Skip to main content

ECLI:NL:GHDHA:2026:1607

Rechtbank

Den Haag

Datum

1 April 2026

Taal

nl

Samenvatting

Rechtsvraag

Bestuursrecht; Belastingrecht

Uitspraak / Beslissing

Uitspraak

Den Haag

Procedure: UitspraakDomain: Bestuursrecht; BelastingrechtType: uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-25/39 t/m 25/41

Uitspraak van 1 april 2026

in het geding tussen:

[X] B.V. te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven)

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 19 december 2024, nummers SGR 22/7798, 22/7801 en 22/8524.

Procesverloop

1.1.. Belanghebbende heeft voor drie auto’s belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) op aangifte voldaan.

1.2.. De Inspecteur heeft de bezwaren tegen de voldoeningen ongegrond verklaard bij uitspraken op bezwaar.

1.3.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 365. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:

“De rechtbank:

verklaart de beroepen ongegrond;

veroordeelt verweerder tot vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 882;

veroordeelt de Minister van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 618;

veroordeelt verweerder en de Minister van Justitie en Veiligheid in de proceskosten van eiseres, elk tot een bedrag van € 109,38; en

bepaalt dat de termijn voor de vergoeding van wettelijke rente gaat lopen vanaf vier weken na de datum van deze uitspraak, dan wel, indien dit een later gelegen datum is, vier weken na de datum waarop opgaaf is gedaan van een bankrekening op naam van eiseres.”

1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Van belanghebbende is een griffierecht van € 579 geheven. De Inspecteur heeft een nader stuk, aangeduid als verweerschrift, ingediend. Belanghebbende heeft een nader stuk ingediend, aangeduid als conclusie van repliek. Op 27 februari 2026 heeft belanghebbende nog een nader stuk ingediend (een pleitnota met bijlagen). De Inspecteur heeft op 27 februari 2016 een nader stuk ingediend. Op 4 maart 2026 heeft belanghebbende nog een pleitnota ingediend. Partijen hebben beide op 9 maart 2026 nadere stukken ingediend.

1.5.. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 12 maart 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.. Belanghebbende heeft op aangifte bpm voldaan ter zake van de registratie van de volgende auto’s:

Auto

Datum eerste toelating

Datum voldoening

Datum

tenaamstelling

Jeep Wrangler

16-07-2020

23-07-2021

03-08-2021

M-B S-klasse 350d Lang

04-09-2020

16-08-2021

18-08-2021

VW Golf 1.5 eTSI Style

16-09-2020

30-06-2021

05-07-2021

2.2.. Belanghebbende heeft gebruikgemaakt van koerslijsten (XRAY Marge). Voor de Mercedes-Benz en de Volkswagen Golf is een koerslijst voor een ex-rental gebruikt.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, overwogen en geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:

“Vooraf

4. De beroepsgronden van eiseres berusten voor een groot deel op de opvatting dat door de Hoge Raad gegeven rechtsoordelen in strijd zijn met het Unierecht. Ze strekken verder ten betoge dat het de nationale rechter in het geheel niet is toegestaan het Unierecht uit te leggen, omdat het Hof van Justitie van de Europese Unie daartoe exclusief bevoegd is. Waar uitlegging van het Unierecht aan de orde is, dient de nationale rechter prejudiciële vragen te stellen, aldus eiseres.

5. De rechtbank volgt eiseres niet in deze opvatting. De rechtsoordelen van de Hoge Raad hebben binnen de Nederlandse rechtsorde informele precedentwerking. Het doorbreken daarvan zou de rechtseenheid en rechtszekerheid die daarmee gediend zijn niet ten goede komen. De rechtbank zal zich derhalve aansluiten bij de rechtspraak van de Hoge Raad over de Wet bpm en niet in elk

afzonderlijk geval motiveren waarom daarvan niet wordt afweken.

