[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-ghdha-2026-565":3,"decision-more-ecli-nl-ghdha-2026-565":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"936","ECLI:NL:GHDHA:2026:565","",58,"Den Haag","den-haag","2026-04-21T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nCiviel recht\n\nTeam Handel\n\nZaaknummer hof : 200.362.158\u002F01\n\nZaak- en rolnummer rechtbank : C\u002F09\u002F691230 \u002F KG ZA 25-886\n\nArrest van 21 april 2026 in kort geding\n\nin de zaak van\n\n1. [appellant 1] ,\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\n2. [appellant 2],\n\nwonend in [woonplaats] ,3. [appellant 3] ,\n\nwonend te [woonplaats] ,4. [appellant 4] ,\n\nwonend te [woonplaats] ,5. Constans Letselschade B.V.\n\nGevestigd te Eext ,\n\nappellanten,\n\nadvocaat: mr. H.C. Bijleveld, kantoorhoudend in Amsterdam,\n\ntegen\n\nNationale Nederland Schadeverzekering Maatschappij B.V.,\n\ngevestigd in Den Haag,\n\ngeïntimeerde,\n\nadvocaat: mr. A.N.L. de Hoogh, kantoorhoudend in 's-Gravenhage.\n\nHet hof noemt appellanten sub 1 tot en met 4 hierna afzonderlijk respectievelijk ‘ [appellant 1] ’, ‘ [appellant 2] ’, ‘ [appellant 3] ’ en ‘ [appellant 4] ’. Gezamenlijk worden zij hierna ‘de benadeelden’ genoemd. Appellant sub 5 wordt hierna aangeduid als ‘ Constans ’. Appellanten gezamenlijk duidt het hof aan als Constans c.s.\n\nGeïntimeerde wordt hierna ‘NN’ genoemd.\n\n1. De zaak in het kort1.1. De benadeelden zijn letselschadeslachtoffers. NN is de verzekeraar van de partijen die voor die letselschades aansprakelijk zijn. De benadeelden lieten aanvankelijk hun belangen behartigen door Columbus Groningen. NN heeft de samenwerking met Columbus Groningen verbroken vanwege door NN gestelde frauduleuze praktijken bij Columbus Groningen. Vervolgens zijn de benadeelden overgestapt naar Constans . Volgens NN is Constans dezelfde partij als Columbus Groningen. Om die reden weigert zij ook samenwerking met Constans .1.2. Constans en de benadeelden vorderen in dit geding dat NN Constans als belangenbehartiger accepteert.1.3. Het hof is van oordeel dat NN ten onrechte weigert om Constans als belangenbehartiger te accepteren. Constans is niet dezelfde partij als Columbus Groningen en de verwijten aan het adres van Constans op grond waarvan NN samenwerking weigert zijn niet terecht.2. Procesverloop in hoger beroep2.1. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:\n\nde dagvaarding van 1 december 2025, met grieven en producties, waarmee Constans c.s. in hoger beroep zijn gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 20 november 2025;\n\nde memorie van antwoord van NN, met producties;\n\nde bijlagen 23 tot en met 31 die Constans c.s. ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd.2.2. Op 9 maart 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd.3. Feitelijke achtergrondIntroductie partijen in deze procedure3.1. De benadeelden zijn slachtoffers van een ongeval waarbij zij letselschade hebben opgelopen. NN is de verzekeraar van de partijen die voor de letselschade aansprakelijk zijn. NN heeft de aansprakelijkheid in deze letselschadezaken erkend, waarna minnelijke schaderegelingstrajecten zijn gestart.3.2. \n [appellant 1] , [appellant 2] en [appellant 3] worden in het kader van hun minnelijke schaderegelingstraject bijgestaan door een belangenbehartiger, de heer [belangenbehartiger 1] (hierna: [belangenbehartiger 1] ). [appellant 4] wordt bijgestaan door de heer [belangenbehartiger 2] (hierna: [belangenbehartiger 2] ).3.3. \n [belangenbehartiger 1] en [belangenbehartiger 2] werken op dit moment bij Constans . Verder werken daar [naam 1] (hierna: [naam 1] ) en [naam 2] (hierna: [naam 2] ).3.4. \n\nConstans is een op 24 januari 2025 opgericht letselschadebureau dat zich bezighoudt met het begeleiden, adviseren en behartigen van de belangen van slachtoffers van letselschade. Enig aandeelhouder en bestuurder van Constans op het moment van oprichting was Magna Lignum Holding B.V. (hierna: Magna Lignum ). [naam 3] (hierna: [naam 3] ) is enig aandeelhouder en bestuurder van Magna Lignum . Met ingang van 1 februari 2025 is [belangenbehartiger 1] bestuurder van Constans .\n\nColumbus Groningen3.5. \n [belangenbehartiger 1] , [belangenbehartiger 2] , [naam 1] en [naam 2] waren voorheen als schaderegelaars werkzaam bij letselschadebureau Columbus Letselschade Groningen B.V. (hierna: Columbus Groningen). Columbus Groningen is op 1 maart 2025 ontbonden.3.6. Enig aandeelhouder van het in 2011 opgerichte Columbus Groningen was Columbus Beheer B.V. (hierna: Columbus Beheer). Tot 17 september 2024 was Columbus Holding B.V. (hierna: Columbus Holding) enig aandeelhouder en bestuurder bij Columbus Beheer. Enig aandeelhouder van Columbus Holding is Stichting Administratiekantoor Cipressa (hierna: Cipressa). [naam 4] (hierna: [naam 4] ) is zowel bestuurder van Columbus Holding als van Cipressa. [naam 4] werkte ook als schaderegelaar bij Columbus Groningen.3.7. Magna Lignum was vanaf 17 september 2024 enig aandeelhouder van Columbus Beheer. [naam 3] was sinds die datum bestuurder van Columbus Beheer en daarmee tevens indirect bestuurder van Columbus Groningen.3.8. \n\nColumbus Groningen behartigde de belangen van haar cliënten bij diverse aansprakelijkheidsverzekeraars, waaronder Allianz Benelux N.V. (hierna: Allianz), Unigarant N.V. (hierna: Unigarant), Achmea Schadeverzekering N.V. (hierna: Achmea), ASR Nederland (hierna: ASR) en NN.