[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-ghdha-2026-942":3,"decision-more-ecli-nl-ghdha-2026-942":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1901","ECLI:NL:GHDHA:2026:942","",58,"Den Haag","den-haag","2026-05-12T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nCiviel recht\n\nTeam Handel\n\nZaaknummer hof : 200.342.473\u002F01\n\nZaak- en rolnummer rechtbank : C\u002F09\u002F652830\u002FHA ZA 23-751\n\nArrest van 12 mei 2026\n\nin de zaak van\n\n [appellant],\n\nwonend in [woonplaats],\n\nappellant,\n\nadvocaat: mr. I.N.A. Denninger, kantoorhoudend in Haarlem,\n\ntegen\n\n [geïntimeerde],\n\nkantoorhoudend in [kantoorplaats],\n\ngeïntimeerde,\n\nadvocaat: mr. L.C. Dufour, kantoorhoudend in Amsterdam.\n\nHet hof noemt partijen hierna [appellant] en [geïntimeerde].\n\n1. De zaak in het kort1.1. \n [geïntimeerde] is advocaat. Hij heeft [appellant] bijgestaan in een procedure, waarin aan [appellant] een bedrag is toegewezen. Deze zaak gaat over de vraag of [geïntimeerde] toerekenbaar tekort is geschoten door niet tijdig conservatoir en\u002Fof executoriaal beslag te leggen op vermogensbestanddelen van de wederpartij van [appellant]. Daarnaast is aan de orde of [appellant] facturen van [geïntimeerde] moet betalen. Volgens [appellant] is de prijsafspraak in de vorm van alleen een uurtarief niet transparant, is daarmee sprake van een oneerlijk beding en dient dit ertoe te leiden dat de betalingsverplichting van [appellant] geheel vervalt.1.2. Het hof komt tot het oordeel dat een kans om tijdig executoriaal beslag te laten leggen op een aantal in aanbouw zijnde woonboten door [geïntimeerde] ten onrechte niet is benut. Het staat echter nog niet vast dat deze woonboten in de relevante periode nog in of bij de werkplaats lagen. [appellant] krijgt de gelegenheid dit te bewijzen.1.3. Wat betreft de prijsafspraak komt het hof tot het oordeel dat deze voldoende transparant was. Ook is ten aanzien van de kosten voldaan aan de informatieplicht, omdat duidelijk is hoe de prijs moet worden berekend.2. Procesverloop in hoger beroep2.1. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:\n\nde dagvaarding van 23 mei 2025, waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 10 april 2024;\n\nde memorie van grieven van [appellant], met bijlage;\n\nde memorie van antwoord van [geïntimeerde], met bijlagen.2.2. Op 27 februari 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd.3. Feitelijke achtergrond3.1. \n [appellant] is consument. Hij heeft in 2019 via een obligatielening in totaal € l50.000 uitgeleend aan Houseboats Invest B.V. (hierna Houseboats) ten behoeve van de bouw van zogenoemde watervilla’s, een soort woonboten bestemd voor de verhuur (in de stukken ook wel aangeduid als houseboats). Houseboats vormde samen met andere partijen waaronder Youmanitas Projects C.V. (hierna: Youmanitas) een samenstel van entiteiten dat was gericht op het drijven van de onderneming die watervilla’s bouwt en verkoopt. Het hof zal deze groep ook aanduiden als de Houseboats groep. Youmanitas was de eigenaar van de (in aanbouw zijnde) watervilla’s. Stichting Youmanitas Energy Farms was de beherend vennoot van Youmanitas. [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]) was de uiteindelijk belanghebbende bij de bij het project betrokken juridische entiteiten.3.2. \n\nDe overeengekomen rentebedragen werden niet of niet op tijd aan [appellant] betaald. In april 2021 verleende [appellant] aan [geïntimeerde] de opdracht om als zijn advocaat de door [appellant] uitgeleende bedragen met rente en kosten op Houseboats te verhalen. In de door [geïntimeerde] opgestelde en door [appellant] ondertekende opdrachtbevestiging staat onder meer:\n\n“U heeft mij, [geïntimeerde], advocaat te Den Haag, (...), op 7-4-2021 de opdracht verstrekt om aan u juridische bijstand te verlenen ter zake: (...)(...)Algemene voorwaarden1. Op deze overeenkomst zijn de algemene voorwaarden van [geïntimeerde] toepasselijk. De toepasselijke algemene voorwaarden zijn als bijlage aan deze opdrachtbevestiging gehecht.”3.3. \n\nIn de aangehechte algemene voorwaarden staat onder meer:\n\n“1. [geïntimeerde] jr is een eenmanszaak van [geïntimeerde]. [geïntimeerde] jr neemt met zijn eenmanszaak deel aan de samenwerking met Deen Advocaten(...)15. Alle vorderingsrechten of andere bevoegdheden uit welke hoofd ook jegens Deen Advocaten vervallen in ieder geval één jaar na het moment waarop de opdrachtgever en of derden bekend werden of redelijkerwijs bekend konden zijn met het bestaan van deze rechten of bevoegdheden.(...)17. Niet alleen Deen Advocaten, maar ook alle personen die bij de uitvoering van enige opdracht van opdrachtgever zijn ingeschakeld, kunnen op deze algemene voorwaarden een beroep doen.”3.4. In mei 2021 heeft [geïntimeerde] namens [appellant] een verzoekschrift voor het leggen van conservatoir beslag ingediend bij de rechtbank Amsterdam. Het verzoek strekte tot het leggen van conservatoir derdenbeslag ten laste van Houseboats, Smit Holding B.V. en Youmanitas op drie bankrekeningen bij drie verschillende banken. De rechtbank Amsterdam liet op 20 mei 2021 weten dat de voorzieningenrechter niet bereid was verlof te verlenen, omdat de obligatieovereenkomst nog niet was ontbonden en omdat de onderbouwing van de groepsaansprakelijkheid onvoldoende was om ook Smit Holding B.V. en Youmanitas aansprakelijk te kunnen achten. De rechtbank Amsterdam deelde mee dat er een aangepast verzoekschrift kon worden ingediend. [geïntimeerde] heeft geen aangepast verzoekschrift ingediend.3.5. \n [geïntimeerde] heeft op 21 mei 2021 namens [appellant] een ontbindingsbrief naar Houseboats gestuurd. Op 7 juni 2021 heeft [geïntimeerde] namens [appellant] een (herhaalde) sommatie tot betaling aan Houseboats gestuurd en op diezelfde dag ook een dagvaarding betekend aan Houseboats, Youmanitas, Smit Holding B.V., Stichting Youmanitas Energy Farms en [betrokkene 1]. Namens alle gedaagden stelde zich een advocaat, die zich daarna weer heeft onttrokken. Op 24 november 2021 sprak de rechtbank een vonnis op tegenspraak uit waarin alle gedaagden hoofdelijk zijn veroordeeld tot terugbetaling aan [appellant] van het geleende bedrag, inclusief rente en (proces)kosten. Vanwege het ontbreken van verweer is het vonnis gemotiveerd als ware het een verstekvonnis.3.6. \n\nDit vonnis heeft [geïntimeerde] op 25 november 2021 doorgestuurd naar [appellant]. Naar aanleiding van het vonnis is er telefonisch contact geweest tussen [geïntimeerde] en [appellant]. Op 26 november 2021 heeft [geïntimeerde] de deurwaarder gemaild met het verzoek het vonnis ten uitvoer te leggen. De deurwaarder stuurde als reactie