ECLI:NL:GHARL:2026:4230
Samenvatting
Civiel recht
Uitspraak
Leeuwarden
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.356.860/01
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 10929498)
arrest van 30 juni 2026
in de zaak van
[appellante] ,
die woont in [woonplaats1] ,
die hoger beroep heeft ingesteld,
hierna: de vrouw,
advocaat: mr. I. Mercanoglu, die kantoor houdt te Almelo,
tegen
[geïntimeerde],
die woont in [woonplaats2] ,
die ook hoger beroep heeft ingesteld,
hierna: de man,
advocaat: mr. A. Harmanci, die kantoor houdt te Amsterdam.
1. Het verloop van de procedure in hoger beroep
Naar aanleiding van het arrest van 28 oktober 2025 heeft op 28 mei 2026 een enkelvoudige mondelinge behandeling plaatsgevonden ten overstaan van een raadsheer-commissaris. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Van de mondelinge behandeling is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.2. De kern van de zaak
Het gaat in deze zaak om de vraag of de man gehouden is tot afgifte van een bruidsgave van 100 gram goud aan de vrouw. Het hof zal beslissen dat de man daartoe niet gehouden is, omdat aan de afspraak van partijen over de bruidsgave (‘mehir’) geen rechtsgevolg toekomt. Deze beslissing wordt hierna toegelicht.3. De feiten3.1. Beide partijen hebben zowel de Nederlandse als de Turkse nationaliteit.3.2. Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. [in] 2023 hebben zij tegenover de imam een religieuze (huwelijks)ceremonie gehouden in [plaats1] en hebben zij een akte ondertekend met als titel ‘Nikah akti’. De man heeft in de procedure een versie (met vertaling) van de ‘Nikah akti’ overgelegd, die afwijkt van de versie (met vertaling) die de vrouw heeft overgelegd, in die zin dat daaraan op de regel die over de ‘mehir’gaat, het woord‘verilmiştir’is toegevoegd.3.3. Van 29 april 2023 tot en met 16 juli 2023 hebben partijen samengewoond. De vrouw is op 17 juli 2023 ingetrokken bij haar moeder en woont daar nog steeds.3.4. Op 18 augustus 2023 heeft de advocaat van de vrouw de man aangeschreven over de vermogensrechtelijke afwikkeling van de samenwoning tussen partijen. Aan de man is onder meer verzocht om 100 gram goud aan de vrouw af te geven. De man heeft daaraan geen gehoor gegeven.4. De vorderingen4.1. De vrouw heeft bij de rechtbank, voor zover van belang, in conventie gevorderd om de man te veroordelen om haar 100 gram goud te geven ten overstaan van een juwelier naar keuze van de vrouw in [plaats2] .4.2. De man heeft daartegen verweer gevoerd.4.3. In het bestreden vonnis van 14 mei 2025 heeft de rechtbank, voor zover van belang, de vorderingen van de vrouw afgewezen en de proceskosten in conventie tussen partijen gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.4.4. De vrouw heeft in hoger beroep vier grieven naar voren gebracht tegen het bestreden vonnis, die ertoe moeten leiden dat haar vordering in conventie alsnog wordt toegewezen, waarbij (zo nodig) een deskundigenonderzoek wordt gelast naar de echtheid van het woord ‘verilmiştir’ in de door de man overgelegde huwelijksakte en waarbij de partij, die door het hof in het ongelijk wordt gesteld, wordt veroordeeld in de kosten van de procedure in beide instanties, inclusief de kosten van het deskundigenbericht, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het arrest en – bij gebreke van tijdige betaling – te vermeerderen met de wettelijke rente daarover.4.5. De man heeft hiertegen verweer gevoerd en gevorderd om het hoger beroep van de vrouw ongegrond te verklaren en al haar eisen af te wijzen. De man heeft op zijn beurt incidenteel hoger beroep ingesteld en gevorderd om de vrouw te veroordelen in de kosten van de procedure in beide instanties.5. De toelichting op de beslissing van het hof
De rechtsmacht5.1. De zaak heeft een internationaal karakter. Daarom moet worden beoordeeld of de Nederlandse rechter bevoegd is om te oordelen over de vordering. Hierbij zal het hof uitgaan van de kwalificatie van de in de ‘nikah akti’ overeengekomen ‘mehir’ als een rechtsverhoudingsui generis. Dit brengt mee dat de door het hof toe te passen regels van internationaal privaatrecht op de vordering tot afgifte van een bruidsgave van 100 gram goud niet voortvloeien uit een verdrag of verordening, maar uit het commune Nederlandse internationaal privaatrecht.5.2.
De vordering van de vrouw om de man te veroordelen tot afgifte van de in de ‘nikah akti’ overeengekomen ‘mehir’ betreft een zelfstandige dagvaardingsprocedure. Op grond van artikel 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht om hierover te oordelen, omdat de man als de gedaagde partij woonplaats heeft in Nederland.
Het toepasselijke recht5.3.
Het hof stelt vast dat de rechtbank (impliciet) het Nederlandse recht heeft toegepast op de vordering van de vrouw tot afgifte van het goud. Partijen hebben ter zitting bevestigd dat er geen grief is gericht tegen de toepassing door de rechtbank van het Nederlandse recht, zodat ook het hof het Nederlandse recht zal toepassen.
