[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbams-2026-5168":3,"decision-more-ecli-nl-rbams-2026-5168":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1047","ECLI:NL:RBAMS:2026:5168","",56,"Amsterdam","amsterdam","2026-04-28T00:00:00.000Z","RECHTBANKAMSTERDAM\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12058431 \\ EA VERZ 26-38\n\nBeschikking van 28 april 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoeker],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nverzoekende partij in het verzoek,\n\nverwerende partij in het tegenverzoek,\n\nhierna te noemen: [verzoeker] ,\n\ngemachtigde: mr. E. Zuidema,\n\ntegen\n\nPEARSON & PARTNERS B.V.,\n\ngevestigd te Amsterdam,\n\nverwerende partij in het verzoek,\n\nverzoekende partij in het tegenverzoek,\n\nhierna te noemen: Pearson,\n\ngemachtigde: mr. Y.M. van Vliet.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift met producties,\n\n- het verweerschrift met een tegenverzoek met producties,\n\n- het verweerschrift op het tegenverzoek alsmede een aanvulling op het verzoek met producties,\n\n- de mondelinge behandeling van 31 maart 2026. Op de mondelinge behandeling is [verzoeker] verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde. Pearson is verschenen, vertegenwoordigd door [naam 1] (bestuurder) en bijgestaan door de gemachtigde. De gemachtigde van [verzoeker] heeft spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen. De gemachtigde van Pearson heeft een aanvullende productie overgelegd. Beide stukken zijn aan het dossier gevoegd.1.2.. Ter zitting heeft [verzoeker] zijn primaire verzoek gehandhaafd. [verzoeker] verzoekt in deze procedure dan ook de vernietiging van het aan hem gegeven ontslag op staande voet.\n\n1.3.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1998, is op 27 november 2023 in dienst getreden bij Pearson. De functie van [verzoeker] was [naam functie] met een loon van € 2.600,00 bruto per maand exclusief emolumenten. In geval van een succesvolle plaatsing van een kandidaat bij een opdrachtgever ontving [verzoeker] daarnaast een bonus. [verzoeker] werkte op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met als einddatum 27 januari 2026.\n\n2.2.. In artikel 6 van de arbeidsovereenkomst staat vermeld dat vakantiedagen vooraf schriftelijk moeten worden aangevraagd. In artikel 8 staat dat [verzoeker] bij ziekte zich uiterlijk voor 08:30 uur moet ziekmelden. Verder staat in de arbeidsovereenkomst een concurrentie- en relatiebeding. Ook hanteert Pearson een personeelshandboek.\n\n2.3.. \n\nOp 27 augustus 2024 heeft [verzoeker] van Pearson een schriftelijke officiële waarschuwing ontvangen omdat hij op 19 en 20 augustus 2024 ongeoorloofd afwezig was. In de waarschuwing staat het volgende geschreven:\n\n“Helaas hebben wij moeten constateren dat jij zelf besloten hebt verlof te nemen om niet geldige reden. (…) Wij verzoeken je dan ook met klem om voortaan, jezelf in acht te nemen en bij verlof schriftelijk een aanvraag. Wanneer dit niet gebeurt, zal er een tweede officiële waarschuwing volgen en kan daarna ontslag op staande voet volgen.”\n\n2.4.. Op woensdag 2 juli 2025 was [verzoeker] niet op werk. [verzoeker] heeft de volgende dag per WhatsApp-bericht aan Pearson zijn excuses aangeboden omdat hij zich niet had afgemeld. Verder schrijft [verzoeker] dat hij begrijpt dat zijn gedrag verre van gewenst is en dat hij hoopt dat partijen er samen uitkomen.\n\n2.5.. \n\nOp vrijdag 31 oktober 2025 was [verzoeker] niet op het werk en ook was hij voor Pearson die dag onbereikbaar. Op zaterdag 1 november 2026 schrijft [naam 1] aan [verzoeker] :\n\n“ [verzoeker] maak me wederom zorgen. Laat even wat van je horen”.