[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-gharl-2026-4229":3,"decision-more-ecli-nl-gharl-2026-4229":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"648","ECLI:NL:GHARL:2026:4229","",70,"Leeuwarden","leeuwarden","2026-06-30T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Leeuwarden\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.356.221\u002F01\n\nzaaknummer rechtbank Midden-Nederland 577570\n\narrest van 30 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [appellant1] LLC ( [appellant1] )\n\ndie is gevestigd te Koeweit\n\n2. [appellant2] LLC ( [appellant2] )\n\ndie is gevestigd in [vestigingsplaats1] (Verenigde Arabische Emiraten)\n\nadvocaat: mr. R.J.W. Pijls\n\nen\n\n [geïntimeerde] B.V. ( [geïntimeerde] )\n\ndie is gevestigd in [vestigingsplaats2]\n\nadvocaat: mr. S. Booij\n\n1. Het verloop van de procedure in hoger beroep\n\n [appellant1] en [appellant2] , hierna gezamenlijk: [appellanten] , hebben hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat op 12 februari 2025 tussen partijen is uitgesproken door de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad.Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:\n\n• de dagvaarding in hoger beroep\n\n• de memorie van grieven\n\n• de memorie van antwoord\n\n• een akte van [appellant1] en [appellant2] met de producties 22 tot en met 26\n\n• een akte van [appellant1] en [appellant2] met productie 27\n\n• een formulier van [geïntimeerde] met productie 7\n\n• het verslag van de mondelinge behandeling die op 14 april 2026 is gehouden (het proces-verbaal). Partijen hebben het hof aan het eind van de zitting gevraagd een arrest te wijzen.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1. \n [appellant2] heeft in maart 2022 voor een partij zogenaamde Pure Ghee Butter die zou moeten worden afgeleverd in Saoedi-Arabië een bestelling geplaatst bij [naam1] . In april 2022 heeft [appellant2] daarvoor € 126.282 betaald op een rekening van [naam1] . De levering is niet verricht. [appellant2] heeft in augustus 2022 een tweede bestelling geplaatst voor een bedrag van € 251.748. Zij heeft toen € 94.303,50 aan [naam1] betaald. Ook die bestelling heeft niet tot levering geleid. [appellant2] heeft daarna in december 2022 bij [geïntimeerde] een partij Ghee Butter besteld, die door [geïntimeerde] is afgeleverd in Koeweit. [appellant1] heeft daarvoor € 195.039 aan [geïntimeerde] betaald.\n\n2.2. \n [appellanten] stellen zich op het standpunt dat de levering door [geïntimeerde] een vervanging was van de niet-uitgevoerde bestellingen van maart en augustus 2022 en dat de door [geïntimeerde] geleverde producten al zijn betaald met wat eerder door [appellant2] aan [naam1] voor die bestellingen is voldaan. Volgens [appellanten] is daarmee de betaling door [appellant1] voor de wel geslaagde levering door [geïntimeerde] onverschuldigd, althans is [geïntimeerde] op grond van wanprestatie of onrechtmatig handelen jegens [appellant2] aansprakelijk voor de schade als gevolg van de niet-uitgevoerde maar wel betaalde bestellingen, althans is [geïntimeerde] ten koste van [appellanten] verrijkt doordat zij van [naam1] een betaling heeft ontvangen.\n\n2.3. \n [appellanten] hebben op deze gronden bij de rechtbank gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld, primair tot betaling aan [appellant1] van € 195.039, subsidiair tot betaling aan [appellant2] van € 220.585,50, meer subsidiair tot betaling aan [appellant1] of [appellant2] van € 75.524,40 althans door de rechtbank te bepalen bedragen, in alle gevallen te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 25 september 2023 of 4 januari 2024 of de dag van dagvaarding, en met een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten van € 2.725,39, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten, met nakosten en wettelijke rente.\n\n2.4. De rechtbank heeft deze vorderingen afgewezen. De bedoeling van het hoger beroep is dat de vorderingen alsnog worden toegewezen.\n\n2.5. Het hof zal beslissen, met vernietiging van het vonnis van de rechtbank, dat de vorderingen gedeeltelijk worden toegewezen en licht dat hierna toe.\n\n3. De toelichting op de beslissing van het hof\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\n3.1. Het hof moet ambtshalve beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft vanwege de internationale aspecten van de zaak. [appellant1] en [appellant2] zijn immers gevestigd in Koeweit en de Verenigde Arabische Emiraten. Omdat [geïntimeerde] in Nederland is gevestigd is de Nederlandse rechter bevoegd van de tegen [geïntimeerde] ingestelde vorderingen kennis te nemen.3.2. Het hof gaat er met partijen vanuit dat het geschil moet worden beoordeeld met toepassing van het Nederlandse recht, omdat partijen niet hebben gegriefd tegen de toepassing van dat recht door de rechtbank.