[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbdha-2026-10688":3,"decision-more-ecli-nl-rbdha-2026-10688":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1244","ECLI:NL:RBDHA:2026:10688","",58,"Den Haag","den-haag","2026-04-22T00:00:00.000Z","RECHTBANK Den Haag\n\nTeam Handel\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F09\u002F684829 \u002F HA RK 25-225\n\nBeschikking van 22 april 2026\n\nin de zaak van\n\n1. NOVACURA ZORGGROEP B.V.,\n\nte Zoetermeer, 2. [verzoekster],\n\nte [woonplaats] ,\n\nverzoeksters,\n\nadvocaat: mr. M.W. Fakiri te Den Haag,\n\ntegen\n\nVGZ ZORGVERZEKERAAR N.V.,\n\nte Arnhem,\n\nverweerster,\n\nadvocaat: mr. E.J.P. van der Kamp te Arnhem.\n\nVerzoeksters worden hierna gezamenlijk aangeduid als “Novacura c.s.” en ieder afzonderlijk als “Novacura” respectievelijk “ [verzoekster] ”, en verweerster als “VGZ”.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:\n\n- het verzoekschrift, ontvangen op 7 mei 2025, met producties 1 tot en met 10;\n\n- het verweerschrift, met producties A tot en met G;\n\n- de aanvullende producties 11 tot en met 14 van Novacura c.s.;\n\n- de ter zitting van 14 augustus 2025 overgelegde en voorgedragen pleitnota’s van partijen;\n\n- de ter zitting van 14 augustus 2025 overgelegde excellsheet van VGZ;\n\n- de brief van de rechtbank van 2 september 2025 aan partijen met betrekking tot de te nemen akten;\n\n- de akte van 11 september 2025 van VGZ, met producties H tot en met O;\n\n- de akte van 6 november 2025 van Novacura c.s. met producties 15 tot en met 28;\n\n- de aanvullende producties P tot en met T van VGZ;\n\n- de aanvullende productie 29 en 30 van Novacura c.s.;\n\n- de aanvullende producties 31 tot en met 33 van Novacura c.s.;\n\n- de door partijen ter zitting van 23 februari 2026 overgelegde en voorgedragen pleitnotities.\n\n1.2.. \n\nOp 14 augustus 2025 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Partijen hebben hun standpunten toegelicht aan de hand van pleitnota’s en vragen van de rechtbank beantwoord. De griffier heeft hiervan aantekeningen gemaakt.\n\nDe zaak is vervolgens aangehouden om VGZ in de gelegenheid te stellen bij akte over te leggen: alle onderliggende stukken die zijn gebruikt voor het opstellen van de door VGZ ter zitting van 14 augustus 2025 overgelegde excellsheet, alsmede de door Novacura ter zake ingediende onderliggende declaraties. En in die akte , zoveel mogelijk aan de hand van onderliggende stukken, een nadere onderbouwing te geven van de in haar brief van 24 oktober 2023 opgesomde “verklaringen van verzekerden” met de nummers [nummer 1] , [nummer 2] , [nummer 3] , [nummer 4] en [nummer 5] . Daarbij is bepaald dat deze onderbouwing dient te zijn voorzien van een toelichting die het voor Novacura c.s. mogelijk maakt erop te reageren, waarop Novacura c.s. dan kon reageren. De zaak is voortgezet op de mondelinge behandeling van 23 februari 2026. Partijen hebben wederom pleitnota’s voorgedragen en vragen van de rechtbank beantwoord. De griffier heeft tijdens de zitting aantekeningen gemaakt.\n\n1.3.. De datum van beschikking is uiteindelijk bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Novacura is zorgaanbieder; [verzoekster] is bestuurder van Novacura via haar holding Novacura Holding B.V.\n\n2.2.. VGZ is zorgverzekeraar. Zij vergoedt vanuit de basisverzekering thuiszorg en thuisverpleging op grond van de Zorgverzekeringswet.\n\n2.3.. VGZ en Novacura hebben met elkaar zorgovereenkomsten Wijkverpleging gesloten voor de periode 2020-2022. Op deze zorgovereenkomsten zijn de Algemene Voorwaarden Zorginkoop VGZ 2020-2021 respectievelijk 2022-2023 van toepassing verklaard.