Skip to main content

ECLI:NL:GHDHA:2026:1880

Rechtbank

Den Haag

Datum

8 April 2026

Taal

nl

Samenvatting

Rechtsvraag

Bestuursrecht; Belastingrecht

Uitspraak / Beslissing

Uitspraak

Den Haag

Procedure: UitspraakDomain: Bestuursrecht; BelastingrechtType: uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-25/495

Uitspraak van 8 april 2026

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: N.A. Gangadin)

en

de ontvanger van de Belastingdienst, de Ontvanger,

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 27 mei 2025, nummer SGR 24/5637.

Procesverloop

1.1.. De Ontvanger heeft belanghebbende een aanmaning gezonden ter zake van een aan hem opgelegde beschikking aansprakelijkstelling (de aanmaning). Bij de aanmaning zijn bij beschikking kosten van vervolging ten bedrage van € 19 in rekening gebracht (de aanmaningskosten). De Ontvanger heeft vervolgens een dwangbevel aan belanghebbende betekend met bevel tot betaling van het bedrag van de aansprakelijkstelling en de aanmaningskosten. In het dwangbevel heeft de Ontvanger voor de betekening bij beschikking een bedrag van € 6.193 in rekening gebracht (de betekeningskosten).

1.2. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Ontvanger belanghebbendes bezwaar tegen de aanmaningskosten en de betekeningskosten gegrond verklaard en verminderd tot nihil. De Ontvanger heeft een proceskostenvergoeding van € 77,50 toegekend.

1.3.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake daarvan is een griffierecht geheven van € 51. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Ontvanger als verweerder:

“De rechtbank:

  • verklaart het beroep voor zover dat is gericht tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar niet-ontvankelijk;

  • verklaart zich onbevoegd inzake het beroep tegen het dwangbevel;

  • verklaart het beroep voor zover gericht tegen de in het bestreden besluit toegekende proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase gegrond;

  • vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de vastgestelde proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase;

  • stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op een bedrag van € 161,75;

  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit voor zover het de hoogte van de proceskostenvergoeding in bezwaar betreft;

  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser in beroep tot een bedrag van € 453,50;

  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51 aan eiser te vergoeden.”

1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Ter zake daarvan is een griffierecht van € 143 geheven. De Inspecteur heeft een nader stuk, aangeduid als verweerschrift, ingediend. Belanghebbende heeft op 15 februari 2026 nadere stukken ingediend.

1.5.. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 25 februari 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

1.6.. Na sluiting van het onderzoek ter zitting is van belanghebbende bericht ontvangen op 25 februari 2026. Dit bericht heeft het Hof geen aanleiding gegeven het onderzoek te heropenen en is daarom niet in de beoordeling betrokken.

Feiten

2.1.. De Ontvanger heeft aan belanghebbende een beschikking aansprakelijkstelling gegeven en belanghebbende aansprakelijk gesteld voor een bedrag van € 69.201. Op de beschikking staat vermeld dat het bedrag vóór 6 maart 2024 moet worden betaald. De Ontvanger heeft geen betaling van belanghebbende binnen de gestelde termijn ontvangen.

2.2. De Ontvanger heeft naar belanghebbende een aanmaning met dagtekening 15 maart 2024 verzonden. Op de aanmaning staat vermeld dat binnen twee weken na dagtekening van de aanmaning het in de aanmaning vermelde bedrag moet worden betaald. Hierbij is € 19 aan aanmaningskosten in rekening gebracht. Belanghebbende heeft geen gehoor gegeven aan de aanmaning.

2.3.. De Ontvanger heeft aan belanghebbende een dwangbevel met dagtekening 27 maart 2024 betekend. De betekeningskosten bedragen € 6.193.

