Skip to main content

ECLI:NL:RBAMS:2026:5665

Rechtbank

Amsterdam

Datum

10 June 2026

Taal

nl

Samenvatting

Rechtsvraag

Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht

Uitspraak / Beslissing

Uitspraak

Amsterdam

Procedure: UitspraakDomain: Bestuursrecht; BestuursprocesrechtType: uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

Zaaknummer: AMS 25/6463
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juni 2026 in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. J.H.G. van den Boorn).

Samenvatting

1.1.. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een urgentieverklaring. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.

1.2.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de aanvraag voor een urgentieverklaring mocht afwijzen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 30 mei 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 9 oktober 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

2.2.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

2.3.. De rechtbank heeft het beroep op 13 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van verweerder. Eiseres heeft zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

3.1.. Eiseres heeft in deze procedure veel (aanvullende) gronden ingediend. De rechtbank stelt voorop dat uit vaste rechtspraak blijkt dat bestuursrechters niet op alle aangevoerde gronden en argumenten hoeven in te gaan, maar zich mogen beperken tot de kern daarvan.In lijn hiermee gaat de rechtbank niet op alles wat door eiseres is aangevoerd in, maar beperkt zich tot wat bepalend is voor het haar oordeel. De rechtbank beoordeelt of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet valt onder de medische urgentiecategorie en de sociale urgentiecategorie ‘geweld of ernstige bedreiging’. Ook beoordeelt de rechtbank of verweerder de hardheidsclausule terecht niet heeft toegepast.

3.2.. Eiseres stelt dat aan haar een urgentieverklaring op medische gronden zou moeten worden verleend. Zij heeft psychische problemen door trauma’s en is hiervoor onder behandeling van een psycholoog. Verder stelt eiseres dat er aan haar een urgentieverklaring op sociale gronden kan worden verleend omdat zij te maken heeft met de dreiging van eer gerelateerd geweld door haar ex-partner. Tot slot doet eiseres een beroep op de hardheidsclausule en het evenredigheidsbeginsel.

Medische urgentie

4.1.. Voor alleenstaanden geldt dat een urgentieverklaring alleen kan worden verleend in geval van ernstige en chronische medische problematiek, gerelateerd aan de woonsituatie en die levensontwrichtend van aard is, waardoor hij/zij niet meer in staat is om zelfstandig te functioneren.Bij psychische problematiek geldt als extra voorwaarde dat de aanvrager op het moment van de aanvraag minimaal zes maanden onder behandeling moet zijn bij een specialistische tweedelijns GGZ instelling of psychiater.De achterliggende gedachte van die voorwaarde is dat deze periode minimaal nodig is om een goed beeld te vormen van de ernst van de psychische klachten en de benodigde behandeling daarvan.

4.2..

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiseres niet aan de voorwaarden voor een medische urgentieverklaring voldoet. Uit de stukken die eiseres in de gehele procedure heeft overgelegd blijkt niet dat eiseres minimaal zes maanden onder behandeling was (en is) voor haar psychische problemen. Ook blijkt niet dat bij deze psychische problemen sprake is van een ernstige en chronische medische problematiek die levensontwrichtend is en waarvoor met spoed een zelfstandige woning nodig is. Uit het dossier blijkt dat eiseres op 27 januari 2025 een intake had bij [bedrijf]. Vervolgens blijkt uit de brief van GZ-psycholoog [naam] van 6 februari 2025 dat eiseres op dat moment in behandeling is maar dat de behandeling niet kan worden voortgezet vanwege de instabiele situatie van eiseres. De behandeling zal pas worden hervat als er meer stabiliteit in het dagelijks leven van eiseres is gerealiseerd. Vervolgens blijkt uit de e-mail van 8 oktober 2025 dat het dossier van eiseres voorlopig wordt gesloten. Gelet op het voorgaande voldeed eiseres tijdens de aanvraag en tijdens de beslissing op bezwaar niet aan de voorwaarde dat de psychische problemen aantoonbaar chronisch zijn en eiseres minimaal zes maanden onder behandeling was van een tweedelijns GGZ instelling of psychiater. Voor wat betreft de lichamelijke aandoeningen, zoals de traag werkende schildklier, heeft eiseres onvoldoende stukken overgelegd waaruit blijkt dat deze aandoening levensontwrichtend is. De huisarts heeft in 2025 geadviseerd dit medicamenteus te behandelen en er zijn geen aanknopingspunten dat deze aandoening dermate ernstig is dat hiervoor een medische

urgentieverklaring noodzakelijk is.

Sociale urgentie

5.1..

Uit artikel 13 van de Nadere regels volgt dat een urgentieverklaring op sociale gronden wegens bedreiging of geweld alleen kan worden verkregen indien de aanvrager zijn of haar woning als gevolg van een levensbedreigende situatie door stelselmatig geweld of bedreiging acuut heeft moeten verlaten. Ook moet de levensbedreigende situatie blijken

uit een proces-verbaal en een verklaring van de politie waaruit blijkt dat de aanvrager vanwege veiligheidsredenen niet langer in zijn of haar eigen woning kan verblijven, ook niet na een opgelegd straat- of contactverbod.

5.2..

