[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-gharl-2026-4422":3,"decision-more-ecli-nl-gharl-2026-4422":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"374","ECLI:NL:GHARL:2026:4422","",60,"Arnhem","arnhem","2026-06-30T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem, afdeling civiel\n\nzaaknummer gerechtshof 200.333.323\n\nzaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, 535824\n\narrest van 30 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nBalm B.V.\n\ndie is gevestigd in Vianen\n\ndie hoger beroep heeft ingesteld\n\nen bij de rechtbank optrad als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie\n\nhierna: Balm\n\nadvocaat: mr. F.M.W. van Tol\n\ntegen\n\nde vereniging van eigenaars\n\nVereniging van Eigenaars Schaperstraat 2 tot en met 56\n\ndie is gevestigd in Dordrecht\n\nen bij de rechtbank optrad als eiseres in conventie, verweerster in reconventie\n\nhierna: de VvE\n\nadvocaat: mr. J.I. Jansen\n\n1. Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep\n\n1.1.. In het tussenarrest van 3 juni 2025 heeft het hof J.W.M. Bovend’Eerdt (hierna: de deskundige) benoemt tot deskundige. Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:\n\nhet definitief deskundigenbericht van 31 oktober 2025;\n\nde memorie na deskundigenbericht van de VvE;\n\nde memorie van antwoord na deskundigenbericht, tevens houdende een verzoek om terug te komen op bindende eindbeslissingen van Balm;\n\nde akte uitlating van de VvE.\n\n1.2.. Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.\n\n2. Het oordeel van het hof\n\nBindende eindbeslissingen\n\n2.1.. In het tussenarrest van 24 september 2024 (hierna: het tussenarrest) heeft het hof overwogen (i) dat er geen oplevering heeft plaatsgevonden op de door Balm gestelde data, (ii) dat de VvE tijdig heeft geklaagd en (iii) dat Balm haar waarschuwingsplicht heeft geschonden. Balm verzoekt het hof van deze eindbeslissingen terug te komen. Daaraan legt zij ten grondslag dat er sprake is van een nieuw feit en bewijsstuk en van feitelijke of juridische misslagen. Het hof ziet geen aanleiding terug te komen van de door Balm bedoelde eindbeslissingen en licht deze beslissing hierna toe.\n\nBeoordelingsmaatstaf\n\n2.2.. De rechter die in een tussenuitspraak een of meer geschilpunten uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft beslist, is hieraan in beginsel in het verdere verloop van de procedure gebonden. De eisen van een goede procesorde kunnen echter meebrengen dat de rechter aan wie is gebleken dat een eerdere door hem gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om, nadat partijen gelegenheid hebben gekregen zich daarover uit te laten, over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing, om te voorkomen dat op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak wordt gedaan.Als het verzoek wordt gedaan door een procespartij, dan moet het verzoek worden gemotiveerd met een verwijzing naar relevante feiten en omstandigheden. Als een partij slechts verzoekt om terug te komen op een bindende eindbeslissing, zonder daarbij feiten of omstandigheden aan te dragen waaruit kan blijken dat die beslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, dan hoeft de rechter op zo'n verzoek niet in te gaan.In hoger beroep ligt in de eisen van een goede procesorde echter ook besloten het beginsel van concentratie van het processuele debat, zoals dat tot uitdrukking komt in de tweeconclusieregel. Dit beginsel kan meebrengen dat een verzoek om terug te komen van een eindbeslissing niet kan worden gebaseerd op stellingen of bewijsstukken die eerder hadden kunnen en moeten worden aangevoerd, ook als die stellingen niet kunnen worden aangemerkt als een nieuwe grief.\n\n(i) Geen oplevering op de door Balm gestelde datums\n\n2.3.. Balm heeft achtereenvolgens gesteld dat dat oplevering op 1 oktober 2019, 20 december 2019, dan wel 27 mei 2020 heeft plaatsgevonden. Het hof heeft overwogen dat op geen van die momenten sprake is geweest van een oplevering. Zo er al een oplevering heeft plaatsgevonden is dat na 27 mei 2020 geweest. Balm verzoekt het hof van die beslissing terug te komen omdat sprake is van een nieuw feit en bewijsstuk. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft dhr. [naam1] ( [functie] van de VvE) over de eindinspectie en goedkeuring door de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid (hierna: OZHZ) verklaard: “Van achter het bureau. Met ons is nooit contact opgenomen. Ze zijn ook niet komen kijken.”Op een later moment heeft Balm naar aanleiding van die uitspraak navraag gedaan bij de OZHZ, zo stelt zij. Als productie 5 heeft Balm een e-mail van 22 november 2024 van OZHZ overgelegd, waarin op vragen van Balm wordt gereageerd. Over de e-mail van Bam met haar vragen aan OZHZ beschikt het hof niet. De reactie van OZHZ houdt het volgende in:\n\n“Naar aanleiding van uw onderstaande vragen heb ik de bijbehorende dossiers van deze zaak geraadpleegd.\n\nUit het verslag van de toezichthouder maak ik op dat er vanaf 24-10-2018 t\u002Fm 08-10-2019 een tiental controlebezoeken zijn uitgevoerd tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden. Uit het bezoek van 03-06-2019 blijkt dat Balm volop bezig was met lijmen van ankers. Daarna zijn nog verschillende controles uitgevoerd (26-08-2019 en 09-09-2019). Op 08-10-2019 is een eindcontrole uitgevoerd. De herstelwerkzaamheden waren toen gereed en aannemer was reeds vertrokken.\n\nWat ik uit het verslag opmaak is dat in het hele traject op verschillende momenten contact is geweest met de heren [naam1] en [naam2] van de VvE. Dit is via telefoon of mail gegaan. Voor OZHZ is de aannemer (Balm) de te inspecteren en aan te spreken partij.\n\nNa afronding van het project is voor zover ik kan nagaan geen contact meer met de VvE geweest. Omdat de betrokken toezichthouder niet meer bij ons werkt is dit niet meer te verifiëren.”\n\nBalm stelt dat uit het bericht van OZHZ in ieder geval volgt dat (a) OZHZ een eindinspectie heeft uitgevoerd op 8 oktober 2019, (b) Balm op dat moment was vertrokken, (c) de VvE (lees: de heer [naam1] ) bij de inspectie aanwezig is geweest althans bekend was met de datum van de eindinspectie en (d) tussen de VvE en OZHZ was besproken dat correspondentie (vooral) zou plaatsvinden tussen Balm en OZHZ. Dat is volgens haar in dit verband van belang.