[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-ghshe-2026-1694":3,"decision-more-ecli-nl-ghshe-2026-1694":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1719","ECLI:NL:GHSHE:2026:1694","",72,"'s-Hertogenbosch","s-hertogenbosch","2026-07-01T00:00:00.000Z","Parketnummer : 20-003327-24\n\nUitspraak : 1 juli 2026\n\nTEGENSPRAAKArrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof's-Hertogenbosch\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 13 december 2024, in de strafzaak met parketnummer 03-268326-22 tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1978,\n\nthans verblijvende in [penitentiaire inrichting] .\n\nHoger beroep\n\nBij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘doodslag’ (feit 1) en ‘een lijk verbranden en wegmaken met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden te verhelen’ (feit 2) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur 14 jaren, met aftrek van voorarrest. De vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] zijn beide toegewezen tot een bedrag van € 52.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2022 en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partijen zijn voor het overige in de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Voorts heeft de rechtbank de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 3] en [benadeelde 3] beide integraal toegewezen tot een bedrag van € 17.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2022 en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De rechtbank heeft de verdachte ten slotte veroordeeld in de kosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op de datum van het vonnis begroot op nihil.\n\nNamens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep integraal zal bevestigen.\n\nDe raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het onder feit 1 primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde (met uitzondering van de onder feit 1 meer subsidiair impliciet tenlastegelegde mishandeling) en het onder feit 2 tenlastegelegde, meer specifiek ‘het oogmerk de oorzaak van het overlijden te verhelen’. Verder heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de omstandigheid dat enkel een deel van feit 1 meer subsidiair en feit 2 kan worden bewezen, de voorlopige hechtenis van de verdachte dient te worden opgeheven en de onder de verdachte inbeslaggenomen voorwerpen aan hem dienen te worden teruggegeven. Met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen heeft de raadsman ten slotte primair bepleit dat deze niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard. Subsidiair heeft de raadsman de vorderingen, voor zover deze niet door de rechtbank zijn toegewezen, betwist. Indien het hof anders dan de rechtbank beslist en een groter gedeelte van de vorderingen zal toewijzen, heeft de raadsman het hof voorwaardelijk verzocht hem in de gelegenheid te stellen (schriftelijk) op die vorderingen te reageren.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.\n\nIn verband met de leesbaarheid van dit arrest, zal het hof hierna het slachtoffer [slachtoffer] ook aanduiden met haar voornaam [slachtoffer] .\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is tenlastegelegd dat:\n\n1. hij in of omstreeks de periode van 11 juni 2022 tot en met 15 juni 2022 te Reuver, gemeente Beesel, althans in Nederland, [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] een of meerdere malen tegen\u002Fop de keel en\u002Fof het gezicht, althans tegen het lichaam te slaan en\u002Fof stompen en\u002Fof verstikkend, samendrukkend en\u002Fof smorend geweld op en\u002Fof tegen de keel en\u002Fof hals en\u002Fof mond en\u002Fof neus van die [slachtoffer] toe te passen en\u002Fof met een scherp en\u002Fof puntig voorwerp in het lichaam van die [slachtoffer] te steken, in ieder geval door geweld toe te passen op\u002Ftegen\u002Faan het lichaam van die [slachtoffer] ;\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\n hij in of omstreeks de periode van 11 juni 2022 tot en met 15 juni 2022 te Reuver, gemeente Beesel, althans in Nederland, opzettelijk [slachtoffer] , zijnde de echtgenote van verdachte, tot wiens onderhoud, verpleging en verzorging verdachte krachtens de wet of overeenkomst verplicht was, in een hulpeloze toestand heeft gebracht en\u002Fof gelaten, door geen adequate en\u002Fof tijdige medische hulp\u002Fverzorging in te schakelen en\u002Fof door lichamelijke verzorging te onthouden, immers,\n\n- is hij, verdachte nadat die [slachtoffer] op de grond terecht is gekomen en\u002Fof bloedde uit haar neus\u002Fmond en\u002Fof schokkende bewegingen maakte met haar armen en\u002Fof benen en\u002Fof niet meer ademhaalde en\u002Fof niet meer bewoog, naar buiten gegaan, althans heeft verdachte de kamer waar die [slachtoffer] op de grond lag, verlaten, terwijl het feit de dood van voornoemde [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad;\n\nmeer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\n hij in of omstreeks in de periode van 11 juni tot en met 15 juni te Reuver, gemeente Beesel, [slachtoffer] heeft mishandeld door haar een of meerdere malen tegen\u002Fop de keel en\u002Fof het gezicht, althans tegen het lichaam te slaan en\u002Fof stompen, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad;\n\n2. hij in of omstreeks de periode van 11 juni 2022 tot en met 15 juni 2022 te Reuver en\u002Fof Münster-Sarsheim (Kreis Mainz-Bingen), althans in Nederland en\u002Fof Duitsland, het lijk van [slachtoffer] heeft verbrand en\u002Fof weggemaakt met het oogmerk om het feit en\u002Fof de oorzaak van het overlijden te verhelen.\n\nDe in de tenlastelegging voorkomende taal- en\u002Fof schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:\n\n1. hij in de periode van 11 juni 2022 tot en met 15 juni 2022 te Reuver, gemeente Beesel, [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door geweld toe te passen op\u002Ftegen\u002Faan het lichaam van die [slachtoffer] ;\n\n2. hij in de periode van 11 juni 2022 tot en met 15 juni 2022 in Nederland en Duitsland het lijk van [slachtoffer] heeft verbrand en weggemaakt, met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden te verhelen.\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewijsmiddelen\n\nOmwille van de leesbaarheid van dit arrest worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aan dit arrest gehechte bewijsmiddelenbijlage. De daarin vervatte bewijsmiddelen maken integraal deel uit van dit arrest.\n\nBewijsoverwegingen\n\nStandpunt advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd om de verdachte, naast het onder feit 2 tenlastegelegde, te weten het verbranden van het lijk met het oogmerk om het feit én de oorzaak van het overlijden te verhelen, ter zake van de onder feit 1 primair tenlastegelegde doodslag te veroordelen. De advocaat-generaal stelt zich voorts op het standpunt dat de aanwijzingen die zich in het dossier bevinden onvoldoende zijn om te komen tot een bewezenverklaring van voorbedachte raad.