ECLI:NL:GHDHA:2026:2122
Samenvatting
Strafrecht
Uitspraak
Den Haag
Rolnummer: 22-001626-20
Parketnummer: 10-996667-16
Datum uitspraak: 1 juli 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de economische kamer van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 2 juli 2020 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedatum] 1973,
adres: [woonadres] , [woonplaats] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2 primair en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 33 maanden. Tevens is beslist op het beslag, zoals omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1. hij
op één of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 augustus 2014 tot en met 31 oktober 2015
te Rotterdam, in elk geval (elders) in Nederland,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,
meermalen, althans eenmaal,
(telkens) opzettelijk
gebruik heeft gemaakt van (een) valse en/of vervalste factu(u)r(en) gericht aan Rotterdam Short Sea Terminal B.V. (hierna RST ), te weten:
TOS
1. factuur [factuurnummer 1] van [naam bedrijf 1] gedateerd 11-08-2014 [DOC-025];
2. factuur [factuurnummer 2] van [naam bedrijf 2] . gedateerd 26-01-2015 [DOC-026 p.4/9]; en/of
Techniek
3. factuur [factuurnummer 3] van [naam bedrijf 1] gedateerd 17-11-2014 [DOC-196, p.5];
4. factuur [factuurnummer 4] van [naam bedrijf 2] gedateerd 26-01-2015 [DOC-196, p.44]; en/of
ADO
5. factuur [factuurnummer 5] van [naam bedrijf 2] gedateerd 26-01-2015 [DOC-219, p.17];
6. factuur [factuurnummer 6] van [naam bedrijf 2] . gedateerd 12-10-2015 [DOC-219, p.16]; en/of
Hospitality
7. factuur [factuurnummer 7] van [naam bedrijf 1] gedateerd 12-11-2014 [DOC-180, p.1]; en/of
Fiscaal Advies
8. factuur [factuurnummer 8] van [naam bedrijf 1] gedateerd 27-10-2014 [DOC-108];
9. factuur [factuurnummer 9] van [naam bedrijf 2] . gedateerd 30-06-2015 [DOC-118]; en/of
[naam winkel]
10. factuur [factuurnummer 10] van [naam bedrijf 1] gedateerd 29-10-2014 [DOC-085];
11. factuur [factuurnummer 11] van [naam bedrijf 2] . gedateerd 30-06-2015 [DOC-091]; en/of
Sponsoring
12. factuur [factuurnummer 12] van [naam bedrijf 1] gedateerd 27-10-2014 [DOC-184, p.3];
13. factuur [factuurnummer 13] van [naam bedrijf 2] . gedateerd 08-04-2015 [DOC-184, p.6];
- ( elk) zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen –
als ware(n) het/deze echt en onvervalst, dan wel dit/deze geschrift(en) heeft afgeleverd en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dit/deze geschrift(en) bestemd was/waren voor gebruik als ware(n) die/deze echt en onvervalst,
bestaande die valsheid of vervalsing (telkens) hierin dat in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven- in/op dat/die geschrift(en) de levering aan RST van de op die factu(u)r(en) voornoemd vermelde goederen of diensten was vermeld tegen de op die factu(u)r(en) vermelde bedrag(en)/prijs, zulks terwijl in werkelijkheid (telkens) geen en/of minder levering(en) aan RST heeft/hebben plaatsgevonden en/of, geen en/of minder diensten waren verricht door de/het op die factu(u)r(en) vermelde bedrijven/bedrijf en/of tegen de op die factu(u)r(en) vermelde bedrag(en)/prijs,
en
bestaande dat gebruikmaken en/of afleveren (telkens) hierin dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) die factu(u)r(en) aan ((een) medewerker(s) van de Financiële Administratie van) RST en/of [naam medeverdachte 1] en/of [naam medeverdachte 2] heeft/hebben toegezonden en/of ter hand gesteld, en/althans doen toekomen en/of doen ter hand stellen;
2. hij
op één of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 september 2013 tot en met 31 maart 2016
te Rotterdam, Den Haag, Almere en/of Oostvoorne, althans (elders) in Nederland,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,
meermalen, althans eenmaal,
(telkens) met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door één of meer listige kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels,
Rotterdam Short Sea Terminal B.V. (hierna: RST ) (telkens) heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten een totaalbedrag van (circa) afgerond EUR 2.625.000,-, althans enig(e) geldbedrag(en),
hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk -zakelijk weergegeven- valselijk, listiglijk, bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid (telkens)
- één of meer factu(u)r(en) ten name van [naam bedrijf 1] , [naam bedrijf 2] en/of [naam bedrijf 2] . opgemaakt en/althans laten opmaken in het kader van:
TOSvoor een totaalbedrag van (circa) EUR 284.079,- (als opgenomen in AMB-030, dossierpagina's 000317-000318);
Techniekvoor een totaalbedrag van (circa) EUR 1.389.238,- (als opgenomen in AMB-028 en DOC-196, dossierpagina 000258 resp. 002587);
ADO skyboxvoor een totaalbedrag van (circa) EUR419.392,-
Hospitalityvoor een totaalbedrag van (circa) EUR 96.800,- (als opgenomen in AMB-026, dossierpagina 000239);
Fiscaal adviesvoor een totaalbedrag van (circa) EUR 149.423,- (als opgenomen in AMB-022, dossierpagina 000204);
[naam winkel] Incentivevoor een totaalbedrag van (circa) EUR 181.197,50 (als opgenomen in AMB-019, dossierpagina 000186);
Sponsoringvoor een totaalbedrag van (circa) EUR 96.297,- (als opgenomen in AMB-027, dossierpagina 000247);
en/of
op die factu(u)r(en) (al dan niet gedeeltelijk) fictieve leveringen van goederen en/of diensten, en daarop gebaseerde factuurbedragen vermeld en/althans laten vermelden;
die factu(u)r(en) aan RST ter attentie van [naam medeverdachte 1] toegezonden en/of doen toekomen, en/althans aan [naam medeverdachte 2] overhandigd;
die factu(u)r(en) voor betaling gecontroleerd en/of goedgekeurd, en vervolgens aan de afdeling Financiële Administratie van RST doorgestuurd;
waardoor die RST (telkens) werd bewogen tot bovenomschreven afgifte(n);
subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij
op één of meer tijstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 september 2013 tot en met 31 maart 2016
te Rotterdam, Den Haag, Almere en/of Oostvoorne, althans (elders) in Nederland,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,
meermalen, althans eenmaal,
(telkens) opzettelijk één of meer goed(eren), te weten een of meer gedbedrag(en) tot een totaal van circa (afgerond) EUR 2.625.000,-,
dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan Rotterdam Short Sea Terminal B.V. (hierna: RST ), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en welk(e) goed(eren) hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) uit hoofde van zijn/hun persoonlijke dienstbetrekking en/of beroep van/als operationeel directeur en/of manager Finance & Control en/of interim projectmanager Terminal Operating System (TOS) van RST , in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had(den), (telkens) wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
3. hij
op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 december 2013 tot en met 6 oktober 2016
te Oostvoorne, gemeente Westvoorne, en/of Rotterdam, althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
meermalen, althans eenmaal,
a. (telkens) één of meer voorwerp(en), te weten een totaalbedrag van (circa) EUR 128.200,-, althans enig(e) geldbedrag(en),
heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of omgezet, en/of van genoemde voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt,
terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf,
terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) van het plegen van dat feit een gewoonte heeft/hebben gemaakt,
en/of
b. (telkens) van één of meer voorwerp(en), te weten een totaalbedrag van (circa) EUR 128.200,-, althans van enig(e) geldbedrag(en),
de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding, de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op genoemde voorwerpen was/waren, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie genoemde voorwerpen voorhanden heeft/hebben gehad,
terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf,
terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) van het plegen van dat feit een gewoonte heeft/hebben gemaakt.
Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging
Namens de verdachte is bepleit dat het OM niet-ontvankelijk in de vervolging dient te worden verklaard, nu niet kan worden gesteld dat het OM het gezag heeft gevoerd over het opsporingsonderzoek en omdat geen sprake is geweest van een onafhankelijk onderzoek door het OM.
Het hof stelt voorop dat, volgens vaste jurisprudentie, de niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie in de vervolging als dominus litis, een in artikel 359a Wetboek van Strafvordering (Sv) voorzien rechtsgevolg slechts in zeer uitzonderlijke gevallen in aanmerking komt. Het moet dan gaan om een zodanig ernstige en onherstelbare inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak, dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM.