\n\nMaatregelen tegen Columbus Groningen en [naam 4]3.9. Op 17 november 2023 heeft Allianz Columbus Groningen en [naam 4] met ingang van 17 augustus 2023 voor de duur van drie jaar geregistreerd in haar Interne Verwijzingsregister (IVR) en het Extern Verwijzingsregister (EVR). Allianz is daartoe overgegaan nadat haar uit een door een van haar klanten verstrekte geluidsopname was gebleken dat Columbus Groningen zich schuldig maakte aan het aanpassen van medische informatie met als doel het verkrijgen van onterechte schadevergoeding. Bij vonnis van 6 januari 2025 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam de vordering van Columbus Groningen en [naam 4] om de EVR-registraties ongedaan te maken dan wel de duur daarvan te beperken, afgewezen. [naam 4] heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Bij arrest van 16 september 2025 heeft het hof Den Haag het vonnis van 6 januari 2025 bekrachtigd.3.10. Unigarant heeft Columbus Groningen op 12 december 2023 bericht dat zij haar niet langer als belangenbehartiger in letselschadedossiers aanvaardt. Op 28 december 2023 heeft Unigarant bericht dat zij Columbus Groningen en [naam 4] voor de duur van acht jaar in het Incidentenregister en het EVR zal registreren. Die registraties hebben omstreeks 24 januari 2024 plaatsgevonden. Bij arrest in kort geding van 15 oktober 2024 heeft het hof Arnhem-Leeuwarden Unigarant veroordeeld om de registraties in het EVR ongedaan te maken. De vordering die ertoe strekte om Unigarant te veroordelen om de behandeling van letselschadezaken met Columbus Groningen en [naam 4] te hervatten, is afgewezen, omdat Unigarant naar het oordeel van het hof goede redenen had om haar samenwerking met hen te beëindigen.3.11. NN heeft Columbus Groningen en [naam 4] met ingang van 5 juli 2024 voor de duur van vier jaar geregistreerd in het EVR. Eveneens op die datum heeft NN Columbus Groningen bericht dat zij tot 24 augustus 2031 niet zal samenwerken met Columbus Groningen, eventuele rechtsopvolgers van Columbus Groningen en andere rechtspersonen waaraan [naam 4] is gelieerd. In haar brief van 5 juli 2024, waarin zij haar beslissing heeft medegedeeld, onderbouwt NN deze maatregelen door erop te wijzen dat a) is gebleken dat Columbus Groningen schadestaten niet van een volledige onderbouwing voorziet, b) Columbus Groningen zich niet toetsbaar en transparant opstelt, c) Columbus Groningen niet beschikt over het Nationaal Keurmerk Letselschade (NKL) en d) Columbus Groningen een excessief hoog uurtarief hanteert. Columbus Groningen en [naam 4] zijn naar aanleiding van deze EVR-registraties een kort geding tegen NN gestart. Dit kort geding hebben zij kort voor de zitting ingetrokken. [naam 4] heeft naar aanleiding van zijn registratie in EVR een klacht ingediend bij het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (Kifid).3.12. NN heeft de benadeelden die door Constans werden bijgestaan bij brief van 24 juli 2024 bericht dat zij de samenwerking met Constans heeft beëindigd. In die brief heeft NN deze benadeelden geadviseerd een andere belangenbehartiger in te schakelen. Daarbij heeft NN erop gewezen dat deze benadeelden hun schade ook zelf met NN kunnen regelen.3.13. Achmea heeft haar samenwerking met Columbus Groningen op of omstreeks 31 oktober 2024 beëindigd, omdat zij geen vertrouwen meer had in de werkwijze, eerlijkheid en deskundigheid van Columbus Groningen.3.14. ASR heeft haar relatie met Columbus Groningen op 18 november 2024 beëindigd. ASR geeft als reden voor die beëindiging dat zij er niet op kan vertrouwen dat Columbus Groningen benadeelden op deskundige en integere wijze zal bijstaan.3.15. \n\n [belangenbehartiger 1] , [belangenbehartiger 2] , [naam 1] en [naam 2] hebben de Stichting Nederlands Instituut Van Register Experts (NIVRE) in november 2024 verzocht hen te registreren als aspirant register-expert. Het NIVRE heeft deze verzoeken in februari 2025 afgewezen. [belangenbehartiger 1] , [belangenbehartiger 2] , [naam 1] en [naam 2] hebben tegen deze afwijzing bezwaar gemaakt, waarbij [belangenbehartiger 1] en [belangenbehartiger 2] hun verzoek hebben gewijzigd, in die zin dat zij hebben verzocht om registratie als kandidaat register-expert. Nadat het NIVRE hun bezwaar ongegrond had verklaard, hebben [belangenbehartiger 1] , [belangenbehartiger 2] , [naam 1] en [naam 2] het NIVRE in kort geding gedagvaard. De voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam heeft hun vordering bij vonnis van 9 juli 2025 afgewezen. Daarbij heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat het NIVRE zich met succes kan beroepen op artikel 6.1 aanhef en onder c van haar Huishoudelijk Reglement, waarin is bepaald dat de in te schrijven persoon naar het oordeel van het bestuur in de uitoefening van zijn beroep te goeder naam en faam bekend dient te staan. Daartoe heeft de voorzieningenrechter onder meer als volgt overwogen:\n\n‘1.9. Dat Columbus en [naam 4] niet te goeder naam en faam bekend staan, volgt uit de registratie ut het EVR. Voor [belangenbehartiger 1] , [belangenbehartiger 2] , [naam 1] en [naam 2] geldt dat zij hun recente relevante werkervaring vrijwel volledig bij Columbus hebben opgedaan. [naam 4] bepaalde het beleid, in ieder geval voor wat betreft het bij opdrachtgevers (en indirect bij aansprakelijkheidsverzekeraars) in rekening te brengen kosten. Die kosten waren relatief hoog. Ook voor werkzaamheden die waren verricht door medewerkers met weinig ervaring werd een hoger dan marktconform tarief in rekening gebracht. Dat eisers mogelijk geen invloed hadden op dat beleid neemt niet weg dat zij onder de naam van Columbus actief waren en dat het door Columbus gevoerde beleid nog steeds op eisers afstraalt. De omstandigheid dat eisers begin dit jaar bij Columbus zijn vertrokken en voor een andere organisatie, Constans , zijn gaan werken, maakt niet dat het NIVRE op dit moment gehouden is om eisers als kandidaat register-experts in te schrijven Hoewel voorshands aannemelijk is dat Constans geen één op-één voortzetting van Columbus betreft en de intenties van eisers goed lijken te zijn doet de situatie dat eisers te goeder naam en faam bekend staan zich nu (nog) niet voor. Eisers hebben tot begin dit jaar bij Columbus gewerkt en zijn daardoor nog niet voldoende in de gelegenheid geweest om hun intenties waar te maken en daarmee ook een goede naam te verwerven Tegen die achtergrond is het naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet onbegrijpelijk dat het bestuur van het NIVRE van mening is dat eisers nu (nog) niet te goeder naam en faam bekend staan. NIVRE handelt in de gegeven omstandigheden niet onrechtmatig jegens eisers door zich op die afwijzingsgrond te beroepen.’3.16. \n\nBij brief van 7 maart 2025 heeft NN aan [naam 3] bericht dat zij tot 24 augustus 2031 niet met Constans zal samenwerken. In die brief valt onder meer het volgende te lezen:\n\n‘Zoals u bekend, werken wij tot 24 augustus 2031 niet langer samen met (een rechtsopvolger van) Columbus. Wij zien Constans als een rechtsopvolger van Columbus. Constans heeft namelijk dezelfde aandeelhouder en dezelfde bestuurder als Columbus. Ook de belangenbehartigers die aan Constans zijn verbonden (lees: de heren [belangenbehartiger 1] , [belangenbehartiger 2] , [naam 1] en [naam 2] ) zijn allen aan Columbus gelieerd (geweest). Verder is relevant dat u Constans uitsluitend hebt opgericht omdat de naam Columbus in uw woorden “al te veel besmet is,” zo volgt uit het nieuwsbericht van Letselschade.nu van 21 februari 2025.