\n\nStandpunt verdediging\n\nDe raadsman van de verdachte heeft bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken ter zake van het onder feit 1 tenlastegelegde – met uitzondering van de onder feit 1 meer subsidiair impliciet tenlastegelegde mishandeling – alsmede, zo begrijpt het hof, van het onder feit 2 tenlastegelegde, te weten het verbanden van het lijk met het oogmerk om de oorzaak van het overlijden te verhelen. Daartoe is – op gronden zoals nader in de pleitnota omschreven – in de kern het volgende aangevoerd. De verdachte heeft vanaf het eerste contact met de politie naar aanleiding van het overlijden van het slachtoffer telkens opnieuw verklaard dat er onenigheid was, hetgeen heeft geresulteerd in een handgemeen waarbij het slachtoffer de verdachte heeft gebeten en hem in het gezicht heeft gekrast. Het slachtoffer had op enig moment een mes in haar handen en er ontstond een korte worsteling, waarna de verdachte het slachtoffer op haar hals\u002Fkeel\u002Fergens in het aangezicht heeft geslagen. Het slachtoffer belandde op de grond, maar was nog aanspreekbaar. De verdachte heeft het huis verlaten en zich over zijn buiten spelende kinderen bekommerd. Bij terugkomst in de woning heeft hij geconstateerd dat het slachtoffer geen tekenen van leven meer vertoonde. De verdediging stelt zich aldus op het standpunt dat de verdachte het slachtoffer niet heeft gedood laat staan vermoord, in een hulpeloze toestand heeft gebracht en achtergelaten of heeft mishandeld ten gevolge waarvan het slachtoffer is overleden. Er was geen enkel motief voor de verdachte om dit te doen en een overlijden veroorzaakt door geweld van de zijde van verdachte kan op grond van het procesdossier niet worden vastgesteld. Alle onderzoeken hebben geen bewijs opgeleverd voor een gewelddadige dood van [slachtoffer] : zo zijn er geen bloedsporen gevonden. Derhalve kan niet worden uitgesloten dat het slachtoffer spontaan is overleden door een lichamelijk defect dat niet eerder opgespeeld heeft of dat niet eerder is opgemerkt, zoals spontaan hartfalen of ademnood.\n\nTen slotte is er geen enkele redenen om aan te nemen dat er een vorm van geweld is geweest waarbij sprake was van voorbedachten rade.\n\nTen aanzien van feit 2 heeft de verdediging aangevoerd dat er geen bewijs is dat de verdachte het lichaam van [slachtoffer] heeft weggemaakt teneinde de oorzaak van het overlijden te verhelen.\n\nHet hof overweegt dienaangaande als volgt.\n\nJuridisch kader\n\nHet hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen (HR 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR2342, HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963, HR 23 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2761).\n\nHet hof leidt uit de gebezigde bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden af:\n\n- Sinds 24 mei 2022 was het slachtoffer, [slachtoffer] , in het bezit van haar Nederlandse paspoort (bewijsmiddel 8); Zodra zij genaturaliseerd zou zijn, wilde zij [verdachte] verlaten (bewijsmiddelen 14 en 15);\n\n- De broer van [slachtoffer] , [getuige 1] , heeft op 16 augustus 2022 – toen [slachtoffer] al wel was vermist, maar haar lichaam nog niet als zodanig was geïdentificeerd – verklaard dat [slachtoffer] tegen hem had gezegd dat de verdachte haar zou vermoorden als zij bij hem weg zou gaan en dat hij iets over haar heen zou gooien, zodat niemand haar ooit kon vinden (bewijsmiddel 9);\n\n- Op 8 augustus 2023 (bewijsmiddel 11) heeft [getuige 1] verklaard dat [slachtoffer] , de verdachte en de kinderen vanaf 22 april 2022, met de Ramadan, ca. 18 dagen in Tunesië waren. De sfeer was toen erg gespannen omdat de verdachte met niemand wilde praten en steeds schreeuwde. Door de familie is tegen [slachtoffer] gezegd dat zij niet meer terug moest gaan naar Nederland. [getuige 1] heeft tijdens het verhoor van 8 augustus 2023 herhaald hetgeen hij reeds een jaar eerder verklaarde, namelijk dat de verdachte tegen [slachtoffer] zou hebben gezegd dat hij een vloeistof – iets wat brandend is – over haar heen zou gooien;\n\n- De verdachte heeft – in de periode dat hij nog op werk kwam en, zo begrijpt het hof, aldus voorafgaand aan het weekend van 11 en 12 juni 2022 – aan een collega, [getuige 2] , verteld dat hij door hem gemaakte opnames van [slachtoffer] had beluisterd en hoorde dat zij had gezegd dat zij hem zou verlaten zodra zij genaturaliseerd zou zijn en dat hij het niet zou toelaten dat zij daarvan zou kunnen genieten. Eveneens heeft de verdachte tegen diezelfde collega verteld dat degene die haar man verraad, de doodstraf krijgt. De verdachte was volgens [getuige 2] de laatste keer toen hij terugkwam van vakantie (het hof begrijpt: na het vieren van de Ramadan in Tunesië vanaf 22 april 2022) heel boos en verdrietig richting [slachtoffer] . Hij liet [getuige 2] weten dat hij ‘een einde ging maken’. [getuige 2] zag aan zijn gezichtsuitdrukking dat hij iets ging doen (bewijsmiddel 14);\n\n- Nog voordat het lichaam van [slachtoffer] werd geïdentificeerd en [betrokkene 1] , vriend van de verdachte en buurman van de familie van [slachtoffer] , op de hoogte raakte van wat de verdachte met het lichaam van [slachtoffer] had gedaan, heeft [betrokkene 1] in een telefoongesprek op 14 augustus 2022 tegen de verdachte gezegd: “Je vertelde me, [verdachte] : “Als ze haar papieren krijgt, zal ik iets ongelofelijks doen”” en “Je vertelde: “Als zij de papieren krijgt, dan zul je wel zien wat ik zal doen (bewijsmiddel 15)”. De verdachte had dit tegen [betrokkene 1] gezegd tijdens het verblijf in Tunesië tijdens de Ramadan (bewijsmiddel 11);\n\n- De verdachte heeft op 11 juni 2022 voor € 20,00 aan benzine getankt en heeft op 12 juni 2022 om 16:30 uur, toen [slachtoffer] nog in leven was, bij de Lidl in Reuver een aansteker en vuilniszakken van 240 liter gekocht (bewijsmiddelen 17 en 18);\n\n- Op 12 juni 2022 na 16:30 uur heeft verdachte geweld jegens [slachtoffer] uitgeoefend (bewijsmiddel 18);\n\n- Op 12 juni 2022 heeft de verdachte nadat [slachtoffer] was overleden haar lichaam achter de bank in de woonkamer gelegd. Naderhand heeft hij de op 12 juni 2022 gekochte vuilniszakken gebruikt om [slachtoffer] in te pakken en heeft hij het lichaam vervolgens gewikkeld in het tapijt van de woonkamer en op de achterbank van zijn BMW gelegd (bewijsmiddelen 17 en 18);\n\n- Op 14 juni 2022 heeft de verdachte zijn kinderen om 17:25 uur bij [getuige 3] ondergebracht en is daarna direct doorgereden naar Duitsland, omdat naar zijn zeggen Duitsland groot is en het makkelijker zou zijn het lichaam daar in het donker te verstoppen. De verdachte had benzine bij zich (bewijsmiddelen 18, 19 en 20);\n\n- In de nacht van 14 op 15 juni 2022 heeft de verdachte het lichaam van [slachtoffer] onder een viaduct in Duitsland, ongeveer 240 kilometer verwijderd van zijn woonplaats, na het tapijt om haar lichaam te hebben verwijderd, overgoten met benzine uit een jerrycan en het vervolgens met een aansteker in brand gestoken (bewijsmiddel 18);\n\n- Op 15 juni 2022 om 01:43 uur treft de Duitse politie onder een brug van de A61 bij Münster-Sarmsheim