\n\n2.4.. Het hof stelt voorop dat het op de weg van Balm had gelegen eerder duidelijkheid te verkrijgen en te verschaffen over de onderwerpen waarover zij nu vragen aan OZHZ heeft gesteld voor zover zij dat van belang acht voor de beoordeling of oplevering heeft plaatsgevonden. De e-mail van OZHZ geeft verder geen aanleiding terug te komen van de beslissing dat geen oplevering op of omstreeks 1 oktober 2019 heeft plaatsgevonden. De hierboven weergegeven uitlating van [naam1] ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep ligt niet aan die beslissing ten grondslag. Dat er in oktober 2019 een eindcontrole heeft plaatsgevonden was het hof wel duidelijk, hoe de verhoudingen tussen Balm, OZHZ en de VvE lagen ook. Bij de beantwoording van de vraag of oplevering op of omstreeks 1 oktober 2019 heeft plaatsgevonden heeft het hof in het tussenarrest onder 3.5 overwogen dat aan de goedkeuring van OZHZ in dit verband geen betekenis toekomt, nu dit geen mededeling of gedraging is tussen Balm en de VvE. De in dit late stadium overgelegde e-mail van OZHZ werpt daar geen ander licht op. Dat Balm voor OZHZ de te inspecteren en aan te spreken partij is, bevestigt dat de VvE daarbuiten stond en onderstreept het belang van een mededeling of gedraging van Balm die oplevering impliceert. Het hof heeft op diezelfde plaats verder overwogen dat uit berichten van de VvE bleek dat zij niet op de hoogte was van de goedkeuring. Uit de e-mail van OZHZ volgt ook niet zij daarvan wel op de hoogte was. Balm concludeert dat uit deze e-mail blijkt dat de VvE in de persoon van [naam1] bij de eindkeuring aanwezig is geweest, althans bekend was met de datum van de eindinspectie. Dat is niet wat OZHZ schrijft. Zij deelt mee dat op 8 oktober 2019 een eindcontrole heeft plaatsgevonden, toen de herstelwerkzaamheden gereed waren en de aannemer was vertrokken. Verder deelt zij mee dat in het hele traject op verschillende momenten contact is geweest met onder andere [naam1] van de VvE. Een verband tussen dat contact en de eindcontrole legt OZHZ niet. Bovendien volgt uit de e-mail van OZHZ geen bekendheid van de VvE met de goedkeuring door OZHZ.\n\n2.5.. In het tussenarrest onder 3.7 en 3.9 heeft het hof gemotiveerd waarom ook op 20 december 2019 en 27 mei 2020 geen oplevering heeft plaatsgevonden. Voor zover Balm in haar nadere akte verzoekt van die beslissing terug te komen, is dat processtuk een herhaling van zetten, zonder dat Balm daarbij feiten of omstandigheden aandraagt waaruit kan blijken dat die beslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag. Het hof volstaat met een verwijzing naar de al gegeven motivering voor de beslissing daarover.\n\n(ii) De VvE heeft tijdig geklaagd\n\n2.6.. Het hof heeft in het tussenarrest onder 3.10 overwogen dat de VvE met haar brief van 8 juni 2020 binnen een redelijke termijn over het ontbreken van een goed afschot heeft geklaagd. Balm stelt dat deze beslissing niet is gemotiveerd. Dat kan het hof niet goed volgen. Verwezen wordt naar de motivering zoals die is opgenomen in voornoemde overweging. Anders dan Balm in haar nadere akte lijkt te veronderstellen, gaat het niet om de vraag of de VvE al eerder bekend was met problemen met het afschot, maar is in het oordeel van het hof bepalend dat de VvE in afwachting was van het bezoek van Balm om de oplevering en de daarbij behorende gebreken te bespreken. Pas toen duidelijk werd dat Balm, op de herstelwerkzaamheden aan één van de balkons na, niet bereid was meer werkzaamheden te verrichten, bestond er aanleiding daarover te klagen. Dat heeft de VvE toen ook gedaan. Voor zover Balm stelt dat het feitelijk onjuist is dat de VvE op Balm aan het wachten was voor een bezoek met betrekking tot de oplevering, bouwt haar betoog kennelijk voort op de stelling dat oplevering al eerder op een van de door haar genoemde data heeft plaatsgevonden. Die stelling heeft het hof verworpen.\n\n(iii) Balm heeft haar waarschuwingsplicht geschonden\n\n2.7.. In het tussenarrest onder 3.15 heeft het hof toegelicht dat Balm haar waarschuwingsplicht heeft geschonden. Het ging daarbij om de vraag of Balm de VvE had moeten waarschuwen dat het niet mogelijk was een voldoende afschot aan te brengen zonder een nieuwe verhoogde schrobrand aan te brengen, zoals Balm stelt. Wat Balm in haar nadere akte aanvoert om van die beslissing terug te komen, gaat voorbij aan de inhoud van het deskundigenbericht. Het hof heeft aan de deskundige de vraag gesteld of voor het alsnog realiseren van het vereiste afschot noodzakelijk is dat de schrobranden van de balkons worden aangepast of dat deze kunnen worden gehandhaafd. De deskundige heeft daarop geantwoord dat aanpassing van de bestaande schrobranden bij de door hem voorgestelde herstelwerkzaamheden niet nodig is. Dat brengt mee dat bij de verdere beoordeling na deskundigenbericht de stellingen over en weer omtrent de waarschuwingsplicht niet langer van belang zijn.\n\n2.8.. Het voorgaande geldt ook voor de stelling van Balm dat sprake is van een juridische misslag in het tussenarrest, omdat daarin haar stellingen over de zogenaamde ‘sowiesokosten’ niet zijn meegenomen. Balm heeft eerder het standpunt ingenomen dat de herstelkosten ‘sowiesokosten’ zijn, omdat het om kosten gaat die de VvE ook had moeten maken als Balm haar had gewaarschuwd. Deze stelling is gebaseerd op haar aanname dat het aanbrengen van afschot (i) géén onderdeel van de opdracht was en (ii) niet mogelijk was vanwege de te lage schrobranden. Balm ziet eraan voorbij dat het hof in het tussenarrest heeft overwogen dat het aanbrengen van afschot wél onderdeel van de opdracht was en dat ten tijde van het wijzen van het tussenarrest nog niet duidelijk was of wat Balm stelde over de schrobranden juist was. Nu met het deskundigenbericht duidelijk is dat aanpassing van de bestaande schrobranden bij de door voorgestelde herstelwerkzaamheden niet nodig is, kan Balm ook niet worden gevolgd in haar stelling dat de herstelkosten ‘sowiesokosten’ zijn.