\n\n2.4.. Bij brief van 21 juni 2022 heeft VGZ Novacura c.s. ervan op de hoogte gebracht dat zij een onderzoek naar vermeende fraude heeft ingesteld met betrekking tot de declaraties van Novacura en is verzocht om uiterlijk 7 juli 2022 gegevens aan te leveren. In de brief staat verder onder meer:\n\n“Aanleiding\n\nAanleiding voor het instellen van dit onderzoek zijn een aantal meldingen die VGZ ontvangen heeft inzake het declareren van niet- of onterecht geleverde zorg.\n\nDoel\n\nHet doel van dit onderzoek is het vaststellen of de gedeclareerde behandelingen daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. Wij richten ons in dit onderzoek in beginsel op de gedeclareerde persoonlijke verzorging en verpleging in de periode 2020 tot en met 2022.\n\nWij behouden ons het recht voor om, mochten de onderzoeksbevindingen daar aanleiding toe geven, het onderzoek uit te breiden.\n\nWat vragen wij van u?\n\nOm te beoordelen of de gedeclareerde zorg in de periode 2020 tot en met 2022 daadwerkelijk is geleverd en het zorg betreft waarvoor aanspraak bestaat in het kader van de Zorgverzekeringswet, hebben wij de volgende gegevens nodig:\n\nMet betrekking tot de verzekerden zoals vermeld inbijlage 1[betreft 10 verzekerden, toevoeging rechtbank]\n\n• Alle indicaties die de wijkverpleegkundige voor deze verzekerden heeft gesteld;\n\n• De zorgplannen die Nova Cura Zorggroep B.V. voor deze verzekerden heeft opgesteld;\n\n• De urenspecificaties waaruit blijkt op welke dagen er zorg Is verleend, welke zorgsoort, met vermelding van de begin- en eindtijd en de naam van de zorgverlener;\n\n• De dag rapportage waaruit blijkt waar de zorg uit heeft bestaan;\n\n• De diploma’s van de indicerend wijkverpleegkundige én de zorgverleners die de zorg hebben geleverd.\n\nGrondslag\n\nWij verzoeken u om de hiervoor vermelde gegevens naar ons toe te sturen. Wij wijzen u erop dat Nova Cura Zorggroep B.V. op grond van artikel 87 van de Zorgverzekeringswet en artikel 7.4 van de Regeling zorgverzekering verplicht is om de gevraagde gegevens bij ons aan te leveren.(…).”2.5.. Novacura heeft daarop op 15 juli 2022 gegevens aangeleverd bij VGZ.2.6.. Bij brief van 14 augustus 2023 heeft VGZ Novacura c.s. op de hoogte gesteld van haar voorlopige bevindingen inzake het fraudeonderzoek. In de brief staat, voor zover hier relevant, als volgt:\n\n“VGZ heeft u met de brief van 21 juni 2022 geïnformeerd over het onderzoek als bedoeld in artikel7.10. \n\nvan de Regeling Zorgverzekering dat wij gestart zijn naar de declaraties van Nova Cura Zorggroep B.V.\n\n (…)\n\nOp 15 juli 2022 ontvingen wij de gevraagde gegevens van u. Na analyse van deze documenten hebben wij u uitgenodigd voor een informatief gesprek op ons kantoor in Arnhem. Op 12 april 2023 heeft het gesprek plaatsgevonden met u en de heer [naam 1] .\n\nGesprek van 12 april 2023\n\nIn het gesprek hebt u - voor zover hier ter zake relevant - het volgende aangegeven:\n\nU bent de eigenaar van het bedrijf Nova Cura Zorggroep B.V. Uw echtgenoot is de heer [naam 1] . U gaat over de zorg en uw echtgenoot werkt als manager bij Nova Cura Zorggroep B.V en verzorgt de administratie en de facturatie. Daarnaast bent u eigenaar van het bedrijf Happy Care Thuiszorg. Dit bedrijf verzorgt (nu) uitsluitend indicatiestellingen voor de aanspraak wijkverpleging. De zorg wordt geleverd door Nova Cura Zorggroep B.V. Uw bedrijf werkt vooral met zzp'ers die de zorg aan uw cliënten leveren.(…) De heer [naam 1] gaf aan dat u werkt vanuit het beginsel ‘planning is realisatie’, tenzij er sprake is van bijzonderheden.(…).\n\nContacten met externen\n\nTijdens het gesprek op 12 april 2023 heeft u ook verklaard dat u controleur Fraudebeheersing bent voor Zilveren Kruis. Daarnaast heeft u aangegeven dat u sparringpartner bent bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en in een pilot zit met de Nederlandse Zorg Autoriteit (NZa), de IGJ (en SKG).\n\n(…).