ECLI:NL:HR:1915:104
Samenvatting
Civiel recht
Uitspraak
Den Haag
Uitgetypte tekst van het originele HR-arrest in de civiele zaak met uitspraakdatum 28 mei 1915 en HR-zaaknummer 4397.
Openbare terechtzitting van Vrijdag 28 Mei 1915.
De zitting is geopend te elf uur.
De deurwaarder roept de volgende zaak op:
De Hooge Raad der Nederlanden in de zaak (nº 4397) van:
[eischeresse], van tafel en bed gescheiden echtgenoote van [echtgenoot], wonende te [woonplaats], eischeresse tot cassatie van een arrest den 5den Juni 1914 door het Gerechtshof te Amsterdam tusschen partijen gewezen, kosteloos procedeerende krachtens beschikking van den Hoogen Raad van 30 October 1914, vertegenwoordigd door Mr. G.A. van Haeften, advocaat bij den Hoogen Raad.
Tegen:
de Handelsvennootschap onder de firma [verweerster], gevestigd en kantoor houdende te [vestigingsplaats], verweerster in cassatie, vertegenwoordigd door Jhr. Mr. J.A. de Ranitz, mede advocaat bij dien Raad.
Gehoord den Procureur-Generaal in zijne ter terechtzitting van heden herhaalde conclusie tot verwerping van het beroep met veroordeeling van de eischeres in de kosten;
Gezien de stukken;
Overwegende, dat uit het bestreden arrest en uit het daarbij vernietigde vonnis der Arrondissements-Rechtbank te Amsterdam van 14 November 1913, waarheen dit arrest voor wat de feiten betreft verwijst, blijkt:
dat de President van voormelden Rechtbank bij beschikking van 14 Augustus 1912 aan de tegenwoordige eischeresse verlof heeft verleend om tegen haren echtgenoot [echtgenoot] in te stellen eene vordering tot echtscheiding, subsidiair tot scheiding van tafel en bed, en daarbij tevens heeft bepaald, dat die echtgenoot haar van dien 14en Augustus af voorloopig voor levensonderhoud een bedrag van tien gulden per week zou uitkeeren;
Overwegende, dat de eischeresse uit kracht dier beschikking op 21 September 1912 onder handen van de tegenwoordige verweerster, tot een toen haar verschuldigd bedrag van vijftig gulden voor vijf wekelijksche termijnen, executoriaal beslag heeft doen leggen op al hetgeen de verweerster aan [echtgenoot] zou zijn of worden verschuldigd, of van [echtgenoot] mocht onder zich hebben of krijgen, en nadat de termijn was verloopen waarbinnen de geexecuteerde tegen dat beslag in verzet kon komen zonder dat zoodanig verzet was gedaan, van die verweerster heeft gevorderd verklaring van hetgeen zij aan [echtgenoot] verschuldigd is of van hem onder zich heeft;
dat de partij [verweerster] deze verklaring op 19 December 1912 heeft afgelegd, doch de eischeresse deze als ondeugdelijk heeft bestreden, en heeft gevorderd, dat mocht geen verstek tegen de derde beslagene worden verleend, hare verklaring zou worden verbeterd, en zij bovendien ingevolge artikel 750 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tot vergoeding van kosten, schaden en interessen zoude worden veroordeeld;
dat de geexecuteerde [echtgenoot] den 31sten Maart 1913 is verklaard in staat van faillissement, en de partij [verweerster] heeft betoogd, dat op grond daarvan het beslag was vervallen, waartegen de eischeresse onder meer heeft aangevoerd, dat, al ware het beslag vervallen door de faillietverklaring, daarmede niet vervallen is de vordering tot het doen van verklaring, zoodat nu die verklaring is onjuist, de derde gearresteerde niettegenstaande die faillietverklaring tot vergoeding van kosten, schaden en interessen moet worden veroordeeld;
Overwegende, dat de Rechtbank bij haar bovenvermeld vonnis, na te hebben overwogen, dat het beslag was vervallen door [echtgenoot]'s faillissement, en dat dientengevolge verbetering der afgelegde verklaring onnoodig was, die verklaring ondeugdelijk heeft verklaard, en, van oordeel, dat tengevolge van de onjuistheid der verklaring aan de eischeresse eene schade van vijftig gulden was berokkend, de partij [verweerster] tot betaling van dit bedrag heeft veroordeeld;