\n\nDe feiten\n\n3.3. \n [appellant1] en [appellant2] maken deel uit van een groep van vennootschappen. Aan het hoofd van die groep staat [naam2] (Holding), een vennootschap die is opgericht in de Verenigde Arabische Emiraten. Naast [appellant1] en [appellant2] maakt [naam3] . ( [naam3] ), die is gevestigd in Saoedi-Arabië, deel uit van deze groep. De kernactiviteit van deze groep is de productie van en de handel in bakkerij- en banketgrondstoffen en aanverwante machines.\n\n3.4. \n [geïntimeerde] is een in Nederland gevestigde vennootschap die is gespecialiseerd in de levering van zuivelproducten. [naam1] is ook een dergelijke vennootschap. Tussen deze vennootschappen, die niet tot hetzelfde concern of groep behoren, bestond sinds ongeveer begin 2022 een samenwerkingsverband, dat er in voorzag dat [naam1] als agent potentiële klanten aanbracht bij [geïntimeerde] , die vervolgens een overeenkomst met die partij kon sluiten. In een voor deze samenwerking opgesteld intern stuk staat daarover het volgende:\n\n“- Eindklant betaalt 100% verkoopprijs aan [geïntimeerde] [ [geïntimeerde] ; verduidelijking hof], facturatie door [geïntimeerde]\n\n- [naam1] factureert [geïntimeerde] een 'agent-commissie'. Deze commissie is het verschil tussen de\n\nverkoopprijs van [geïntimeerde] aan klant en de Kostprijs\u002Finkoopprijs van [geïntimeerde] van het betreffende product. [geïntimeerde] heeft het recht bij nog resterende openstaande schuld (een deel van) de gefactureerde commissie te verrekenen met deze schuld, e.e.a. in overleg met [naam1] ”.3.5. Vertegenwoordigers van [naam2] \u002F [appellant1] \u002F [appellant2] hebben in februari 2022 kennis gemaakt met [naam1] en [geïntimeerde] tijdens een tentoonstelling in Dubai. [naam1] en [geïntimeerde] hadden op die tentoonstelling een gezamenlijke stand. 3.6 [appellant2] heeft na die kennismaking op de tentoonstelling in Dubai een bestelling geplaatst bij [naam1] voor de levering van een partij Pure Butter Ghee ‘Natour’ voor een bedrag van € 126.282 (te weten 1560 boxes voor € 80,95 per box van 9 kg). Op de (pro forma) factuur van [naam1] voor die bestelling van 22 maart 2022 staan onder meer de bankgegevens van [naam1] , het logo van [naam1] en dat van [geïntimeerde] , en een stempel van [naam1] . [appellant2] heeft het gefactureerde bedrag op 7 april 2022 aan [naam1] betaald.\n\n3.7. De levering van het bestelde product zou moeten plaatsvinden bij [naam3] in Saoedi-Arabië, maar die levering heeft vanwege het ontbreken van een voor import in dat land noodzakelijk ‘halal-certificaat’ niet plaatsgevonden. Het daarvoor betaalde bedrag is niet aan [appellant2] terugbetaald.\n\n3.8. \n [appellant2] heeft in augustus 2022 een tweede bestelling bij [naam1] geplaatst voor hetzelfde product (te weten 25.200 kg voor € 9,99 per kg) en met dezelfde bestemming in Saoedi-Arabië. De prijs voor die bestelling was € 251.748. [appellant2] heeft daarvoor een factuur (‘Quotation’) ontvangen, met daarop onder meer de bankgegevens van [geïntimeerde] en de logo’s van [naam1] en [geïntimeerde] . [appellant2] heeft dit bedrag niet volledig voldaan. Zij heeft 11 oktober 2022 € 94.303,50, niet op de in de Quotation genoemde bankrekening van [geïntimeerde] , maar op een rekening van [naam1] betaald.\n\nAan die betaling gingen e-mails tussen [naam1] aan [naam2] van september\u002Foktober 2022 vooraf. In een e-mail van [naam1] van 27 september 2022 staat het volgende:\n\n“Dear [naam4] ,\n\nPlease to confirm as per below: and attached the Proforma lnvoice.\n\nPARTICULAR AMOUNT ACCOUNTS PAYABLE\n\nFIRST PAYMENT € 126.282,00\n\nFINAL QUOTATION -APPROVED € 251,748.00\n\n50% - DEPOSIT € 63,141.00\n\n505 - TO BE ADJUSTMENT IN FINAL ORDER € 63,141,00\n\nTOTAL PAYABLE € 188,607,00\n\nNOTE: APPROVED PRICE FOR C\u002FF-TO SAUDI ARABIA\n\nFor now, we will be preparing for the Booking schedule and your Product is fresh - production Date is\n\nSeptember 2022.\n\nOnce again, thank you so much”\n\nDoor [naam2] is daarop op diezelfde dag de volgende betaalinstructie gegeven:\n\n“Please proceed with the 50% payment of the remaining balance € 188,607 euro from attached order”.\n\n Ook de levering op basis van deze bestelling heeft, om dezelfde reden als voor de eerste bestelling, niet plaatsgevonden. Het door [appellant2] betaalde bedrag is niet aan haar terugbetaald.\n\n3.9. In oktober 2022 hebben [naam1] en [geïntimeerde] in e-mails over het uitblijven de leveringen contact gehad met elkaar. In een e-mail van 19 oktober 2022 van [geïntimeerde] ( [naam7] ) aan [naam1] staat onder meer, met als bijlagen een aantal contracten:\n\n“Dear [naam5] good evening,\n\nAttached you will find the contracts for the below first order for [naam2] \u002F [appellant2] .\n\nI have put shipment in November to Jeddah (exact date to be confirmed)\n\nFollowing actions to be done now:\n\n> transfer the prepayment of [naam2] \u002F [appellant2] already received by [naam1] to [geïntimeerde] with clear description that this concerns [naam2] \u002F [appellant2] prepayment of order [ordernummer]\n\n(…)\n\nChecking the stock level, I do not think there is enough pure butter ghee with the new label to fulfill this order, so some extra production to be scheduled on short term.