6. Er bestaat geen aanleiding voor een andere benadering als het gaat om kwesties van Unierecht. De rechtbank is zich ervan bewust dat zij in het kader van haar bevoegdheid belast is met de toepassing van de bepalingen van het Unierecht en derhalve zorg dient te dragen voor de volle werking van deze normen, en daarbij zo nodig moet afwijken van vaste rechtspraak.[1] Voor dat laatste bestaat vanzelfsprekend slechts aanleiding indien het gaat om met het Unierecht onverenigbare rechtspraak. Waar eiseres met een beroep op die regel de rechtbank verzoekt af te wijken van rechtspraak van de Hoge Raad, dient de rechtbank een dergelijk beroep te beoordelen. Waar de verenigbaarheid van de regels over de heffing van bpm met het Unierecht reeds door de Hoge Raad is beoordeeld en de rechtbank zich daaraan conformeert, zal zij voor de motivering van haar oordeel evenwel volstaan met een verwijzing naar het desbetreffende arrest van de Hoge Raad.

7. De rechtbank acht zich in dit verband ook niet gehouden telkens op de voet van artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) prejudiciële vragen voor te leggen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Dit betreft voor haar, anders dan voor de hoogste nationale rechter, geen verplichting maar een bevoegdheid.[2] Dat ligt anders indien ter discussie staat of een handeling van een instelling van de Europese Unie geldig is.[3] Een zodanige kwestie doet zich in de onderhavige zaken evenwel niet voor.

Hoorrecht

8. Eiseres heeft zich beklaagd over schending van het hoorrecht in bezwaar en verzocht om terugwijzing. Bij de behandeling van deze klacht stelt de rechtbank voorop dat verweerder op grond van artikel 25, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, gelezen in verbinding met artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), verplicht was eiseres in de gelegenheid te stellen te worden gehoord. Zij had daarom immers verzocht. In de onderhavige zaken is komen vast te staan dat eiseres in alle zaken driemaal (per aangetekende brief) schriftelijk is uitgenodigd voor een hoorgesprek. De gemachtigde heeft echter geweigerd de (aangetekende) brieven van verweerder aan te nemen dan wel te openen, omdat hij niet wist wat erin zou staan. Anders dan eiseres stelt, heeft verweerder ook per e-mail een uitnodiging gestuurd voor een hoorgesprek via WebEx. Gemachtigde van eiseres heeft niet ingelogd via WebEx om hieraan deel te nemen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eiseres aldus meer dan voldoende gelegenheid geboden om te worden gehoord. Dat gedurende de bezwaarfase geen hoorgesprek heeft plaatsgevonden komt onder deze omstandigheden voor rekening en risico van eiseres. Het hoorrecht is niet geschonden.

Historische nieuwprijs

9. Eiseres heeft aangevoerd dat voor de berekening van de ten onrechte niet is uitgegaan van de invulling die de Hoge Raad aan de historische nieuwprijs heeft gegeven in zijn arrest van 22 december 2023.[4] Deze grond wordt terecht aangevoerd. Eiseres heeft de daaruit voortvloeiende teruggaven als volgt berekend:

  • SGR 22/8524: historische nieuwprijs: € 37.260; teruggaaf: € 15;

  • SGR 22/7798: historische nieuwprijs: € 96.984; teruggaaf: € 1.917;

  • SGR 22/7801: historische nieuwprijs: € 175.491; teruggaaf € 105.

10. Verweerder heeft ter zitting laten weten dat hij de juistheid van de berekeningen van eiseres op zichzelf niet betwist. De rechtbank zal daarom daarvan uitgaan.

