Skip to main content

ECLI:NL:GHSHE:2026:1432

Rechtbank

's-Hertogenbosch

Datum

3 June 2026

Taal

nl

Samenvatting

Rechtsvraag

Bestuursrecht; Belastingrecht

Uitspraak / Beslissing

Uitspraak

's-Hertogenbosch

Procedure: UitspraakDomain: Bestuursrecht; BelastingrechtType: uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Enkelvoudige Belastingkamer

Nummer: 23/1441

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonend in [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg (hierna: de rechtbank) van 6 september 2023, nummer ROE 23/671 in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen,

hierna: de heffingsambtenaar.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1.. De heffingsambtenaar heeft de naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.

1.2.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3..

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft geen verweerschrift ingediend maar verwezen naar de stukken zoals deze in de loop van de bezwaarprocedure en bij de rechtbank reeds zijn ingediend.

1.5.. De zitting heeft plaatsgevonden op 22 april 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en namens de heffingsambtenaar [heffingsambtenaar] .

1.6.. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2 Feiten

2.1.. De heffingsambtenaar heeft een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd ten aanzien van de auto met kenteken [kenteken] die op 8 november 2022 omstreeks 15:48 uur geparkeerd stond aan [adres] in [plaats] .

2.2.. Een parkeercontroleur van de gemeente heeft op de hiervoor vermelde datum en tijdstip geconstateerd dat achter de voorruit geen parkeerkaartje zichtbaar was. Hij heeft daarop aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd (hierna: de naheffingsaanslag) ten bedrage van € 67,50, bestaande uit € 1 aan parkeerbelasting en € 66,50 aan kosten voor de naheffingsaanslag.

3. Geschil en conclusies van partijen

3.1.. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.

3.2.. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en vernietiging van de naheffingsaanslag. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4. Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.. Tussen partijen is niet in geschil dat de auto van belanghebbende op 8 november 2022 omstreeks 15:48 uur geparkeerd stond aan [adres] in [plaats] en dat deze locatie door het college van burgemeester en wethouders is aangewezen als plaats waar tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd.

4.2.. Belanghebbende stelt dat zij de verschuldigde parkeerbelasting wel degelijk heeft voldaan en heeft bij haar bezwaarschrift een parkeerbonnetje van 8 november 2022 overgelegd waarop een aankomsttijd van 15:24 uur staat vermeld en een eindtijd van 15:54 uur. Het bonnetje vermeldt een betaald bedrag van € 0,50. Belanghebbende heeft verklaard dit bedrag contant te hebben voldaan via de parkeerautomaat. Belanghebbende stelt dat dit parkeerkaartje met het sluiten van de autodeur op de grond moet zijn gevallen omdat zij deze bij terugkomst op de vloer van haar auto aan de bestuurderskant aantrof.

4.3.. Het hof overweegt dat naheffing alleen mogelijk is indien de belasting die op aangifte behoort te worden voldaan, geheel of gedeeltelijk niet is betaald, waardoor te weinig belasting is geheven.Van belang is dus of de verschuldigde belasting is betaald en niet of op de voorgeschreven wijze aangifte is gedaan.Het enkele feit dat een parkeerbonnetje niet zichtbaar achter de voorruit ligt, is dus onvoldoende voor het opleggen van een naheffingsaanslag. De bewijslast dat de verschuldigde belasting niet is betaald rust op de heffingsambtenaar. De heffingsambtenaar heeft het brondocument overgelegd waarin wordt aangegeven dat is geparkeerd zonder zichtbaar geldig kaartje en heeft fotomateriaal bijgevoegd waarop geen parkeerkaartje in de auto zichtbaar is. In het algemeen kan dit toereikend worden geacht en heeft de heffingsambtenaar daarmee voldaan aan de op hem rustende bewijslast dat belanghebbende de verschuldigde parkeerbelasting niet heeft voldaan.

4.4..

Het ligt vervolgens op de weg van belanghebbende om bewijs aan te dragen voor haar stelling dat zij de verschuldigde parkeerbelasting wel heeft voldaan. Belanghebbende heeft ter onderbouwing van haar stelling in bezwaar en beroep een kopie van het parkeerkaartje overgelegd. Het hof stelt vast dat de datum en de parkeertijd op het kaartje overeenkomen met de datum en het tijdstip waarop de naheffingsaanslag is opgelegd.

Het hof is echter van oordeel dat het door belanghebbende achteraf overleggen van een parkeerkaartje op zichzelf onvoldoende bewijs vormt dat belanghebbende heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling van de parkeerbelasting, omdat een directe link tussen het overgelegde parkeerkaartje en belanghebbende ontbreekt. Het hof kan hierdoor niet uitsluiten dat het parkeerkaartje op andere wijze – bijvoorbeeld door een derde - is verkregen. Dit betekent dat meer nodig is dan het enkel achteraf overleggen van een parkeerkaartje om het hof ervan te overtuigen dat aan de betalingsverplichting is voldaan. Nu door belanghebbende geen aanvullend bewijs is ingebracht is het hof van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat aan de verplichting om parkeerbelasting te betalen is voldaan. De naheffingsaanslag parkeerbelasting is daarom terecht aan belanghebbende opgelegd.

Tussenconclusie

4.5.. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.

Ten aanzien van het griffierecht

4.6.. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.7.. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.

5. Beslissing

Het hof:

verklaart het hoger beroep ongegrond;

bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door J. Wessels, raadsheer, in tegenwoordigheid van R.J.M. de Fouw, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.

De griffier, De raadsheer,

R.J.M. de Fouw J. Wessels

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

de naam en het adres van de indiener;

de dagtekening;

een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Artikel 20, lid 1, Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Hoge Raad 11 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC1593.

Meer Beslissingen