Skip to main content

ECLI:NL:RBAMS:2026:6700

Rechtbank

Amsterdam

Datum

26 May 2026

Taal

nl

Samenvatting

Rechtsvraag

Civiel recht; Verbintenissenrecht

Uitspraak / Beslissing

Uitspraak

Amsterdam

Procedure: UitspraakDomain: Civiel recht; VerbintenissenrechtType: uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM

Civiel recht

Kantonrechter

Zaaknummer: 11948366 \ CV EXPL 25-15047

Vonnis van 26 mei 2026

in de zaak van

Q-PARK OPERATIONS NETHERLANDS B.V.,

te Maastricht,

eisende partij,

hierna te noemen: Q-Park,

gemachtigde: mr. C.F.P.M. Spreksel,

tegen

[gedaagde],

te [woonplaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

procederend in persoon.

1. De procedure

1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • de dagvaarding van 28 oktober 2025, met producties

  • het proces-verbaal van het mondelinge antwoord,

  • het tussenvonnis van 25 november 2025, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald.

1.2.. De mondelinge behandeling vond plaats op 13 april 2026. Namens de gemachtigde van Q-Park waren aanwezig [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2]. [gedaagde] is ook verschenen. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1..
[gedaagde] heeft op 9 augustus 2025 geparkeerd op parkeeraccommodatie Emmen- Wildlands. Zij is zonder te betalen direct achter een voorganger onder de slagboom doorgereden.

2.2.. Q-Park heeft [gedaagde] op 21 augustus 2025 aangeschreven om aan Q-Park te betalen het verschuldigde parkeergeld van € 10,45 en een schadevergoeding van € 382,41. [gedaagde] heeft dit bedrag niet betaald.

3. Het geschil

3.1.. Q-Park vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 451,79, vermeerderd met rente en kosten.

3.2.. Q-Park legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde] op 9 augustus 2025 treintje heeft gereden en dat zij daarom op grond van de algemene voorwaarden het parkeergeld en een schadevergoeding verschuldigd. Omdat zij deze bedragen niet heeft betaald, moet [gedaagde] ook de wettelijke rente hierover en de gemaakte buitengerechtelijke kosten betalen.

3.3.. Volgens Q-Park is het bedrag aan parkeergeld berekend aan de hand van het parkeertarief per uur in de betreffende parkeergarage, uitgaande van het tijdstip waarop het voertuig is binnen gereden en het tijdstip van de gedraging. De schadevergoeding is gebaseerd op de schade die Q-Park lijdt wanneer parkeerders treintje rijden, onder andere vanwege omzetderving, gemaakte kosten, uitgevoerde werkzaamheden, gedane en toekomstige investeringen en het inschakelen van derden. In veel gevallen is ook schade toegebracht aan de slagboom, aldus Q-Park.

3.4..
[gedaagde] voert verweer. Zij voert aan dat zij contant wilde betalen bij de parkeerautomaat maar dat dit niet mogelijk was. Zij is vervolgens naar de slagboom gereden in de hoop daar een medewerker tegen te komen. Die was er niet, en bij de hulpknop kreeg zij een ingesprektoon. [gedaagde] had een zieke dochter op de achterbank en gefrustreerde automobilisten achter zich, zodat zij uiteindelijk in paniek besloot achter iemand anders aan het parkeerterrein af te rijden. Zij vindt het onterecht dat het bedrag verhoogd wordt, aangezien zij wel heeft geprobeerd te betalen. Bovendien vindt zij de schadevergoeding erg hoog en kan zij het gevorderde bedrag niet in een keer betalen.

3.5.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Ambtshalve toetsing

4.1.. De overeenkomst waarop Q-Park zich beroept, is gesloten met een consument. In dat geval moet de kantonrechter ambtshalve onderzoeken of Q-Park de informatieplichten ten tijde van het sluiten van de overeenkomst heeft nageleefd.

4.2.. De overeenkomst is tot stand is gekomen binnen de verkoopruimte. Q-Park heeft voldoende onderbouwd gesteld dat zij voldaan heeft aan de informatieplichten die zij heeft op grond van artikel 6:230l BW.4.3.. De kantonrechter moet ook uit eigen beweging beoordelen of de bedingen in de overeenkomst en de algemene voorwaarden oneerlijk zijn in de zin van Richtlijn 93/13/EEG (de richtlijn oneerlijke bedingen, hierna: de richtlijn). Zoals al eerder is geoordeeld, worden de voor de beoordeling van de vordering van belang zijnde bedingen in de algemene voorwaarden (versie 02.2025) niet oneerlijk bevonden (zie bijvoorbeeld het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 11 december 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:10294).