\n\nAnalyse ontvangen documenten\n\nWij hebben een steekproef genomen van een aantal verzekerden ( [verzekerde 1] ,[verzekerde 2] , [verzekerde 3] ,[verzekerde 4] en[verzekerde 5] ). Hierbij hebben we de indicatiestellingen, urenregistraties en de dag-rapportages beoordeeld. Uit de analyse blijkt dat de urenregistraties (vrijwel) overeenkomen met de in de\n\nindicatiestellingen geïndiceerde uren. Uit de analyse komt naar voren dat de urenregistraties niet overeenkomen met de dag-rapportages. Niet op alle dagen waarop volgens de urenregistratie gewerkt is zijn deze dagen ook in de dagrapportages ingevuld. Naast het niet gevuld zijn van bepaalde dagen valt op dat, in die gevallen waarin er sprake is van meerdere zorgmomenten per dag, deze in de dag rapportages (ook) niet ingevuld zijn. Deze constatering geldt voor alle onderzochte verzekerden. De steekproef laat zien dat ruim 40%, van de volgens de\n\nurenregistraties geleverde zorg, niet genoteerd is in de dag-rapportages. Als er sprake is van een dubbel zorgmoment op een dag is dit in ruim 90% van de gevallen niet genoteerd in de dag-rapportages. (…).“\n\n2.7.. Bij brief van 24 oktober 2023 heeft VGZ aan Novacura c.s. de uitkomst van haar onderzoek meegedeeld. In de brief staat, voor zover hier van belang, het volgende:\n\n“Op 14 augustus 2023 hebben wij u geïnformeerd over de voorlopige bevindingen naar aanleiding van ons onderzoek, als bedoeld in artikel 7.10 van de Regeling Zorgverzekering, naar de declaraties die door Novacura Zorggroep B.V. (hierna: Novacura) over de jaren 2020, 2021 en 2022 bij VGZ1 zijn ingediend. Wij hebben u de mogelijkheid gegeven om (…) te reageren op onze voorlopige bevindingen, maar daarvan heeft u geen gebruik gemaakt.(…)\n\nOnderzoek\n\nHet doel van ons onderzoek is om vast te stellen of de declaraties voor verpleging en verzorging die Novacura (namens verzekerden) heeft ingediend, rechtmatig zijn. Dit betekent een controle conform de geldende wet- en regelgeving is gedeclareerd. Daarnaast wilden wij vaststellen of de gedeclareerde zorg daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.\n\n(…)\n\nVerklaringen van verzekerden\n\n• Verzekerde met klantnummer [nummer 1] heeft bij VGZ een klacht c.q. fraudemelding ingediend met betrekking tot het indienen van declaraties door Novacura voor zorg die volgens de verzekerde niet geleverd is. Volgens verzekerde had hij die zorg ook niet nodig.\n\n• Verzekerde met klantnummer [nummer 2] heeft telefonisch contact met ons opgenomen en aangegeven dat zij vanaf 1 april 2020 geen zorg van Novacura meer heeft ontvangen. Door Novacura is echter voor de periode 1 april tot en met 31 mei 2020 € 1.484,- aan zorg ten behoeve van voornoemde verzekerde gedeclareerd.\n\n• Verzekerde met klantnummer [nummer 3] heeft verklaard dat, naast het leveren van persoonlijke verzorging, door medewerkers van Novacura ook eten werd klaargemaakt en af en toe werd opgeruimd. Huishoudelijke hulp en het bereiden van maaltijden mogen echter niet worden vergoed vanuit de Zorgverzekeringswet (wijkverpleging).\n\n• Verzekerde met klantnummer [nummer 4] heeft verklaard dat, naast het leveren van persoonlijke verzorging door NovaCura, de verzorgende van Novacura haar ook heeft begeleid naar de huisarts en het ziekenhuis. Dit komt eveneens niet voor vergoeding in aanmerking vanuit de Zorgverzekeringswet.\n\n• Verzekerde met klantnummer [nummer 5] heeft verklaard dat de zorg, naast hulp bij het innemen van medicatie en af en toe hulp bij het douchen, voornamelijk bestond uit het schoonmaken van haar huis. Zoals eerder vermeld mag huishoudelijke hulp niet worden vergoed vanuit de Zorgverzekeringswet.\n\nBevindingen\n\nVoor wat betreft onze bevindingen verwijzen wij u naar hetgeen wij hebben vermeld in onze brief van 14 augustus 2023. U heeft niet gereageerd op die voorlopige bevindingen. Onze definitieve bevindingen worden daarom conform de voorlopige bevindingen vastgesteld.