\n\nDeskundigenbericht\n\n2.9.. De deskundige heeft - na analyse van het procesdossier - onderzoek op locatie uitgevoerd. Na een overleg met partijen zijn de 24 balkons visueel beoordeeld en is er een inmeting uitgevoerd. Daarbij is het afschot bepaald met waterpassen en met behulp van een 3D scanner. De meetresultaten zijn uitgewerkt in hoogtemetingen. Vervolgens is het afschot van de balkons beoordeeld om te bepalen welke herstelwerkzaamheden nodig zijn om de situatie te herstellen. Van de herstelwerkzaamheden is een kostenraming opgesteld.2.10.. Onder zijn algemene bevindingen vermeldt de deskundige, voor zover hier van belang:\n\n“a. Afschot en vlakheid\n\nTijdens de inspectie op locatie is met behulp van waterpassen (een lange en een korte) het afschot en de afwatering van de balkons in beeld gebracht. Wat daarbij opvalt is dat bij vrijwel alle balkons (m.u.v. huisnr. 22) het vloeroppervlak vanaf de gevel afloopt richting de voorzijde van het balkon.(…) Aan de voorzijde van het balkon is het afschot wisselend. Op een aantal plaatsen is het gericht naar de hemelwaterafvoer(…)maar er zijn ook plekken waar het oppervlak vrij vlak is of zelfs van de afvoer af loopt.(…) Op basis van de waarnemingen op locatie is een goed beeld verkregen van het afschot maar de metingen met de 3D scanner geven hierover meer inzicht in detail. Dat geldt tevens voor de lokaal aangetroffen onvlakheden (lokaal hoge en lage punten) in het oppervlak. Op een aantal balkons zijn deze lokale onvlakheden geconstateerd(…).\n\nb. Schrobranden\n\nBij het onderzoek is geconstateerd dat bij alle 24 balkons een schrobrand aanwezig is. De hoogte varieert van enkele mm’s tot meerdere cm’s en dat zal uit de metingen met de 3D scanner naar voren komen.(…)Bij sommige balkons is tegen de balustrade een aanvullende afscherming voorzien van bijvoorbeeld rieten matten of een tuinscherm. Hierdoor kon de hoogte van de schrobrand niet overal worden bepaald.(…)\n\nc. Afvoeren\n\nBij elk van de balkons is aan één zijde een hemelwaterafvoer aanwezig. Bij de inspectie op locatie is geconstateerd dat deze afvoeren soms zeer verschillend zijn gemaakt. Soms is er vlak tegen de afvoer aan gewerkt maar er zijn ook plekken waar op een kort afstand van de afvoer het oppervlak steil afloopt. De afwerking van het oppervlak is daar plaatselijk grof.(…) Bij de inspectie is geconstateerd dat de mate van vervuiling van de afvoeren sterk verschilt. Sommige\n\nafvoeren zijn schoon(…) maar er zijn ook afvoeren waar veel vervuiling aanwezig is. Deze afvoeren zijn mogelijk nog nooit schoongemaakt en dit zal de afwatering op sommige balkons hinderen.(…)\n\nd. Plaatdikte\n\nGedurende de inspectie is op verschillende plaatsen indicatief de dikte van de balkons (incl. de schrobrand) bepaald. Dit is gedaan door aan de buitenzijde met een rolmaat de dikte te meten. Hieruit volgt dat de dikte van de balkons enigszins varieert en grofweg tussen 150 en 165 mm bedraagt. Deze variatie in dikte is zeer waarschijnlijk veroorzaakt doordat het hier in het werk vervaardigde balkons betreft waar zeer waarschijnlijk in een later handmatig schrobranden op gemaakt zijn. Enige variatie in de plaatdikte en de schrobrandhoogte zorgt voor de gemeten verschillen.(…)\n\ne. Vervuiling balkonoppervlak\n\nOver het algemeen gezien oogt het oppervlak van de balkons vervuild en grauw. Het oppervlak is vies en toont op plaatsen een vlekkenpatroon (donkergrijs, groen) dat mogelijk kan worden gerelateerd aan water dat bij tijd en wijle op het oppervlak blijft staan. De mate van vervuiling verschilt per balkon maar het uiterlijk van de meeste balkons doet vermoeden dat het oppervlak nooit, of slechts zeer zelden wordt gereinigd.(…) Bij verschillende huizen is er gewoonlijk een afwerking op het balkonoppervlak aanwezig. Bijvoorbeeld kunststof tegels of kunstgras. Voor de uitvoering van de inspectie is dit verwijderd maar op een aantal balkons is daarvan nog een aftekening zichtbaar.(…)\n\nf. Ruwheid afwerking\n\nDe ruwheid van afwerking van het oppervlak van de balkons varieert over de balkons. Op een aantal plaatsen is het oppervlak ruw en plaatselijk grof.(…) Door deze ruwheid zal het oppervlak meer vervuild raken en kan niet worden uitgesloten dat makkelijker water blijft staan op het oppervlak.(…)\n\ng. Loslaten afwerklaag\n\nTijdens de inspectie is geconstateerd dat op enkele plaatsen de afwerklaag die aanwezig is op het oppervlak loslaat. Het betreft een gering aantal plekken(…).”\n\nVervolgens bespreekt de deskundige de bevindingen ten aanzien van de individuele balkons, waarbij wordt verwezen naar bijlage C, waarin deze bevindingen per balkon nader zijn uitgewerkt.\n\n2.11.. Aan de beantwoording van de door het hof gestelde vragen laat de deskundige een ‘Eigen beschouwing’ voorafgaan. Die ‘Eigen beschouwing’ houdt, voor zover hier van belang, onder 5.1.1 het volgende in over de beoordelingscriteria:\n\n“In de eerste vraag aan de deskundige wordt verzocht om een toetsing van het afschot op de balkons aan de‘ten tijde van de versterkingswerkzaamheden geldende norm of de eisen van goed en deugdelijk werk’. Om dit te beoordelen is inzicht in verschillende aspecten noodzakelijk.\n\na. Afschot, afwatering en vlakheid\n\nBij het beoordelen van afschot van in dit geval een balkonplaat is het van belang om een onderscheid te maken tussen verschillende begrippen; afschot, vlakheid en afwatering.\n\nAfschot is een bewust aangebrachte helling in een vlak met als doel om vloeistof af te voeren naar een bepaald punt. In feite betreft het de hellingshoek(…) tussen het hoogste en het laagste punt waarbij het laagste punt bedoeld is als de plek waar de vloeistof naartoe moet stromen. Voor de balkons betreft de afvoer (HWA) het gewenste laagste punt. Afschot is een van de middelen om als doel een gewenste afwatering (doel) te realiseren.\n\nVlakheid verwijst naar lokale afwijkingen in het vloeroppervlak. Het betreft oneffenheden (licht hogere en lagere punten) in het vlak(…). Onvlakheden kunnen, afhankelijk van de omvang, de afwatering negatief beïnvloeden. Een passende vlakheid, in relatie tot het afschot, is een voorwaarde om afwatering mogelijk te maken.\n\nAfwatering wordt gedefinieerd als het geheel van maatregelen en voorzieningen die ervoor zorgen dat water op een gecontroleerde manier van het oppervlak wordt afgevoerd. Om het doel van een goed werkende afwatering te bereiken wordt een combinatie van middelen zoals afschot, vlakheid en afvoersystemen ingezet.