een verhaalsformulier. [geïntimeerde] heeft dit formulier ingevuld en onder vermelding van de veroordeelde partijen en samen met KvK-uittreksels van de Houseboats groep teruggestuurd. In het verhaalsformulier staat onder meer:\n\n“VERHAALSINFORMATIE SCHULDENAAR\u002FSCHULDENAREN(...)Overige verhaalsmogelijkheden: Er zouden een aantal watervilla’s door Houseboats Invest in aanbouw zijn. Het adres waar deze zich bevinden is nog niet bekend maar daar wordt aan gewerkt.”3.7. Een kopie van het formulier heeft [geïntimeerde] op 20 december 2021 naar [appellant] gestuurd. De deurwaarder heeft in opdracht van [geïntimeerde] het vonnis op 29 november 2021 betekend aan het huisadres van [betrokkene 1]. Tussen 1 december 2021 en 17 januari 2022 heeft de deurwaarder onder diverse banken en de belastingdienst beslag gelegd. De beslagen troffen geen doel.3.8. \n\nRond 16 februari 2022 is gebleken dat de watervilla’s lagen bij een zekere [betrokkene 2]. Op 16 februari 2022 heeft de deurwaarder onder [betrokkene 2] op de watervilla’s executoriaal beslag gelegd ten laste van alle in het vonnis veroordeelde partijen. Op 1 maart 2022 werd Youmanitas failliet verklaard. Daarmee vervielen alle ten laste Youmanitas gelegde beslagen. De deurwaarder heeft op 7 maart 2022 opnieuw beslag gelegd bij één van de banken ten laste van de overige in het vonnis van 24 november 2021 hoofdelijk veroordeelde partijen. Ook dit beslag trof geen doel. Op 9 maart 2022 berichtte de deurwaarder aan [geïntimeerde] dat verdere executie zinloos leek. In het bericht stond:\n\n“Ik adviseer u het faillisement aan te vragen diverse ebslagen geen effect. Ik ben diverse weekenden op zoek naar de boten geweest. De boten zouden in pandrecht toebehoren aan de aan [betrokkene 1] gelieerde failliete B.V.”3.9. Uit het faillissementsverslag van de curator van Youmanitas van 17 januari 2023 volgt dat de curator de watervilla’s heeft verkocht aan een derde voor een bedrag van € 50.000.3.10. \n [geïntimeerde] heeft [appellant] op 9 januari 2023 verzocht om de deurwaarderskosten van € 4.320,48 te betalen. Op 16 februari 2023 stuurde hij een betalingsherinnering. Diezelfde dag heeft Oomen, de inmiddels nieuwe advocaat van [appellant], aan [geïntimeerde] vragen gesteld over het dossier van [appellant]. [geïntimeerde] heeft deze vragen beantwoord. Op 14 april 2023 heeft Oomen namens [appellant] [geïntimeerde] aansprakelijk gesteld voor door [appellant] gestelde beroepsfouten. [geïntimeerde] heeft op 26 april 2023 op deze aansprakelijkstelling gereageerd en aansprakelijkheid van de hand gewezen. Op 14 augustus 2023 is de dagvaarding betekend. Daarna heeft [geïntimeerde] op 9 oktober 2023 een factuur van € 3.847,80 voor zijn werkzaamheden van april 2021 tot en met april 2023 naar [appellant] gestuurd.4. Procedure bij de rechtbank4.1. \n [appellant] heeft [geïntimeerde] gedagvaard en gevorderd (na vermindering van eis) dat de rechtbank (i) [geïntimeerde] veroordeelt om aan [appellant] te betalen al hetgeen [appellant] in geld te vorderen heeft uit hoofde van het vonnis van 24 november 2021 (tussen [appellant] en de Houseboats groep) en (ii) voor recht verklaart dat [geïntimeerde] niets meer te vorderen heeft van [appellant] in verband met de gelegde bankbeslagen en het beslag onder de belastingdienst, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure.4.2. \n [appellant] legde samengevat aan zijn vordering ten grondslag dat [geïntimeerde] toerekenbaar tekort is geschoten, althans onrechtmatig heeft gehandeld, door niet de zorgvuldigheid te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht. Bij adequaat handelen van [geïntimeerde] zou op de drie watervilla’s (1) conservatoir beslag zijn gelegd of in elk geval (2) executoriaal beslag gelegd zijn vóór 17 december 2021, de datum waarop de eerste watervilla werd getransporteerd vanuit Havelte. Ook zou hij (3) [appellant] dan de kans hebben gegeven om de onzekerheid die [geïntimeerde] stelde te hebben over de situering van de watervilla’s weg te nemen, zodat hij per direct de deurwaarder alsnog correct had kunnen instrueren. In alle drie de gevallen zou tijdig beslag zijn gelegd op de watervilla’s en zouden deze zonder verdere discussies executoriaal verkocht zijn ruim vóór het faillissement van Youmanitas in maart 2022. Nu dit niet is gebeurd, heeft [appellant] schade geleden: in totaal zou de opbrengst van de watervilla’s na tijdige beslaglegging en veiling zonder meer genoeg zijn geweest om de volledige vordering uit hoofde van het vonnis van 24 november 2021 te verhalen, aldus [appellant]. Hoe dan ook is sprake van een gemiste kans om verhaal op de watervilla’s te nemen, zodat [appellant] in ieder geval recht heeft op een kansschadevergoeding.4.3. \n [geïntimeerde] voerde gemotiveerd verweer en vorderde in reconventie betaling van de door hem voor [appellant] betaalde deurwaarderskosten ten bedrage van € 4.320,48, en een bedrag van € 8.168,28 aan openstaande declaraties. [geïntimeerde] legde aan die vordering ten grondslag dat dit kosten zijn voor verrichtingen waarvoor [appellant] opdracht heeft gegeven.4.4. De rechtbank heeft de vorderingen van [appellant] in conventie afgewezen en in reconventie [appellant] veroordeeld om aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van € 7.130,62 met de wettelijke rente over dat bedrag berekend met ingang van drie dagen na betekening van het vonnis, en [appellant] veroordeeld in de proceskosten.4.5. De rechtbank kwam kort samengevat op de volgende gronden tot dit oordeel.4.5.1. \n [geïntimeerde] is niet tekortgeschoten door geen conservatoir beslag te leggen. Volgens [geïntimeerde] heeft hij met [appellant] de keuze besproken om af te zien van het conservatoir beslag en de daarmee samenhangende strategische overwegingen, waarna is besloten het conservatoire beslag niet door te zetten. Deze gang van zaken is door [appellant] onvoldoende weersproken.4.5.2. Het verwijt dat [geïntimeerde] niet voor 17 december 2021 executoriaal beslag heeft laten leggen op de watervilla’s wordt door de rechtbank verworpen. [appellant] heeft onvoldoende betwist dat de focus nietlag op het verhaal van de vordering op de watervilla’s, maar op verhaal op de ingelegde gelden. Ook heeft [appellant] onvoldoende betwist dat hij op de hoogte was van de bankbeslagen. [appellant] had [geïntimeerde] erop moeten wijzen dat dit niet de bedoeling was. Daarvan is niets gebleken. [appellant] heeft verder onvoldoende betwist dat er tussen 24 november 2021 en 20 december 2021 veelvuldig telefonisch contact is geweest tussen [geïntimeerde] en [appellant] en dat het leggen van bankbeslagen in overleg met [appellant] is gedaan. Het