Ofschoon geen van de aan het niet-ontvankelijkheidsverweer ten grondslag liggende argumenten voldoende en concreet zijn onderbouwd, overweegt het hof het volgende. Duidelijk is dat de Fiod, onder gezag van de officier van justitie, naar aanleiding van de aangifte mede op basis van het onderzoek van [naam advocatenkantoor] en [naam zakelijke dienstverlener] (zie hierna onder het kopje ‘Feiten en omstandigheden’), een eigen en zelfstandig onderzoek heeft gevoerd waarbij (digitale) stukken zijn in beslag genomen, welke stukken aan, onder andere, de verdachten zijn voorgehouden, een fors aantal getuigen is gehoord en ook verdachte is verhoord. Er is derhalve sprake van een zelfstandig en onafhankelijk onderzoek onder leiding van de officier van justitie, waarbij de officier van justitie als gebruikelijk de omvang van dat onderzoek heeft bepaald. Noch uit het dossier noch uit hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht zijn aanwijzingen af te leiden dat sprake is geweest van een inbreuk, laat staan een ernstige en onherstelbare, op het recht van de verdachte op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM. Het voegen van het [naam zakelijke dienstverlener] -rapport aan het strafdossier kan niet als zodanige aanwijzing worden aangemerkt, ook niet als dat rapport het resultaat is van een beperkte onderzoeksopdracht. Ook de beslissing van de officier van justitie om de tegen de verdachte ingestelde ontnemingsvordering in te trekken nadat hem was gebleken dat RST tegen de verdachten een civiele procedure was gestart ter verhaal van de geleden schade, is niet zo’n aanwijzing, onder meer nu aan benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen in mindering kunnen worden gebracht op het in een ontnemingsprocedure vastgestelde bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel (vgl art. 36e lid 9 Sr).
Het hof concludeert uit het voorgaande dat geen sprake is van enig vormverzuim in het vooronderzoek in de zin van artikel 359a lid 1 Sv waaraan enig rechtsgevolg moet worden verbonden. Het OM is ontvankelijk in zijn vervolging.
Het hof verwerpt het ter zitting gedane voorwaardelijke verzoek om de behandelend officier van justitie te horen nu de noodzaak daartoe ontbreekt.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1, 2 primair en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 31 maanden.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Gebruik van getuigenverklaringen voor het bewijs
Namens de verdachte is – op gronden zoals vermeld in pleitnota van de raadsman – bepleit dat de verklaringen van aangever RST en alle medewerkers van RST mede gelet op de destijds aanwezige bedrijfscultuur, naar de mening van de verdachte veroorzaakt en in stand gehouden door algemeen directeur [naam algemeen directeur] , onbetrouwbaar zijn en niet kunnen worden gebruikt voor het bewijs.
Het hof overweegt te dien aanzien dat er geen enkele aanleiding bestaat om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de genoemde getuigen. Niet vanwege de bedrijfscultuur en evenmin om andere redenen. Zie nader hierna bij de overwegingen van het hof naar aanleiding van het tweede feit (de oplichting).
Waardering van het bewijs en bespreking van de verweren
Feiten en omstandigheden
[naam verdachte] werd vanaf 1 september 2013 door RST ingehuurd voor het begeleiden van de implementatie van nieuwe Terminal Operating Software (hierna:TOS). In eerste instantie werd hij ingehuurd via zijn eenmanszaak [naam bedrijf 1] , later via zijn vennootschap [naam bedrijf 2] . i/o. en [naam bedrijf 2] . (hierna beiden: [naam bedrijf 2] ). [naam 1] (een nichtje van [naam verdachte] ) is oprichter en bestuurder van [naam holding] Op de facturen van [naam bedrijf 1] staat vermeld dat betaald dient te worden op een bankrekening ten name van [naam 1] [naam 2] (de zus van [naam verdachte] ).
In de jaren 2013 tot en met 2016 ontvangt RST in totaal 315 facturen van deze ondernemingen. Verder is nog van belang dat op het TOS-projectdoor drie verschillende bedrijven werd ingeschreven. Eén daarvan was [naam bedrijf 3] . De onderneming [naam bedrijf 4] , waarvan [naam directeur bedrijf 4] directeur was, was aandeelhouder van [naam bedrijf 3] . Verschillende verklaringen in het dossier wekken de suggestie dat [naam bedrijf 3] de TOS-opdracht heeft verworven nadat [naam bedrijf 4] had beloofd aan acht managers van RST een bedrag van € 75.000,00 te geven dan wel bij die acht managers verbouwingen ter waarde van € 75.000,00 uit te voeren waarvoor niet betaald hoefde te worden.
Eind februari 2016 heeft de accountant van Rotterdam Short Sea Terminals (hierna:
RST ) de kasadministratie gecontroleerd en geconstateerd dat onregelmatige facturen zijn ingediend op naam van [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] . Vervolgens is in opdracht van [naam bedrijf 5] (hierna: [naam bedrijf 5] ), de moedermaatschappij van RST , een nader onderzoek ingesteld naar de betalingen op facturen aan [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] . Dit onderzoek werd uitgevoerd door [naam advocatenkantoor] , die daarbij [naam zakelijke dienstverlener]
(hierna: [naam zakelijke dienstverlener] ) heeft ingeschakeld. Naar aanleiding van de bevindingen is namens RST aangifte gedaan op 2 juni 2016 en hierbij is het concept rapport van [naam zakelijke dienstverlener] overgelegd. In de periode van 2013 tot en met begin 2016 zouden vanuit [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] voor miljoenen euro's facturen zijn verstuurd voor niet-geleverde diensten. Op basis van de aangifte is door de Fiscale Inlichtingen en Opsporingsdienst (hierna: de FIOD) een strafrechtelijk onderzoek gestart. In dit onderzoek heeft de FIOD onder andere [naam medeverdachte 1] , [naam medeverdachte 2] (hierna: [naam medeverdachte 2] ) en verdachte als verdachten aangemerkt en gehoord.
Na het indienen van de aangifte is RST reeds op 16 juni 2016 een civiele procedure gestart tegen acht partijen waar onder de verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte 1] . Bij vonnis van 15 december 2021 is in de civiele procedure uitspraak gedaan. Naar aanleiding van deze civiele uitspraak heeft het openbaar ministerie de aanvankelijk tegen [naam medeverdachte 1] ingestelde ontnemingsvordering ingetrokken. [naam medeverdachte 1] en [naam verdachte] zijn ook in de civiele zaak tegen de uitspraak van de rechtbank in beroep gegaan, op welk hoger beroep ten tijde van dit arrest nog niet is beslist. [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] waren in de ten laste gelegde periode in dienstbetrekking werkzaam bij RST . Zij maakten deel uit van het managementteam van RST ; [naam medeverdachte 1] als operationeel directeur en [naam medeverdachte 2] als manager Finance & Control.
Op 18 maart 2016 wordt naar aanleiding van de bevindingen van KPMG aan [naam medeverdachte 1] , [naam medeverdachte 2] en [naam verdachte] de toegang tot het RST -kantoor ontzegd. Op 19 maart 2016 vindt op Zestienhoven een overleg plaats waarbij ondermeer [naam medeverdachte 1] , [naam medeverdachte 2] en [naam verdachte] aanwezig waren. Eveneens op 19 maart 2016 had [naam medeverdachte 1] een persoonlijk gesprek bij en met algemeen directeur [naam algemeen directeur] , in aanwezigheid van de advocaat van RST . In dit gesprek erkent hij dat hij, aldus de op 21 maart aan [naam medeverdachte 1] verzonden ontslagbrief, samen met [naam verdachte] facturen heeft opgesteld voor niet geleverde diensten, zaken, verschotten, en die facturen samen met een ander heeft geaccordeerd waarna de betalingen vervolgens door RST zijn verricht. Op 20 maart 2016 zendt [naam medeverdachte 1] een e-mail aan [naam algemeen directeur] waarin hij aanbiedt 200.000 terug te betalen en de rest in termijnen en verzoekt de kwestie intern te regelen. Op 21 maart 2016 worden [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] op staande voet ontslagen en wordt de interim overeenkomst met [naam bedrijf 2] opgezegd.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft kort samengevat het volgende aangevoerd. Tegenover elke door [naam verdachte] aan RST verzonden factuur stond steeds een prestatie. RST wist hiervan en wist eveneens dat de facturen vals waren en kon daardoor dus niet misleid worden. RST , althans haar aandeelhouder, beschikte over een fraudeverzekering. Deze verzekering bevat een uitsluitingsclausule voor het geval de directeur bij de fraude is betrokken. Om deze reden is door RST / [naam zakelijke dienstverlener] onvoldoende onderzoek gedaan naar de betrokkenheid van de algemeen directeur bij de fraude. Daardoor is niet alleen het [naam zakelijke dienstverlener] onderzoek (te) eenzijdig, maar ook het daarop gebaseerde strafrechtelijk onderzoek.
De aangifte van RST en de verklaringen van de RST -getuigen zijn daarom onbetrouwbaar.
RST heeft geprobeerd verschillende RST getuigen te beïnvloeden, hetgeen er eveneens toe heeft geleid dat de RST getuigen onbetrouwbaar zijn. Daarom het voorwaardelijk verzoek [naam 3] (destijds hoofd HR) en mr [naam 4] (destijds advocaat van RST ) als getuige te horen.