(…)\n\nBij het creëren van een goede afwatering is enerzijds het afschot van belang maar anderzijds ook de vlakheid, in relatie tot de hellingshoek. Een vloer met een correct afschot kan toch water vasthouden als er sprake is van (te) grote onvlakheid. Op plekken waar maar weinig of geen afschot mogelijk is, is het voor een goed werkende afwatering noodzakelijk dat de vloer geen of slechts geringe onvlakheden kent. Een oppervlak met een hoge vlakheid maakt het mogelijk om zelfs met een vloeroppervlak met een minimaal (of theoretisch gezien zelfs geen) afschot een voldoende goede afwatering te bereiken. Voor een goede afwatering moeten de aspecten afschot en vlakheid in balans zijn.\n\nb. Criteria en richtlijnen\n\nDe versterkingswerkzaamheden vonden plaats in 2019, toen het Bouwbesluit 2012 van kracht was. In artikel 6.15 is vermeld:‘Een bouwwerk heeft een zodanige voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater of hemelwater dat het water zonder nadelige gevolgen voor de gezondheid kan worden afgevoerd’.\n\nDe essentie daarvan is dat de afwatering zodanig moet functioneren dat er geen onveilige of ongewenste situaties ontstaan, waaronder ook gezondheidsrisico's vallen. Deze eis is functioneel, gericht op een resultaatsverplichting: het beschrijft wat bereikt moet worden, niethoe dat moet gebeuren. Het bouwbesluit schrijft geen specifieke technische oplossing voor en bevat ook geen expliciete eis voor het afschot (afschotpercentage) van constructies zoals balkons of galerijen.\n\nIn de praktijk wordt al decennialang een richtlijn voor het afschot van minimaal 1% tot 2% (oftewel 10-20 mm\u002Fm1) gehanteerd om regenwater effectief (deugdelijk) af te voeren en (langdurige) plasvorming te voorkomen. Dit is een breed geaccepteerde richtlijn (aanbeveling) binnen de bouwsector, maar is een richtlijn en geen wettelijke eis. Het is een vorm van handelingsadvies om problemen met afwatering in de praktijk zoveel mogelijk te voorkomen en aan de verwachting van een droog oppervlak binnen acceptabele tijd te voldoen. Omdat het geen wettelijke eis betreft, is een afschot van minder dan 10 mm\u002Fm¹ is niet per definitie een gebrek.\n\nBij het ontbreken van een specifiek criterium voor afwatering en afschot moeten we terugvallen op algemene criteria in lijn met het bouwbesluit. In beginsel geldt dat aandacht voor afwatering noodzakelijk is om ervoor te zorgen dat water adequaat kan worden afgevoerd. Daarnaast gelden de eisen van goed en deugdelijk werk waarbij functionele geschiktheid een bepalende rol speelt. Een balkon is gedefinieerd als een gebouwgebonden buitenruimte; een buitenruimte die verbonden is aan of deel uitmaakt van een gebouw (voorbeelden zijn een balkon, een veranda of een dakterras). Het maakt onderdeel uit van de woonfunctie en is dan ook bedoeld voor gebruik als buitenruimte bij een woning. Van een balkon mag worden verwacht dat de afwatering voldoende is, waardoor er mogelijk kortstondig wat water op het oppervlak blijft staan, maar dit water moet wel naar de afvoer kunnen stromen.\n\nDat is de eis van goed en deugdelijk werk. Daar wordt niet aan voldaan als het afschot zodanig is uitgevoerd dat het zijn functie - het afvoeren van hemelwater - niet kan vervullen, of wanneer het leidt tot schade, lekkage of (potentieel) onveilige situaties (bijv, gladheid). Een opdrachtgever mag redelijkerwijs verwachten dat een vakbekwame aannemer aandacht besteedt aan de afwatering en dergelijke risico's, zoveel als redelijkerwijs mogelijk, voorkomt.\n\nVoor een goed functionerende afwatering van balkons, waarbij afschot en vlakheid in balans zijn, gelden de volgende criteria als maatstaf voor goed en deugdelijk werk:\n\nHet vloeroppervlak bij de afvoerleiding moet het laagste punt zijn. Elders op het balkon moet het oppervlak minimaal even hoog of hoger liggen.\n\nEr zijn geen laaggelegen plekken in het oppervlak aanwezig zijn (dan bij het afvoerpunt) waar water zich kan verzamelen.\n\nEr zijn geen verhoogde delen in het oppervlak die de afvoer van water belemmeren of blokkeren.\n\nIn de memorie van Grieven [14] en de akte uitlating benoeming deskundige [26] is door Marxman advocaten verwezen naar de onderstaande tekst als de ‘BDA-regel\u002FBDA norm’.‘Een hoeveelheid water op het dak (direct na regen) van maximaal 5% van het dakoppervlak is toelaatbaar, mits deze hoeveelheid is verdeeld over meerdere plassen. De diepte van de plassen mag daarbij maximaal 5mm zijn’.\n\nOok dit betreft een richtlijn uit de praktijk (geen normtekst) die bedoeld is voor platte daken en met name in de beoordeling van de hoeveelheid water die direct na regenval op het oppervlak mag achterblijven. Een plat dak, zonder gebruiksfunctie als een dakterras of daktuin, wordt niet gezien als gebouwgebonden buitenruimte en is primair bedoeld als afscherming tegen weersinvloeden. Theoretisch gezien kan een balkon wellicht functioneren als een dak (voor de onderliggende bouwlaag) maar het heeft een andere primaire functie: een gebruik als toegankelijke buitenruimte. Hoewel er voor afschot van balkons geen specifieke eis is, kan de voornoemde BDA-richtlijn niet voor balkons van toepassing worden verklaard.”\n\n2.12.. Onder de ‘Eigen beschouwing’ onder 5.1.2 gaat de deskundige vervolgens in op het ontwerp van de versterking. Onder 5.1.3 is het volgende opgenomen over de praktijksituatie per balkon:\n\nIn deze paragraaf wordt het afschot (de afwatering) per balkon beoordeeld op basis van de hoogtemetingen en de bovengenoemde criteria. Daarbij wordt bekeken of het water vrij naar de afvoer kan lopen en het vloeroppervlak ter plaatse van de afvoer het laagste punt is. Verder wordt beoordeeld of er hoge plekken zijn die voorkomen dat het water naar de afvoer stroomt of juist lage plekken (anders dan de afvoer) waar het water heen kan stromen.\n\nEen balkon voldoet niet aan de criteria zoals benoemd in § 5.1.l.b indien:\n\nHet vloeroppervlak bij de afvoer niet het laagste punt is en er daardoor water kan blijven staan;\n\nIn het oppervlak lage plekken aanwezig zijn (anders dan richting de afvoer) waar het water naar toe stroomt. In dat geval is er sprake van tegenschot.\n\nIn het oppervlak (lokaal) hoge plekken aanwezig zijn die een obstructie vormen voor de afvoer van het water.