\n\nDe resultaten van de door ons uitgevoerde steekproef extrapoleren wij naar de totale populatie van VGZ verzekerden die Novacura in zorg heeft gehad in de jaren 2020, 2021 en 2022. Dit betekent dat ruim 40% van de declaraties niet voldoet aan de daarvoor gestelde eisen.\n\nMisleiding\n\nTijdens het gesprek op 12 april 2023 heeft u onder meer verklaard dat u controleur Fraudebeheersing bent voor Zilveren Kruis. Daarnaast heeft u aangegeven dat u sparringpartner bent bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en in een pilot zit met de Nederlandse Zorg Autoriteit (NZa), de IGJ (en SKG).\n\n(…)\n\nWij hebben zelf navraag gedaan bij Zilveren Kruis en de IGJ om te verifiëren of uw verklaringen kloppen. Zij hebben aangegeven niet met u samen te werken. Wij beschouwen het als misleidend dat u bepaalde verklaringen heeft afgelegd waarmee u kennelijk een positief beeld heeft willen scheppen over u als persoon en uw persoonlijke waarden en normen.\n\nConclusie\n\nGelet op de bevindingen zoals vermeld in de brief van 14 augustus 2023, de hierboven genoemd verklaringen van verzekerden en het feit dat u ons heeft willen misleiden door het afleggen van valse verklaringen inzake de door u voorgestelde rollen bij Zilveren Kruis en de IGJ, stellen wij ons op het standpunt dat Novacura meer zorg heeft gedeclareerd dan er daadwerkelijk is verleend aan verzekerden. Daarnaast heeft Novacura zorg in rekening gebracht die niet vergoed mag worden vanuit de Zorgverzekeringswet. Wij stellen vast dat er sprake is van (zorg)fraude.\n\n(…)\n\nHet voorgaande levert een overtreding op van artikel 35 van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg). Daarnaast is er sprake is van een overtreding van artikel 36 Wmg aangezien Novacura geen administratie heeft gevoerd die juist, volledig en derhalve controleerbaar is.\n\nWij merken op dat het van groot belang is dat zorgaanbieders correct declareren en een volledige en juiste administratie voeren; zonder een deugdelijke administratie is het niet te controleren of zorggeld rechtmatig is besteed. Een onvolledige administratie werkt misbruik van zorggelden in de hand. U bent als (indirect) bestuurder van een professionele zorgorganisatie verantwoordelijk voor het voeren van een juiste administratie.\n\n(Bestuurders)aansprakelijkheid\n\nVolgens het Handelsregister van de Kamer van Koophandel was u tijdens de gehele onderzoeksperiode de indirect bestuurder van Novacura. De administratie van uw onderneming is jarenlang verwaarloosd en uw onderneming heeft jarenlang valse declaraties ingediend bij VGZ. Daarmee heeft uw organisatie onrechtmatig gehandeld jegens VGZ. Uw handelen en nalaten als bestuurder is zodanig onzorgvuldig dat aan u persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt van het onrechtmatig handelen van uw organisatie. Om die reden houden wij zowel Novacura als u persoonlijk aansprakelijk voor de geleden schade.\n\nMaatregelen\n\nBij fraude wordt overgegaan tot het opleggen van maatregelen. De gevolgen van de door ons geconstateerde fraude zijn voor Novacura en u persoonlijk als volgt.\n\nVerwerking persoonsgegevens in incidentenregister\n\nWij verwerken de (persoons)gegevens van Novacura en u in overeenstemming met het Protocol incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen (PIFI).\n\n(…)\n\nDe afdeling Veiligheidszaken maakt voor het vastleggen en verwerken van (persoons)gegevens gebruik van een incidentenregister. Het incidentenregister ondersteunt activiteiten om de veiligheid en integriteit van ons bedrijf te waarborgen. De maximum bewaartermijn voor (persoons)gegevens in dit register is acht jaar. Omdat Novacura en u betrokken zijn bij het onrechtmatig handelen jegens VGZ, nemen wij uw persoons)gegevens op in ons incidenten register tot 21 juni 2030.