Ten onrechte zijn de RST pijlen alleen gericht op [naam verdachte] als toeleverancier van producten en diensten. RST heeft de (inmiddels overleden) heer [naam 5] , een andere toeleverancier, ‘gevrijwaard’ van aansprakelijkheid. Mogelijk kan de zoon van de heer [naam 5] meer vertellen over deze vrijwaring en daarom wordt (voorwaardelijk) verzocht ook hem als getuige te horen.
Het hof overweegt als volgt.
De ten laste gelegde facturen betreffen facturen van [naam bedrijf 1] dan wel van [naam bedrijf 2] . Sommige [naam bedrijf 1] facturen vermelden onderin een bankrekening ten name van “ [naam 1] ” (facturen 1 en 7 genoemd in de tenlastelegging). Dit is een nichtje van [naam verdachte] . Andere [naam bedrijf 1] facturen vermelden onderin een bankrekeningnummer ten name van [naam 2] (facturen 3, 8, 10 en 12). Dit betreft de zus van [naam verdachte] . De overige in de tenlastelegging genoemde facturen betreffen facturen van [naam bedrijf 2] (facturen 2, 4, 5, 6, 9, 11 en 13) en noemen twee verschillende rekeningen op naam van [naam bedrijf 2] (eindigend op respectievelijk [eindcijfers 1] en [eindcijfers 2] ). Aldus liet [naam verdachte] de door of namens hem aan RST gezonden facturen uitbetalen op vier verschillende rekeningen.
De FIOD heeft op basis van de verklaring van onder andere [naam administratief medewerker] (administratief medewerkster RST ) beschreven hoe de werkwijze was bij RST met betrekking tot de facturering en betaalbaarstelling. [naam administratief medewerker] heeft onder andere verklaard dat de facturen over de periode tot 2015 binnen kwamen via de secretaresse bij de boekhouding. Daar werden de facturen vervolgens ingeboekt.De facturen van [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] kwamen volgens [naam administratief medewerker] echter niet per post (via de secretaresse) binnen, maar via [naam medeverdachte 2] . Hij kreeg de facturen van [naam verdachte] . Vanaf de invoering van het administratiesysteem Basware (1 januari 2015) werden de digitaal ontvangen facturen eerst op de desbetreffende afdelingen geaccordeerd door [naam getuige 2] , [naam medeverdachte 2] , [naam medeverdachte 1] en/of [naam algemeen directeur] . Vervolgens werden ze door [naam administratief medewerker] in de administratie verwerkt. Toen [naam administratief medewerker] navraag deed bij [naam medeverdachte 2] over de verschillende werkzaamheden waarvoor gefactureerd werd door [naam verdachte] namens [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] , verklaarde [naam medeverdachte 2] dat [naam verdachte] verschillende bedrijven had die werkzaam waren bij RST. [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] waren vervolgens degenen die veruit de meeste facturen vervolgens controleerden en accordeerden. [naam zakelijke dienstverlener] heeft vastgesteld dat van de 2015-facturen van [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] 100% van de facturen van [naam bedrijf 1] en 78% van de facturen van [naam bedrijf 2] werden gecontroleerd en goedgekeurd door [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] .Voor [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] geldt dat zij bijna alle facturen tekenden.
Voorts heeft [naam zakelijke dienstverlener] vastgesteld dat tussen het moment van goedkeuren van de facturen door [naam medeverdachte 1] en het moment waarop [naam medeverdachte 2] de facturen controleerde veelal slechts enkele seconden zaten. Op 11 maart 2015 heeft [naam medeverdachte 1] op verzoek van [naam verdachte] zelfs zijn inloggegevens aan [naam medeverdachte 2] gegeven.
Feit 1: valsheid in geschrift
In de strafprocedure heeft het Openbaar Ministerie er voor gekozen om 13 facturen op te
nemen in de tenlastelegging als dwarsdoorsnede van het totaal aantal facturen dat is
ingediend door [naam bedrijf 1] dan wel [naam bedrijf 2] bij RST en die ook door RST zijn
uitbetaald. Deze 13 facturen zijn in feit 1 onderverdeeld in 7 categorieën en zullen hieronder
nader worden besproken in dezelfde volgorde als in de tenlastelegging.
TOS project
De eerste factuur op de tenlastelegging is van [naam bedrijf 1] , gedateerd 11 augustus 2014 en met
nummer [factuurnummer 1] . De factuur heeft als omschrijving 'bezoek terminal buitenland voor
TOS project week 30, 31 en 32' en betreft een bedrag van € 13.019,68.Aan de factuur zijn de volgende bijlagen gevoegd:
- een schrijven van [naam reisbureau] gericht aan [naam verdachte] met de tekst:
“Van 19 juli tot 11 aug 2014 – TOS PROJECT
Totaal bedrag ticket plus hotel Curaçao € 7.393,90
Totaal bedrag ticket plus hotel Paramaribo van € 5.626,38”en
- een voucher op naam van [naam verdachte] voor een verblijf van 3 tot en met 9 augustus 2014 het hotel [naam hotel 1] in Curaçao.
Uit de e-mails van [naam reisbureau] van 2 en 13 juni 2024 volgt dat voor het
gezin van [naam verdachte] vliegtickets zijn geboekt voor het traject Amsterdam-Paramaribo-Curaçao in de periode van 28 juli tot en met 9 augustus 2024. Uit de e-mail van 2 juni 2014 volgt dat de totale kosten € 3.968,70 bedroegen.
Per e-mail van 9 augustus 2024 verzoekt [naam verdachte] aan het reisbureau [naam reisbureau] om een nieuwe factuur te maken en de omschrijving en het bedrag van de factuur aan te passen naar de tekst zoals in de hiervoor genoemde bijlage is vermeld.Het totaalbedrag van de reizen is door [naam verdachte] aanzienlijk verhoogd ten opzichte van de in de -mails vermelde kosten. Hierop antwoordt [naam reisbureau] diezelfde dag:Ik begrijp wat je vraagt en ik wil je uiteraard graag van dienst zijn, maar ik kan niet zomaar nieuwe facturen maken naast de bestaande.”Hierna stuurt [naam reisbureau] op 10 augustus 2014 de hiervoor genoemde bijlage met vermelding van de kosten van de reizen naar Curaçao en Suriname.
In een WhatsApp-gesprek op 9 en 10 augustus 2014 tussen [naam medeverdachte 2] en [naam verdachte] schrijft [naam verdachte] : " [naam medeverdachte 2] ik krijg een factuur voor min vak maar die wordt opgesteld onder het TOS-project "; [naam verdachte] vraagt aan [naam medeverdachte 2] de factuur te tekenen en
deze verklaart zich hiertoe bereid, waarop [naam verdachte] als verdeling appt: "13k dan geef ik jou
5k. Kan je wat leuks halen voor je vrouwtje ". Met de woorden"haha deal"accepteert
[naam medeverdachte 2] het aanbod.
De bij RST ingediende en door RST betaalde factuur doet het derhalve voorkomen alsof de reiskosten zijn gemaakt in het kader van het TOS-project, terwijl de reis in werkelijkheid een vakantiereis van het gezin [naam verdachte] betrof en een deel van het bedrag aan [naam medeverdachte 2] werd geschonken. De factuur is vals.
De tweede tenlastegelegde factuur, genummerd [factuurnummer 2] en met als datum 22 oktober
2015, is van [naam bedrijf 2] heeft referentie “Tos terminal visit Dec” en als omschrijving'Aantal 4 Tos team business trip terminal bezoek Singapore ivm demo tos systeem en verbluf [naam hotel 2] in Dec 2015'.Als totaalbedrag staat vermeld € 20.998,34. Uit e-mail wisseling tussen [naam verdachte] en [naam reisbureau] over deze reis volgt dat het gaat om een privé vakantie reis. [naam verdachte] noemt in de e-mail 24 augustus 2015 de namen van zijn gezinsleden en [naam reisbureau] geeft een prijsgave voor een double room waar je met vier personen in mag.
Meerdere personen hebben verklaard dat [naam verdachte] met zijn gezin op vakantie naar
Singapore is geweest en dat [naam verdachte] voor het TOS-project niets in Singapore te zoeken
had.Voor [naam verdachte] geldt bovendien dat hij ter zitting heeft bekend dat de omschrijving
van deze factuur niet klopt. Hij is in die periode met zijn gezin op vakantie geweest in
Singapore en heeft dat met een andere omschrijving gefactureerd aan RST .
Daarnaast heeft [naam medeverdachte 1] bij [naam reisbureau] een prijsopgave gevraagd voor een wintersportvakantie. Op 20 oktober 2015 schrijft [naam reisbureau] in een e-mail aan [naam medeverdachte 1] dat zij het hotel [naam hotel 3] voor hem kan boeken. [naam medeverdachte 1] antwoordt: “Super. Gaarne de superior suite de luxe + de comfort tweepersoonskamer. Nota richten aan [naam bedrijf 2] [naam verdachte] , met omschrijving businesstrip ivm TOS Singapore. (Gegevens heb je van hem gaf hij me zojuist aan) Zie de boekingsbevestiging tegemoet.”