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet valt onder de sociale urgentiecategorie ‘geweld of ernstige bedreiging’. Eiseres beschikt niet over een eigen zelfstandige woning. Ook heeft eiseres onvoldoende concreet duidelijk gemaakt dat er sprake was van ernstige bedreiging en geweld, dat dit stelselmatig was en dat zij ten gevolge hiervan de woning van haar moeder acuut heeft moeten verlaten. Dat er sprake is geweest van een levensbedreigende situatie blijkt niet uit een proces-verbaal van de politie. Ook heeft eiseres geen beroep gedaan op voorliggende voorzieningen en is er geen verklaring van de politie waaruit blijkt dat

eiseres uit veiligheidsoverwegingen niet langer in de woning van haar moeder kan verblijven overgelegd. De rechtbank begrijpt dat het voor eiseres moeilijk kan zijn om aangifte te doen en verdere stappen te ondernemen zoals vereist om op deze gronden in aanmerking te komen voor een urgentieverklaring maar daar tegenover staat dat verweerder niet slechts af hoeft te gaan op de verklaringen van eiseres, zonder objectieve onderbouwing daarvan met stukken van bijvoorbeeld de politie. Onbekend blijft wat de gestelde bedreigingen en het geweld concreet en feitelijk hebben behelsd en waar en wanneer dit precies heeft plaatsgevonden en of dit stelselmatig was.

Hardheidsclausule

6.1.. Op grond van artikel 2.10.11 van de Hvv kan een woningzoekende, indien toepassing van deze verordening zou leiden tot weigering van een urgentieverklaring, alsnog in aanmerking komen voor een urgentieverklaring wanneer de weigering van een urgentieverklaring leidt tot een schrijnende situatie en er sprake is van bijzondere, bij het vaststellen van de verordening onvoorziene, omstandigheden die gelet op het doel van de verordening redelijkerwijs toch een grond voor de verlening van een urgentieverklaring zouden kunnen zijn. Uit artikel 25 van de Nadere regels volgt dat het bij medische problematiek moet gaan om een uitzonderlijke noodsituatie en dat sprake moet zijn van een acuut levensbedreigend probleem.

6.2..

De rechtbank begrijpt dat eiseres zich in een lastige (woon)situatie bevindt en dat deze situatie niet bevorderlijk is voor het herstel van haar psychische klachten. Hoewel dit door eiseres wellicht niet zo zal worden ervaren, is deze situatie helaas in Amsterdam niet dusdanig bijzonder. Het komt vaker voor dat woningzoekenden met psychische klachten, vaak ook met (vermoeden van) PTSS zoals ook het geval bij eiseres, te maken hebben met

uitgestelde behandeling vanwege de woonsituatie. Dit is niet dermate uniek, bijzonder en

schrijnend dat dit toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigt. Verweerder was daarom niet gehouden om alsnog een urgentieverklaring te verlenen op grond van bijzondere hardheid.6.3..

Daarnaast weegt de rechtbank bij het beroep op de hardheidsclausule mee dat eiseres op basis van haar opgebouwde woonpunten kansrijk is bij het vinden van een

woning. Eiseres heeft inmiddels 10 wachtpunten en 29 zoekpunten. Verweerder heeft in het verweerschrift toegelicht dat het met 39 woonpunten heel goed mogelijk moet zijn om op eigen kracht een woning te vinden, mits eiseres gericht zoekt naar geschikte woningen. Verweerder heeft hierbij aangegeven dat eiseres kort na het betreden besluit, in december 2025, gereageerd heeft op een eenkamerwoning van 23 m2 aan de [adres] en hierbij eerste kandidaat was. Eiseres had deze woning dus kunnen

gaan huren maar heeft dit geweigerd. Wat de precieze reden van de woningweigering is geweest is niet duidelijk, maar eiseres had haar huisvestingsprobleem kunnen oplossen door deze woning te accepteren. Van strijd met het evenredigheidsbeginsel is derhalve ook geen sprake.

6.4.. Tot slot merkt de rechtbank op dat deze procedure alleen gaat over een urgentieverklaring en daarmee over het verkrijgen van een woning. De rechtbank ziet echter in het dossier dat eiseres op veel gebieden geen gemakkelijk leven heeft en graag hulp wil. Zij heeft ook bij diverse instanties aangeklopt voor hulp. Met name bij Veilig Thuis, de Blijfgroep en de maatschappelijke opvang. Eiseres heeft zich daar onvoldoende gehoord gevoeld en heeft niet de zorg en hulp gekregen die zij wenste. Dit valt te betreuren. Anderzijds constateert de rechtbank ook dat eiseres op een gegeven moment niet meer verder geholpen wilde worden door beide instanties, hoewel deze wel hulp bleven aanbieden. Eiseres heeft moeite met het vertrouwen van instanties en wil instanties niet mondeling te woord staan. Op de zitting heeft verweerder toegelicht dat eiseres zich nog steeds kan melden voor hulp, bijvoorbeeld in het kader van maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning. Het is hiervoor echter wel noodzakelijk dat eiseres een aanvraag doet en naar (mondelinge) afspraken komt. Om eiseres te kunnen helpen, is het namelijk belangrijk dat zij haar situatie in persoon komt toelichten. De rechtbank wil eiseres daarom meegeven dat het belangrijk is dat zij, eventueel met een begeleider, naar afspraken van instanties gaat, zodat zij de hulp kan krijgen die ze nodig heeft.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de aanvraag voor een urgentieverklaring heeft mogen weigeren. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. van Haeften, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.C.M. Schilder, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zie de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 10 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6005.

Artikel 2.10.8, eerste lid, onder b, van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2024 (Hvv).

Paragraaf 11 van de Nadere regels Huisvestingsverordening Amsterdam 2024 (de Nadere regels).

Meer Beslissingen