\n\n2.6.. \n\nOp maandag 3 november 2025 was [verzoeker] nog steeds niet op het werk. [verzoeker] heeft die dag het volgende via WhatsApp aan [naam 1] laten weten:\n\n“Ik begrijp dat het wederom een situatie is die niet acceptabel is om niks van me te laten horen. Er is donderdag wat gebeurd waardoor ik op het politiebureau wordt verwacht om een verklaring af te leggen. Ik snap goed dat ik m’n baan kwijt ben en zal ervoor zorgen dat ik morgenochtend vroeg op kantoor aanwezig ben om de situatie te verduidelijken, omdat jullie daar ook recht op hebben.”\n\n2.7.. Op dinsdag 4 november 2025 heeft er een gesprek op kantoor plaatsgevonden tussen [verzoeker] en [naam 1] .\n\n2.8.. \n\nOp vrijdag 7 november 2025 was [verzoeker] wederom niet op het werk. Om 08:25 uur heeft [verzoeker] via WhatsApp aan [naam 1] het volgende bericht gezonden:\n\n“Ik ben er deze ochtend niet. Het gaat goed verder maar had om 08:00 op een afspraak moeten zijn en ben niet op komen dagen. Ik bel je om 11:30.”\n\n2.9.. \n [naam 1] antwoordde daarop dat [verzoeker] hem moest bellen, maar dat heeft [verzoeker] uiteindelijk niet gedaan.\n\n2.10.. Op maandag 10 november 2025 was [verzoeker] wederom niet op het werk. [verzoeker] heeft aan [naam 1] via WhatsApp geschreven: “Ik zie net pas dat je me een paar keer in de ochtend gebeld had. Een tijdje geleden heb ik voor vandaag een vakantiedag aangevraagd doordat ik een langdurige afspraak bij de dokter heb. Samen met de aankomende vrijdag en volgende week maandag mbt familie weekend”.[naam 1] heeft daarop gereageerd dat hij geen vakantieaanvraag van [verzoeker] had ontvangen.\n\n2.11.. \n\nOp 11 november 2025 heeft er opnieuw een gesprek plaatsgevonden tussen [verzoeker] en Pearson waarbij [verzoeker] op staande voet is ontslagen. In de ontslagbrief staat het volgende:\n\n“Je bent op de volgende data zonder enige melding of geldige reden niet op het werk verschenen en was gedurende die dagen onbereikbaar voor kantoor:\n\n Woensdag 3 juli 2025\n\n Donderdag 31 oktober 2025\n\n Maandag 3 november 2025\n\n Vrijdag 7 november 2025\n\n Maandag 10 november 2025\n\nOndanks herhaaldelijke pogingen om contact met je op te nemen via telefoon en WhatsApp, heb je niet gereageerd of enig bericht van verhindering doorgegeven. (…) Gezien de aard en de ernst van je handelen is voortzetting van het dienstverband onmogelijk geworden. Wij delen je hierbij mede dat je met onmiddellijke ingang, per vandaag 11 november 2025, op staande voet wordt ontslagen.”\n\n2.12.. Pearson heeft op 8 januari 2026 het einde van de arbeidsovereenkomst aangezegd.\n\n3. Het verzoek en het tegenverzoek\n\nHet verzoek3.1.. \n [verzoeker] verzoekt de kantonrechter, bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, het ontslag op staande voet te vernietigen en voor recht te verklaren dat het concurrentie- en relatiebeding ongeldig is en deze, voor zover nodig, te vernietigen, alsmede Pearson te veroordelen tot:\n\nbetaling van het loon vanaf 11 november 2025 tot aan het moment waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, vermeerderd met de wettelijke verhoging van 50%,\n\noverlegging van deugdelijke salarisspecificaties, op straffe van een dwangsom,\n\nbetaling van de transitievergoeding van € 2.028,00 bruto,\n\nbetaling van de plaatsingsbonus van € 1.400,00 bruto,\n\nbetaling van de aanzeggingsvergoeding van € 1.086,97 bruto,\n\nbetaling van de proceskosten.\n\n3.2.. \n [verzoeker] legt aan zijn verzoeken het volgende ten grondslag. Het ontslag op staande voet is niet rechtsgeldig nu een dringende reden ontbreekt. [verzoeker] is vijf keer afwezig geweest, waarvan de eerste keer vanwege ziekte en de laatste vanwege een doktersafspraak waarvoor hij mondeling toestemming had. De overige data houden verband met ernstig bedreigingen aan het adres van [verzoeker] . [verzoeker] is op donderdag 30 oktober 2025 door een paar mannen aangevallen op straat waarbij later op die plek door de politie een vuurwapen is gevonden. [verzoeker] is door de politie gevraagd een verklaring af te