is bovendien niet komen vast te staan dat de watervilla’s tot 17 december 2021 daadwerkelijk in Havelte waren en dat [geïntimeerde] dat wist.4.5.3. De deurwaarderskosten en de facturen van [geïntimeerde] voor zover betrekking hebbend op handelingen verricht voor de sluiting van het dossier op 17 februari 2023 komen voor vergoeding in aanmerking, in totaal een bedrag van € 7.130,62.5. Vorderingen in hoger beroep5.1. \n [appellant] vordert in hoger beroep dat het hof zijn vordering alsnog toewijst en de vordering in reconventie van [geïntimeerde] alsnog afwijst, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de eerste aanleg en de kosten van het hoger beroep.5.2. \n [geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis.6. Beoordeling in hoger beroepHet beroep van [geïntimeerde] op het in de algemene voorwaarden opgenomen vervalbeding wordt verworpen6.1. \n\n [geïntimeerde] deed in eerste aanleg een beroep op de in artikel 15 van de toepasselijke algemene voorwaarden opgenomen vervaltermijn van één jaar. Artikel 15 luidt als volgt:\n\n“Alle vorderingsrechten of andere bevoegdheden uit welke hoofd ook jegens Deen Advocaten vervallen in ieder geval één jaar na het moment waarop de opdrachtgever en of derden bekend werden of redelijkerwijs bekend konden zijn met het bestaan van deze rechten of bevoegdheden”6.2. \n\nIn artikel 17 van de algemene voorwaarden staat:\n\n“Niet alleen Deen Advocaten, maar ook alle personen die bij de uitvoering van enige opdracht van een opdrachtgever zijn ingeschakeld, kunnen op deze algemene voorwaarden een beroep doen.”6.3. De rechtbank oordeelde op dit punt, dat [geïntimeerde] zich op deze voorwaarden kan beroepen, ook al vermelden deze voorwaarden Deen advocaten. Uit artikel 1 van de algemene voorwaarden blijkt namelijk dat [geïntimeerde] deelneemt aan de samenwerking met Deen advocaten en artikel 17 van die voorwaarden brengt mee dat [geïntimeerde] zich kan beroepen op de vervaltermijn van artikel 15. De rechtbank heeft vervolgens echter in het midden gelaten of het vervalbeding onredelijk bezwarend en daarom vernietigbaar is, omdat zij oordeelde dat de vorderingen van [appellant] op inhoudelijke gronden niet toewijsbaar zijn.6.4. Omdat een van de grieven van [appellant] slaagt (zie hierna), brengt de devolutieve werking van het appel mee dat door de geïntimeerde in eerste aanleg gevoerde verweren die toen zijn verworpen of niet behandeld, alsnog aan de orde moeten komen. Het beroep op het vervalbeding is het verweer van de verste strekking: als dat slaagt, zijn de vorderingen van [appellant] vervallen. Het hof zal dit verweer daarom als eerste behandelen. Daarbij moet het hof ook de stellingen betrekken die [appellant] in eerste aanleg op dit punt heeft ingenomen. [geïntimeerde] heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling aangevoerd dat [appellant] grieven had moeten aanvoeren tegen het oordeel dat de voorwaarden van toepassing zijn en ook in hoger beroep opnieuw aan de orde had moeten stellen dat de desbetreffende voorwaarden vernietigbaar zijn. Dat is niet juist. Het vonnis van de eerste aanleg heeft gezag van gewijsde voor zover het gaat om overwegingen waartegen niet is gegriefd, maar uitsluitend voor zover het dictum op die overwegingen steunt. Omdat het dictum in dit geval nu juist niet steunt op de overwegingen van de rechtbank over de algemene voorwaarden, behoefde [appellant] tegen deze overwegingen geen grieven te richten (vgl. HR 26 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1779).6.5. Het hof verenigt zich wat betreft de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden op de overeenkomst tussen [geïntimeerde] en [appellant] met de overwegingen van de rechtbank (rov. 4.3) en maakt deze tot de zijne. [appellant] heeft in hoger beroep niet nader toegelicht dat en waarom de voorwaarden niet van toepassing zouden zijn op de overeenkomst tussen hem en [geïntimeerde].6.6. \n [appellant] heeft wel aangevoerd dat het vervalbeding onredelijk bezwarend dan wel oneerlijk is. [appellant] is consument en beroept zich op de vernietigbaarheid van het beding, primair met een beroep op art. 6:236 onder g BW (zwarte lijst), subsidiair op art. 6:237 onder h BW (grijze lijst) en meer subsidiair op de algemene norm ex art. 6:233 onder a BW. Het al na een jaar laten vervallen van een claim verstoort volgens [appellant] ernstig het contractuele evenwicht, zeker gelet op het feit dat mr. [geïntimeerde] verzekerd is (en ook moet zijn) voor dergelijke claims. Namens [geïntimeerde] is hiertegen in gebracht dat het voor beroepsbeoefenaren van belang is om na afronding van hun werkzaamheden in een bepaalde kwestie niet nog lange tijd later met claims te worden geconfronteerd. Als redenen daarvoor noemt hij: dossiers en mailboxen worden geschoond en (extern) gearchiveerd, de herinneringen aan een zaak worden minder scherp, advocaten stappen over naar een andere verzekeraar met mogelijke in- en uitloopdiscussies tot gevolg en collega's met wie is samengewerkt aan een zaak stappen over en raken zo uit beeld.6.7. Het hof oordeelt als volgt. Bedingen in algemene voorwaarden die een wettelijke verjarings- of vervaltermijn waarbinnen de wederpartij enig recht moet geldend maken, verkorten tot een verjarings- onderscheidenlijk vervaltermijn van minder dan een jaar, staan op de zogenoemde zwarte lijst onder artikel 6:236 sub g BW. In dit geval gaat het echter om een vervaltermijn van een jaar, dus dit artikel is niet van toepassing. Uit jurisprudentie volgt dat bedingen die een wettelijke vervaltermijn verkorten tot een vervaltermijn van één jaar of meer, niet vallen onder artikel 6:236 sub g noch onder artikel 6:237 sub h BW, en wat hun inhoud betreft alleen getoetst kunnen worden aan de open norm van art. 6:233 sub a BW. Alle andere contractuele vervalbedingen, waaronder vervalbedingen die de factoeen wettelijke verjaringstermijn vervangen, vallen onder art. 6:237 onder h BW (vgl. HR 27 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:531, JOR 2020, 192 mt.nt. Spanjaard, en de in die noot genoemde vindplaatsen). Voorts volgt uit de parlementaire geschiedenis (Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 6 1990, p. 1698) van art. 6:237 BW dat bedingen die betrekking hebben op gevallen waarin de wet het verval van rechten aan een door een partij binnen een “binnen bekwame tijd” te verrichten handeling verbindt, zoals artikel 6:89 BW, óók worden bestreken door art. 6:236 onder h BW.6.8. Naar het oordeel van het hof vervangt het contractuele vervalbeding uit artikel 15 van de algemene voorwaarden de klachttermijn van artikel 6:89 BW. Ingevolge de parlementaire geschiedenis