[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-gharl-2026-3978":3,"decision-more-ecli-nl-gharl-2026-3978":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1659","ECLI:NL:GHARL:2026:3978","",60,"Arnhem","arnhem","2026-06-16T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.353.131\n\nzaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht , 581737\n\narrest van 16 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [de bestuurder]\n\ndie woont in [woonplaats]\n\nadvocaat: mr. M.P.C. de Kramer\n\nen\n\n [geïntimeerde] B.V.\n\ndie is gevestigd in [vestigingsplaats]\n\nadvocaat: mr. M. Hurks\n\n(hierna: [geïntimeerde] )\n\n1. Het verloop van de procedure in hoger beroep\n\n1.1.. \n [de bestuurder] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht , op 26 februari 2025tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:\n\nde dagvaarding in hoger beroep\n\nde memorie van grieven\n\nde memorie van antwoord\n\neen akte houdende producties van [de bestuurder]\n\nhet verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 10 maart 2026 is gehouden. [de bestuurder] heeft nog op dat verslag gereageerd; die reactie is aan het proces-verbaal gehecht.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1.. \n [de bestuurder] was (statutair) bestuurder en indirect aandeelhouder in de structuurvennootschap [geïntimeerde] . [de bestuurder] ’ management-BV [de management-BV] B.V. (hierna: [de management-BV] ) had een overeenkomst van opdracht met [geïntimeerde] waarbij ook [de bestuurder] als “ingezette persoon” partij was. [de bestuurder] verrichtte werkzaamheden voor [geïntimeerde] en haar rechtsvoorgangers, eerst als gerechtsdeurwaarder en nadien in managementfuncties, uiteindelijk als bestuurder. Hij is op 8 februari 2024 door de raad van commissarissen ontslagen als bestuurder. [geïntimeerde] heeft de overeenkomst van opdracht tussen [geïntimeerde] en [de management-BV] op 2 juli 2024 opgezegd met een opzegtermijn van een jaar; de overeenkomst is op 2 juli 2025 geëindigd.\n\n2.2.. \n [de bestuurder] heeft bij de rechtbank een verklaring voor recht gevorderd dat het ontslagbesluit nietig is, althans vernietiging daarvan gevorderd, op grond van artikel 2:14 van het Burgerlijk Wetboek (BW) respectievelijk 2:15 BW. Hij wil, kort gezegd, zijn bestuurderschap weer uitoefenen, ingeschreven worden in het Handelsregister, toegang tot de gebouwen en digitale omgeving van [geïntimeerde] en een rectificatie. Verder heeft [de bestuurder] een verklaring voor recht gevorderd dat de rechtsverhouding tussen hem en [geïntimeerde] een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 BW is.\n\n2.3.. De rechtbank heeft deze vorderingen afgewezen. Het besluit van de raad van commissarissen is niet nietig of vernietigbaar; de commissarissen hadden geen tegenstrijdig belang, de raadgevende stem en het hoorrecht van [de bestuurder] zijn niet geschonden en het adviesrecht van de ondernemingsraad evenmin. Ook (anderszins) is het besluit niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW. De rechtbank heeft de onderlinge rechten en verplichtingen van de rechtsverhouding tussen [de bestuurder] en [geïntimeerde] vastgesteld en overwogen dat sommige aspecten van de rechtsverhouding weliswaar duiden op een arbeidsovereenkomst maar dat de rechtsverhouding toch overwegend als een overeenkomst van opdracht valt aan te merken. De bedoeling van het hoger beroep is dat de vorderingen alsnog worden toegewezen. De aan het slot van [geïntimeerde] ’s memorie van antwoord opgenomen “grief I”, is, zoals bij de mondelinge behandeling in hoger beroep besproken, niet op te vatten als een grief in een incidenteel hoger beroep; de daar opgenomen verweren van [geïntimeerde] komen vanwege de devolutieve werking van het hoger beroep aan de orde als een grief van [de bestuurder] zou slagen.\n\n2.4.. Het hof zal het vonnis van de rechtbank bekrachtigen. Het ontslagbesluit is niet nietig of vernietigbaar. De rechtsverhouding tussen [de bestuurder] en [geïntimeerde] was geen arbeidsovereenkomst. Het hof licht dit oordeel hierna toe.\n\n3. De toelichting op de beslissing van het hof\n\nFeiten en achtergronden\n\n3.1.. De rechtbank heeft de feiten beknopt vastgesteld in rov. 3.1-3.3 van het vonnis. Daartegen zijn geen grieven gericht. Het hof zal ook van die feiten uitgaan, aangevuld met wat verder is vast komen te staan. Kort gezegd komt een en ander op het volgende neer.\n\n3.2.. \n [geïntimeerde] drijft een incasso- en gerechtsdeurwaarderskantoor. In de huidige structuur, die sinds 2019 bestaat, worden de aandelen in [geïntimeerde] gehouden door [naam1] U.A. (hierna: [naam1] ) en door [naam2] B.V. (hierna: [naam2] ). [naam1] houdt de stemgerechtigde aandelen en [naam2] houdt stemrechtloze (maar nog gedurende 7 jaar na de herstructurering van 2019 winstgerechtigde) aandelen.\n\n3.3.. De leden van [naam1] (begin 2024 17 in getal) zijn de management-B.V.’s van personen die in de onderneming van [geïntimeerde] werken, bijvoorbeeld als gerechtsdeurwaarder of in een management- of bestuursfunctie. De certificaten van aandelen in [naam2] worden gehouden door de oprichters van [geïntimeerde] (dan wel hun management-B.V.’s). Een deel van de oprichters is nog steeds werkzaam voor [geïntimeerde] . Zij zijn (via hun management-B.V.) ook lid van [naam1] . De personen achter de leden van [naam1] en de certificaathouders van [naam2] zijn de uiteindelijk belanghebbenden (feitelijk: eigenaren) van [geïntimeerde] .\n\n3.4.. \n [de bestuurder] is sinds 1994 werkzaam voor (een rechtsvoorganger van) [geïntimeerde] . Hij was sinds 2002 indirect mede-eigenaar van een rechtsvoorganger, en is sinds de fusie van verschillende rechtsvoorgangers in 2009 een van de (indirecte) participanten in (een rechtsvoorganger van) [geïntimeerde] . Sinds de oprichting van [naam1] in 2019 participeert hij (indirect, via [de management-BV] ) in [geïntimeerde] , zowel via het lidmaatschap van [naam1] als via certificaten van aandelen in [naam2] . [de management-BV] is lid van [naam1] .\n\n3.5.. \n\nDe ledenovereenkomst van [naam1] , waarbij zowel de leden als hun “ingezette personen” partij zijn (onder wie [de management-BV] respectievelijk [de bestuurder] , zie hierna), bepaalt onder meer het volgende:\n\n“Artikel 1. Begripsomschrijvingen1.1.. \n\nIn deze Ledenovereenkomst wordt verstaan onder:\n\n(…)\n\n- Ingezette Persoon: de natuurlijke persoon die door het Lid ter beschikking wordt gesteld aan [ [geïntimeerde] ] voor het feitelijk uitvoeren van werkzaamheden, een en ander op grond van de tussen het Lid en [ [geïntimeerde] ] gesloten Overeenkomst van Opdracht;\n\n(…)\n\n- Overeenkomst van Opdracht: de overeenkomst van opdracht tussen een Lid als opdrachtnemer, een Ingezette Persoon en [ [geïntimeerde] ] als opdrachtgever, ter uitvoering van de Opdracht (zoals gedefinieerd in de overeenkomst van opdracht), tezamen met het Reglement (zoals gedefinieerd in de overeenkomst van opdracht), waaronder begrepen alle wijzigingen van, en aanvullingen op de overeenkomst van opdracht en het Reglement, in hoofdlijnen in de vorm zoals aangehecht als Bijlage A;\n\n(…)\n\nArtikel 2. Toepasselijkheid Ledenovereenkomst. Vaststelling en wijziging van Toetredingsovereenkomst en Overeenkomst van Opdracht2.1.. De Ledenovereenkomst is van toepassing op de verhouding tussen de volgende (rechts)personen: [ [geïntimeerde] ], de Coöperatie, een Lid en\u002Fof een Ingezette Persoon.2.2.. \n\nBij deze Ledenovereenkomst behoort het model voor de met de Leden en Ingezette Personen af te sluiten Overeenkomst van Opdracht en het model voor de met nieuwe Leden en een Toetreder af te sluiten Toetredingsovereenkomst. (…)\n\nInbreng en financieringArtikel 5.5.1.. Ingevolge een door [ [geïntimeerde] ] met ieder Lid gesloten Overeenkomst van Opdracht brengt ieder Lid in [ [geïntimeerde] ] onder meer zijn arbeid en vlijt in en staat ieder Lid er tegenover [ [geïntimeerde] ]C voor in dat zijn Ingezette Persoon onder meer zijn arbeid en vlijt ter beschikking van [ [geïntimeerde] ] stelt.5.2.. Uiterlijk ten tijde van de ondertekening van deze Ledenovereenkomst, dan wel ondertekening van de Toetredingsovereenkomst, betaalt ieder Lid de Ledenbijdrage. De Ledenrekening van het Lid zal worden gecrediteerd met het bedrag van de Ledenbijdrage.5.3.. Het Lid is op grond van het bepaalde in de Overeenkomst van Opdracht gerechtigd tot een vergoeding van [ [geïntimeerde] ].5.4.. Bij de toetreding van het Lid als lid van de Coöperatie dient het Lid een Ledenbijdrage, vastgesteld in overeenstemming met het bepaalde in de Statuten, te voldoen ten bedrage van €25.000 (zegge: vijfentwintig duizend euro. (…)5.6.. Bij besluit van de AV genomen met een meerderheid van vijfenzeventig procent (75%) van de uitgebrachte stemmen, op voorstel van het Bestuur, kunnen, wanneer de solvabiliteit van [ [geïntimeerde] ] versterkt moet worden, aan de leden van Coöperatie verplichtingen worden opgelegd tot storting van een aanvullende Ledenbijdrage of het ter beschikking stellen van een (aanvullende) lening. (…)5.7.. De Coöperatie zal de door het Lid betaalde Ledenbijdrage aanwenden voor het doen versterken van het vermogen van [ [geïntimeerde] ].5.8.. \n\nOp verzoek van [ [geïntimeerde] ] kan de vergoeding, waartoe het Lid gerechtigd is op grond van artikel 5.3, geheel of gedeeltelijk worden verrekend met de (aanvullende) Ledenbijdrage (of een deel daarvan) dan wel met de pro rata gerechtigdheid van het Lid terzake van de uitkeringen door [ [geïntimeerde] ] aan de Coöperatie op de door de Coöperatie gehouden aandelen in [ [geïntimeerde] ]. (…)\n\nBatig saldo. Uitkeringen\n\nArtikel 7. 