Beoordeling van de vordering

4.4..
[gedaagde] betwist niet dat zij treintje heeft gereden. Treintje rijden is volgens de algemene voorwaarden niet toegestaan en Q-Park kan dan op grond van de overeenkomst en de algemene voorwaarden het verschuldigd parkeergeld en een schadevergoeding vorderen.

4.5.. Hoewel de kantonechter begrip kan opbrengen voor de omstandigheden waarin [gedaagde] zich volgens haar zeggen bevond, rechtvaardigt dit nog niet de keus van [gedaagde] om de parkeerplaats te verlaten door middel van treintje rijden. Q-Park heeft uitgelegd dat dit voor kosten, overlast en ongemak zorgt. Bovendien treft zij maatregelen om te voorkomen dat treintje rijden nodig is. Zo is er zowel bij de parkeerautomaat als bij de uitrijterminal de mogelijkheid om contact te zoeken met de klantenservice van Q-Park, die 24 uur per dag bereikbaar is. Als de hulpknop bezet is, staat op de informatieborden ook het telefoonnummer van Q-Park. Onbetwist is gebleven dat uit het logsysteem van Q-Park blijkt dat de klantenservice rondom het tijdstip van uitrijden door [gedaagde] bereikbaar was. Ook heeft Q-Park onweersproken gesteld dat uit deze loggegevens niet kan worden opgemaakt dat [gedaagde] contact heeft gezocht met de klantenservice. Daarnaast heeft Q-Park tijdens de zitting verklaard dat gebruikers ook nog binnen drie dagen na het treintje rijden contact kunnen opnemen met Q-Park om de gedraging te corrigeren. Ook dit heeft [gedaagde] niet gedaan.

4.6..
[gedaagde] heeft nog de hoogte van de schadevergoeding betwist. Maar deze enkele betwisting is, zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, onvoldoende. Gelet op wat Q-Park heeft gesteld, is de kantonrechter van oordeel dat de hoogte van de schadevergoeding in redelijke verhouding staat tot de (te verwachten) schade door de gedraging waarop de vergoeding is gebaseerd.

4.7.. Verder lijkt [gedaagde] de kantonrechter nog te verzoeken, gezien haar financiële situatie, de schadevergoeding te matigen. De in artikel 6:94 lid 1 BW opgenomen maatstaf dat voor matiging slechts reden kan zijn als de billijkheid dit klaarblijkelijk eist, brengt mee dat de rechter pas van zijn bevoegdheid tot matiging gebruik mag maken als de toepassing van een beding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt en noopt de rechter aldus tot terughoudendheid. Er moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden die maken dat inroeping van het beding tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. Met de enkele stelling dat [gedaagde] niet de financiële middelen heeft om de hele vordering te voldoen, heeft zij onvoldoende bijzondere omstandigheden aangevoerd om het beroep op matiging te honoreren.

4.8.. De kantonrechter gaat dan ook voorbij aan het verweer van [gedaagde] . Dit betekent dat de vorderingen van Q-Park tot betaling van het verschuldigd parkeergeld van € 10,45 en de schadevergoeding van € 382,41 toewijsbaar zijn. Omdat [gedaagde] deze bedragen niet op tijd heeft betaald en zij de hoogte hiervan niet heeft betwist, is ook de gevorderde wettelijke rente over deze bedragen toewijsbaar vanaf de datum van de gedraging (9 augustus 2025).

4.9.. Q-Park vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. Q-Park heeft aan [gedaagde] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Daarom zal een bedrag van € 58,93 worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen. Omdat Q-Park niet heeft gesteld dat de schade (de buitengerechtelijke incassokosten) al eerder dan op de datum van de dagvaarding is geleden, zal de gevorderde rente worden toegewezen vanaf de dag van dagvaarding.

4.10..
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Q-Park worden begroot op:

  • kosten van de dagvaarding

120,78

  • griffierecht

135,00

  • salaris gemachtigde

174,00

(2 punten × € 87,00)

  • nakosten

43,50

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

473,28

5. De beslissing

De kantonrechter

5.1.. veroordeelt [gedaagde] om aan Q-Park te betalen een bedrag van € 392,86, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 9 augustus 2025, tot de dag van volledige betaling,

5.2.. veroordeelt [gedaagde] om aan Q-Park te betalen een bedrag van € 58,93 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,

5.3.. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 473,28, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.4.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.T. Beuving en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026.

57327

Meer Beslissingen