\n\n(…)\n\nVerwerking persoonsgegevensinhet Extern Verwijzingsregister (EVR)\n\nWij hebben de (persoons)gegevens van Novacura en u opgenomen in het Extern Verwijzingsregister (EVR) tot 21 juni 2027.\n\nFinanciële instellingen in Nederland kunnen, volgens de regels van het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen, toetsen of u in dit register voorkomt. Dit register wordt door financiële instellingen gebruikt om de integriteit van klanten en relaties te beoordelen. Degene die toetst of uw gegevens voorkomen in dit register is verplicht om bij ons navraag te doen over de reden van uw registratie.\n\n(…)\n\nMelding door ZN aan de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa)\n\nZoals hierboven vermeld, hebben wij uw (persoons)gegevens opgenomen in ons incidentenregister. Omdat we hebben vastgesteld dat er sprake is van misleiding\u002Fbedrog, kenmerkend voor fraude, melden we het desbetreffende dossier bij de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa). Het is algemeen beleid, gebaseerd op vigerende wetgeving, dat we fraude melden aan de NZa. De NZa registreert de melding en gebruikt de informatie voor het coördineren van bestuursrechtelijke onderzoeken en om inzicht te krijgen in de aard en omvang van fraude in de zorg.\n\n(…)\n\nVordering declaraties\n\nWij hebben in totaal € 212.450,- aan Novacura vergoed naar aanleiding van de ingediende declaraties. Wij stellen ons op het standpunt dat ruim 40% van de declaraties niet voldoet aan de daarvoor gestelde eisen en frauduleus is. Om die reden vorderen wij een bedrag van € 84.980,-- (40% van € 212.450,-) bij Novacura en u terug.\n\n(…).”\n\n2.8.. VGZ heeft vervolgens Novacura en [verzoekster] opgenomen in het incidentenregister (hierna: IR) tot 21 juni 2030, en in het Extern Verwijzingsregister (hierna: EVR) tot 21 juni 2027. Daarnaast heeft VGZ een melding gedaan bij de Nederlandse Zorgautoriteit (hierna: NZa).\n\n2.9.. Bij brief van 17 oktober 2024 heeft Novacura c.s. betwist dat sprake is van fraude en aan VGZ verzocht de registraties ongedaan te maken.\n\n2.10.. Op 2 december 2024 heeft VGZ bericht de registraties te handhaven.\n\n3. Het verzoek en het verweer\n\n3.1.. \n\nNovacura c.s. verzoekt de rechtbank, bij beschikking voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\n-VGZ te bevelen om binnen zeven dagen na datum van deze beschikking de registraties van de (persoons) gegevens van Novacura c.s., althans van [verzoekster] , in het IR en het EVR ongedaan te maken, en ook de melding van fraude bij de Nederlandse Zorgautoriteit ongedaan te maken, op straffe van een dwangsom van € 5.000 per dag met een maximum van € 100.000;\n\n- VGZ te veroordelen in de kosten van het geding.\n\n3.2.. \n\nAan het verzoek heeft Novacura c.s. het volgende ten grondslag gelegd. Er is sprake van onrechtmatige verwerking van de persoonsgegevens van Novacura c.s. in het EVR en het IR omdat VGZ hen ten onrechte beticht van fraude. Uit artikel 6 lid 1 onder f Algemene verordening gegevensbescherming (hierna: AVG) vloeit voort dat een registratie enkel is toegestaan indien de verwerking noodzakelijk is voor de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van de verwerkingsverantwoordelijke of van een derde. Daaraan is hier niet voldaan. Ook is niet voldaan aan de eisen neergelegd in artikel 5.2.1. van het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem financiële instellingen (Protocol).