ECLI:NL:RBAMS:2026:6945
Samenvatting
Strafrecht
Uitspraak
Amsterdam
vonnisRECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/073833-26
Datum uitspraak: 2 juli 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2001 in [geboorteplaats] ,
wonende op het adres [adres] , [woonplaats] ,
thans gedetineerd te: [naam Justitieel Complex] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 18 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. R. Leuven, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. V.H. Hammerstein, naar voren hebben gebracht.
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort weergegeven – ten laste gelegd dat hij zich op 10 maart 2026 in Diemen heeft schuldig gemaakt aan
poging tot doodslag, danwel poging tot zware mishandeling van [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]), door hem in de borst te steken met een mes;
afpersing in vereniging van [slachtoffer] , door hem te dwingen tot afgifte van een tas door hem met een vuurwapen op het hoofd te slaan en te zeggen “geef je horloge en je tas”;
het voorhanden hebben van een wapen van categorie III onder 1°van de Wet Wapens en Munitie, te weten een pistool.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3. Waardering van het bewijs3.1.. Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder feit 1 ten laste gelegde poging tot doodslag. Op basis van de aangifte, verklaring van getuige [naam getuige] en de waarnemingen van de politie omtrent het letsel, kan worden vastgesteld dat verdachte [slachtoffer] met een mes in zijn borst heeft gestoken en daarmee bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer] zou komen te overlijden.
Ten aanzien van feit 2 stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde afpersing. Verdachte heeft in vereniging met anderen [slachtoffer] met een vuurwapen gedwongen tot afgifte van een tas.
De officier van justitie stelt zich ten aanzien van feit 3 op het standpunt dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen.
3.2.. Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft ten aanzien van de onder feit 1 ten laste gelegde poging tot doodslag vrijspraak bepleit, omdat niet kan worden vastgesteld dat er een aanmerkelijke kans was dat aangever zou kunnen te komen overlijden en dat verdachte deze kans bewust heeft aanvaard.
Ten aanzien van feit 2 stelt de raadsvrouw zich op het standpunt dat verdachte partieel vrijgesproken dient te worden van de woorden “geef je horloge”.
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van feit 3 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3.. Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen zoals opgenomen in bijlage IIbij dit vonnis, wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de laste gelegde feiten. De rechtbank overweegt daartoe in het bijzonder het volgende.
3.3.1.. Ten aanzien van feit 1
De rechtbank stelt vast dat verdachte [slachtoffer] heeft gestoken in zijn linkerborst, nabij zijn oksel. In dit deel van het lichaam bevinden zich kwetsbare delen, zoals bloedvaten, zenuwen en pezen. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij met [slachtoffer] in een worsteling terecht kwam, een mes van [slachtoffer] heeft afgepakt, een afwerende en duwende beweging maakte en daardoor [slachtoffer] heeft gestoken.
Partiële vrijspraak poging tot doodslag
Weliswaar kan het steken in de borst nabij de oksel in het algemeen naar zijn uiterlijke verschijningsvorm een mogelijk dodelijke afloop tot gevolg hebben, maar in deze zaak kan niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld of het gebruikte mes geschikt is geweest om dodelijk letsel te veroorzaken. Het dossier bevat namelijk onvoldoende informatie over het specifieke mes dat is gebruikt en over de aard en de omvang van dat mes. Gelet hierop is de rechtbank, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat niet is komen vast te staan dat verdachte met zijn handelen een aanmerkelijke kans op de dood van aangever heeft veroorzaakt. De rechtbank zal verdachte dan ook partieel vrijspreken voor de ten laste gelegde poging tot doodslag.
Poging tot zware mishandeling
De rechtbank stelt vast dat verdachte wel voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangever. De kans op zwaar lichamelijk letsel bij het steken met een mes in de borst nabij de oksel, waar zich vitale lichaamsdelen bevinden, is naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk. Dat de rechtbank niet kan vaststellen welk mes is gebruikt en wat de aard en omvang van dat mes was, doet aan dat oordeel niet af, omdat die vaststelling alleen relevant is voor de vraag of er een aanmerkelijke kans was op het overlijden zoals hierboven is overwogen. Ook het steken met een eventueel kleiner mes in de borstregio levert namelijk evident een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel op. Door tijdens een worsteling een duwende beweging te maken met een mes in de hand in de richting van de borst heeft verdachte de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bewust aanvaard.
3.3.2.. Ten aanzien van feit 2
De rechtbank stelt ten aanzien van feit 2 vast dat [slachtoffer] in Diemen had afgesproken om een dure namaaktas te verkopen. Hij is samen met zijn vriendin, getuige [naam getuige] , naar de afgesproken plek in Diemen gereden. Op de afgesproken plek is verdachte er. Hij is bij [slachtoffer] en [naam getuige] in de auto gestapt om de tas te bekijken. Terwijl zij een rondje rijden, worden zij achtervolgd door twee andere auto’s. Nadat zij stil zijn komen te staan, stappen [slachtoffer] en verdachte uit. Vervolgens is [slachtoffer] met een vuurwapen op zijn hoofd geslagen en is de tas meegenomen.
Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij een vuurwapen bij zich had. Op basis van de aangifte in combinatie met de verklaring van getuige [naam getuige] stelt de rechtbank vast dat verdachte degene is geweest die [slachtoffer] met een vuurwapen op zijn hoofd heeft geslagen. Mede door dit handelen voelde [slachtoffer] zich gedwongen om de tas achter te laten. Volgens getuige [naam getuige] is verdachte ook degene geweest die de tas heeft meegenomen. Door het plegen van deze handelingen heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan afpersing.
Voordat de afpersing plaatsvond stapten uit de twee achtervolgende auto’s twee mannen. Deze mannen hebben zich met de situatie bemoeid. Uit de bewijsmiddelen volgt dat deze personen elkaar voorafgaand aan het incident al kenden en met elkaar hebben afgesproken om daar met zijn drieën aanwezig te zijn. De afpersing heeft in het bijzijn van de twee andere mannen plaatsgevonden. Op basis van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn mededaders.
3.3.3.. Ten aanzien van feit 3
De rechtbank is van oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, zoals omschreven in rubriek 4. Nu verdachte dit feit ondubbelzinnig heeft bekend en de raadsvrouw hiervoor geen vrijspraak heeft bepleit, kan, op grond van artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, met de in bijlage IIgenoemde opgave van bewijsmiddelen worden volstaan.
4. Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in bijlage IIvervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
Ten aanzien van feit 1:
op 10 maart 2026 te Diemen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer] eenmaal met een mes, heeft gestoken in de borst, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Ten aanzien van feit 2:hij op 10 maart 2026 te Diemen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een tas, die aan die [slachtoffer] en/of een derde toebehoorde door die [slachtoffer] meermaals met een vuurwapen op het hoofd te slaan en daarbij die [slachtoffer] de woorden toe te voegen: “geef je horloge en je tas”;
Ten aanzien van feit 3:hij op 10 maart 2026 te Diemen, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk Blow, type Mini 9, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool voorhanden heeft gehad.
5. De strafbaarheid van het feit en de verdachte5.1.. Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte wegens beroep op noodweer(exces) moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging en voert daartoe het volgende aan.
De feitelijke grondslag voor het beroep op noodweer(exces) is op basis van de verklaring van verdachte ter terechtzitting in combinatie met de verklaringen in het dossier voldoende aannemelijk geworden. [slachtoffer] is achter verdachte aangerend, waarna een worsteling is ontstaan. Tijdens de worsteling heeft verdachte bij [slachtoffer] een mes gezien. Verdachte heeft deze confrontatie niet zelf opgezocht. Op dat moment is sprake geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Het handelen van verdachte dient te worden beschouwd als een reactie op een voor hem dreigende situatie. Er kan niet zonder meer worden aangenomen dat van cliënt redelijkerwijs kon worden gevergd dat hij zich aan de situatie had onttrokken, waardoor is voldaan aan de eisen van subsidiariteit. In dit geval is sprake geweest van een verschuldigbare overschrijding van de noodzakelijke verdediging. Verdachte bevond zich in een situatie die zonder meer een hevige gemoedsbeweging teweeg kan hebben gebracht en ervoor heeft gezorgd dat cliënt verder is gegaan dan noodzakelijk.
5.2.. Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat een beroep op noodweer(exces) niet kan slagen. De officier van justitie acht niet aannemelijk geworden dat er sprake is geweest van een noodweersituatie. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting is onvoldoende om als basis te dienen voor een geslaagd beroep op noodweer(exces).
5.3.. Het oordeel van de rechtbank
Het beroep op noodweer(exces) wordt verworpen. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
Onder rubriek 3.3.2. heeft de rechtbank vastgesteld dat [slachtoffer] slachtoffer is geworden van een afpersing. Zodoende is [slachtoffer] door verdachte en zijn mededaders als het ware in de val gelokt. Korte tijd daarna vindt een nieuwe confrontatie plaats tussen verdachte en [slachtoffer] . Op basis van de verklaringen van verdachte en [slachtoffer] stelt de rechtbank vast dat verdachte bij deze nieuwe confrontatie een vuurwapen trok en dat dit vuurwapen bij de worsteling is gevallen. De rechtbank beschouwt het trekken van een vuurwapen tijdens een confrontatie als een agressieve handeling, ongeacht of de andere persoon achter je aan rent. Hetgeen verdachte heeft verklaard over dat [slachtoffer] degene zou zijn geweest die het mes heeft getrokken, doet hoe dan ook aan dit oordeel niets af. Te meer omdat in de situatie kort daarvoor – de afpersing – verdachte ook de agressor is geweest.
Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat er geen sprake is van een noodweersituatie. Om deze reden komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van noodweerexces. De rechtbank oordeelt daarom als volgt. Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. Er is ook geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
6. Motivering van de straffen en maatregelen6.1.. De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 7 jaren, met aftrek van voorarrest.
6.2.. Het strafmaatverweer van de verdediging
De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de straf te matigen door een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen. Daarbij benadrukt de raadsvrouw de jonge leeftijd van verdachte, zijn licht verstandelijke beperking en de positieve ontwikkelingen die verdachte heeft doorgemaakt na zijn vorige detentie.
6.3.. Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot zware mishandeling, afpersing in vereniging en het voorhanden hebben van een vuurwapen. [slachtoffer] is door verdachte en zijn medeplegers naar de ontmoetingsplaats gelokt. Aldaar is door verdachte aan [slachtoffer] een vuurwapen getoond, met het vuurwapen op zijn hoofd geslagen en gedwongen tot afgifte van een tas. Korte tijd later vond een ander conflict plaats waarbij [slachtoffer] door verdachte met een mes nabij zijn oksel is gestoken. Door zijn handelen heeft de verdachte [slachtoffer] niet alleen pijn en letsel toegebracht, maar ook gevoelens van angst en onveiligheid bij [slachtoffer] en de samenleving in het algemeen veroorzaakt. Daarnaast heeft verdachte een vuurwapen in het openbaar voorhanden gehad. Dergelijke wapens brengen een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich. Verdachte heeft dit vuurwapen ook bij de afpersing gebruikt. De rechtbank rekent verdachte in het bijzonder toe de lichtvaardige wijze waarop hij wapens naar conflicten meeneemt en deze ook gebruikt. De rechtbank is van oordeel dat, in het bijzonder gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf rekening gehouden met de straffen die doorgaans voor soortgelijke feiten worden opgelegd. De rechtbank heeft hiervoor aansluiting gezocht bij de Landelijke Oriëntatiepunten voor Strafoplegging die de rechtbanken en hoven onderling hebben afgesproken. Het oriëntatiepunt voor het opzettelijk toebrengen van middelzwaar lichamelijk letsel met behulp van een wapen (niet zijnde een vuurwapen) is een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden. Hierbij weegt de rechtbank mee dat in dit geval geen sprake is van een voltooide zware mishandeling, maar een poging daartoe. Daarnaast heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij het oriëntatiepunt voor straatroof met licht geweld of verbale bedreiging, waarvoor bij recidive een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden op staat. Het oriëntatiepunt voor het voorhanden hebben van een vuurwapen van categorie III onder 1°in de openbare ruimte is een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden.
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie van verdachte van 8 mei 2026. Hieruit blijkt dat verdachte ten tijde van het plegen van de feiten in een voorwaardelijke invrijheidsstelling liep voor soortgelijke feiten waarvoor hij op 27 juli 2023 door het Gerechtshof Amsterdam is veroordeeld.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het rapport van het Leger des Heils van 2 juni 2026. Uit het rapport volgt dat het toezicht in het kader van de voorwaardelijke invrijheidstelling goed verliep. Het Leger des Heils adviseert de oplegging van een straf zonder bijzondere voorwaarden, omdat er geen mogelijkheden gezien worden om met interventies of toezicht het recidiverisico te beperken of het gedrag te veranderen. Ook ziet de reclassering geen contra-indicaties voor de oplegging van een gevangenisstraf. De rechtbank ziet op basis van het voorgaande geen aanleiding om de straf deels voorwaardelijk op te leggen.
Alles overwegende zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest.
7. Beslag
Onder verdachte is het volgende voorwerp in beslag genomen:
1 STK GSM (voorwerpnummer: BZBA5095);
1 STK Mes (voorwerpnummer: G6786250.
Onttrekking aan het verkeer
Het inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten: 1 STK Mes (voorwerpnummer: G6786250), dient onttrokken te worden aan het verkeer nu dit voorwerp kan dienen tot het begaan van het door hem begane feit en het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang, wordt dit voorwerp onttrokken aan het verkeer.
Teruggave aan rechthebbende
De rechtbank zal bepalen dat de inbeslaggenomen 1 STK GSM (voorwerpnummer: BZBA5095) wordt geretourneerd aan de rechthebbende [slachtoffer] .
8. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36b, 36d, 45, 57, 302, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet Wapens en Munitie.
9. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1:
poging tot zware mishandeling;
Ten aanzien van feit 2:
afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
Ten aanzien van feit 3:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 (vierentwintig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Beslag
Onttrekt aan het verkeer 1 STK Mes (voorwerpnummer: G6786250).