valt het beding daarmee onder art. 6:236 onder h BW. Het hof merkt op dat ook wanneer het vervalbeding niet geacht moet worden de klachttermijn van artikel 6:89 BW te vervangen omdat in het vervalbeding niet wordt gesproken van een klachtplicht, het beding wordt bestreken door artikel 6:237 onder h BW. In dat geval vervangt het contractuele vervalbeding immers (feitelijk) de wettelijke verjaringstermijn.6.9. Naar het oordeel van het hof valt het beding gezien het voorgaande hoe dan ook onder artikel 6:237 sub h BW en wordt het dus vermoed onredelijk bezwarend te zijn. Dit brengt mee dat [geïntimeerde] omstandigheden naar voren moet brengen die maken dat het vervalbeding (toch) niet onredelijk bezwarend is. [geïntimeerde] heeft hierover aangevoerd dat hij er belang bij heeft om niet met late claims te worden geconfronteerd omdat informatie over de zaak na verloop van een jaar verloren kan zijn gegaan. Het hof vindt dit argument onvoldoende om het beding niet onredelijk bezwarend te achten.6.10. Van een advocaat mag immers worden verwacht dat hij op een zorgvuldige wijze dossier houdt en vastlegt welke afspraken met een cliënt zijn gemaakt en welke procesbeslissingen op welke gronden zijn genomen. Belangrijke afspraken dienen bij voorkeur schriftelijk aan de cliënt te worden bevestigd, en in ieder geval te worden neergelegd in een telefoonnotitie. Dat een dossier binnen een jaar al zou kunnen zijn geschoond, zoals [geïntimeerde] suggereert, sluit niet aan bij de op een advocaat rustende bewaarplicht van dossiers gedurende vijf jaar (vergelijk artikel 7:412 BW). Tegenover het belang van [geïntimeerde] om niet met late claims te worden geconfronteerd staat bovendien het belang van een cliënt als [appellant], die heeft vertrouwd op de juridische juistheid van de door zijn advocaat verstrekte adviezen. De onbekendheid van [appellant] met de materie was immers de reden dat hij een advocaat in de arm nam. Daarmee verhoudt zich niet een vervaltermijn van slechts een jaar in het geval van een beroepsfout. Van een consument als [appellant] (voormalig vrachtwagenchauffeur) kan ook niet worden verwacht dat hij bedacht is op de consequenties van een vervalbeding als het onderhavige.6.11. Ten overvloede overweegt het hof dat het verval van recht in artikel 15 van de algemene voorwaarden niet is gekoppeld aan enig nalaten van de cliënt. Bij letterlijke lezing vervalt de vordering na een jaar, ook als binnen dat jaar is geklaagd of zelfs een vordering aanhangig is gemaakt. Een dergelijk beding vormt een aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen de rechten en plichten van de gebruiker ([geïntimeerde]) en de wederpartij die consument is ([appellant]).6.12. \n\nDe slotsom is dat het vervalbeding in artikel 15 van de algemene voorwaarden onredelijk bezwarend is en dat [geïntimeerde] daarom geen beroep op dat artikel toekomt. Het hof hoeft daarom niet te beoordelen wanneer de in artikel 15 van de algemene voorwaarden neergelegde vervaltermijn in dit geval is gaan lopen.\n\nHet beroep van [geïntimeerde] op de klachtplicht slaagt niet6.13. \n [geïntimeerde] heeft ook een beroep gedaan op de klachtplicht van artikel 6:89 BW. Volgens [geïntimeerde] is namens [appellant] op 16 februari 2023 voor het eerst een brief aan hem gestuurd met klachten; dat is bijna anderhalf jaar na het vonnis van de rechtbank van 21 november 2021 in de zaak tegen Youmanitas c.s. en bijna een jaar na het faillissement van Youmanitas op 1 maart 2022. [geïntimeerde] is, zo stelt hij, door deze late klacht in zijn belangen geschaad. Door de overstap naar een andere softwareleverancier in mei 2022 zijn een deel van de e-mails van voor die tijd verloren gegaan. Ook registraties van (telefoon)notities zijn hierdoor verloren gegaan. Daarnaast is er WhatsApp belgeschiedenis verdwenen. Ten slotte was er, als [appellant] eerder had geklaagd, wellicht nog een mogelijkheid geweest om het vonnis van 21 november 2021 tegen de andere veroordeelden ten uitvoer te leggen.6.14. De ratio van artikel 6:89 BW is bescherming van de schuldenaar tegen te late en daardoor moeilijk te betwisten klachten. De lengte van de termijn die beschikbaar is voor het te verrichten onderzoek is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij onder meer van belang zijn de aard en waarneembaarheid van het gebrek, de wijze waarop dit aan het licht treedt, en de deskundigheid van de schuldeiser. Bij dit alles is in belangrijke mate mede bepalend of de belangen van de schuldenaar zijn geschaad, en zo ja, in hoeverre. Als die belangen niet zijn geschaad, zal er niet spoedig voldoende reden zijn de schuldeiser een gebrek aan voortvarendheid te verwijten.6.15. Aan de hand van deze maatstaven komt het hof tot het oordeel dat de klacht van [appellant] niet te laat was. Het hof verwijst naar de overwegingen hierboven over het beroep van [geïntimeerde] op de vervaltermijn. [geïntimeerde] heeft onvoldoende toegelicht dat hij door het tijdstip van de klacht in zijn belangen is geschaad. Het ligt op de weg van een advocaat om zodanig dossier te houden dat hij ook na (ruim) een jaar kan nagaan welke adviezen zijn gegeven en wat daaraan ten grondslag lag. Daaraan voegt het hof toe, dat een probleem met software of het overschrijven van belgeschiedenis in de risicosfeer van [geïntimeerde] ligt, en niet in die van [appellant]. Verder geldt dat [appellant] mag afgaan op de juistheid van de door [geïntimeerde] gegeven juridische adviezen en ligt het voor de hand dat hij niet meteen kon doorzien of [geïntimeerde] een fout had gemaakt.6.16. \n\nHet argument dat er, als [appellant] eerder had geklaagd, wellicht nog een mogelijkheid was geweest om het vonnis tegen de andere veroordeelden ten uitvoer te leggen maakt het voorgaande niet anders. [geïntimeerde] doet geen beroep op feitelijke omstandigheden die het bestaan van een alternatieve verhaalmogelijkheid aannemelijk maken. Ook legt [geïntimeerde] niet uit waarom na het vonnis, toen hij nog optrad voor [appellant], niet is geprobeerd van deze alternatieve verhaalmogelijkheden gebruik te maken.