\n\nReden waarom u, zo volgt ook uit dat nieuwsbericht, een nieuwe onderneming hebt opgericht aan wie de Columbus-dossiers konden worden overgeheveld. Constans is daarmee de opvolger van Columbus, wat ook blijkt uit het feit dat Constans geen nieuwe cliënten heeft, maar louter oud-cliënten van Columbus. Dat heeft tot gevolg dat wij tot 24 augustus 2031 niet met Constans zullen samenwerken.\n\nMaar er zijn meer redenen waarom wij tot voornoemde datum niet met Constans zullen samenwerken. Wij hebben er geen vertrouwen in dat Constans een integere en betrouwbare handelwijze voorstaat. Dat standpunt is gestoeld op onze ervaringen met u en Columbus in het recente verleden Het was namelijk onder uw leiding en zeggenschap dat Columbus in december 2024 een kortgedingprocedure tegen ons startte in verband met de opname van Columbus in het Extern Verwijzingsregister. En het was onder uw leiding en zeggenschap dat Columbus in die kortgedingprocedure haar kwalijke handelwijze met hand en tand heeft verdedigd en goed praatte. Weliswaar werd het kortgeding vlak vóór de zitting van 16 januari 2025 ingetrokken, maar die intrekking hield louter verband met (proces)tactische redenen. Columbus heeft onder uw leiding en zeggenschap geen enkele zelfreflectie getoond, noch is er op enige wijze afstand genomen van het kwalijke handelen dat wij Columbus verwijten. Die constatering is voor ons van groot belang; deze zegt namelijk voldoende over uw moraliteit in de wijze van afwikkeling van personenschade Nu u van beide entiteiten de aandeelhouder en bestuurder bent, zien wij niet in waarom Constans in tegenstelling tot Columbus wel een integere en betrouwbare handelwijze zou voorstaan Voor ons speelt daarbij ook mee dat er aan Constans louter belangenbehartigers zijn verbonden die jarenlang voor Columbus hebben gewerkt en die Columbus ook na 5 juli 2024 nog trouw zijn gebleven. Dit terwijl zij ook de keuze hadden om Columbus te verlaten en daarmee om van (de handelwijze van) Columbus afstand te nemen. Dat deden zij echter niet en ook dat draagt niet bij aan de overtuiging dat Constans een partij is met wie wij graag samenwerken.\n\nWeer een andere reden waarom wij niet met Constans zullen samenwerken, is omdat wij er geen vertrouwen in hebben dat Constans deskundig is. De aan Constans verbonden personen hebben namelijk geen aantoonbare opleiding op het gebied van de personenschade genoten. Zij zijn ook geen lid van het Nederlands Instituut van Register Experts (NIVRE) of het Nederlands\n\nInstituut van Schaderegelaars (NIS). Constans is verder ook niet aangesloten bij het Nederlands Keurmerk Letselschade (NKL) of de Nederlandse Letselschade Experts (NLE). De ervaringen met de belangenbehartigers van Columbus hebben bovendien ook uitgewezen dat deze belangenbehartigers niet over de vereiste deskundigheid beschikken. Daar komt nog bij dat Constans een uurtarief hanteert van EUR 225,00 (exclusief BTW) wat voor een ongebonden en niet deskundige belangenbehartiger bovenmatig is. Ook dit vormt voor ons reden om niet met Constans te zullen samenwerken.’3.17. Naar aanleiding van de brief van 7 maart 2025 heeft [belangenbehartiger 1] , bij e-mail van 13 maart 2025, mede uit naam van [naam 3] NN verzocht om met hem en [naam 3] in gesprek te gaan en in afwachting daarvan de samenwerking met Constans voort te zetten. Daarbij heeft [belangenbehartiger 1] onder meer benadrukt dat Constans zich distantieert van het door [naam 4] gevoerde beleid bij Columbus, voor welk beleid [naam 3] volgens hem niet verantwoordelijk is geweest. Daarnaast heeft [belangenbehartiger 1] erop gewezen dat de concrete verwijten op grond waarvan NN de samenwerking met Columbus heeft opgezegd uitsluitend betrekking hebben op dossiers waarbij [naam 4] betrokken is geweest. [belangenbehartiger 1] heeft verder in deze brief erkend dat er in de praktijk van [naam 4] veel is misgegaan, maar daarbij heeft hij erop gewezen dat zijn eigen praktijk binnen Columbus Groningen los stond van de praktijk van [naam 4] en anders was ingericht. Ook heeft [belangenbehartiger 1] in deze brief – kort gezegd – toegelicht op welke wijze thans binnen Constans wordt gewerkt, op welke wijze kwaliteit, professionaliteit en integriteit worden en zullen worden geborgd en welke uurtarieven worden gehanteerd.3.18. NN heeft bij e-mail van 25 maart 2025 aan [belangenbehartiger 1] bericht dat zij er op basis van de e-mail van 13 maart 2025 nog niet van is overtuigd dat Constans een deskundige en integere partij is en dat zij om die reden geen aanleiding ziet om terug te komen op haar besluit om tot 24 augustus 2031 niet met Constans samen te werken. NN heeft er daarbij op gewezen dat zij bereid is haar standpunt te herzien als Constans vóór die datum kan aantonen dat zij wel een deskundige en integere partij is, bijvoorbeeld doordat haar medewerkers bij het NIVRE geregistreerd staan of aan haar het NKL is toegekend.3.19. Bij e-mail van 8 juli 2025 heeft [belangenbehartiger 1] NN onder toezending van een vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 30 juni 2025 en een rapport van 3 juli 2025 van een op 27 juni 2025 door mr. [naam 5] , verbonden aan Schaderecht Advocatuur (hierna: [naam 5] ), bij Constans uitgevoerde audit, verzocht om haar beslissing ten aanzien van Constans te heroverwegen. Het vonnis van 30 juni 2025 is gewezen in een door onder meer Constans tegen ASR gestart kort geding, waarin Constans vorderde dat ASR haar weer als belangenbehartiger zou accepteren. De voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland heeft die vordering in dat vonnis toegewezen.3.20. NN heeft bij e-mail van 24 juli 2025, in reactie op de e-mail van 8 juli 2025, aan [belangenbehartiger 1] bericht dat zij niet bereid is om haar beslissing te herzien. NN schreef dat zij zich niet gebonden acht aan het vonnis van 30 juni 2025 en het auditrapport van [naam 5] . Daarbij heeft NN bericht