Onjuiste koerslijsten

11. Ter zitting heeft verweerder aangevoerd dat in de zaken met zaaknummers SGR 22/7798 en SGR 22/7801 niet de juiste koerslijsten zijn gebruikt bij de aangifte. De desbetreffende koerslijsten zijn namelijk niet ingevuld op basis van WLTP. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres bij de aangiften in de zaken met zaaknummers SGR 22/7798 en SGR 22/7801 inderdaad niet de juiste koerslijst overgelegd, zulks in strijd met artikel 8, vierde lid, aanhef en letter a, van de Uitvoeringsregeling bpm. In beroep heeft zij, daartoe in de gelegenheid gesteld, dat verzuim niet hersteld. Daarom kan in deze zaken de koerslijstmethode niet worden toegepast en dient voor de berekening van de verschuldigde bpm te worden teruggevallen op de afschrijvingstabel in de zin van artikel 8, vijfde lid, van de Uitvoeringsregeling bpm.

12. Daarvan uitgaande moet de afschrijving op de Jeep Wrangler worden vastgesteld op 33,776% in plaats van het in de aangifte toegepaste percentage van 54,15% (zaaknummer SGR 22/7798). Voor de Mercedes-Benz geldt dat de afschrijving 32,332% bedraagt in plaats van het in de aangifte toegepaste percentage van 61,05% (zaaknummer SGR 22/7801). Dat betekent dat voor deze auto’s de aangifte niet naar een te hoog bedrag is gedaan en de grond ontvalt aan de hiervoor onder 9. vermelde teruggaven in de zaken met zaaknummers SGR 22/7798 en SGR 22/7801.

13. Verweerder heeft verder ter zitting aangevoerd dat in de zaken met zaaknummers SGR 22/7801 en SGR 22/8524 geen sprake is van een ex-rental auto, terwijl hiermee in de berekening van de verschuldigde bpm in de desbetreffende aangiften wel rekening is gehouden, waardoor te weinig bpm is afgedragen. Verweerder doet in dat verband een beroep op interne compensatie, zodat ten aanzien van zaaknummers SGR 22/7801 en SGR 22/8524 eiser geen recht heeft op een teruggave als hiervoor onder 9. vermeld. Eiseres heeft ter zitting laten weten nog bewijs te willen leveren dat wel degelijk sprake is van ex-rental auto’s. Daarnaast heeft zij aangevoerd dat een beroep op interne compensatie in strijd is met Unierecht en niet pas ter zitting kan worden gedaan.

14. In de zaak met zaaknummer SGR 22/7798 heeft eiseres bij de aangifte niet gebruikgemaakt van een koerslijst voor een ex-rentalauto, maar heeft zij in beroep wel naar voren gebracht dat daarvan bij de berekening van de verschuldigde bpm dient te worden uitgegaan. Verweerder heeft dat bestreden.

15. De rechtbank stelt vast dat nu de vermindering in de zaken met zaaknummers SGR 22/7798 en SGR 22/7801 moet worden vastgesteld aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel, de kwalificatie als ‘ex-rental’ alleen nog van belang is in de zaak met zaaknummer SGR 22/8524. Dienaangaande oordeelt de rechtbank als volgt. Wanneer in een in de handel algemeen toegepaste koerslijst ex-rental als variabele is opgenomen, moet ervan worden uitgegaan dat het in de handel voor de waardebepaling van een personenauto verschil maakt of de desbetreffende personenauto als rental is gebruikt of niet. Daaruit volgt dat bij toepassing van die koerslijst de aan deze variabele te verbinden waardevermindering alleen kan worden toegepast op personenauto’s die een ex-rental zijn.[5] Eiseres dient derhalve aannemelijk te maken dat er sprake is van ex-rentals. Na heropening van het onderzoek heeft de rechtbank eiseres op haar verzoek in de gelegenheid gesteld om daartoe in de zaken met zaaknummers SGR 22/7801 en SGR 22/8524 stukken in te zenden. Eiseres heeft dat echter nagelaten. Eiseres heeft daardoor voor geen van de betrokken auto’s aannemelijk gemaakt dat zij als ex-rental kunnen worden aangemerkt.