De bij RST ingediende en door RST betaalde factuur doet het derhalve voorkomen alsof de kosten zijn gemaakt in het kader van het TOS-project, terwijl de reis/reizen in werkelijkheid een vakantie betrof(fen). De factuur is vals.
Techniek
De derde factuur op de tenlastelegging is een factuur van [naam bedrijf 1] met nummer
[factuurnummer 3] , gedateerd 17 november 2014 en met als factuurbedrag € 36.096,72.De factuur vermeldt “Betreft Doorbelasting [omschrijving] div kraanlassen sep, okt en nov” en heeft als omschrijving'doorbelasting lassen div kranen'.
Als vierde factuur op de tenlastelegging staat een factuur van [naam bedrijf 2] met nummer [factuurnummer 4] , gedateerd 26 januari 2015. De referentie luidt “Boot opdr kraan 302” en de omschrijving luidt 'analyse plus noodlas krn 302'.Het betreft een bedrag van € 9.064,55.
Op de telefoon van [naam medeverdachte 2] zijn WhatsApp-gesprekken tussen hem en [naam verdachte]
aangetroffen die over deze facturen gaan. Zo wordt er op 26 januari 2015 een foto gestuurd
van een handgeschreven briefje met diverse omschrijvingen zoals 'analyse kr. 302 +las'
met een getal van 7.500.[naam medeverdachte 2] geeft in het gesprek aan dat deze omschrijving gelezen
moet worden als 'Boot opdr kraan 302 analyse en noodlas'. Deze omschrijving komt
overeen met de referentie en de beschrijving die op de factuur met nummer [factuurnummer 14] is vermeld. Voor [naam verdachte] geldt dat hij bovendien ter zitting heeft bekend dat de omschrijvingen van de techniek-facturen niet kloppen.
Getuige [naam getuige 1] (hoofd technische dienst RST ) heeft verklaard dat RST altijd vaste partijen heeft voor de op de factuur genoemde werkzaamheden en dat [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] niet tot de vaste partijen behoren.Kraan 302 is dan ook rond 26 januari 2015 daadwerkelijk gerepareerd door een bedrijf genaamd [bedrijf 1] en [naam getuige 1] heeft daarvan een factuur overgelegd aan de FIOD.De omschrijvingen doen het voorkomen alsof sprake is van een reparatie van kranen, terwijl met deze facturen in werkelijkheid privéreizen van [naam medeverdachte 1] en/of [naam verdachte] zijn betaald. Beide tenlastegelegde facturen zijn vals.
ADO
De factuur met nummer [factuurnummer 5] van [naam bedrijf 2] , gedateerd 26 januari 2015, is als
vijfde factuur opgenomen in de tenlastelegging. De factuur heeft als referentie 'hospitality'
en als nadere omschrijving ‘Hospitality Ado Jan’. Het bedrag is € 9.068,10 (inclusief BTW).In een WhatsApp-gesprek tussen [naam verdachte] en [naam medeverdachte 2] wordt de totstandkoming van deze factuur besproken. [naam verdachte] stuurt op 26 januari 2015 een foto van een rekenschermpje met het getal 3.494,3 en vraagt:"Dit zijn de kosten voor hospitality", "Wat moet ik er dan van maken?".[naam medeverdachte 2] vindt hetvervolgens"ok"dat [naam verdachte] er 3.000 bovenop gooit. [naam medeverdachte 2] geeft daarnaast, aan de hand van een foto met nadere toelichting, een omschrijving"hosp box"en een bedrag van € 4.000,00 door aan [naam verdachte] .De bedragen € 3.494,30 en € 4.000,00 —exclusief BTW — bij elkaar opgeteld maken samen – nagenoeg - het factuurbedrag van € 7.494,00 exclusief BTW. De omschrijving suggereert dat het hele bedrag is gespendeerd aan hospitality met betrekking tot de ADO skybox, terwijl in werkelijkheid € 4.000 van het bedrag is geschonken aan [naam medeverdachte 2] . De factuur is vals.
De zesde factuur is ook van [naam bedrijf 2] en heeft nummer [factuurnummer 6] . De factuur
bedraagt € 19.965,00 en is gedateerd 12 oktober 2015.Deze factuur heeft als referentie ‘Verhuur box’ en als omschrijving omschrijving'Verhuur skybox ivm vergaderingen incl eten & drinken juli/aug/sept '. Volgens verschillende getuigen hebben nooit vergaderingen plaatsgevonden in de ADO-box.
Hospitality
De zevende factuur met nummer [factuurnummer 7] , gedateerd 12 november 2014, ziet op de
familiedag bij RST . De factuur vermeldt ‘Betreft voorschotnota Familiedag RST 2015’ en als nadere omschrijving 'Familiedag RST 2015’'en bedraagt € 96.800,00.Getuige [naam getuige 2] , destijds hoofd P&O bij RST , heeft verklaard dat in het kader van de Roparun een familiedag in 2015 was gepland, maar dat zij deze heeft afgelast. Het volledige op deze factuur genoemde bedrag is echter aan [naam bedrijf 1] betaald zonder enige aanwijzing van (gedeeltelijke) terugbetaling. Integendeel, uit een WhatsApp-gesprek van 13 november 2014, waarin [naam verdachte] en [naam medeverdachte 2] het bedrag dat is meegenomen"in die grote nota "bespreken volgt dat een groot deel van de netto 80.000 euro tussen – in ieder geval – [naam verdachte] en [naam medeverdachte 2] werd verdeeld:"De nota was 80K minus 3x10 is 50k ",zodat eenieder"hetzelfde"krijgt.Dat met deze factuur de reeds gemaakte kosten werden gedekt volgt niet uit het dossier. Er is in dit kader slechts gebleken van facturen van € 5.309
aan ' [bedrijf 2] 'en € 5.218 van` [bedrijf 3] 'Nu in ieder geval een groot deel van dit bij RST gefactureerde en door RST aan [naam bedrijf 1] betaalde bedrag geen betrekking heeft op de kosten van een familiedag is deze factuur vals.
Fiscaal advies
De achtste en negende factuur op de tenlastelegging zien op de facturen met nummer
[factuurnummer 8]
van [naam bedrijf 1] , gedateerd 27 oktober 2014, en [factuurnummer 9]van [naam bedrijf 2]
Facts, gedateerd 30 juni 2015. De omschrijvingen hebben betrekking op fiscale adviezen die gegeven zouden zijn in ‘Q2 en Q3’ van 2014 respectievelijk ‘jan tot jun’ 2015.Uit het dossier blijkt dat [naam verdachte] geen fiscale adviezen gaf en geen derden inhuurde voor fiscale adviezen aan RST .De facturen zijn derhalve vals. Voor [naam verdachte] geldt dat hij
ter zitting heeft bekend dat deze facturen valselijk zijn opgemaakt.
[naam winkel]
Op de tenlastelegging staan onder de nummers 10 en 11 twee facturen voor leveringen door
de kledingwinkel [naam winkel] . Dit betreffen de facturen met nummer [factuurnummer 10]van [naam bedrijf 1]
gedateerd 29 oktober 2014 - en nummer [factuurnummer 11]van [naam bedrijf 2] - gedateerd
30 juni 2015. Zij hebben als referentie ‘Betreft doorbelasting incenticve’ respectievelijk ‘ [naam winkel] incentive’ en als omschrijving ‘Incentive Q2’rechtepctievelijk ‘Doorbelasting [naam winkel] incentive Q2’. Uit het dossier volgt echter dat [naam winkel] rechtstreeks aan RST factureerde
en niet via [naam bedrijf 1] of [naam bedrijf 2] .Voor [naam verdachte] geldt dat hij ter zitting heeft bekend dat deze facturen vals zijn.Beide facturen zijn vals.
Sponsoring
De twaalfde factuur is van [naam bedrijf 1] en heeft als nummer [factuurnummer 12] . De factuur heeft als
datum 27 oktober 2014 en bedraagt € 25.803,25. De factuur vermeldt ‘Betreft kleding wielerploeg RST /UMT’ en als omschrijving '55 x Kleding (jas, shirt, en broek) wielerploeg ( [naam 5] ) diverse materialen en onderhoud ."
De dertiende factuur is van [naam bedrijf 2] en heeft als nummer [factuurnummer 13] . Deze factuur
bedraagt € 18.107,65 en heeft als datum 8 april 2015. De factuur vermeldt als referentie ‘Kleding + materiaal Amstelgoldrace’ en als omschrijving 'aanschaf 28 set kleding plus materiaal voor wielerploeg amstelgold op 18-4-2015'.Getuigen hebben verklaard dat sponsoractiviteiten altijd direct aan RST werden gefactureerd, zonder tussenkomst van [naam bedrijf 1] of [naam bedrijf 2] .. Voor [naam verdachte] geldt dat hij ter zitting heeft verklaard dat hij de sponsoring deed van voetbalteams, maar niet van fietsen/wielerploegen. In de administratie van [naam verdachte] zijn geen uitgaven of kosten aangetroffen die samenhangen met sponsoractiviteiten in opdracht van RST.