dat zij in haar overtuiging om niet met Constans en [belangenbehartiger 1] samen te werken wordt gesterkt door een recente ervaring met [belangenbehartiger 1] in een specifiek schaderegelingstraject (hierna: de zaak van mevrouw A).3.21. De advocaat van Constans en de benadeelden heeft NN op 2 september 2025 gesommeerd om de minnelijke schaderegelingstrajecten van de benadeelden voort te zetten met Constans als belangenbehartiger. NN heeft aan die sommatie geen gehoor gegeven.4. Procedure bij de rechtbank4.1. Constans en de benadeelden hebben NN gedagvaard en gevorderd dat NN, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, op straffe van een dwangsom wordt veroordeeld om a) uiterlijk de dag na het te wijzen vonnis Constans schriftelijk te informeren dat NN haar weer accepteert als belangenbehartiger en b) het minnelijke schaderegelingstraject in de zaken van de benadeelden voort te zetten, zulks met veroordeling van NN in de proceskosten.4.2. Daartoe voerden Constans en de benadeelden – samengevat – aan dat NN onrechtmatig jegens hen handelt. Volgens Constans weigert NN haar zonder goede reden als belangenbehartiger. Constans weerspreekt dat zij in juridische dan wel feitelijke zin kan worden beschouwd als rechtsopvolger of een voortzetting van Columbus Groningen. Columbus Groningen is volgens haar per 1 maart 2025 geliquideerd en [naam 3] heeft de aandelen in Columbus Beheer op 2 mei 2025 verkocht aan een derde. Daarnaast wijst Constans erop dat [naam 4] niet bij Constans is betrokken. [naam 4] handelt volgens Constans nog uitsluitend een aantal dossiers af vanuit Columbus Letselschade Heemstede B.V., voorheen een zustervennootschap van Columbus Groningen, waarvan de aandelen eveneens werden gehouden door Columbus Beheer. Verder licht Constans onder verwijzing naar haar – in haar beleving niet bovenmatige – uurtarieven, de inrichting van de werkzaamheden, haar algemene voorwaarden, de door haar medewerkers gevolgde opleidingen en haar aanvraag voor het NKL toe dat haar bedrijfsfilosofie en bedrijfsvoering geheel anders zijn dan die van Columbus Groningen. Meer in het bijzonder beroept Constans zich in dat verband op de bevindingen en conclusie van [naam 5] . [belangenbehartiger 1] en [belangenbehartiger 2] zijn volgens Constans niet onbetrouwbaar of incapabel gebleken. Zij hebben afstand genomen van de uitlatingen van [naam 4] in de Allianz-kwestie. De op 24 juli 2025 door NN aan het adres van [belangenbehartiger 1] gemaakte verwijten in de zaak van mevrouw A en de in conclusie van antwoord aan zijn adres gemaakte verwijten in een ander specifiek schaderegelingstraject (de zaak van mevrouw N) zijn volgens Constans evident onjuist en\u002F of tardief. Door hen als belangenbehartigers te weigeren legt NN volgens Constans aan [belangenbehartiger 1] en [belangenbehartiger 2] feitelijk een beroepsverbod op. Hierdoor worden [belangenbehartiger 1] en [belangenbehartiger 2] in hun broodwinning getroffen, temeer nu van de weigering van NN een precedentwerking kan uitgaan richting andere verzekeraars. De benadeelden stellen dat zij hun belangen in het kader van de afwikkeling van letselschadezaken uitsluitend door [belangenbehartiger 1] en [belangenbehartiger 2] willen laten behartigen. Doordat NN [belangenbehartiger 1] en [belangenbehartiger 2] zonder gegronde reden als belangenbehartigers weigert, doorkruist NN ter zake hun keuzevrijheid en ligt volgens de benadeelden hun minnelijke schaderegelingstraject stil. De benadeelden stellen dat zij hierdoor ernstig worden gedupeerd.4.3. NN heeft verweer gevoerd.4.4. De voorzieningenrechter heeft de vordering afgewezen en Constans en de benadeelden in de proceskosten veroordeeld. De voorzieningenrechter oordeelde kort samengevat dat Constans er op het moment van het vonnis nog onvoldoende blijk van had gegeven dat zij een betrouwbare belangenbehartiger is en dat schaderegelingsprocessen waarin zij als belangenbehartiger optreedt goed verlopen. Weliswaar kan niet worden aangenomen dat Constans en Columbus Groningen moeten worden vereenzelvigd, maar Constans is feitelijk wel te beschouwen als een voortzetting van Columbus Groningen. Niet alleen het ontbreken van het NKL, maar ook het feit dat de bij Constans werkzame schaderegelaars (nog) niet bij het NIVRE staan geregistreerd rechtvaardigt op dit moment de weigering van NN om Constans als letselschadebureau te accepteren.5. Vordering in hoger beroep5.1. Constans en de benadeelden vorderen NN te veroordelen om binnen twee dagen na de datum van het arrest het minnelijke schaderegelingstraject in de zaken van de benadeelden onverwijld voort te zetten met Constans als belangenbehartiger en Constans dienaangaande schriftelijk te informeren, op straffe van een dwangsom van € 10.000,- voor iedere dag dat NN daarmee in gebreke blijft. Constans en de benadeelden vorderen verder NN te veroordelen in de kosten van het geding in twee instanties.5.2. Kort gezegd zien de bezwaren van Constans en de benadeelden tegen het vonnis van de voorzieningenrechter op het volgende. De voorzieningenrechter heeft ten onrechte geoordeeld dat Constans er nog onvoldoende blijk van heeft gegeven dat zij een betrouwbare belangenbehartiger is. Voor de vraag of een belangenbehartiger door de verzekeraar mag worden geweigerd, gaat het er niet om of deze voldoende heeft aangetoond dat zij betrouwbaar is, maar juist of die belangenbehartiger (in dit geval Constans ) er blijk van heeft gegeven incompetent, onbetrouwbaar of te duur te zijn en dat is niet het geval (grieven 1, 7 en 9). Door de voorzieningenrechter is ook ten onrechte overwogen dat Constans feitelijk een voortzetting is van Columbus Groningen (grieven 2 en 3). De voorzieningenrechter heeft verder ten onrechte geoordeeld dat de stelling van Constans dat binnen Columbus Groningen alleen sprake is geweest van misstanden in de praktijk van [naam 4] en niet in de praktijk van de andere schadebehandelaars, in het beperkte kader van het kort geding niet op juistheid kan worden getoetst (grief 4). De voorzieningenrechter verwijt [naam 3] ten onrechte dat hij zich na de overname van Columbus Groningen niet direct van Columbus Groningen heeft gedistantieerd (grief 5). De voorzieningenrechter heeft ten onrechte geoordeeld dat niet is voldaan aan een aantal eisen uit het NKL (grief 6) en miskent dat juist de weigering door NN om Constans als belangenbehartiger te accepteren een groot probleem is, ook tegenover het NIVRE (grief 8).5.3. NN heeft ook in hoger beroep verweer gevoerd.6. Beoordeling in hoger beroep6.1. \n\nHet geschil is in hoger beroep in volle omvang voorgelegd. Het hof zal de grieven hierna gezamenlijk behandelen.