[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-gharl-2026-4227":3,"decision-more-ecli-nl-gharl-2026-4227":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"363","ECLI:NL:GHARL:2026:4227","",70,"Leeuwarden","leeuwarden","2026-06-30T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Leeuwarden\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.347.431\u002F01\n\nzaaknummer rechtbank Midden-Nederland 541028\n\narrest van 30 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nMajestic Home Care B.V. (MHC)\n\ndie is gevestigd in Amstelveen\n\nadvocaat: mr. P.J. van Hartingsveldt\n\nen\n\nONVZ Ziektekostenverzekeraar N.V. (ONVZ)\n\ndie is gevestigd in Houten\n\nadvocaat: mr. A.C. van der Salm\n\n1. Het verloop van de procedure in hoger beroep\n\n1.1. \n\nMHC heeft hoger beroep ingesteld tegen de vonnissen die de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, (hierna: de rechtbank) op 28 juni 2023, 18 oktober 2023 en\n\n27 maart 2024 tussen partijen heeft gewezen.Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:\n\n• de dagvaarding in hoger beroep\n\n• de memorie van grieven\n\n• de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep\n\n• de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep\n\n• het verslag van de mondelinge behandeling die op 25 maart 2026 is gehouden (het proces-verbaal)\n\n1.2. \n\nAan het einde van de mondelinge behandeling hebben partijen het hof verzocht de zaak met het oog op het beproeven van een minnelijke regeling aan te houden tot\n\n14 april 2026, waarna zij het hof alsnog hebben gevraagd arrest te wijzen. Hierop heeft het hof een datum voor arrest bepaald.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1. ONVZ heeft declaraties voor door MHC verleende zorg over de jaren 2018 en 2019 vergoed. Onderzoek naar die declaraties heeft ONVZ tot het standpunt gebracht dat ten aanzien van die declaraties niet kan worden vastgesteld dat de zorg die daaraan ten grondslag hoort te liggen ook daadwerkelijk is verleend. Volgens ONVZ voldeed de administratie van MHC in zodanige mate niet aan de daaraan te stellen eisen, dat ONVZ gelet daarop de declaraties van MHC niet had mogen betalen. Zij vordert de door haar betaalde bedragen voor een totaal van ruim 223 duizend euro van MHC terug.\n\n2.2. \n\nDe rechtbank heeft in een tussenvonnis van 28 juni 2023 geoordeeld dat als komt vast te staan dat (een deel van) de door MHC gedeclareerde zorg niet is verleend, MHC onrechtmatig heeft gehandeld door die zorg, dan immers ten onrechte, te declareren. De niet verleende, maar wel vergoede, zorg geldt dan als schade voor ONVZ. De rechtbank heeft ONVZ opgedragen te bewijzen dat (een deel van) de gedeclareerde zorg niet is geleverd. De rechtbank heeft, oordelend in een incident, bij vonnis van 18 oktober 2023 MHC opgedragen om van diverse stukken afschrift aan ONVZ te verstrekken. In haar eindvonnis van\n\n27 maart 2024 heeft de rechtbank geoordeeld dat ONVZ gedeeltelijk is geslaagd in haar bewijsopdracht en heeft MHC veroordeeld om een bedrag van, bij elkaar opgeteld, € 52.348,92 met rente aan ONVZ te betalen, en MHC veroordeeld in de proceskosten.\n\n2.3. De bedoeling van het hoger beroep van MHC is dat de vorderingen tegen haar alsnog worden afgewezen, terwijl de insteek van het incidentele beroep van ONVZ is dat de vorderingen tegen MHC alsnog volledig worden toegewezen.\n\n2.4. Het hof zal beslissen dat het hoger beroep van MHC niet slaagt en het incidentele hoger beroep van ONVZ juist doel treft. Hierna licht het hof dit oordeel toe, nadat het eerst de feiten uiteen heeft gezet.\n\n3. De feiten\n\n3.1. \n\nONVZ is een zorgverzekeraar die zorg voor haar verzekerden vergoedt onder de\n\nZorgverzekeringswet (Zvw). MHC is een organisatie die thuiszorg en wijkverpleging levert.\n\nMHC verleent de zorg via door haar ingeschakelde hulppersonen. MHC is opgericht op\n\n13 juli 2018. Sindsdien is mevrouw [naam1] middellijk bestuurder van MHC (hierna: de bestuurder). In de periode daarvoor dreef de bestuurder als zorgaanbieder in de thuiszorg een eenmanszaak onder de handelsnaam “ [handelsnaam] ”. De activiteiten van [handelsnaam] zijn per 13 juli 2018 overgenomen door MHC.\n\n3.2. MHC is een zogenoemde “niet-gecontracteerde zorgaanbieder” van ONVZ, die dus zelf geen contract met ONVZ heeft. MHC en [handelsnaam] hebben in de periode van 2018 tot en met 2019 voor een totaalbedrag van € 223.543,20 gedeclareerd voor zorg die zou zijn verleend aan een zestal zorgcliënten die verzekerd waren bij ONVZ. MHC diende haar declaraties voor een deel zelf in bij ONVZ, via het externe declaratiesysteem VECOZO, op basis van met de zorgcliënten gesloten aktes van cessie. Voor het overige declareerde MHC rechtstreeks aan de verzekerden, die de declaraties vervolgens indienden bij ONVZ. ONVZ heeft de ingediende declaraties betaald.\n\n3.3. In een brief van 20 januari 2020 heeft ONVZ aan MHC aangekondigd een materiële controle te zullen uitvoeren over de zorg die voor het jaar 2019 was gedeclareerd. In de brief staat te lezen dat de reden voor deze controle is dat ONVZ de declaraties van niet-gecontracteerde zorgaanbieders over 2019 met elkaar heeft vergeleken, en dat MHC opviel vanwege de omstandigheid dat bij haar op jaarbasis gemiddeld € 40.319 per verzekerde werd gedeclareerd, terwijl dat bij vergelijkbare zorgaanbieders € 6.689 zou zijn.