\n\nHoewel dit de algemene eis is moet er rekening mee worden gehouden dat tijdens de uitvoering in de praktijk incidenteel afwijkingen kunnen ontstaan. Dit geldt in het bijzonder voor de uitvoering van deze specifieke versterkingsmaatregel die in feite per woning een maatwerkoplossing vereist. Van primair belang is de algehele afwatering van het balkonoppervlak. Wanneer in het oppervlak geringe afwijkingen zijn geconstateerd die de algehele afwatering van het balkon niet of nauwelijks beïnvloeden, worden deze niet als een gebrek beschouwd. Voor de balkons van bijvoorbeeld huisnummers 12, 16 en 34 betekent dit\n\ndat, ondanks de kleine afwijkingen, het oppervlak als voldoende is beoordeeld.\n\nDe individuele toetsing per balkon is beschreven in bijlage D. In de onderstaande tabel is deze beoordeling samengevat genummerd volgens de etages in het complex.\n\nUit de beoordeling volgt dat bij 17 van de 24 balkons het afschot over aanzienlijke delen van het oppervlak niet juist is gericht en het oppervlak daardoor niet goed kan afwateren. Daarmee wordt dus niet voldaan aan het in § 5.1.1.b beschreven criterium. Analyse van de balkonoppervlakken laat zien dat er tijdens de uitvoering wel aan gewerkt is om afschot te creëren maar over het geheel gezien is dit niet goed gelukt. Bij veel balkons is er toch ergens een (te) laag gebied aanwezig, ligt er ergens een hoge zone (die afwatering hindert), of is de afvoer niet het laagste punt. En daarmee wordt niet voldaan aan de in § 5.1.1.b vermelde criteria.\n\nAnalyse van de balkonoppervlakken en de nog resterende schrobranden laat ook zien dat met meer inspanning het afschot wel juist had kunnen worden gerealiseerd. Op alle balkons is verhoging van de lage plekken mogelijk zonder dat het oppervlak daarmee boven de schrobrand uitkomt. Ook is het zo dat de hogere plekken vooral zeer lokaal zijn waardoor het waarschijnlijk is dat enige verlaging van het oppervlak mogelijk is zonder de betondekking(mortel) op de aanwezige ankers negatief te beïnvloeden. Bovendien bevinden deze plekken zich op veel balkons nabij de schrobrand (de ankerstaven stoppen ca. 20 cm voor\n\nde schrobrand).\n\nDeze beoordeling is gebaseerd op de inmetingen van het oppervlak in combinatie met de eigen waarnemingen op locatie. Aspecten als de ruwheid van het oppervlak, vervuiling van het oppervlak en de afvoeren en de exacte afwerking van de vloeren bij de afvoeren zijn niet relevant voor het afschot en de algehele afwatering en zijn dan ook niet beoordeeld. Op een ruw oppervlak blijft theoretisch gezien wat meer water achter en zal wat meer vuil blijven liggen hetgeen kan betekenen dat het oppervlak vaker schoongemaakt dient te worden. Verder is het zo dat om ervoor te zorgen dat het balkonoppervlak goed kan afwateren het van belang is om de afvoer regelmatig schoon te maken.”\n\n2.13.. Onder 5.1.4 van de ‘Eigen beschouwing’ gaat de deskundige nader in op het herstel en de kosten daarvan.\n\n2.14.. Op de door het hof gestelde vragen heeft de deskundige de vervolgens volgende antwoorden gegeven:\n\nVraag 1\n\nOp welke balkons van de appartementen aan de Schaperstraat 2 tot en met 56 voldoet het afschot richting de hemelwaterafvoer niet aan de ten tijde van de versterkings-werkzaamheden geldende norm of de eisen van goed en deugdelijk werk? U dient daarbij uit te gaan van de versterkingswerkzaamheden zoals deze volgen uit de tussen de VvE en Balm gesloten overeenkomst en aan te geven welke norm voor het afschot u hanteert en waarop u deze norm baseert.\n\n“Bij 17 van de 24 balkons is het afschot op delen van het oppervlak niet juist gericht, waardoor het oppervlak niet goed kan afwateren. Het betreft de balkons van de huisnummers 10, 18, 22, 24, 26, 28, 30, 36, 38, 40, 42, 46, 48, 20, 52, 54, 56. Daarmee wordt niet voldaan aan de eisen van goed- en deugdelijk werk, en de functionele eis wat betreft afwatering uit het Bouwbesluit 2012. Er zijn geen wettelijke eisen voor afschot, ook niet specifiek voor balkons. Wel bestaat er een praktijkrichtlijn van 10 mm\u002Fm, bedoeld als handelingsadvies om afwateringsproblemen te voorkomen, maar deze geldt niet als toetsingscriterium.\n\nHet begrip afschot is onlosmakelijk verbonden aan het begrip afwatering. Voldoende afwatering is een doel waarbij afschot een van de middelen is om dat te bereiken. Een sterk afschot (de juiste kant op gericht) bevordert de afwatering, maar een beperkt afschot (of zelf een vlak oppervlak) hoeft geen probleem te zijn zolang de beoogde afwatering maar kan plaatsvinden. Voor een voldoende afwatering moeten de aspecten afschot en vlakheid in balans zijn. Aan de afwatering van een balkon, en als onderdeel daarvan het afschot, moet voldoende aandacht worden besteed om functioneel en veilig gebruik mogelijk te maken. Van een balkon mag worden verwacht dat het voldoende afwatert en er niet langdurig water kan blijven staan. Een opdrachtgever mag verwachten dat een vakbekwame aannemer aandacht besteedt aan de afwatering en redelijke maatregelen neemt om risico's te beperken.\n\nBij de uitgevoerde herstelwerkzaamheden werden aan de bovenzijde van de balkons versterkende ankers in de achterliggende vloerconstructie van het gebouw bevestigd. De hoogte van de ankers varieerde, wat invloed had op het realiseerbare afschot. In de praktijk is het afschot van de balkons van de gevel af gericht naar de schrobrand aan de voorzijde. Bij alle balkons is nog een schrobrand aanwezig en zou het water vanaf die zone naar de afvoer moeten stromen. Bij de uitvoering van de versterkingsmaatregelen is er zeer waarschijnlijk wel aan gewerkt om afschot te creëren maar over het geheel gezien is dat niet goed gelukt.\n\nDit blijkt uit de volgende warnemingen:\n\n■ Bij een aantal balkons is het vloeroppervlak bij de afvoer niet het laagste punt, waardoor afwatering gedeeltelijk wordt gehinderd;\n\n■ Bij een groot aantal balkons zijn laaggelegen plekken aanwezig (anders dan bij de afvoer) waar water naartoe stroomt en zich kan verzamelen.\n\n■ Bij een groot aantal balkons zijn hoger gelegen plekken aanwezig die de afvoer van water belemmeren of blokkeren.”\n\nVraag 2\n\nKan bij de balkons waar het afschot niet aan de geldende norm of de eisen van goed en deugdelijk werk voldoet, alsnog het vereiste afschot worden gerealiseerd? Zo ja, welke herstelwerkzaamheden zijn daarvoor nodig? U dient bij uw antwoord aan te geven of daarbij noodzakelijk is dat de schrobranden van de balkons worden aangepast of dat deze kunnen worden gehandhaafd.