7.1. De AV beslist welke bestemming aan het batig saldo, blijkende uit de vastgestelde jaarrekening, wordt gegeven.7.2.. Indien door de AV wordt besloten tot uitkering zal het aan ieder Lid uit te keren bedrag worden berekend pro rata de Ledenbijdrage als bedoeld in artikel 5.4 (…).7.3.. Indien het Lid respectievelijk zijn Ingezette Persoon in gebreke is met de nakoming van zijn verplichtingen uit hoofde van deze Ledenovereenkomst - de Overeenkomst van Opdracht daaronder mede begrepen - dan is [het bestuur van [naam1] ] bevoegd, onverminderd het recht van [ [geïntimeerde] ] om de schade welke [ [geïntimeerde] ] als gevolg van de tekortkoming lijdt op het betreffende Lid te verhalen, om te besluiten dat de betaling van opbrengsten aan een Lid, zal worden opgeschort, een en ander voor zover de maatregel in verhouding staat tot het verzuim. (…)”\n\n3.6.. \n\nTussen de management-B.V.’s en [geïntimeerde] zijn overeenkomsten van opdracht gesloten. Bij die overeenkomsten van opdracht zijn ook de personen achter de management-B.V.’s, die in de onderneming van [geïntimeerde] werken, partij als “ingezette persoon”, zoals ook volgt uit artikel 2.2 van de ledenovereenkomst. De overeenkomst van opdracht tussen [geïntimeerde] , [de management-BV] (als “Opdrachtnemer”) en [de bestuurder] (als “Ingezette persoon”), ondertekend op 16 mei 2019, houdt onder meer het volgende in:\n\n“OVERWEGINGEN:\n\nA. [ [geïntimeerde] ] exploiteert sinds haar oprichting op 27 maart 2009 een onderneming op het gebied van full service creditmanagement (\"Onderneming\").\n\nB. [ [geïntimeerde] ] heeft bepaalde taken opgedragen aan diverse rechtspersonen, waaronder aan Opdrachtnemer. Deze door Opdrachtgever aan Opdrachtnemer verleende opdracht heeft Opdrachtnemer aanvaard onder de voorwaarden opgenomen in de overeenkomst van opdracht van 27 maart 2009 (inclusief eventuele wijzigingen daarop) (\"Oude OvO\").\n\nC. Op 15 mei 2019 is Opdrachtnemer lid geworden van [ [naam1] ] (…), en op 16 mei 2019 is de Coöperatie alle A-aandelen in het geplaatste kapitaal van [ [geïntimeerde] ] gaan houden (\"Herstructurering\").\n\nD. Partijen hebben afspraken gemaakt om de Oude OvO in lijn te brengen met het onder C. beschreven lidmaatschap. Partijen willen die afspraken vastleggen in dit document (\"OvO\") en de daarbij behorende bijlagen. Hierbij is het nog steeds de nadrukkelijke bedoeling van Partijen dat de OvO niet als een arbeidsovereenkomst wordt beschouwd of een daarmee op één lijn te stellen arbeidsverhouding.\n\n(…)\n\n1. OPDRACHT, FUNCTIE EN WERKZAAMHEDEN1.1. [. \n [geïntimeerde] ] heeft op 27 maart 2009 aan Opdrachtnemer de opdracht gegeven om haar als branchemanager (\"Functie\") te ondersteunen (\"Opdracht\"). Opdrachtnemer heeft op 27 maart 2009 die Opdracht aanvaard.1.2.. De door Opdrachtnemer ter uitvoering van de Opdracht te verrichten werkzaamheden zullen worden opgenomen in de later aan deze OvO te hechten bijlage 1 (\"Werkzaamheden\").1.3.. \n\nDe Omvang van de Opdracht (zoals gedefinieerd in het Reglement) is 100%.\n\n2. TERBESCHIKKINGSTELLING INGEZETTE PERSOON2.1.. \n\nVoor de feitelijke uitvoering van de Werkzaamheden heeft Opdrachtnemer sinds 27 maart 2009 haar statutair directeur, de Ingezette Persoon, aan [ [geïntimeerde] ] ter beschikking gesteld. [ [geïntimeerde] ] heeft deze terbeschikkingstelling aanvaard.\n\n3. VERGOEDING3.1.. Als beloning voor de Werkzaamheden is [ [geïntimeerde] ] aan Opdrachtnemer een vergoeding verschuldigd (\"Vergoeding\").3.2.. De Vergoeding bedraagt sinds 1 mei 2019 exclusief btw op (kalender)maandbasis €13.940,67 (zegge: dertienduizend negenhonderd veertig euro zevenenzestig eurocent). (…)\n\n6. REGLEMENT EN OVERIGE BIJLAGEN\n\n6. 1. Door ondertekening van deze OvO verklaren Opdrachtnemer en de Ingezette Persoon\n\n( i) bekend te zijn met de Inhoud van het in bijlage 2 opgenomen reglement (\"Reglement\") en (ii) daaraan onbeperkt gebonden te zijn.”\n\nDe overeenkomst van opdracht bevat voorts een meldplicht voor al dan niet gehonoreerde nevenwerkzaamheden, een non-concurrentiebeding, een relatiebeding en een non-wervingsbeding.\n\n3.7.. \n\nAls bijlage bij de overeenkomst van opdracht is een reglement gevoegd. Daarin is onder meer het volgende bepaald:\n\n“2.2 [ [geïntimeerde] ] kan het Reglement altijd aanvullen en\u002Fof wijzigen, na voorafgaande goedkeuring van de vergadering van houders van A-aandelen van [ [geïntimeerde] ] (die wordt gevormd door de Coöperatie), welk goedkeuringsbesluit voorafgaande goedkeuring behoeft van de AV op de wijze als bepaald in artikel 22 van de Statuten Coöperatie. Een dergelijke wijziging, mits geldig tot stand gekomen, bindt alle Partijen bij een OvO zonder dat daartoe verdere toestemmingen of formaliteiten zijn vereist. (…) 3. GOED OPDRACHTNEMERSCHAP3.1. Opdrachtnemer zal de Opdracht uitvoeren c.q. door de Ingezette Persoon doen uitvoeren, overeenkomstig de eisen die met name ten aanzien van arbeid, vlijt, omvang, kwaliteit en betrouwbaarheid aan een goed opdrachtnemer worden gesteld, daarbij - mede tegen de achtergrond van artikel 4.3 - de Statuten [ [geïntimeerde] ] en de Statuten Coöperatie en de Ledenovereenkomst naleven c.q. doen naleven en de belangen van [ [geïntimeerde] ] en de Coöperatie in de meest ruime zijn van het woord in acht nemen c.q. doen nemen. 4. INGEZETTE PERSOON4.1. Opdrachtnemer en [ [geïntimeerde] ] hebben afgesproken, en Opdrachtnemer is daartoe aldus verplicht, de Ingezette Persoon ter beschikking te stellen aan [ [geïntimeerde] ] ter feitelijke uitvoering van de Werkzaamheden. Dit brengt met zich dat het verrichten van de werkzaamheden door de Ingezette Persoon uitsluitend binnen de organisatie van [ [geïntimeerde] ] plaatsvindt, en voor zover mogelijk ook in naam van [ [geïntimeerde] ], met volledige inzet van de arbeid, kennis en vlijt van de Ingezette Persoon en inbreng van zijn zakelijke relaties.4.2. \n\nOpdrachtnemer mag alleen na voorafgaande schriftelijke toestemming van [ [geïntimeerde] ] een andere persoon dan de Ingezette Persoon (mede) ter beschikking stellen aan [ [geïntimeerde] ] als Ingezette Persoon. (…) 5. VERGOEDING EN FACTURATIE(…) 5.4 Bij ziekte of arbeidsongeschiktheid van de Ingezette Persoon is de op dat moment geldende Vergoeding alleen verschuldigd tot en met de 12e kalendermaand na de maand waarin de ziekte of arbeidsongeschiktheid is begonnen. Van ziekte of arbeidsongeschiktheid is sprake als de Ingezette Persoon voor minder dan 100% arbeidsgeschikt wordt geacht door een arts die deskundig is op het gebied van arbeidsongeschiktheidsvraagstukken, aan te wijzen door de arbodienst van [ [geïntimeerde] ] of door [ [geïntimeerde] ] zelf. Perioden van ziekte of arbeidsongeschiktheid die elkaar opvolgen met tussenposen van niet meer dan 4 weken worden geacht één periode van ziekte of arbeidsongeschiktheid te zijn. 5.5 Bij overlijden van de Ingezette Persoon is [ [geïntimeerde] ] een vergoeding aan Opdrachtnemer\n\nverschuldigd gelijk aan 1\u002F6e deel van de in het jaar van overlijden verschuldigde Vergoeding. [ [geïntimeerde] ] zal dit bedrag, vermeerderd met btw, aan Opdrachtnemer voldoen binnen 1 maand nadat zij door Opdrachtnemer schriftelijk op de hoogte is gebracht van het overlijden van de Ingezette Persoon.5.6. De Ingezette Persoon heeft geen enkele aanspraak jegens [ [geïntimeerde] ] op een beloning in welke vorm dan ook voor de Werkzaamheden die door hem ter uitvoering van de Opdracht zijn verricht. (…) 7. FISCALITEITEN EN VRIJWARING(…)7.2. Alle betalingen door [ [geïntimeerde] ] aan Opdrachtnemer zijn “bruto\" betalingen, waarbij Partijen ervan uitgaan dat alle verschuldigde belastingen en sociale verzekeringspremies voor rekening en risico van Opdrachtnemer komen.”\n\n3.8.. Voorafgaand aan de herstructurering van 2019 hadden [de management-BV] en [de bestuurder] een overeenkomst van opdracht met [naam2] (destijds genaamd [naam3] N.V.).