\n\n [geïntimeerde] had na het vonnis executoriaal beslag moeten laten leggen in Havelte6.17. De grieven II t\u002Fm IV gaan over de vraag of [geïntimeerde] een beroepsfout heeft gemaakt. Concreet verwijt [appellant] [geïntimeerde] dat hij geen conservatoir beslag heeft laten leggen op de watervilla’s en dat hij, toen het vonnis was verkregen, niet aan de deurwaarder opdracht heeft gegeven om executoriaal beslag te leggen op de watervilla’s. Volgens [appellant] lagen de watervilla’s tot in ieder geval 17 en 18 december 2021 in Havelte en was dat ook bij [geïntimeerde] bekend, althans had dat moeten zijn.6.18. Het hof sluit zich aan bij het door de rechtbank in haar vonnis van 10 april 2024 in rov. 4.5 weergegeven toetsingskader: [geïntimeerde] moet als advocaat de zorgvuldigheid betrachten die van een redelijk handelend, redelijk bekwaam vakgenoot mag worden verwacht. [appellant] heeft (in de toelichting op grief 1) opgemerkt dat onvoldoende rekening is gehouden met de gedragsregels, die kleuring geven aan het toetsingskader. In het bijzonder wijst [appellant] op de informatieplicht van de advocaat (gedragsregel 16) en de plicht van de advocaat om bij het aanvaarden van de opdracht duidelijke afspraken te maken over zijn honorarium, de doorbelasting van kosten en de wijze van declareren. Het hof zal ingaan op de informatieplicht en de plicht duidelijke afspraken te maken voor zover dat voor de beoordeling van de aansprakelijkheid van [geïntimeerde] relevant is.6.19. Grief II heeft betrekking op het oordeel van de rechtbank dat [geïntimeerde] geen beroepsfout heeft gemaakt door geen conservatoir beslag te leggen op de watervilla’s.6.20. Deze grief slaagt niet. Van belang is dat niet de contractuele wederpartij van [appellant], Houseboats, de eigenaar van de watervilla’s was, maar Youmanitas. [geïntimeerde] heeft in mei 2021 een verzoekschrift tot het leggen van conservatoir beslag ingediend bij de rechtbank. Dat verlof is echter niet gegeven zoals volgt uit een e-mail van de rechtbank van 20 mei 2021. Daarin staat onder meer dat de groepsaansprakelijkheid in het voorliggende verzoekschrift onvoldoende is onderbouwd. [appellant] heeft in zijn grief niet toegelicht, dat de aansprakelijkheid van Youmanitas voor de vordering die [appellant] had op Houseboats op dat moment zodanig onderbouwd kon worden dat het verlof zou zijn gegeven. Dit volgt ook niet uit het vonnis in de bodemprocedure: dat vonnis is, hoewel op tegenspraak gewezen, feitelijk een verstekvonnis en zonder nadere toelichting valt ook niet zonder meer in te zien dat inderdaad sprake was van groepsaansprakelijkheid.6.21. Het was uitgaande van de stand van zaken op dat moment daarom een goed verdedigbare keuze om eerst in te zetten op de bodemprocedure, en het conservatoire beslag niet door te zetten. Uit de eigen stellingen van [appellant] (hij had zijn hele vermogen in het project gestoken) volgt immers dat zijn financiële middelen om aan de procedure te besteden beperkt waren, zodat keuzes gemaakt moesten worden. Hoewel [geïntimeerde] deze keuze(s) onvoldoende heeft vastgelegd – hij heeft geen telefoonnotities, e-mails of brieven overgelegd waaruit blijkt dat en hoe hij deze keuze met [appellant] heeft besproken – is het ook gelet op de stand van zaken op dat moment waarbij er procesrechtelijke keuzes moesten worden gemaakt, onvoldoende aannemelijk dat [appellant] erop had aangedrongen dat het conservatoire beslag zou zijn voortgezet.6.22. Dat ligt anders met betrekking tot het executoriale beslag. Toen met het toewijzende vonnis van 24 november 2021 een titel was verkregen, ook tegen Youmanitas als eigenaar van de watervilla’s, was snel handelen vereist. De omstandigheid dat geen rentebetalingen meer werden gedaan, vormde immers een belangrijke aanwijzing dat de Houseboats groep haar verplichtingen niet meer kon nakomen. Ook het feit dat in de bodemprocedure geen verweer werd gevoerd, wees daarop. Dit maakt het ook onaannemelijk dat er enig positief saldo zou zijn op bekende bankrekeningen van de Houseboats groep. Het lag daarom voor de hand om met het toewijzende vonnis van 24 november 2021 in ieder geval te proberen executoriaal beslag te leggen op de watervilla’s en niet alleen op de bankrekeningen.6.23. \n\nDat de watervilla’s de meest voor de hand liggende mogelijkheid waren om (een deel van) het toegewezen bedrag te executeren volgt ook uit de brief van [geïntimeerde] die hij schreef aan mr. Oomen op 13 maart 2023, naar aanleiding van vragen die mr. Oomen stelde namens [appellant]. [geïntimeerde] schreef:\n\n“Toen de heer [appellant] bij mij kwam was House Boats Invest al lang en breed gestopt met het nakomen van haar (financiële) verplichtingen. Bovendien bereikte ons via verscheidene kanalen het bericht dat House Boats Invest geen liquide middelen meer had. Vanaf het begin van de zaak leek mij de enige reële manier voor de heer [appellant] om zijn schade te verhalen een beslag op eventueel nog aanwezige houseboats. Dit heb ik de heer [appellant] vaak uitgelegd. Destijds echter, kon niemand mij vertellen of deze houseboats nog bestonden, of zij werkelijk eigendom waren van House Boats Invest B.V. en waar zij zich dan wel bevonden.”6.24. \n [geïntimeerde] heeft hierover gesteld, dat hij de brief van 13 maart 2023 schreef terwijl hij de feiten uit het dossier niet helder voor ogen had. Het hof gaat daaraan voorbij. [geïntimeerde] licht onvoldoende toe welke feiten hij onvoldoende voor ogen had. De brief van 13 maart 2023 sluit juist goed aan bij de in deze zaak vaststaande feiten.6.25. \n [geïntimeerde] heeft verder aangevoerd dat hij ten tijde van het toewijzende vonnis van 24 november 2021 niet wist waar de watervilla’s waren en dat [appellant] hem dat ook niet kon vertellen. Tussen partijen is echter niet in geschil dat de watervilla’s aanvankelijk werden gebouwd op het adres [adres]. [geïntimeerde] betwist ook niet dat dit adres hem bekend was. Dat de watervilla’s ten tijde van het toewijzende vonnis van 24 november 2021 daar al waren weggehaald, volgt niet uit hetgeen [geïntimeerde] daarover heeft aangevoerd. [geïntimeerde] verwijst naar een nieuwbrief van Houseboats van 5 juli 2021, waarin staat dat productiefaciliteit te Havelte is verkocht en dat de nieuwe pandeigenaar deze faciliteit op termijn zelf wil gaan gebruiken. In de nieuwsbrief staat echter niet per wanneer dat zal zijn. Ook overigens heeft [geïntimeerde] geen feiten gesteld waaruit onomstotelijk volgt dat de watervilla’s vóór 24 november 2021 waren weggehaald in Havelte.6.26. Ten tijde van het vonnis van 24 november 2021 was het adres in Havelte de bij de Kamer van Koophandel geregistreerde vestigingsplaats van Houseboats. Dat vonnis had dus door de deurwaarder daar betekend kunnen worden, in plaats van aan het woonadres van bestuurder [betrokkene 1]. Dan had – zonder (veel) extra kosten te maken, omdat het vonnis hoe dan ook betekend moest worden – door de deurwaarder kunnen worden onderzocht of de watervilla’s daar nog lagen. Dat het te duur was om de deurwaarder naar de watervilla’s te laten zoeken, volgt het hof dus niet. [geïntimeerde] heeft bovendien de deurwaarder op een gegeven moment kennelijk wel degelijk opdracht gegeven om naar de watervilla’s