\n\n“Ja, bij balkons die niet voldoen aan de gestelde criteria kan alsnog voldoende afwatering worden gerealiseerd. Dit gebeurt door het plaatselijk verhogen en\u002Fof verlagen van het balkonoppervlak. Waar mogelijk is eerst gekeken naar het verhogen van het oppervlak om de betondekking op de aanwezige versterkende ankers niet negatief te beïnvloeden.\n\nVoor het verhogen van het oppervlak wordt, na het schoonmaken van de balkons, eerst de te verhogen zone gemarkeerd. Vervolgens wordt het oppervlak in deze zone geschuurd tot tenminste op (of net in) de aanwezig mortellaag. Na het aanbrengen van de juiste voorbehandelingsmaterialen wordt een laag materiaal aangebracht om het oppervlak op hoogte te brengen. Bij voorkeur wordt daarbij dezelfde K70-mortel gebruikt als in 2019, al is niet zeker of deze geschikt is voor dunne lagen (enkele mm’s dikte). Als dat niet het geval is moet een alternatief materiaal worden bepaald. Het ontstaan van naden tussen oud en nieuw materiaal moet daarbij zoveel mogelijk worden voorkomen. Na uitharding wordt het oppervlak voorbehandeld en voorzien van het carbonatatieremmende coatingsysteem (Grouttech Tricolastic).\n\nVoor het verlagen van het oppervlak wordt, na het schoonmaken van de balkons, eerst de te verlagen zone gemarkeerd. Vervolgens wordt het oppervlak in deze zone geschuurd tot de gewenste hoogte. Na het voorbehandelen van het oppervlak wordt aansluitend het carbonatatieremmende coatingsysteem (Grouttech Tricolastic) aangebracht.\n\nAanpassing van de bestaande schrobranden is bij deze herstelwerkzaamheden niet nodig. Bij het uitvoeren van de bewerkingen aan het oppervlak blijft de hoogte van het oppervlak lager dan de hoogte van de schrobranden.”\n\nVraag 3\n\nWelke kosten zijn gemoeid met de volgens u noodzakelijke herstelwerkzaamheden voor het alsnog realiseren van het vereiste afschot, gerekend naar het prijspeil op 21 december 2021? Indien de herstelwerkzaamheden per balkon verschillen, dient u de kosten per balkon aan te geven.\n\n“De kosten voor de herstelwerkzaamheden, gerekend naar het prijspeil van 21 december 2021, worden geraamd op € 20.145,79 incl. BTW. Dit is in §5.1.4.c toegelicht waarvan hieronder een samenvatting is gegeven.\n\nDe kosten voor de geadviseerde werkzaamheden zijn berekend door enerzijds de hoeveelheid (m2 oppervlak en m3 materiaal) werk per balkon te beschouwen. Daarvoor is de oppervlakte ingeschat (in m2) van het oppervlak dat zou moeten worden verhoogd of verlaagd. Anderzijds is de uitvoeringsduur beschouwd. In verhouding tot de benodigde uren voor herstel is de hoeveelheid materiaal en het te bewerken oppervlak beperkt. De tijd per balkon, gecombineerd met het verplaatsen van materiaal en materieel, is maatgevend voor de kosten. Uit de analyse volgt een geschatte uitvoeringsduur van 120 uur. Afgerond is dat 8 werkdagen met de ploeg van twee personen.\n\nDe samenvatting van de raming is als volgt waarbij tevens een raming tegen het prijspeil van 1 juli 2025 bijgevoegd:\n\nDe omvang van de maatregelen wisselen per balkon. Naar rato van de omvang zijn geraamde kosten per balkon als volgt:\n\nBij de bovenstaande kostenraming zijn in eerste instantie alleen de werkzaamheden voor de te behandelen delen van het oppervlak berekend. Bij lokaal herstel van de balkons ontstaan echter naden en overgangen in het oppervlak. Dit is niet alleen esthetisch minder fraai, maar vormt ook potentieel zwakke plekken die op termijn tot extra onderhoud kunnen leiden. Vanuit technisch oogpunt wordt daarom geadviseerd om alle balkons die behandeld worden volledig te voorzien van een nieuwe coating over het gehele vloeroppervlak binnen de schrobranden, ook op delen waar geen directe behandeling nodig is.\n\nVoor deze uitgebreidere werkzaamheden zijn de kosten als volgt geraamd op basis van prijspeil december 2021 en september 2025.\n\n”\n\nVraag 4\n\nAls het verhogen van de schrobranden behoort tot de noodzakelijke herstel werkzaamheden dient u de daaraan verbonden kosten, gerekend naar het prijspeil op 21 december 2021 afzonderlijk te benoemen.\n\n“Bij de uitvoering van de herstelwerkzaamheden is er bij géén van de balkons noodzaak om de schrobrand te verhogen. Het beantwoorden van deze vraag is dan ook niet aan de orde.”\n\nVraag 5\n\nIndien u tot een andere wijze van herstel of begroting van de kosten daarvan komt dan in het rapport van Top Expertise B. V. van 8 maart 2021 is vermeld, kunt u dan aangeven waarom u tot een ander oordeel komt? Kunt u beschrijven welke herstelwerkzaamheden Balm aan het balkon van de heer [naam2] (nummer 44) heeft verricht en toelichten of deze herstelwerkzaamheden afdoende zijn om de problemen op de andere balkons weg te nemen?\n\n“De werkzaamheden zoals beschreven komen op onderdelen overeen met hetgeen Top Expertise [9A] heeft benoemd maar wijken ook op punten af. Top Expertise beschrijft alleen het verhogen van het oppervlak, terwijl ook verlaging op diverse plekken noodzakelijk is. De beschrijving van Top Expertise omvat dus slechts een deel van de werkzaamheden.\n\nHet schuren en voorbehandelen van het oppervlak en het aanbrengen van een afschotlaag worden door Top Expertise ook benoemd en komen overeen. Daarna worden een aantal meer gedetailleerde zaken beschreven zoals het type afschotlaag (op basis van cement of epoxy) en de toepassing van een schraaplaag. Een schraaplaag kan één van de lagen in een toe te passen systeem zijn maar de noodzaak om deze toe te passen is afhankelijk van de keuze van het toe te passen systeem (epoxy-of cementgebonden materiaal). Meestal is een schraaplaag overigens een onder- of tussenlaag van 1-3 mm dik.\n\nHet is daarom essentieel eerst het toe te passen materiaal te kiezen, waarna bepaald kan worden welke lagen en behandelingen nodig zijn. In dit deskundigenbericht is uitgegaan van (zoveel als mogelijk) gebruik van de materialen die in 2019 zijn toegepast. En als dat niet kan heeft het de sterke voorkeur de te gebruiken materialen door de aannemer te laten bepalen omdat dit doorgaans tot (kwalitatief) de beste resultaten leidt.