\n\nSpoedeisend belang en toetsingskader6.2. De voorzieningenrechter heeft in rechtsoverweging 4.2 overwogen dat zowel Constans c.s. een spoedeisend belang heeft bij haar vordering. Constans c.s. heeft voldoende toegelicht dat zij ook nu nog een spoedeisend belang heeft bij haar vordering. NN heeft dat ook niet weersproken.6.3. \n\nIn dit kort geding moet het hof beoordelen of de vorderingen in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de gevorderde voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Verder geldt als uitgangspunt dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.\n\nConstans is geen voortzetting van Columbus Groningen6.4. Tussen partijen is niet in geschil dat bij Columbus Groningen tot aan haar ontbinding in ieder geval een deel van de letselschade-dossiers op niet-integere wijze behandeld werden. Constans betoogt dan ook niet dat NN ten onrechte heeft geweigerd zaken te doen met Columbus Groningen. Volgens NN is Constans juridisch of feitelijk een voortzetting van Columbus Groningen, en maakt dat al dat zij ook kan weigeren zaken te doen met Constans . Constans c.s. bestrijdt dat. Volgens haar is Constans is een nieuw opgerichte vennootschap die geen enkele band heeft met Columbus Groningen. Verder is van belang dat [naam 4] – de gezichtsbepalende persoon binnen Columbus Groningen– geen deel uitmaakt van Constans . De onderneming, de werkwijze, het management, de tarieven, het bestuur en de visie van Constans zijn wezenlijk anders dan bij Columbus Groningen. Zo heeft Constans de inrichting en werkwijze in haar letselschadepraktijk ingericht conform de voorschriften van het Nationaal Keurmerk Letselschade (hierna: NKL) en heeft zij deze laten toetsen door middel van een audit. Constans en de benadeelden zijn geen partij (geweest) bij de discussies tussen Columbus Groningen en [naam 4] enerzijds en NN anderzijds. Alle ‘pijnpunten’ die bij Columbus Groningen speelden en die voor verzekeraars (waaronder NN) bezwaarlijk waren, zijn aangepakt (lagere tarieven, geconcentreerde zaaksbehandeling, inrichting conform NKL, een audit in overleg met een verzekeraar, één gezamenlijke medisch adviseur etc.). Weliswaar heeft Constans een aantal oude Columbus-dossiers in behandeling, maar dat is omdat de betreffende cliënten dat graag wilden. Dat geen sprake is van een voortzetting volgt volgens Constans ook uit uitspraken van de rechtbank Midden Nederland en de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam.6.5. NN stelt zich op het standpunt dat Constans wél een opvolger en voortzetting is van Columbus Groningen. Constans is uitsluitend opgericht om de dossiers van Columbus Groningen naar Constans over te hevelen. Aan Constans zijn alleen personen verbonden die eerder verbonden waren aan Columbus Groningen, intern bij Columbus Groningen zijn opgeleid en Columbus Groningen tot het laatst zijn trouw gebleven. De enige reden dat Constans is opgericht, is omdat meerdere verzekeraars Columbus Groningen niet langer als belangenbehartiger accepteerden.6.6. Het hof oordeelt als volgt. Van een voortzetting van Columbus Groningen door Constans in vennootschapsrechtelijke zin geen sprake. Constans is een andere vennootschap en is niet de verkrijger van de aandelen of de vermogensbestanddelen van Columbus Groningen.6.7. Een andere vraag is of er sprake is van een zodanige verwevenheid tussen Columbus Groningen en Constans , dat gezegd moet worden dat Constans feitelijkdezelfde is als Columbus Groningen. Ook daarvan is volgens het hof geen sprake. Het feit dat de vier schadebehandelaars bij Constans allen eerder bij Columbus Groningen werkten is daarvoor niet voldoende. Dat zou mogelijk anders zijn wanneer ook ten aanzien van deze vier medewerkers in hun Columbus-tijd sprake zou zijn geweest van duidelijke malversaties, maar daarvan is niet gebleken. Ten aanzien van [naam 3] geldt dat niet is gebleken dat hij, toen hij eigenaar werd van Columbus Groningen, voldoende op de hoogte was van wat daar aan de hand was.. Dat onder zijn leiding is besloten een procedure te starten om de EVR-registratie van Columbus ongedaan te krijgen, paste in zijn aanvankelijke poging om Columbus Groningen te redden. Dat is onvoldoende om uit te gaan van de kwade trouw van [naam 3] . Bovendien is niet gebleken dat [naam 3] op dit moment enige invloed uitoefent op het beleid van Contans.6.8. NN heeft in haar brief van 5 juli 2024 de samenwerking met Columbus Groningen en [naam 4] per direct beëindigd. De reden hiervoor was – samengevat – dat zij zich schuldig zouden hebben gemaakt aan frauduleuze en kwalijke praktijken, dat zij zich niet toetsbaar en transparant opstelden, dat zij ondeskundig zijn en excessieve tarieven hanteren. Feitelijk ging het hier om het handelen van [naam 4] . Meer in het bijzonder zou [naam 4] relevante (medische) informatie achterhouden en bewust onjuiste informatie aan NN verstrekken met als doel aanspraak te kunnen maken op een (hogere) schadevergoeding waarop in werkelijkheid geen recht is. Niet gebleken is echter dat ook [belangenbehartiger 1] , [belangenbehartiger 2] , [naam 2] en [naam 1] in de tijd dat zij bij Columbus Groningen werkten zich aan dergelijke praktijken schuldig hebben gemaakt, en ook sinds zij bij Constans werken zijn dergelijke feiten ten aanzien van hen niet gebleken. Naar het oordeel van het hof heeft Constans c.s. voldoende toegelicht dat haar band met Columbus Groningen op dit moment nog slechts bestaat uit de aanwezigheid van de voormalig Columbus-dossiers. Uit de Rapportage bezoekaudit van 13 november 2025, opgesteld door de Stichting toetsing Verzekeraars (hierna: STV) volgt dat er geen betrokkenheid van het voormalig Columbus-bestuur ( [naam 4] en [naam 7] ) is waargenomen en dat er ook geen aanwijzingen zijn dat [naam 4] het kantoor van Constans bezoekt. NN heeft verder niets gesteld waaruit het tegendeel blijkt.6.9. \n\nAan het voorgaande kan nog worden toegevoegd dat, zoals uit het navolgende nog zal blijken, ook de filosofie en bedrijfsvoering van Constans aantoonbaar anders is dan die van Columbus Groningen. De conclusie moet dan ook zijn dat Constans ook feitelijk niet kan worden gezien als dezelfde onderneming als Columbus Groningen.