[naam verdachte] heeft verklaard dat de tenlastegelegde facturen inderdaad vals zijn nu de omschrijvingen daarvan niet kloppen met de werkelijkheid. Hij wijst er echter op dat [naam algemeen directeur] aan hem doorgaf welke omschrijvingen hij moest gebruiken en dat het verwerken van valse facturen en vervolgens het onderling verdelen van de gefactureerde bedragen ter besteding aan reizen, luxe producten en dergelijke binnen de bedrijfscultuur de normaalste zaak van de wereld was en hij zich daaraan niet heeft kunnen onttrekken.
Het hof overweegt als volgt.
[naam verdachte] heeft aan [naam medeverdachte 1] als ‘lening’ € 120.000,00 betaald. Hiermee betaalde hij aan [naam medeverdachte 1] maandelijks een bedrag als gevolg van afspraken gemaakt rondom het gunnen van de TOS-opdracht. Dit bedrag werd tevens gebruikt om een overstand (het bedrag waarmee de door RST toegestane debetstand werd overschreden) van € 80.000,00, die [naam medeverdachte 1] had op zijn zakelijke credit card, te betalen. De betaling van deze overstand is vervolgens (in ieder geval deels) opnieuw door valse facturen aan RST doorberekend, zodat RST in feite de overstand (deels) nogmaals heeft betaald. Ook de rest van de ‘lening’ is afkomstig uit de opbrengst van aan RST gefactureerde valse facturen. Beide sponsoring facturen zijn vals.
Het hof stelt op grond van al het voorgaande vast dat de in de tenlastelegging onder feit 1 genoemde facturen vals zijn. Het hof acht feit 1 wettig en overtuigend bewezen.
Feit 2: Oplichting
Is RST door het inbrengen van de valse facturen in het betalingssysteem van RST opgelicht?
Het hof dient in de eerste plaats de vraag te beantwoorden of RST met het in het betalingssysteem van de valse facturen van [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2]
werd bewogen tot afgifte van meerdere geldbedragen en of daarbij een oplichtingsmiddel werd gebruikt.
De valse facturen van [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] - waaronder de facturen onder feit 1 genoemd - zijn ook daadwerkelijk uitbetaald door RST op rekeningen waarover [naam verdachte] feitelijk de beschikking had, zoals de rekeningen op naam van zijn zus, zijn nichtje en op naam van [naam bedrijf 2] .Deze facturen bevatten steeds een onjuiste omschrijving die het deed voorkomen alsof de geleverde goederen of diensten een zakelijk karakter hadden. RST is daardoor tot betaling bewogen.
Door omschrijvingen te gebruiken die wezen op een zakelijk karakter van de gefactureerde diensten en door de facturen via andere partijen bij RST in te dienen en door vervolgens die facturen (blind) goed te (laten) keuren heeft [naam verdachte] , met zijn medeverdachten, op listige wijze verhuld dat het in werkelijkheid ging om het verlenen van privé-diensten en/of het doen van schenkingen. RST is daardoor om de tuin geleid.
Uit het voorgaande blijkt naar het oordeel van het hof dat er sprake is van oplichting van RST , omdat aan RST , in strijd met de waarheid, is voorgespiegeld dat er prestaties voor RST zijn verricht die een zakelijk karakter hadden. [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] maakten deel uit van het reguliere controle- en goedkeuringssysteem en hebben ook daadwerkelijk in het overgrote merendeel van de gevallen de facturen goedgekeurd. Vervolgens zijn de valse facturen doorgezet naar de administratie van RST en uitbetaald. Daardoor is op een listige manier gebruik gemaakt van de controle- en uitbetalingsprocedures binnen RST en is er aldus voor gezorgd dat de facturen werden uitbetaald. Door de valse facturen op deze manier in het betaalsysteem van RST te brengen, is RST bewogen tot afgifte van de geldbedragen.
Door de verdediging is aangevoerd dat in ieder geval van een aantal facturen niet
bewezen kan worden dat zij onderdeel waren van oplichting en/of verduistering. Ten eerste
zou het bewijs van de onjuistheid van de urenfacturen volgens de verdediging niet geleverd
zijn. Het hof overweegt dat aangenomen moet worden dat een gedeelte van de uren die door [naam verdachte] zijn gemaakt wel rechtmatig gefactureerd zijn. Het hof stelt echter vast dat deze facturen blijkens het in de tenlastelegging genoemde bedrag onder `TOS' en gelet op AMB-030 (p. 300 en 301 e.v.), niet zijn meegenomen bij de verdenking van oplichting. Zij zitten ook niet bij de facturen die zijn opgenomen in de tenlastelegging onder feit 1. Van de wel in de tenlastelegging begrepen facturen is in het onderzoek genoegzaam komen vast te staan dat deze vals zijn en dat die facturen dus ten onrechte door RST zijn uitbetaald zodat RST hierdoor is opgelicht.
Ten tweede stelt de verdediging zich op het standpunt dat er geen bewijs is geleverd van de
oplichting en/of verduistering ten aanzien van de ADO-facturen. Het hof overweegt
hierover het volgende. Voor [naam verdachte] geldt dat hij ter zitting heeft bekend dat hij valse
omschrijvingen heeft gebruikt op facturen om zijn geld te krijgen, waaronder de
verwijzingen naar de ADO-skybox. Hij heeft voor verschillende werknemers van RST dure
luxe goederen aangeschaft, zoals horloges en wijnen, en bracht dit bij RST in rekening door
het sturen van facturen met valse omschrijvingen.
Van de twee ADO-facturen die onder feit 1 zijn ten laste gelegd is reeds vastgesteld dat deze vals zijn. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de wijze van goedkeuring en betaalbaarstelling, is in elk geval in zoverre sprake van oplichting.
In het dossier bevinden zich nog meer ADO-facturen. In eerste aanleg is een Excelbestand aangeleverd ter onderbouwing van zijn op de zitting naar voren gebrachte
stelling dat deze facturen niet (allemaal) vals zijn. In het Excelbestand wordt bij een deel
van de bedragen verwezen naar facturen en bij een deel van de facturen niet. Het
substantiële deel waarbij niet wordt verwezen naar facturen zouden "zwarte" betalingen
zijn, hetgeen zou betekenen dat [naam verdachte] contante betalingen heeft gedaan aan zangers, dj's
en andere entertainers om feestjes in de skybox bij ADO te organiseren. Dit Excelbestand
vindt het hof echter onvoldoende om een bedrag van € 840.460 - het totaalbedrag dat
voor de ADO-box in rekening is gebracht aan RST- te rechtvaardigen en/of te
onderbouwen. De aannemelijkheid van in elk geval een substantieel deel van de kosten
is niet en/of niet voldoende onderbouwd. Ook in zoverre is sprake van oplichting.
Dat bij elke factuur van [naam verdachte] sprake was van het leveren van bepaalde goederen of diensten neemt niet weg dat de omschrijving van die goederen vals was en RST door die valse omschrijving en de “blinde” goedkeuring van de facturen is bewogen tot betaling van de facturen.
Uit de aangifte van RST en het daarbij gevoegde [naam zakelijke dienstverlener] rapport blijkt zonneklaar dat RST niet instemde met de gepleegde malversaties. Het enkele feit dat medewerkers binnen RST van de malversaties af wisten brengt nog niet mee dat RST daarvan afwist en niet misleid kon worden.
Noch het dossier noch hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht levert een aanwijzing op dat RST getuigen niet betrouwbaar zouden zijn. Het enkele feit dat RST medewerkers, die niet zijn vervolgd, mogelijk betrokken zijn geweest bij de malversaties betekent niet dat RST getuigen onbetrouwbaar zijn. Datzelfde geldt voor een eventuele betrokkenheid van de algemeen directeur en voor een (eventueel) gegeven vrijwaring, wat daarvan ook zij. Van enige beïnvloeding van getuigen waardoor deze in hun verklaringsvrijheid zijn beperkt is het hof evenmin gebleken.
Het hof is dan ook van oordeel dat verklaringen van RST medewerkers voor het bewijs kunnen worden gebruikt en dat geen noodzaak bestaat voor het horen van de getuigen [naam 3] , [naam 4] en (de zoon van) [naam 5] .
En tenslotte brengt ook de suggestie dat de aandeelhouder van RST op de hoogte zou zijn geweest van de malversaties en van de “bedrijfscultuur” binnen RST , wat daarvan ook zij, niet mee dat het handelen van de verdachte niet strafbaar is.