16. Het voorgaande betekent dat ook in de zaak met zaaknummer SGR 22/8524 een onjuiste koerslijst is gehanteerd, de koerslijstmethode geen toepassing kan vinden en de vermindering dient te worden bepaald aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel. Daarvan uitgaande moet de afschrijving worden vastgesteld op 28% in plaats van het in de aangifte toegepaste percentage van 48,60%. Dat betekent dat ook voor deze auto de aangifte niet naar een te hoog bedrag is gedaan en de grond ontvalt aan de hiervoor onder 9. vermelde teruggaaf in de zaak met zaaknummer SGR 22/8524.

Interne compensatie

17. Verweerder heeft zich voor zijn standpunten over onjuiste koerslijsten en onterechte kwalificatie als ex-rental beroepen op interne compensatie. Eiseres heeft aangevoerd dat een beroep op interne compensatie in strijd is met Unierecht en niet pas ter zitting kan worden gedaan.

18. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt. Interne compensatie kan plaatsvinden wanneer een als verschuldigd vastgesteld bedrag is opgebouwd uit meerdere elementen. Het houdt in dat als de belastingplichtige een bepaald element met succes bestrijdt, de inspecteur andere elementen aan de orde mag stellen met het standpunt dat het verschuldigde bedrag gelet op die andere elementen toch niet te hoog is vastgesteld.[6] Het betoog van verweerder heeft echter betrekking op hetzelfde element van het verschuldigde bedrag als de slagende beroepsgrond van eiseres, te weten de vermindering als bedoeld in artikel 10 van de Wet bpm. Het gaat hier dus niet om een beroep op interne compensatie, maar om een alternatief, zelfstandig dragend argument waarom de vermindering niet te laag is vastgesteld. Voor de uitkomst maakt dat overigens geen geschil, want het aanvoeren van een zodanig argument in beroep is toegestaan zolang het niet in strijd is met de goede procesorde,[7] net zoals dat het geval is met een beroep op interne compensatie.[8] Een dergelijke strijd doet zich in dit geval niet voor, omdat de stellingen van verweerder weliswaar pas ter zitting zijn ingenomen, maar betrekking hebben op feiten die tussen partijen niet in geschil zijn en de rechtsstrijd niet uitbreiden. Eiseres heeft voldoende gelegenheid gehad om inhoudelijk erop te reageren. Verder heeft te gelden dat noch het aanvoeren van nieuwe rechtsgronden ter onderbouwing van het verweer ter zake van een bestaand geschilpunt, noch een beroep op interne compensatie in strijd komt met het Unierecht.[9]

Uitspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 maart 2022

19. Eiseres verwijst verder naar een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 maart 2022[10] en stelt dat ze gelet op die uitspraak voor de onderhavige auto’s mag uitgaan van een CO2-uitstoot berekend volgens de Scandinavische rekenmethode, indien dat resulteert in een lagere CO2-uitstoot. Deze stelling berust evenwel op een onjuiste uitleg van de bewuste uitspraak. Uit die uitspraak volgt niet, zoals eiseres kennelijk meent, dat een belastingplichtige bij de berekening van de bpm zelf de keuze heeft tussen verschillende rekenmethodes voor het vaststellen van de CO2-uitstoot. De uitspraak had betrekking op een geval waarin ten processe was komen vast te staan dat soortgelijke personenauto’s als de importauto (van hetzelfde merk, type, uitvoering, productiejaar en datum eerste toelating) over een Europese typegoedkeuring beschikten waarop een bepaalde CO2-uitstoot was vermeld, maar niettemin voor een lagere, op basis van de zogenoemde Scandinavische methode berekende CO2-uitstoot in het Nederlandse kentekenregister waren geregistreerd en op die voet in de heffing van bpm waren betrokken. Die situatie doet zich in de onderhavige zaken niet voor.

Leeftijdskorting

20. Eiseres heeft in al de onderhavige zaken geopperd dat een extra leeftijdskorting zou moeten worden toegekend. Zij heeft deze stellingen niet nader geconcretiseerd. De rechtbank ziet daarin dan ook geen aanleiding voor een teruggaaf van bpm.