\n\nOok de kostenraming voor de herstelwerkzaamheden, zoals weergegeven in 5.1.4.C, wijken af van de kosten zoals berekend door Top Expertise. Op basis van de beperkte gegevens van de calculatie van Top Expertise is het lastig de oorzaak van dit verschil te duiden. In de calculatie die voor dit deskundigenbericht zijn gemaakt zijn reële kosten meegenomen volgens algemene ramingsmethodieken waarbij rekening is gehouden met directe kosten, indirecte kosten en onvoorziene kosten.\n\nNa melding van blaasvorming onder het beschermingssysteem voerder Balm in mei 2020 werkzaamheden uit aan het balkon van huisnummer 44. De blaasjes zijn verwijderd, de vloer is geschuurd en opnieuw voorzien van een coating. Deze werkzaamheden zijn beschreven in dossier [4A] en bevestigd door Balm tijdens het locatiebezoek voorafgaand aan het deskundigenonderzoek op locatie.\n\nDe uitgevoerde werkzaamheden zijn echter niet afdoende om de problemen op de andere balkons weg te nemen. De werkzaamheden benodigd om het afschot aan te passen gaan aanzienlijk verder dan hetgeen in mei 2020 is uitgevoerd bij huisnummer 44. Hoewel enkele bewerkingen gelijk zijn (schuren en opnieuw coaten) gaat het hier om werkzaamheden met een ander doel en zijn deze veel omvangrijker.”\n\nReactie VvE\n\n2.15.. De VvE sluit aan bij de bevindingen van de deskundige, maar vraagt het hof de schade in afwijking daarvan ex aequo et bonovast te stellen. Daarbij stelt zij voor uit te gaan van 1 juli 2025 als peildatum en naast de raming van de kosten door de deskundige bij de begroting van de herstelkosten ook een door de VvE overgelegde offerte van Betonrestore en de inhoud van het door haar eerder overlegde rapport van TopExpertise te betrekken. Op de daarin genoemde bedragen zou onder meer een inflatiecorrectie moeten worden toegepast over de periode tot de voorgestelde peildatum. Vervolgens noemt de VvE verschillende schadebedragen waarvan zou kunnen worden uitgegaan (primair€ 42.397,26, ca € 45.000 of in ieder geval € 40.250,subsidiairca. €35.000 tot €40.000).\n\n2.16.. De VvE kan hierin niet worden gevolgd. De rechtbank heeft de schade van de VvE begroot op € 40.250. De VvE heeft geen incidenteel hoger beroep ingesteld. Toewijzing van een hoger bedrag dan door de rechtbank vastgesteld, is daarom hoe dan ook niet aan de orde. De VvE ziet verder eraan voorbij dat in het tussenarrest onder 3.17 is overwogen en toegelicht dat voor de begroting van de herstelkosten moet worden uitgegaan van het prijspeil op 21 december 2021. Dat is ook in de vraagstelling aan de deskundige meegegeven. De deskundige heeft op eigen initiatief een tweede raming met als peildatum 1 juli 2025 gegeven. Daaraan zal het hof voorbijgaan. Het hof ziet ook in de overgelegde offerte van Betonrestore (die door de VvE ook veel eerder had kunnen worden overgelegd) en het rapport van TopExpertise geen aanleiding om af te wijken van de raming van de deskundige met als peildatum 21 december 2021. Betonrestore is - zoals de VvE zelf ook stelt - geen deskundige, maar een aannemer die niet over de informatie beschikte waarover de deskundige bij het opstellen van het deskundigenbericht heeft beschikt. Daarnaast had Betonrestore bij het opstellen van de offerte een eigen commercieel belang. In het tussenarrest onder 3.17 is voorts al toegelicht waarom niet kan worden uitgegaan van het rapport van TopExpertise. Onder andere is daar overwogen dat haar kostenopstelling onvoldoende inzichtelijk is, omdat niet duidelijk is waarop zij de door haar in aanmerking genomen bedragen baseert. Bovendien is zij uitgegaan van een onjuiste peildatum voor het te hanteren prijspeil.\n\nReactie Balm\n\n2.17.. Balm is het niet eens met de bevindingen van de deskundige. Zij concludeert dat de balkons niet gebrekkig zijn en dat zij geen schadevergoeding verschuldigd is. Als het hof oordeelt dat er wel een schadevergoeding verschuldigd is, moet het door de deskundige vastgestelde bedrag volgens Balm naar beneden worden gecorrigeerd. Hierna zal het hof bespreken wat Balm tegen het deskundigenbericht aanvoert en toelichten waarom dat het hof geen aanleiding geeft van het deskundigenbericht af te wijken.\n\n2.18.. Balm voert aan dat er altijd water kan en mag achterblijven op een balkon en dat de deskundige niet heeft aangegeven dat dit niet zo is. Volgens Balm is niet in te zien waarom de door haar genoemde richtlijn omtrent toegestane hoeveelheid plassen niet kan worden toegepast en voldoen alle balkons, althans in ieder geval de balkons waarbij de hemelwaterafvoer het laagste punt is, aan deze norm. Balm ziet eraan voorbij dat de deskundige heeft toegelicht dat dit een richtlijn uit de praktijk (geen normtekst) is, die is bedoeld voor platte daken en niet voor balkons van toepassing kan worden verklaard. Een plat dak zonder gebruiksfunctie is iets anders dan een balkon met gebruik als toegankelijke buitenruimte als functie. Het hof sluit aan bij het oordeel van de deskundige.\n\n2.19.. Het hof kan Balm ook niet volgen waar zij stelt dat de deskundige niet (in voldoende mate) heeft vastgesteld dat de afwatering incorrect zou zijn en het afwateren niet is onderzocht. De deskundige heeft ervoor gekozen het onderzoek uit te voeren met behulp van 3D scans en heeft op die manier een gedetailleerd beeld van de hoogteligging van het vloeroppervlak kunnen verkrijgen. De deskundige heeft ervoor kunnen kiezen het onderzoek niet te verrichten door water aan te brengen op het oppervlak van de balkons. Die keuze is door de deskundige ook toegelicht (“Dit onderzoek is echter veel lastiger uitvoerbaar, kost meer tijd, leidt potentieel tot hinder en is minder nauwkeurig”). Dat de deskundige (ook na regenval) geen plasvorming heeft waargenomen, zoals Balm aanvoert, doet niet af aan wat de deskundige wél heeft waargenomen. De deskundige heeft waargenomen (i) dat bij een aantal balkons het vloeroppervlak bij de afvoer niet het laagste punt is, waardoor afwatering gedeeltelijk wordt gehinderd, (ii) dat bij een groot aantal balkons laaggelegen plekken aanwezig zijn (anders dan bij de afvoer) waar water naar toestroomt en zich kan verzamelen en (iii) dat bij een groot aantal balkons hoger gelegen plekken aanwezig zijn die de afvoer van water belemmeren of blokkeren. Voldoende duidelijk is vervolgens waarom een aantal balkons wel en een aantal balkons niet als voldoende zijn beoordeeld. Het hof verwijst naar ‘Bijlage C, Inspectiebevindingen per balkon’ en ‘Bijlage D, Toetsing per balkon’ bij het deskundigenbericht. Omdat de waarnemingen van de deskundige