\n\n3.4. Omdat de reactie van MHC van 27 maart 2020 op de door ONVZ gestelde (aanvullende) vragen naar opvatting van ONVZ onvoldoende zekerheid gaf over de recht- en doelmatigheid van de gedeclareerde zorg, is ONVZ overgegaan tot een detailcontrole.\n\n3.5. In een brief van 5 augustus 2020 heeft ONVZ haar voorlopige bevindingen naar aanleiding van de door haar gedane controles aan MHC laten weten. In die brief staat onder meer te lezen:\n\n“Rapportages\n\n• De rapportages bevatten een opsomming van activiteiten en weinig andere relevante\n\ninformatie.\n\n• Er wordt niet op doelen gerapporteerd, in de rapportages worden geen meetbare bevindingen genoteerd.\n\n• In de rapportages wordt geen melding gemaakt van de huisbezoeken van de indicerend\n\nwijkverpleegkundige i.v.m. herindicaties. Onduidelijk hoe de evaluatie heeft plaats gevonden.\n\nDe betrokkenheid van de wijkverpleegkundige is niet aangetoond. Het is onduidelijk wie de\n\nregie voert bij de cliënten en hoe de afstemming met andere disciplines verloopt.\n\n• Wanneer er sprake is van een incident (zoals cliënt heeft koorts) is er geen vervolgactie\n\ngerapporteerd. Geen sprake van meetbare feiten (zoals aantal graden Celsius). Wanneer er\n\nherhaaldelijk sprake is van een dergelijke situatie, wordt nooit contact opgenomen met een\n\nandere zorgprofessional of de wijkverpleegkundige. Wanneer de suggestie wordt gewekt dat\n\nmen een actie rondom zorg coördinatie uitvoert, worden hier geen bevindingen van\n\ngerapporteerd. (…)\n\n• Er worden structureel bij cliënten interventies uitgevoerd die niet onder de Zvw vallen, zoals wandelen en maaltijdondersteuning. Deze zorgmomenten zijn wel gedeclareerd en\n\ngeregistreerd in de urenregistratie.\n\nEr is in de dossier sprake van een statische situatie, waarin de cliënt geen ontwikkeling doormaakt. Onze bevinding luidt dat de rapportages tegenstrijdige en onjuiste informatie in structureel dezelfde zinssneden bevatten. De rapportages kunnen de kwaliteit van zorg niet borgen en aantonen, hiermee voldoen deze in eerste instantie niet aan de eisen voor voortgangsrapportages zoals vastgelegd in de Richtlijn Verslaglegging:\n\n(…)\n\nDaarnaast bevatten de rapportages de volgende fraudesignalen (…).\n\n• Er is geen sprake van vermelding van zorgmomenten met andere professionals, zoals\n\nhuisartsenconsulten. Wanneer dit wel genoemd wordt, komen de data niet overeen met de\n\nbehandeldata zoals vermeld door de andere zorgprofessionals in onze declaratiegeschiedenis. (…)\n\n• Cliënt wisselt van geslacht\n\n• Typefouten, zinssneden en woordkeuzen wisselen niet wanneer een andere zorgverlener\n\nrapporteert.\n\n• Er is sprake van een sjabloon, variaties vallen samen met het aantal dagen in de maand (30\n\nof 31).\n\n• Rapportages die structureel voorkomen staan vermeld in het dossier van een andere cliënt.\n\n• Er is sprake van dezelfde patronen per dag. Wanneer in de ochtend A voorkomt, is er altijd\n\ntijdens een later zorgmoment sprake van B. Bijv, wanneer cliënt in de ochtend een wandeling\n\nwilt nemen, heeft deze altijd in de avond buikpijn.\n\n• In dagrapportages bij meerdere cliënten worden structureel over de gehele periode van zorg\n\ndezelfde fout in interpunctie gemaakt, door verschillende zorgverleners.\n\nVoor ONVZ is het uitgangspunt dat uit het dossier is af te leiden welke zorg is geleverd en verzekerd is. Dat betekent dat zorg niet alleen geïndiceerd moet zijn, maar uit de dossiers moet ook volgen wat daadwerkelijk geleverd is. Onze bevinding luidt de wijze van rapporteren zoals aanwezig in de aangeleverde dossiers ongeschikt is om kwaliteit van zorg te borgen. Er is niet voldaan aan de verplichting een navolgbaar dossier aan te leggen, zoals vastgelegd in de Regeling Verpleging en Verzorging.\n\n(…)\n\nUrenregistraties\n\nEr is bij meerdere cliënten geen enkele keer een variatie in de urenregistratie aanwezig. De zorg wordt elke dag op dezelfde tijdstippen geleverd. Wanneer er wél incidenteel een zorgmoment wegvalt, wordt niet vermeld in de dagrapportages wat de reden is. In de declaratiedata is te zien dat de uren wel gedeclareerd worden.\n\nWanneer het aantal uren wordt aangepast in de indicatie, worden er nog steeds dezelfde tijden geregistreerd. De zorg wordt nooit afgeschaald, maar er wordt wel minder gedeclareerd. (…)\n\nVoorlopige conclusie\n\nONVZ concludeert op basis van de dossiers dat Majestic Home Care en [handelsnaam] de feitelijke levering van de zorg voor de verzekerden niet heeft aangetoond. Naast deze bevinding bevatten de dossiers fraudesignalen die nader verklaart dienen te worden.\n\nNaast dit feit is er voor twee cliënten geen sprake van een geldig indicatiebesluit, aangezien in deze dossiers geen sprake is van een aantoonbaar ondertekende indicatie en zorgplan. (…) Onze voorlopige conclusie ten aanzien van doelmatigheid luidt dat er structureel niet is aangetoond dat er sprake is geweest van doelmatige levering van zorg. (…)”\n\n3.6. Naar aanleiding van deze bevindingen van ONVZ heeft op 26 november 2020 een gesprek met de bestuurder plaatsgevonden. Het gespreksverslag vermeldt onder meer het volgende.\n\n“Majestic Home Care\n\nWat er is gebeurd, de papieren dossiers had ik maar van sommige was het handschrift niet te\n\nlezen. Wij hebben dus op een gegeven moment gezegd: ‘we gaan alles gewoon typen zodat\n\nhet toch netjes is'. Ik vermoed, en dat verdient natuurlijk geen schoonheidsprijs, dat\n\nmedewerkers op een gegeven moment dingen hebben geknipt en geplakt, maar dat was niet\n\nde bedoeling.