te zoeken, hetgeen de deurwaarder, zo volgt uit diens e-mail van 10 januari 2022, kort voor die datum heeft gedaan. Daar heeft de deurwaarder ook kosten voor in rekening gebracht, die [geïntimeerde] wil doorbelasten aan [appellant]. [geïntimeerde] heeft onvoldoende toegelicht wanneer deze opdracht (in overleg met [appellant]) aan de deurwaarder is gegeven en waarom dat niet meteen na het verkrijgen van het vonnis is gedaan.6.27. Het standpunt van [geïntimeerde] dat hij geen beslag kon laten leggen op de watervilla’s omdat hij niet kon weten waar de watervilla’s lagen, wordt gezien het voorgaande verworpen. Er was wel degelijk reden om aan te nemen dat de watervilla’s kort na het verkrijgen van het veroordelend vonnis nog in Havelte lagen. Er was bovendien een makkelijke manier (het laten betekenen van het vonnis aldaar) om daar achter te komen. Dat [appellant] (in deze executoriale fase) alleen beslag wilde leggen op bankrekeningen en niet op de watervilla’s, zoals [geïntimeerde] stelt, wordt door [appellant] betwist. Deze stelling van [geïntimeerde] is ook niet aannemelijk gezien het doel van [appellant] om – in ieder geval een deel – van het door hem uitgeleende geld terug te krijgen. Het is daarbij voor [appellant] niet relevant of dit gebeurt door een beslag op de watervilla’s en een daarop volgende executoriale verkoop daarvan, of door een beslag op een bankrekening. Voor zover [appellant] zou hebben gedacht dat een beslag op de watervilla’s ertoe zou leiden dat hij zelf eigenaar van de watervilla’s zou worden, heeft [geïntimeerde] hem hierover kennelijk onvoldoende voorgelicht. Er is bovendien geen enkele vastlegging in het dossier waaruit volgt dat hierover overleg met [appellant] heeft plaatsgevonden, zoals telefoonnotities of e-mails. De verhaalsinformatie waaruit blijkt dat alleen executoriaal beslag is gelegd onder banken, heeft [appellant] pas op 20 december 2021 gekregen.6.28. De conclusie uit het voorgaande is dus dat een redelijk bekwaam, redelijk handelend advocaat ervoor had gezorgd dat in de eerste weken na het toewijzend vonnis van 24 november 2021 met bekwame spoed een poging werd gedaan om executoriaal beslag te leggen op de watervilla’s. Als dat was gelukt, moet er van uit gegaan worden dat – anders dan in de huidige situatie – de watervilla’s executoriaal verkocht hadden kunnen worden nog voor het faillissement van Youmanitas op 1 maart 2022. In zoverre slagen de grieven II t\u002Fm IV.6.29. Voor het oordeel dat [appellant] door het nalaten van [geïntimeerde] schade heeft geleden, moet wel vaststaan dat de watervilla’s in die eerste weken na het vonnis daadwerkelijk nog in Havelte lagen. De bewijslast rust volgens de hoofdregel van artikel 150 Rv op [appellant], die zich beroept op de rechtsgevolgen van deze stelling. Zoals gezegd zijn er geen sluitende aanwijzingen dat de watervilla’s op of rond 24 november 2021 niet meer in Havelte waren. Tussen partijen is niet in geschil dat de watervilla’s rond 16 februari 2022 zijn opgedoken bij een zekere [betrokkene 2]. Het staat echter ook nog niet vast dat de villa’s tot die tijd in Havelte zijn gebleven. [appellant] heeft een e-mail van [betrokkene 2] aan een kantoorgenoot van Oomen overgelegd, waarin [betrokkene 2] verklaart dat het transport van de watervilla’s plaatsvond op 17 en 18 december 2021. Uit dat mailbericht blijkt echter niet waar de watervilla’s toen vandaan kwamen. [appellant] heeft te bewijzen aangeboden dat de watervilla’s tot 17 of 18 december 2021 in Havelte waren, in of buiten de werkplaats aan de Oeveraseweg en zal worden toegelaten tot het leveren van dit bewijs.6.30. Als [appellant] slaagt in dit bewijs, zal nog moeten worden vastgesteld wat de omvang van de schade is die [appellant] heeft geleden doordat geen executoriaal beslag is gelegd. Dat bedrag moet in dat geval worden vastgesteld door een schatting van de opbrengst van de executieverkoop verminderd met de aan die verkoop verbonden deurwaarderskosten. Vooruitlopend op de beoordeling hiervan merkt het hof op dat als uitgangspunt bij de vaststelling daarvan kan dienen het bedrag waarvoor de curator de watervilla’s heeft verkocht, zijnde € 50.000,-. Bij de huidige stand van zaken heeft [appellant] onvoldoende toegelicht dat de watervilla’s bij een executoriale verkoop meer zouden hebben opgebracht. [appellant] heeft weliswaar aangevoerd dat de waarde van de watervilla’s substantieel was, onder verwijzing naar een in opdracht van Youmanitas opgemaakt taxatierapport, maar dat verhoudt zich niet tot de beperkte opbrengst bij verkoop door de curator. Dat de waarde ten tijde van die verkoop door de curator aanzienlijk zou zijn teruggelopen door beschadigingen of juridische onduidelijkheid over het eigenaarschap van de watervilla’s, acht het hof onvoldoende toegelicht. Daarbij komt nog dat een executoriale verkoop door een deurwaarder een (aanzienlijk) drukkend effect heeft op de opbrengst. [geïntimeerde] heeft op zijn beurt onvoldoende toegelicht dat de opbrengst, bij verkoop door een deurwaarder, lager zou zijn geweest dan de door de curator gerealiseerde opbrengst.6.31. In het geval [appellant] slaagt in het bewijs zal het hof, in het kader van het vaststellen van de schade, nog moeten ingaan op het beroep op eigen schuld dat [geïntimeerde] heeft gedaan. Volgens [geïntimeerde] heeft [appellant] de schade aan zichzelf te wijten, doordat hij een zeer ondoordachte investeringsbeslissing heeft genomen. Die stelling slaagt niet. Dat sprake was van een ondoordachte investeringsbeslissing is juist, maar daar gaat deze zaak niet over. In deze zaak is die beslissing een gegeven en gaat het er om of [geïntimeerde] een beroepsfout heeft gemaakt die ertoe heeft geleid dat [appellant] de schade die van die beslissing het gevolg is niet (gedeeltelijk) op de Houseboats groep heeft kunnen verhalen.6.32. \n\n [geïntimeerde] heeft verder aangevoerd dat de schade het gevolg is van aan [appellant] toerekenbare omstandigheden, doordat [appellant] na het beëindigen van de relatie met [geïntimeerde] onvoldoende moeite heeft gedaan om het toewijzend vonnis van 24 november 2021 te verhalen op de andere veroordeelden, waaronder bestuurder [betrokkene 1]. Stelplicht en bewijslast ten aanzien van dit verweer rusten op [geïntimeerde]. Hij heeft echter onvoldoende onderbouwd dat sprake was van reële verhaalsmogelijkheden bij de veroordeelden op andere vermogensbestanddelen dan de watervilla’s. Als [appellant] slaagt in het hem opgedragen bewijs zal bij het vaststellen van de schade dus geen rekening worden gehouden met deze door [geïntimeerde] aangevoerde omstandigheden.