\n\nNN mag niet weigeren zaken af te wikkelen met Constans als belangenbehartiger6.10. Het hof nu zal ingaan op de vraag of NN Constans als belangenbehartiger mag weigeren. Volgens Constans en de benadeelden heeft de voorzieningenrechter het (op zichzelf juiste) toetsingskader onjuist toegepast. Om samenwerking met een belangenbehartiger te mogen weigeren, moet de belangenbehartiger er blijk van hebben gegeven onbetrouwbaar, incompetent of te duur te zijn. Daarvan is geen sprake. Het audit-rapport van [naam 5] is overwegend positief . Ook verloopt de samenwerking tussen Constans en een aantal andere verzekeraars goed. Er heeft in opdracht van Allianz ook een audit plaatsgehad door STV en het resultaat daarvan was ronduit positief. De bij Constans betrokken personen zijn betrouwbaar en integer, zij zijn deskundig en professioneel en Constans hanteert redelijke tarieven. De medewerkers van Constans hebben de Nivre (basis)-opleiding afgerond en verwacht wordt dat alle vier de medewerkers de Letselschade opleiding Nivre-expert voor komende zomer hebben afgerond.6.11. NN stelt zich, naar de kern genomen, op het standpunt dat zij samenwerking met Constans mag blijven weigeren totdat Constans gereguleerd is en heeft aangetoond dat zij een deskundige en integere partij is waaraan deskundige en integere medewerkers zijn verbonden. Daarvan is, volgens NN, geen sprake.6.12. Het hof overweegt als volgt. Voor de beoordeling van de vraag of NN mag weigeren om letselschadezaken te regelen met schadebehandelaars die werken bij Constans , zijn de volgende uitgangspunten van belang. Het eerste uitgangspunt is dat het een benadeelde vrij staat om de belangenbehartiger te kiezen die hij wil. De benadeelde heeft de veroorzaker van de schade niet zelf uitgekozen en kan dientengevolge ook niet kiezen met welke verzekeraar hij zijn schade moet afwikkelen. Dit maakt dat een verzekeraar niet lichtvaardig mag weigeren om met een specifieke, door het slachtoffer uitgekozen schadebehandelaar zaken te doen. Een verzekeraar moet er voor zover dat in haar vermogen ligt voor zorgen dat de schaderegeling vlot en in harmonie met de benadeelde verloopt. Dit volgt onder meer uit de Gedragscode Behandeling Letselschade waaraan NN zich heeft geconformeerd.6.13. Een verzekeraar hoeft echter geen zaken te doen met malafide of volstrekt onvoldoende deskundige belangenbehartigers. Verzekeraars hebben, zo volgt uit het WODC-rapport ‘De belangenbehartiger bij letselschade’ uit 2024, de positie en de middelen om als poortwachter te fungeren tegen volstrekt ondeskundige of malafide belangenbehartigers (ongeacht of deze belangenbehartigers al dan niet aangesloten zijn bij een organisatie van belangenbehartigers als het NIVRE of beschikken over het keurmerk als dat van NKL).6.14. De conclusie uit het voorgaande is dat het een verzekeraar slechts vrijstaat om een belangenbehartiger te weigeren als daarvoor gegronde redenen bestaan. Daarvan zal in het bijzonder sprake zijn indien er gegronde redenen zijn om te vrezen dat het schaderegelingsproces tussen de verzekeraar en de benadeelde niet goed zal verlopen of onnodig zal worden vertraagd omdat de belangenbehartiger er blijk van heeft gegeven niet (voldoende) betrouwbaar te zijn, bijvoorbeeld door onjuiste informatie te verstrekken en\u002Fof niet te beschikken over de kennis en ervaring die noodzakelijk is voor het adequaat begeleiden van de benadeelde in het schaderegelingsproces en\u002Fof onredelijk hoge kosten in rekening te brengen. Bij haar beslissing om een belangenbehartiger te weigeren mag een verzekeraar betekenis toekennen aan het feit dat een belangenbehartiger ‘ongebonden’ is, maar dat enkele feit is voor een weigering onvoldoende. Het ligt op de weg van de verzekeraar om gronden te stellen waaruit kan volgen dat zij geen zaken met een bepaalde belangenbehartiger hoeft te doen.6.15. NN maakt Constans verschillende verwijten op basis waarvan zij de conclusie trekt dat Constans als belangenbehartiger niet deskundig en integer is. De verwijten hebben betrekking op het dossier van mevrouw A, het dossier van mevrouw N, de brief van Columbus van 23 juli 2024, het auditrapport van STV, het uurtarief en de deskundigheid. Verder voert NN aan dat de medewerkers van Constans , ondanks de kwalijke misstanden aldaar, tot op het laatste moment Columbus Groningen trouw gebleven. Constans brengt ook thans nog kosten in rekening die niet in rekening mogen worden gebracht en schade wordt (nog altijd) dubbel geclaimd. Het auditrapport van STV kan niet tot een andere conclusie leiden: in dat rapport zijn uiteindelijk slechts drie dossiers beoordeeld en dat is te marginaal om wezenlijke conclusie over de betrouwbaarheid en deskundigheid te trekken. Bovendien is het STV-auditrapport overgelegd zonder instemming van STV en Allianz (in wiens opdracht het rapport is gemaakt), en ook die handelwijze geeft aanleiding tot twijfel over de integriteit van Constans . Ten aanzien van het audit-rapport van [naam 5] heeft NN betoogd dat [naam 5] onvoldoende onafhankelijk was, dat het rapport slechts een momentopname is en dat het rapport ook om inhoudelijke redenen niet kan worden gevolgd.6.16. \n\nHet hof zal deze verwijten achtereenvolgens behandelen en uiteindelijk tot de conclusie komen dat voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter – uitgaande van het hiervoor geschetste toetsingskader – tot het oordeel zal komen dat NN Constans niet als belangenbehartiger mag weigeren. Er is – voorshands oordelend – onvoldoende grond voor het oordeel dat Constans onvoldoende betrouwbaar is. Daarbij betrekt het hof de inhoud van de audit-rapporten van [naam 5] en STV.