Verschil in heffingsmodaliteiten

21. De rechtbank volgt eiseres evenmin in haar stelling dat sprake is van een met het Unierecht strijdig verschil in heffingsmodaliteiten, aangezien deze stelling reeds is verworpen door de Hoge Raad.[11] Voor het rentenadeel dat eiseres stelt te ondervinden van het moeten voldoen van de belasting voorafgaand aan de tenaamstelling van het kenteken, dient eiseres zich te wenden tot de civiele rechter.

Rentevergoeding wegens in strijd met Unierecht geheven belasting

22.Eiseres betoogt dat zij recht heeft op vergoeding van rente, voor zover in strijd met Unierecht bpm van haar geheven is. Zij betoogt dat de verplichting om deze rente te vergoeden rechtstreeks voortvloeit uit het Unierecht, zodat een beroep op artikel 28c van de Invorderingswet 1990 – dat in zoverre in strijd met het Unierecht is – niet nodig is. De rechtbank verwerpt dit betoog reeds omdat in de onderhavige zaken geen sprake is van in strijd met het Unierecht geheven belasting.

Griffierecht en wettelijke rente

23. Eiseres heeft aangevoerd dat het in strijd is met het Unierecht om vooraf griffierecht te moeten betalen. De rechtbank overweegt hierover als volgt. In het algemeen kan worden aangenomen dat de in Nederland bestaande regeling in het bestuursrecht over heffing van griffierecht van dien aard is dat rechtzoekenden daarmee de toegang tot de rechter niet wordt ontnomen. Verder kan een rechtzoekende bij de rechter een beroep op betalingsonmacht doen indien heffing van het ingevolge de wet verschuldigde bedrag aan griffierecht het voor hem onmogelijk, althans uiterst moeilijk, maakt om gebruik te maken van een door de wet opengestelde bestuursrechtelijke rechtsgang.[12] Het is niet voor redelijke twijfel vatbaar dat met deze voorziening wordt voldaan aan het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel.[13] Eiseres heeft de naar Nederlands recht verschuldigde griffierechten voldaan en geen beroep gedaan op betalingsonmacht. Gelet op het voorgaande zijn deze griffierechten niet in strijd met het Unierecht geheven.

24. Voor de door eiseres bepleite rentevergoeding over het betaalde griffierecht over de periode, beginnend op de dag waarop eiseres het griffierecht heeft voldaan, bestaat evenmin aanleiding. Het Unierecht dwingt niet tot vergoeding van dergelijke rente.[14] Het voorgaande neemt overigens niet weg dat wettelijke rente verschuldigd wordt indien het griffierecht niet tijdig aan eiseres wordt vergoed.

Slotsom

25. De slotsom is dat de beroepen ongegrond zijn.

Verzoek om vergoeding van immateriële schade

26. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (isv). De rechtbank merkt de onderhavige bezwaren en beroepen voor wat betreft de isv aan als samenhangende zaken, omdat zij in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp.[15] De rechtbank heeft daarbij onder andere in aanmerking genomen dat de zaken in de beroepsfase gezamenlijk zijn behandeld op de zitting van 20 juni 2024. Daarnaast hebben de zaken in hoofdzaak betrekking op dezelfde onderwerpen. Het gaat om procedures inzake voldoening van bpm op aangiften, waarin telkens nagenoeg dezelfde geschilpunten ter discussie staan. Dit betekent dat in de onderhavige zaken één vergoeding zal worden toegekend.