leggen. Dit alles heeft voor veel stress bij [verzoeker] gezorgd. Dit is ook de reden dat hij in die week een aantal keer niet op het werk was. Pearson was van de situatie op de hoogte en toonde daar aanvankelijk ook begrip voor. Voor [verzoeker] kwam het ontslag dan ook onverwacht, te meer nu hij – gelet op de inhoud van de eerste officiële waarschuwing – ervan uit mocht gaan dat hij nog een tweede officiële waarschuwing zou krijgen. Dat heeft Pearson niet gedaan. Pearson is direct overgegaan tot ontslag en [verzoeker] verzoekt dan ook de vernietiging daarvan. [verzoeker] maakt aanspraak op zijn loon tot aan het einde van zijn dienstverband, te weten 27 januari 2026, vermeerderd met de wettelijke verhoging. Omdat Pearson tevens het einde van de arbeidsovereenkomst te laat heeft aangezegd, heeft hij ook recht op een aanzeggingsvergoeding. Daarnaast maakt [verzoeker] nog aanspraak op een bonus voor de succesvolle plaatsing van de heer [naam 2] bij [bedrijf] . Verder heeft [verzoeker] recht op uitbetaling van de transitievergoeding en afgifte van deugdelijke salarisspecificaties. Tot slot is het concurrentie- en relatiebeding niet rechtsgeldig overeengekomen.\n\n3.3.. Pearson voert verweer. [verzoeker] is herhaaldelijk en ongeoorloofd afwezig geweest en hij was gedurende die dagen niet bereikbaar voor Pearson. Voor Pearson is dat onacceptabel. Zo had [verzoeker] zich op 2 juli niet ziekgemeld en heeft hij voor het doktersbezoek op 10 november geen schriftelijke aanvraag gedaan. Dit is in strijd met de gemaakte afspraken. Voor de overige data heeft Pearson ernstige twijfels bij de reden van zijn afwezigheid. [verzoeker] heeft over de vermeende bedreigingen verschillend verklaard waardoor het vertrouwen bij Pearson is verdwenen. Daarbij komt dat Pearson met [verzoeker] op 4 november een serieus gesprek over zijn afwezigheid heeft gehad en dat [verzoeker] daarin beterschap had beloofd, maar dat [verzoeker] desondanks een aantal dagen later wederom ongeoorloofd afwezig is. Voor Pearson was toen de maat vol waardoor zij niet anders kon dan overgaan tot ontslag. Dat betekent dat Pearson een dringende reden had zodat het ontslag rechtsgeldig is gegeven en aan het dienstverband op 11 november 2025 een einde is gekomen. Het gevolg hiervan is dat [verzoeker] geen recht op loon heeft. Ook kan hij geen aanspraak maken op de plaatsingsbonus van de heer [naam 2] omdat deze pas op 29 december 2025 is vrijgevallen en [verzoeker] op dat moment niet meer in dienst was. Voor zover geoordeeld wordt dat het ontslag wel vernietigbaar is, dan verzoekt Pearson de loonvordering te matigen omdat [verzoeker] met zijn eigen onderneming reeds ander inkomen heeft. Verder was het voor [verzoeker] vanaf 11 november 2025 al duidelijk dat zijn arbeidsovereenkomst zou eindigen omdat partijen nadien schriftelijk met elkaar gecorrespondeerd hebben over een mogelijke regeling, zodat geen aanzeggingsvergoeding verschuldigd is. Bovendien is de vergoeding onjuist berekend. Daarnaast is Pearson bereid om [verzoeker] te ontheffen uit het concurrentie- en relatiebeding. Tot slot voert Pearson verweer tegen de verzochte dwangsommen.\n\nHet tegenverzoek\n\n3.4.. Pearson verzoekt bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, [verzoeker] te veroordelen tot betaling van € 920,16 bruto, wegens een negatief verlofsaldo van -7,1 dagen, met veroordeling van [verzoeker] in de proceskosten.\n\n3.5.. Pearson legt daaraan ten grondslag dat [verzoeker] , rekening houdend met de einddatum van 11 november, in 2025 in totaal 23,9 dagen heeft opgebouwd en dat hij er 31 heeft opgenomen.