\n\nONVZ (vrouw)\n\nWat is er dan gebeurd met die papieren dossiers?\n\nMajestic Home Care\n\nDie zijn opgeborgen, die zijn nog opgeborgen.\n\nONVZ (vrouw)\n\nU begrijpt dat, als u nu ook zegt die zijn inderdaad ‘geknipt en geplakt' daarmee kunt u dus niet de feitelijke levering van de zorg aantonen.\n\nMajestic Home Care\n\nJa, maar ik zou wel de papieren dossiers kunnen opsturen. Dan kunt u die ook inlezen. Die\n\nmoet ik dan even gaan ophalen want die heb ik dus opgeborgen.\n\nONVZ (vrouw)\n\nWaarom heeft u de keuze gemaakt om ons niet die papieren dossiers op te sturen maar deze\n\ndigitale dossiers?\n\nMajestic Home Care\n\nOmdat, zoals ik aangaf, het was best wel onduidelijk. Het handschrift was bijna onleesbaar op sommige plekken. Ik dacht dat het nou juist handig was om alles netjes over te typen dus dat hebben we eigenlijk gedaan. Achteraf was dat misschien niet echt verstandig.\n\nONVZ (vrouw)\n\nU heeft het dus niet overgetypt. U zegt zelf dat u het heeft gekopieerd en geplakt.\n\nMajestic Home Care\n\nNee, maar het is niet overal zo gebeurd. Op een gegeven moment hebben we gezegd: ‘de\n\nrapportages moeten aangeleverd worden en ik merk gewoon dat het heel slordig is. Wat is\n\nwijsheid?’ Toen hebben we dit besluit genomen, maar dat was misschien niet het verstandigste besluit.\n\n(…)\n\nONVZ (vrouw)\n\nJa, maar de vraag voorliggend daaraan is natuurlijk dat ik zeg, er is sprake eigenlijk van bij elke klant gebeurt elke dag precies hetzelfde het hele jaar door, eigenlijk per maand ook. Omdat ik zeg, er is sprake van een sjabloon. Een sjabloon voor een maand met 30 dagen en een sjabloon voor een maand met 31 dagen. Er gebeurt eigenlijk, om het maar zo te zeggen, niks opmerkelijks of incidenteel bij die cliënt. Wat heeft u dan precies overgetypt? Als ik de\n\nrapportages lees waarin zorg is verleend, dan gaat het vaak over uitzonderlijke situaties. Ik\n\nbegrijp niet zo goed of ik vraag aan u: ‘heeft u dan een interpretatie gemaakt van hoe die\n\nsituatie van die cliënt was en heeft u op basis daarvan geknipt en geplakt of heeft u werkelijk\n\niets over getypt?’\n\nMajestic Home Care\n\nWat ik aangeef, we hebben besloten om de rapportages gewoon echt over te typen. Dat is de\n\nopdracht die ik gegeven heb, maar helaas. Ik moet ook gewoon eerlijk zeggen, ik heb niet alle rapportages opnieuw nagekeken. De opdracht is gegeven omdat het op bepaalde plekken bijna niet te lezen was en er was ook drinken over een paar van die bladen gevallen dus het was ook niet netjes om op te sturen. Dat is eigenlijk de reden geweest waarom we ook hebben gezegd: ‘misschien is het gewoon beter om het over te typen'.\n\nONVZ (vrouw)\n\nNou, ja, goed. Als een rapportage onleesbaar is dan is dat ook onvoldoende om de levering\n\nvan de zorg aan te tonen of in ieder geval om de kwaliteit van zorg te borgen als een derde\n\npersoon niet kan lezen wat er is gebeurd.\n\nMajestic Home Care\n\nPrecies, ik heb de medewerker daar ook op aangesproken, ‘anders ga je maar blokletters\n\nschrijven maar op deze manier moet je niet schrijven’.\n\nONVZ (vrouw)\n\nMaar dat is dan niet bij één dossier gebeurd. Het enige dossier waar wij papieren van hebben\n\nontvangen is het dossier van de heer [naam2] . De overige zes bestaan eigenlijk uit waar we\n\nhet net over hebben gehad.\n\nMajestic Home Care\n\nJa, maar zoals u ook zag, het was een team die toen werkte en het waren dus steeds dezelfde\n\nmensen. Je ziet ook een patroon van dat niet leesbare, want het was één persoon die dat\n\nhandschrift had. Vandaar dat we op een gegeven moment dachten, het is bij hen niet te lezen\n\nen je wilt het natuurlijk wel goed aanleveren. Helaas is het nu niet op de juiste manier\n\naangeleverd, maar dat was wel de instelling en dat was wel de doelstelling, goed aanleveren.\n\nONVZ (vrouw)\n\nU zegt dus dat er bij zes cliënten sprake was van zorgverleners die allemaal een onleesbaar\n\nhandschrift hebben gehad. Dat klinkt een beetje gechargeerd, maar dat is wel wat u nu zegt. Bij zes cliënten waren de papieren dossiers van een dusdanige kwaliteit dat u die niet heeft\n\naangeleverd?\n\nMajestic Home Care\n\nNee, dat hoort u mij niet zeggen. Ik zeg, er was een vast team en er was één medewerker die\n\neen bepaald handschrift had en dat zie je terug in de rapportages. Nee, dat waren niet zes\n\nmedewerkers, dat kan niet.\n\nONVZ (vrouw)\n\nNee, maar u heeft wel dossiers aangeleverd waarbij er sprake is van deze patronen voor zes\n\ncliënten. Alleen bij de heer [naam2] waren meerdere zorgverleners betrokken. Daar is sprake van een papieren dossier. Voor de rest zien we bij al die andere zes cliënten dat er sprake is van gekopieerde en geplakte zinnen, een sjabloon, andere professionals waar je geen vermelding (van) vindt. Dat vind ik dan nogal ... dat u daarmee zegt dat bij al die cliënten het dossier van dusdanige kwaliteit was dat het niet aangeleverd kon worden.