\n\n(…) I will check with our QA department for the Halal certification that is also needed for this shipment (was scheduled for last or this week at [naam10] , so should be confirmed and documented soon) (…)”.\n\n3.10. Op 20 oktober 2022 heeft [naam1] op dit verzoek van [geïntimeerde] € 75.524,50 aan [geïntimeerde] doorbetaald. Op het betaalbewijs daarvan is bij de omschrijving verwezen naar ‘ [naam2] \u002F [appellant2] prepayment of order [ordernummer] ’. Dat bedrag correspondeert met 30% van het door [naam1] voor de tweede bestelling ontvangen bedrag.\n\n3.11. In december 2022 is vervolgens overleg geweest tussen [geïntimeerde] en [naam2] \u002F [appellant2] \u002F [appellant1] om alsnog een levering tot stand te brengen. Tussen een vertegenwoordiger van [naam2] ( [naam6] ) en van [geïntimeerde] ( [naam7] ) is daarover in december 2022 in e-mails over en weer gecommuniceerd.\n\n3.12. \n [geïntimeerde] heeft vervolgens een factuur van 4 januari 2023 op naam van [appellant2] verstrekt. Op de factuur is [appellant1] als ontvanger aangemerkt. Daarna is de partij bij [appellant1] in Koeweit afgeleverd. Volgens de factuur gaat het om 25.005 kilogram Ghee regular voor € 7,80 per kg, voor een totaalprijs van € 195.039,-. Als ‘payment terms’ is op de factuur vermeld dat 30% ‘in advance’ betaald moet worden en 70% ‘against copy of documents’. Op de factuur wordt verwezen naar het contractnummer [contractnummer] . [appellant1] heeft deze factuur op 23 januari 2023 aan [geïntimeerde] betaald.\n\n3.13. \n [naam1] is op 4 april 2023 failliet verklaard.\n\n3.14. \n\n [appellant1] en [appellant2] hebben [geïntimeerde] , voor het eerst op 25 september 2023 en daarna op\n\n11 maart 2024 en 14 maart 2024, gesommeerd tot terugbetaling van het aan haar betaalde bedrag.\n\nDe beoordeling\n\nonverschuldigde betaling\u002F wanprestatie\u002F onrechtmatig handelen?\n\n3.15. \n [appellanten] baseren hun vorderingen primair op onverschuldigde betaling: doordat [geïntimeerde] de bestellingen van maart 2022 en augustus 2022 niet had geleverd, is volgens hen de afspraak gemaakt (is overeengekomen) in december 2022 dat de levering van januari 2023 niet (nogmaals) betaald hoefde te worden omdat voor de eerdere niet-uitgevoerde leveringen al € 220.585,50 was betaald. De levering van januari 2023 verving aldus de niet-uitgevoerde maar wel betaalde eerdere bestellingen. Daarom moet [geïntimeerde] € 195.039 terugbetalen, aldus [appellanten]3.16. Op [appellanten] rust de bewijslast van de feiten en omstandigheden die de op deze grondslag ingestelde vordering kunnen dragen. Zij moet de feiten en omstandigheden stellen waaruit kan volgen dat de betaling van het bedrag van € 195.039 zonder rechtsgrondis gedaan. [geïntimeerde] heeft dat gemotiveerd betwist: volgens haar is de door [appellant1] gedane betaling gebaseerd op de overeenkomst die in december 2022 is gesloten.\n\n3.17. Voor het antwoord op de vraag of partijen de door [appellanten] gestelde afspraak hebben gemaakt komt het aan op een uitleg en waardering van de gedragingen en verklaringen van partijen jegens elkaar om vast te stellen wat zij op basis daarvan over en weer redelijkerwijs van elkaar hebben mogen verwachten. Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang, waarbij ook aan de omstandigheden ten tijde van het sluiten van de overeenkomsten van maart en augustus 2022 en aan de rol en positie van [naam1] betekenis kan toekomen.\n\n3.18. Een bouwsteen in het betoog van [appellanten] dat sprake is van onverschuldigde betaling is dat [geïntimeerde] partij bij de niet-uitgevoerde overeenkomsten is (geworden) en op grond daarvan jegens [appellant2] een leveringsverplichting op zich heeft genomen. Ook het antwoord op de vraag of dat zo is vergt uitleg van de verklaringen en gedragingen van partijen conform de genoemde Haviltex-maatstaf, om vast te stellen wat zij op grond daarvan over en weer redelijkerwijs van elkaar hebben mogen verwachten. Ook gedragingen en verklaringen van na het sluiten van die overeenkomsten kunnen bijdragen aan de vraag wie partij daarbij is geworden, en wat de inhoud van die overeenkomsten is.\n\n3.19. \n [appellanten] hebben niet gesteld dat zij over de inhoud van de overeenkomst rechtstreeks met [geïntimeerde] hebben onderhandeld of anderszins contact hebben gehad; zij hebben in eerste aanleg verklaard dat zij alleen met [naam1] via e-mail contact hebben gehad. Dat sluit aan bij wat [geïntimeerde] daarover heeft aangevoerd. Volgens haar is zij pas in oktober 2022 door [naam1] over diens leveringsproblemen geïnformeerd en heeft zij voor het eerst in december 2022 contact gehad met de bestuurder van [naam2] , de moedermaatschappij van [appellanten] Van enige rechtstreekse betrokkenheid van [geïntimeerde] bij de totstandkoming van die overeenkomsten is niet gebleken.