2.4.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanmaningskosten en de betekeningskosten. De Ontvanger is bij uitspraak op bezwaar volledig tegemoet gekomen aan het bezwaar in verband met een lopende klacht die de gemachtigde van belanghebbende bij de Nationale ombudsman heeft ingediend. De vervolgingskosten zijn bij uitspraak op bezwaar verminderd met € 6.212. Voorts heeft de Ontvanger een proceskostenvergoeding van € 77,50 toegekend, berekend als volgt:

“Indienen van het bezwaar: € 310

Wegingsfactor van dit bezwaar is zeer licht: 0,25 *

€ 77,50”

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Ontvanger als verweerder:

“(…)

11. Eiser heeft in beroep alleen nog procesbelang bij de vraag of eiser recht heeft op een hogere proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase. In dat kader heeft eiser aangevoerd dat verweerder ten onrechte 0,25 als wegingsfactor heeft gehanteerd, dat de wegingsfactor op 1 moet worden gesteld en dat een tarief van € 624 per punt moet worden gehanteerd.

12. Voor wegingsfactor 0,25 kan aanleiding bestaan in zaken met een zeer gering belang en met een zeer eenvoudig te beslechten geschil.[2] Het gaat dan om zaken die slechts een geringe inspanning van de rechtsbijstandverlener behoeven. Naar het oordeel van de rechtbank wordt in onderhavige zaak aan de voorwaarden voor toepassing van wegingsfactor 0,25 voldaan. De inspanning van de gemachtigde heeft zich in de bezwaarfase kunnen beperken tot vermelding van de lopende klachtbehandeling bij de Nationale ombudsman. Dit betreft een eenvoudige werkzaamheid van korte duur.

13. Wel heeft de Hoge Raad op 12 juli 2024 geoordeeld dat bij het vaststellen van een kostenvergoeding in de bezwaarfase het hogere tarief moet worden toegepast.[3] Dit maakt dat verweerder ten onrechte is uitgegaan van het lagere tarief. Omdat de uitspraak van de rechtbank in 2025 wordt gedaan, dient het tarief te worden toegepast dat voor 2025 is vastgesteld (€ 647 per punt in de bezwaarfase).[4]

14. De rechtbank ziet gelet op het vorenstaande aanleiding de toegekende proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase van € 77,50 te vernietigen en deze vast te stellen voor de door een derde beroepsrechtmatig verleende bijstand op in totaal € 161,75 (1 punt voor het bezwaarschrift en een wegingsfactor zeer licht (0,25)).

15. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser voor de beroepsfase gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor zeer licht (0,25)). De rechtbank hanteert wegingsfactor 0,25 omdat de zaak in beroep uitsluitend betrekking heeft op de kostenvergoeding in bezwaar.[5]

(…)

[2] Zie Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024, als bijlage opgenomen bij de uitspraak van gerechtshof Amsterdam van 1 augustus 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2158.

[3] ECLI:NL:HR:2024:1060.

[4] Onderdeel B2 bijlage B van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).

[5] Zie het in de uitspraken van diverse hoven gepubliceerde richtsnoer (proces)kostenvergoeding, meest recent Hof Amsterdam 1 augustus 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2158.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.. In geschil is of de Rechtbank de kostenvergoeding voor de bezwaarfase tot het juiste bedrag heeft vastgesteld. In bijzonder in geschil is de hoogte van de wegingsfactor.

4.2.. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank voor zover deze ziet op de kostenvergoeding voor de bezwaarfase, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar voor zover deze ziet op de kostenvergoeding en tot vaststelling van de kostenvergoeding voor de bezwaarfase met toepassing van een wegingsfactor van primair 1 en subsidiair 0,5. Voorts verzoekt belanghebbende om een vergoeding van de proceskosten in hoger beroep.

4.3.. De Ontvanger concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

5.1.. Belanghebbende stelt in hoger beroep dat de Ontvanger voor de bezwaarfase ten onrechte een kostenvergoeding heeft toegekend met toepassing van wegingsfactor 0,25 (zeer licht), omdat de gemachtigde van belanghebbende meerdere inhoudelijke proceshandelingen heeft verricht. Zo heeft hij diverse keren contact met de Belastingdienst gehad en heeft hij, naast het indienen van een bezwaarschrift tegen de aanmaningskosten, de Ontvanger in gebreke moeten stellen om uitspraak op bezwaar te doen en beroep moeten instellen. Ook heeft de gemachtigde van belanghebbende gecorrespondeerd met de Nationale ombudsman over de afstemming en heeft hij een complexe beoordeling van de rechtmatigheid van de aanmaning en het dwangbevel moeten doen. Vanwege deze extra werkbelasting, hetgeen het gevolg is van meerdere fouten van de Ontvanger tijdens de invorderingsprocedure, dient een wegingsfactor van 1 dan wel 0,5 te worden gehanteerd, aldus belanghebbende.