\n\n3.9.. \n [de bestuurder] is vanaf 1 september 2019 werkzaam als Directeur Operatie en Sales\u002FORB en per 1 februari 2022 benoemd tot (statutair) bestuurder van [geïntimeerde] . De resultaten van [geïntimeerde] stonden onder druk en het lukte onvoldoende om het tij te keren, wat de raad van commissarissen (ook) weet aan [de bestuurder] . Bij brief van 19 december 2023 heeft de raad van commissarissen hem uitgenodigd voor een algemene vergadering van aandeelhouders (hierna: algemene vergadering) en een vergadering van de raad van commissarissen, beide op 8 februari 2024 te houden, waar een voorgenomen besluit tot ontslag van [de bestuurder] als bestuurder op de agenda stond (net als het voorgenomen ontslag van [de collega-bestuurder] ). Daarbij is aan [de bestuurder] voorgesteld in overleg een oplossing te vinden waardoor de vergaderingen achterwege konden blijven. Die oplossing is er niet gekomen. Op 29 januari 2024 heeft de advocaat van [geïntimeerde] aan de advocaat van [de bestuurder] de redenen voor het voorgenomen ontslag uiteen gezet.\n\n3.10.. De ondernemingsraad van [geïntimeerde] is op 30 januari 2024 om advies gevraagd en heeft diezelfde dag, na de bespreking ervan in een overlegvergadering, een positief advies uitgebracht met betrekking tot het voorgenomen besluit tot ontslag van [de bestuurder] als bestuurder.\n\n3.11.. \n\nOp 1 februari 2024 heeft een ledenvergadering van [naam1] plaatsgevonden. In die vergadering is ook het voorgenomen ontslag van [de bestuurder] (die aanwezig was bij de vergadering) besproken. Ook is over (het functioneren van) de raad van commissarissen gesproken. Daarover is in de notulen het volgende opgenomen:\n\n“(…) vraagt of er draagvlak is voor een onafhankelijk onderzoek naar het functioneren van de RvC. Een rondje langs de leden leert dat 5 leden voor een onderzoek zijn, 8 zijn tegen een onderzoek, er is één onthouding en 2 leden vinden dat er eerst een gesprek moet plaatsvinden met de RvC alvorens een onderzoek wordt gedaan.”\n\n3.12.. In de algemene vergadering van 8 februari 2024 (van bijna een uur en drie kwartier) hebben aandeelhouders [naam2] en [naam1] het woord gevoerd over het voorgenomen ontslag en hebben [de bestuurder] en zijn advocaat het standpunt van [de bestuurder] toegelicht, alles in aanwezigheid van de commissarissen. In de nagenoeg aansluitende vergadering van de raad van commissarissen (van zeven minuten), waarbij [de bestuurder] aanwezig was, heeft de raad van commissarissen besloten tot zijn ontslag als bestuurder.\n\n3.13.. Bij brief van 2 juli 2024 heeft [geïntimeerde] de overeenkomst van opdracht met [de management-BV] en [de bestuurder] opgezegd, met inachtneming van een opzegtermijn van een jaar, dus tegen 2 juli 2025.\n\nGeldigheid van het ontslagbesluit\n\n3.14.. \n [de bestuurder] heeft aangevoerd dat het besluit van de raad van commissarissen waarbij hij is ontslagen als bestuurder nietig dan wel vernietigbaar is in verband met het bepaalde in artikel 2:14 en 2:15 BW. Hij heeft aangevoerd dat (i) de raad van commissarissen een tegenstrijdig belang had bij het besluit; (ii) de regels omtrent zijn raadgevende stem als bestuurder en zijn hoorrecht als bestuurder niet zijn nageleefd; (iii) het besluit (ook anderszins) in strijd is met de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 2:8 BW; (iv) het besluit in strijd is met het belang van de onderneming; en (v) de ondernemingsraad niet tijdig (toen het advies nog van invloed kon zijn) om advies is gevraagd.\n\nJuridisch kader\n\n3.15.. Bij een structuurvennootschap als [geïntimeerde] worden de bestuurders benoemd door de raad van commissarissen, op grond van artikel 2:272 BW. De raad van commissarissen kan de bestuurders ook ontslaan, op grond van artikel 2:244 BW, maar, gelet op artikel 2:272 BW, niet dan nadat de algemene vergadering over het voorgenomen ontslag is gehoord. Dit volgt ook uit de artikelen 15.1 en 15.2 van de statuten van [geïntimeerde] .\n\n3.16.. De commissarissen van [geïntimeerde] worden op grond van artikel 2:268 BW (en artikel 22.1 van de statuten) benoemd door de algemene vergadering. De algemene vergadering kan het vertrouwen in de raad van commissarissen opzeggen, wat het ontslag van de commissarissen tot gevolg heeft, artikel 2:271a lid 1 en 3 BW en artikel 24.1 en 24.3 van de statuten van [geïntimeerde] .\n\n3.17.. Op grond van artikel 2:14 lid 1 BW is een besluit van een orgaan van een rechtspersoon dat in strijd is met de wet of de statuten nietig, tenzij uit de wet iets anders voortvloeit. Op grond van artikel 2:15 lid 1 BW is een besluit van een orgaan van een rechtspersoon vernietigbaar wegens (a) strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen of (b) strijd met de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 2:8 BW. Vernietiging kan onder meer worden gevorderd door iemand met een redelijk belang bij naleving van de geschonden verplichting. Artikel 2:8 lid 1 BW bepaalt dat een rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie betrokken zijn, zich als zodanig jegens elkander moeten gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd.\n\n3.18.. Artikel 2:250 lid 2 BW bepaalt dat de commissarissen van een besloten vennootschap zich bij hun taakvervulling moeten richten naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. Lid 5 van dat artikel bepaalt dat een commissaris niet deelneemt aan de beraadslaging en besluitvorming als hij daarbij een direct of indirect persoonlijk belang heeft dat tegenstrijdig is met het belang van de vennootschap Als de raad van commissarissen daardoor geen besluit kan nemen, moet dat genomen worden door de algemene vergadering. De statuten van [geïntimeerde] bevatten in artikel 26.6, voor zover hier relevant, eenzelfde regeling. Schending van de regels inzake tegenstrijdig belang leidt tot vernietigbaarheid van het besluit op grond van artikel 2:15 lid 1 sub a.\n\n3.19.. Op grond van artikel 2:227 lid 7 BW hebben bestuurders als zodanig een raadgevende stem in de algemene vergadering. Dat geldt ook indien het ontslag van de bestuurder op de agenda staat en ook in een algemene vergadering waar het gaat over een voorgenomen ontslag waarover de raad van commissarissen bevoegd is te besluiten (na het horen van de algemene vergadering). Indien de bestuurder niet in de gelegenheid wordt gesteld zijn raadgevende stem uit te oefenen, is het besluit vernietigbaar op grond van artikel 2:15 lid 1 sub a BW. Uit de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 lid 1 BW vloeit voort dat een bestuurder in de gelegenheid wordt gesteld zich te verdedigen tegen zijn voorgenomen ontslag, tegenover het tot ontslag bevoegde orgaan. Dit wordt wel aangeduid als het hoorrecht. Schending van het hoorrecht leidt tot vernietigbaarheid van het besluit op grond van artikel 2:15 lid 1 sub b BW.\n\n3.20.. Artikel 30 van de Wet op de ondernemingsraden (WOR) bepaalt dat de ondernemingsraad in de gelegenheid wordt gesteld advies uit te brengen over een voorgenomen besluit tot ontslag van een bestuurder, op zo’n moment dat het advies van wezenlijke invloed kan zijn op het te nemen besluit.\n\nTegenstrijdig belang van de commissarissen?\n\n3.21.. \n [de bestuurder] heeft aangevoerd dat alle commissarissen een tegenstrijdig belang hadden bij het besluit hem te ontslaan als bestuurder van [geïntimeerde] . Daarom was het niet aan de raad van commissarissen om hem te ontslaan, maar op grond van artikel 2:250 lid 5 aan de algemene vergadering. Omdat het besluit door het verkeerde orgaan is genomen is dat nietig op grond van artikel 2:14 BW althans vernietigbaar vanwege een totstandkomingsgebrek als bedoeld in artikel 2:15 lid 1 sub a BW. Het tegenstrijdig belang van de commissarissen was volgens [de bestuurder] gelegen in het streven hun positie te behouden, in een situatie waarin die positie onder druk stond, ook ter voorkoming van gezichtsverlies. [de bestuurder] heeft aangevoerd dat een onderzoek naar de raad van commissarissen dreigde, dat de leden van [naam1] zich gesteld zagen voor de keuze “of de RvC eruit, of [de bestuurder] eruit”, en de commissarissen vreesden te worden weggestuurd door het opzeggen van vertrouwen door de aandeelhoudersvergadering. Bij wijze van vlucht naar voren zouden zij toen [de bestuurder] en zijn medebestuurder hebben willen ontslaan om hun eigen positie veilig te stellen. [de bestuurder] heeft verder aangevoerd dat de commissarissen uiteindelijk collectief zijn afgetreden en dat de notulen van een overleg tussen het bestuur en de raad van commissarissen van 29 november 2023 zijn gemanipuleerd om hem in een kwaad daglicht te stellen.