[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbams-2022-1388":3,"decision-more-ecli-nl-rbams-2022-1388":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1427","ECLI:NL:RBAMS:2022:1388","",56,"Amsterdam","amsterdam","2022-03-17T00:00:00.000Z","RECHTBANK AMSTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: AMS 20\u002F3270, 20\u002F3339, 20\u002F4193, 20\u002F5494 en 21\u002F461\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 17 maart 2022 in de zaak tussen\n\nJachthaven Schellingwoude B.V.,\n\n(gemachtigde: mr. J. de Vet),\n\nShort Stay Manager B.V., en\n\n [eiser 1] en [eiser 2] ,\n\n(gemachtigde: mr. J.A. Wols),\n\nen Coriander Holding B.V.\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. M.A. van Marle).\n\nProcesverloop\n\nMet besluiten van 18 oktober 2019 en 12 november 2019 (de primaire besluiten I en II) heeft verweerder Jachthaven Schellingwoude B.V. (hierna: Jachthaven Schellingwoude) en Short Stay Manager B.V. (hierna: Short Stay Manager) ieder een last onder dwangsom opgelegd met betrekking tot zes respectievelijk zeven aan de [adres] in Amsterdam afgemeerde logiesverblijven\u002Fobjecten.\n\nMet afzonderlijke besluiten van 19 mei 2020 heeft verweerder het bezwaar van Jachthaven Schellingwoude tegen het primaire besluit I gedeeltelijk gegrond verklaard (het bestreden besluit I) en de bezwaren van Short Stay Manager en Jachthaven Schellingwoude tegen het primaire besluit II (het bestreden besluit II) gedeeltelijk gegrond respectievelijk ongegrond verklaard. Verweerder heeft beide primaire besluiten voor het overige gehandhaafd.\n\nJachthaven Schellingwoude heeft tegen de bestreden besluiten I en II en Short Stay Manager heeft tegen het bestreden besluit II afzonderlijk beroep ingesteld. Deze beroepen zijn geregistreerd onder nummers AMS 20\u002F3339 en AMS 20\u002F3270.\n\nMet het besluit van 18 juni 2020 (het bestreden besluit III) heeft verweerder aan Coriander Holding B.V. (hierna: Coriander) een last onder dwangsom opgelegd met betrekking tot aan de [adres] in Amsterdam afgemeerde logiesverblijven\u002Fobjecten met de namen [naam 1] en [naam 2] .\n\nMet besluiten van 17 september 2020 (het bestreden besluit IV) heeft verweerder door middel van aanplakken aan de eigenaren van aan de [adres] in Amsterdam afgemeerde woonboot\u002Flogiesverblijf ‘ [naam 3] ’ en de logiesverblijven\u002Fobjecten ‘ [naam 4] ’, ‘ [naam 5] ’, ‘ [naam 6] ’ en ‘ [naam 7] ’ een last onder bestuursdwang opgelegd.\n\nDe tegen de bestreden besluiten III en IV gemaakte bezwaren van Coriander (eigenaar van de [naam 1] en de [naam 2] ) en van [eiser 1] (eigenaar van ‘ [naam 5] ’) en [eiser 2] (eigenaar van ‘ [naam 6] ’) (hierna: [eiser 1] en [eiser 2] ) zijn doorgestuurd naar de rechtbank voor behandeling als rechtstreeks beroep en geregistreerd onder nummers AMS 20\u002F4193 en AMS 20\u002F5494.\n\nJachthaven Schellingwoude heeft bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit IV, welk bezwaar eveneens is doorgestuurd als rechtstreeks beroep en is geregistreerd onder nummer AMS 21\u002F461.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2022.\n\nNamens Jachthaven Schellingwoude zijn [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.\n\nNamens Short Stay Manager zijn [belanghebbende 3] en [belanghebbende 4] verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde,\n\n [eiser 1] en [eiser 2] hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.\n\nCoriander is, met bericht van verhindering, niet verschenen.\n\nVerweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [naam 8] .\n\nOverwegingen\n\nInleiding\n\n1.1.. De beroepen gaan over objecten (hierna ook aangeduid als houseboats) die zijn afgemeerd aan de steigers in de jachthaven aan de [adres] in Amsterdam (de jachthaven). Op deze locatie is het bestemmingsplan ‘Schellingwouderdijk’ (het bestemmingsplan) van toepassing. De locatie waar de houseboats liggen heeft de bestemming ‘Water 1’ met de ‘specifieke functie-aanduiding water-1’. Op 13 augustus 2014 is aan de stichting LINK Schellingwoude een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een nautisch kwartier, waarmee toestemming is gegeven voor het gebruik van het water langs de Schellingwouderdijk voor een jachthaven met onder meer 60 ligplaatsen voor recreatie- en zeilschepen.1.2.. Jachthaven Schellingwoude verhuurt de gronden voor het permanent neerleggen van onder meer houseboats in de jachthaven.1.3.. Stort Stay Manager bemiddelt in opdracht van de eigenaren van houseboats en verhuurt deze aan toeristen, die daar meerdere dagen verblijven en overnachten1.4.. \n\nDe houseboats worden onder meer via de website van Airbnb te huur aangeboden.