\n\n3.6.. \n [verzoeker] voert verweer. Het is onredelijk om de dagen die verband hielden met de bedreigingen aan te merken als verlof. Er was namelijk sprake van overmacht. Indien de dagen wel worden gekwalificeerd als verlof dan voert [verzoeker] aan dat hij in de periode van 11 november 2025 tot 27 januari 2026 nog 1,7 extra verlofdagen heeft opgebouwd. Verder heeft Pearson blijkens de door haar overgelegde excelsheet 25 dagen goedgekeurd, terwijl [verzoeker] er maar 23 had. Pearson had hem erop moeten wijzen dat hij een negatief saldo zou krijgen, zodat de laatste twee goedgekeurde dagen niet mogen worden meegeteld. Tot slot rekent Pearson ook een verlofdag op 27 december 2025, terwijl op dat moment het ontslag al was gegeven. Volgens [verzoeker] komt het negatieve saldo dan op 2,4 dagen uit hetgeen neerkomt op (2,4 x 8 uur x € 15,00 bruto uurloon x 1,08 vakantietoeslag) = 311,04 bruto.\n\n4. De beoordeling\n\nIn het verzoek\n\nHet ontslag4.1.. Op grond van artikel 7:677 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is ieder van partijen bevoegd de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen op grond van een dringende reden, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij. Bij de beoordeling of sprake is van een dringende reden moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang bezien, in aanmerking worden genomen. Daarbij moet de aard en ernst van de door de werkgever aangevoerde dringende reden worden afgewogen tegen de door de werknemer aangevoerde persoonlijke omstandigheden.\n\n4.2.. Naar het oordeel van de kantonrechter is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig gegeven. Dat wordt hieronder toegelicht.\n\n4.3.. Vast staat dat [verzoeker] meermaals ongeoorloofd en\u002Fof zonder tijdige afmelding afwezig geweest. Uit de WhatsApp-berichten van [verzoeker] volgt dat hij zelf doordrongen was van het feit dat het zonder tijdige afmelding afwezig zijn niet acceptabel was. Zo heeft [verzoeker] op 3 november 2025 geschreven dat zijn gedrag ongewenst was, dat hij hoopt dat partijen er samen uitkomen en dat ‘hij het begrijpt als hij zijn baan kwijt is’. Ter zitting heeft hij aangegeven dit laatste te hebben geschreven omdat hij aan Pearson wilde overbrengen dat hij het serieus opnam. Daarbij heeft [verzoeker] benadrukt dat hij weliswaar de protocollen niet heeft gevolgd, maar dat hij wel met een geldige reden afwezig was (ziekte, doktersbezoek en de stress van ernstige bedreiging).\n\n4.4.. Een ontslag op staande voet is een uiterst middel en is alleen gerechtvaardigd als van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Dat punt had Pearson nog niet bereikt. Pearson heeft [verzoeker] op 27 augustus 2024 een officiële waarschuwing gegeven voor het ongeoorloofd – zonder verlofaanvraag en zonder geldige reden – afwezig zijn (“De korte samenvatting (…) is (…) dat je teveel alcohol hebt gedronken (…) waardoor je in je eigen woorden “knock-out bent gegaan tot maandag 19 augustus en moest herstellen dinsdag 20 augustus.” Dit is voor Pearson & Partners geen geldige reden (…)”) waarin zij expliciet heeft vermeld dat bij herhaling een tweede waarschuwing zal volgen, waarna ontslag op staande voet kan plaatsvinden. Pearson heeft echter geen tweede officiële waarschuwing gegeven, ook niet tijdens het gesprek van 4 november 2025. [naam 1] heeft ter zitting verklaard dat hij op dat moment er bewust voor heeft gekozen om geen officiële waarschuwing te geven omdat hij over de kwestie nog intern overleg wilde voeren. In het door Pearson overgelegde verslag van dit gesprek staat: “Tegelijk heb ik duidelijk gemaakt dat afwezigheid en onbereikbaarheid zonder (tijdige) afmelding niet acceptabel is en dat ik verwacht dat hier een gesprek en\u002Fof maatregel aan verbonden kan worden.” Bij een maatregel kan, bijvoorbeeld, gedacht worden aan een tweede officiële waarschuwing. Een ontslag op staande voet kan hieronder niet begrepen worden. Temeer niet nu [naam 1] in dit gesprek niet heeft aangegeven dat deze – door [verzoeker] zelf genoemde – mogelijke consequentie aan zijn gedragingen verbonden kan worden. Het gesprek is kennelijk gericht geweest op begrip voor de situatie en op gedragsverbetering. Dit wordt bevestigd door de in dit gesprek volgens het gespreksverslag met [verzoeker] gemaakte afspraken over het zich houden aan protocollen, zorgen voor rust en veiligheid in zijn privésituatie en contact opnemen in het geval stress zijn functioneren beïnvloed.