\n\n3.20. Ook anderszins zijn noch voor het eerste contract in maart 2022 noch voor het contract van augustus 2022 voldoende concrete en overtuigende feiten en omstandigheden gesteld of gebleken waaruit volgt dat toen op [geïntimeerde] jegens [appellant2] een leveringsverplichting is komen te rusten, bijvoorbeeld doordat [naam1] van [geïntimeerde] de bevoegdheid had gekregen haar te binden of dat [geïntimeerde] de schijn heeft gewekt dat van een dergelijke bevoegdheid sprake was. [appellanten] hebben in dat verband overigens gesteld dat zij van de interne afspraken van [naam1] en [geïntimeerde] niet op de hoogte waren. Het feit dat [naam1] en [geïntimeerde] een gezamenlijke stand op de tentoonstelling op de beurs hadden en de wijze van facturering van de eerste twee bestellingen bieden onvoldoende aanknopingspunten voor een dergelijke contractuele binding van [geïntimeerde] aan [appellant2] (of [appellant1] ). Dat op beide facturen voor die bestellingen het logo van [geïntimeerde] voorkomt is kennelijk te verklaren uit de samenwerking tussen die partijen, maar los daarvan, op dat logo kan als zodanig geen (schijn van) vertegenwoordigingsbevoegdheid of binding van [geïntimeerde] worden gebaseerd. Dat geldt ook voor het feit dat op de Quotation de bankgegevens van [geïntimeerde] staan. Dat gegeven is kennelijk voor [appellant2] geen reden geweest om dan ook aan [geïntimeerde] te betalen: zij betaalde het op die Quotation genoemde bedrag, dat door [naam1] en niet door [geïntimeerde] is berekend in de e-mail van 27 september 2022 (zie 3.8), aan [naam1] , net als de betaling voor de eerste bestelling. [appellant2] ging er dus kennelijk steeds vanuit dat [naam1] haar contractspartij was. Voorzover [appellant2] derhalve heeft gesteld dat zij er gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat [naam1] ook [geïntimeerde] tot contractspartij maakte is daarvoor in deze feiten onvoldoende steun te vinden. Dat geldt ook voor de stelling dat [appellant2] voor deze bestellingen bevrijdend aan [geïntimeerde] heeft betaald, althans dat deze betalingen kunnen worden toegerekend aan de derde bestelling.\n\n3.21. Dat wordt niet anders als hierbij de e-mailwisseling in december 2022 tussen [geïntimeerde] en [naam2] wordt betrokken. Daarin leest het hof, anders dan [appellanten] doen, niet dat [geïntimeerde] daarmee te kennen heeft gegeven dat zij (alsnog) partij was bij de eerste twee, niet uitgevoerde, overeenkomsten. [appellanten] hebben daarbij vooral gewezen op de door [naam7] gekozen woorden ‘we have a contract’ en dat sprake was van een ‘closed and prepaid contract’ waaruit dat volgens [appellanten] zou volgen. Het hof legt de e-mails anders uit.\n\nDe relevante inhoud van e-mails is als volgt:\n\nIn een e-mail van 20 december 2022 (van [naam7] namens [geïntimeerde] ):\n\n“Dear [naam8] ,\n\nOnce again thanks for the teams call this morning.\n\nLike we discussed an issue occurred by the fact there is contracted 1 full container of Pure Butter Ghee at a price of € 9.99\u002Fkg CIF Jeddah.\n\nThis container was contracted at the beginning of this year and fully prepaid by [appellant2] but has not been delivered to Saudi Arabia because of missing Halal certification.\n\nMeanwhile this container has been produced and is ready for shipping as soon as Halal certification arrives (the company providing the certificates confirmed already all is ok verbally).\n\nThe situation we (you and me) are facing now is that Ghee is offered at lower levels, and we have a contract and costs price at higher levels. This we need to solve. You informed me already that most likely you will not ship the Ghee to Saudi Arabia anymore but towards Kuwait\u002F Lebanon or UAE, but you need a better price for that.\n\nFrom my side it will be difficult to adjust the price of a closed and prepaid contract.\n\nOn the other hand, 1 want to help you and I have a responsibility for that.\n\nTo solve the situation, 1 would like to propose as follows:\n\n1. container at € 9,99\u002Fkg (the pending order)\n\n2 containers at € 7.50\u002Fkg\n\nOn average the price will be 8.33\u002Fkg CIF tor these 3 containers (Kuwait \u002F Lebanon or UAE)\n\nDelivery shipment January \u002F February (depending on your instructions)\n\nTo prevent prepayments from your side in a way we had them in 2022, 1 would suggest in future prepayments of [appellant2] will be on our account 1 week prior to shipment. In this way we avoid a big part of the issues we have had during this year.\n\n [naam8] , note the above-mentioned solution is a losing operation for us, but I really believe in the fact that we will work together in a good and professional way. Therefore, I will take this loss in order to start building our relationship and do not want to stop it before it is started.\n\nFurthermore, I will inform you as soon as our Halal certification is finished, because than we could also consider shipments to Jeddah again.\n\nI am looking forward to your confirmation (hopefully before x-mas) on the above and hope this will be a start for a fruitful co-operation between us.”