ECLI:NL:GHARL:2026:588
Samenvatting
Strafrecht
Uitspraak
Leeuwarden
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
wrakingskamer
zaaknummer gerechtshof 200.363.769/01
beslissing van 15 januari 2026
op het verzoek van:
[naam 1] ,
die woont in [woonplaats] ,
verzoeker in het wrakingsincident,
hierna: verzoeker,
dat strekt tot wraking ingevolge artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
mrs. L.T. Wemes, F. van der Maden en R. Godthelp
raadsheren in dit hof, locatie Leeuwarden,
verweerders in het wrakingsincident,
hierna: verweerders.
1. Het verloop van de procedure1.1.
Bij de afdeling strafrecht van dit hof is onder parketnummer 21-005292-22 een
strafzaak aanhangig waarin verzoeker verdachte is.
1.2. Op 15 januari 2026 heeft een mondelinge behandeling in die zaak plaatsgevonden voor de meervoudige strafkamer (hierna: de strafzitting). Op de strafzitting waren aanwezig verzoeker, een advocaat-generaal, verweerders en een griffier.
1.3. Na de inleiding van de strafzitting door de voorzitter heeft verzoeker te kennen gegeven een verweer te willen voeren strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie. De voorzitter heeft daarop meegedeeld dat dit verweer, gelet op het stadium waarin de procedure zich bevond, bij pleidooi kon worden gevoerd. Nadat de strafkamer dit standpunt na een korte schorsing heeft gehandhaafd, heeft verzoeker de behandelende raadsheren gewraakt.
1.4. De voorzitter heeft daarop de behandeling van de strafzaak geschorst. Het van de strafzitting opgemaakte proces-verbaal bevindt zich bij de stukken.
1.5. Verweerders hebben niet in de wraking berust.
1.6. Het wrakingsverzoek is ter zitting van 15 januari 2026 behandeld door de wrakingskamer. Verzoeker is bij deze mondelinge behandeling verschenen. Namens verweerders is mr. L.T. Wemes verschenen. Ook de advocaat-generaal is verschenen.
1.7. Tijdens de mondelinge behandeling heeft verzoeker zijn verzoek mondeling toegelicht, mede aan de hand van spreekaantekeningen. Deze spreekaantekeningen maken deel uit van het dossier.
1.8. Na de behandeling ter zitting heeft de wrakingskamer mondeling uitspraak gedaan. De schriftelijke motivering van deze beslissing wordt hierna weergegeven.
2. De beoordeling van het verzoek
De ontvankelijkheid van het verzoek
2.1. De wrakingskamer acht het verzoek tijdig ingediend en ook overigens ontvankelijk, met inachtneming van hetgeen hierna wordt overwogen.
De gronden van het wrakingsverzoek
2.2. Verzoeker heeft zijn wrakingsverzoek gebaseerd op wat hij zelf aanduidt als een cumulatie van schendingen van zijn fundamentele verdedigingsrechten, waardoor volgens hem sprake is van een objectieve schijn van partijdigheid en geen sprake (meer) kan zijn van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM. Verzoeker heeft daarbij benadrukt dat hij het wrakingsverzoek niet baseert op één enkele beslissing, maar op de opeenstapeling daarvan.
2.3. Kort samengevat en zakelijk weergegeven heeft verzoeker aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag gelegd dat sprake is van een opeenstapeling van ingrepen in zijn verdediging, bestaande uit:
het niet mogen voeren van een preliminair verweer over de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, terwijl dit volgens verzoeker was gebaseerd op nieuwe feiten;
het volgens verzoeker structureel uithollen van zijn verdediging in een digitale zaak, doordat hij zijn verweer niet digitaal of visueel mocht voeren;
het kunstmatig samenvoegen van strafzaken en feitencomplexen;
het afwijzen van getuigenverzoeken;
het laat verstrekken van processtukken;
de toepassing van de persrichtlijn, die volgens verzoeker leidt tot ongelijkheid en censuur;
de context van zijn positie als klokkenluider, waardoor volgens hem sprake is van politieke vervolging.
Volgens verzoeker heeft deze cumulatie tot gevolg dat de objectieve schijn van partijdigheid is ontstaan.
Het standpunt van de advocaat-generaal
2.4. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot afwijzing van het wrakingsverzoek. De aangevoerde omstandigheden zien volgens hem op procedurele beslissingen, die binnen de wettelijke kaders en geldende richtlijnen zijn genomen en waaruit geen vooringenomenheid blijkt. Voor zover het verzoek ziet op eerdere beslissingen, waaronder de afwijzing van getuigenverzoeken, is het bovendien niet tijdig gedaan.
Het standpunt van de verweerders
2.5. Verweerders hebben geconcludeerd tot afwijzing. Mr. L.T. Wemes heeft namens hen toegelicht dat het door verzoeker gewenste verweer bij pleidooi kon worden gevoerd en dat verzoeker vooraf in de gelegenheid is gesteld digitaal materiaal aan te leveren. Het gebruik van eigen apparatuur voor het tonen van dat digitale materiaal is om veiligheidsredenen niet toegestaan. Volgens verweerders volgt uit geen van de aangevoerde omstandigheden dat sprake is van partijdigheid.