Feit 3: Witwassen
Als derde feit is (gewoonte) witwassen ten laste gelegd. De vraag die het hof moet
beantwoorden is of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het (mede)plegen van
gewoontewitwassen. Op grond van vaste rechtspraak van de Hoge Raad is het enkele onmiddellijk verkrijgen en/of voorhanden hebben van gelden of goederen die uit eigen misdrijf afkomstig zijn, in beginsel niet strafbaar als witwassen, indien het gaat om gedragingen die zich hebben voorgedaan voor de wetswijziging van 1 januari 2017. Voor strafbaarheid is in dergelijke gevallen vereist dat er sprake is van een gedraging die meer omvat dan het enkele verwerven of voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft (zie o.a. HR 26 oktober 2010, ECLINL:HR:2010:BM4440).
Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van witwassen gaat het hof uit van de
bedragen die zijn vermeld in een digitaal overzicht/bestand genaamd 'ing uitdraai ]jan
2013 tm 29 jan 2016 '.Dit bestand betreft een draaitabel met geldstromen van alle
betalingen en ontvangsten in de periode januari 2013 tot en met eind januari 2016 op de
bankrekeningen van [naam bedrijf 2] , [naam 1] en [naam 2] . [naam verdachte] had de feitelijke
beschikking over deze rekeningen.Dit wordt nog eens onderschreven door het feit dat de
bankpassen van deze rekeningen zijn aangetroffen tijdens een doorzoeking in woning van
[naam verdachte] .
Via de bank is er door [naam bedrijf 1] / [naam bedrijf 2] in totaal € 5.065.173,27 ontvangen van
RST .Een deel van dit bedrag is verkregen door middel van oplichting met valse facturen.
Uit het digitaal overzicht/bestand genaamd 'ing uitdraai ]jan 2013 tm 29 jan 2016'blijkt
dat [naam verdachte] een deel van deze ontvangsten heeft overgeboekt naar [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] .
Hij heeft onder de omschrijving van 'lening'in totaal € 506.391,00 overgemaakt naar
[naam medeverdachte 2] en in totaal € 128.200,00 (in meerdere stortingen) naar [naam medeverdachte 1] .Voor het
overige geven de bankrekeningen een beeld weer dat [naam verdachte] in luxe heeft geleefd. Zo
heeft hij blijkens het overzicht onder andere voor een bedrag van € 284.650,00 aan contante
opnamen gedaan. Daarnaast heeft hij onder andere voor luxe merkartikelen van Louis
Vuitton, Prada en Bang & Olufsen creditcarduitgaven gedaan van € 200.336,00.50.Ook heeft [naam verdachte] voor een bedrag van afgerond € 895.000,00 besteed aan horloges bij [naam juwelier] .
Er zijn in het strafrechtelijk onderzoek geen bescheiden naar voren gekomen waaruit opgemaakt kan worden dat [naam medeverdachte 1] leningen met [naam verdachte] is aangegaan, zoals bijvoorbeeld een geldleningsovereenkomst of e-mails waarin de afspraken hierover worden bevestigd.
[naam medeverdachte 2] heeft ter zitting aangevoerd dat er sprake was van een mondelinge overeenkomst.
Gezien de hoogte van het bedrag acht het hof dit onaannemelijk.Dat er geen sprake
was een lening blijkt bovendien uit het WhatsApp-gesprek tussen [naam medeverdachte 2] en [naam verdachte] op
30 oktober 2014. Daarin stuurt [naam medeverdachte 2] onder andere "Hoe dan oplossen? Lening kan niet
zei hij " en "Nee, die 100k die jij naar mij gestort hebt, die moet via schenking".Hierop
antwoordt [naam verdachte] met "Dus als het ter sprake komt voor de belasting dan geven een
lening. Kunnen ze niks over zeggen ".
Namens [naam verdachte] is nog betoogd dat hij de geleverde goederen en diensten vooraf heeft betaald. Dit “voorschieten” neemt niet weg dat de omschrijvingen op de facturen vals zijn, dat RST door indiening van die facturen werd bewogen tot betaling aan [naam verdachte] en dat [naam verdachte] de aldus uit misdrijf verkregen geldbedragen heeft gebruikt en heeft omgezet in luxe goederen en diensten dan wel heeft doorgesluisd naar RST medewerkers zoals [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] .
Gezien dit alles acht het hof het niet aannemelijk dat de bedragen aan [naam medeverdachte 1] en
[naam medeverdachte 2] zijn verstrekt in het kader van een lening. Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat [naam verdachte] , [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] van geldbedragen - die afkomstig waren uit de oplichting middels de valse facturen - gebruik hebben gemaakt, terwijl zij wisten dat deze geldbedragen afkomstig waren van de opbrengsten van de uitbetaalde valse facturen. Daarbij is er sprake van actieve verhullingshandelingen. De verhulling zit in het overboeken van gelden naar [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] en het - met name door [naam verdachte] - opnemen van cash geld en het vervolgens doen van uitgaven aan luxe goederen die het geld uit het zicht brengen. Het geld is bij [naam verdachte] binnengekomen door het indienen en laten uitbetalen van valse facturen op de rekeningen waarover [naam verdachte] de beschikking had. Er is dus sprake van een situatie die meer omvat dan het enkele verwerven of voorhanden hebben van uit misdrijf verkregen gelden.
Gelet op de lange periode die bewezen kan worden verklaard en de wijze waarop [naam verdachte] ,
[naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] te werk zijn gegaan, waarbij het gaat om een zeer groot aantal
facturen, is het hof van oordeel dat sprake is van gewoontewitwassen.
Is sprake geweest van medeplegen?
Het hof stelt voorop dat de betrokkenheid bij een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.
Ook indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke
uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit de gedragingen die doorgaans
met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van
inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), kan sprake zijn van de voor
medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele
bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.
Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de
intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de
uitvoering of de handeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens
aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe
geëigend tijdstip.
Het hof overweegt tegen deze achtergrond het volgende.
Uit de hiervoor beschreven gang van zaken rondom de totstandkoming en indiening van de
valse facturen, de goedkeuring ten behoeve van uitbetaling hiervan en het witwassen van het
geld, blijkt dat [naam verdachte] , [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] hierin alle drie een substantieel aandeel
hebben gehad. [naam verdachte] speelde hierin de
hoofdrol, gelet op zijn voortdurende actieve betrokkenheid via [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2]
bij de opstelling en indiening van valse facturen en uitbetaling daarvan op rekeningen
waarover hij kon beschikken en heeft beschikt.
Uit de WhatsApp-gesprekken tussen [naam medeverdachte 2] en [naam verdachte] volgt de betrokkenheid van [naam medeverdachte 2] bij de valse facturen. Uit die gesprekken volgt namelijk dat er overleg is geweest over de omschrijving van de facturen, de hoogte daarvan en de verdeling.[naam medeverdachte 2] is eveneens bij vonnis van 2 juli 2020 van de rechtbank Den Haag veroordeeld tot een gevangenisstraf en is niet in hoger beroep gegaan zodat zijn betrokkenheid bij onherroepelijk vonnis vaststaat.
Van de 2015-facturen is 100% van de facturen van [naam bedrijf 1] en 78% van de facturen van
[naam bedrijf 2] gecontroleerd en goedgekeurd door [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] .Dat
[naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] binnen RST grote hoeveelheden facturen moesten (controleren en)
goedkeuren, maakt niet aannemelijk dat zij de onderhavige valse facturen te goeder trouw
hebben goedgekeurd. Nog los van het formele aspect dat niet kan worden aangenomen dat
hun taak op dit punt bestond uit het blind goedkeuren van alle voorgelegde facturen, maakt
juist hun wetenschap van de valsheid van facturen dat zij zich hierop niet kunnen beroepen.
Uit de WhatsApp-gesprekken tussen [naam verdachte] en [naam medeverdachte 1] blijkt verder over de
betrokkenheid van [naam medeverdachte 1] dat hij, om het accorderen van de valse facturen en de
uitbetaling daarvan te versnellen, zijn inloggegevens heeft afgegeven aan [naam medeverdachte 2] , op
aangeven van [naam verdachte] .
[naam medeverdachte 1] heeft volgens [naam 6] tijdens een bijeenkomst op 19 maart 2016 op Zestienhoven direct toegegeven dat hijzelf, [naam medeverdachte 2] en [naam verdachte] valse facturen hebben opgemaakt.
Gelet op de gedragingen van [naam verdachte] , [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] acht het hof het opzet
op zowel hun eigen bijdrage als het misdrijf dat zij daarmee hebben ondersteund bewezen.
De bijdragen van elk van de verdachten aan de tenlastegelegde misdrijven is substantieel
geweest. Daaruit volgt naar het oordeel van het hof dat sprake is geweest van
medeplegen.
Bedrijfscultuur RST
Namens de verdachte is – op gronden zoals nader vermeld in de pleitnota van de raadsman – bepleit dat er van oplichting van RST nooit sprake is geweest, omdat RST een bijzonder beloningssysteem had waaraan de verdachten instrumenteel waren. Hierdoor vervalt de wederrechtelijkheid.