\n\n [naam2] is met het voorstel in deze e-mail niet akkoord gegaan, zo blijkt uit een e-mail van 20 december 2022:\n\n“Hi [naam9] ,\n\nThanks for your prompt reply,\n\nKindly note that this order is considered a trial order, hence I can not risk buying 3 containers for a product that I didn't try yet\n\nPlease note that I can not proceed with your offer, if you can amend the offer to somewhere between 7.5-7.8 per kg, I will ship it asap to end this dilemma”\n\nNa enig onderhandelen worden partijen het eens over een prijs van € 7,80 per kg.3.22. In de e-mail van [naam7] niet wordt gerefereerd aan de eerste bestelling, maar kennelijk alleen aan de tweede gezien de verwijzing naar de prijs per kilogram; een binding aan de eerste overeenkomst ligt om die reden al niet zonder meer voor de hand. Los daarvan, de mails zijn geschreven nadat [geïntimeerde] door [naam1] in oktober 2022 was geïnformeerd over de problemen met de levering van de tweede bestelling in Saoedi-Arabië, en [geïntimeerde] dat probleem wilde oplossen in lijn met de afspraken die zij in de samenwerkingsovereenkomst met [naam1] had gemaakt (en waarvan [appellanten] niet op de hoogte waren). [appellanten] hebben ook verder onvoldoende onderbouwd dat [geïntimeerde] op de hoogte was van de eerste bestelling waarvoor door [naam1] € 126.282 in rekening is gebracht.\n\n [appellant2] had over het op grond van de tweede bestelling te leveren product al prijsafspraken met [naam1] gemaakt en in verband daarmee € 94.303,50 aan [naam1] voldaan. Niet gesteld of gebleken is dat [geïntimeerde] van deze tweede bestelling en betaling op de hoogte was toen zij in oktober 2022 is geïnformeerd door [naam1] .\n\n [appellant2] wilde kennelijk een aanpassing van de prijs en daarover zijn onderhandelingen gevoerd. In het kader daarvan heeft [naam7] een aantal voorstellen gedaan, tegen de achtergrond dat sprake was van een contract dat ‘closed and prepaid’ was terwijl inmiddels de kostprijzen zijn veranderd. [naam7] doet daarom een voorstel voor drie verdere leveringen met als gevolg een middeling van de prijs. Het hof leest de woorden ‘we have a contract’ dan ook in het kader van deze onderhandelingen en niet zo letterlijk zoals [appellanten] dat doen en verbindt daaraan niet de conclusie dat [geïntimeerde] als contractspartij al een leveringsverplichting had jegens [appellant2] . Ook het feit dat [naam7] zich verantwoordelijk achtte (‘responsibility’) leidt niet tot die conclusie. De betaling van € 75.524,40 en het sales-contract met als datum 19 oktober 2022- een intern stuk tussen [geïntimeerde] en [naam1] - moeten eveneens worden bezien tegen de achtergrond dat [geïntimeerde] de leveringsproblemen van [naam1] wilde oplossen, en niet als een bevestiging dat [geïntimeerde] een overeenkomst met [appellant2] had. Dat [naam7] schrijft dat hij het verlies wil nemen (‘take this loss’) moet zo worden begrepen dat dit ziet op de het verschil tussen de productiekosten en dalende marktprijzen, waaraan hij in de eerste alinea van zijn e-mail refereert. Ter zitting bij het hof heeft [geïntimeerde] nader toegelicht dat zij de verzendkosten voor de levering in Koeweit voor haar rekening heeft genomen die in het algemeen voor rekening van de afnemer zouden zijn gekomen. Het verlies nemen waarover wordt gesproken moet ook tegen die achtergrond worden bezien. Uit de e-mails blijkt dat het voor [geïntimeerde] ging om het opbouw van een relatie (‘start building our relationship) en dat het voor [appellanten] . ging om een ‘trial order’. Ook dat wijst niet op een eerdere contractuele relatie.\n\n3.23. Het argument van [appellanten] dat sprake is van onverschuldigde betaling voor de uitgevoerde levering vanwege de contractuele binding van [geïntimeerde] aan de eerdere overeenkomsten is dus niet valide.\n\n3.24. Dat laat echter onverlet, althans dat sluit niet uit, dat ook zonder die binding de afspraak kan zijn gemaakt dat [geïntimeerde] voor de levering niet door [appellant2] of [appellant1] betaald kreeg.\n\n3.25. Uit wat door [appellanten] is gesteld en ter onderbouwing daarvan aan schriftelijke stukken is overgelegd valt niet af te leiden dat een afspraak met de door [appellanten] gestelde inhoud is gemaakt. Door [appellanten] wordt ook daarvoor sterk geleund op de e-mail van de zijde van [geïntimeerde] van 20 december 2022, waarvan de inhoud hiervoor in 3.21 is weergegeven en waaraan het hof hiervoor een uitleg heeft gegeven in het kader van de vraag of daaruit volgt dat [geïntimeerde] contractspartij was van [appellant2] bij de eerste overeenkomsten. Die uitleg is ook relevant voor de vraag of de gestelde afspraak is gemaakt. Ook die vraag beantwoordt het hof op basis van die uitleg ontkennend. Het hof voegt daaraan nog het volgende toe.