\n\nBesluitvorming door verweerder\n\n2.2.1.. In 2019zijn er diverse controles geweest door toezichthouders van verweerder in de jachthaven, waarbij telkens houseboats zijn aangetroffen. Volgens verweerder liggen deze houseboats daar illegaal en moeten zij worden verwijderd. Voor de houseboats is namelijk geen vergunning verleend op grond van de Verordening op het binnenwater 2010 (Vob) en op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Met de verleende omgevingsvergunning is het gebruik van het water in de jachthaven voor onder meer recreatievaartuigen toegestaan. De houseboats liggen er om als logiesverblijf te worden verhuurd aan toeristen. Dit is volgens verweerder niet toegestaan. Het bouwen op en in stand laten en het gebruik van de locatie als ligplaats voor logiesverblijven of hotel (horeca V) en het (laten) gebruiken van de logiesverblijven\u002Fobjecten is namelijk in strijd met artikel 20 van de planregels bij het bestemmingsplan. Verweerder is niet van plan hiervoor alsnog een vergunning te verlenen. Het bestemmingsplan heeft een consoliderend karakter waarin niet strikt watergebonden activiteiten (zoals het aanbieden van logies) onwenselijk zijn. De houseboats en hun gebruik vallen volgens verweerder niet onder de reikwijdte van de omgevingsvergunning omdat ze niet hoofdzakelijk zijn bestemd voor varende recreatie. Verder is er voor de houseboats geen ligplaatsvergunning voor een bedrijfsvaartuig op grond van de Vob verleend en zal deze ook niet worden verleend vanwege strijdigheid met het bestemmingsplan én omdat geen sprake is van een strikt watergebonden activiteit. Daarnaast is het op grond van de Vob niet toegestaan een object in het water te plaatsen of te houden. Verweerder heeft daarom aan Jachthaven Schellingwoude en Short Stay Manager een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van de Waboen van de Vob. De last houdt in dat de houseboats binnen zes weken na dagtekening van het besluit moeten worden verwijderd en verwijderd gehouden moeten worden uit het openbare water in het beheersgebied van de gemeente Amsterdam. Als geen uitvoering wordt gegeven aan het besluit moet een dwangsom betaald worden van € 10.000,- per object, tot een maximumbedrag van € 60.000,- voor Jachhaven Schellingwoude en € 70.000,- voor Short Stay Manager.\n\n2.2.. Met het bestreden besluit I heeft verweerder het bezwaar van Jachthaven Schellingwoude gedeeltelijk gegrond verklaard, voor zover dat ziet op de ‘anti-hop’ bepaling, die inhoudt dat ook geen (andere) ligplaats ingenomen mag worden in de gemeente Amsterdam. Met het bestreden besluit II heeft verweerder het bezwaar van Short Stay Manager gedeeltelijk gegrond verklaard, voor zover dat ziet op het aspect bouwen in strijd met de regels en de ‘anti hop’ bepaling. Verweerder heeft in de bestreden besluiten I en II de last onder dwangsom gehandhaafd. Aan Jachthaven Schellingwoude en Short Stay Manager is een proceskostenvergoeding toegekend.2.3.. Bij een controle op 6 november 2019 hebben toezichthouders van de gemeente Amsterdam geconstateerd dat door of namens Coriander twee houseboats met de namen ‘ [naam 2] ’ en ‘ [naam 1] ’ in de jachthaven zijn gebouwd\u002Fafgemeerd om te gebruiken als logiesbedrijf. De houseboats worden verhuurd via Airbnb. Met het bestreden besluit III heeft verweerder aan Coriander een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van de Wabo en van de Vob. De houseboats moeten binnen zes weken na dagtekening van het besluit worden verwijderd en verwijderd worden gehouden uit het openbare water in het beheersgebied van de gemeente Amsterdam. Op grond van de ‘anti-hop’ bepaling mag ook geen (andere) ligplaats ingenomen worden in de gemeente Amsterdam. Als geen uitvoering wordt gegeven aan het besluit moet een dwangsom betaald worden van € 10.000,- per object tot een maximumbedrag van € 20.000,-.\n\n2.4.. \n\nOp 2 juli 2020 is er een controle uitgevoerd in de jachthaven waarbij geconstateerd is dat, voor zover van belang, de aangetroffen drijvende objecten ‘ [naam 4] ’, ‘ [naam 5] ’, ‘ [naam 6] ’ en ‘ [naam 7] ’ worden verhuurd als logiesruimte aan toeristen via Airbnb. De eigenaren van de houseboats hebben geen omgevingsvergunning en ligplaatsvergunning. Daarom is sprake van overtreding van de Wabo en van de Vob en heeft verweerder de eigenaren door middel van het ter plaatse aanplakken van het bestreden besluit IV een last onder bestuursdwang opgelegd. De houseboats die ligplaats hebben ingenomen op het waterperceel [adres] moeten binnen zes weken na dagtekening van het besluit worden verwijderd en verwijderd gehouden worden uit de wateren in het beheersgebied van Amsterdam. Ook hier geldt de ‘anti-hop’ bepaling. Als geen uitvoering wordt gegeven aan het besluit worden de houseboats meegevoerd en opgeslagen en de kosten daarvan verhaald op de eigenaren.