Skip to main content

ECLI:NL:RBAMS:2026:6574

Rechtbank

Amsterdam

Datum

24 June 2026

Taal

nl

Samenvatting

Rechtsvraag

Civiel recht

Uitspraak / Beslissing

Uitspraak

Amsterdam

Procedure: UitspraakDomain: Civiel rechtType: uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht

Zaaknummer: C/13/780127 / HA ZA 25-1810

Vonnis van 24 juni 2026

in de zaak van

JT INTERNATIONAL COMPANY NETHERLANDS B.V.,

te Amstelveen,

eisende partij,

hierna te noemen: JT International,

advocaat: mr. I.A. van Rooij,

tegen

[gedaagde] h.o.d.n. [bedrijf],

te [woonplaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

advocaat: mr. S.J. de Vries.

1. De procedure

1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • het tussenvonnis van 11 maart 2026;

  • het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 7 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en in het dossier zijn gevoegd.

1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.. Op 20 november 2024 zijn JT International en [gedaagde] een overeenkomst aangegaan voor de koop en levering van tabakswaren. Bijlage D van die overeenkomst zijn de toepasselijke algemene voorwaarden van JT International (hierna: de Algemene Voorwaarden).

2.2.. In de Algemene Voorwaarden is, voor zover relevant, bepaald:

“6.4. Betaling dient te geschieden binnen acht dagen (8) na factuurdatum op door JTI aangegeven wijze. Bij overschrijding van de betalingstermijn of onjuiste betaling is Afnemer steeds onmiddellijk in verzuim en een vertragingsrente van 2% per maand verschuldigd, waarbij elk gedeelte van een maand als gehele maand wordt gerekend.

(…)6.6.. Indien JTI genoodzaakt is om haar vorderingen op Afnemer te incasseren omdat Afnemer in de nakoming van deze verplichting in gebreke blijft, dan is Afnemer tevens, naast de schadevergoeding op grond van de wet en overeenkomst, een boete verschuldigd van 15% van het openstaande factuurbedrag te vermeerderen met eventuele overige heffingen en de reeds vervallen vertragingsrente. De Afnemer is gehouden om JTI zowel de buitengerechtelijke incassokosten te vergoeden als de kosten van juridische bijstand die JTI daadwerkelijk heeft gemaakt in de incassoprocedure.”

2.3.. In januari en februari 2025 heeft [gedaagde] meerdere malen tabaksgoederen bij JT International besteld, die door JT International aan [gedaagde] zijn geleverd.

2.4.. Op 22 januari 2025 heeft JT International aan [gedaagde] een factuur gestuurd voor een bedrag van € 15.646,56, met als vervaldatum 30 januari 2025.

2.5.. Op 29 januari 2025 heeft JT International aan [gedaagde] een factuur gestuurd voor een bedrag van € 5.859,17, met als vervaldatum 6 februari 2025.

2.6.. Op 5 februari 2025 heeft JT International aan [gedaagde] een factuur gestuurd voor een bedrag van € 8.840,88, met als vervaldatum 13 februari 2025.

2.7.. Op 4 maart 2025 heeft er een overval plaatsgevonden in de tabakszaak van [gedaagde] in [plaats]. De tabakszaak is daarna een aantal maanden gesloten geweest, tot in oktober 2025.

2.8.. Op 14 juli 2025 heeft de rechtsbijstandsverzekeraar van JT International een sommatiebrief gestuurd aan [gedaagde] . Op diezelfde datum heeft [gedaagde] een bedrag van € 1.714,17 aan JT International betaald.

2.9.. Op 9 oktober 2025 heeft de advocaat van JT International opnieuw een sommatiebrief gestuurd aan [gedaagde] . Daarna heeft er nog correspondentie plaatsgevonden tussen [gedaagde] en de advocaat van JT International over een eventuele betalingsregeling, maar dat heeft niet geleid tot een regeling tussen partijen.

3. Het geschil

3.1.. JT International vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 39.229,16 (bestaande uit € 28.632,44 aan hoofdsom, € 6.301,86 aan rente tot en met 13 november 2025 en € 4.294,86 aan buitengerechtelijke incassokosten), vermeerderd met rente en proceskosten.

3.2.. JT International legt aan de vordering het volgende ten grondslag. JT International heeft meerdere keren goederen aan [gedaagde] geleverd in januari en februari 2025. Per saldo is [gedaagde] voor die leveringen nog een bedrag van € 28.632,44 aan JT International verschuldigd. Op grond van de Algemene Voorwaarden is [gedaagde] een rente van 2% per maand en buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van 15% van het openstaande bedrag verschuldigd.

3.3..
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van JT International voor zover het gaat om de gevorderde contractuele rente en de buitengerechtelijke incassokosten, met veroordeling van JT International in de proceskosten, uitvoerbaar bij voorraad. [gedaagde] verzoekt de rechtbank daarbij om bij toewijzing van (een deel van) de vorderingen van JT International te bepalen dat door [gedaagde] in maandelijkse termijnen van € 2.000 mag worden betaald.