\n\nDe declaraties van [geïntimeerde]6.33. Met grief V komt [appellant] op tegen het oordeel van de rechtbank dat de reconventionele vordering van [geïntimeerde] – na enkele correcties – kon worden toegewezen. Volgens [appellant] dient de rechter – desnoods ambtshalve – de (on)eerlijkheid van een prijsbeding te beoordelen (artikel 3 lid 1 van de richtlijn oneerlijke bedingen) en in dat kader (eerst) of het beding voldoende transparant is, omdat de prijs een kernbeding betreft (artikel 4 lid 2 van de richtlijn oneerlijke bedingen). [appellant] verwijst daarbij naar rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna HvJEU) (HvJ EU 12 januari 2023, ECLI:EU:C:2023:14). Volgens [appellant] is het tussen hem en [geïntimeerde] afgesproken prijsbeding (een uurtarief) onvoldoende transparant. Weliswaar heeft [appellant] afgesproken dat maandelijks werd gefactureerd, maar dat heeft [geïntimeerde] niet gedaan. [appellant] had geen zicht op de tijdsbesteding door [geïntimeerde] en deze heeft [appellant] ook nooit geïnformeerd dat de kosten van de zaak konden oplopen tot meer dan € 9.500,-, aldus [appellant]. Het beding is volgens [appellant] ook oneerlijk, zodat het prijsbeding vernietigd moet worden. Dit brengt mee dat alle bedragen die [appellant] aan [geïntimeerde] heeft voldaan moet terugbetalen, aldus nog steeds [appellant].6.34. \n [geïntimeerde] betwist dat sprake is van een oneerlijk beding. [appellant] wist voldoende van procedures en de daarbij horende kosten en werd daarover ook door derden geadviseerd. Het verwijt van [appellant] dat [geïntimeerde] hem tussentijds geen declaraties heeft gestuurd is volgens [geïntimeerde] ongepast, omdat dit de afspraak was. Tijdens de zitting heeft [geïntimeerde] hierover opgemerkt dat het er gewoon niet van gekomen was. [geïntimeerde] beroept zich verder op artikel 10 van de algemene voorwaarden, waarin staat dat klachten over facturen binnen 30 dagen na de dagtekening van de factuur schriftelijk moeten worden ingediend. Dat heeft [appellant] niet gedaan. Artikel 11 bepaalt verder dat kosten van derden, zoals deurwaarders, voor rekening komen van de opdrachtgever, aldus [geïntimeerde].6.35. \n\nHet hof overweegt als volgt. In de opdrachtbevestiging van [geïntimeerde] staat over de financiële afspraken onder meer het volgende:\n\n2. Het standaard honorarium bedraagt € 150,— per uur, exclusief omzetbelasting en exclusief belaste en onbelaste verschotten. Verschotten zijn de voor u door mij gedane uitgaven, zoals griffierecht, deurwaarderskosten, reis- en verblijfkosten en bureaukosten (porti, telefoon, telefax, fotokopieën en dergelijke). De bureaukosten bedragen 3% van het geldende uurtarief.3. In dit geval komen wij overeen een vast tarief van €150,- exclusief omzetbelasting en exclusief belaste en onbelaste verschotten tot een maximum van 10 declarabele uren en exclusief4. griffierechten. Indien ik meer dan 10 uur aan uw zaak dien te besteden breng ik u mijn standaard uurtarief als hiervoor genoemd onder punt 2 in rekening.5. [geïntimeerde] is gerechtigd opdrachtgever een voorschot in rekening te brengen. Het betaalde voorschot zal worden verrekend met de eerste declaratie.6. U ontvangt van mij per maand een declaratie voor dc door mij verrichte werkzaamheden inclusief de door mij voor u gedane uitgaven.7. De declaraties dienen door u binnen 14 dagen te zijn voldaan, zonder aftrek, korting of verrekening.6.36. Tussen partijen staat verder vast dat [geïntimeerde] bij aanvang van de werkzaamheden een voorschot van € 1.500,- in rekening heeft gebracht. Tussentijds heeft hij verder geen declaraties verzonden. Op 9 oktober 2023 heeft hij een declaratie gezonden voor de werkzaamheden over de periode april 2021 tot en met april 2023.6.37. Artikel 10 van de algemene voorwaarden van [geïntimeerde], waarin staat dat klachten over facturen binnen 30 dagen na dagtekening daarvan kenbaar moeten worden gemaakt, staat er niet aan in de weg dat het hof (zo nodig ambtshalve) toetst of sprake is van oneerlijk beding. Een ander oordeel zou op onaanvaardbare wijze de werking van het Europese consumentenrecht doorkruisen. Het gaat hier ook niet om een klacht over de inhoud van de factuur als zodanig, maar om het toetsen van de bepalingen van de overeenkomst die ten grondslag liggen aan de factuur.6.38. Het afgesproken uurtarief is een kernbeding. Kernbedingen waarover niet is onderhandeld hoeven alleen ambtshalve te worden getoetst op oneerlijkheid als deze niet transparant zijn (zie artikel 6:231 sub a BW en artikel 4 lid 2 van de richtlijn 93\u002F13\u002FEEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, hierna: de Richtlijn). Er is niet gebleken dat over dit beding is onderhandeld; [geïntimeerde] heeft op de zitting van het hof verklaard dat hij voor [appellant], omdat [appellant] weinig geld had, zijn vaste lage tarief heeft toegepast, waarover niet is onderhandeld.6.39. In zijn arrest van 12 januari 2023 oordeelde het HvJEU dat alleen het noemen van een uurtarief de gemiddelde, normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende consument niet in staat stelt om alle financiële consequenties in te schatten die voor hem uit het beding voortvloeien, namelijk het totale bedrag dat hij voor de diensten zal moeten betalen. Verder heeft het HvJEU overwogen dat een dienstverlener als [geïntimeerde], voordat de overeenkomst wordt gesloten, informatie moet verstrekken die een consument zoals [appellant] in staat stelt om met de nodige voorzichtigheid zijn beslissing te nemen. Die informatie moet aanwijzingen bevatten die de consument in staat stellen bij benadering de totale kosten van die diensten te ramen, zoals een raming van het voorzienbare of minimale aantal uren dat nodig is om een bepaalde dienst te verlenen, of een verbintenis om met redelijke tussenpozen tussentijdse facturen of verslagen te bezorgen waarin het aantal al gepresteerde werkuren wordt vermeld.6.40. Het hof moet de transparantie van het tussen [appellant] en [geïntimeerde] overeengekomen beding beoordelen naar het tijdstip van het sluiten van de overeenkomst (vlg. HR 21 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:773). Het gaat bij die beoordeling niet om de vraag of het beding (dat al dan niet transparant is) ook daadwerkelijk is nagekomen. De overeenkomst tussen [geïntimeerde] en [appellant] bevat een verbintenis om met redelijke tussenpozen, namelijk maandelijks, tussentijdse facturen te sturen. Naar het oordeel van het hof is een prijsbeding als het onderhavige, waarbij is overeengekomen dat maandelijks tussentijdse facturen zullen worden gestuurd, voldoende transparant. Daarbij betrekt het hof dat in een zaak als de onderhavige zeer lastig te voorspellen