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nBeroep van Jachthaven Schellingwoude tegen het bestreden besluit II en het bestreden besluit IV\n\n3.3.1.. Jachthaven Schellingwoude heeft bezwaar gemaakt tegen de last onder dwangsom gericht aan Short Stay Manager. Verweerder heeft haar bij bestreden besluit II als belanghebbende aangemerkt en het bezwaar ongegrond verklaard. Jachthaven Schellingwoude heeft tegen dat besluit beroep ingesteld. Verder heeft Jachthaven Schellingwoude bezwaar gemaakt tegen de last onder bestuursdwang gericht aan de eigenaren van de houseboats. Dit bezwaarschrift is doorgezonden naar de rechtbank voor behandeling als rechtstreeks beroep. Volgens Jachthaven Schellingwoude heeft zij een zelfstandig belang, omdat het primaire besluit II en het bestreden besluit IV haar schade kunnen berokkenen. Als Short Stay Manager en de eigenaren van de houseboats gevolg geven aan de last onder bestuursdwang en vertrekken, lijdt Jachthaven Schellingwoude immers schade zonder dat het besluit in rechte getoetst wordt.3.2.. De rechtbank beoordeelt ambtshave of Jachthaven Schellingwoude belanghebbende is bij het bestreden besluit IV en bij het primaire besluit II. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kunnen namelijk alleen belanghebbenden bezwaar maken en beroep instellen tegen een besluit. Een belanghebbende is degene wiens belang rechtstreeks betrokken is bij een besluit. Uit vaste rechtspraak volgt dat iemand belanghebbende is als hij of zij een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft, dat hem of haar in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door een besluit. Een uitsluitend van een andere betrokkene afgeleid belang is niet voldoende. Het enkele feit dat sprake is van een contractuele relatie tussen degene tot wie een besluit is gericht en een derde, betekent niet dat het belang van die derde bij dat besluit al om die reden als een afgeleid belang aangemerkt moet worden. Onderzocht moet worden of die derde, los van die contractuele relatie, ook een zelfstandig eigen belang heeft bij dat besluit.3.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Jachthaven Schellingwoude geen rechtstreeks eigen belang bij het bestreden besluit IV. Jachthaven Schellingwoude verhuurt ligplaatsen en heeft met de eigenaren van de houseboats een contractuele relatie. Er is daarmee sprake van een belang, wat parallel is aan het belang van de eigenaren, namelijk het belang dat de houseboats in de jachthaven mogen blijven liggen. Het door Jachthaven Schellingwoude genoemde eigen belang, dat zij mogelijk schade ondervindt door de handelwijze van verweerder omdat andere vaartuigen het minder aantrekkelijk vinden in de jachthaven af te meren als gevolg van dit handhavend optreden door verweerder, acht de rechtbank niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank ziet geen reële mogelijkheid dat Jachthaven Schellingwoude in een aan een zakelijk of fundamenteel recht ontleend eigen belang wordt geschaad.3.4.. Het beroep van Jachthaven Schellingwoude in de zaak AMS 21\u002F461 is daarom niet-ontvankelijk.\n\n3.5.. \n\nJachthaven Schellingwoude heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat zij mogelijk schade ondervindt door het handhavend optreden van verweerder met het primaire besluit II. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder Jachthaven Schellingwoude dan ook ten onrechte als belanghebbende bij het primaire besluit II aangemerkt. Het beroep van Jachthaven Schellingwoude tegen het bestreden besluit II in zaak AMS 20\u002F3339 is daarom gegrond.\n\nIs sprake van een overtreding?\n\nToepasselijk juridisch kader\n\n4. De toepasselijke bepalingen uit de Wabo en de Vob en de toepasselijke planregels staan in de bij deze uitspraak behorende bijlage. Omgevingsvergunning voor bouwen5.1.. Eisers voeren aan dat geen sprake is van bouwwerken, maar van recreatieschepen die kunnen varen. Deze grond slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet.5.2.. \n\nDe rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat de houseboats zijn bedoeld om ter plaatse te functioneren en daarom op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling)moeten worden aangemerkt als bouwwerk in de zin van de Woningwet en de Wabo, waarvoor een omgevingsvergunning voor bouwen vereist is. Qua inrichting en vormgeving hebben de houseboats de uiterlijke verschijningsvorm van drijvende hotelkamers\u002Flogiesruimtes. Verweerder heeft een overzicht overgelegd van de website van Airbnb, waaruit blijkt dat de houseboats verhuurd zijn aan toeristen van maart tot en met december 2019. Dit komt overeen met de situatie zoals geconstateerd en opgeschreven door de toezichthouders bij de controles, waarbij toeristen in de houseboats zijn aangetroffen. De houseboats zijn afgemeerd met het doel om ze te verhuren via Airbnb. Dat het mogelijk zou zijn om met (sommige) houseboats te varen, omdat deze voorzien zouden zijn van een motor en stuurinrichting, maakt dit niet anders. Eisers hebben niet onderbouwd dat de houseboats daadwerkelijk gebruikt worden om mee te varen. Ook blijkt dit geenszins uit de reacties van toeristen op de website van Airbnb. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 13 mei 2020.Verweerder heeft eisers terecht tegengeworpen dat zij niet de vereiste omgevingsvergunning voor bouwen\u002Fafmeren van de houseboats hebben.Omgevingsvergunning voor strijdig gebruik\n\n6.6.1.. Op grond van het bestemmingsplan heeft de locatie waar de houseboats liggen de bestemming ‘Water 1’ met de ‘specifieke functie-aanduiding water-1’. Anders dan Coriander heeft aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van recreatief medegebruik als bedoeld in artikel 20 van de planregels en dat het gebruik van de houseboats als logiesverblijven en het bouwen\u002Fafmeren van de houseboats ter plaatse in strijd is met artikel 20 van de planregels van het bestemmingsplan.\n\n6.2.. Eisers voeren aan dat het gebruik wel in overeenstemming is met de op 13 augustus 2014 verleende omgevingsvergunning voor het nautisch kwartier. Met deze vergunning is gebruik van de locatie voor onder meer ligplaatsen voor zeil- en recreatieschepen vergund. Het begrip ‘recreatieschip’ is volgens eisers een veel ruimer begrip dan ‘pleziervaartuig’ in het bestemmingsplan. Bij de houseboats is geen sprake van een hotel, maar van geregistreerde pleziervaartuigen om recreatief in te verblijven en mee te varen. Eisers hebben op de zitting een beroep gedaan op de uitspraak van de Afdeling van 25 augustus 2021, waarin de definitie van een pleziervaartuig onderdeel van het geschil was.6.3.. \n\nDe rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat de houseboats geen recreatieschepen zijn. In het bestemmingsplan is de term recreatievaartuig niet gedefinieerd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voor de definitie daarvan aansluiting mogen zoeken bij de term ‘pleziervaartuig’ in het bestemmingsplan: een schip, hoofdzakelijk gebruikt en bestemd voor niet-bedrijfsmatige varende recreatie niet zijnde bewoond. Dit komt overeen met de definitie van ‘pleziervaartuig’ in de Vob.Omdat de houseboats zijn afgemeerd om te verhuren via Airbnb, is sprake van bedrijfsmatige recreatie en daarmee niet van pleziervaartuigen. Zoals in 5.2 is overwogen, hebben eisers ook niet aannemelijk gemaakt dat er daadwerkelijk met de houseboats wordt gevaren. Het geval waarop de door eisers aangehaalde uitspraak ziet is niet vergelijkbaar met dit geval, omdat daarin sprake was van een ander bestemmingsplan, waarin de term pleziervaartuig niet was gedefinieerd en daarom aansluiting werd gezocht bij een andere verordening. Verweerder heeft eisers dan ook terecht tegengeworpen dat voor het gebruik van de houseboats als logiesverblijven en het afmeren van de houseboats ter plaatse een omgevingsvergunning is vereist.Vob\n\n7.7.1.. Eisers betwisten allereerst de toepasselijkheid van de Vob. Eisers zijn van mening dat de Vob niet geldt voor de Jachthaven Schellingwoude. De Vob is in beginsel van toepassing op binnenwater, namelijk op al het openbare water dat niet tot de haven behoort. Op grond van artikel 1.1.2, derde lid, van de Vob gelden echter bepaalde artikelen ook voor het openbare water in de haven. Bij de haven moet het volgens de definitiebepaling gaan om wateren binnen het Noordzeekanaalgebied die voor de scheepsvaart openstaan. Daarvan is in het geval van Jachthaven Schellingwoude geen sprake. Vaartuigen kunnen er feitelijk niet afmeren zonder dat Jachthaven Schellingwoude dit toelaat. Uit de aard en feitelijke inrichting van de jachthaven —waaronder een afgesloten toegang tot de aanlegsteigers -volgt ook zondermeer dat geen sprake is van een openbaar water of openbaar gebied. Eisers zien steun voor het onderscheid tussen openbare wateren in Amsterdam en het niet openbare jachthavengebied in artikel 5 van de Verordening Binnenhavengeld Pleziervaart 20207.2.. De rechtbank volgt eisers hierin niet. Uit de toelichting op de Vob volgt dat de openbaarheid van water kan worden opgeheven of beperkt indien de eigenaar de toegankelijkheid door feitelijke maatregelen verhindert of beperkt. De rechtbank wijst in dit verband ook op de uitspraak van de Afdeling van 7 november 2018.De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat dit voor de haven anders is. Ter plaatse zijn geen maatregelen getroffen waarmee de toegankelijkheid tot de jachthaven voor de scheepvaart feitelijk wordt verhinderd, bijvoorbeeld door een ketting of ander obstakel. Dit betekent dat de jachthaven voor scheepvaart