\n\n4.5.. Toen [verzoeker] op 7 en 10 november 2025 wederom afwezig was zonder tijdige en\u002Fof deugdelijke afmelding, is Pearson direct overgegaan tot ontslag zonder daarbij eerst nog officiële waarschuwing te geven, terwijl die tweede officiële waarschuwing – gelet op de inhoud van de brief van 27 augustus 2024 en het gesprek op 4 november 2025 – wel op zijn plaats was. De afwezigheid op 7 november 2025 hield – volgens [verzoeker] – verband met de bedreiging (een afspraak met zijn bedreiger waar hij eerst niet en uiteindelijk wel gevolg aan wilde geven) en [verzoeker] heeft zich om 08.24 uur afgemeld. De afwezigheid op 10 november 2025 hield – volgens [verzoeker] – verband met een doktersafspraak. Dat hij hiervoor een mondeling verlofverzoek bij [naam 3] had gedaan is door Pearson gemotiveerd weersproken en onderbouwd met een schriftelijke verklaring van [naam 3] .\n\n4.6.. Ter zitting heeft Pearson naar voren gebracht dat bij de beslissing om op 11 november 2026 het geven van een tweede officiële waarschuwing achterhaald te achten het een rol gespeeld heeft dat zij door de wisselende verklaringen van [verzoeker] inmiddels ernstige twijfels had gekregen bij het verhaal van [verzoeker] over de bedreigingen en doktersbezoeken. Anders gezegd, dat [verzoeker] geen geldige reden voor zijn – niet vooraf gemelde – afwezigheid had. Dat Pearson voorafgaand aan het ontslag hier nader onderzoek naar heeft gedaan door, bijvoorbeeld, bewijs van de bedreiging en het politieonderzoek alsmede de doktersafspraken te vragen, heeft zij niet gesteld en is evenmin gebleken. Dat [verzoeker] in 2024 als gevolg van overmatig feesten niet in staat was om op het werk te verschijnen is onvoldoende om aan te nemen dat dit voor de in het ontslag op staande voet genoemde afwezigheid in 2025 (deels) ook het geval was. Het is niet geheel onbegrijpelijk – gezien de wisselende verklaringen van [verzoeker] en zijn mea culpa – dat Pearson wantrouwend tegenover de lezing van [verzoeker] stond, maar zij had hem hiermee dan moeten confronteren en in de gelegenheid moeten stellen de door hem gestelde objectieve en subjectieve redenen voor zijn afwezigheid te onderbouwen. Dit heeft Pearson niet gedaan. Hierdoor is niet komen vast te staan dat de verklaringen van [verzoeker] over zijn afwezigheid onwaarachtig waren.\n\n4.7.. Uit zijn verklaringen volgt dat [verzoeker] objectieve en subjectieve redenen voor zijn afwezigheid heeft gesteld. Niet weersproken is dat [verzoeker] om medische redenen regelmatig onder werktijd naar de dokter moest, en Pearson heeft ter zitting aangegeven haar werknemers hiervoor de ruimte te geven. Het louter niet volgen van het verlofprotocol voor het doktersbezoek op maandag 10 november 2025, kan een ontslag op staande voet in de gegeven omstandigheden niet rechtvaardigen. Voorts was op 4 november 2025 nog begrip vertoond voor de stressvolle situatie waarin [verzoeker] verkeerde en hij voor rust en veiligheid moest kiezen. Daarbij past niet dat, ook als zijn afwezigheid zou vergen dat [verzoeker] in dat kader een verlofaanvraag indient, [verzoeker] rekening moest houden met een ontslag op staande voet toen hij zich op de dag zelf om 08:24 uur (vóór 08:30 uur) afmeldde. Daarbij komt dat niet gebleken is dat deze incidentele afwezigheid van [verzoeker] (ernstige) gevolgen had voor de bedrijfsvoering. [verzoeker] fungeerde als een zelfstandig [naam functie] met eigen contacten. De kantonrechter komt dan ook tot het slotsom dat het verzoek tot vernietiging van het ontslag wordt toegewezen.