een brandend menselijk lichaam aan (bewijsmiddel 1);\n\n- Na de dood van [slachtoffer] zet de verdachte een dwaalspoor uit waarbij hij doet voorkomen alsof [slachtoffer] nog in leven is, een slechte moeder en vrouw was, en vrijwillig is vertrokken: zo doet de verdachte op 19 juni 2022 aangifte van vermissing van zijn vrouw [slachtoffer] . In dat kader vertelde de verdachte dat hij het vermoeden had dat zijn vrouw hem voor een andere man had verlaten, zij zou hebben gewacht totdat zij haar Nederlandse paspoort had ontvangen en dat zij al haar zomerkleding, gouden sieraden en 28.300,00 euro aan cashgeld zou hebben meegenomen. Op 19 juni 2022 en 6 juli 2022 neemt de verdachte uit naam van [slachtoffer] contact op met de familie van [slachtoffer] door hen uit eerdere opnames geconstrueerde spraakberichten te sturen om het te laten lijken dat ze nog leeft en hem heeft verlaten. Met datzelfde doel stuurt hij berichten vanuit zijn eigen telefoon naar de Huawei van [slachtoffer] , waarin hij bericht dat hij contact met haar wil, wil praten, van haar houdt en haar mist. Op 25 augustus 2022 doet de verdachte een valse aangifte van diefstal jegens [slachtoffer] . Hij levert die dag ook een USB-stick aan bij de politie waarop te horen zou zijn dat [slachtoffer] haar kinderen zou mishandelen. (bewijsmiddelen 9,17, 21, 22, 23, 24, 25 en 26);\n\n- Op 7 oktober 2022 wordt het lichaam van [slachtoffer] geïdentificeerd (bewijsmiddel 1);\n\n- Uit de rapportages van de deskundigen [deskundige 1] en [deskundige 2] , het huisartsenjournaal betreffende het slachtoffer, en de getuigenissen van de broer van [slachtoffer] en drie vrouwen die haar hebben gekend volgt dat [slachtoffer] voorafgaande aan haar overlijden een gezonde vrouw was, zonder (noemenswaardige) lichamelijke klachten, een concrete doodsoorzaak niet kon worden vastgesteld, een levensdelict in geen geval kan worden uitgesloten ( [deskundige 1] ), en dat het overlijden van [slachtoffer] waarschijnlijker is als gevolg van een niet-ziekelijke oorzaak dan gegeven een ziekelijke oorzaak en waarschijnlijker is als gevolg van een traumatische oorzaak dan gegeven een niet-traumatische oorzaak ( [deskundige 2] ) (bewijsmiddelen 2, 3, 4, 6, 7 en 10).\n\nHet hof leidt uit vorenstaande feiten en omstandigheden af dat de verdachte rond de vakantie in Tunesië, ergens in eind april\u002Fmei 2022, toen de verdachte duidelijk was dat zijn vrouw [slachtoffer] hem na de verkrijging van haar paspoort zou willen verlaten, het plan heeft opgevat om haar na terugkomst in Nederland van het leven te beroven en te zorgen dat haar lichaam niet meer zou worden teruggevonden, en dat hij vervolgens vanaf 11 juni 2022 uitvoering heeft gegeven aan dat plan, inclusief het opzetten van een dwaalspoor om de verdwijning van [slachtoffer] in een hem ontlastend kader te plaatsen.\n\nBij de weging en waardering van de omstandigheden, ter beantwoording van de vraag of er sprake is van voorbedachte raad in onderhavige zaak, stuit het hof enkel op aanwijzingen en bewijsmiddelen die buiten redelijke twijfel de conclusie onontkoombaar maken dat de verdachte het plan heeft opgevat [slachtoffer] van het leven te beroven en daaraan uitvoering heeft gegeven, terwijl aanwijzingen van enig gewicht dat verdachte heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling volledig ontbreken. Dat maakt dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan moord, het aan hem onder feit 1 primair tenlastegelegde.\n\nBespreking verweren verdediging\n\nAnders dan de raadsman betoogt, is er geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat het gesprek tussen de verdachte en [betrokkene 1] op 14 augustus 2022 erop was gericht verdenkingen van de familie te onderbouwen, en – zo begrijpt het hof – dit gesprek als ongeloofwaardig te betitelen. Dit gelet op de context die de broer van [slachtoffer] (in bewijsmiddel 11) schetst van dit gesprek en het feit dat een collega van de verdachte omstreeks diezelfde tijd voor de vermissing van [slachtoffer] soortgelijke uitspraken uit de mond van de verdachte heeft opgevangen (bewijsmiddel 14).\n\nDat de verdachte de vuilniszakken, aansteker en benzine had gekocht voor het reguliere huishouden, zoals de verdediging stelt, acht het hof ongeloofwaardig, gelet op het feit dat de verdachte deze middelen kort voor de levensberoving aanschaft en daarvan bijna onmiddellijk daarna gebruik maakt. Het aanschaffen van benzine, een aansteker en zeer grote vuilniszakken op 11 en 12 juni 2022, op momenten dat [slachtoffer] nog in leven is, en het aanwenden hiervan in de daarop volgende gebeurtenissen kunnen niet anders dan ter uitvoering van het eerder opgevatte plan worden geduid.\n\nDe verdediging stelt zich verder op het standpunt dat niet kan worden uitgesloten dat [slachtoffer] spontaan is overleden door een lichamelijk defect dat niet eerder opgespeeld heeft of dat niet eerder is opgemerkt, zoals spontaan hartfalen of, zoals verdachte heeft verklaard, ademnood. De verdachte heeft – samengevat – immers verklaard dat hij en [slachtoffer] op 12 juni 2022 in een worsteling zijn geraakt, waarbij hij haar op enig moment tegen haar neus\u002Fmond\u002Fhals\u002Fkeel heeft geslagen. [slachtoffer] zou daarna, omdat zij last had van ademhalingsproblemen, tegen de bank aan in elkaar zijn gezakt, waar zij schokkende bewegingen maakte met haar armen en benen. Zij bood vervolgens haar excuses aan en zei dat ze naar de verdachte zou luisteren. De verdachte is hierna met zijn kinderen een ijsje gaan halen. Toen hij terugkwam, was [slachtoffer] dood. De verdachte stelt dat [slachtoffer] is overleden aan ademhalingsproblemen, astma dan wel hyperventilatieproblemen. De verdachte heeft geen geweld gebruikt jegens zijn vrouw dat de dood ten gevolge heeft gehad. Alle forensische onderzoeken hebben hiervoor geen bewijs opgeleverd, aldus de raadsman. Zo zijn geen bloedsporen gevonden.\n\nHoe (met welk geweld) de verdachte [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, is niet komen vast te staan. Het hof acht de verklaring van de verdachte dat hij [slachtoffer] enkel tegen haar neus\u002Fmond\u002Fkeel heeft geslagen en dat zij zou zijn overleden aan ademhalingsproblemen, astma dan wel hyperventilatieproblemen, evenwel volstrekt ongeloofwaardig. Niet alleen volgt uit de bewijsmiddelen dat zij niet bekend was met dergelijke problemen. Bovendien geldt dat eventuele hyperventilatieproblemen volgens de deskundigen niet tot de dood hebben kunnen leiden. Ook het standpunt van de verdediging hieromtrent volgt het hof niet. Hoewel een concrete doodsoorzaak, door de verbranding van het stoffelijk overschot, niet kon worden vastgesteld, volgt uit de deskundigenrapportages wel dat er op grond van de bevindingen van de autopsie, waarbij de belangrijke organen nog voldoende intact waren om te onderzoeken, geen ziekelijke oorzaak kan worden aangetoond die van belang zou kunnen zijn geweest voor het overlijden. Een dergelijke ziekelijke oorzaak kan eveneens niet op grond van het medische dossier van [slachtoffer] worden geconcludeerd. Daar komt bij dat [slachtoffer] ten tijde van haar overlijden slechts 35 jaar oud was. Een dergelijk door de verdediging gesteld spontaan overlijden betreft derhalve een hoogst onwaarschijnlijke mogelijkheid.