\n\nMajestic Home Care\n\nNee, maar dat zeg ik niet. Omdat het handschrift gewoon steeds terugkwam bij die dossiers,\n\nvandaar dat we ... Het ging om één medeweker, net wat ik zeg. Eén medewerker had dat\n\nhandschrift, maar dat kom je dan wel weer in alle dossiers tegen. Bij de heer [naam2] is dat\n\nniet, want bij de heer [naam2] was het zo dat de regie van de zorg van de heer [naam2] lag niet bij mij. Wij werden ingehuurd om bij de heer [naam2] de zorg te leveren. Vandaar dat ik ook kopieën van het papieren dossier van de heer [naam2] heb gekregen. Zoals u ziet, hebben wij ook niet structureel zorg daar geleverd. Het was meer op oproep.\n\n(…)\n\nONVZ (man)\n\nIk stop u nu eventjes. U zet twee zaken tegenover elkaar die niet met elkaar rijmen. U zegt aan de ene kant: ‘hetgeen wat wij overgetypt hebben, klopt met de papieren registratie en daarom is het prima dat de cliënt daarvoor getekend heeft’. Daarnaast zien wij dat de getypte registratie niet overeen komt met uw declaraties, maar u zegt ook dat uw declaraties wel kloppen met de zorglevering zoals die in de map geregistreerd is. Dat valt niet met elkaar te rijmen in deze. Dan is er ergens een fout gemaakt waarvan u zegt: ‘nee, die is niet gemaakt'.\n\n(…)\n\nONVZ (man)\n\nJa, juist, exact. Wat is zeg is dat u aangeeft dat u geregistreerd heeft bij de cliënt, in een map\n\nbijgehouden, de cliënt heeft daarvoor getekend. U heeft dat vervolgens overgetypt en de cliënt heeft daar nog een keer voor getekend op een later tijdstip. Vervolgens is dat dan de declaratie geworden. Wat wij aangeven ...\n\nMajestic Home Care\n\nNee, ik heb niet gezegd dat dat de declaratie is geworden. Het is overgetypt nadat de vraag is\n\ngesteld om een controle. Toen hebben wij dat op een gegeven moment besloten. Dat is wat ik\n\ngezegd heb.\n\nONVZ (man)\n\nJa, maar wat u zegt is dat het getypte en het geschreven met elkaar overeen komt. Dat zegt u\n\nnet.\n\nMajestic Home Care\n\nDat zou overeen moeten komen, ja.\n\nONVZ (man)\n\nJa, exact. Tegelijkertijd zien wij dat het getypte niet overeenkomt met hetgeen wat u\n\ngedeclareerd heeft. Daarmee kunnen wij stellen, als u zegt 'het getypte komt overeen met de\n\npapieren die aanwezig zijn’, dat die ook niet overeenkomen met die declaratie. Dan zal er\n\nergens een fout moeten zijn tussen deze drie documenten.\n\nMajestic Home Care\n\nDat zou dan kunnen. Net wat ik aangeef, ik heb eerlijk gezegd in de afgelopen periode niet de tijd gehad om even nog een keer door alles heen te gaan ter voorbereiding van dit gesprek. Dat ga ik ook niet ontkennen. Normaal gesproken had ik dat moeten doen zodat ik meer expliciet weet wat u bedoelt. Ik ben twee maanden echt niet lekker geweest. Ik heb daar de gelegenheid niet toe gehad.\n\nONVZ (man)\n\nDat snap ik en dat is vervelend, maar we praten niet over de afgelopen twee maanden. Dit zijn declaratiegegevens van langer geleden. Waar we eigenlijk nu op komen, er zit een discrepantie tussen wat gedeclareerd is en wat genoteerd is. Wij hebben dat u voorgelegd en we komen er eigenlijk niet uit. Wat ik dus aan wil geven, ik denk ook dat we het hier dan wel op dit punt even bij kunnen laten, is dat we er nu geen verder bewijs voor zien dat het wel overeenkomt met de werkelijkheid en dat is wel zorgelijk voor ons.\n\nMajestic Home Care\n\nNee, dan zou ik de papieren versie op moeten gaan zoeken en dat naar u opsturen.\n\nWaarschijnlijk is het met het typen gewoon fout gegaan. Dan heb ik even tijd nodig om die\n\npapieren allemaal bij elkaar te halen en dat naar u te komen brengen desnoods.\n\nONVZ (man)\n\nMevrouw, dan ga ik even heel flauw zeggen. U heeft digitale dossiers aangeleverd. Daar\n\nblijken fouten in te zitten. U geeft nu aan: ‘dat wist ik niet'. Dan is de vraag als u daar nog een papieren dossier naast legt, wat voegt dat toe in het geheel? Toont dat dan wel een feitelijke levering aan bijvoorbeeld? U heeft op deze manier misschien uzelf ook onbedoeld klemgezet in de situatie waar we eigenlijk de waarheid niet meer boven tafel kunnen krijgen.\n\nMajestic Home Care\n\nHeel vervelend, want mijn intentie is zeker niet om de boel te belazeren. Absoluut niet. Op het moment dat er geen zorg geleverd wordt, wordt het ook niet gedeclareerd. Dus ja, het is heel spijtig. We hebben de papieren dossiers inderdaad en op een gegeven moment hebben we gezegd om het netjes - misschien, net wat je zegt, onbedoeld - om het netjes aan te leveren gaan we het met zijn allen overtypen. Ik weet helaas niet en ik weet dat ik verantwoordelijk ben en dat is wel vervelend, waar het fout gegaan is. Daar loop ik dan gewoon tegenaan.\n\nONVZ (vrouw)\n\nMisschien begrijp ik het niet zo goed, want ik hoor u wel twee dingen zeggen. Aan de ene kant hebben wij aangegeven in onze voorlopige conclusie dat wij zien dat bijvoorbeeld data van een fysiotherapie consult komt niet overeen met de declaratie data die wij hebben van de\n\nfysiotherapeut en wat er in uw dossier staat. Wat is daar dan gebeurd? Zijn er fouten geslopen in die rapportages of zijn die overgetypte rapportages wel getrouw aan de papieren\n\nrapportages?\n\nMajestic Home Care\n\nDat antwoord moet ik u eerlijk gezegd op dit moment verschuldigd blijven. Had ik het kunnen controleren, dan had ik daar antwoord op kunnen geven. Ik zal daarnaar moeten kijken. Het is heel spijtig dat ik dat niet eerder heb kunnen doen, want dan had ik u concreet antwoord kunnen geven. Als ik het zo moet horen, dan denk ik dat er toch fouten in geslopen zijn. (…)”\n\n3.7. In een brief van 23 december 2020 heeft ONVZ aan MHC aangegeven dat uit haar onderzoek blijkt dat (onder meer) rapportages niet conform de werkelijkheid zijn, en urenregistraties niet overeenkomen met declaraties. ONVZ stelt zich in deze brief op het standpunt dat MHC en [handelsnaam] onrechtmatig zorg ten laste van de Zvw hebben gebracht en zij kondigt aan het totaalbedrag aan declaraties over de jaren 2018 en 2019 van € 223.543,20 van MHC te zullen vorderen.