\n\nHet loon, de verhoging en de salarisspecificaties4.8.. Door vernietiging van het ontslag heeft [verzoeker] recht op loon. Niet in geschil is dat de arbeidsovereenkomst op 27 januari 2026 van rechtswege is geëindigd. De vordering tot loonbetaling van € 2.600,00 bruto per maand tot aan het einde van het dienstverband zal daarom worden toegewezen. De kantonrechter ziet geen aanleiding om de vordering te matigen. Pearson heeft daarvoor geen grondslag aangedragen en bovendien heeft [verzoeker] betwist dat hij andere inkomsten heeft genoten. Wel volgt uit de houding van [verzoeker] dat hij zich bewust was van het feit dat zijn gedrag niet toelaatbaar was en consequenties kon hebben, hetgeen hem valt aan te rekenen. De kantonrechter zal daarom de wettelijke verhoging matigen tot nihil.\n\n4.9.. \n [verzoeker] heeft op grond van artikel 7:626 BW recht op de salarisspecificaties. De kantonrechter ziet geen aanleiding om daar dwangsommen aan te verbinden. Pearson heeft verklaard bereid te zijn deze te verstrekken en uit niets volgt dat zij daar weigerachtig in zou zijn.\n\nDe transitievergoeding4.10.. \n [verzoeker] heeft op grond van artikel 7:673 lid 1 sub a onder 3 BW recht op de transitievergoeding. De vergoeding bedraagt € 2.028,00 bruto en is dan ook toewijsbaar.\n\nDe plaatsingsbonus4.11.. Niet in geschil is dat als [verzoeker] op 29 december 2025 nog in dienst was bij Pearson, hij recht heeft op de plaatsingsbonus van € 1.400,00 bruto. Nu het ontslag op staande voet is vernietigd en de arbeidsovereenkomst pas op 27 januari 2026 is geëindigd, is de bonus toewijsbaar.\n\nDe aanzeggingsvergoeding4.12.. Op grond van artikel 7:668 BW dient een werkgever uiterlijk een maand voordat de arbeidsovereenkomst eindigt, de werknemer daarover schriftelijk te informeren. Dit is te laat door Pearson gedaan. Pearson heeft echter aangevoerd dat het [verzoeker] tijdig duidelijk was dat zijn arbeidsovereenkomst zou eindigen. Na het gegeven ontslag hebben partijen onderhandeld over een mogelijke regeling ter beëindiging van het geschil en is aan [verzoeker] keer op keer schriftelijk bevestigd dat aan de arbeidsrelatie een einde zou de komen. Nu [verzoeker] dit verweer onbesproken heeft gelaten, is de kantonrechter van oordeel dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaard is als [verzoeker] de schending tegenover Pearson succesvol kan inroepen. Omdat het voor [verzoeker] reeds vanaf 11 november 2025 duidelijk was dat Pearson de arbeidsrelatie definitief wilde (laten) eindigen, vervulde de verplichting van artikel 7:668 BW voor [verzoeker] geen relevante (waarborg-) functie meer en betrof het hooguit slechts een formaliteit. Het verzoek tot toekenning van een aanzeggingsvergoeding wordt dan ook afgewezen.\n\nHet concurrentie- en relatiebeding4.13.. Pearson heeft in haar verweerschrift weliswaar geconstateerd dat [verzoeker] thans als zelfstandige concurrerende werkzaamheden verricht, maar daarbij ondubbelzinnig toegezegd uit coulance geen aanspraak op (verbeurde) boetes te maken en [verzoeker] te ontheffen uit het concurrentie- en relatiebeding, voor zover hij als zelfstandige zijn werkzaamheden blijft voortzetten. [verzoeker] heeft daardoor in redelijkheid geen belang bij toewijzing van het verzoek. Het verzoek wordt dan ook afgewezen.