\n\nHet hof is aldus van oordeel dat, gelet op de rapportages van de deskundigen [deskundige 1] en [deskundige 2] alsmede de overige bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, het niet anders kan zijn dan dat de verdachte [slachtoffer] in hun woning opzettelijk (vol opzet) om het leven heeft gebracht door geweld toe te passen op\u002Ftegen\u002Faan haar lichaam, teneinde aan zijn plan om haar te doden, uitvoering te geven.\n\nUit de gebezigde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang volgt tevens genoegzaam dat de verdachte het lichaam van [slachtoffer] heeft verbrand en weggemaakt, niet alleen met het oogmerk om het feit van het overlijden, maar tevens om de oorzaak daarvan te verhelen.\n\nResumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.\n\nHet hof verwerpt mitsdien de door de verdediging gevoerde verweren in al hun onderdelen. Al hetgeen overigens door de verdediging is aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.\n\nDe verdediging heeft ten slotte nog een voorwaardelijk verzoek gedaan: indien het hof van oordeel is dat de rapportages van [deskundige 2] een andere conclusie rechtvaardigen dan die van [deskundige 1] , wenst de verdediging laatstgenoemde te horen over het verschil. Het hof wijst dit verzoek af. Beide deskundigen komen tot de conclusie dat inwerking van mechanisch geweld\u002Fwurgen\u002Fsmoren als doodsoorzaak en daarmee een levensdelict niet kan worden uitgesloten terwijl postmortale computertomografie \u002F forensische obductie \u002F uitgebreid macroscopisch en lichtmicroscopisch onderzoek van de organen geen ziekelijke doodsoorzaak hebben aangetoond en [deskundige 2] is wat explicieter, door te overwegen dat de belangrijke organen nog goed genoeg te onderzoeken waren; dat op grond van het haar ter beschikking gestelde medische dossier er geen ziekelijke afwijking was die van belang kon zijn voor het overlijden, en dat ook uit het verrichte toxicologische onderzoek geen toxicologische oorzaak van\u002Fbijdrage aan het overlijden is gebleken. Aldus komt zij tot de door haar gedane weging van de twee hypothesen die alleen aan haar zijn voorgelegd. Voor zover de verdediging de deskundigheid van [deskundige 2] in twijfel trekt: het hof heeft geen enkele aanleiding hieraan te twijfelen gelet op haar registratie en lange staat van dienst. Ook overigens ziet het hof voor de beantwoording van de vragen van 348 en 350 Wetboek van Strafvordering geen noodzaak om [deskundige 1] nader te horen, mede in het licht van de overige bewijsmiddelen.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 1 primair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\nmoord.\n\nHet onder 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\neen lijk verbranden en wegmaken met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden te verhelen.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nHet hof heeft kennisgenomen van het de verdachte betreffende psychiatrisch en psychologisch onderzoek Pro Justitia van respectievelijk 20 april 2023 en 18 april 2023. Daaruit komt samengevat als conclusie naar voren dat bij de verdachte geen sprake is van een psychische stoornis, verstandelijke handicap en\u002Fof psychogeriatrische aandoening en dat de tenlastegelegde feiten hem volledig kunnen worden toegerekend.\n\nEr zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.\n\nOp te leggen straf\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd het vonnis van de rechtbank te bevestigen en derhalve aan de verdachte ter zake van de onder feit 1 tenlastegelegde doodslag en het onder feit 2 tenlastegelegde een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren op te leggen.\n\nDe raadsman van de verdachte heeft bepleit dat enkel het onder feit 2 tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard, de verdachte de maximumstraf voor dat feit reeds heeft uitgezeten en de voorlopige hechtenis derhalve dient te worden opgeheven. Voor het overige heeft de raadsman geen straftoemetingsverweer gevoerd.\n\nHet hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.\n\nTen laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de moord op zijn partner [slachtoffer] . De verdachte heeft [slachtoffer] ergens in de periode van 11 juni 2022 tot 15 juni 2022 met voorbedachten rade om het leven gebracht. Met deze daad heeft de verdachte [slachtoffer] het meest kostbare dat een mens bezit, namelijk het recht op leven, ontnomen.\n\nNadat dat de verdachte [slachtoffer] om het leven had gebracht, heeft hij haar lichaam achter het bankstel in de woonkamer van hun woning, waar op dat moment ook hun zoontjes van 4 en 6 woonachtig waren, verborgen gehouden. Enkele dagen na het overlijden begon het lichaam van [slachtoffer] te ontbinden, waarna de verdachte het lichaam heeft ingepakt in vuilniszakken, vervolgens in een tapijt heeft gerold en op de achterbank van zijn auto heeft gelegd. Met zijn twee zoontjes op de bijrijdersstoel rijdt hij het lichaam onder andere van en naar school. Uiteindelijk rijdt de verdachte ongeveer 240 kilometer met het lichaam van [slachtoffer] en dumpt haar lichaam midden in de nacht onder een viaduct in Duitsland, waarna hij benzine over het lichaam gooit, het vervolgens in brand steekt en vertrekt. Haar lichaam wordt diezelfde nacht nog gevonden, maar pas maanden later, in oktober 2022, geïdentificeerd.\n\nIn de maanden na het verbranden van haar lichaam doet de verdachte alsof [slachtoffer] vrijwillig is vertrokken en geeft haar als vermist op bij de politie. Hij schetst tegenover de politie een beeld van een vrouw die haar kinderen mishandelde, haar gezin zou hebben verlaten voor een andere man en daarbij een groot geldbedrag en goud zou hebben meegenomen. De verdachte doet daarvan zelfs valse aangifte bij de politie en levert de politie meerdere geluidsbestanden aan om zijn leugens kracht bij te zetten. Tegenover de familie van [slachtoffer] doet de verdachte, door het sturen van spraakberichten van [slachtoffer] , het voorkomen dat [slachtoffer] zelf is weggegaan en nog in leven is. Aan de kinderen vertelde de verdachte dat mama zou zijn vertrokken naar Tunesië. Het hof acht dit handelen van de verdachte bijzonder kwalijk: niet alleen ontnam hij [slachtoffer] het leven, maar daarna bezoedelde hij ook nog haar reputatie om zelf vrijuit te kunnen gaan.\n\nDe verdachte heeft het leven van een jonge vrouw beëindigd en daarmee onherstelbaar leed en onomkeerbaar verlies toegebracht aan de twee zoontjes en familie van het slachtoffer. Dit blijkt ook uit de door de broer en zus van het slachtoffer ter terechtzitting voorgedragen slachtofferverklaringen. De verdachte heeft de nabestaanden van [slachtoffer] bovendien – door de wijze waarop hij met het stoffelijk overschot van [slachtoffer] is omgegaan – de mogelijkheid ontnomen om op een waardige wijze afscheid van [slachtoffer] te nemen.