\n\nEr is geen sprake van ten onrechte gedeclareerde zorg. Novacura heeft aan haar administratieve verlichtingen voldaan. De declaraties zijn conform het systeem 'zorgplan= planning = realisatie, tenzij'. Uit het zorgplan volgt welke verzekerde, welke prestatie heeft ontvangen en uit de urenlijsten volgt wanneer deze is verricht. Verder hebben de verzekerden de urenstaten ondertekend, waaruit volgt dat de zorg is geleverd. Dagrapportages zijn ingevuld met een ander doel dan vastleggen van de geleverde zorg, zodat op basis daarvan niet kan worden vastgesteld welke zorg en wel of niet is geleverd.\n\nDe verklaringen van drie van de vijf verzekerden waarop VGZ zich beroept, hebben geen betrekking op de onderzoeksperiode 2020-2022, zodat zij ten onrechte bij de beslissing om tot registratie over te gaan zijn betrokken. Uit de overige verklaringen waarop VGZ zich beroept, kan niet geconcludeerd worden dat Novacura niet verleende zorg heeft gedeclareerd of werkzaamheden heeft uitgevoerd en gedeclareerd die niet voor vergoeding op grond van de Zorgverzekeringswet in aanmerking komen.\n\nTot slot houden de uitlatingen van [verzoekster] in het gesprek van 12 april 2023 geen verband met de zorg die al dan niet geleverd zou zijn door Novacura.\n\nAan de vereisten die voortvloeien uit artikel 5.2.1. van het Protocol is niet voldaan. De voorwaarden onder a) en b) betekenen dat sprake moet zijn van voldoende concrete feiten en omstandigheden die de conclusie kunnen dragen dat sprake is van een als strafbaar feit te kwalificeren gedraging. Aan die voorwaarden is niet voldaan. De registraties zijn daarom onrechtmatig.\n\n3.3.. VGZ verzet zich tegen toewijzing van het verzoek.\n\n3.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. In geschil is of VGZ de gegevens van Novacura en [verzoekster] in het IR en EVR moet verwijderen. In het verlengde daarvan is in geschil of VGZ de melding aan de Nederlandse Zorgautoriteit ongedaan moet maken.\n\nToetsingskader\n\n4.2.. Op grond van artikel 17 lid 1 onder d) van de AVG heeft de betrokkene onder meer recht op wissing van hem\u002Fhaar betreffende persoonsgegevens indien de persoonsgegevens onrechtmatig zijn verwerkt.\n\n4.3.. Artikel 6 lid 1 aanhef en onder f van de AVG bepaalt dat de verwerking rechtmatig is indien en voor zover deze noodzakelijk is voor de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van de verwerkingsverantwoordelijke of van een derde, behalve wanneer de belangen of de grondrechten en de fundamentele vrijheden van de betrokkene die tot bescherming van persoonsgegevens nopen, zwaarder wegen dan die belangen. Daarbij geldt dat moet zijn voldaan aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Dit betekent dat de inbreuk op de belangen van de bij de verwerking van persoonsgegevens betrokkenen niet onevenredig mag zijn in verhouding tot het met de verwerking te dienen doel (proportionaliteitsbeginsel) en dat het doel waarvoor de persoonsgegevens worden verwerkt in redelijkheid niet op een andere, voor de betrokkene minder nadelige wijze kan worden verwezenlijkt (subsidiariteitsbeginsel).\n\n4.4.. Bij de beoordeling van registraties in het IR en EVR is ook het door de Autoriteit Persoonsgegevens goedgekeurde Protocol van belang. Hierin staat in welke gevallen gegevens mogen worden opgenomen en opgenomen mogen blijven. Het is vaste rechtspraak dat als aan de eisen van het Protocol wordt voldaan de verwerking van persoonsgegevens in beginsel rechtmatig is op grond van artikel 6 lid 1 aanhef en onder f AVG. Het Protocol dient daarom tot uitgangspunt bij de beoordeling van de vraag of opname van de persoonsgegevens van [verzoekster] in de registers gerechtvaardigd is.\n\n4.5.. \n\nVoor vastlegging van gegevens in het IR is op grond van artikel 3.1.1 Protocol vereist dat sprake is van een ‘incident’, in artikel 2 Protocol omschreven als:\n\n‘een gebeurtenis die als gevolg heeft, zou kunnen hebben of heeft gehad dat de belangen, integriteit of veiligheid van de cliënten of medewerkers van een Financiële Instelling, de Financiële Instelling zelf of de financiële sector als geheel in het geding zijn of kunnen zijn, zoals het falsificeren van nota’s, identiteitsfraude, skimming, verduistering in dienstbetrekking, phishing en opzettelijke misleiding'.