Gelast de teruggave aan rechthebbende [slachtoffer] van 1 STK GSM (voorwerpnummer: BZBA5095).
Dit vonnis is gewezen door
mr. E. Biçer, voorzitter,
mrs. P.K. Oosterling - van der Maarel en C. Işıtman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. T. Brouwer, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 juli 2026.
Bijlage I
Tenlastelegging [verdachte]
Aan verdachte [verdachte] is ten laste gelegd dat
Ten aanzien van feit 1:
hij op of omstreeks 10 maart 2026 te Diemen, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om (aan) [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer] een of meermaals met een mes, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp, heeft gestoken in de borst, in elk geval het (boven)lichaam van die [slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Ten aanzien van feit 2:hij op of omstreeks 10 maart 2026 te Diemen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een tas, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer] en/of een derde toebehoorde(n)door die [slachtoffer] een of meermaals met een vuurwapen op het hoofd te slaan en/of (daarbij) die [slachtoffer] een of meermaals de woorden toe te voegen: “geef je horloge en je tas”;
Ten aanzien van feit 3:hij op of omstreeks 10 maart 2026 te Diemen, in elk geval in Nederland, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk Blow, type Mini 9, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad.
Bijlage II
De bewijsmiddelen
Ten aanzien van feit 1 en feit 2:
1. De verklaring die verdachte ter terechtzitting op 18 juni 2026 heeft afgelegd, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven;
Ik kwam met aangever in een worsteling. Tijdens de worsteling is mijn vuurwapen gevallen en is zijn mes gevallen. Ik pakte het mes op en probeerde mij af te weren. Hij bewoog naar achteren en toen heb ik hem geraakt. Ik maakte met beide handen een duwende beweging. Op dat moment had ik het mes vast.
2. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2026060192-30, d.d. 12 maart 2026, in de wettelijk vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 1] en [opsporingsambtenaar 2] , doorgenummerde pagina’s A27 – A30;
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als bevindingen van voornoemde opsporingsambtenaren, zakelijk weergegeven:
Wij hoorden een persoon die opgaf te zijn:
Achternaam: [slachtoffer]
Voornamen: [slachtoffer]
Hij verklaarde het navolgende:
Ik had afgesproken om een tas te verkopen. Er stapte een man uit een Audi a3. De persoon zag er als volgt uit:
- Donkere jongen - Roze Gucci pet - Gucci schouder tas - Beetje dik en lang
Die jongen stapte achterin in.
Er kwam nog een auto aan rijden waar een jongen uit stapte, hij kwam naar mij toe en vroeg wat er aan de hand was. Ik heb het idee dat zij bij elkaar hoorden. De jongen van de Audi a3 trok een vuurwapen uit zijn tasje en sloeg mij een paar keer boven op mijn hoofd. Ik moest ook mijn horloge en tasje afgeven.
Ik ben achter hem aan gaan rennen. Hij trok het vuurwapen uit zijn tasje. Ik heb het vuurwapen uit zijn handen geslagen en het viel op de grond. Nadat het vuurwapen op de grond was gevallen stak hij mij meteen neer met een mes.
3. Proces-verbaal van bevindingen met nummer 260310-3728-965, d.d. 11 maart 2026, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 3] en [opsporingsambtenaar 4] , doorgenummerde pagina’s A1 – A2.
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als bevindingen van voornoemde opsporingsambtenaren, zakelijk weergegeven:
Op 10 maart 2026 waren wij op de Boven Rijkersloot in Diemen. Ik zag dat de man ( [slachtoffer] ) op zijn linkerborst, nabij zijn linkeroksel, een wond had. Ik zag dat deze wond circa twee à drie centimeter was. Ik zag aan de binnenzijde van zijn jas bloed zitten.
Ten aanzien van feit 2:
4. Een proces-verbaal van verhoor getuige [naam getuige] , d.d. 26 mei 2026, in de wettelijk vorm vastgesteld door de rechter-commissaris S. Djebali en griffier M. Rieder;
De rechter-commissaris, hoort als getuige:
[naam getuige]
De getuige legt de volgende verklaring af:
De man stapte bij ons in de auto. Ik keek achterom en zag dat [slachtoffer] op zijn hoofd werd geslagen. [slachtoffer] werd op zijn hoofd geslagen door de man die achterin in de auto zat en nog een andere jongen. Er kwam een derde persoon bij. De tas is gepakt door de man die achterin zat.
Ten aanzien van feit 3:
1. De bekennende verklaring van verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 18 juni 2026.
2. Een proces-verbaal van onderzoek met nummer PL1300-2026060232 Aanvulling, d.d. 1 april 2026, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 5] , doorgenummerde pagina’s A109 – A112.
3. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2026060192-30, d.d. 12 maart 2026, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 1] en [opsporingsambtenaar 2] , doorgenummerde pagina’s A27 – A30.