\n\nDe verdachte heeft iedere betrokkenheid bij de dood van [slachtoffer] ontkend, waardoor tot op heden onduidelijk is gebleven wat zich tussen de verdachte en [slachtoffer] heeft afgespeeld en wat heeft geleid tot haar dood. Dit heeft de verwerking van het verlies van [slachtoffer] en van de feiten die jegens haar zijn gepleegd voor de nabestaanden extra bemoeilijkt, temeer nu [slachtoffer] in de periode voor haar overlijden regelmatig aan haar familie liet weten bang te zijn voor de verdachte en te vrezen voor haar leven. De nabestaanden zullen in onzekerheid achterblijven met vragen over wat [slachtoffer] precies is overkomen en wat zij in de laatste momenten van haar leven heeft doorgemaakt. De verdachte heeft hiermee onnodig extra leed bij de nabestaanden veroorzaakt. De verdachte heeft geen enkel berouw getoond. Het hof realiseert zich dat geen straf ooit recht zal kunnen doen aan het persoonlijk leed van de nabestaanden.\n\nTen aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 3 februari 2026, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.\n\nVoorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan één van de ernstigste delicten die het Nederlandse Wetboek van Strafrecht kent. Het opzettelijk en met voorbedachte raad benemen van iemands leven is immers de meest ernstige en onomkeerbare aantasting van het hoogste rechtsgoed, te weten het recht op leven. Dit blijkt ook uit de strafbedreiging die op het delict moord is gesteld, te weten een levenslange gevangenisstraf of een tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste 30 jaren. Reeds hierom kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van zeer lange duur met zich brengt. Nu het hof anders dan de advocaat-generaal van oordeel is dat moord in plaats van doodslag bewezen dient te worden verklaard, doet de door advocaat-generaal gevorderde straf naar het oordeel van het hof geen recht aan de ernst van het bewezenverklaarde zoals hiervoor uiteengezet.\n\nAlles afwegende acht het hof in beginsel oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 22 jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.\n\nMet betrekking tot het procesverloop overweegt het hof evenwel het navolgende.\n\nHet hof stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Het hof gaat in dit geval uit van een termijn van 16 maanden per instantie, nu de verdachte het gehele proces in voorarrest heeft doorgebracht.\n\nHet hof stelt in de onderhavige zaak vast dat de redelijke termijn zowel in eerste aanleg als in hoger beroep is overschreden (in eerste aanleg met bijna 10 maanden en in hoger beroep met ongeveer 2,5 maand), terwijl geen bijzondere omstandigheden aanwezig worden geacht die deze overschrijdingen rechtvaardigen. Er is dan ook in twee instanties sprake van een overschrijding van de redelijke termijn voor berechting, als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Het hof is van oordeel dat dit dient te worden verdisconteerd in de strafoplegging.\n\nZonder schending van de redelijke termijn zou, zoals hiervoor door het hof is overwogen, een gevangenisstraf voor de duur van 22 jaren, met aftrek van voorarrest, passend zijn geweest. Nu evenwel de redelijke termijn in twee instanties is geschonden, zal worden volstaan met oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 21 jaren en 6 maanden, met aftrek van voorarrest.\n\nTenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.\n\nBeslag\n\nMet betrekking tot de op de beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen 6 tot en met 20, in het dictum nader omschreven, is het hof van oordeel dat deze dienen te worden teruggegeven aan de verdachte, nu is gebleken dat die voorwerpen aan de verdachte toebehoren en het belang van strafvordering zich tegen teruggave hiervan niet verzet.\n\nHet hof is voorts van oordeel dat van de op de beslaglijst vermelde inbeslaggenomen voorwerpen 22 tot en met 35, in het dictum nader omschreven, niet genoegzaam is komen vast te staan wie in juridische zin als rechthebbende(n) kan\u002Fkunnen worden aangemerkt. Het hof zal derhalve ten aanzien van deze voorwerpen de bewaring daarvan ten behoeve van de rechthebbende(n) gelasten.\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]\n\nDe benadeelde partij [benadeelde 1] (zoon van [slachtoffer] ) heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 206.155,50, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering valt uiteen in de volgende posten:\n\n€ 50.000,00 aan materiële schade (shockschade);\n\n€ 76.538,00 (primair) aan gederfd levensonderhoud in natura, € 40.580,00 (subsidiair);\n\n€ 2.117,50 (primair) aan kosten Laumen expertise, € 1.058,75 (subsidiair);\n\n€ 25.000,00 aan immateriële schade (shockschade);\n\n€ 32.500,00 aan immateriële schade (aantasting in persoon);\n\n€ 20.000,00 aan affectieschade\n\nBij vonnis waarvan beroep is de vordering toegewezen tot een bedrag van € 52.500,00 (posten v. en vi.) aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2022.\n\nDe benadeelde partij heeft de vordering in hoger beroep gehandhaafd. Namens de benadeelde partij is verzocht op dit moment een bedrag van € 131.155,50 (posten ii., iii. (primair), v. en vi.) toe te wijzen en het overige deel van de vordering vooralsnog niet-ontvankelijk te verklaren, aangezien dat deel van de vordering op dit moment niet is onderbouwd.\n\nDe raadsman van de verdachte heeft het hof, indien het hof anders dan de rechtbank beslist en een groter gedeelte van de vordering zal toewijzen, verzocht hem in de gelegenheid te stellen (schriftelijk) op de vordering te reageren.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nPosten i. en iv.\n\nIn overeenstemming met hetgeen namens de benadeelde partij is aangevoerd, zal het hof de vordering voor zover deze ziet op de posten i. en iv. niet-ontvankelijk verklaren.\n\nPost ii en iii.\n\nTen aanzien van post ii. kan het hof op grond van de namens de benadeelde partij overgelegde stukken niet vaststellen of er door de benadeelde partij gederfd levensonderhoud in natura, zoals bedoeld in artikel 6:108, eerste lid, onder d, BW, is of zal worden geleden. Nader onderzoek daarnaar zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren, zodat het hof de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren en zal bepalen dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nHet hof stelt vast dat voor de berekening van het gederfde levensonderhoud (post ii.) een rekenkundig bureau is ingeschakeld (post iii.). Hoewel het hof van oordeel is dat onderzoek naar post ii. een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, betekent daarmee niet dat de kosten onder post iii. ten onrechte zijn gemaakt in het kader van de vaststelling van de geleden schade. Het hof zal die post derhalve voor het subsidiaire bedrag, te weten\n\n€ 1.058,75, toewijzen, zodat aan ieder van de kinderen de helft van het bedrag van de totale factuur van € 2.117,50 wordt toegekend. Het toe te wijzen bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 augustus 2024.