27. Het voorgaande brengt verder mee dat voor de vaststelling van het financiële belang dient te worden uitgegaan van het totale financiële belang dat gemoeid is met de geschillen in al de voorliggende zaken. Mede gelet op het feit dat eiseres haar verzoek om schadevergoeding eerst op 13 juni 2024 heeft gedaan en de redelijke termijn voor bezwaar en beroep op die datum reeds was overschreden, kan alsdan kan niet worden gezegd dat sprake is van een procedure met een zeer gering financieel belang, zoals verweerder in sommige van de onderhavige zaken heeft aangevoerd.[16]

28. De bezwaarschriften in de oudste zaken zijn door verweerder ontvangen op 9 augustus 2021 en verweerder heeft de eerste uitspraken op bezwaar gedaan op 17 november 2022. De uitspraak van de rechtbank is op 19 december 2024 gedaan. Dat is dus afgerond 41 maanden na indiening van het oudste bezwaarschrift, zodat de redelijke termijn met afgerond 17 maanden is overschreden. Van bijzondere omstandigheden is niet gebleken. De overschrijding is voor 10 maanden toe te rekenen aan verweerder en voor het overige aan de rechtbank.

29. Voor de bepaling van de hoogte van de toe te kennen vergoeding van immateriële schade is de mate waarin eiseres daadwerkelijk spanning en frustratie heeft ondervonden in beginsel niet van belang, behoudens bijzondere omstandigheden. Van dergelijke omstandigheden is de rechtbank in onderhavige zaak niet gebleken. Dit betekent dat eiseres recht heeft op een vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.500. Dit bedrag is voor 10/17 * € 1.500 = € 882 verschuldigd door verweerder en voor 7/17 * € 1.500 = € 618 door de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).

Proceskosten

30. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiseres in beroep gemaakte proceskosten nu eiseres recht heeft op immateriële schadevergoeding. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 218,75 (1 punt voor het indienen van het verzoek met een waarde per punt van € 875 met een wegingsfactor 0,25 voor het gewicht van de zaken).[17] De vergoeding van dit bedrag zal deels moeten plaatsvinden door verweerder en deels door de Staat, waarbij om redenen van eenvoud en uitvoerbaarheid dient te worden uitgegaan van een verdeling waarbij ieder van hen de helft betaalt.[18]

31. Eiseres heeft eerst in haar pleitnota’s van 13 juni 2024 om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, die op 9 augustus 2023 was overschreden. Alsdan bestaat geen recht op vergoeding van het betaalde griffierecht.[19]

32. Voor een integrale proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. De beroepen zijn ongegrond. Uit de gedingstukken en hetgeen eiseres overigens heeft gesteld, valt niet op te maken dat verweerder zodanig ernstig onzorgvuldig heeft gehandeld dat daarin grond is gelegen om van de forfaitaire regeling voor de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand af te wijken. Van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bpb is ook anderszins niet gebleken. Anders dan eiseres heeft betoogd is het enkele feit dat de vergoeding van proceskosten waarop ingevolge het Bpb aanspraak kan worden gemaakt, de werkelijk gemaakte kosten slechts voor een deel dekt, ook niet voldoende om te concluderen dat aan het Unierecht aanspraak op een hogere vergoeding kan worden ontleend.[20]

(…)

[1] Zie bijvoorbeeld HvJ 11 januari 2024, C-537/22, Global Ink Trade, ECLI:EU:C:2024:6, punten 23 en 25.

[2] Zoals reeds volgt uit de tekst van artikel 267 van het VWEU. Vgl. ook HvJ 6 oktober 2021, C-561/19, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punten 28, 32, 37 en 55.

[3] HvJ 22 oktober 1987, C-314/85, Foto-Frost, ECLI:EU:C:1987:452, punten 12-20; vgl. recenter bijvoorbeeld ook het door eiseres aangehaalde arrest HvJ 10 januari 2006, C-344/04, IATA, ECLI:EU:C:2006:10, punt 27.

[4] HR 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1714.

[5] HR 28 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:331, r.o. 2.3.2.

[6] Zie bijvoorbeeld HR 24 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AD9713, r.o. 3.3.

[7] HR 10 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO6786, r.o. 3.1.

[8] HR 3 augustus 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN3831.

[9] HR 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:752, r.o. 3.2.1-3.2.2.

[10] Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 maart 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:1963.

[11] HR 23 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1277.

[12] Vgl. HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:699.