Het hof overweegt te dien aanzien als volgt. Het oordeel van het hof heeft als uitgangspunt de aan de verdachte tenlastegelegde feiten. Het gestelde handelen van [naam algemeen directeur] en de gestelde bedrijfscultuur van RST disculperen [naam verdachte] en [naam medeverdachte 1] niet. Voor zover er een bedrijfscultuur is geweest zoals door de verdediging geschetst, hebben [naam verdachte] , [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] zich hiermee kennelijk vereenzelvigd en hebben zij zichzelf in elke geval verrijkt ten koste van RST . Dit heeft zelfs geleid tot een eigen opzet die lost staat van de gestelde bedrijfscultuur binnen RST . Daarbij kan overigens een corrumperende en criminele bedrijfscultuur nimmer een verontschuldiging zijn voor het zelf begaan van strafbare feiten.
Voor [naam verdachte] geldt bovendien dat hij nieuw was bij het bedrijf. Hij kende de cultuur
binnen het bedrijf nog niet op het moment dat hij, zo stelt hij, een opdracht kon aanvaarden
waar als afspraak tegenover stond dat van de gefactureerde bedragen maandelijks een deel
cash zou worden uitbetaald aan [naam algemeen directeur] en anderen. Reeds op dat moment had [naam verdachte]
zich kunnen terugtrekken en hij had dat ook behoren te doen. Er is niets gebleken van enige
dwang of noodzaak voor [naam verdachte] om deze evident ontoelaatbare afspraak te maken. Het
enige wat [naam verdachte] in dit kader heeft opgemerkt, op zitting, is: `als ik mijn geld maar krijg'.
[naam verdachte] , [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] hadden, mede gelet op de frequentie van de hier gebleken
valse facturering en daarmee gemoeide hoge geldbedragen, kunnen en moeten inzien dat hun handelwijze volstrekt ontoelaatbaar was en dat mogelijk anderen binnen RST en in ieder geval haar aandeelhouder er niet mee zouden instemmen dat aan RST kosten in rekening zouden worden gebracht waar geen prestatie tegenover stond of een prestatie die in het geheel niets met de bedrijfsvoering van RST te maken had. Dat [naam algemeen directeur] als statutair directeur hier volgens de verdediging toestemming voor heeft gegeven en er zelfs aan meedeed, doet daar niets aan af.
Het verweer dat geen sprake is van wederrechtelijkheid, wordt op deze gronden verworpen.
Het hof komt derhalve tot de hierna volgende bewezenverklaringen.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 primair en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1. hij
op één of meer tijdstip(pen) gelegeninof omstreeksde periode van 1 augustus 2014 tot en met 31 oktober 2015
te Rotterdam, in elk geval (elders)in Nederland,
tezamen en in vereniging met (een)ander(en),althans alleen,
meermalen, althans eenmaal,
(telkens) opzettelijk
gebruik heeft gemaakt van (een)valseen/of vervalstefactu(u)r(en)gericht aan Rotterdam Short Sea Terminal B.V. (hierna RST ), te weten:
TOS
1. factuur [factuurnummer 1] van [naam bedrijf 1] gedateerd 11-08-2014 [DOC-025];
2. factuur [factuurnummer 2] van [naam bedrijf 2] . gedateerd 26-01-2015 [DOC-026 p.4/9]; en/of
Techniek
3. factuur [factuurnummer 3] van [naam bedrijf 1] gedateerd 17-11-2014 [DOC-196, p.5];
4. factuur [factuurnummer 4] van [naam bedrijf 2] gedateerd 26-01-2015 [DOC-196, p.44];en/of
ADO
5. factuur [factuurnummer 5] van [naam bedrijf 2] gedateerd 26-01-2015 [DOC-219, p.17];
6. factuur [factuurnummer 6] van [naam bedrijf 2] . gedateerd 12-10-2015 [DOC-219, p.16]; en/of
Hospitality
7. factuur [factuurnummer 7] van [naam bedrijf 1] gedateerd 12-11-2014 [DOC-180, p.1];en/of
Fiscaal Advies
8. factuur [factuurnummer 8] van [naam bedrijf 1] gedateerd 27-10-2014 [DOC-108];
9. factuur [factuurnummer 9] van [naam bedrijf 2] . gedateerd 30-06-2015 [DOC-118];en/of
[naam winkel]
10. factuur [factuurnummer 10] van [naam bedrijf 1] gedateerd 29-10-2014 [DOC-085];
11. factuur [factuurnummer 11] van [naam bedrijf 2] . gedateerd 30-06-2015 [DOC-091]; en/of
Sponsoring
12. factuur [factuurnummer 12] van [naam bedrijf 1] gedateerd 27-10-2014 [DOC-184, p.3];
13. factuur [factuurnummer 13] van [naam bedrijf 2] . gedateerd 08-04-2015 [DOC-184, p.6];
- ( elk) zijnde (een)geschrift(en) dat/die bestemdwas/waren om tot bewijs van enig feit te dienen –
als ware(n) het/deze echt en onvervalst,endan wel dit/deze geschrift(en)heeft afgeleverd en/ofvoorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, en/ofzijn mededader(s)wist(en)of redelijkerwijs moest(en)vermoeden datdit/deze geschrift(en)bestemdwas/waren voor gebruik als ware(n) die/deze echt en onvervalst,
bestaande die valsheid of vervalsing(telkens) hierin dat in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven- in/opdat/die geschrift(en)de levering aan RST van de op die factu(u)r(en)voornoemd vermelde goederen of diensten was vermeld tegen de op die factu(u)r(en)vermelde bedrag(en)/prijs, zulks terwijl in werkelijkheid (telkens) geen en/of minder levering(en) aan RSTheeft/hebben plaatsgevonden en/of, geen en/of minder diensten waren verricht door de/hetop die factu(u)r(en)vermelde bedrijven/bedrijfen/of tegen de op die factu(u)r(en)vermelde bedrag(en)/prijs,
en
bestaande dat gebruikmaken en/ofafleveren (telkens) hierin dat hij, verdachte, en/ofzijn mededader(s)die factu(u)r(en)aan ((een) medewerker(s) van de Financiële Administratie van) RST en/of [naam medeverdachte 1] en/of [naam medeverdachte 2]heeft/hebben toegezonden en/of ter hand gesteld, en/althans doen toekomen en/of doen ter hand stellen;
2. hij
op één of meer tijdstip(pen) gelegeninof omstreeksde periode van 1 september 2013 tot en met 31 maart 2016
te Rotterdam, Den Haag, Almere en/of Oostvoorne, althans (elders)in Nederland,
tezamen en in vereniging met (een)ander(en),althans alleen,
meermalen, althans eenmaal,
(telkens) met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door één of meerlistige kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels,
Rotterdam Short Sea Terminal B.V. (hierna: RST ) (telkens) heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten een totaalbedrag van (circa) afgerond EUR 2.625.000,-, althans enig(e)geldbedrag(en),
hebbende hij, verdachte, en/ofzijn mededader(s)met vorenomschreven oogmerk -zakelijk weergegeven- valselijk, listiglijk, bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid (telkens)
- één of meerfactu(u)r(en)ten name van [naam bedrijf 1] , [naam bedrijf 2] en/of [naam bedrijf 2] . opgemaakt en/althans laten opmaken in het kader van:
TOSvoor een totaalbedrag van (circa) EUR 284.079,- (als opgenomen in AMB-030, dossierpagina's 000317-000318);
Techniekvoor een totaalbedrag van (circa) EUR 1.389.238,- (als opgenomen in AMB-028 en DOC-196, dossierpagina 000258 resp. 002587);
ADO skyboxvoor een totaalbedrag van (circa) EUR419.392,-
Hospitalityvoor een totaalbedrag van (circa) EUR 96.800,- (als opgenomen in AMB-026, dossierpagina 000239);
Fiscaal adviesvoor een totaalbedrag van (circa) EUR 149.423,- (als opgenomen in AMB-022, dossierpagina 000204);
[naam winkel] Incentivevoor een totaalbedrag van (circa) EUR 181.197,50 (als opgenomen in AMB-019, dossierpagina 000186);
Sponsoringvoor een totaalbedrag van (circa) EUR 96.297,- (als opgenomen in AMB-027, dossierpagina 000247);
en/of
op die factu(u)r(en)(al dan niet gedeeltelijk) fictieve leveringen van goederen en/of diensten, en daarop gebaseerde factuurbedragen vermeld en/althans laten vermelden;
die factu(u)r(en)aan RST ter attentie van [naam medeverdachte 1] toegezonden en/of doen toekomen, en/althans aan [naam medeverdachte 2] overhandigd;
die factu(u)r(en)voor betaling gecontroleerd en/ofgoedgekeurd, en vervolgens aan de afdeling Financiële Administratie van RST doorgestuurd;
waardoor die RST (telkens) werd bewogen tot bovenomschreven afgifte(n);
3. hij
op een of meerdere tijdstip(pen) gelegeninof omstreeksde periode van 1 december 2013 tot en met 6 oktober 2016
te Oostvoorne, gemeente Westvoorne, en/of Rotterdam, althans (elders)in Nederland, tezamen en in vereniging meteen ander ofanderen,althans alleen,
meermalen, althans eenmaal,
a. (telkens) één of meer voorwerp(en), te weten een totaalbedrag van (circa) EUR 128.200,-, althans enig(e)geldbedrag(en),
heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/ofheeft overgedragen en/of omgezet, en/of van genoemde voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt,
terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf,
terwijl hij, verdachte, en/ofzijn mededader(s)van het plegen van dat feit een gewoonteheeft/hebben gemaakt,
en/of
b. (telkens) van één of meer voorwerp(en), te weten een totaalbedrag van (circa) EUR 128.200,-, althans van enig(e)geldbedrag(en),
de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding, de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, en/ofheeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op genoemde voorwerpen was/waren,en/of heeft verborgen en/of verhuld wie genoemde voorwerpen voorhanden heeft/hebben gehad,
terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf,
terwijl hij, verdachte, en/ofzijn mededader(s)van het plegen van dat feit een gewoonteheeft/hebben gemaakt.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, en opzettelijk een geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, afleveren en voorhanden hebben, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst.