\n\nHet verzoek van de raadsman om hem in de gelegenheid te stellen op deze toewijzing schriftelijk te reageren, wijst het hof af. De raadsman heeft terzake van deze vordering ter zitting in hoger beroep voldoende gelegenheid gehad zijn standpunt hierover te bepalen.\n\nPost v.\n\nIngevolge het bepaalde in artikel 6:106 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) heeft de benadeelde voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde “op andere wijze in zijn persoon is aangetast”.\n\nHet hof stelt voorop dat van ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ zoals bedoeld in artikel 6:106 aanhef en onder b BW slechts sprake is als het slachtoffer als gevolg van het strafbaar feit naar objectieve maatstaven vast te stellen geestelijk letsel oploopt. Het bestaan van geestelijk letsel in voormelde zin zal de benadeelde moeten onderbouwen met medische stukken, waaruit dergelijk letsel blijkt. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.\n\nHet hof overweegt dat de benadeelde partij door toedoen van de verdachte, zijn vader, op een gruwelijke wijze zijn moeder heeft verloren. Het handelen van de verdachte heeft onomkeerbare gevolgen voor de benadeelde partij. Hiermee is de benadeelde partij niet alleen zijn moeder kwijtgeraakt, maar is ook zijn relatie met zijn vader ingrijpend veranderd. De benadeelde partij is samen met zijn broertje sinds de aanhouding van de verdachte meermalen verhuisd en van school gewisseld. Tevens zijn de benadeelde partij en zijn broertje door de verdachte in onwetendheid gelaten over het lot van hun moeder en hebben zij geen afscheid van haar kunnen nemen. Gelet op vorenstaande is het hof van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelden zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW kan worden aangenomen. Het hof acht het billijk deze immateriële schade te begroten op het gevorderde bedrag van € 32.500,00.\n\nPost vi.\n\nArtikel 6:108 BW geeft een regeling voor schadevergoeding die nabestaanden kunnen vorderen als gevolg van het overlijden van iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hen aansprakelijk is.\n\nOp 1 januari 2019 is de Wet affectieschade en verplaatste schade in werking getreden. Op grond van deze wet is het voor naasten van slachtoffers met ernstig en blijvend letsel en nabestaanden van overleden slachtoffers mogelijk om vergoeding van immateriële schade in de vorm van affectieschade te vorderen. Het letsel of het overlijden van het slachtoffer moet dan het gevolg zijn van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is.\n\nDe kring van gerechtigden die zonder meer aanspraak kan maken op vergoeding van affectieschade is in het Besluit vergoeding affectieschade uitdrukkelijk beperkt tot (pleeg\u002Fstief)ouders en -kinderen, echtgenoten en geregistreerd partners. Voor de toekenning van affectieschade gelden de bedragen genoemd in het Besluit vergoeding affectieschade.\n\nHet hof stelt vast dat de benadeelde partij, een kind van het overleden slachtoffer, tot de kring van gerechtigden behoort. Het gevorderde bedrag van € 20.000,00 is in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade en is door de verdediging niet betwist. Dit bedrag zal door het hof derhalve worden toegewezen.\n\nDe totaal toe te wijzen immateriële schade (posten v. en vi.), te weten € 52.500,00, zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2022.\n\nProceskosten\n\nDe verdachte zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten op de wijze als in het dictum van dit arrest is vermeld.\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]\n\nDe benadeelde partij [benadeelde 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 217.451,50, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering valt uiteen in de volgende posten:\n\n€ 50.000,00 aan materiële schade (shockschade);\n\n€ 87.834,00 (primair) aan gederfd levensonderhoud in natura, € 46.569,00 (subsidiair);\n\n€ 2.117,50 (primair) aan kosten Laumen expertise, € 1.058,75 (subsidiair);\n\n€ 25.000,00 aan immateriële schade (shockschade);\n\n€ 32.500,00 aan immateriële schade (aantasting in persoon);\n\n€ 20.000,00 aan affectieschade\n\nBij vonnis waarvan beroep is de vordering toegewezen tot een bedrag van € 52.500,00 aan immateriële schade (posten v. en vi.), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2022.\n\nDe benadeelde partij heeft de vordering in hoger beroep gehandhaafd. Namens de benadeelde partij is verzocht op dit moment een bedrag van € 142.451,50 (posten ii., iii. (primair), v. en vi.) toe te wijzen en het overige deel van de vordering vooralsnog niet-ontvankelijk te verklaren, aangezien dat deel van de vordering op dit moment niet is onderbouwd.\n\nDe raadsman van de verdachte heeft het hof, indien het hof anders dan de rechtbank beslist en een groter gedeelte van de vordering zal toewijzen, verzocht hem in de gelegenheid te stellen (schriftelijk) op de vordering te reageren.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nPosten i. en iv.\n\nIn overeenstemming met hetgeen namens de benadeelde partij is aangevoerd, zal het hof de vordering voor zover deze ziet op de posten i. en iv. niet-ontvankelijk verklaren.\n\nPost ii en iii.\n\nTen aanzien van post ii. kan het hof op grond van de namens de benadeelde partij overgelegde stukken niet vaststellen of er door de benadeelde partij gederfd levensonderhoud in natura, zoals bedoeld in artikel 6:108, eerste lid, onder d, BW, is of zal worden geleden. Nader onderzoek daarnaar zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren, zodat het hof de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren en zal bepalen dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nHet hof stelt vast dat voor de berekening van het gederfde levensonderhoud (post ii.) een rekenkundig bureau is ingeschakeld (post iii.). Hoewel het hof van oordeel is dat onderzoek naar post ii. een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, betekent daarmee niet dat de kosten onder post iii. ten onrechte zijn gemaakt in het kader van de vaststelling van de geleden schade. Het hof zal die post derhalve voor het subsidiaire bedrag, te weten € 1.058,75, toewijzen, zodat aan ieder van de kinderen de helft van het bedrag van de totale factuur van € 2.117,50 wordt toegekend. Het toe te wijzen bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 augustus 2024.\n\nHet verzoek van de raadsman om hem in de gelegenheid te stellen op deze toewijzing schriftelijk te reageren, wijst het hof af. De raadsman heeft terzake van deze vordering ter zitting in hoger beroep voldoende gelegenheid gehad zijn standpunt hierover te bepalen.\n\nPost v.\n\nIngevolge het bepaalde in artikel 6:106 aanhef en onder b BW heeft de benadeelde voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde “op andere wijze in zijn persoon is aangetast”.