\n\n3.26. In de e-mail wordt niet met zoveel woorden of anderszins specifiek stil gestaan bij de vraag of voor de levering betaald moet worden of niet, omdat die al eerder zou zijn betaald, of dat een beroep werd gedaan op verrekening met wat al eerder door [appellanten] was betaald aan [naam1] , bijvoorbeeld het bedrag van € 94.303,50. Woorden met die concrete inhoud of van die strekking zijn in de e-mails van 20 december 2022 en de reactie daarop van de zijde van [naam2] (optredende namens [appellanten] ) niet te lezen. Dat van de zijde van laatstgenoemde daaraan geen woord wordt gewijd is opvallend, omdat zij daarbij het meeste belang had, gezien de eerdere betalingen. Daarbij komt dat op initiatief van die zijde over een aanpassing van de prijs is onderhandeld, zoals onweersproken door [geïntimeerde] is gesteld, en dat daarover een akkoord is bereikt. Dat roept de – onbeantwoorde – vraag op waarom [naam2] het initiatief tot die onderhandeling om tot een lagere prijs te komen heeft genomen, indien zij ervan uitging dat de levering toch niet betaald hoefde te worden. [geïntimeerde] mocht er gezien die onderhandelingen redelijkerwijs op vertrouwen dat zij conform de uitonderhandelde prijs betaald zou krijgen, althans hebben [appellanten] onvoldoende onderbouwd op grond waarvan [geïntimeerde] heeft moeten begrijpen dat dit niet het geval was.\n\n3.27. \n\nDat wordt niet anders als daarbij acht wordt geslagen op de in verband met de levering in Koeweit opgemaakte stukken en dat geen aanbetaling is gevraagd, welke omstandigheden volgens [appellanten] hun standpunt ondersteunen. Volgens [appellanten] is de factuur van 4 januari 2023 slechts om administratieve redenen opgemaakt in verband met een andere prijs en bestemming en douaneformaliteiten. Dat kan uit de factuur zelf niet worden afgeleid; dat de factuur ook volgens [geïntimeerde] slechts deze functie had is ook verder onvoldoende onderbouwd; niet is gesteld of gebleken op grond waarvan ook [geïntimeerde] hiervan uitging. Dat op 19 januari 2023 in het Supplier Creation Formdat is opgemaakt om te voldoen aan invoerformaliteiten voor de levering in Koeweit als betalingsvoorwaarden ‘Prepayment’ zijn genoemd legt daarbij ook niet voldoende gewicht in de schaal, omdat door [geïntimeerde] onweersproken is gesteld dat dit formulier algemene informatie betreft en niet specifiek ziet op deze transactie. In het formulier wordt ook niet verwezen naar deze transactie.\n\nHet staat op zich vast dat geen aanbetaling is gevraagd, terwijl dat wel op de factuur van januari 2023 staat. Niet gesteld of gebleken is echter dat daarover in december 2022 is gesproken en op grond waarvan [geïntimeerde] bij [appellanten] het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt dat zij door het niet vragen van een aanbetaling helemaal van betaling af zou zien.\n\n3.28. \n [appellanten] hebben ook nog een beroep gedaan op een verklaring van de bestuurder van [naam1] . Ook met de inhoud van die verklaring heeft [appellanten] niet aannemelijk gemaakt dat de afspraak waarop [appellanten] zich beroept is gemaakt, deze verklaring zowel op zich zelf bezien als in samenhang met de andere gestelde feiten en omstandigheden. De verklaring luidt als volgt:\n\n“(…) In March\u002F April 2022, [appellant2] placed an order with [naam1] for an amount of € 126,282. That amount was prepaid by [appellant2] to [naam1] on April 7, 2022.\n\nDue to circumstances, this order was cancelled. From that moment on, [appellant2] had a credit on [naam1] of € 126,282 that would be settled with the next new order. [geïntimeerde] agreed.\n\nThe next order took a very long time due to [geïntimeerde] 's incorrect working method, but was completed through delivery and invoicing in January 2023. This resulted in an invoice from [geïntimeerde] to [appellant2] of € 195,039. [appellant2] had again paid an amount in advance to [naam1] on that invoice, i.e. € 94,303,50 on October 4, 2022. In accordance with agreement with [geïntimeerde] , € 75,524.40 of the latter advance payment was paid by [naam1] to [geïntimeerde] on 20 October 2022, on condition that delivery by [geïntimeerde] to [appellant2] would take place without [appellant2] having any payment obligation towards [geïntimeerde] .\n\nIn total, [appellant2] has therefore paid € 220,585.50 to [naam1] , [naam1] has settled with [geïntimeerde] in accordance with the agreement. The amount overpaid by [appellant2] , i.e. € 220,585.50 minus €195,039 = € 25,546.50 should have been repaid by [geïntimeerde] to [appellant2] . [naam11] has taken care of that amount without obligation by offsetting with [appellant2] and is trying to recover it from [geïntimeerde] . It now appears that [appellant2] also paid the latter invoice of € 195,039 to [geïntimeerde] , which is completely unjustified. [geïntimeerde] received that amount incorrectly. It would have been morally right for them to have returned that receipt immediately. Now that it appears that this has not happened, I advise [appellant2] to take immediate action against [geïntimeerde] , if necessary using all legal means. Where possible, I would like to support them wholeheartedly. In summary: [appellant2] paid twice, 1 time to [naam1] and 1 time to [geïntimeerde] . The payment to [naam1] has been accepted by [geïntimeerde] as payment of the delivery and has been incorporated into the current account relationship with [naam1] . After receiving that payment to [naam1] , [geïntimeerde] delivered to [appellant2] . After that, [appellant2] paid [geïntimeerde] again by mistake. [geïntimeerde] is therefore obliged to return this wrongful payment to [appellant2] .”