ECLI:NL:RBAMS:2026:6615
Samenvatting
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Uitspraak
Amsterdam
RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12239532 \ KK EXPL 26-324
Vonnis in kort geding van 11 juni 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. R. Plieger,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. J.F. Kersten.
1. De procedure
1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 26 mei 2026 met producties,
de e-mail van 3 juni 2026 van de gemachtigde van [gedaagde] met producties, - de mondelinge behandeling van 4 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Partijen hebben vragen van de kantonrechter beantwoord en de gemachtigde van [gedaagde] heeft spreekaantekeningen voorgelezen en overgelegd.2. De feiten
2.1..
[eiser], 85 jaar oud, is eigenaresse van de woning aan de [adres] te [plaats]. Tot voor kort verbleef zij in deze woning als zij voor haar werk in [plaats] was. Inmiddels is [eiser] gestopt met werken en zij wenst de woning te verkopen.
2.2..
[gedaagde] is drie jaar geleden dakloos geworden en mocht van [eiser] sindsdien in de woning verblijven.
2.3.. Op 14 juli 2025 heeft [eiser] [gedaagde] schriftelijk verzocht de woning binnen vijf dagen te verlaten.
2.4.. Partijen hebben op 30 augustus 2025 een gebruikersovereenkomst gesloten op grond waarvan [gedaagde] nog tijdelijk in de woning mocht verblijven. In de overeenkomst staat dat [eiser] het verblijf op elk moment kan beëindigen zonder opgave van redenen.
2.5.. Op 15 december 2025 heeft de gemachtigde van [eiser] [gedaagde] verzocht de woning op 31 december 2025 te verlaten.
2.6..
[gedaagde] verblijft thans nog in de woning.
3. Het geschil
3.1..
[eiser] vordert – samengevat – de ontruiming van de woning aan de [adres] te [plaats], op straffe van een dwangsom en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2..
[eiser] legt daaraan ten grondslag dat [gedaagde] zonder recht of titel in de woning verblijft en dat [eiser] belang heeft bij ontruiming van de woning.
3.3..
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] wil de woning wel verlaten, maar hij heeft nog geen alternatief gevonden. Hij heeft gezondheidsklachten en kan niet zonder meer verhuizen. Aan [gedaagde] is ook geen redelijke termijn verleend om de woning te ontruimen. [gedaagde] betwist dat [eiser] een spoedeisend belang heeft bij haar vordering. Ter zitting heeft [gedaagde] nog verklaard per 1 augustus 2026 de woning te kunnen verlaten.
4. De beoordeling
4.1.. In dit kort geding dient te worden beoordeeld of de in deze zaak aannemelijk te achten omstandigheden een ordemaatregel vereisen dan wel of de vordering van [eiser] in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft, dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd. Het navolgende behelst dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.
4.2.. Het spoedeisend belang van [eiser] vloeit voort uit de aard van de vordering, te weten het beëindigen van een onrechtmatige situatie; naar de mening van [eiser] verblijft [gedaagde] zonder recht of titel in de woning.
4.3.. Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] een tijdelijk gebruiksrecht had om in de woning te verblijven en dat [eiser] dat recht bij brief van 15 december 2025 heeft opgezegd. Dat betekent dat [gedaagde] inderdaad zonder recht of titel in de woning verblijft en dat hij de woning moet verlaten.
4.4.. Het verweer dat de in de opzeggingsbrief genoemde ontruimingstermijn onredelijk kort zou zijn, kan [gedaagde] niet meer baten. De opzegging dateert inmiddels van bijna een half jaar geleden, terwijl [gedaagde] nog steeds in de woning verblijft. [gedaagde] heeft met andere woorden al een half jaar de tijd gehad om andere woonruimte te vinden.
4.5.. Dit betekent dat de kantonrechter de vordering tot ontruiming van de woning zal toewijzen en de ontruimingstermijn vaststelt op 14 dagen.4.6.. Gelet op het feit dat [eiser] met de toewijzing van de veroordeling tot ontruiming reeds een titel heeft om zelf, via de weg van de reële executie, tot gedwongen ontruiming over te gaan, dient zij te onderbouwen op grond waarvan een extra prikkel om tot ontruiming over te gaan in de vorm van een op te leggen dwangsom nodig is. Dit geldt te meer omdat voorkomen dient te worden dat [eiser] door het uitstellen van de gedwongen ontruiming de dwangsom kan laten oplopen. Nu een dergelijke onderbouwing ontbreekt, wordt de vordering tot het opleggen van een dwangsom bij gebrek aan belang afgewezen.
4.7..
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
0,00
- griffierecht
€
93,00
- salaris gemachtigde
€
577,00
- nakosten
€
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
742,00
5. De beslissing
De kantonrechter
5.1.. veroordeelt [gedaagde] om de woning aan de [adres] te [plaats] binnen twee weken na betekening van dit vonnis te ontruimen en ter beschikking van [eiser] te stellen, welke ontruiming zo nodig door de deurwaarder bewerkstelligd kan worden met behulp van de sterke arm conform het in artikel 555 e.v. jo. 444 Rv bepaalde;
5.2.. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 742,00, te vermeerderen met de kosten van betekening, te voldoen binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis,
5.3.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.. wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. R. Kruisdijk en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2026.
58984