openstaat. De definitie van openbaar water in de Verordening Binnenhavengeld pleziervaart 2020 komt overeen met die in de Voben ook in de Vob wordt in de definitiebepalingen onderscheid gemaakt tussen openbaar water en de haven zodat daarin geen steun voor het standpunt van eiseres gevonden kan worden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de Vob in de jachthaven van toepassing is.7.3.. Niet in geschil is dat eisers niet beschikken over een ontheffing om een object in, op of boven het water te plaatsen of te houdenen evenmin over een ligplaatsvergunning voor een bedrijfsvaartuig. Verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat een ligplaatsvergunning voor een bedrijfsvaartuig niet kan worden verleend, omdat geen sprake is van een watergebonden activiteit. Het bieden van logies is immers niet watergebonden. Daarnaast zijn de benodigde overige (omgevings)vergunningen niet verleend. Verweerder heeft eisers dan ook terecht tegengeworpen dat zij voor de houseboats geen vergunning of ontheffing op grond van de Vob hebben.Tussenconclusie\n\n8. De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat sprake is van overtreding van artikel 2.1, aanhef en onder a en c, van de Wabo en van de artikelen 2.3.6, eerste lid en 2.1.3 de Vob. Verweerder heeft voldoende duidelijk uiteengezet dat er is geen zicht is op legalisatie, omdat verweerder daartoe niet bereid is en dit standpunt niet op voorhand rechtens onhoudbaar is. Verweerder was daarom in beginsel verplicht over te gaan tot handhaving. De overtreding door en last aan Jachthaven Schellingwoude en Short Stay Manager\n\n9.1.. Verweerder heeft aan Jachthaven Schellingwoude een last onder dwangsom opgelegd als verhuurder van de ligplaatsen ten behoeve van de houseboats. Verweerder werpt Jachthaven Schellingwoude in het bestreden besluit I bouwen en (laten) gebruiken in afwijking van het bestemmingsplan zonder omgevingsvergunning tegen en het ontbreken van een ontheffing en vergunning op grond van de Vob voor de houseboats.9.2.. Short Stay Manager heeft zich bij verweerder gemeld naar aanleiding van het aanplakken van de concept last onder dwangsom. Short Stay Manager bemiddelt namens de eigenaren bij de verhuur van de houseboats via Airbnb. Verweerder werpt in het bestreden besluit II aan Short Stay Manager niet langer bouwen zonder omgevingsvergunning tegen, maar wel het (laten) gebruiken in afwijking van het bestemmingsplan en het ontbreken van een ontheffing en vergunning op grond van de Vob voor de houseboats.9.3.. \n\nDe rechtbank is van oordeel dat verweerder Jachthaven Schellingwoude ten onrechte als overtreder van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo heeft aangemerkt. Jachthaven Schellingwoude heeft de houseboats immers niet in de jachthaven afgemeerd\u002Fgebouwd en dit kan haar naar het oordeel van de rechtbank ook niet worden toegerekend. Wel heeft Jachthaven Schellingwoude de bouwwerken\u002Fhouseboats zonder omgevingsvergunning in stand gelaten zodat verweerder haar terecht als overtreder van artikel 2.3a van de Wabo heeft aangemerkt. Ook heeft verweerder Jachthaven Schellingwoude terecht als overtreder van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo aangemerkt. Jachthaven Schellingwoude heeft de jachthaven immers laten gebruiken voor het afmeren\u002Fbouwen van de houseboats in afwijking van het bestemmingsplan zonder dat daar een omgevingsvergunning voor is verleend.\n\nVerweerder heeft ook Short Stay Manager terecht als overtreder van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo aangemerkt. Short Stay Manager heeft de houseboats immers laten gebruiken als logiesverblijf in afwijking van het bestemmingsplan zonder dat daarvoor een omgevingsvergunning is verleend.\n\nVerweerder heeft Jachthaven Schellingwoude en Short Stay Manager ten onrechte aangemerkt als overtreder van de artikelen 2.3.6, eerste lid en 2.1.3 van de Vob. Zij hebben de houseboats immers niet in op op het water geplaatst of gehouden en\u002Fof met de houseboats zonder vergunning op grond van de Vob een ligplaats ingenomen. Ook kan hen dit naar het oordeel van de rechtbank niet worden toegerekend.9.4.. Gelet op het voorgaande is de last aan Short Stay Manager er niet op gericht de overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, te beëindigen. Verweerder heeft Short Stay Manager immers gelast de logiesverblijven\u002Fobjecten te verwijderen en verwijderd te houden uit het openbare water in het beheersgebied van de gemeente Amsterdam, terwijl de overtreding bestaat uit het laten gebruiken van de logiesverblijven\u002Fobjecten in afwijking van het bestemmingplan. Het beroep van Short Stay Manager tegen het bestreden besluit II is daarom gegrond.