\n\nIn het tegenverzoek\n\n4.14.. Pearson stelt dat [verzoeker] een negatief saldo heeft van -7.1 dagen, maar zij heeft daarbij geen rekening gehouden met de einddatum van 27 januari 2026. [verzoeker] heeft onweersproken aangevoerd daardoor nog 1,7 extra dagen te hebben opgebouwd, zodat het eindsaldo -5,4 dagen bedraagt. Verder is de kantonrechter het met [verzoeker] eens dat zaterdag27 december 2025 geen verlofdag is, zodat een saldo van -4,4 resteert. Dat hierop nog twee dagen in mindering komen omdat Pearson twee dagen méér dan de in artikel 6.1 van de laatste arbeidsovereenkomst overeengekomen 23 verlofdagen heeft goedgekeurd volgt de kantonrechter niet. Niet in geschil is dat [verzoeker] – los van de dagen waarover discussie is – tijdens de looptijd van de laatste arbeidsovereenkomst 25 dagen verlof heeft opgenomen. Het enkele feit dat Pearson bij de goedkeuring van de laatste verlofaanvrage [verzoeker] er niet expliciet op gewezen heeft dat daarmee een negatief verlofsaldo van -2 verlofdagen ontstond, maakt niet dat [verzoeker] aanspraak heeft op die twee extra verlofdagen. Een positief of negatief verlofsaldo kan immers pas worden vastgesteld en afgerekend bij de beëindiging van het dienstverband. [verzoeker] had blijkens de verlofregistratie, die uitgaat van een saldo van 23,9 verlofdagen per de datum van het ontslag op staande voet, kennelijk nog verlofdagen uit de voorafgaande arbeidsovereenkomst meegenomen.\n\n4.15.. Dit betekent dat [verzoeker] een negatief verlofsaldo heeft van -4,4 dagen. Aan het verweer dat hierop nog correctie moet plaatsvinden voor de dagen waarop [verzoeker] volgens Pearson ‘ongeoorloofd’ afwezig en die als opgenomen verlof geregistreerd zijn, gaat de kantonrechter voorbij. Dat [verzoeker] voor die dagen aanspraak had op calamiteitenverlof is in deze procedure niet komen vast te staan.\n\n4.16.. Pearson heeft geen verweer gevoerd tegen de gehanteerde berekening, zodat de kantonrechter de vergoeding overeenkomstig vaststelt op (4,4 x 8uur x € 15,00 bruto uurloon x 1,08 vakantietoeslag=) 570,24 bruto.\n\nDe proceskosten\n\n4.17.. De proceskosten in het verzoek komen voor rekening van Pearson, omdat Pearson overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verzoeker] worden begroot op € 814,00 (€ 93,00 aan griffierecht, € 577,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.\n\n4.18.. De proceskosten in het tegenverzoek komen voor rekening van [verzoeker] en worden begroot op nihil nu het tegenverzoek voortvloeit uit het verweer dat Pearson heeft gevoerd tegen het verzoek.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\nIn het verzoek\n\n5.1.. vernietigt het ontslag op staande voet,\n\n5.2.. veroordeelt Pearson tot betaling aan [verzoeker] van het loon ter hoogte van € 2.600,00 bruto per maand exclusief emolumenten, te rekenen vanaf 11 november 2025 tot 27 januari 2026,\n\n5.3.. veroordeelt Pearson tot het overleggen van deugdelijke salarisspecificaties over de periode 11 november 2025 tot 27 januari 2026, binnen veertien dagen na betekening van deze beschikking,\n\n5.4.. veroordeelt Pearson tot betaling van de transitievergoeding van € 2.028,00 bruto,\n\n5.5.. veroordeelt Pearson tot betaling van de plaatsingsbonus van € 1.400,00 bruto,\n\n5.6.. veroordeelt Pearson in de proceskosten van € 814,00 te vermeerderen met de kosten van betekening, te voldoen binnen veertien dagen na betekening van deze beschikking,\n\nIn het tegenverzoek\n\n5.7.. veroordeelt [verzoeker] tot betaling van € 570,24 bruto wegens een negatief verlofsaldo,\n\n5.8.. veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten tot aan deze beschikking begroot op nihil,\n\nIn alle verzoeken\n\n5.9.. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.10.. wijst af het meer of anders verzochte,\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. A.P. Ploeger en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026.\n\n58984","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:5168","ecli-nl-rbams-2026-5168",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht; Arbeidsrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":66,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":67,"language":12,"source":13,"sourceUrl":68,"summary":6,"slug":69,"metadata":70},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":71,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]