\n\nHet hof stelt voorop dat van ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ zoals bedoeld in artikel 6:106 aanhef en onder b BW slechts sprake is als het slachtoffer als gevolg van het strafbaar feit naar objectieve maatstaven vast te stellen geestelijk letsel oploopt. Het bestaan van geestelijk letsel in voormelde zin zal de benadeelde moeten onderbouwen met medische stukken, waaruit dergelijk letsel blijkt. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.\n\nHet hof overweegt dat de benadeelde partij door toedoen van de verdachte, zijn vader, op gruwelijke wijze zijn moeder heeft verloren. Het handelen van de verdachte heeft onomkeerbare gevolgen voor de benadeelde partij. Hiermee is de benadeelde partij niet alleen zijn moeder kwijtgeraakt, maar is ook zijn relatie met zijn vader ingrijpend veranderd. De benadeelde partij is samen met zijn broertje sinds de aanhouding van de verdachte meermalen verhuisd en van school gewisseld. Tevens zijn de benadeelde partij en zijn broertje door de verdachte in onwetendheid gelaten over het lot van hun moeder en hebben zij geen afscheid van haar kunnen nemen. Gelet op vorenstaande is het hof van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelden zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek kan worden aangenomen. Het hof acht het billijk deze immateriële schade te begroten op het gevorderde bedrag van € 32.500,00.\n\nPost vi.\n\nArtikel 6:108 BW geeft een regeling voor schadevergoeding die nabestaanden kunnen vorderen als gevolg van het overlijden van iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hen aansprakelijk is.\n\nOp 1 januari 2019 is de Wet affectieschade en verplaatste schade in werking getreden. Op grond van deze wet is het voor naasten van slachtoffers met ernstig en blijvend letsel en nabestaanden van overleden slachtoffers mogelijk om vergoeding van immateriële schade in de vorm van affectieschade te vorderen. Het letsel of het overlijden van het slachtoffer moet dan het gevolg zijn van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is.\n\nDe kring van gerechtigden die zonder meer aanspraak kan maken op vergoeding van affectieschade is in het Besluit vergoeding affectieschade uitdrukkelijk beperkt tot (pleeg\u002Fstief)ouders en -kinderen, echtgenoten en geregistreerd partners. Voor de toekenning van affectieschade gelden de bedragen genoemd in het Besluit vergoeding affectieschade.\n\nHet hof stelt vast dat de benadeelde partij, een kind van het overleden slachtoffer, tot de kring van gerechtigden behoort. Het gevorderde bedrag van € 20.000,00 is in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade en is door de verdediging niet betwist. Dit bedrag zal door het hof derhalve worden toegewezen.\n\nDe totaal toe te wijzen immateriële schade (posten v. en vi.),te weten € 52.500,00, zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2022.\n\nProceskosten\n\nDe verdachte zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten op de wijze als in het dictum van dit arrest is vermeld.\n\nVordering van de benadeelde partijen [benadeelde 4] en [benadeelde 3]\n\nDe benadeelde partijen [benadeelde 4] en [benadeelde 3] hebben in eerste aanleg ieder een aparte vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 17.500,00 aan affectieschade, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\nDe vorderingen zijn bij vonnis waarvan beroep integraal toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nArtikel 6:108 BW geeft een regeling voor schade die nabestaanden kunnen vorderen als gevolg van het overlijden van iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hen aansprakelijk is.\n\nOp 1 januari 2019 is de Wet affectieschade en verplaatste schade in werking getreden. Op grond van deze wet is het voor naasten van slachtoffers met ernstig en blijvend letsel en nabestaanden van overleden slachtoffers mogelijk om vergoeding van immateriële schade in de vorm van affectieschade te vorderen. Het letsel of het overlijden van het slachtoffer moet dan het gevolg zijn van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is.\n\nDe kring van gerechtigden die zonder meer aanspraak kan maken op vergoeding van affectieschade is in het Besluit vergoeding affectieschade uitdrukkelijk beperkt tot (pleeg\u002Fstief)ouders en -kinderen, echtgenoten en geregistreerd partners. Voor de toekenning van affectieschade gelden de bedragen genoemd in het Besluit vergoeding affectieschade.\n\nMet de rechtbank stelt het hof vast dat de benadeelde partijen, de vader ( [benadeelde 4] ) en moeder ( [benadeelde 3] ) van het overleden slachtoffer, tot de kring van gerechtigden behoren. Het door hen gevorderde bedrag van € 17.500,00 is in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade en is door de verdediging niet betwist. Het hof zal dit bedrag derhalve aan ieder van de benadeelde partijen toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2022.\n\nProceskosten\n\nDe verdachte zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten op de wijze als in het dictum van dit arrest is vermeld.\n\nAlgemene overwegingen schadevergoedingsmaatregel en gijzeling\n\nHet hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ten behoeve van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 4] en [benadeelde 3] , nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan de slachtoffers bevordert. Het hof zal daarbij bevelen dat gijzeling zal worden toegepast als de verdachte in gebreke blijft bij betaling en geen verhaal biedt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de op te leggen verplichting tot schadevergoeding niet opheft. Het hof heeft acht geslagen op de artikelen 36f, vijfde lid, en 60a van het Wetboek van Strafrecht. Daaruit volgt dat de totale duur van de gijzeling maximaal een jaar betreft. Het hof zal dit maximale aantal dagen gijzeling, te weten 365 dagen, op de navolgende wijze evenredig verdelen over de maatregelen van de toegewezen vorderingen, nu het totale aantal dagen gijzeling zonder toepassing van dit maximum boven 365 dagen zou uitstijgen:\n\nTen behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 1] : 137 dagen gijzeling\n\nTen behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 2] : 137 dagen gijzeling\n\nTen behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 4] : 46 dagen gijzeling\n\nTen behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 3] : 45 dagen gijzeling\n\nDe schadevergoedingsmaatregel en het aantal dagen gijzeling zullen nader worden genoemd in het dictum.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 57, 60a, 151 en 289 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nvernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nverklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan;\n\nverklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nverklaart het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van21 (eenentwintig) jaren en 6 (zes) maanden;\n\nbeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;\n\ngelast de teruggaveaan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:\n\n6. 1 STK Kleding (Omschrijving: PL2300-2022162540-G1549166, rood, merk: hoody met opschrift);\n\n7. 