\n\n9.5.. De last aan Jachthaven Schellingwoude is er wel op gericht de overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, en van artikel 2.3a van de Wabo te beëindigen. Jachthaven Schellingwoude heeft het naar het oordeel van de rechtbank ook in haar macht die overtredingen te beëindigen door het staken van de verhuur van de ligplaatsen aan de eigenaren van de houseboats. Het beroep van Jachthaven Schellingwoude tegen het bestreden besluit I in zaak AMS 20\u002F3339 is ongegrond. De overtreding door en last aan Coriander\n\n10.10.1.. Niet in geschil is dat Coriander als overtreder is aan te merken, zowel voor het zonder omgevingsvergunning bouwen en gebruiken in afwijking van het bestemmingsplan als voor het innemen van een ligplaats zonder ontheffing of vergunning op grond van de Vob voor de houseboats.10.2.. Anders dan Coriander aanvoert acht de rechtbank de begunstigingstermijn niet onredelijk kort. Zoals verweerder op de zitting uiteen heeft gezet, is de begunstigingstermijn gedurende de bezwaar- en beroepsprocedure verlengd en is deze nu bepaald op zes weken na de uitspraak van de rechtbank. Verweerder is, anders dan de eigenaren suggereren, niet gehouden bij de begunstigingstermijn rekening te houden met het door hen realiseren en legaliseren van een nieuwe ligplaats voor de houseboats. De ‘anti-hop’ bepaling, op grond waarvan de houseboats ook niet elders in de wateren van Amsterdam mogen worden afgemeerd, acht de rechtbank niet buitenproportioneel of onnodig beperkend. Gelet op de dwingende formulering van artikel 2.1.11 van de Vob kan verweerder daar in deze situatie ook niet van afwijken. Ook acht de rechtbank, anders dan Coriander, de dwangsom niet buitenproportioneel. Verweerder stelt dat hij de dwangsom heeft vastgesteld aan de hand van zijn beleid, wat door Coriander niet is weersproken. Daarbij mocht verweerder betrekken dat Coriander hoge verdiensten heeft met de verhuur van de houseboats.10.3.. \n\nHet beroep van Coriander is ongegrond. De overtreding door en last aan [eiser 1] en [eiser 2]\n\n11.11.1.. Naar het oordeel van de rechtbank stellen [eiser 1] en [eiser 2] zich terecht op het standpunt dat uit de last niet duidelijk blijkt wanneer aan de last is voldaan en wat het gevolg is voor eisers als zij niet aan de last voldoen. In de last staat dat de woonboot\u002Flogiesverblijf ‘ [naam 3] ’ en de logiesverblijven\u002Fobjecten ‘ [naam 4] ’, ‘ [naam 5] ’, ‘ [naam 6] ’ en ‘ [naam 7] ’ binnen zes weken na dagtekening van het besluit moeten worden verwijderd en verwijderd gehouden uit het openbare water in het beheersgebied van de gemeente Amsterdam. Als geen uitvoering wordt gegeven aan het besluit gaat verweerder zowel ‘ [naam 3] ’ als ‘ [naam 4] ’, ‘ [naam 5] ’, ‘ [naam 6] ’ als ‘ [naam 7] ’ meevoeren en opslaan en moeten de eigenaren de kosten daarvan volledig aan verweerder betalen. Gelet op de bewoordingen van de last kunnen [eiser 1] en [eiser 2] de bestuursdwang dus alleen voorkomen als zij niet alleen de houseboats waarvan zij eigenaar zijn, de ‘ [naam 5] ’ en de ‘ [naam 6] ’ verwijderen en verwijderd houden maar ook de andere houseboats. Dit kan echter niet van hen worden verwacht nu zij ten aanzien van de andere houseboats niet als overtreder noch als rechthebbende kunnen worden aangemerkt. Verweerder kan gelet daarop ook niet de kosten van het meevoeren en opslaan van de andere housboats op [eiser 1] en [eiser 2] verhalen.11.2.. Het beroep van [eiser 1] en [eiser 2] is gegrond.11.3.. \n\nDe beroepsgrond over de samenloop tussen de last onder bestuursdwang en de last onder dwangsom behoeft geen bespreking meer, omdat het bestreden besluit IV is herroepen. Conclusie en slotoverwegingen\n\n12.\n\n12.1.. Gelet op hetgeen in 9.5 is overwogen is het beroep van Jachthaven Schellingwoude tegen het bestreden besluit I, geregistreerd onder nummer AMS 20\u002F3339, ongegrond.12.2.. Gelet op hetgeen in 3.5 is overwogen is Jachthaven Schellingwoude geen belanghebbende bij het bezwaar tegen het primaire besluit II. Het beroep van Jachthaven Schellingwoude tegen het bestreden besluit II, eveneens geregistreerd onder nummer AMS 20\u002F3339, is gegrond en het bestreden besluit II moet worden vernietigd voor zover daarbij het bezwaar van Jachthaven Schellingwoude ongegrond is verklaard. De rechtbank bepaalt, zelf voorziend, dat het bezwaar van Jachthaven Schellingwoude tegen het primaire besluit II niet-ontvankelijk is en dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit II voor zover dat is vernietigd.12.3.. Gelet op hetgeen in 9.1 tot en met 9.4 is overwogen is het beroep van Short Stay Manager tegen het bestreden besluit II, geregistreerd onder nummer AMS 20\u002F3270, gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit II voor zover daarbij het bezwaar van Short Stay Manager ongegrond is verklaard, herroept het primaire besluit II en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit II voor zover dat is vernietigd.