\n\n3.22.. Dit betoog slaagt niet. De feiten en omstandigheden die [de bestuurder] heeft gesteld ter onderbouwing van zijn betoog dat de commissarissen een tegenstrijdig belang hadden, heeft hij in het licht van het verweer van [geïntimeerde] onvoldoende onderbouwd. Van een tegenstrijdig belang is onvoldoende gebleken. Dat de positie van de commissarissen werkelijk bedreigd werd, is niet komen vast te staan. Weliswaar heeft een van de leden (een oud-bestuurder) het opzeggen van het vertrouwen in de raad van commissarissen op de agenda van de ledenvergadering van [naam1] van 1 februari 2024 laten plaatsen, maar uit de hiervoor in 3.11 aangehaalde notulen volgt dat er voor een onderzoek naar het functioneren van de raad van commissarissen al geen meerderheid was, laat staan voor het opzeggen van vertrouwen. [de bestuurder] , die bij de ledenvergadering aanwezig was, heeft aangevoerd dat de notulen niet aan hem zijn voorgelegd, maar niet dat deze niet zouden kloppen. Het ontslagbesluit viel een week later, terwijl in de aanloop daarnaartoe dus niet bleek dat de commissarissen veel te vrezen hadden. Dat blijkt ook uit de gang van zaken op 8 februari 2024. Tijdens de algemene vergadering hebben [naam2] en [naam1] geen steun uitgesproken voor [de bestuurder] (en zijn medebestuurder) maar aan de raad van commissarissen gelaten of hij moest worden ontslagen. Uit de notulen van de algemene vergadering blijkt niet dat [naam1] partij kiest voor [de bestuurder] of tegen de raad van commissarissen of dat de positie van de commissarissen anderszins onder druk stond. Ook uit een e-mail van de voorzitter van de ondernemingsraad aan de commissarissen van 8 december 2023 blijkt niet dat de raad van commissarissen onder vuur ligt; de ondernemingsraad zoekt in die brief juist steun van de raad van commissarissen tegen het bestuur. Dat er een nadere ledenvergadering zou komen waarop het functioneren van de raad van commissarissen weer aan de orde kon komen, is tegen deze achtergrond onvoldoende voor een ander oordeel; overigens is op die nadere ledenvergadering, van 26 februari 2024, blijkens de notulen daarvan, ook niet tot een onderzoek besloten. Dat de commissarissen eind 2024 uiteindelijk zijn afgetreden, leidt evenmin tot de conclusie dat zij ten tijde van het ontslag van [de bestuurder] zozeer onder druk stonden dat sprake was van zodanig onverenigbare belangen dat in redelijkheid kan worden getwijfeld of zij zich bij hun handelen uitsluitend hebben laten leiden door het vennootschappelijk belang. De notulen van het overleg tussen bestuur en raad van commissarissen van 23 november 2023, gemanipuleerd of niet, zijn voor het oordeel van het hof niet van belang en kunnen verder buiten beschouwing blijven.\n\n3.23.. Omdat geen tegenstrijdig belang is gebleken, was de raad van commissarissen bevoegd om over het ontslag te besluiten en is geen sprake van een totstandkomingsgebrek.\n\nRaadgevende stem en hoorrecht\n\n3.24.. \n [de bestuurder] heeft betoogd dat zijn hoorrecht (tegenover de raad van commissarissen) en zijn raadgevende stem (in de algemene vergadering die voor het ontslag werd geraadpleegd door de raad van commissarissen) zijn geschonden, omdat het besluit van de raad van commissarissen al vaststond. Hij heeft daarbij gewezen op uitlatingen van of namens de commissarissen waar dat uit zou blijken en verder op het feit dat de raad van commissarissen al voor de vergadering waarvoor zijn ontslagbesluit was geagendeerd voorbereidingen trof voor de aanstelling van nieuwe bestuurders. Verder zou [de bestuurder] niet alle vergaderstukken voor de vergaderingen hebben gekregen, waarbij hij wijst op een schriftelijke reactie van [naam2] aan de raad van commissarissen en een brief van de voorzitter van de raad van commissarissen aan [naam2] .\n\n3.25.. Dit betoog slaagt niet; de omstandigheden die [de bestuurder] aanvoert, leiden niet tot de conclusie dat zijn hoorrecht en raadgevende stem zijn geschonden; die gestelde schending is daarmee onvoldoende onderbouwd. Voorop staat dat het hoorrecht en de raadgevende stem aan de orde zijn bij een voorgenomenontslagbesluit. Daarbij ligt het niet voor de hand dat de raad van commissarissen lichtvaardig tot zo’n voornemen komt, zodat minst genomen de gedachte moet leven dat het beter is zonder de bestuurder verder te gaan. Desalniettemin moeten de uitoefening van de raadgevende stem en het hoorrecht (nog) van invloed kunnen zijn op de daadwerkelijke totstandkoming van het besluit. Daarbij tekent het hof aan dat de raadgevende stem bedoeld is om het belang van de vennootschap te dienen; niet het eigen belang van de bestuurder. [de bestuurder] noemt in zijn memorie van grieven vijf specifieke uitlatingen waaruit zou blijken dat het besluit van de raad van commissarissen al vaststond. Het hof gaat daar niet in mee. Een deel van de uitlatingen (uit productie 22 en productie 26 bij dagvaarding in eerste aanleg) heeft geen betrekking op het ontslagbesluit maar op het besluit om [de bestuurder] als bestuurder te schorsen, dat voorafging aan de beraadslagingen waaruit uiteindelijk het ontslagbesluit is gevolgd. Voor het overige volgt uit de uitlatingen weliswaar dat de raad van commissarissen overtuigd was van zijn voornemen [de bestuurder] te ontslaan en de gedachte dat (de verschillende stakeholders in de onderneming meenden dat) [geïntimeerde] beter af was zonder [de bestuurder] in het bestuur, maar dat is (gelezen in de context en de overige inhoud van de producties 19, 24 en 25) onvoldoende om aan te nemen dat het besluit al vast stond en de commissarissen niet meer open stonden voor beïnvloeding van hun standpunt door [de bestuurder] (en door de aandeelhouders). De vergaderingen waren in dat opzicht ook geen wassen neus. [de bestuurder] heeft in de algemene vergadering ruim gelegenheid gekregen en genomen om zijn positie toe te lichten, ook via zijn advocaat (wiens spreekaantekeningen twaalf bladzijden beslaan). Na een schorsing hebben de commissarissen en de aandeelhouders gelegenheid gekregen op [de bestuurder] te reageren; ook [de bestuurder] heeft aan de discussie daarna deelgenomen. Dat de aandeelhouders en commissarissen niet uitvoerig(er) hebben gereageerd en niet overtuigd zijn geraakt door zijn weerwoord maakt niet dat [de bestuurder] ’ rechten zijn geschonden. De algemene vergadering leverde de raad van commissarissen in ieder geval de informatie op dat de aandeelhouders, naar aanleiding van [de bestuurder] ’ weerwoord, zich niet tegen het voorgenomen besluit keerden. Dat de vergadering van de raad van commissarissen slechts kort duurde, maakt evenmin dat [de bestuurder] ’ rechten geschonden zijn; ook in die vergadering is hij gehoord en overigens waren de commissarissen aanwezig bij de algemene vergadering van aandeelhouders toen [de bestuurder] met zijn advocaat daar zijn standpunt uiteenzette. Verder is van belang dat de uitlatingen waar [de bestuurder] zich op beroept, steeds uitlatingen aan hem of zijn advocaat zijn. Niet gebleken is dat dergelijke uitlatingen ook aan werknemers of anderen in de organisatie (dan de aandeelhouders), zijn gedaan, waardoor mogelijk zou kunnen worden aangenomen dat de raad van commissarissen zich in een positie had gemanoeuvreerd waaruit hij niet terug kon. [de bestuurder] heeft dit wel gesteld, maar de citaten die volgens [de bestuurder] in de organisatie zijn gecommuniceerd stemmen woord voor woord overeen met de correspondentie aan [de bestuurder] en zijn advocaat, terwijl bij die citaten geen bron vermeld staat en niet van verzending aan anderen is gebleken. Dat ook buiten de organisatie uitlatingen zijn gedaan heeft [de bestuurder] niet gesteld.\n\n3.26.. Dat de raad van commissarissen in de weken voorafgaand aan het ontslagbesluit de benoeming van nieuwe bestuurders voorbereidde, maakt niet dat het besluit al vaststond. Omdat het ontslag van beide bestuurders was voorgenomen, moest de raad van commissarissen maatregelen treffen voor het geval het voorgenomen besluit daadwerkelijk zou worden genomen; anders zou [geïntimeerde] zonder bestuur komen te zitten.\n\n3.27.. \n [geïntimeerde] heeft betwist dat vergaderstukken niet met [de bestuurder] gedeeld zijn. [de bestuurder] heeft niet nader toegelicht dat het bij de brief aan [naam2] (die volgens [geïntimeerde] dezelfde inhoud heeft als de brief die aan [de bestuurder] is gestuurd met de onderbouwing van het voorgenomen ontslag) en de reactie van [naam2] om vergaderstukken ging waarvan hij kennis had mogen nemen. Dat voorafgaand aan een vergadering tussen twee deelnemers wordt gecorrespondeerd, maakt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet dat alle vergadergerechtigden van die correspondentie kennis moeten kunnen nemen. Dat [de bestuurder] ’ rechten hiermee geschonden zijn, is aldus onvoldoende komen vast te staan.