1 STK Kleding (Omschrijving: PL2300-2022162540-G1549167, blauw);\n\n8. 1 STK Kleding (Omschrijving: PL2300-2022162540-G1549169, zwart);\n\n9. 2 STK Schoenen (Omschrijving: PL2300-2022162540-G1549170, wit, merk: onbekend sport);\n\n10. 2 STK Kleding (Omschrijving: PL2300-2022162540-G1549172, bruin);\n\n11. 1 STK GSM (Omschrijving: PL2300-2022162540-G1549183, blauw, merk: Samsung);\n\n12. 1 STK Sleutelbos (Omschrijving: PL2300-2022162540-G1549194);\n\n13. 1 STK Schoenen (Omschrijving: PL2300-2022162540-G1562584, wit);\n\n14. 1 STK Schoenen (Omschrijving: PL2300-2022162540-G1562587, wit);\n\n15. 1 STK Kleding (Omschrijving: PL2300-2022162540-G1562599);\n\n16. 1 STK Kleding (Omschrijving: PL2300-2022162540-G1562600, zwart);\n\n17. 1 STK Kleding (Omschrijving: PL2300-2022162540-G1562601, rood);\n\n18. 1 STK Kleding (Omschrijving: PL2300-2022162540-G1562603, blauw);\n\n19. 1 STK Kleiding (Omschrijving: PL2300-2022162540-G1562604, blauw, merk: Springfield);\n\n20. 2 STK Kleding (Omschrijving: PL2300-2022162540-G1562608, zwart);\n\ngelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbendevan de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:\n\n22. 1 STK Ring (Omschrijving: PL2300-LB1R022090_758357, goud);\n\n23. 1 STK Ring (Omschrijving: PL2300-LB1R022090_758360, goud);\n\n24. 1 STK Ring (Omschrijving: PL2300-LB1R022090_758361, goud);\n\n25. 1 STK Ring (Omschrijving: PL2300-LB1R022090_758358, goud);\n\n26. 1 STK Ring (Omschrijving: PL2300-LB1R022090_758347, goud);\n\n27. 1 STK Ring (Omschrijving: PL2300-LB1R022090_758346, goud);\n\n28. 1 STK Ring (Omschrijving: PL2300-LB1R022090_758340, goud);\n\n29. 1 STK Ring (Omschrijving: PL2300-LB1R022090_758342, goud);\n\n30. 1 STK Ring (Omschrijving: PL2300-LB1R022090_758349, goud);\n\n31. 1 STK Ring (Omschrijving: PL2300-LB1R022090_758351, goud);\n\n32. 1 STK Ring (Omschrijving: PL2300-LB1R022090_758354, goud);\n\n33. 1 STK Ring (Omschrijving: PL2300-LB1R022090_758362, goud);\n\n34. ,1 EUR (Omschrijving: PL2300-LB1R022090_741378, ibn 19-10-22);\n\n35. 7,75 EUR (Omschrijving: PL2300-LB1R022090_741443, ibn 19-10-22);\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]\n\nwijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 53.558,75 (drieënvijftigduizend vijfhonderdachtenvijftig euro en vijfenzeventig cent) bestaande uit € 1.058,75 (duizend achtenvijftig euro en vijfenzeventig cent) materiële schade en € 52.500,00 (tweeënvijftigduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;\n\nverklaart de vordering tot schadevergoeding voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt, voor zover de vordering ziet op het gederfde levensonderhoud in natura, dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;\n\nveroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;\n\nlegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 53.558,75 (drieënvijftigduizend vijfhonderdachtenvijftig euro en vijfenzeventig cent) bestaande uit € 1.058,75 (duizend achtenvijftig euro en vijfenzeventig cent) materiële schade en € 52.500,00 (tweeënvijftigduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;\n\nbepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 137 (honderdzevenendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;\n\nbepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;\n\nbepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op\n\n20 augustus 2024 en van de immateriële schade op 15 juni 2022;\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]\n\nwijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 53.558,75 (drieënvijftigduizend vijfhonderdachtenvijftig euro en vijfenzeventig cent) bestaande uit € 1.058,75 (duizend achtenvijftig euro en vijfenzeventig cent) materiële schade en € 52.500,00 (tweeënvijftigduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;\n\nverklaart de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt, voor zover de vordering ziet op het gederfde levensonderhoud in natura, dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;\n\nveroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;\n\nlegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 53.558,75 (drieënvijftigduizend vijfhonderdachtenvijftig euro en vijfenzeventig cent) bestaande uit € 1.058,75 (duizend achtenvijftig euro en vijfenzeventig cent) materiële schade en € 52.500,00 (tweeënvijftigduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;\n\nbepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 137 (honderdzevenendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;\n\nbepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;\n\nbepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op\n\n20 augustus 2024 en van de immateriële schade op 15 juni 2022;\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]\n\nwijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 4] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;\n\nveroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;\n\nlegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 4] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;\n\nbepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 46 (zesenveertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;\n\nbepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;\n\nbepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 15 juni 2022;\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]\n\nwijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;\n\nveroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;\n\nlegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 3] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;\n\nbepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 45 (vijfenveertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;\n\nbepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;\n\nbepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 15 juni 2022.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. C.M. Hilverda, voorzitter,\n\nmr. R. Lonterman en mr. M.J.M.A. van der Put, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. M. Peperkamp, griffier,\n\nen op 1 juli 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\nMr. Van der Put is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1694","ecli-nl-ghshe-2026-1694",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Strafrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,52,62],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag",{"id":53,"ecli":54,"caseNumber":6,"courtId":55,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":56,"language":12,"source":13,"sourceUrl":57,"summary":6,"slug":58,"metadata":59},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":60,"legalDomain":61,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":63,"ecli":64,"caseNumber":6,"courtId":65,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":66,"language":12,"source":13,"sourceUrl":67,"summary":6,"slug":68,"metadata":69},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":70,"legalDomain":61,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]