\n\nHet dossier van mevrouw A: geen contact met NN6.17. In de zaak van mevrouw A verwijt NN Constans in hoger beroep nog dat Constans eenzijdig verzoeken deed en stukken doorstuurde aan een gezamenlijke deskundige, zonder NN daarin te betrekken. Daarmee handelt Constans niet integer, aldus NN.6.18. Ter zitting heeft [belangenbehartiger 1] toegelicht dat hij, toen NN verder contact met Constans weigerde, de in dat dossier in een eerder stadium gezamenlijk aangezochte deskundige een mail heeft gestuurd zonder een kopie daarvan aan NN te sturen. Omdat NN ook niet met mevrouw A in gesprek wilde, heeft Constans de situatie zo opgevat dat de zaak bij NN was gesloten.6.19. \n\nHet hof overweegt hierover dat de omstandigheid dat een verzekeraar contact weigert met een belangenbehartiger, deze laatste niet ontslaat van zijn verplichting om transparant te handelen. Het had dan ook op de weg gelegen van Constans gelegen om NN een kopie te sturen van de mail aan de gezamenlijke deskundige. Dat dit niet is gebeurd verdient geen schoonheidsprijs, maar is tegen de door Constans geschetste achtergrond ook niet onbegrijpelijk. Bovendien betreft het een eenmalige omissie. Tot de conclusie dat sprake is van niet integer handelen kan het voorgaande dan ook niet leiden.\n\nGebruik van het dossier van mevrouw N6.20. Het dossier van mevrouw N was, voordat zij overstapte naar een andere belangenbehartiger, in behandeling bij Columbus Groningen. In de onderhavige procedure is, voorafgaand de zitting bij de rechtbank, namens Constans , als productie 14 en 15 niet geanonimiseerde correspondentie met mevrouw N in het geding gebracht. Constans behoorde, aangezien zij de belangen van mevrouw N niet behandelde, niet de beschikking te hebben over deze stukken. Uit de omstandigheid dat zij dat desondanks wel deed en zonder goedkeuring van mevrouw N de stukken niet geanonimiseerd heeft gebruik, blijkt opnieuw dat Constans niet integer handelt, aldus NN.6.21. \n\nTer zitting is door mr. Bijleveld een toelichting gegeven op de hiervoor beschreven gang van zaken. Hieruit volgt dat het overleggen van de correspondentie met mevrouw N de verantwoordelijkheid was van mr Bijleveld, die hier uit hoofde van een andere zaak over beschikte. Het anonimiseren door mr Bijleveld van de overgelegde correspondentie is er vervolgens abusievelijk bij ingeschoten. Deze gang van zaken is niet door NN bestreden, zodat de conclusie is dat Constans op dit punt geen verwijt te maken valt.\n\nDe brief van Columbus Groningen van 23 juli 20246.22. Op 23 juli 2024 stuurde Columbus Groningen een brief aan haar cliënten. In deze brief is NN door Columbus Groningen (samengevat) weggezet als een oneerlijke en onoprechte verzekeraar die uit winstbejag de letselschade van benadeelden niet eerlijk vergoedt. [belangenbehartiger 1] heeft zich volgens NN niet van deze brief of van de handelswijze van Columbus gedistantieerd en heeft zelfs ten onrechte de kosten voor deze brief in 29 dossiers gedeclareerd. Volgens NN zegt dit voldoende over de moraliteit van [belangenbehartiger 1] , die NN niet van een integer en betrouwbaar belangenbehartiger hoeft te verwachten.6.23. Constans heeft betoogd dat de brief, die geen fraaie brief is, is geschreven en gedeclareerd door de (toenmalige) directie van Columbus, [naam 6] en [naam 7] . De (toenmalige) medewerkers van Columbus waren hiervan niet op de hoogte en waren overigens ook niet in de positie om hier iets aan te doen.6.24. \n\nOok het hof meent dat de brief van 23 juli 2024 niet verstuurd had mogen worden. Constans c.s. hebben echter voldoende aannemelijk gemaakt dat deze brief is opgesteld, verstuurd en gedeclareerd door de voormalige directie van Columbus en niet door [belangenbehartiger 1] . Dat Constans (en dus ook [belangenbehartiger 1] ) zich achter de inhoud van deze brief hebben geschaard en dat ook nog steeds doen, is niet gebleken. Dat volgt ook niet uit de opmerking van een voormalig client dat [belangenbehartiger 1] de inhoud van die brief destijds aan deze client zou hebben bevestigd. Integendeel: al uit de email die [belangenbehartiger 1] op 13 maart 2025 aan NN stuurde, volgt dat Constans zich distantieert van het door [naam 4] gevoerde beleid bij Columbus Groningen. De conclusie is dat de brief van 23 juli 2024 niet kan bijdragen aan de door NN getrokken conclusie dat Constans niet integer of onbetrouwbaar is.\n\nHet auditrapport van STV6.25. Constans heeft in deze procedure een audit-rapport overgelegd dat is opgemaakt door STV. Die audit was onderdeel van de afspraken die Constans in het kader van een proefsamenwerkingsperiode maakte met een andere verzekeraar, Allianz. NN stelt zich op het standpunt dat Constans dit rapport in strijd met de in het rapport opgenomen vertrouwelijkheidsverklaring en zonder toestemming van STV in het geding heeft gebracht. Dit toont aan, aldus NN, dat Constans gemaakte (contractuele) afspraken niet respecteert en dat draagt niet bij aan de overtuiging dat Constans daadwerkelijk een betrouwbare en integere partij is.6.26. Constans heeft toegelicht dat zij zich genoodzaakt voelde om, inderdaad tegen de afspraken in, toch het rapport over te leggen. Het rapport is positief voor Constans en zij wil dat graag kunnen laten zien aan andere verzekeraars. Op het verzoek van Constans aan STV om het rapport te mogen overleggen, is door STV echter negatief beslist.6.27. \n\nHet hof stelt vast dat het auditrapport van STV in strijd met de afspraken is overgelegd. Deze schending van een afspraak moet evenwel in de context worden bezien. Constans was (en is) op zoek naar een manier om aan te tonen dat zij – samengevat – haar zaken op orde heeft en een betrouwbare belangenbehartiger is. Het rapport van STV is overigens zeer positief over Constans . Het hof is verder van oordeel dat Allianz een verzoek van Constans om het rapport in de onderhavige procedure over te leggen gelet op haar belang daarbij in redelijkheid niet kunnen weigeren. Dat STV en\u002Fof Allianz nadeel zouden ondervinden van het overleggen van dit rapport, is door NN ook niet gesteld. Tegen deze achtergrond meent het hof dat het feit dat Constans dit rapport zonder toestemming van Allianz in de procedure heeft gebracht niet het oordeel kan dragen dat Constans niet integer is, en dat de positieve inhoud van dit rapport wel kan meewegen bij het oordeel dat Constans haar zaken op orde heeft.