Het onder 2 primair bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van oplichting.
Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van het plegen van witwassen een gewoonte maken.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich samen met zijn mededaders gedurende een periode van ruim 2,5 jaar schuldig gemaakt het opzettelijk gebruik maken van valse facturen, zoals in de bewezenverklaring nader omschreven. Aldus handelend hebben zij het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer moet kunnen worden gesteld in de echtheid van dergelijke documenten ernstig beschaamd. Door het inbrengen van deze facturen in de administratie van RST en het (laten) goedkeuren en uitbetalen van deze valse facturen op bankrekeningen waarover zij de beschikking hadden hebben de verdachte en zijn medeverdachten zich tevens schuldig gemaakt aan oplichting van RST . Vervolgens hebben de verdachte en zijn medeverdachten de opbrengsten van voornoemde praktijken witgewassen, zoals in de bewezenverklaring nader omschreven. Door opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie te onttrekken en daaraan een schijnbaar legale herkomst te verschaffen wordt de integriteit van het financieel en economisch verkeer aangetast.
De verdachte was als interim projectmanager (in verband met het TOS-project) werkzaam voor RST . Door valse facturen aan te bieden heeft hij eraan meegewerkt dat een substantieel deel van de RST -administratie bestond uit valse stukken. Dat moet kunnen worden vertrouwd op de juistheid van omschrijvingen op facturen werd ten behoeve van puur eigen gewin volkomen genegeerd. Verdachte en zijn medeverdachten hebben daardoor tenminste meegewerkt aan het in stand houden van een, zoals zij het zelf noemen, “graaicultuur” binnen RST . Door aldus te handelen hebben de verdachte en zijn medeverdachten RST groot financieel nadeel toegebracht en ernstig misbruik gemaakt van het vertrouwen dat RST in hen stelde. Ter zitting heeft de verdachte nauwelijks inzicht getoond in het laakbare van zijn handelen.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 2 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.
Het hof is van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 33 maanden in beginsel een passende en geboden reactie vormt. Het hof stelt verder vast dat sprake is van schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM bij de behandeling van het op 7 juli 2020 ingestelde hoger beroep, waarop nu eerst bij arrest van 1 juli 2026 uitspraak wordt gedaan. Gelet op deze overschrijding van de redelijke termijn zal het hof in plaats van de hiervoor overwogen gevangenisstraf een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden opleggen.
Oplegging van een taakstraf – zoals bepleit door de raadsman – doet naar het oordeel van het hof volstrekt onvoldoende recht aan de ernst van het bewezenverklaarde.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Beslag
De na te melden in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, met betrekking tot welke het onder 1 tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan, dienen – overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal - te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 36b, 36c, 47, 57, 63, 225, 326 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 primair en 3 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van30 (dertig) maanden.
Beveelt de onttrekking aan het verkeervan de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- facturen (van sieraden).
Dit arrest is gewezen door mr. R. van der Hoeven, als voorzitter,
mr. A.M.H. van der Poort-Schoenmakers en mr. A. de Lange, leden,
in bijzijn van de griffier mr. J.C.A. [naam algemeen directeur] .
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 1 juli 2026.
Mr. A. de Lange is buiten staat dit arrest te ondertekenen.
Voor de leesbaarheid van dit vonnis zal het hof bij verwijzingen naar stukken uit het dossier zoveel mogelijk de door de FIOD gehanteerde indeling en nummering (AMB-001, DOC-001 etc.) hanteren. Waar in dit vonnis wordt verwezen naar overzichtsprocessen-verbaal (OPV), ambtshandelingen (AMB), verhoren van verdachten (V) en verhoren van getuigen (G), betreft het steeds processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde medewerkers van de FIOD, als bijlage opgenomen bij het proces-verbaal van de Belastingdienst/FIOD, onderzoek Big Park, nummer [nummer] en welke overigens voldoen aan de daaraan bij wet gestelde eisen. Waar wordt verwezen naar documenten, zijnde mails, overzichten, overeenkomsten, Kamer van Koophandel uittreksels e.d., wordt steeds bedoeld te verwijzen naar een ander geschrift als bedoeld in artikel 344 lid 1 onder 5 Sv. Tenzij anders aangegeven, zijn verwijzingen naar paginanummers verwijzingen naar de nummers van het doorlopend genummerde procesdossier.
OPV-ZD p. 4.
AMB-032 p. 328
AMB-032 p. 327 en 328
AMB-032 p. 331
Proces-verbaal zitting 18 juni 2020
AMB-030 p. 309, DOC-025 p. 1578.
DOC-025 p. 1581
DOC-025 p. 1595.
DOC-002 p. 1376
DOC-025 p. 1597
DOC-169 p. 9 en 10.
AMB-030 p. 313 en 314, DOC-026 p. 1603.
Dossier p. 343 + DOC-228 (afschrijvingen mbt Singapore en Bali); pv p. 12/13; V-009, p. 10
Proces-verbaal zitting 18 juni 2020.
DOC-002 p. 1379
AMB-028 p. 258 e.v., DOC-196 p. 2592.
AMB-028 p. 258 e.v., DOC-196 p. 2631.
DOC-169 p. 39 en 40.
Proces-verbaal zitting 18 juni 2020.
AMB-003, p. 27, dossier p. 103/104
AMB-028 p. 266 en 267, DOC-033 p. 1695.
AMB-029 p. 273 e.v., DOC-219 p. 2897.
DOC-169 p. 2422.
17 DOC-169 p. 2434.
AMB-029 p. 273 e.v., DOC-219 p. 2895.
AMB-029 p.287, G-002 p. 12 en G-003 p. 12 en 13.
AMB-026 p. 238 e.v., DOC-180 p. 2499.
DOC-180, p. 2499-2.504; AMB-026, p. 239
DOC-169 p. 2409 en 2410.
AMB-026, p. 242 en 243.
AMB-022 p. 203 e.v., DOC-108 p. 2072.
AMB-022 p. 203 e.v., DOC-118 p. 2219.
AMB-022, p. 206, 207 en 209.
Proces-verbaal zitting 18 juni 2020.
AMB-019 p. 184 e.v., DOC-085 p. 2007.
AMB-019 p. 184 e.v., DOC-091 p. 2017.
AMB-019 p. 184 e.v., G-008.
Proces-verbaal zitting 18 juni 2020.
AMB-027 p. 246 e.v., DOC-184 p. 2525.
AMB-027 p. 246 e.v., DOC-184 p. 2528.
AMB-027 p. 248 e.v., G-002.
AMB-027 p. 252 e.v.
Proces-verbaal 18 juni 2020
AMB-025 p. 235, DOC-212 p. 2802 e.v., DOC-200 p. 2693 e.v., DOC-219 p. 2877 e.v., DOC-180 p. 2501 t/m 2503, DOC-180A p. 2073 t/m DOC-123A p. 2164, DOC097 p. 2040 t/m DOC-103 p. 2060 en DOC-186 p. 2537 t/m 2545.
Proces-verbaal zitting 18 juni 2020.
OPV-ZD p. 19.
DOC-164 p. 2335.
AMB-034 p. 340, V-007 p. 678, V-008 p. 684.
AMB-010 p. 145 en AMB-027 p. 249.
AMB-034 p. 339.
DOC-164 p. 2335.
OPV-ZD p. 38, AMB-034 p. 341DOC-002 p. 1407 en p. 1419
DOC-164 p. 2342.
Proces-verbaal zitting 18 juni 2020.
DOC-169 p. 2408.
DOC-169 p. 2409.
DOC-169 p. 2392 t/m 2393, p. 2395, p. 2408 t/m 2410, p. 2422 t/m 2424 en p. 2431.
AMB-032 p. 331.
DOC-152 p. 2262 e.v.
G002-01 p. 718.