3.4..
[gedaagde] voert het volgende aan. De gevorderde contractuele rente van 2% per maand komt neer op een jaarlijkse rente van 24% per jaar. Dat is een exorbitante rente waarover partijen niet apart hebben onderhandeld. Het rentebeding dient daarom te worden vernietigd omdat het onredelijk bezwarend is dan wel buiten toepassing te blijven nu een beroep op de contractuele rente in de gegeven situatie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Wat betreft de buitengerechtelijke incassokosten heeft JT International niet aannemelijk gemaakt dat zij buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt tot het gevorderde bedrag en zijn de opgegeven werkzaamheden kosten waarvoor de proceskostenveroordeling geacht wordt een vergoeding in te houden. [gedaagde] vordert primair om deze integraal af te wijzen en subsidiair om deze te matigen tot het wettelijke tarief.

4. De beoordeling

4.1..
[gedaagde] heeft erkend dat hij het openstaande factuurbedrag van € 28.632,44 nog aan JT International moet betalen. Dat bedrag zal daarom worden toegewezen.

4.2.. De vraag die resteert is of de gevorderde rente en buitengerechtelijke incassokosten toewijsbaar zijn. De rechtbank overweegt daarover als volgt.

Rente

4.3.. De rechtbank stelt voorop dat het partijen in beginsel vrijstaat om een bepaalde contractuele rente overeen te komen. Een te hoge rente kan, onder omstandigheden, buiten toepassing blijven omdat het onredelijk bezwarend is op grond van artikel 6:233 lid 1 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) of wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid op grond van artikel 6:248 lid 2 BW.

4.4.. In dit geval is van dergelijke bijzondere omstandigheden niet gebleken. Hoewel een rente van 2% per maand (gelijk aan een rente van 24% per jaar) aan de hoge kant is, is geen sprake van een dusdanig hoge rente dat deze in de gegeven omstandigheden als onredelijk bezwarend of strijdig met de redelijkheid en billijkheid is aan te merken. JT International heeft dit, anders dan in de door [gedaagde] aangehaalde uitspraak van de het gerechtshof Den Haag,ter zitting gemotiveerd betwist door aan te geven dat de handelsrente op dit moment boven de 10% per jaar ligt en een rente van 2% per maand in deze zakelijke context niet buitensporig is. [gedaagde] heeft daar onvoldoende tegenin gebracht. Aan overige omstandigheden heeft [gedaagde] slechts aangevoerd dat de overeengekomen rente is opgenomen in de Algemene Voorwaarden en dat partijen daar niet apart over hebben onderhandeld. Die omstandigheden zijn in dit geval ook niet dusdanig bijzonder of zwaarwegend dat het overeengekomen rentebeding om die reden moet worden vernietigd of buiten toepassing moet blijven. De rechtbank wijst de gevorderde rente van € 6.301,86 tot en met 13 november 2025 en de rente vanaf een dag na die datum daarom toe.

Buitengerechtelijke incassokosten

4.5.. JT International vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Partijen zijn een vergoeding overeengekomen die van de wettelijke regeling afwijkt. Omdat [gedaagde] heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf, mag van de wettelijke regeling worden afgeweken. Daarom zal de vordering worden getoetst aan de oriëntatiepunten in het Rapport BGK-integraal, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn.

4.6.. De door JT International gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten komt op grond van de tussen partijen gesloten overeenkomst in beginsel voor toewijzing in aanmerking. In het onderhavige geval acht de rechtbank echter redenen aanwezig om deze vergoeding op grond van het bepaalde in artikel 242 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering te matigen, nu de gestelde werkzaamheden grotendeels zien op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling geacht wordt een vergoeding in te houden, zoals een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen, het doen van onderzoek naar verhaalsmogelijkheden en het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. Niet is gebleken dat de werkelijke kosten van JT International voor de overige gestelde incassowerkzaamheden hoger zijn dan het toepasselijke tarief van het Besluit. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten zal dan ook gematigd worden toegewezen, en wel tot het forfaitaire tarief van € 1.061,32, dat in zijn algemeenheid redelijk wordt geacht.

Proceskosten

4.7..
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van JT International worden begroot op:

  • kosten van de dagvaarding

123,73

  • griffierecht

2.995

  • salaris advocaat

1.672

(2 punten × € 836)

  • nakosten

189

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

4.979,73

Betaling in termijnen

4.8..
[gedaagde] heeft de rechtbank verzocht om bij een toewijzing van de vordering(en) van JT International te bepalen dat [gedaagde] deze in termijnen mag van € 2.000 per maand aan JT International mag betalen. Of [gedaagde] de toegewezen vordering in termijnen mag betalen, is echter iets wat tussen partijen afgesproken dient te worden. De rechtbank kan dat niet bepalen.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1.. veroordeelt [gedaagde] om aan JT International te betalen een bedrag van € 34.934,30, te vermeerderen met de overeengekomen rente van 2% per maand over een bedrag van € 28.632,44, met ingang van 14 november 2025, tot de dag van volledige betaling,

5.2.. veroordeelt [gedaagde] om aan JT International te betalen een bedrag van € 1.061,32 aan buitengerechtelijke incassokosten,

5.3.. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 4.979,73, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.4.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.F. van Schendel en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.

Gerechtshof Den Haag 15 november 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:3305.

Meer Beslissingen