\n\n3.28.. Voor zover [de bestuurder] ook in hoger beroep nog aanvoert dat hij onvoldoende tijd had om zich voor te bereiden omdat hij, nadat hij al op 19 december 2023 was uitgenodigd voor de op 8 februari 2024 te houden vergaderingen over het voorgenomen ontslagbesluit, pas op 29 januari 2024 de gronden van het ontslag te horen kreeg, slaagt dit betoog niet. Het hof neemt het oordeel van de rechtbank ter zake over en maakt dit tot het zijne: het tijdsverloop is ongelukkig maar de gronden zijn voldoende ruim voor de vergaderingen aangevoerd. [de bestuurder] heeft onvoldoende concreet gemaakt dat hij daardoor is belemmerd in de mogelijkheden om verweer tegen het voorgenomen besluit te voeren. Daarbij weegt mee dat in de tussentijd enig overleg tussen [geïntimeerde] en [de bestuurder] is geweest over een minnelijke regeling waarbij gekeken is naar andere managementfuncties voor [de bestuurder] binnen [geïntimeerde] .\n\nStrijd met de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW en strijd met het belang van de onderneming\n\n3.29.. \n [de bestuurder] stelt dat het besluit waarmee hij is ontslagen vernietigbaar is op grond van artikel 2:15 lid 1 sub b BW omdat het in strijd is met de redelijkheid en billijkheid die [geïntimeerde] en de raad van commissarissen jegens hem als bestuurder moesten betrachten. Hij heeft daarbij gewezen op een gebrekkige onderbouwing van het besluit (met volgens [de bestuurder] leugenachtige verklaringen over een gebrek aan steun voor hem binnen de organisatie en kritiek op hem die niet eerder was geuit, die tegenstrijdig was en in strijd met eerdere positieve beoordelingen) terwijl die onderbouwing ook nog te laat kwam zowel voor hem als voor de aandeelhouders en de leden van [naam1] , op het niet delen van vergaderstukken, op trage verslaglegging achteraf en op schending van het adviesrecht van de ondernemingsraad.\n\n3.30.. Het betoog van [de bestuurder] slaagt niet. Voorop staat dat de raad van commissarissen beleidsvrijheid heeft en dat de rechter terughoudendheid past bij de beoordeling of de raad van commissarissen bij het nemen van het besluit alle in aanmerking komende belangen naar redelijkheid heeft afgewogen en daarbij de nodige zorgvuldigheid heeft betracht.Daarbij komt dat de gronden voor het ontslag als bestuurder wel kunnen meewegen bij de eventuele arbeidsrechtelijke consequenties van dat ontslag – indien sprake is van een arbeidsovereenkomst – maar niet bij de vraag of het besluit vernietigbaar is op grond van artikel 2:15 lid 1 sub b.\n\n3.31.. Voor zover tegen deze achtergrond al plaats is voor een beoordeling van de redelijkheid van de onderbouwing van het ontslagbesluit door de raad van commissarissen, heeft [de bestuurder] onvoldoende toegelicht dat die onderbouwing te mager is of niet deugt. Niet is gebleken dat [de bestuurder] voldoende steun kreeg binnen de organisatie. Hij beroept zich op steun van de leden van [naam1] , die volgens hem niet eens wisten van het voorgenomen ontslag. Dat voorgenomen ontslag is echter uitvoerig besproken op de ledenvergadering van 1 februari 2024. Tijdens die vergadering zijn door [naam1] -leden verwijten gemaakt aan zowel bestuur als raad van commissarissen maar was er geen steun voor een onderzoek naar de raad van commissarissen, laat staan voor het opzeggen van vertrouwen, terwijl diverse leden een beroep op [de bestuurder] deden om het ontslag te aanvaarden en een nieuwe rol binnen de organisatie op zich te nemen. Ook van steun van de ondernemingsraad voor [de bestuurder] is niet gebleken. Integendeel, in de email van 8 december 2023 spreekt de ondernemingsraad uit dat iedere vorm waarin [de bestuurder] (en zijn medebestuurder) nog in functie is (zijn), geen optie meer is. Dat de ontslaggronden pas laat aan [de bestuurder] zijn medegedeeld is hiervoor in 3.28 behandeld en maakt het besluit om diezelfde redenen niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid. Dat ook de aandeelhouders en de leden van [naam1] pas laat werden geïnformeerd maakt het besluit niet onredelijk, ook gelet op de poging van de raad van commissarissen om met [de bestuurder] een andere oplossing (een andere functie binnen [geïntimeerde] ) te vinden. Voor zover [de bestuurder] ook in dit verband een beroep doet op het ontbreken van vergaderstukken en de schending van het adviesrecht van de ondernemingsraad wijst het hof naar 3.27 respectievelijk 3.37. Ook dit levert geen strijd met de redelijkheid en billijkheid op. Dat het verslag van de vergadering(en) pas laat beschikbaar kwam is vervelend maar maakt het besluit niet vernietigbaar; niet gebleken is overigens dat [de bestuurder] daarover heeft geklaagd of erdoor is geschaad. Bij de beoordeling van de vraag of het besluit in strijd is met de jegens [de bestuurder] in acht te nemen redelijkheid en billijkheid weegt verder mee dat, hoewel [de bestuurder] zonder meer belang had bij het behoud van zijn positie als bestuurder, niet is gebleken dat het ontslag voor hem directe financiële gevolgen had. Zijn financiële positie werd immers geregeld door de overeenkomst van opdracht (wat het hof hieronder in 3.49 en verder uitwerkt), die niet door het ontslag als bestuurder werd geraakt.\n\n3.32.. \n [de bestuurder] heeft verder aangevoerd dat het ontslagbesluit in strijd was met het belang van de vennootschap en haar onderneming dat de raad van commissarissen op grond van artikel 2:250 lid 2 BW moet behartigen en dat het besluit daarom ongeldig is.\n\n3.33.. Dit argument van [de bestuurder] slaagt niet. Ook al zou het besluit van de raad van commissarissen niet in het belang van de onderneming zijn, dan levert dat nog geen strijd met de wet op in de zin van artikel 2:14 BW. Verder is geen sprake van (strijd met) een regel die de totstandkoming van besluiten betreft als bedoeld in artikel 2:15 lid 1 sub a BW. Voor zover [de bestuurder] bedoelt dat het besluit om deze reden in strijd is met de redelijkheid en billijkheid (in de zin van artikel 2:15 lid 1 sub b BW) – daarbij kan het belang van de vennootschap een rol spelen – slaagt het evenmin. Dat het besluit van de raad van commissarissen niet in het belang van de onderneming is, is onvoldoende toegelicht, ook als het wordt bezien in samenhang met hetgeen hiervoor over beweerde schending van de redelijkheid en billijkheid is overwogen. Ook daarom kan een beroep op de ongeldigheid van het besluit niet slagen.\n\n3.34.. Het betoog van [de bestuurder] richt zich op het functioneren van de raad van commissarissen in de periode van medio 2023 tot aan hun aftreden eind 2024. [de bestuurder] meent dat de raad van commissarissen zich op de stoel van het bestuur heeft geplaatst, allerlei maatregelen in strijd met de wet en statuten nam en niet in het belang van de onderneming heeft gehandeld. Dat speelt onder meer bij het ontslag van eerdere bestuurders, bij de aanstelling van een interimbestuurder en bij het schorsen en ontslaan van [de bestuurder] en zijn medebestuurder. Dat ontslag leverde een continuïteitsrisico op omdat opvolging niet adequaat was geregeld en onervaren opvolgend bestuurders zijn benoemd, juist degenen die in het [naam1] -bestuur zaten en [de bestuurder] ’ ontslag steunden. Verder werd de toezegging dat een governance-onderzoek zou plaatsvinden na [de bestuurder] ’ ontslag niet nagekomen, terwijl de onderneming verlies bleef lijden.\n\n3.35.. Een en ander maakt niet dat het besluit in strijd was met het belang van [geïntimeerde] en haar onderneming. Het is duidelijk dat [geïntimeerde] in zwaar weer verkeerde, verlies leed en gebukt ging onder verschillen van inzicht over hoe het tij gekeerd moest worden. De raad van commissarissen wijst naar het bestuur en [de bestuurder] wijst terug. De leden van [naam1] uitten in de ledenvergadering van 1 februari 2024 kritiek op zowel het bestuur als de raad van commissarissen maar steunden niet in meerderheid een onderzoek naar de laatste. Wie voor de gang van zaken verantwoordelijk is en wie het bij het rechte eind heeft wat betreft de te treffen maatregelen, kan hier echter in het midden blijven; het beleid van de onderneming ligt hier niet ter toetsing voor. In deze procedure gaat het enkel om het ontslagbesluit. Waarom dit specifieke besluit in strijd is met het belang van de onderneming (zozeer dat het ook in strijd is met de redelijkheid en billijkheid en daarom vernietigbaar), heeft [de bestuurder] onvoldoende toegelicht. Dat juist of alleen hij [geïntimeerde] uit het slop kon trekken is niet gesteld of gebleken. Dat de opvolging niet goed geregeld was, is evenmin voldoende onderbouwd. Dat zijn opvolgers, ook leden van [naam1] , geen bestuurservaring zouden hebben, is daarvoor onvoldoende. Dat zij eerder lid waren van het [naam1] -bestuur maakt niet dat het besluit in strijd was met het belang van [geïntimeerde] of haar onderneming. Dat het ontslag van [de bestuurder] niet tot een verbetering van de resultaten heeft geleid, evenmin.