\n\nExcessief uurtarief6.28. NN stelt zich op het standpunt dat het uurtarief van Constans , als niet gereguleerde belangenbehartiger, bovenmatig is en ook dat vormt volgens haar een reden om Constans niet als belangenbehartiger te accepteren. Volgens NN zou een advocaat of een Nivre-expert met meer dan tien jaar ervaring een uurtarief van € 225,- kunnen hanteren. Dat is echter ook het uurtarief dat Constans voor [belangenbehartiger 1] en [belangenbehartiger 2] hanteert.6.29. \n\nHet hof overweegt als volgt. Constans heeft toegelicht dat zij gedifferentieerde uurtarieven hanteert: € 225,- voor inhoudelijk specialistisch werk, € 150,- voor licht inhoudelijk werk en € 95,- voor administratieve taken. In het WODC-rapport valt te lezen dat tussen het Verbond van Verzekeraars en de LSA sinds enige tijd een afspraak bestaat die inhoudt dat LSA-advocaten een voorschot van verzekeraars kunnen verkrijgen tegen een uurtarief tussen de € 215 en € 245, afhankelijk van het belang van de zaak. Tegen deze achtergrond is het hof van oordeel dat het door Constans gehanteerde uurtarief niet buitensporig is. In elk geval is het tarief van Constans niet zo excessief dat dat op zichzelf reden is om samenwerking te beëindigen of niet aan te gaan. Het hof kan zich voorstellen dat tussen NN en Constans nadere afspraken worden gemaakt over de door Constans in zaken van NN te hanteren tarieven en dat Constans haar uurtarief naar beneden zal bijstellen, in ieder geval zo lang de schadebehandelaars bij Constans geen NIVRE-expert zijn.\n\nDeskundigheid6.30. NN stelt zich verder op het standpunt dat Constans en de daaraan verbonden belangenbehartigers niet aantoonbaar deskundig zijn en dat zij dus ook om die reden Constans niet als belangenbehartiger hoeft te accepteren.6.31. \n\nUit de stukken en uit hetgeen ter zitting is besproken, volgt dat Constans aan de deskundigheid van haar medewerkers werkt. In het STV-rapport is de deskundigheid ‘voldoende’ geoordeeld en wordt hierover het volgende opgemerkt:\n\n‘ Constans Letselschade heeft veel aandacht voor deskundigheid en het opleiden van medewerkers. Constans Letselschade streeft naar inschrijving in het NIVRE-register als NIVRE Register-Expert. Alle medewerkers hebben de NIVRE-basisopleiding afgerond en zijn op dit moment bezig met het behalen van de verdere (voor)opleidingen. Daarbij is er een sterke drive om te komen tot NIVRE Register-Expert Personenschade. Op dit moment zijn geen van de medewerkers NIVRE-geregistreerd. De twee senior letselschadebehandelaren hebben daarnaast nog aanvullende opleidingen afgerond en allen hebben een juridische vooropleiding.’6.32. Ter zitting heeft Constans aan het voorgaande nog toegevoegd dat het de verwachting is dat alle vier de medewerkers voor de zomer de Letsel-opleiding Nivre-expert af zullen ronden. Gelet hierop is het hof van oordeel dat ook de deskundigheid van de medewerkers van Constans geen legitieme reden is om samenwerking met Constans te weigeren.\n\nSlotsom6.33. Gelet op het feit dat vier van de vier dossierbehandelaars bij Constans op dit moment oud-Columbus medewerkers zijn, is begrijpelijk dat NN scherp(er) toezicht wil houden. Van redenen op grond waarvan samenwerking met Constans gerechtvaardigd mag worden geweigerd is evenwel niet gebleken. De grieven van Constans zijn dan ook terecht voorgesteld. Het hof zal daarom het vonnis van de rechtbank vernietigen en de vordering van Constans toewijzen, met uitzondering van de gevorderde dwangsommen. Het hof ziet geen reden om er aan te twijfelen dat NN zal meewerken aan de uitvoering van dit arrest.6.34. \n\nNN zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep. De kosten voor de dagvaarding in eerste aanleg worden door het hof begroot, nu de werkelijke kosten daarvan niet uit het dossier blijken.\n\nHet hof begroot de proceskosten bij de voorzieningenrechter aan de zijde van Constans c.s. op: dagvaarding € 140,- griffierecht € 714,- salaris advocaat € 1.107.-Totaal € 1.961,-\n\nHet hof begroot de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van Constans c.s.\u002FNN op:\n\ndagvaarding € 144,47\n\ngriffierecht € 827,-\n\nsalaris advocaat € 2.580,- (2 punten × tarief II, € 1.290,-)\n\nnakosten € 189,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal € 3.740,477. Beslissing\n\nHet hof:\n\n- vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 20 november 2025;\n\nen opnieuw rechtdoende:\n\nbepaalt dat NN binnen twee dagen na de datum van dit arrest het minnelijke schaderegelingstraject in de zaken van de benadeelden voortzet met Constans als belangenbehartiger en\n\nbepaalt dat NN Constans onverwijld schriftelijk informeert over de hervatting van de schaderegelingstrajecten met de benadeelden;\n\nveroordeelt NN in de kosten van de procedure van de voorzieningenrechter, aan de zijde van Constans c.s. tot op 20 november 2025 begroot op € 1.961,-;\n\nveroordeelt NN in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van Constans c.s. begroot op € 3.740,47;\n\nbepaalt dat als NN niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, NN de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-;\n\nverklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;\n\nwijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.\n\nDit arrest is gewezen door mr. R.G.C. Veneman, mr. D.A. Schreuder en mr. B.R. ter Haar en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026 in aanwezigheid van de griffier.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:565","ecli-nl-ghdha-2026-565",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht; Verbintenissenrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,51,61],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":46,"language":12,"source":13,"sourceUrl":47,"summary":6,"slug":48,"metadata":49},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":8,"legalDomain":50,"decisionType":18,"procedureType":19},"Strafrecht",{"id":52,"ecli":53,"caseNumber":6,"courtId":54,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":55,"language":12,"source":13,"sourceUrl":56,"summary":6,"slug":57,"metadata":58},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":59,"legalDomain":60,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":62,"ecli":63,"caseNumber":6,"courtId":64,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":65,"language":12,"source":13,"sourceUrl":66,"summary":6,"slug":67,"metadata":68},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":69,"legalDomain":60,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]