berusten op 3D scans en niet op onderzoek door het aanbrengen van water op het oppervlak van de balkons, is voor de bevindingen niet van belang dat op balkons sprake is van vervuiling op de balkons en van de hemelwaterafvoer, zoals Balm benadrukt. Dat is door de deskundige in antwoord op vragen van Balm ook toegelicht. Anders dan Balm verder aanvoert, ligt in de conclusie van de deskundige besloten dat de huidige situatie een gevaar voor de gezondheid oplevert. In de ‘Eigen beschouwing’ onder ‘Criteria en richtlijnen’ citeert de deskundige artikel 6.15 van het Bouwbesluit 2012 (“Een bouwwerk heeft een zodanige voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater of hemelwater dat het water zonder nadelige gevolgen voor de gezondheid kan worden afgevoerd”) en gaat de deskundige in op de essentie daarvan en de eisen van goed en deugdelijk werk. Bij de beantwoording van ‘Vraag 1’ concludeert de deskundige dat niet wordt voldaan aan de eisen van goed- en deugdelijk werk, en de functionele eis wat betreft afwatering uit het Bouwbesluit 2012. De door de deskundige voorgestelde herstelwerkzaamheden onderstrepen dat het realiseren van een voldoende afschot voor Balm ook ondanks de te verrichten versterkingswerkzaamheden mogelijk moet zijn geweest. De deskundige schrijft“dat met meer inspanning het afschot wel juist had kunnen worden gerealiseerd.”\n\n2.20.. Balm heeft eerder herstelwerkzaamheden aan het balkon van nr. 44 verricht. Balm is het niet eens met het oordeel van de deskundige dat deze herstelwerkzaamheden niet afdoende zijn om de problemen op de andere balkons weg te nemen. Zij wijst erop dat uit het deskundigenbericht volgt dat aan dit balkon geen werkzaamheden hoeven te worden verricht en dat de bewoner van nr. 44 niet heeft geklaagd over plasvorming. Het hof kan Balm ook daarin niet volgen. Op het bedoelde balkon is het afschot, blijkens het deskundigenbericht, op orde. Dat is ook het geval op enkele andere balkons, waaraan door Balm geen herstelwerkzaamheden zijn verricht. Dat het afschot op het balkon bij nr. 44 in orde is als gevolg van de door Balm verrichte herstelwerkzaamheden is niet gebleken en tegen de achtergrond van wat de deskundige daarover heeft bericht ook niet aannemelijk. De deskundige heeft toegelicht dat op dit balkon geen werkzaamheden zijn verricht met het oog op het afschot, maar om blaasvorming te verwijderen en dat de werkzaamheden die benodigd zijn om afschot te realiseren aanzienlijk verder gaan. Hoewel enkele bewerkingen gelijk zijn (schuren en opnieuw coaten) gaat het hier om werkzaamheden met een ander doel en zijn deze werkzaamheden veel omvangrijker.\n\n2.21.. Balm voert verder aan dat de VvE ten aanzien van elke bewoner moet aangeven of deze bewoner herstelwerkzaamheden uitgevoerd wenst te zien. Dat is volgens Balm onderdeel van de op de VvE rustende schadebeperkingsplicht. Het hof neemt aan - heel duidelijk is dat niet - dat deze stelling ten grondslag ligt aan de conclusie dat de schadevergoeding naar beneden moet worden gecorrigeerd. Dit standpunt is te laat ingenomen. Balm had daarop al in haar memorie van grieven een beroep moeten doen, dat heeft zij niet gedaan. Daarbij komt dat de schade hier weliswaar concreet per balkon is begroot, maar dat de aard van de schade rechtvaardigt dat vervolgens wordt geabstraheerd van het antwoord op de vraag of alle bewoners daadwerkelijk tot herstel overgaan.\n\nDe conclusie\n\n2.22.. Het hoger beroep betreft alleen de beslissing van de rechtbank in conventie. De beslissing in reconventie ligt niet ter beoordeling voor. Uit het voorgaande volgt dat Balm tevergeefs opkomt tegen verklaring voor recht dat zij toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst tussen partijen en aansprakelijk is voor de schade die de VvE daardoor heeft geleden (dictum onder 3.1) en tegen de beslissingen omtrent de kosten (dictum in conventie onder 3.3-3.5). Wel heeft Balm op goede grond hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank toegewezen hoofdsom (dictum onder 3.2). Het in hoger beroep toe te wijzen bedrag ligt na deskundigenbericht aanzienlijk lager (€ 23.295,01). Het lag op de weg van de VvE de omvang van haar schade te onderbouwen. Dat heeft zij tot aan het deskundigenbericht onvoldoende gedaan. Het hof zal de kosten van de deskundige daarom gelijkelijk over partijen verdelen, zoals Balm heeft verzocht. De kosten van de deskundige zijn begroot op € 26.015 inclusief btw en zijn door de VvE bevoorschot. Balm zal worden veroordeeld tot betaling van € 13.007,50 aan de VvE ter zake de kosten van het deskundigenbericht. Het hof zal verder bepalen dat elke partij de eigen kosten van het hoger beroep moet dragen (compensatie van proceskosten) omdat partijen ieder deels ongelijk hebben gekregen.\n\n2.23.. De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).\n\n3. De beslissing\n\nHet hof:\n\n3.1.. bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht van 28 juni 2023 voor zover in conventie gewezen, met uitzondering van de beslissing onder 3.2 die hierbij wordt vernietigd;\n\n3.2.. veroordeelt Balm tot betaling van € 23.295,01 aan de VvE, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 1 augustus 2021 tot de dag van volledige betaling;\n\n3.3.. bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt van de procedure bij het hof;\n\n3.4.. veroordeelt Balm tot betaling van € 13.007,50 aan de VvE ter zake de door haar betaalde kosten van het deskundigenbericht;\n\n3.5.. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;\n\n3.6.. wijst af wat verder is gevorderd.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. W.C. Haasnoot, G.D. Hoekstra en V. van der Kuil, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026.\n\n HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2800\n\n HR 12 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:869\n\n HR 8 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1224","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4422","ecli-nl-gharl-2026-4422",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":66,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":67,"language":12,"source":13,"sourceUrl":68,"summary":6,"slug":69,"metadata":70},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":71,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]