[13] HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579, r.o. 3.1.4.

[14] HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:623, r.o. 2.4.3.

[15] Vgl. HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.10.2, HR 31 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:154, r.o. 2.4.3 en HR 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:700, r.o. 2.2.2.

[16] Vgl. HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.3.2, 3.4.1, 3.4.3 en 3.5.

[17] HR 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526

[18] HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.14.2.

[19] HR 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, r.o. 7.1.1-7.1.2.

[20] Vgl. HR 7 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3929, r.o. 2.4.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.. In geschil is of belanghebbende voor de drie auto’s te veel bpm op aangifte heeft voldaan en of zij recht heeft op vergoeding van het door de Rechtbank geheven griffierecht. Verder klaagt belanghebbende dat de Rechtbank de proceskostenvergoeding en de (immateriële)schadevergoeding onjuist heeft vastgesteld. Ook wil belanghebbende een passende rentevergoeding over alle bedragen waarop zij recht heeft.

4.2.. Belanghebbende concludeert, zo begrijpt het Hof, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en tot vermindering van de verschuldigde bpm. Daarnaast concludeert belanghebbende tot toekenning van een hogere proceskostenvergoeding alsmede een hogere (immateriële)schadevergoeding. Belanghebbende verzoekt voorts om vergoeding van het griffierecht in beide instanties en om een passende rentevergoeding.

4.3.. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

Beoordeling van het hoger beroep

Vooraf

5.1.. Het Hof stelt voorop dat het de beslissingen van de Rechtbank en de overwegingen daartoe tot de zijne maakt, behoudens de hierna te behandelen uitzonderingen. In hoger beroep heeft belanghebbende niets aangevoerd dat aanleiding kan zijn om anders te beslissen over de eerstbedoelde categorie geschilpunten. Het gaat hier vooral om het beroep op het Unierecht, de gestelde onbevoegdheid van de Nederlandse rechter en de verplichting tot het stellen van prejudiciële vragen, het hoorrecht, de leeftijdskorting, het verzoek om vergoeding van immateriële schade en (rente over) het griffierecht.

Huurverleden

5.2.. Belanghebbende heeft voor de Mercedes-Benz en de Volkswagen Golf aangifte gedaan met behulp van een koerslijst voor voertuigen met een huurverleden. Belanghebbende heeft, hoewel zij hiertoe ruim in de gelegenheid is gesteld, geen bewijs overgelegd dat de desbetreffende auto’s een verleden als huurauto hebben. Belanghebbende heeft daarom ten onrechte gebruikgemaakt van deze koerslijst. Het beroep op de hogere historische nieuwprijs leidt daarom niet tot een vermindering van de verschuldigde bpm. De berekende teruggaaf (€ 15 voor de Volkswagen Golf en € 105 voor de Mercedes-Benz) is lager dan de bpm die belanghebbende voor deze auto’s extra op aangifte had moeten voldoen bij gebruikmaking van een koerslijst voor voertuigen zonder huurverleden. Voor de Mercedes-Benz en de Volkswagen Golf heeft belanghebbende, behalve de onder 5.1 al genoemde en verworpen geschilpunten, verder niets aangevoerd. Dit betekent dat belanghebbende voor deze auto’s in ieder geval niet te veel bpm op aangifte heeft voldaan.