\n\n4. De toelichting op de beslissing van het hof\n\n4.1. Het hof ziet aanleiding eerst in te gaan op de grieven van ONVZ, waarmee ONVZ wil bereiken dat het hof haar vorderingen helemaal toewijst, in plaats van gedeeltelijk, zoals de rechtbank deed.\n\nAan de declaraties van MHC lag geen deugdelijke administratie ten grondslag\n\n4.2. De rechtbank heeft in haar tussenvonnis van 28 juni 2023 ONVZ opgedragen te bewijzen dat (een deel van) de gedeclareerde zorg niet door MHC is geleverd, omdat als dat zo is dat volgens de rechtbank onrechtmatig is en het bedrag dat ONVZ heeft betaald voor zorg die niet is geleverd, moet worden beschouwd als schade.\n\n4.3. In hoger beroep betoogt ONVZ, met name met haar grieven 2 en 9, dat ook los van de vraag of ONVZ kan aantonen dat (een deel van) de gedeclareerde zorg niet is geleverd, het onrechtmatig handelen van MHC er (al) in bestaat dat haar administratie niet voldoet aan de eisen die daaraan worden gesteld, wil een zorgverlener zorg kunnen declareren die vervolgens ook door een zorgverzekeraar vergoed mag worden. Als uit de administratie van de zorgverlener – MHC – niet kan worden vastgesteld dat zorg is verleend, is al sprake van schade, aldus ONVZ. Anders gezegd: niet pas het declareren van niet geleverde zorg, maar ook (al) het declareren van zorg die niet voor vergoeding in aanmerking komt (omdat de zorgaanbieder geen deugdelijke administratie voert) is onrechtmatig tegenover haar, aldus ONVZ.\n\n4.4. Het hof is van oordeel dat MHC onrechtmatig heeft gehandeld tegenover ONVZ. Daarvoor is het volgende redengevend.4.5. Het hof stelt voorop dat uit de artikelen 35 en 36 Wmg volgt dat op een zorgaanbieder (zoals MHC) de verplichting rust om een administratie te voeren waaruit in ieder geval de overeengekomen en geleverde prestaties blijken, alsmede wanneer die prestaties zijn geleverd en aan welke patiënt onderscheidenlijk aan welke verzekerde die prestaties door een zorgaanbieder zijn geleverd. Met andere woorden: een administratie waaruit blijkt welke voor vergoeding in aanmerking komende zorg, wanneer, aan welke patiënt is geleverd. Vervolgens is het een ziektekostenverzekeraar (zoals ONVZ) niet toegestaan gedeclareerde zorg te vergoeden wanneer de betreffende zorgaanbieder niet aan deze administratieverplichting heeft voldaan.\n\n4.6. ONVZ stelt zich naar het oordeel van het hof terecht op het standpunt dat de administratie van MHCin de betreffende periode 2018-2019 niet voldeed aan de daaraan te stellen eisen, zoals hieronder zal blijken. Uit hetgeen ONVZ daarover in dit verband heeft gesteld, en MHC ookals zodanigniet onderbouwd heeft weersproken (zij het dat zij daarvoor, nader te bespreken, verklaringen aanreikt), stelt het hof het volgende vast.\n\n4.7. Over de zorgrapportages.De rapportages Verpleging en Verzorging (hierna: de zorgrapportages) zijn bedoeld als verslag van de zorg die daadwerkelijk door MHC aan zorgcliënten, verzekerden van ONVZ, is verleend. De zorgrapportages die in het geding zijn gebracht zijn niet authentiek, maar het gaat daarbij om stukken die in een later stadium, achteraf, door of namens MHC zijn opgesteld in reactie op de vraag van ONVZ om haar daarin inzicht te geven. De teksten van de zorgrapportages bevatten patronen die zich – sjabloonmatig – herhalen, waarbij te zien is dat er één sjabloon is voor maanden met een even aantal dagen, en één sjabloon voor maanden met een oneven aantal dagen.\n\n4.8. \n\nDaarnaast bevatten de verslagen van de zorg die aan verzekerden zou zijn verleend, veel herhaling van dezelfde teksten en handelingen. Dat zou verklaarbaar kunnen zijn, doordat individuele zorgverleners bij het stelselmatig moeten specificeren van soms dezelfde werkzaamheden ertoe zullen neigen steeds dezelfde formuleringen te gebruiken. In dit geval valt echter ook nog het volgende op. De teksten zijn soms zelfs gelijkluidend wanneer een andere zorgverlener bij een verzekerde zorg verleent. Een voorbeeld hiervan betreft de zorgrapportage ten aanzien van verzekerde Y.H.over de maand april 2019.Daarin wordt onder meer het volgende gerapporteerd over de zorgverlening op 2 april 2019:\n\n“08.00-08.20: Dhr. sliep nog bij binnenkomst en wilde niet wakker worden. Dhr. gaf aan hoofdpijn te hebben. Ik liet hem even en werd even later zelf wakker. Medicatie aangereikt en gebleven bij inname. Ben even gebleven of het verder goed ging met dhr. Dhr. was weer terug gegaan naar bed.”\n\nLater op de ochtend van die dag staat te lezen:\n\n“11.00-11.20: Dhr. was een beetje chagrijnig en had nergens zin om wat te doen. Middag medicatie klaar gezet, aangereikt en bij gebleven bij inname.”\n\nOp 5 april 2019 vermeldt de zorgrapportage bij deze cliënt op dezelfde tijdstippen, woordelijk hetzelfde. De zorgrapportages bij de cliënt vermelden, alleen al in de maand april 2019, bovendien een identiekecombinatie van gebeurtenissen – de verzekerde slaapt bij binnenkomst en heeft hoofdpijn, en later op de ochtend is de verzekerde chagrijnig – op 5, 17, 20, 21, 22, 25 en 28 april. Hoewel de combinatie van gebeurtenissen, en de bewoordingen waarin die zijn opgeschreven, steeds identiek zijn, schrijft het zorgverslag ze over de maand april 2019 toe aan verschillende zorgverleners: de ene keer aan zorgverlener G. C., en de andere keer aan N. A.