ECLI:NL:GHDHA:2025:2926
Samenvatting
Civiel recht
Uitspraak
Den Haag
GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.360.538/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : 11844194 RL EXPL 25-15226
Arrest van 30 december 2025 in het incident tot voeging
opgeworpen door:
[voegende partij] B.V.
gevestigd in Den Haag,
eiseres in het incident,
advocaat: mr. C.A. Gobbens, kantoorhoudend in Rotterdam,
in de zaak van
1. [Vof], voorheen handelend onder de naam [voegende partij],
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
2. [Appellant 2] ,
wonend in [woonplaats 1] ,
3. [Appellant 3],
wonend in [woonplaats 2] ,
appellanten,
advocaat: mr. C.A. Gobbens, kantoorhoudend in Rotterdam,
tegen
[verweerder],
wonend in [woonplaats 3] ,
geïntimeerde,
verweerder in het incident,
advocaat: mr. I.R. Köhne, kantoorhoudend in Voorburg.
Het hof noemt partijen hierna [voegende partij] B.V., [Vof] en [verweerder] .1. De zaak in het kort1.1.
[Vof] heeft met [verweerder] een huurovereenkomst gesloten voor een bedrijfsruimte waarin [Vof] een bakkerij exploiteert. [Vof] had uit hoofde van de huurovereenkomst een bankgarantie gesteld. Na omzetting van het bedrijf in een B.V., ontstond er een conflict tussen appellanten en gedaagde of indeplaatsstelling toegestaan was. Dit hof heeft over dat geschil in een procedure tussen partijen besloten een machtiging tot indeplaatsstelling van [voegende partij] B.V. in de huurovereenkomst onder voorwaarden toe te staan. Een van deze voorwaarden was, dat een nieuwe bankgarantie zou worden gesteld door [voegende partij] BV. Na het arrest is een nieuwe bankgarantie gesteld. [verweerder] heeft deze echter niet geaccordeerd en niet meegewerkt aan retournering van de oude bankgarantie, omdat deze volgens hem afwijkt van de oude bankgarantie. [Vof] heeft hierop een kort geding gestart en gevorderd dat [verweerder] deze oude bankgarantie zou retourneren. De kantonrechter overwoog echter dat geen spoedeisend belang daartoe was gebleken en dat deze vordering ook op inhoudelijke gronden niet kon worden toegewezen. [Vof] is in hoger beroep gekomen. In dit incident heeft [voegende partij] B.V. verzocht zich te mogen voegen aan de kant van [Vof] . [verweerder] verzet zich tegen de voeging, terwijl [Vof] de voeging ondersteunt.2. Het procesverloop in hoger beroep2.1. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
de dagvaarding van 21 oktober 2025 (met daarin opgenomen de grieven), waarmee [Vof] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 9 september 2025, houdende een incidentele conclusie tot voeging door [voegende partij] B.V. ex artikel 218 jo. 353 Rv;
de conclusie van antwoord in het incident tot voeging van [verweerder] ;
de conclusie van antwoord in het incident tot voeging van [Vof] .3. De vordering in incident3.1.
[voegende partij] B.V. vordert in dit incident - zakelijk weergegeven - zich te mogen voegen aan de kant van [Vof] in de zaak tussen [Vof] en [verweerder] (de hoofdzaak), op de voet van artikel 217 jo. 353 Rv.3.2.
[verweerder] concludeert tot afwijzing van de gevraagde voeging, met veroordeling van [voegende partij] B.V. in de kosten van het incident.4. De beoordeling van de vordering in incident4.1. Een partij die een belang heeft bij een tussen andere partijen aanhangige procedure kan vragen zich daarin te mogen voegen (art. 217 Rv). Voor het aannemen van een dergelijk belang is voldoende dat de partij die voeging vraagt nadelige gevolgen kan ondervinden van een ongunstige uitkomst van de procedure voor de partij aan de kant van wie zij zich wil voegen. Met nadelige gevolgen worden in dit verband bedoeld de feitelijke of juridische gevolgen die (1) de toe- of afwijzing van de in die procedure ingestelde vordering of (2) het gezag van gewijsde van de eindbeslissingen in die procedure zullen kunnen hebben voor degene die de voeging vraagt. De mogelijke precedentwerking van die uitspraak vormt dus op zichzelf niet een voldoende belang. Hetzelfde geldt in het geval van sterk op elkaar lijkende vorderingen of feitencomplexen tussen deels dezelfde partijen.4.2. De vordering tot voeging kan bovendien worden afgewezen als toewijzing daarvan in strijd is met de eisen van een goede procesorde.4.3. Een gevoegde partij is bevoegd zelfstandig en op zelfstandig aangevoerde gronden verweer te voeren. Uit het karakter van voeging vloeit echter voort dat de rol van de gevoegde partij beperkt is tot het aandragen van feiten en gronden ten behoeve van het standpunt van de partij die zij ondersteunt. De gevoegde partij kan alleen feiten en gronden aanvoeren die de partij die zij ondersteunt, ook zelf zou kunnen aanvoeren. Een gevoegde partij kan niet verhinderen dat de partij aan wier zijde zij zich voegt, bepaalde feiten erkent, met als gevolg dat deze komen vast te staan. Zij moet het geding aanvaarden in de stand waarin het zich ten tijde van de voeging bevindt. De gevoegde partij is gebonden aan de door de appellant en geïntimeerde getrokken grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep.4.4.