Overwegende, dat op het tegen dit vonnis ingesteld hooger beroep, het Hof, na vooraf ambtshalve te hebben overwogen en bevestigend te hebben beantwoord de vraag, of het vonnis vatbaar was voor hooger beroep, omtrent de zaak zelve heeft overwogen:
dat ingevolge artikel 33 der Faillissementswet het executoriaal beslag onder de partij [verweerster] gelegd, door de later gevolgde faillietverklaring van den schuldenaar [echtgenoot] was vervallen;
dat derhalve de vervolging van dit beslag door middel van eene vordering tot het doen van verklaring tegen de [verweerster] als derde gearresteerden niet meer mogelijk was;
dat dus de rechter de deugdelijkheid der afgelegde verklaring niet meer kon onderzoeken, noch op grond van bevonden ondeugdelijkheid eene veroordeeling tot vergoeding van kosten, schaden en interessen kon uitspreken;
en op die gronden het vonnis waartegen beroep heeft vernietigd en aan de tegenwoordige eischeresse hare vorderingen heeft ontzegd;
Overwegende, dat tegen 's Hofs beslissing worden aangevoerd de volgende middelen van cassatie:
I Schending of verkeerde toepassing van artikel 54, 69 der Wet op de Rechterlijke Organisatie, 1, 5, 134, 332, 475, 479, 741, 750 en 752 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, doordien het Hof, vooropstellende dat de volstrekte bevoegdheid des rechters wordt bepaald door het bedrag, dat bij dagvaarding wordt gevorderd, van oordeel is, dat deze regel eene uitzondering toelaat in de verklaringsprocedure, in dien zin dat de volstrekte bevoegdheid aldaar moet worden beoordeeld niet slechts naar het bij dagvaarding gevorderde bedrag, doch ook naar datgene wat bij repliek daarenboven gevorderd wordt ingeval van betwisting der afgelegde verklaring, - welke onjuiste overweging het Hof ertoe heeft geleid de onderhavige vordering te beschouwen als te zijn van een onbepaald bedrag, en te oordeelen, dat tegen het te dezer zake gewezen vonnis hooger beroep zoude zijn toegelaten;
II Schending of verkeerde toepassing van artikel 750 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met artikel 33 der Faillissementswet, en de artikelen 479, 741, 751, 752 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en 1401 en 1402 van het Burgerlijk Wetboek, door aan te nemen, dat, nu het vonnis van faillietverklaring ten gevolge heeft, dat alle gerechtelijke tenuitvoerlegging op eenig deel van het vermogen van den schuldenaar voor het faillissement aangevangen, dadelijk een einde neemt, ook de verklaringsprocedure tegen den derde- gearresteerde in haar geheel een einde heeft genomen tengevolge van het faillissement van den hoofddebiteur, ook dus ten aanzien van eene vordering tot schadeloosstelling ingevolge de bepaling van de tweede alinea van artikel 750 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tegen den derde gearresteerde ingesteld, daarbij uit het oog verliezende dat laatstbedoelde vordering niet strekt om te geraken tot executie van eenig bestanddeel van het vermogen van den gefailleerde, doch gericht is op het vermogen van den derde-gearresteerde, geheel onafhankelijk van diens schuld aan den hoofddebiteur, waarop het derden-arrest rust;
Overwegende ten aanzien van het eerste middel:
dat artikel 750 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalt, dat indien de juistheid der verklaring van den derden beslagene door den arrestant wordt betwist, deze laatste van dien derden gearresteerde, behalve verbetering der verklaring, kan vorderen vergoeding van kosten, schaden en interessen hem door de ondeugdelijkheid der afgelegde verklaring berokkend;