\n\nAdviesrecht van de ondernemingsraad\n\n3.36.. \n [de bestuurder] heeft aangevoerd dat de ondernemingsraad niet tijdig om advies is gevraagd over het voorgenomen besluit tot ontslag. Het advies werd pas gevraagd toen dat niet meer van invloed kon zijn omdat het besluit al vaststond. Dat maakt het besluit volgens hem in strijd met de wettelijke bepalingen die de totstandkoming van besluiten regelen (in de zin van artikel 2:15 lid 1 sub a BW) en in strijd met de redelijkheid en billijkheid (in de zin van artikel 2:15 lid 1 sub b BW) die [geïntimeerde] jegens de ondernemingsraad in acht moeten nemen.\n\n3.37.. Dit betoog slaagt niet. Dat het besluit van de raad van commissarissen niet slechts voorgenomen was maar reeds genomen zou zijn, is niet komen vast te staan, zie 3.25 en 3.26 hiervoor. Daarbij komt dat niet is gebleken dat de ondernemingsraad zelf heeft geklaagd over een te late adviesaanvraag, terwijl dit toch in de eerste plaats op zijn weg ligt. Dat de ondernemingsraad zich kon vinden in het voorgenomen ontslag was overigens geen verrassing gelet op zijn “brandbrief” van 14 november 2023 aan directie en raad van commissarissen (over openlijke onvrede en gebrek aan vertrouwen in de directie) en gelet op de hiervoor genoemde e-mail van diens voorzitter aan de commissarissen van 8 december 2023. Los daarvan is artikel 30 WOR geen wettelijke bepaling over de totstandkoming van besluiten in de zin van artikel 2:15 lid 1 sub a BW, zodat schending daarvan niet leidt tot vernietigbaarheid van het ontslagbesluit. Daarbij komt dat een eventuele actie tegen schending van het adviesrecht aan de ondernemingsraad toekomt en niet aan [de bestuurder] als (gewezen) bestuurder.\n\nTussenconclusie geldigheid van het ontslagbesluit\n\n3.38.. \n [de bestuurder] ’ betoog dat het ontslagbesluit nietig of vernietigbaar is, slaagt niet. Het besluit blijft in stand. Een terugkeer van [de bestuurder] als statutair bestuurder heeft verder geen grondslag.\n\n3.39.. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen; [de bestuurder] heeft geen voldoende specifiek bewijs aangeboden en geen bewijs aangeboden van feiten of omstandigheden die, als zij zouden komen vast te staan, tot een ander oordeel zouden leiden.\n\nKwalificeert de rechtsverhouding tussen [de bestuurder] en [geïntimeerde] als arbeidsovereenkomst?\n\n3.40.. \n [de bestuurder] heeft zich op het standpunt gesteld dat er tussen hem en [geïntimeerde] een arbeidsovereenkomst bestaat. Met een rechtsgeldig besluit tot ontslag als bestuurder van een vennootschap eindigt ook een arbeidsovereenkomst tussen een werknemer-bestuurder en de vennootschap. Op grond van artikel 7:682 lid 3 BW kan een werknemer (los van het vennootschapsrechtelijke ontslag) ook het arbeidsrechtelijke ontslag aan de rechter voorleggen. [de bestuurder] heeft tijdig bij de kantonrechter een voorwaardelijk verzoek ingediend om toekenning van een billijke vergoeding. Naar zijn mening is er sprake van een arbeidsovereenkomst en is het einde daarvan het gevolg van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [geïntimeerde] , zodat hij aanspraak maakt op een billijke vergoeding. Die verzoekschriftenprocedure bij de kantonrechter is aangehouden tot in deze procedure een oordeel is gegeven over de kwalificatie van de rechtsverhouding tussen [de bestuurder] en [geïntimeerde] .\n\nJuridisch kader\n\n3.41.. Een arbeidsovereenkomst is een overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten. Dat staat in artikel 7:610 lid 1 BW. Om te kunnen beoordelen of een overeenkomst als een arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt, moet door uitleg van de overeenkomst worden vastgesteld welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen. Als de overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst, moet de overeenkomst als zodanig worden aangemerkt. Voor deze kwalificatie is niet van belang of partijen de bedoeling hadden de overeenkomst onder de wettelijke regeling van de arbeidsovereenkomst te laten vallen.\n\n3.42.. Of een overeenkomst moet worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst, hangt af van alle omstandigheden van het geval in onderling verband bezien. Van belang kunnen onder meer zijn: (i) de aard en duur van de werkzaamheden, (ii) de wijze waarop de werkzaamheden en de werktijden worden bepaald, (iii) de inbedding van het werk en degene die de werkzaamheden verricht in de organisatie en de bedrijfsvoering van degene voor wie de werkzaamheden worden verricht, (iv) het al dan niet bestaan van een verplichting het werk persoonlijk uit te voeren, (v) de wijze waarop de contractuele regeling van de verhouding van partijen is tot stand gekomen, (vi) de wijze waarop de beloning wordt bepaald en waarop deze wordt uitgekeerd, (vii) de hoogte van deze beloningen, en (viii) de vraag of degene die de werkzaamheden verricht daarbij commercieel risico loopt. Ook kan van belang zijn (ix) of degene die de werkzaamheden verricht zich in het economisch verkeer als ondernemer gedraagt of kan gedragen, bijvoorbeeld bij het verwerven van een reputatie, bij acquisitie, wat betreft fiscale behandeling, en gelet op het aantal opdrachtgevers voor wie hij werkt of heeft gewerkt en de duur waarvoor hij zich doorgaans aan een bepaalde opdrachtgever verbindt. Het gewicht dat toekomt aan een contractueel beding bij beantwoording van de vraag of een overeenkomst als arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt, hangt mede af van de mate waarin dat beding daadwerkelijk betekenis heeft voor de partij die de werkzaamheden verricht.Er is geen sprake van een rangorde van de verschillende genoemde omstandigheden.\n\nOvereengekomen rechten en verplichtingen\n\n3.43.. De overeenkomst tussen [geïntimeerde] en [de bestuurder] (en [de management-BV] ) is aangegaan op 16 mei 2019. Vóór de herstructurering van dat moment was er een overeenkomst, ook aangeduid als overeenkomst van opdracht, met een andere vennootschap in de groep. Per 1 februari 2022 werd [de bestuurder] die op basis van de overeenkomst van opdracht al werkzaam was in de onderneming van [geïntimeerde] , ook benoemd tot bestuurder. Ook voor het geval het ontslag als bestuurder van 8 februari 2024 geldig is, zijn partijen het erover eens dat (uit hun afspraken voortvloeit dat) de overeenkomst van 16 mei 2019 na het ontslag als bestuurder is blijven bestaan, totdat deze door opzegging is geëindigd op 2 juli 2025.\n\n3.44.. De overeenkomst van opdracht is aangegaan tussen [geïntimeerde] , [de management-BV] en [de bestuurder] . Tegen deze achtergrond gaat het erom welke rechten en verplichtingen golden tussen [geïntimeerde] en [de bestuurder] .\n\n3.45.. Op grond van de overeenkomst ondersteunde [de management-BV] [geïntimeerde] waarbij [de bestuurder] de werkzaamheden feitelijk uitvoerde. Het ging daarbij om een 100% omvang, [de bestuurder] moest 231 dagen per jaar werken, ofwel 40 uur per week met 35 vakantiedagen. Uit het reglement volgt dat [de bestuurder] de werkzaamheden zelf moest uitvoeren en zich niet kon laten vervangen (anders dan met toestemming van [geïntimeerde] ).\n\n3.46.. \n [geïntimeerde] betaalde [de management-BV] maandelijks een vergoeding. Bij de mondelinge behandeling in hoger beroep is door [de bestuurder] toegelicht dat [de management-BV] een deel van die vergoeding aan hem doorbetaalde als salaris of dividend en dat een deel in [de management-BV] bleef met het oog op [de bestuurder] ’ pensioen. Daarnaast had [de bestuurder] indirect, via het lidmaatschap van [naam1] en de certificaten in [naam2] , recht op een aandeel in de gemaakte winst.\n\n3.47.. \n [de bestuurder] legde verantwoording af aan de raad van commissarissen, die functioneringsgesprekken met hem voerde. De overeenkomst voorzag in een meldplicht bij al dan niet gehonoreerde nevenwerkzaamheden en bevatte een non-concurrentiebeding en een relatiebeding (zodat [de bestuurder] , net als [de management-BV] , niet voor andere opdrachtgevers kon werken) alsook een non-wervingsbeding. [de management-BV] moest zorgen dat [de bestuurder] in een passende zakelijke auto reed en kreeg daarvoor een autokostenvergoeding. [de management-BV] en [de bestuurder] waren verder onbeperkt gebonden aan het reglement dat als bijlage bij de overeenkomst van opdracht was gevoegd. Bij ziekte bestond op grond daarvan recht op doorbetaling door [geïntimeerde] voor één jaar; [geïntimeerde] heeft op haar kosten een arbeidsongeschiktheidsverzekering ten behoeve van alle [naam1] -leden gesloten voor een periode daarna. Ook kende het reglement een overlijdensuitkering voor [de management-BV] , ingeval van overlijden van [de bestuurder] . Het opnemen van vakantiedagen werd bijgehouden in een digitaal systeem.