\n\n3.29. Volgens [geïntimeerde] is deze bestuurder [geïntimeerde] niet goedgezind omdat [geïntimeerde] het faillissement van [naam1] heeft aangevraagd. Dat kan zo zijn, maar dat maakt de verklaring om die reden niet direct ongeloofwaardig. Belangrijker is dat [appellanten] niet hebben gesteld dat deze bestuurder betrokken is geweest bij de totstandkoming van de afspraken die in december 2022 zijn gemaakt, en welke rol hij daarbij heeft gespeeld en waaraan hij zijn wetenschap ontleent. Daarbij komt dat de verklaring op onderdelen in strijd is met de door [appellanten] zelf gestelde en vaststaande feiten. Zo verklaart de bestuurder dat B& F een aanbetaling op de factuur van [geïntimeerde] van januari 2023 heeft gedaan, terwijl die aanbetaling volgens [appellanten] betrekking heeft op de tweede bestelling. Verder is de verklaring een beschrijving van de gang van zaken, die in grote lijnen overeenstemt met de standpunten van partijen, en wat betreft de betaling van ruim € 75.000,- met het standpunt van [geïntimeerde] dat dat in lijn was met de afspraken tussen [naam1] en [geïntimeerde] . Maar uit de verklaring blijkt niet van enige afspraak tussen [geïntimeerde] en [appellanten] , noch dat [geïntimeerde] contractueel tot levering verplicht was als het gaat om de eerste twee bestellingen. De bestuurder heeft het in dat verband over een morele verplichting.\n\n3.30. Bij gebrek aan toereikende onderbouwing ziet het hof geen grond voor het honoreren van het bewijsaanbod van [appellanten] dat slechts inhoudt dat de bestuurder van [naam1] als getuige gehoord zou moeten worden. Dat aanbod is daarvoor bovendien niet specifiek genoeg. Er is gesteld dat deze bestuurder het nodige kan verklaren, maar niet is aangeboden feiten te bewijzen die, indien juist, tot een ander oordeel zouden leiden, dan wel is het aanbod niet ter zake dienend gelet op wat het hof al heeft geoordeeld over de door [appellanten] gestelde feiten.\n\nTussenconclusie\n\n3.31. Al het voorgaande betekent i) dat niet blijkt dat sprake is van onverschuldigde betaling en ii) dat niet blijkt dat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de schade die een gevolg is van het niet uitvoeren van de eerste twee bestellingen. De op die grondslagen gebaseerde primaire en subsidiaire vorderingen zijn niet toewijsbaar. De schadevergoedingsvordering is dat ook niet voorzover die is gebaseerd op onrechtmatig handelen van [geïntimeerde] . [appellanten] heeft niet voldoende gesteld om dat onrechtmatig handelen, dat niet zonder meer uit de feiten volgt, aan te nemen. De grievendie er toe strekken dat de vordering op deze grondslagen kunnen worden toegewezen falen.\n\nongerechtvaardigde verrijking\n\n3.32. De meer subsidiaire vordering tot betaling van € 75.524,40 is gebaseerd op ongerechtvaardigde verrijking. Die is toewijsbaar indien [geïntimeerde] ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van [appellant1] of [appellant2] (die zijn verarmd) zodat [geïntimeerde] , voorzover dit redelijk is, de schade die zij daardoor lijden moet vergoeden tot het bedrag van haar verrijking.\n\n3.33. \n [appellant2] (en niet [appellant1] ) heeft het genoemde bedrag aan [naam1] betaald zonder dat zij daarvoor een daarmee corresponderende tegenprestatie heeft ontvangen. Zij heeft dit bedrag niet terugontvangen. Aannemelijk is daarom dat [appellant2] door de betaling van het genoemde bedrag is verarmd. [geïntimeerde] heeft niet aangevoerd dat [appellant2] mogelijk nog een vordering op [naam1] heeft, maar dat gegeven betekent als zodanig niet dat [appellant2] niet kan zijn verarmd ( [naam1] biedt overigens geen verhaal voor die vordering, gezien de stand van zaken in dat faillissement, waarbij geen uitkering aan faillissementscrediteuren is te verwachten).