Geen rechtsgeldig huwelijk5.4. Tussen partijen staat vast dat zij [in] 2023 in [plaats1] een religieuze ceremonie hebben gehouden, begeleid door een imam, en dat zij daarmee beoogden een religieus huwelijk naar islamitisch recht met elkaar aan te gaan.5.5. In Nederland kan een huwelijk echter alleen tot stand komen als aan de voorwaarden van artikel 1:63 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is voldaan. Op grond van dit artikel geldt (onder meer) dat het huwelijk moet worden gesloten ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand. Tussen partijen is niet in geschil dat dat dat niet is gebeurd en dat betekent dat tussen partijen geen rechtsgeldig huwelijk naar Nederlands recht tot stand is gekomen. De afspraak over de bruidsgave (de ‘mehir’)5.6. Naar het oordeel van het hof is op grond van de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting vast komen te staan dat de afspraak die partijen in de ‘nikah akti’ met elkaar hebben gemaakt – los van de vraag hoe die exact luidt, want dat is tussen partijen in geschil – door partijen werd beschouwd als integraal onderdeel van het religieuze huwelijk dat zij wilden sluiten. Partijen hebben ter zitting verklaard dat zij het religieuze huwelijk hebben gesloten, omdat zij dan mochten samenwonen voor het islamitische geloof. Onderdeel van het religieuze huwelijk vormde het ondertekenen van de ‘nikah akti’ (in beide vertalingen vertaald als ‘huwelijksakte’) en de daarin opgenomen ‘mehir’. Partijen verschillen van mening over de wijze van totstandkoming daarvan en de daaruit voortvloeiende rechtsgevolgen. De vrouw stelt kort gezegd dat de afspraak werd gemaakt op verzoek van de vader van de man en dat hij haar had toegezegd het goud later te geven maar dat nooit heeft gedaan. De man stelt, kort gezegd, dat de afspraak werd gemaakt op verzoek van de moeder van de vrouw, omdat dat verplicht was bij een islamitisch huwelijk en dat het goud ook op dat moment aan de vrouw is voldaan. Wat er van de wijze van totstandkoming, de inhoud en de rechtsgevolgen van de ‘nikah akti’ ook zij, op grond van de beantwoording van de vragen ter zitting door partijen is naar het oordeel van het hof voldoende vast komen te staan dat partijen de overeenkomst hebben gesloten, omdat zij een religieus huwelijk aangingen en dat de overeenkomst daar niet los van kan worden gezien. Het hof acht het niet aannemelijk dat partijen deze afspraak ook zonder religieus huwelijk zouden hebben gemaakt. Bij die stand van zaken is het hof van oordeel dat aan de afspraak over de bruidsgave geen rechtsgevolg toekomt. Toewijzing van de vordering van de vrouw tot voldoening van de ‘mehir’ – als integraal onderdeel van het door partijen beoogde religieuze huwelijk – zou leiden tot het toekennen van een rechtsgevolg aan een in Nederland niet als rechtsgeldig aan te merken huwelijk en daarmee indruisen tegen de bedoeling van de wetgever. De wetgever heeft de praktijk van de sluiting van religieuze huwelijken zonder voorafgaand Nederlands burgerlijk huwelijk willen uitbannen en heeft dat ten aanzien van de bedieners van de eredienst zelfs uitdrukkelijk strafrechtelijk verboden. Dat is in overeenstemming met fundamentele Nederlandse beginselen zoals de scheiding tussen kerk en staat, de betrouwbaarheid van de Nederlandse openbare registers (waaronder die van de burgerlijke stand) en de bescherming van (met name) de gehuwde vrouw tegen een onzekere en ongelijke juridische positie. De vrouw heeft daarom geen recht op afgifte van enige bruidsgave.5.7. Aan uitleg van de afspraak die partijen met betrekking tot de ‘mehir’in de huwelijksakte hebben gemaakt, komt het hof gelet op het vorenstaande niet toe. De grieven I en II van de vrouw blijven daarom onbesproken. Aan het bewijsaanbod om de echtheid van de akte aan te tonen waar grief III op ziet, komt het hof gelet op het voorgaande ook niet toe. Voor zover de vrouw in grief IV klaagt over de processuele gang van zaken in eerste aanleg, is het hof van oordeel dat zij bij zelfstandige behandeling van die klacht geen belang heeft. Het rechtsmiddel van hoger beroep dient er immers mede toe om eventuele omissies of misslagen die zich hebben voorgedaan in eerste aanleg te herstellen en partijen zijn in hoger beroep in de gelegenheid gesteld om al hun inhoudelijk bezwaren tegen het bestreden vonnis aan het hof kenbaar te maken.5.8. Het hof zal het bestreden vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, bekrachtigen, onder verbetering van de gronden.5.9. Partijen hebben over en weer gevorderd om de andere partij te veroordelen in de proceskosten in beide instanties. Het hof ziet daarvoor gelet op de aard van de procedure – die de afwikkeling van de affectieve relatie van partijen betreft – geen aanleiding. Het hof zal de beslissing over de proceskosten in eerste aanleg in conventie bekrachtigen en bepalen dat de proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.6. De beslissing
Het hof:
bekrachtigt – onder verbetering van de gronden – het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, van 14 mei 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt van de procedure in hoger beroep.
Dit arrest is gewezen door mr. E. Leentjes, mr. J.G. Knot en mr. C. Coster en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026.
Artikel 1:68 BW en artikel 449 van het Wetboek van Strafrecht.