\n\n12.4.. Gelet op hetgeen in 10.1 tot en met 10.2 is overwogen is het beroep van Coriander tegen het bestreden besluit III ongegrond.\n\n12.5.. Gelet op hetgeen in 3.1 tot en met 3.4 is overwogen is het beroep van Jachthaven Schellingwoude tegen het bestreden besluit IV geregistreerd onder nummer AMS 21\u002F461 niet-ontvankelijk.\n\n12.6.. Gelet op hetgeen in 11.1 is overwogen is het beroep van [eiser 1] en [eiser 2] tegen het bestreden besluit IV geregistreerd onder nummer AMS 20\u002F4194 gegrond. De rechtbank herroept het bestreden besluit IV.12.7.. Omdat de rechtbank hun beroepen gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan Jachthaven Schellingwoude en Short Stay Manager het door hen betaalde griffierecht van € 345,- vergoedt en aan [eiser 1] en [eiser 2] het door hen betaalde griffierecht van € 178,-.12.8.. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door Jachthaven Schellingwoude, Short Stay Manager en [eiser 1] en [eiser 2] gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor ieder van hen vast op € 1.518,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 759,- en een wegingsfactor 1).12.9.. Voor een vergoeding van het griffierecht van Coriander of een veroordeling in de proceskosten van Coriander is geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nin de zaak AMS 20\u002F3339(Jachthaven Schellingwoude):\n\nverklaart het beroep tegen het bestreden besluit I ongegrond;\n\nverklaart het beroep tegen het bestreden besluit II gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit II voor zover verweerder daarin het bezwaar van Jachthaven Schellingwoude tegen het primaire besluit II ongegrond heeft verklaard;\n\nverklaart het bezwaar van Jachthaven Schellingwoude tegen het primaire besluit II niet ontvankelijk;\n\nbepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit II;\n\ndraagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 354,- aan Jachthaven Schellingwoude te vergoeden;\n\nveroordeelt verweerder in de proceskosten van Jachthaven Schellingwoude tot een bedrag van € 1.518,-;\n\nin de zaak AMS 20\u002F3270(Short Stay Manager):\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit II voor zover verweerder daarin het bezwaar van\n\nShort Stay Manager ongegrond heeft veklaard;\n\n- herroept het primaire besluit II;\n\n- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit II;\n\ndraagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 354,- aan Short Stay Manager te vergoeden;\n\nveroordeelt verweerder in de proceskosten van Short Stay Manager tot een bedrag van € 1.518,-;\n\nin de zaak AMS 20\u002F4193(Coriander)\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\nin de zaak AMS 20\u002F5494( [eiser 1] en [eiser 2] ):\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nherroept het bestreden besluit IV;\n\ndraagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 178,- aan [eiser 1] en [eiser 2] te vergoeden;\n\nveroordeelt verweerder in de proceskosten van [eiser 1] en [eiser 2] tot een bedrag van € 1.518,-;\n\nin de zaak AMS 21\u002F461(Jachthaven Schellingwoude):\n\n- verklaart het beroep niet-ontvankelijk.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.W.C.M. van Emmerik, voorzitter, en mr. A.E.J.M. Gielen en mr. B.C. Langendoen, leden, in aanwezigheid van mr. E.H. Kalse-Spoon, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 maart 22022.\n\ngriffier\n\n voorzitter\n\nde griffier is verhinderd\n\ndeze uitspraak te ondertekenen\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:Rechtsmiddel\n\nPartijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\nAls hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.\n\nBIJLAGE\n\nWet algemene bepalingen omgevingsrecht\n\nArtikel 2.1\n\n1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:\n\na. het bouwen van een bouwwerk,\n\n(…)\n\nc. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,\n\n(…)\n\nArtikel 2.3a\n\n1. Het is verboden een bouwwerk of deel daarvan dat is gebouwd zonder omgevingsvergunning in stand te laten.\n\nVerordening op het binnenwater 2010\n\nArtikel 1.1.1 Begripsbepalingen\n\nIn deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:\n\nbedrijfsvaartuig: vaartuig, daaronder begrepen een object te water, niet zijnde een zeeschip, binnenschip of vaartuig in directe dienst bij de gemeente, hoofdzakelijk gebruikt voor de uitoefening van een reëel bedrijf of beroep met dat vaartuig dan wel voor de uitoefening van sociaal-culturele activiteiten;\n\n(…)\n\nbinnenwater: al het openbaar water dat niet tot de haven behoort;\n\n(…)\n\nhaven: wateren binnen het Noordzeekanaalgebied die voor de scheepsvaart openstaan, alsmede alle tot de haven behorende kunstwerken en de scheepshellingen, dokken, scheepreparatiewerven en los- en laadplaatsen, een en ander zoals aangegeven op het bij deze verordening behorend kaartmateriaal (bijlage 1);\n\n(…)\n\nopenbaar water: alle wateren die al of niet met enige beperking voor het publiek bevaarbaar of anderszins toegankelijk zijn;\n\n(…)\n\nArtikel 1.1.2 Toepassingsbereik\n\n1. Deze verordening is van toepassing op het binnenwater.