\n\nOp grond van artikel 3.1.1 Protocol is verder vereist dat de registratie geschiedt ten behoeve van het in artikel 4.1.1 Protocol genoemde doel: het ondersteunen van activiteiten gericht op het waarborgen van de veiligheid en de integriteit van de financiële sector.\n\n4.6.. Voor opname van gegevens in het EVR moet op grond van artikel 5.2.1 van het Protocol aan de volgende criteria zijn voldaan:\n\na. a) de gedraging(en) van de (rechts)persoon vormden, vormen of kunnen een bedreiging vormen voor (I) de (financiële) belangen van cliënten en\u002Fof medewerkers van een Financiële Instelling, alsmede de (Organisatie van de) Financiële Instelling(en) zelf of (II) de continuïteit en\u002Fof de integriteit van de financiële sector;\n\nb) in voldoende mate staat vast dat de betreffende (rechts)persoon betrokken is bij de onder a bedoelde gedraging(en). Deze vaststelling betekent dat van strafbare feiten in principe aangifte of klachte wordt gedaan bij een opsporingsambtenaar;\n\nc) het proportionaliteitsbeginsel wordt in acht genomen.\n\n4.7.. Ook op grond van het Protocol moet een belangenafweging worden gemaakt, waarbij alle bekende feiten en omstandigheden moeten worden betrokken. Bij elke verwerking van persoonsgegevensregistratie moet zijn voldaan aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.\n\n4.8.. Verder geldt voor rechtmatige verwerking van strafrechtelijke gegevens in het IR en het EVR dat de vastgestelde gedragingen een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld moeten opleveren, in die zin dat de te verwerken strafrechtelijke persoonsgegevens in voldoende mate moeten vaststaan (zie HR 29 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH4720, r.o. 4.4). Een veroordeling door de strafrechter is niet vereist, maar de enkele verdenking van betrokkenheid bij een strafbaar feit in de zin van een vermoeden van schuld is niet voldoende. Er moet sprake zijn van zodanige concrete feiten en omstandigheden dat zij een als strafbaar feit te kwalificeren bewezenverklaring in de zin van art. 350 Wetboek van Strafvordering (Sv) kunnen dragen.\n\n4.9.. Uitgangspunt is verder dat het aan de financiële instelling is te onderbouwen en te concretiseren waarom zij tot registratie is overgegaan\n\nToetsing\n\n4.10.. VGZ heeft aan de registraties van Novacura c.s. ten grondslag gelegd dat sprake is van fraude. Aan de registraties van [verzoekster] heeft VGZ bovendien ten grondslag gelegd dat sprake is van fraude, waarvan haar als middellijk bestuurder van Novacura persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Volgens VGZ is de administratie van Nocacura jarenlang verwaarloosd en heeft Novacura jarenlang valse declaraties ingediend bij VGZ. VGZ stelt dat het handelen en nalaten van [verzoekster] als bestuurder zodanig onzorgvuldig is dat haar persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt van het onrechtmatig handelen van Novacura.\n\n4.11.. \n\nVGZ legt aan haar standpunt dat sprake is van fraude verschillende verwijten ten grondslag. In haar brief van 24 oktober 2023 stelt VGZ dat door Novacura meer zorg is gedeclareerd dan daadwerkelijk is verleend aan verzekerden. Dit baseert VGZ op 1) de bevindingen in haar brief van 14 augustus 2023, te weten dat uit een analyse van vijf verzekerden blijkt dat de urenregistraties (vrijwel) overeenkomen met de in de indicatiestellingen geïndiceerde uren, maar niet met de dag-rapportages, welke steekproef volgens VGZ laat zien dat ruim 40% van de volgens de urenregistraties geleverde zorg, niet is genoteerd in de dagrapportage, en zelfs 90% als sprake is van een dubbel zorgmoment op een dag; 2) verklaringen van de verzekerden [verzekerde 6] en [verzekerde 7] en 3) misleiding door [verzoekster] tijdens het gesprek van 12 april 2013 over gestelde nevenactiviteiten in de branche. Daarnaast heeft Novacura volgens de brief zorg gedeclareerd die niet vergoed mag worden vanuit de Zorgverzekeringswet, wat zij baseert op verklaringen van verzekerden [verzekerde 8] , [verzekerde 9] en [verzekerde 10] .