\n\n4.9. Ten slotte stroken in sommige gevallen de zorgrapportages en declaratiegegevens van de betrokken zorgverleners over dezelfde periode niet met elkaar.\n\n4.10. Over de urenregistraties. Het hof neemt ten aanzien van de urenregistraties in aanmerking dat deze steeds al voor elke maand vooraf waren ingevuld met uren en zorgverleners, en dat daarin naderhand nooit afwijkingen te zien waren. Ook als de indicatie voor te verlenen zorg op een later tijdstip wijzigde, is dat niet in de urenregistraties terug te zien. Die bleven voor wat betreft de uren gedurende welke zorg zou zijn verleend gelijkluidend, óók als declaratiegegevens lieten zien dat volgens de nieuwe indicatie werd gedeclareerd. Op de urenregistraties is bovendien niet, of pas maanden later, door de zorgcliënten voor akkoord getekend.\n\n4.11. Over de facturen.Voor het verlenen van zorg heeft MHC diverse zzp’ers ingeschakeld. Hun facturen – die op hun beurt weer leidden tot de declaraties van MHC die uiteindelijk door ONVZ zijn vergoed – zijn niet te herleiden tot de personen van verzekerden van ONVZ en ten aanzien daarvan ontbreken urenstaten.\n\n4.12. \n\nAnders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat aan de administratie van MHC, gelet op de hiervoor omschreven kenmerken van de zorgrapportages, urenregistraties, declaraties en facturen, geen betrouwbareinformatie is te ontlenen over de vraag welke zorg, wanneer, aan een bepaalde zorgcliënt is verleend. De zorgrapportages zijn fundamenteel niet betrouwbaar te achten omdat daarin zeer regelmatig formuleringen opduiken – identieke, repeterende frases die verschillende zorgverleners precies op dezelfde manier zouden hebben opgeschreven – die niet allemaal juistkunnenzijn. Aan die rapportages is daarom dus niet te ontlenen wat nu wel en wat niet daadwerkelijk is gebeurd. Mogelijk is niet alles wat daarin staat onwaar, maar een gedeelte daarvan is zéker niet waar – het hof verwijst naar het in rechtsoverweging 4.8 beschreven verschijnsel, dat zich veel vaker voordoet – en het probleem daarmee is dat dus niet is vast te stellen wanneer het een of het ander zich voordeed. Dan zijn er verder nog de urenstaten die niet op het moment van zorgverlening zijn ingevuld, nooit wijzigen en niet aansluiten op declaraties; en de facturen van zorgverleners waaruit niet blijkt welk deel van de bij MHC in rekening gebrachte zorg aan welke verzekerde is toe te schrijven.\n\nDe sjablonen en identieke formuleringen in de zorgrapportages roepen ernstige vragen op over de betrouwbaarheid daarvan, óók als het hof de onduidelijke verklaring van MHC zou volgen dat het nodig bleek om de rapportages te digitaliseren en de oorspronkelijke papieren exemplaren verloren zijn gegaan. Ook dan blijft het om een verklaring roepen waarom zich de patronen en herhalingen voordoen. Een, laat staan aannemelijke, verklaring heeft MHC echter niet gegeven, ook niet nadat dit onderwerp op de zitting in hoger beroep uitgebreid ter sprake kwam.\n\nHet hof concludeert dat de administratie dan ook geen onverdachte, verifieerbare en daarmee betrouwbare gegevens bevat om uitsluitsel te geven over de vraag welke vergoedbare zorg, wanneer, aan welke verzekerde is geleverd.\n\n4.13. Voor zover MHC er een beroep op doet dat een geaccepteerde werkwijze in de zorg is dat ervan mag worden uitgegaan dat wanneer er een planning is, de zorg ook gerealiseerd wordt volgens de planning, en dat daarom lagere eisen mogen worden gesteld aan haar administratie omdat zij in ieder geval wel een planning heeft opgesteld, kan dat haar niet baten. Ook als bij wege van uitgangspunt een planning wordt gevolgd, is van belang dat de momenten waarop van de planning wordt afgeweken op een betrouwbare manier worden geregistreerd. De hiervoor geconstateerde gebreken in de administratie van MHC leiden het hof tot de conclusie dat de administratie van MHC geen dan wel onvoldoende aanknopingspunten biedt om ervan uit te gaan dat op een betrouwbare manier – niet in de laatste plaats voor de verzekeraar bij wie de declaraties van MHC terechtkomen – is te herleiden wanneer van de planning is afgeweken.\n\n4.14. Het hof gaat evenmin mee in de stelling van MHC dat de gevolgen van de gebreken in haar administratie worden ondervangen door de omstandigheid dat MHC een kleine, informele zorgverlener is die precies wist welke zorgverlener op welke momenten voor welke verzekerde werkzaam was. Het hof acht het om te beginnen al onaannemelijk dat MHC uit informele contacten met haar zzp’ers op elk moment een uitputtend en correct overzicht had van alle zorg die aan haar zorgcliënten werd verleend. Maar ook als dat wel zo zou zijn geweest, dan doet dat er niet aan af dat niet van haar werd gevraagd om (voor zichzelf) een helder beeld te hebben van de zorgverlening, maar om een administratie te voeren waarin de relevante gegevens vastliggen en daarmee zo nodig controleerbaarzijn voor (met name) de verzekeraar. Aan die eis heeft zij niet voldaan.\n\n4.15. \n\nMHC heeft verder nog betoogd dat er per verzekerde niet méér zorg kan worden gedeclareerd dan de indicatiestelling voor die zorgcliënt toestaat. Doordat er bij de indicatiestelling een wijkverpleegkundige betrokken is en daarnaast ook sprake is van andere controlemomenten, zou frauderen niet mogelijk zijn.