\n\n(…)\n\n3. De artikelen 2.1.1, 2.1.2, 2.1.3, 2.1.4, 2.1.7, 2.1.11 en 2.1.12 en de paragrafen 2 tot en met 4 en paragraaf 6 van hoofdstuk 2 zijn tevens van toepassing in de haven\n\nArtikel 2.1.3 Objecten\n\n1. Het is verboden een object in, op of boven het water te plaatsen of te houden.\n\n2. Het college kan van het eerste lid ontheffing verlenen indien de overige vereiste vergunningen of ontheffingen voor het aanbrengen of plaatsen van die objecten zijn verleend.\n\nArtikel 2.1.11 Anti-hop bepaling\n\nNadat een ligplaatsvergunning als bedoeld in de paragraaf 2.3, een ontheffing van artikel 2.1.4, eerste lid, of een vergunning of ontheffing als bedoeld in artikel 3.2 van de Regionale Havenverordening Noordzeekanaal 2012 is geweigerd, dan wel voor deze bepalingen of ter beëindiging van gebruik met een vaartuig in strijd met desbetreffende bestemming een besluit tot last onder bestuursdwang of een besluit tot het opleggen van een last onder dwangsom is genomen, is het verboden in de gemeente ligplaats in te nemen, tenzij het een door het college aangewezen ligplaats betreft als bedoeld in artikel 2.3.5, tweede lid, onderdeel a.\n\nArtikel 2.3.6 Ligplaatsvergunning bedrijfsvaartuig\n\n1. Het is verboden, zonder of in afwijking van vergunning van het college met een bedrijfsvaartuig ligplaats in te nemen. De vergunning is persoons-, ligplaats-, bedrijfs- en vaartuiggebonden.\n\n(…)\n\n5. De vergunning kan alleen worden verleend indien de uit te oefenen werkzaamheden of activiteiten watergebonden zijn of wanneer het gaat om de aan- of afvoer van materialen over water en de vereiste vergunningen voor het uitoefenen van die werkzaamheden of activiteiten zijn verleend.\n\nBestemmingsplan Schellingwoude: Bestemming Water 1.\n\nPlanregels:\n\nArtikel 20: De voor ‘Water – 1’aangewezen gronden zijn bestemd voor:\n\na. water;\n\nb. recreatief medegebruik;\n\nc. voorzieningen ten behoeve van het scheepvaartverkeer;\n\nd. ter plaatse van het aanduidingsvlak met de aanduiding 'specifieke vorm van water - 1' is een ligplaats voor een woonboot, woonvaartuig en buiten-categorie woonboot inclusief drijvende objecten toegestaan, inclusief aan-huis-gebonden-beroep of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten;\n\n(…)\n\nh. bestaande loopplanken, steigers en afmeervoorzieningen ten behoeve van ligplaatsen voor woonschepen;\n\ni. ter plaatse van het aanduidingsvlak met de aanduiding 'steiger' zijn steigers toegestaan;\n\nj. en overige voorzieningen ten behoeve van deze bestemming.\n\nArtikel 37.1:\n\nTot gebruik strijdig met de bestemming, wordt in ieder geval gerekend het gebruik van gronden en bebouwing ten dienste van:\n\na. het is verboden de in het bestemmingsplan begrepen gronden en de zich daarop bevindende bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken of in gebruik geven op een wijze of tot een doel, strijdig met de bestemming of de daarbij behorende regels.\n\n(…)\n\n 7 mei 2019, 13 september 2019, 11 oktober 2019 en 7 november 2019.\n\n Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c en artikel 2.3.a, eerste lid van de Wabo.\n\n Artikel 2.3.6, eerste lid en 2.1.3 van de Vob.\n\n Zie de conclusie van advocaat-generaal mr. R.J.G.M. Widdershoven van 7 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3474.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 16 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1331.\n\n ECLI:NL:RVS:2020:1216.\n\n ECLI:NL:RVS:2021:1897.\n\n Artikel 1.1.1 van de Vob: pleziervaartuig: schip, hoofdzakelijk gebruikt en bestemd voor niet-bedrijfsmatige varende recreatie.\n\n ECLI:NL:RVS:2018:3613.\n\n Artikel 1 onder i: alle wateren gelegen binnen de gemeentegrenzen van Amsterdam die al of niet met enige beperking voor het publiek bevaarbaar of anderszins toegankelijk zijn.\n\n Artikel 2.1.3 van de Vob.\n\n Artikel 2.3.6 van de Vob.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2022:1388","ecli-nl-rbams-2022-1388",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Bestuursrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":66,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":67,"language":12,"source":13,"sourceUrl":68,"summary":6,"slug":69,"metadata":70},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":71,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]