Koerslijst Jeep Wrangler

5.3.. Voor de Jeep Wrangler is in geschil of belanghebbende kan gebruikmaken van de koerslijst van een Jeep Wrangler 2.0 T Sahara. De Inspecteur stelt dat dit niet mogelijk is, omdat de auto een Jeep Wrangler Unlimited 2.0 T Sahara zou zijn. Zoals het Hof de Inspecteur ter zitting al heeft voorgehouden, blijkt uit de ter zitting overgelegde informatie en de op internet over de auto beschikbare informatie dat het gelijk op dit punt aan belanghebbende is. Merk, model, type, uitvoering en leeftijd van de Jeep Wrangler komen overeen met die van het referentievoertuig (HR 3 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1472). Dat de volgens de NEDC-meetmethode vastgestelde CO2-uitstoot van het referentievoertuig is vermeld en niet de CO2-uitstoot die is vastgesteld volgens de WLTP-meetmethode doet hieraan niet af, omdat de NEDC-uitstoot van de Jeep Wrangler van belanghebbende slechts 1 g/km verschilt van die van het referentievoertuig. De Inspecteur heeft verder niet onderbouwd dat het referentievoertuig toch niet soortgelijk zou zijn. De koerslijst kan dus dienen. De tegenwerping van de Inspecteur dat van een soortgelijk voertuig volgens koerslijstprovider AutotelexPro geen handelstransacties beschikbaar zijn, volgt het Hof niet. De Inspecteur is immers uitgegaan van het verkeerde voertuig (een Unlimited). De berekening van de teruggaaf is niet in geschil, zo blijkt uit het dossier van de Rechtbank. Dit betekent dat belanghebbende € 1.917 te veel bpm op aangifte heeft voldaan. Het Hof zal de Inspecteur gelasten een teruggaaf te verlenen.

Overige geschilpunten

5.4.. Belanghebbende heeft zich in de pleitnota beroepen op het arrest van het HvJ EU van 28 februari 2012, Inter-Environnement Wallonie en Terre wallonne (ECLI:EU:C:2012:103). Hoewel op het Hof geen enkele verplichting rust om prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU, hecht het Hof eraan op te merken dat dit arrest een heel specifieke situatie betreft en geen algemeen toepasselijk criterium bevat voor de verplichting van de nationale rechter in laatste instantie om prejudiciële vragen te stellen.

5.5.. Voor vergoeding van rente over de teruggaaf voor de Jeep dient belanghebbende zich te wenden tot de ontvanger.

Slotsom

5.6.. Het hoger beroep is gegrond.

Proceskosten en griffierecht

6.1.. Omdat het hoger beroep gegrond is, bestaat aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte (proces)kosten in bezwaar, beroep en hoger beroep, welke kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, worden vastgesteld op € 3.001 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand (bezwaar: 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde van € 666; beroep: 1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; hoger beroep: 1 punt voor het indienen van een hogerberoepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934). Voor het hoger beroep wordt de gemachtigde niet aangemerkt als een bijzonder geval als bedoeld in artikel 19a Wet belasting van personenauto’s en motorrijwielen. Voor het hoger beroep hanteert het Hof daarom de wegingsfactor 0,25. Voor het als conclusie van repliek aangeduide processtuk kent het Hof geen vergoeding toe, omdat belanghebbende geen toestemming heeft gevraagd voor het indienen van dit stuk.

6.2.. Voorts dienen aan belanghebbende de voor de behandeling in beroep en hoger beroep gestorte griffierechten van in totaal € 944 (€ 365 + € 579) te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:

vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissing over de vergoeding van immateriële schade;

vernietigt de uitspraak op bezwaar die betrekking heeft op de Jeep Wrangler;

bevestigt de overige twee uitspraken op bezwaar;

gelast dat de Inspecteur voor de Jeep Wrangler een teruggaaf bpm verleent van € 1.917;

veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten in bezwaar, beroep en hoger beroep aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 3.001; en

gelast de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag van € 944 aan griffierechten te vergoeden;

bepaalt dat, voor zover de in hoger beroep toegekende (proces)kostenvergoeding en/of de vergoeding van griffierecht niet tijdig wordt betaald, de wettelijke rente daarover gaat lopen vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan.

Deze uitspraak is vastgesteld door A. van Dongen, L.D.M.A. Reijs en W. de Wit, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd.

De griffier, de voorzitter,

L. van den Bogerd A. van Dongen

De beslissing is op 1 april 2026 in het openbaar uitgesproken.

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die

beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;

b. - de dagtekening;

c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. - de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Meer Beslissingen