren.
Het oordeel van de rechtbank
3.7.. De rechtbank heeft [de schuldenaar] niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek om te worden toegelaten tot de wsnp omdat [de schuldenaar] , ondanks dat de rechtbank hem meerdere keren heeft gevraagd de ontbrekende stukken aan te vullen, geen compleet toelatingsverzoek heeft ingediend. Daar komt bij dat het naar het oordeel van de rechtbank niet past bij het karakter van de faillissementsprocedure en het in verband daarmee ingediende verzoek tot toepassing van de wsnp om de termijn die is bestemd voor het indienen van nadere stukken ten behoeve van de behandeling van het wsnp-verzoek te gebruiken om een minnelijke regeling te treffen, en met het oog op zo’n regeling, nogmaals nader uitstel te vragen.
De grieven van [de schuldenaar]
3.8..
[de schuldenaar] kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank. Gelet op het feit dat hij op 26 maart en 13 april 2026 aanvullende stukken heeft ingediend, heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de ontbrekende stukken waar zij [de schuldenaar] om heeft gevraagd niet zijn ontvangen. Daar komt bij dat de rechtbank het verzoek ook zonder de ontbrekende stukken had kunnen beoordelen althans dat zij had moeten aangeven welke bijlagen essentieel waren om het verzoek inhoudelijk te kunnen beoordelen, aldus [de schuldenaar] . Volgens [de schuldenaar] was zijn aanhoudingsverzoek gerechtvaardigd omdat het minnelijk traject nog niet was afgerond. Bovendien heeft de rechtbank nagelaten te omschrijven wat met ‘het karakter van de faillissementsprocedure’ wordt bedoeld en heeft zij dit karakter miskent door toe te staan dat het pensioenfonds de faillissementsaanvraag als oneigenlijk pressiemiddel en /of incassomiddel heeft gebruikt, aldus [de schuldenaar] . Ook voert [de schuldenaar] aan dat rechtbank het voorwaardelijke karakter van het toelatingsverzoek ten onrechte niet in acht heeft genomen door dit niet pas te behandelen nadat het minnelijk traject is afgerond.
Het oordeel van het hof
3.9.. Het hof zal de beslissing van de rechtbank om [de schuldenaar] niet-ontvankelijk te verklaren bekrachtigen en licht hierna toe hoe het tot dat oordeel komt.
3.10.. Het hof stelt vast dat het toelatingsverzoek van [de schuldenaar] ook in hoger beroep nog niet compleet is doordat [de schuldenaar] niet alle informatie heeft verstrekt die is voorgeschreven in artikel 285 lid 1 Faillissementswet (Fw). Zo ontbreken in elk geval een gespecificeerde opgave van de inkomsten van [de schuldenaar] als zzp-er (artikel 285 lid 1 onder c Fw) en een gespecificeerde opgave van zijn vaste lasten (artikel 285 lid 1 onder d Fw). Overigens ontbreken ook zijn bankafschriften van de laatste drie maanden en de financiële informatie over de onderneming(en) van [de schuldenaar] in het licht van artikel 285 lid 1 onder i Fw.
3.11.. Onder de ontbrekende gegevens valt ook een met redenen omklede verklaring dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen zoals opgenomen in artikel 285 lid 1 onder f Fw. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft [de schuldenaar] toegelicht dat hij zo’n groot mogelijk deel van zijn schulden wil aflossen. Om die reden wil hij een minnelijke regeling treffen waarbij zijn schuldeisers een groter deel van hun vordering vergoed krijgen dan zij bij toelating van [de schuldenaar] tot de wsnp zullen ontvangen, doordat hij langer dan 18 maanden zal sparen en aflossen. Zo’n minnelijke regeling zal gelet op de mededeling van de belastingdienst van 29 mei 2026 nog tenminste zes weken op zich laten wachten. Voor die tijd kan hij geen verklaring zoals bedoeld in artikel 285 lid 1 onder f Fw overleggen, aldus [de schuldenaar] .
3.12..
[de schuldenaar] heeft verklaard dat hij met deze procedure wil bereiken dat hij voldoende tijd krijgt om een minnelijke regeling tot stand te brengen. Dat is de reden waarom hij om aanhouding van zijn wsnp-verzoek heeft gevraagd zodat hierop pas wordt beslist als duidelijk is dat er geen minnelijke regeling kan worden gerealiseerd.
3.13.. Het hof ziet en begrijpt de goede intentie van [de schuldenaar] om zoveel mogelijk te willen aflossen. De oplossing die [de schuldenaar] voorstaat past echter niet in het systeem van de Faillissementswet. De behandeling van een faillissementsaanvraag, die met de meeste spoed moet plaatsvinden, wordt geschorst totdat (onherroepelijk) is beslist op een door de schuldenaar (tijdig) gedaan verzoek om toelating tot de wsnp (artikelen 3 en 3a Fw). Daarbij is het de verantwoordelijkheid van de schuldenaar om zijn verzoek te voorzien van de informatie vermeld in artikel 285 lid 1 Fw. Verstrekt de schuldenaar in (de bijlagen bij) zijn verzoekschrift niet al deze gegevens dan kan de rechter hem een termijn van ten hoogste een maand bieden om zijn verzoekschrift aan te vullen. Is het verzoek ook daarna niet compleet, dan wordt de schuldenaar niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek om toelating tot de wsnp (artikel 287 lid 2 Fw). De wet voorziet niet in de mogelijkheid om de schuldenaar na het indienen van zijn wsnp-verzoek een termijn te gunnen voor het beproeven van een minnelijke regeling. Dit betekent dat wat [de schuldenaar] wil bereiken, te weten het aanhouden van de toelatingsprocedure, en daarmee dus ook de faillissementsprocedure, voor de periode die nodig is om duidelijkheid te verkrijgen over de haalbaarheid van de minnelijke regeling, niet kan worden bereikt in deze procedure.
3.14.. Ook het bezwaar dat [de schuldenaar] aanvoert tegen het gebruik (en handhaving) van de faillissementsaanvraag door het pensioenfonds als middel om in de betalingsregeling een hoger percentage van haar vordering vergoed te krijgen, leidt niet tot een ander oordeel. Dit argument van misbruik van recht hoort thuis in de faillissementsprocedure waarin, anders dan in deze wsnp-procedure, ook het pensioenfonds de gelegenheid heeft op het verwijt van [de schuldenaar] te reageren.
3.15.. Uit het voorgaande blijkt, en [de schuldenaar] erkent dat ook, dat [de schuldenaar] tot op heden niet alle gegevens zoals bedoeld in artikel 285 lid 1 Fw heeft verstrekt. [de schuldenaar] is daarom niet-ontvankelijk in zijn wsnp-verzoek. Een nadere motivering met betrekking tot de ontbrekende informatie is daarvoor, anders dan [de schuldenaar] aanvoert, niet vereist.
4. De beslissing
Het hof, recht doende in hoger beroep:
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 17 april 2026.
Dit arrest is gewezen door mrs. N.M. Brouwer, G.P. Oosterhoff en M.P.M. Hennekens en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juni 2026.