\n\nKwalificatie\n\n3.48.. Het hof ziet aanleiding eerst in te gaan op het gezichtspunt onder (v): de wijze waarop de contractuele regeling van de verhouding van partijen tot stand is gekomen. Hierbij is van belang dat [geïntimeerde] het product is van de fusie van verschillende zelfstandige deurwaarderskantoren, [de bestuurder] mede-eigenaar was van één van deze fuserende kantoren en dit fusieproduct, na herstructurering, uiteindelijk de vorm heeft gekregen van een coöperatie ( [naam1] ) die de aandelen houdt in een B.V. ( [geïntimeerde] ). [de bestuurder] had (via [de management-BV] ) samen met de uiteindelijke belanghebbenden bij de andere leden van [naam1] indirect de zeggenschap over de onderneming van [geïntimeerde] en die onderneming werd gedreven voor hun rekening (en die van de certificaathouders in [naam2] zolang deze (via [naam2] ) winstrecht hadden). Op die manier waren zij de ondernemers achter [geïntimeerde] . De leden van [naam1] , waaronder [de bestuurder] via [de management-BV] , hebben afspraken gemaakt in de ledenovereenkomst. Als bijlage daarbij hebben zij gezamenlijk een overeenkomst van opdracht, met daarbij een reglement, vastgesteld die de rechten en verplichtingen bepaalt tussen [geïntimeerde] , de leden van [naam1] als opdrachtnemers en de uiteindelijk belanghebbenden van de leden als ingezette personen. Daartoe behoren ook de (arbeids-) voorwaarden waaronder de leden en de ingezette personen hun werkzaamheden voor [geïntimeerde] verrichten, onder meer over vakantiedagen, doorbetaling bij ziekte, arbeidsongeschiktheidsverzekering en autokosten. Daaruit volgt dat de rechten en verplichtingen tussen [geïntimeerde] en [de bestuurder] zijn bepaald door de leden van [naam1] waaronder [de bestuurder] (via [de management-BV] ) zelf. [de bestuurder] is een overeenkomst van opdracht aangeboden omdathij lid werd van [naam1] .\n\n3.49.. Gezichtspunt (vi) betreft de wijze waarop de beloning wordt bepaald en waarop deze wordt uitgekeerd. Over de wijze waarop de beloning werd bepaald heeft [de bestuurder] in de dagvaarding betoogd dat deze volgde uit de staffel die [geïntimeerde] hanteert voor de diverse functies van de leden van [naam1] ; daarmee lichtte [de bestuurder] toe dat [geïntimeerde] het loon bepaalde en hij daarover niet kon onderhandelen zoals een opdrachtnemer dat kan. Bij de mondelinge behandeling bij de rechtbank en in de memorie van grieven heeft hij echter betoogd dat de staffel niet meer in gebruik was en dat over het loon werd onderhandeld tussen hem en [geïntimeerde] . Bij een verandering van functie werd gesproken over de bijbehorende beloning. [geïntimeerde] heeft aangevoerd dat zij niet de hoogte van de beloning bepaalde, maar dat de leden van [naam1] , waaronder [de bestuurder] (via [de management-BV] ), zelf de beloning hadden bepaald in de vorm van een staffel die afhing van de functie die (de uiteindelijk belanghebbende achter) het lid op enig moment binnen [geïntimeerde] vervulde. [geïntimeerde] heeft toegelicht dat die staffel (met geïndexeerde bedragen) nog steeds wordt gebruikt, ook al zijn sommige functieomschrijvingen niet meer in gebruik. De staffel is ook nog herkenbaar in de beloningen die aan de leden worden betaald, wat [geïntimeerde] (ook bij de mondelinge behandeling in hoger beroep) heeft toegelicht aan de hand van een overzicht van beloningen uit september 2023. Aan de hand van een agenda en een verslag van een vergadering in 2020 tussen het bestuur van [geïntimeerde] en [naam1] heeft [geïntimeerde] verder toegelicht dat toen is bevestigd dat de zeggenschap over de beloning bij [naam1] ligt. Bij die stand van zaken heeft [de bestuurder] onvoldoende toegelicht dat zijn (maandelijkse) beloning niet door (de leden van) [naam1] maar door [geïntimeerde] in overleg met hem werd vastgesteld. Van onderhandelingen tussen hem en [geïntimeerde] over de hoogte van de beloning is niet gebleken. Bij de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [de bestuurder] aangevoerd dat een ander lid een afwijkend hogere vergoeding uitonderhandelde met [geïntimeerde] , maar ook die stelling is niet (voldoende) onderbouwd. Daarmee komt vast te staan dat ook de beloning indirect werd bepaald door [de bestuurder] zelf, samen met de andere leden van [naam1] .\n\n3.50.. Naast de maandelijkse vergoeding bestond de beloning van [de bestuurder] uit zijn (indirecte) gerechtigdheid tot de winst die [geïntimeerde] maakte (of kon maken), via [de management-BV] ’s lidmaatschap van [naam1] en de certificaten in [naam2] .\n\n3.51.. Over de wijze van uitkering staat vast dat [geïntimeerde] aan [de management-BV] een managementvergoeding betaalde, die werd verhoogd met btw. [de management-BV] betaalde een deel daarvan door; een deel werd in [de management-BV] gereserveerd voor pensioen. [de bestuurder] heeft toegelicht dat [de management-BV] de maandelijkse vergoeding niet zelf aan [geïntimeerde] factureerde, maar dat [geïntimeerde] elke maand voor alle leden van [naam1] een factuur opstelde, die factuur bij zichzelf indiende en vervolgens uitbetaalde, zonder dat daar een handeling van [de bestuurder] (of [de management-BV] ) aan te pas kwam. Volgens [de bestuurder] was daarmee in wezen sprake van loonstrookjes, terwijl [geïntimeerde] heeft betoogd dat dit een service was die [geïntimeerde] voor de leden van [naam1] verrichtte. Wat van deze etikettering ook zij, het hof constateert dat over de wijze waarop de vergoeding werd uitgekeerd (een bedrag verhoogd met btw, zonder inhouding van loonbelasting, waarna een deel binnen [de management-BV] werd gereserveerd als pensioenvoorziening) tussen partijen op zichzelf geen discussie bestaat.\n\n3.52.. Gezichtspunt (viii) betreft de vraag of degene die de werkzaamheden verricht daarbij commercieel risico loopt. Zoals hierboven genoemd had [de bestuurder] indirect aanspraak op eventueel in [geïntimeerde] gemaakte winst. Verder liep hij (via [de management-BV] ) gelet op het bepaalde in artikel 5.2 en 5.4 van de ledenovereenkomst risico op zijn aan [naam1] betaalde ledenbijdrage, waarmee hij zich als het ware moest inkopen. Daarnaast volgt uit artikel 5.6 van de ledenovereenkomst dat wanneer de solvabiliteit van [geïntimeerde] versterkt moet worden, de leden van [naam1] verplicht kunnen worden om een aanvullende ledenbijdrage te storten. [geïntimeerde] kan het te storten bedrag op grond van artikel 5.8 van de ledenovereenkomst verrekenen met de maandelijkse vergoeding. Dit was geen theoretisch risico; tussen partijen staat vast dat de leden hebben moeten bijstorten om een lening te helpen aflossen die was aangetrokken om een schikking met een voormalig mede-eigenaar te financieren.\n\n3.53.. Gezichtspunt (ii) gaat over de wijze waarop de werkzaamheden en de werktijden worden bepaald. [de bestuurder] heeft, ter onderbouwing van zijn stelling dat hij zijn werkzaamheden onder gezag van [geïntimeerde] verrichtte, erop gewezen dat hij zich moest houden aan de binnen [geïntimeerde] geldende protocollen en reglementen. Die regels waren echter door de leden van [naam1] , waaronder indirect [de bestuurder] zelf, opgesteld of vloeiden voort uit de door [naam1] opgestelde voorwaarden. Het directiereglement, van belang voor de periode dat [de bestuurder] bestuurder was, was door het bestuur vastgesteld, maar behoefde goedkeuring van de algemene vergadering van aandeelhouders (met [naam1] als enig stemgerechtigd aandeelhouder). Daarbij is niet gebleken dat die protocollen en reglementen alleen golden voor werknemers en niet (ook) voor opdrachtnemers die binnen [geïntimeerde] werkten. Sterker nog: [de bestuurder] verwijst bijvoorbeeld naar de [geïntimeerde] Geschenkenregeling en de [geïntimeerde] Incidentenregeling als voorbeelden die (mede) duiden op een gezagsverhouding. Uit die regelingen blijkt echter dat zij van toepassing zijn op zowel werknemers als op participanten als op alle overige medewerkers die namens [geïntimeerde] optreden. De binding aan deze regelingen duidt daarom niet noodzakelijkerwijs op een gezagsverhouding. Voor de periode dat [de bestuurder] bestuurder was, is nog van belang dat het toezicht van de raad van commissarissen waaronder [de bestuurder] stond, en het feit dat de raad van commissarissen geregeld met hem sprak, niet duiden op een gezagsverhouding waarbij [geïntimeerde] de werkzaamheden bepaalde. Dat past immers (ook) bij de vennootschapsrechtelijke verhoudingen. Ook als de raad van commissarissen dicht op het bestuur zou hebben gezeten, maakt dat nog niet dat de bestuurder in een gezagsrelatie tot de raad van commissarissen staat, ook gelet op de beleidsvrijheid die de raad van commissarissen toekomt bij de invulling van zijn taken. Daarbij komt dat de raad van commissarissen [de bestuurder] wel als bestuurder kon ontslaan, maar niet bevoegd was om de overeenkomst van opdracht te beëindigen, terwijl de leden van [naam1] , de aandeelhouder met stemrecht in [geïntimeerde] , het vertrouwen in de raad van commissarissen konden opzeggen, wat diens ontslag tot gevolg heeft. [naam1] was verder, op grond van artikel 7.3 van de ledenovereenkomst, bevoegd om financiële gevolgen te verbinden aan de schending door [de bestuurder] van de overeenkomst van opdracht. Ook bepaalde [naam1] in de ledenovereenkomst (artikel 9) de gevolgen van de beëindiging van de overeenkomst van opdracht. Deze gecompliceerde machtsverhoudingen, waarbij de contractuele bevoegdheden met name bij [naam1] liggen, passen niet bij een gezagsrelatie tussen werkgever en werknemer. [de bestuurder] heeft verder aangevoerd dat hij goedkeuring van (de algemeen directeur binnen) [geïntimeerde] nodig had voor het opnemen van vakantiedagen, maar dat is in het licht van het gemotiveerde verweer van [geïntimeerde] onvoldoende onderbouwd. [de bestuurder] heeft een foto van het inlogscherm van de vakantiedagenadministratie overgelegd, met daarop de button ‘Verlof aanvragen’. Maar tegenover de betwisting van [geïntimeerde] dat vakantiedagen werden geregistreerd zodat de leden van [naam1] onderling konden controleren of elk van hen het afgesproken aantal werkdagen per jaar maakte, heeft [de bestuurder] niets meer ingebracht, zoals een verklaring van de algemeen directeur hierover of een voorbeeld dat hem vakantie ook daadwerkelijk is geweigerd.