5.2.. De Ontvanger stelt dat de Rechtbank terecht is uitgegaan van een wegingsfactor van 0,25, omdat sprake is van een zaak met een zeer gering belang en een zeer eenvoudig te beslechten geschil, waarbij de inspanning van de gemachtigde van belanghebbende gering is geweest. In het bezwaarschrift heeft de gemachtigde van belanghebbende slechts gevraagd om verlaging van de vervolgingskosten en is volstaan met de vermelding van de lopende klachtbehandeling bij de Nationale ombudsman om de vervolgingskosten inzake de aansprakelijkstelling naar nihil terug te brengen, aldus de Ontvanger.

5.3.. Het Hof stelt voorop dat het als beoordelende instantie op grond van een eigen waardering dient te beoordelen in welke gewichtscategorie van onderdeel C1 van de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) de zaak valt (vgl. HR 18 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:915, r.o. 3.3.3). Hierbij moet per fase van de procedure worden beoordeeld welke wegingsfactor van toepassing is (HR 14 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:243, r.o. 3.2.2). Het aan een zaak toekomende gewicht wordt bepaald door het – al dan niet in geld uit te drukken – belang, de bewerkelijkheid en de gecompliceerdheid van de zaak en de daarmee verband houdende werkbelasting van de rechtsbijstandverlener (vgl. HR 9 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1162, r.o. 3.3).

5.4..

Hoewel de gemachtigde van belanghebbende twee afzonderlijke bezwaarschriften heeft ingediend, die overigens nagenoeg gelijkluidend zijn, is sprake van een zeer eenvoudig te beslechten geschil waarbij zijn werkzaamheden en inspanningen gering zijn geweest.

De enkele vermelding van de lopende klachtbehandeling bij de Nationale ombudsman acht het Hof evenals de Rechtbank een eenvoudige werkzaamheid van korte duur. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat de Ontvanger ter zitting heeft bevestigd dat de enkele vermelding in de bezwaarschriften van de lopende klachtbehandeling voor hem voldoende is geweest om volledig aan de bezwaren van belanghebbende tegemoet te komen. Het contact van de gemachtigde van belanghebbende met andere instanties doet daar niet aan af. Gelet hierop is terecht een wegingsfactor 0,25 voor de kostenvergoeding voor de bezwaarfase toegepast.

5.5.. Hetgeen belanghebbende daartegenover heeft gesteld, leidt niet tot een ander oordeel. Het Hof volgt belanghebbende niet in zijn stelling dat een hogere wegingsfactor moet worden toegekend enkel omdat de Ontvanger heeft erkend dat de aanmaning en het dwangbevel ten onrechte zijn gegeven. Ter zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende voor het eerst verklaard dat hij voorafgaande aan het indienen van de bezwaarschriften ook contact heeft opgenomen met de Belastingtelefoon ter zake van de lopende klachtprocedure bij de Nationale ombudsman, welke werkzaamheid door de Ontvanger gemotiveerd is weersproken. Bovendien is die werkzaamheid niet uit de gedingstukken te herleiden. Voor zover belanghebbende verwijst naar een aantal uitspraken in belastingzaken waarin een hogere wegingsfactor dan 0,25 is toegepast, overweegt het Hof dat de feiten in deze zaken andersluidend zijn dan in de onderhavige zaak en dat de gewichtscategorie in iedere zaak op grond van een eigen waardering dient te worden beoordeeld.

Slotsom

5.6.. Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten

6. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door Chr.Th.P.M. Zandhuis, T.A. de Hek en W. de Wit, in tegenwoordigheid van de griffier T.S.K.L. Tjon. Wegens verhindering van de voorzitter is de uitspraak ondertekend door raadsheer T.A. de Hek.

De griffier, de raadsheer,

T.S.K.L. Tjon T.A. de Hek

De beslissing is op 8 april 2026 in het openbaar uitgesproken.

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;

b. - de dagtekening;

c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. - de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Meer Beslissingen