dat door die bepaling den arrestant de bevoegdheid wordt gegeven, om zijnen eisch tegen den derden gearresteerde, aanvankelijk tot het vorderen der in artikel 741 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering omschreven verklaring beperkt, met eene vordering tot schadevergoeding te vermeerderen, in welk geval de rechter over die vermeerderde vordering zal hebben te oordeelen;
Overwegende, dat de vordering tot het afleggen van verklaring geen hoogere waarde heeft, dan het daarbij uitgedrukt bedrag der vordering des beslagleggers ten laste van zijn schuldenaar, daar de vordering tot het doen van verklaring geene andere strekking heeft dan om tot verhaal van dat bedrag te geraken;
Overwegende, dat dan ook volgens de artikelen 741 en 746 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de derde beslagene, bij gebreke van het doen van verklaring, wordt veroordeeld tot
voldoening van het bedrag der vordering waarvoor het beslag is deugdelijk verklaard, en volgens artikel 751 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de door deze derden beslagene verschuldigde of onder hem berustende gelden den arrestant slechts tot aan het bedrag zijner vordering worden uitbetaald;
Overwegende, dat derhalve, daar de vordering der eischeresse, waarvoor zij beslag onder de [verweerster] had gelegd, slechts fl. 50 .- bedroeg, het vonnis op de vordering tot het doen van verklaring gewezen, op zich zelf niet voor hooger beroep zou zijn vatbaar geweest, doch dat, nu bovendien werd gevorderd de vergoeding in het tweede lid van artikel 750 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering genoemd, de vordering waarover de Rechtbank had te oordeelen was eene vordering van onbepaalde waarde en dus hare uitspraak over die vordering aan hooger beroep onderworpen;
dat mitsdien het eerste middel van cassatie is ongegrond;
Voor wat betreft het tweede middel:
Overwegende, dat de strekking der vordering tot het doen van verklaring, door de eischeresse tegen de [verweerster] ingesteld, was om op hetgeen deze van [echtgenoot] onder zich hadden of aan [echtgenoot] verschuldigd waren, te verhalen hetgeen zij eischeresse van [echtgenoot] had te vorderen krachtens het bevelschrift van den President der Arrondissements-Rechtbank te Amsterdam van 14 Augustus 1912, waarbij [echtgenoot] was veroordeeld haar met ingang van dien dag voor levensonderhoud te verstrekken een bedrag van f 10 .- per week, en dat het instellen der vordering tegen de partij [verweerster] mitsdien was eene daad van ten uitvoerlegging van voormeld bevelschrift;
Overwegende, dat ingevolge artikel 33 der Faillissementswet die daad van ten uitvoerlegging noodzakelijk een einde nam, toen [echtgenoot] op 31 Maart 1913 werd verklaard in staat van faillissement, zoodat de Rechtbank de deugdelijkheid of ondeugdelijkheid der afgelegde verklaring niet verder kon onderzoeken, noch haar oordeel kon uitspreken over den eisch tot schadevergoeding gevorderd voor het geval dat de Rechtbank die verklaring ondeugdelijk zou oordeelen;
dat mitsdien ook het tweede middel is onaannemelijk;
Verwerpt het beroep;
Veroordeelt de eischeresse in de kosten op het beroep in cassatie gevallen, tot op de uitspraak van dit arrest aan de zijde van verweerster begroot op twee gulden vijf en vijftig cent aan verschot en op negentig gulden aan salaris.
Gedaan bij de Heeren Mrs. Nypels, waarnemend President, Krabbe, Loder, Bosch en Nelissen, Raden, en door den waarnemend president voornoemd uitgesproken ter openbare terechtzitting van den acht en twintigsten Mei 1900 vijftien, in bijzijn van Mr. Noyon, Procureur-Generaal.