is hoeveel uren daaraan uiteindelijk in totaal besteed moeten worden. Hoeveel werk [geïntimeerde] aan de zaak zou moeten besteden, zou immers sterk afhangen van de houding van de wederpartij. Een voorspelling daarvan vooraf voegt daarom niet zoveel toe aan het maandelijks tussentijds declareren.6.41. Ten overvloede overweegt het hof dat als toch zou moeten worden geoordeeld dat het beding niet transparant is, dit niet automatisch betekent dat het ook oneerlijk is. Of het beding oneerlijk is, moet namelijk worden getoetst aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Een gebrek aan transparantie is één van die omstandigheden. In dit geval geldt dat [geïntimeerde] een zeer redelijk uurtarief heeft gehanteerd: € 150,- ligt ruim onder hetgeen gebruikelijk is in de commerciële advocatuur. Verder is niet aannemelijk dat [appellant] de overeenkomst niet had willen sluiten als [geïntimeerde] meer informatie had gegeven over de te verwachten totale kosten. Het was voor [appellant] immers zeer belangrijk om een poging te doen om het aan Houseboats uitgeleende geld via een procedure terug te krijgen. Hierbij komt, zoals hiervoor al overwogen, dat het ramen van de totale kosten in dit geval niet goed mogelijk was. Dit leidt het hof tot de conclusie dat (ook) geen sprake is van een oneerlijk beding.6.42. Daarmee is de (ambtshalve) toetsing nog niet voltooid: het hof moet ook beoordelen of bij het sluiten van de overeenkomst is voldaan aan de (pre)contractuele informatieverplichtingen zoals neergelegd in artikel 6:230l onder c of 6:230m onder e BW. Omdat de hiervoor genoemde artikelen gelijkluidend zijn, hoeft het hof niet vast te stellen of het gaat om een overeenkomst gesloten op afstand of buiten de verkoopruimte, of een overeenkomst anders dan op afstand of buiten de verkoopruimte.6.43. De genoemde artikelen schrijven voor, dat de handelaar de consument vóór het aangaan van de overeenkomst informatie verstrekt over de totale prijs van de diensten of, als de prijs redelijkerwijs niet vooraf kan worden berekend, de manier waarop de prijs moet worden berekend. In dit geval geldt dat de prijs redelijkerwijs niet vooraf kon worden berekend omdat niet voorspelbaar was hoeveel uren aan de zaak zouden moeten worden besteed. Wel bevat de overeenkomst de manier waarop de prijs moet worden berekend, namelijk het uurtarief vermeerderd met BTW vermenigvuldigd met het aantal bestede uren (vgl. conclusie Wissink vóór HR 5 december 2025, ECLI:NL:HR:1856). De overeenkomst vermeldt ook dat de deurwaarderskosten zullen worden doorberekend. Het hof is van oordeel dat daarmee aan de informatieplicht is voldaan.6.44. De conclusie uit al het voorgaande is dat er geen aanleiding is om de overeenkomst tussen [appellant] en [geïntimeerde] te vernietigen en ook niet om een korting toe te passen op de door [geïntimeerde] in rekening gebrachte bedragen.6.45. Ten overvloede overweegt het hof nog het volgende. Het feit dat [geïntimeerde], anders dan overeengekomen, niet maandelijks tussentijds heeft gedeclareerd, vormt een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst. Een dergelijke tekortkoming kan een grondslag vormen voor schadevergoeding. Dat schade is geleden zal het geval kunnen zijn als de wederpartij van de advocaat aannemelijk kan maken dat hij, als tussentijds was gedeclareerd, aanleiding had gezien om de opdracht aan de advocaat te beëindigen vanwege het oplopen van de kosten. In deze zaak is hierop geen beroep gedaan.6.46. \n [appellant] heeft ten aanzien van de facturen van [geïntimeerde] wel een beroep gedaan op een opschortingsrecht en aangevoerd dat de openstaande facturen verrekend moeten worden met de verschuldigde schadevergoeding. Het hof geeft een bewijsopdracht en zal alle verdere beslissingen aanhouden. Het beroep op het opschortingsrecht hoeft het hof daarom nu niet te behandelen. Op het beroep op verrekening zal zo nodig in het eindarrest worden ingegaan.7. Conclusie7.1. De conclusie uit het voorgaande is dat het hof [appellant] toelaat tot het bewijs van zijn stelling, dat de watervilla’s tussen 24 november 2021 en 17\u002F18 december 2021 hebben gelegen in of bij een loods op het adres [adres].7.2. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.8. Beslissing\n\nHet hof:\n\nlaat [appellant] toe tot het bewijs van zijn stelling, dat de watervilla’s tussen 24 november 2021 en 17\u002F18 december 2021 hebben gelegen in of bij een loods op het adres [adres];\n\nbepaalt dat, als [appellant] getuigen wil doen horen, de getuigenverhoren zullen worden gehouden in een der zittingszalen van het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 te Den Haag voor de hierbij benoemde raadsheer-commissaris mr. Schreuder, op 19 juni 2026 om 09:00 uur;\n\nbepaalt dat, als één der partijen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak, opgeeft verhinderd te zijn op de genoemde datum en daarbij de verhinderdata van beide partijen in de maanden juni tot en met oktober van 2026 opgeeft, de raadsheer-commissaris (in beginsel eenmalig) een nadere datum en tijdstip voor de getuigenverhoren zal vaststellen;\n\ndeelt mee dat het hof al beschikt over een kopie van de volledige procesdossiers in eerste aanleg en in hoger beroep, inclusief producties, zodat het niet nodig is deze voor het getuigenverhoor over te leggen;\n\nhoudt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit arrest is gewezen door mr. D.A. Schreuder, mr. R.G.C. Veneman en mr. L.M. van Bochove en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026 in aanwezigheid van de griffier.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:942","ecli-nl-ghdha-2026-942",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht; Verbintenissenrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,51,61],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":46,"language":12,"source":13,"sourceUrl":47,"summary":6,"slug":48,"metadata":49},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":8,"legalDomain":50,"decisionType":18,"procedureType":19},"Strafrecht",{"id":52,"ecli":53,"caseNumber":6,"courtId":54,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":55,"language":12,"source":13,"sourceUrl":56,"summary":6,"slug":57,"metadata":58},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":59,"legalDomain":60,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":62,"ecli":63,"caseNumber":6,"courtId":64,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":65,"language":12,"source":13,"sourceUrl":66,"summary":6,"slug":67,"metadata":68},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":69,"legalDomain":60,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]