[voegende partij] B.V. heeft over het belang om zich te voegen aangevoerd dat zij zelf een rechtstreeks en zelfstandig belang heeft bij de uitkomst van de hoofdzaak. De vordering van appellanten strekt immers tot vrijgave van de oude bankgarantie en deze gelden zouden bij vrijgave rechtstreeks in het vermogen van [voegende partij] B.V. vloeien en direct bestemd zijn voor haar bedrijfsvoering. Ook voert [voegende partij] B.V. aan dat zij de liquiditeit nodig heeft om inkopen voor tijdens de feestdagen te voorfinancieren. [Vof] geeft aan dat het verzoek met haar instemming is gedaan. Volgens [Vof] is het evident dat [voegende partij] B.V. belang heeft bij voeging en nadelige gevolgen van de uitkomst van de hoofdprocedure kan ondervinden.4.5.
[verweerder] heeft aangevoerd dat het verzoek tot voeging dient te worden afgewezen wegens strijd met de eisen van de goede procesorde en wegens misbruik van recht. Hij voert aan dat de ratio van de voeging is dat de interveniërende partij een andere partij kan ondersteunen met (nadere) argumenten, maar dat dat in deze zaak nergens voor nodig is, omdat [voegende partij] B.V. wordt vertegenwoordigd door twee van de drie appellanten in de hoofdzaak, met dezelfde advocaat die appellanten bijstaat. Ook heeft [voegende partij] B.V. geen argumenten aangevoerd die appellanten niet aanvoeren. Volgens [verweerder] leidt de voeging enkel tot vertraging en tot extra kosten. [voegende partij] B.V. verzoekt waarschijnlijk voeging enkel om te trachten het vermeende (spoedeisend) belang van [voegende partij] B.V. een rol te laten spelen, terwijl dat belang niet ter zake doet, maar wel de vraag of [Vof] een dergelijk spoedeisend belang heeft, aldus nog steeds [verweerder] .4.6. Het hof overweegt als volgt. [verweerder] heeft met zijn betoog dat er geen enkele reden is voor de voeging niet concreet betwist dat [voegende partij] B.V. zelf een rechtstreeks en zelfstandig belang heeft bij de uitkomst in de hoofdzaak en dat het geld van de oude bankgarantie bij vrijgave direct in het vermogen van [voegende partij] B.V. vloeit. Hij heeft niet betwist dat dit geld bestemd is voor haar bedrijfsvoering en zij dit geld daarvoor hard nodig heeft. Het feit dat [voegende partij] B.V. wordt vertegenwoordigd door twee van de appellanten en wordt vertegenwoordigd door dezelfde advocaat doet daar niet aan af, en betekent niet dat [voegende partij] B.V. niet een zelfstandige rechtspersoon is die andere argumentatie vanuit haar perspectief kan aanvoeren. Daarnaast geldt dat een voegende partij zelfstandig gronden mag aanvoeren. Het vermoeden van [verweerder] waarom [voegende partij] B.V. mogelijk voeging vordert, is een speculatie van de gronden die [voegende partij] B.V. zou kunnen aanvoeren ter ondersteuning in de hoofdzaak. De vraag of die gronden relevant zijn (bijvoorbeeld voor een spoedeisend belang), moet het hof na verweer in de hoofdzaak beoordelen.4.7. Het hof oordeelt dat een ongunstig resultaat voor [Vof] in de hoofdzaak ook [voegende partij] B.V. benadeelt en dat zij daarmee voldoende belang heeft bij voeging in de hoofdprocedure.4.8. Van strijd met de goede procesorde of van misbruik van recht is geen sprake. Het verzoek tot voeging is direct bij dagvaarding in hoger beroep gedaan. [verweerder] heeft niet onderbouwd gesteld dat er sprake is van een onredelijke vertraging of dat er met het verzoek tot voeging sprake is van misbruik van recht.4.9. De conclusie is dat de vordering tot voeging van [voegende partij] B.V. zal worden toegewezen. Het hof zal [verweerder] veroordelen tot betaling van de proceskosten. Deze begroot het hof aan de zijde van [Vof] op € 607,- (0,5 punt tarief II). Het hof merkt op dat aan de zijde van [voegende partij] B.V. geen extra kosten zijn gemaakt voor het incident, naast de kosten voor de memorie van grieven waarover het hof in de hoofdzaak zal oordelen.5. Beslissing
Het hof:
in het incident
laat [voegende partij] B.V. toe als gevoegde partij aan de kant van [Vof] in de zaak tussen [Vof] en [verweerder] ;
beveelt [Vof] en [verweerder] om [voegende partij] B.V. te voorzien van hun processtukken bij de kantonrechter en in het hoger beroep tot op heden;
veroordeelt [verweerder] in de kosten van dit incident, aan de zijde van [Vof] begroot op € 607,-;in de hoofdzaak
verwijst de zaak naar de rol van 10 februari 2026 voor memorie van antwoord aan de zijde van [verweerder] ;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mr. A.A. Muilwijk-Schaaij, mr. G. Dulek-Schermers en mr. R.M. Hermans en in het openbaar uitgesproken op 30 december 2025 in aanwezigheid van de griffier.
Arrest van 18 februari 2025, zaaknummer 200.322.530/01, ECLI:NL:GHDHA:2025:193