\n\nOok dit neemt echter niet weg dat MHC ernstig is tekortgeschoten in haar administratieverplichting, en daarmee declaraties heeft opgesteld zonder dat die op een voldoende adequate administratie berusten. Daarbij is van belang dat ONVZ, al is die beschuldiging in de contacten tussen partijen wel gevallen, haar vordering niet baseert op de stelling dat MHC heeft gefraudeerd, zodat het hof die vraag verder terzijde laat. Verder geldt dat MHC weliswaar aannemelijk maakt dat het niet (goed) mogelijk is zorg te declareren die boven de indicatiestelling uitgaat, maar dat laat onverlet dat uit de administratie dient te blijken dat binnen die bovengrens daadwerkelijk sprake is geweest van voor vergoeding in aanmerking komende zorg, en wanneer die zorg aan wie is verleend. Daar schort het nu juist aan, de zorgindicatie ten spijt.\n\n4.16. Ook betoogt MHC dat een en ander er niet aan afdoet dat de zorg die MHC in rekening heeft gebracht ook daadwerkelijk is verleend. Ook aan deze tegenwerping van MHC gaat het hof voorbij, omdat het daar bij het in deze zaak terecht bevonden verwijt van ONVZ niet (primair) om gaat; het gaat immers om de wettelijke randvoorwaarde dat de verleende en vervolgens te declareren zorg in de eerste plaats verifieerbaar is op basis van een deugdelijke administratie – zulks ter voorkoming van zorgfraude met declaratie van niet (volledig) geleverde zorg, hetgeen hieronder nog uitgebreider aan bod komt.\n\n4.17. Het voorgaande brengt mee dat MHC ofwel (a) ONVZ rechtstreeks verzocht om zorg te declareren die niet voldoet aan de artikelen 35 en 36 Wmg – en die het ONVZ dus niet vrij stond te vergoeden, zoals het hof hiervoor overwoog (zie rechtsoverweging 4.5, slot), dan wel (b) de declaratie van de hiervoor bedoelde zorg bevorderde, door declaraties aan verzekerden bij ONVZ te sturen, wetende dat die verzekerden die declaraties voor vergoeding bij ONVZ zouden indienen. Zowel het onder (a) als onder (b) bedoelde verwijt kwalificeert het hof in de omstandigheden van deze zaak als onrechtmatig handelen van MHC tegenover ONVZ, omdat de zorgvuldigheid van MHC vergde dat zij zich diende te onthouden van handelingen waarvan MHC wist of had moeten weten dat die ertoe zouden leiden dat ONVZ gedeclareerde zorg zou vergoeden – ofwel rechtstreeks aan MHC of aan bij ONVZ verzekerde zorgcliënten van MHC – die niet aan de eisen voor vergoedbare zorgdeclaraties voldeed. Het hof hecht eraan te benadrukken dat deze zaak zich niet kenmerkt door (een) enkele verschoonbare fout(en), maar dat de gepresenteerde administratie moet worden gekwalificeerd als structureel en fundamenteel ondeugdelijk. Door desondanks ONVZ te (doen) bewegen tot vergoeding van zorg, waartoe ONVZ redelijkerwijs niet gehouden was gezien de wettelijke randvoorwaarden voor uitkering ter voorkoming van fraude enerzijds en de onbetrouwbare administratievoering door MHC anderzijds, heeft MHC onzorgvuldig gehandeld en is zij aansprakelijk voor de schade die ONVZ als gevolg van dit onrechtmatige handelen heeft geleden.\n\nSchade\n\n4.18. De aansprakelijkheid van MHC is gelet op het voorgaande aldus niet gebaseerd op de stelling – die ONVZ in deze procedure ook wel heeft ingenomen – dat zij heeft betaald voor zorg die niet aantoonbaar is geleverd, maar op het verwijt dat MHC declaratie verlangde (rechtstreeks) of bevorderde (via haar cliënten) van zorg die – gelet op de door MHC gevoerde administratie – niet verifieerbaar was en daardoor niet voor vergoeding in aanmerking kwam, althans waarvan ONVZ de vergoeding redelijkerwijs mocht weigeren (zie rov. 4.5). De schade die het gevolg van dat verwijt is, komt neer op al hetgeen ONVZ op grond van de declaraties van MHC, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van haar cliënten, heeft voldaan. Wanneer dit verwijt immers wordt weggedacht – de hypothetische situatie – had MHC zich immers onthouden van het declareren van zorg zonder grondslag in een deugdelijke administratie, en had ONVZ deze dan ook niet vergoed.\n\n4.19. In zoverre komt het hof dan ook tot een ander oordeel dan de rechtbank, die aannam dat wanneer komt vast te staan dat zorg wel degelijk feitelijk is geleverd, geen sprake is van schade bij ONVZ. Het hof oordeelt dat het verwijt van onzorgvuldig handelen in deze zaak (reeds) ziet op het indienen van declaraties die bij gebreke van verifieerbaarheid geen grondslag behoren te bieden voor vergoeding. Het is aldus reeds op die grond dat MHC aansprakelijk is voor de schade van ONVZ, die gelijk staat aan alles dat zij op basis van de declaraties heeft betaald. Het hof benadrukt nogmaals dat aan dit oordeel niet de gedachtegang ten grondslag ligt dat in zijn algemeenheid geldt dat elke onjuistheid in het administratieve proces tot het ingrijpende gevolg van aansprakelijkheid van de zorgverlener tegenover de zorgverzekeraar zou moeten leiden. Dit geval kenmerkt zich er echter door dat sprake is van een zeer groot aantal onjuistheden en onregelmatigheden in de administratie die aan de zorgdeclaraties ten grondslag liggen. Zoals hiervoor is overwogen is op vrijwel elk niveau van de administratie sprake van gegevens die oncontroleerbaar, op zijn minst verdacht, of ronduit onjuist zijn: zorgrapportages die ontbreken en pas na een aangekondigde controle zijn opgesteld, waarin gebeurtenissen zich sjabloonmatig herhalen en verschillende zorgverleners herhaaldelijk identieke formuleringen bezigen; waar zorgrapportages niet aansluiten op declaraties en declaraties niet aansluiten bij zorgcliënten; en waar urenregistraties vooraf zijn ingevuld en de feitelijk gewerkte uren zonder uitzondering feilloos aansluiten op de planning zonder te wijzigen wanneer de indicaties voor zorgbehoefte wijzigen (zie rov. 4.7- 4.12). Er is naar het oordeel van het hof sprake van een administratie die in zeer substantiële zin – structureel en fundamenteel – niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen, waardoor niet anders kan worden geconcludeerd dan dat aan die administratie in dit geval onvoldoende aanknopingspunten kunnen worden ontleend om te kunnen afleiden of, en zo ja, welke voor vergoeding vatbare zorg is verleend. Het aantal onjuistheden in de door MHC aangeleverde bescheiden en de stelselmatigheid ervan is dermate groot dat het risico dat deze geen grondslag kan bieden voor vergoeding voor rekening van MHC dient te blijven.\n\n4.20. Tussen partijen staat niet ter discussie dat ONVZ een bedrag van 225.826,65 heeft uitgekeerd op grond van declaraties die MHC, gelet op de aard van haar administratie, niet voor vergoeding had mogen laten uitgaan. Dat bedrag kwalificeert als schade van ONVZ, en MHC dient dat aan ONVZ te vergoeden, met dien verstande dat het hof het iets lagere bedrag van € 223.543,20 zal toewijzen, met daarover de wettelijke rente vanaf 28 januari 2021, omdat dat het bedrag is dat ONVZ heeft gevorderd.\n\nSlotsom\n\n4.21. Het voorgaande betekent dat de grieven van MHC falen, al dan niet wegens gebrek aan belang. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen omdat geen bewijs is aangeboden van stellingen die, indien juist, tot een ander oordeel zouden leiden. Het principaal hoger beroep van MHC slaagt dus niet. De grieven van ONVZ in het incidenteel hoger beroep die zien op hetgeen hiervoor is overwogen, slagen wel.\n\n4.22. Omdat MHC in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof haar tot betaling van de proceskosten van de procedure bij de rechtbank en in hoger beroep veroordelen. Gelet op de verwevenheid van het principaal en het incidenteel hoger beroep zal het hof één proceskostenveroordeling uitspreken. Onder die proceskosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.\n\n4.23. De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).\n\n5. De beslissing\n\nHet hof:\n\n5.1. vernietigt de tussen partijen gewezen vonnissen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad van 28 juni 2023, 18 oktober 2023 en 27 maart 2024, en beslist opnieuw rechtdoende als volgt:\n\n5.2. veroordeelt MHC tot betaling aan ONVZ van een bedrag van € 223.543,20, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 januari 2021 tot aan de dag van volledige betaling;\n\n5.3. veroordeelt MHC tot betaling van een bedrag van € 15.561,63 aan proceskosten van ONVZ tot aan de uitspraak van de rechtbank, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 14 dagen na 27 maart 2024 tot aan de dag van volledige betaling;\n\n5.4. \n\nveroordeelt MHC tot betaling van de volgende proceskosten van ONVZ in hoger beroep:\n\n€ 2.255 aan griffierecht;\n\n€ 11.767,50 aan salaris van de advocaat van ONVZ (2,5 procespunten x het toepasselijke tarief VI van € 4.707), en bepaalt dat deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;\n\n5.5. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.6. wijst af wat verder is gevorderd.\n\nDit arrest is gewezen door mr. M.A.M. Essed, mr. M. Aksu en mr. P.W. Schreurs, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op\n\n30 juni 2026.\n\n De vonnissen van 18 oktober 2023 en 27 maart 2024 zijn gepubliceerd, onder ECLI:NL:RBMNE:2023:5437, respectievelijk ECLI:NL:RBMNE:2024:3902.\n\n In eerste instantie sprak ONVZ zowel MHC als haar middellijk bestuurder tot betaling aan. De vorderingen tegen de bestuurder van MHC zijn voor het overgrote deel afgewezen. ONVZ heeft daartegen geen beroep ingesteld. De vorderingen tegen deze bestuurder zijn in hoger beroep derhalve niet langer aan de orde.\n\n Van de juistheid van dit verslag mag volgens de advocaat van MHC worden uitgegaan (zie het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep, p. 5).\n\n De rechtbank heeft bij de bespreking van de administratie van MHC óók het oog gehad op de administratie die voorafgaand aan haar oprichting in het kader van de activiteiten van [handelsnaam] werd gevoerd. Zo ook partijen in hun debat, ook in hoger beroep. Het hof zal hier dan ook bij aansluiten.\n\n Het hof ziet aanleiding om de naam van deze, bij partijen bekende, persoon niet voluit, maar enkel in initialen te vermelden. Datzelfde geldt voor de hierna te vermelden zorgverleners.\n\n Zie productie 22 bij de inleidende dagvaarding.\n\nHR 10 juni 2022, ECLI: NL:HR:2022:853.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4227","ecli-nl-gharl-2026-4227",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":66,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":67,"language":12,"source":13,"sourceUrl":68,"summary":6,"slug":69,"metadata":70},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":71,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]