De inhoudelijke beoordeling van het verzoek
2.6. Op grond van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten heeft eenieder – voor zover hier van belang – recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht. Als een partij op basis van feiten of omstandigheden van mening is dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, geeft artikel 512 Sv hem de mogelijkheid een verzoek tot wraking te doen van elk van de rechters die de zaak behandelen.
2.7. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter of bij vrees voor bevooroordeeld zijn van de rechter is uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een van de procesdeelnemers een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procesdeelnemer dienaangaande bestaande vrees gerechtvaardigd is. Het subjectieve standpunt van de betrokken procesdeelnemer dat dit het geval is, is daarbij niet beslissend; de vrees voor partijdigheid van de rechter moet tevens objectief gerechtvaardigd zijn.
2.8. De wrakingskamer stelt voorop dat het wrakingsverzoek zijn directe aanleiding vindt in de beslissing van de strafkamer om het door verzoeker gewenste verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie niet als preliminair verweer toe te staan.
2.9. Deze beslissing betreft een procedurele beslissing die is genomen in het licht van het stadium waarin de strafzaak zich bevond. Verzoeker is er daarbij op gewezen dat hij het verweer wél naar voren kan brengen, zij het niet aan het begin van de mondelinge behandeling, maar bij pleidooi. Uit deze beslissing of de bewoordingen waarin zij is vervat, blijkt geen oordeel over de schuld of onschuld van verzoeker en geen gesloten houding ten aanzien van zijn verweren. De wrakingskamer ziet hierin geen aanwijzing voor (de schijn van) partijdigheid. Evenmin is sprake van een beperking van het recht van verzoeker om dit verweer aan de orde te stellen.
2.10. De wrakingskamer overweegt verder dat wraking niet kan dienen als verkapt rechtsmiddel tegen een onwelgevallige procedurele beslissing. De wrakingskamer beoordeelt niet de juistheid van dergelijke beslissingen. Dit is slechts anders indien de beslissing of de motivering daarvan, naar objectieve maatstaven gemeten, niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid.
2.11. Voor zover verzoeker zijn wrakingsverzoek mede baseert op eerdere beslissingen of een eerdere wrakingsprocedure, overweegt de wrakingskamer dat deze procedure niet is bedoeld om eerdere beslissingen of eerdere wrakingsuitspraken opnieuw ter discussie te stellen. Wraking kan daarvoor niet worden gebruikt.
2.12. De door verzoeker aangevoerde punten over de wijze waarop hij zijn verweer digitaal of audiovisueel wilde presenteren en over het oproepen van getuigen betreffen eveneens procedurele beslissingen die tot de bevoegdheid van de zittingsrechter behoren. Dat verzoeker deze beslissingen ervaart als ingrijpend of als een beperking van zijn verdediging, is onvoldoende om daaruit objectief de schijn van partijdigheid af te leiden.
2.13. Voor zover verzoeker zijn wrakingsverzoek mede baseert op de afwijzing van getuigenverzoeken en andere procedurele beslissingen die reeds in een eerder stadium van de strafzaak zijn genomen, geldt bovendien dat deze wrakingsgronden niet onverwijld naar voren zijn gebracht. Wrakingsgronden moeten worden aangevoerd zodra zij bekend zijn. In zoverre is het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk.
2.14. Ten aanzien van de gelijktijdige behandeling van strafzaken geldt dat het gelijktijdig behandelen van zaken als zodanig geen aanwijzing oplevert voor (de schijn van) partijdigheid. De wrakingskamer ziet geen grond om aan te nemen dat deze keuze verband houdt met een vooringenomen opstelling jegens verzoeker.
2.15. Wat verzoeker heeft aangevoerd over de toepassing van de persrichtlijn en de voorwaarden voor audiovisuele verslaggeving, levert evenmin een aanwijzing op voor (de schijn van) partijdigheid. Deze richtlijnen zijn langdurig voorbereid en gelden algemeen. Dat in dit geval uitsluitend geaccrediteerde journalisten audiovisuele opnamen mogen maken, treft verzoeker niet vanwege zijn persoon. De behandelende zittingscombinatie heeft daarop geen doorslaggevende invloed.
2.16. Voor het overige, mede gelet op hetgeen door verzoeker is aangevoerd, ziet de wrakingskamer evenmin aanleiding om te oordelen dat sprake is van feiten of omstandigheden die duiden op enige vooringenomenheid of objectief gezien die schijn wekken. Het verzoek tot wraking moet dan ook worden afgewezen.
2.17. De wrakingskamer ziet in het voorgaande en gelet op een eerder door verzoeker gedaan wrakingsverzoek aanleiding te bepalen dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker in deze zaak dat berust op dezelfde gronden niet in behandeling zal worden genomen.
3. De beslissing
Het gerechtshof (wrakingskamer):
verklaart het wrakingsverzoek gedeeltelijk niet-ontvankelijk;
wijst voor het overige het verzoek tot wraking van mrs. L.T. Wemes, F. van der Maden en R. Godthelp af;
bepaalt dat een volgend verzoek tot wraking van verzoeker in deze strafzaak dat berust op dezelfde gronden als in deze wrakingsprocedure aan de orde zijn, niet in behandeling zal worden genomen;
Deze beslissing is gegeven door mrs. J.J. Beswerda, W.F. Boele en C. Coster, leden van de wrakingskamer, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2026;
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open (artikel 515 lid 5 van het Wetboek van Strafvordering).
Voorzitter Griffier
mr. J.J. Beswerda mr. I.E. van Zalen