\n\n3.34. \n [geïntimeerde] is er vanwege de samenwerkingsafspraken met [naam1] vanuit gegaan dat [naam1] het bedrag terug moest betalen aan [appellant2] en dat zij gehouden was het bedrag met dat doel aan [naam1] terug te betalen. Zij stelt dat te hebben gedaan doordat zij haar schuld (terugbetaling aan [naam1] ) heeft verrekend met een vordering van haar op [naam1] uit andere hoofde. Indien dat juist is betekent dat dat [geïntimeerde] is verrijkt: zij heeft daarmee immers een verrekeningsmogelijkheid gekregen en benut, die zij niet zou hebben gehad indien zij het bedrag van ruim 75.000, - niet zou hebben ontvangen. Zij heeft dit bedrag ontvangen waar volgens haar eigen stellingen geen tegenprestatie van haarzelf tegenover staat. [geïntimeerde] heeft de ruim € 75.000,- immers aan zichzelf laten overmaken als ‘prepayment’ (zie rov. 3.9), maar heeft vervolgens het volle afgesproken bedrag voor de levering van januari 2023 van [appellant1] ontvangen, zonder dat zij op die factuur het ten titel van aanbetaling van [naam1] ontvangen bedrag daarop in mindering heeft gebracht. Voor de ontvangst van de ruim € 75.000,- is dan ook geen rechtvaardiging te vinden in de met [appellant2] gesloten overeenkomsten. Tussen de verarming van [appellant2] en de verrijking van [geïntimeerde] bestaat daarmee voldoende verband. Het is in de gegeven omstandigheden redelijk dat [geïntimeerde] dit bedrag aan [appellant2] terugbetaalt; niet valt in te zien dat [appellant2] van de gang van zaken en van het faillissement van [naam1] de dupe moet worden.\n\n3.35. Het hof zal daarom de meer subsidiaire vordering toewijzen, met daarover de gevorderde en als zodanig niet bestreden wettelijke rente met ingang van 25 september 2023 tot aan de dag van algehele betaling. Met het oog daarop zal het bestreden vonnis van de rechtbank worden vernietigd.\n\n3.36. Ook de gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke kosten (de vordering sub VIII in de akte vermeerdering eis van 25 november 2024) is, als zijnde niet weersproken, toewijsbaar. Naar aard en omvang voldoen deze kosten aan de dubbele redelijkheidstoets. Daarbij gaat het hof er, gelet op het vermelde in de inleidende dagvaarding onder 74 en 81, vanuit dat het in de akte genoemde bedrag van € 2.750,39 een verschrijving is en van het bedrag van € 2.725,39 moet worden uitgegaan.\n\nDe conclusie\n\n3.37. Het hoger beroep slaagt deels. Omdat [geïntimeerde] grotendeels in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [geïntimeerde] tot betaling van de proceskosten van [appellant2] zowel in hoger beroep als bij de rechtbank veroordelen. Daarbij gaat het hof wat betreft het salaris van de advocaat uit van het toegewezen bedrag. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.Deze uitspraak brengt mee dat [appellant2] de proceskosten voor de procedure in eerste aanleg niet meer verschuldigd zijn. Het kan zijn dat zij die inmiddels aan [geïntimeerde] heeft betaald, maar een vordering tot terugbetaling heeft zij niet ingesteld, zodat het hof [geïntimeerde] daartoe niet kan veroordelen.\n\n3.38. De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).\n\n4. De beslissing\n\nHet hof:\n\n4.1. vernietigt het vonnis van de rechtbank in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad van 12 februari 2025 voorzover de vorderingen van [appellant2] zijn afgewezen, beslist in zoverre opnieuw, en bekrachtigt het vonnis voor het overige:\n\n4.2. veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellant2] van € 75.524,40, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 september 2023 tot de dag van volledige betaling;\n\n4.3. veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellant2] van € 2.725,39 als vergoeding voor buitengerechtelijke kosten;\n\n4.4. \n\nveroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van de volgende proceskosten van [appellant2] tot aan de uitspraak van de rechtbank:\n\n€ 6.617 aan griffierecht\n\n€ 115,12 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan [geïntimeerde]\n\n€ 2.428 aan salaris van de advocaat van [appellant2] (2 procespunten x het destijds geldende tarief in tariefgroep IV)\n\nen tot betaling van de volgende proceskosten van [appellant2] in hoger beroep:\n\n€ 6.803 aan griffierecht\n\n€ 122,25 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan [geïntimeerde]\n\n€ 4.704 aan salaris van de advocaat van [appellant2] (2 procespunten x het per 1 februari 2026 geldende tarief in tariefgroep IV)\n\n4.5. bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;\n\n4.6. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;\n\n4.7. wijst af wat verder is gevorderd.\n\nDit arrest is gewezen door mr. J. Smit, mr. M.A.M. Essed en mr. A.L. Goederee, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op\n\n30 juni 2026.\n\n Het vonnis is gepubliceerd onder RBMNE:2025:323.\n\n Artikel 4 Brussel I bis (Verordening (EU) nr. 1215\u002F2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking).\n\n Artikel 6:203 BW\n\n Conform de zogenoemde Haviltex-maatstaf\n\n In de woorden [appellanten] : is toegetreden tot die overeenkomsten\n\n Productie 27\n\n Productie 25\n\n Grieven I-III, met subgrieven bij grief II, en grief V\n\n artikel 6:212 BW\n\n Grief IV, VI en VII treffen doel\n\nHR 10 juni 2022, ECLI: NL:HR:2022:853.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4229","ecli-nl-gharl-2026-4229",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":66,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":67,"language":12,"source":13,"sourceUrl":68,"summary":6,"slug":69,"metadata":70},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":71,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]