\n\n3.54.. De voorgaande vier gezichtspunten wijzen er sterk op dat tussen [geïntimeerde] en [de bestuurder] geen sprake was van een arbeidsovereenkomst. Uit de genoemde omstandigheden volgt dat [de bestuurder] mede-ondernemer was via [geïntimeerde] en samen met zijn mede-ondernemers bepaalde onder welke voorwaarden zij hun werkzaamheden voor de gezamenlijke onderneming verrichtten en welke beloning zij daarvoor kregen. Zijn beloning als geheel, inclusief het risico bij verliezen in de onderneming van [geïntimeerde] , duiden ook op ondernemerschap. Van een gezagsrelatie tussen [geïntimeerde] en [de bestuurder] is geen sprake, ook al is dat bij een bestuurder van een vennootschap mogelijk minder zwaarwegend.Van belang is dat de regels van [geïntimeerde] waar [de bestuurder] zich aan moest houden, (uiteindelijk) door de leden van [naam1] waren bepaald.\n\n3.55.. De overige gezichtspunten zijn in dit geval onvoldoende richtinggevend voor de ene of de andere uitkomst en leiden in ieder geval niet tot een andere conclusie. Wat betreft gezichtspunt (i), de aard en duur van de werkzaamheden, geldt dat de leidinggevende aard van [de bestuurder] ’ werkzaamheden en de onbepaalde tijd ervan op zichzelf passen bij een arbeidsovereenkomst. Deze passen echter evenzeer bij een bestendige vorm van mede-ondernemerschap zoals bij [naam1] en haar leden, waarbij een van de leden gedurende enige tijd deel uitmaakt van het bestuur van de onderneming. Voor gezichtspunt (iii), de inbedding van het werk en degene die de werkzaamheden verricht in de organisatie en de bedrijfsvoering van degene voor wie de werkzaamheden worden verricht, is van belang dat [de bestuurder] en zijn werkzaamheden waren ingebed in de organisatie en bedrijfsvoering van [geïntimeerde] . Dat kan duiden op een arbeidsovereenkomst, maar past evenzeer bij een bestendige vorm van mede-ondernemerschap waarin de leden van [naam1] hebben bepaald op welke manier zij met elkaar samenwerken. Bij gezichtspunt (iv), het al dan niet bestaan van een verplichting het werk persoonlijk uit te voeren, is tijdens de mondelinge behandeling bij het hof toegelicht dat de overeenkomst is aangegaan met het oog op de persoon van [de bestuurder] , wat kan passen bij zowel een arbeidsovereenkomst als een overeenkomst van opdracht. Van belang is dat uit het reglement bij de overeenkomst van opdracht volgt dat [de bestuurder] zich niet zomaar kon laten vervangen. Dat kan duiden op een arbeidsovereenkomst, maar past ook bij onderlinge afspraken tussen ondernemers om samen te werken, waarbij ook nog meeweegt dat het gaat om een deurwaarderskantoor waarbij de specifieke hoedanigheid van deurwaarder van belang was. Er is bovendien geen gebruik gemaakt van de vervangingsmogelijkheid, noch is vervanging ooit besproken zodat dit beding geen daadwerkelijke betekenis heeft (gehad). Wat betreft gezichtspunt (vii), de hoogte van de beloning, is relevant dat de managementvergoeding van [de management-BV] ten tijde van de functie van [de bestuurder] als bestuurder € 19.921,75 exclusief btw per maand bedroeg (en blijkens de overeenkomst van opdracht in de periode voordat hij bestuurder was € 13.940,67). [de bestuurder] heeft toegelicht dat dit bedrag niet aansluit bij vergoedingen voor echte zelfstandigen en erop gewezen dat zijn vergoeding veel lager was dan wat verschillende interim-bestuurders van [geïntimeerde] maandelijks als vergoeding als opdrachtnemer kregen. Daar staat tegenover dat die bestuurders geen lid waren maar daadwerkelijk “interimmer”, terwijl [de bestuurder] een vaste functie had, waarvan de vergoeding volgde uit de door de leden van [naam1] bepaalde staffel en hij daarnaast nog gerechtigd was tot een winstdeel. Gezichtspunt (ix) betreft de vraag of degene die de werkzaamheden verricht zich in het economisch verkeer als ondernemer gedraagt of kan gedragen, bijvoorbeeld bij het verwerven van een reputatie, bij acquisitie, wat betreft fiscale behandeling, en gelet op het aantal opdrachtgevers voor wie hij werkt of heeft gewerkt en de duur waarvoor hij zich doorgaans aan een bepaalde opdrachtgever verbindt. In dit geval werd het ondernemerschap van [de bestuurder] , met dat van zijn mede-leden van [naam1] , uitgeoefend in hun gezamenlijke onderneming [geïntimeerde] . Daarom is voor [de bestuurder] ’ ondernemerschap niet van belang of hij (met [de management-BV] ) behalve voor [geïntimeerde] nog voor andere opdrachtgevers werkte. [geïntimeerde] werkt voor verschillende opdrachtgevers. [geïntimeerde] heeft gewezen op de fiscale behandeling van [de bestuurder] als ondernemer en op het opbouwen van een eigen pensioenvoorziening in [de management-BV] , wat eerder wijst op ondernemerschap dan op werknemerschap. In [geïntimeerde] vindt, uiteindelijk voor rekening van [de bestuurder] en de leden van [naam1] , acquisitie en marketing plaats, waarvan [de bestuurder] via de bedrijfsresultaten van [geïntimeerde] profiteerde.\n\nTussenconclusie kwalificatie rechtsverhouding [geïntimeerde] en [de bestuurder]\n\n3.56.. De rechtsverhouding tussen [de bestuurder] en [geïntimeerde] was geen arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 BW.\n\n3.57.. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen; [de bestuurder] heeft geen voldoende specifiek bewijs aangeboden en geen bewijs aangeboden van feiten of omstandigheden die, als zij zouden komen vast te staan, tot een ander oordeel zouden leiden.\n\nDe conclusie\n\n3.58.. Het hoger beroep slaagt niet, zodat er ook geen redenen zijn anders te oordelen over de proceskostenveroordeling van [de bestuurder] in eerste aanleg. Omdat [de bestuurder] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [de bestuurder] tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak.\n\n3.59.. De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).\n\n4. De beslissing\n\nHet hof:\n\n4.1.. bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 26 februari 2025;\n\n4.2.. \n\nveroordeelt [de bestuurder] tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerde] :\n\n€ 827 aan griffierecht\n\n€ 2.580 aan salaris van de advocaat van [geïntimeerde] (2 procespunten x het toepasselijke tarief II);\n\n4.3.. verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;\n\n4.4.. wijst af wat verder is gevorderd.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. G.P. Oosterhoff, G.A. Diebels en Th. Veling, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026.\n\n ECLI:NL:RBMNE:2025:1655.\n\n HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9145, rov. 3.4.3.\n\n HR 26 oktober 1984, ECLI:NL:HR:1984:AG4887, HR 10 maart 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1657, rov. 3.5.2.\n\n Hof Arnhem 18 augustus 2009, ECLI:NL:GHARN:2009:BK8820, rov. 4.20.\n\n HR 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:443, rov. 3.2.3, 3.2.4 (Deliveroo).\n\n HR 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:443, rov. 3.2.5 (Deliveroo) en HR 21 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:319, rov. 3.1 (Uber).\n\n HR 21 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:319, rov. 3.3 (Uber).\n\n Hof Arnhem-Leeuwarden 30 mei 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:4294, rov. 3.43.\n\nHR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:3978","ecli-nl-gharl-2026-3978",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":66,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":67,"language":12,"source":13,"sourceUrl":68,"summary":6,"slug":69,"metadata":70},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":71,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]