\n\nDe rechtbank zal hieronder bij haar beoordeling van de gronden voor registratie deze volgorde aanhouden.\n\nIs er meer zorg gedeclareerd dan is verleend?\n\n1) De bevindingen in de brief van VGZ van 14 augustus 2023\n\n4.12.. In genoemde brief, zoals hierboven weergegeven onder 2.6, staat, samengevat en voor zover hier relevant, dat bij aan aantal verzekerden een steekproef is uitgevoerd waarbij indicatietellingen, urenregistraties en dagrapportages zijn beoordeeld. Uit de analyse daarvan is gebleken dat de urenregistraties (vrijwel) overeenkomen met de in de indicatiestellingen geïndiceerde uren, maar dat deze niet overeenkomen met de dagrapportages omdat niet op alle dagen waarop volgens de urenregistratie gewerkt is, deze dagen ook zijn ingevuld in de dagrapportages. Volgens VGZ kan zij door de ontbrekende reportages niet vaststellen dat de gedeclareerde zorg is geleverd en voldoet de administratie van Novacura daarom niet aan de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg, artikel 36 lid 1), de Regeling verpleging en verzorging (artikel 4.1 en 4.2), en de tussen partijen gesloten zorgovereenkomsten.\n\n4.13.. Novacura c.s. stelt zich op het standpunt dat de administratie van Novacura wel voldoet aan de eisen gesteld in de Wmg, de Regeling verpleging en verzorging en de zorgovereenkomsten. Novacura declareert volgens de methode 'zorgplan= planning = realisatie, tenzij-', waarbij VGZ aan de hand van de in de administratie van Novacura aanwezige gegevens (indicatiestelling, zorgplan, planning en ondertekende urenstaten) kan vaststellen dat de gedeclareerde zorg is geleverd.\n\n4.14.. Artikel 36 lid l Wmg bepaalt, voor zover relevant, als volgt: “Zorgaanbieders en ziektekostenverzekeraars voeren een administratie waaruit in ieder geval de overeengekomen en geleverde prestaties blijken, alsmede wanneer die prestaties zijn geleverd, aan welke patiënt onderscheidenlijk aan welke verzekerde die prestaties door een zorgaanbieder zijn geleverd, de daarvoor in rekening gebrachte tarieven en de in verband daarmee ontvangen of verrichte betalingen of vergoedingen aan derden.”\n\n4.15.. De administratieve verplichtingen van artikel 36 lid 1 Wmg zijn door de NZa nader uitgewerkt in de Regeling verpleging en verzorging, die voorschriften bevat over de registratie en declaratie van verpleging en verzorging. In de periode waarop de bevindingen van VGZ betrekking hebben (2020-2022) luidde artikel 4 van deze regeling, voor zover relevant, als volgt:\n\n“1. De registratie van de prestaties en tarieven in de administratie van de zorgaanbieder is yolledig, juist en actueel. Aan zorgaanbieders die registreren en declareren volgens het principe van'zorgplan = planning = realisatie, tenzij' kan voor deze verplichting worden aangesloten bij de (gecorrigeerde) planning. Tijdregistratie per cliënt tijdens de zorgverlening is in dat geval niet noodzakelijk.In het kader van onderlinge dienstverlening is de opdrachtgevende zorgaanbieder er voor verantwoordelijk dat de uitvoerende zorgaanbieder beschikt over een volledige, juiste en actuele administratie met betrekking tot de zorg die door de uitvoerende zorgaanbieder is geleverd. Dit laat onverlet dat de uitvoerende zorgaanbieder hier ook zelf verantwoordelijk voor is. Op verzoek van de opdrachtgevende zorgaanbieder, de NZa en\u002Fof de zorgverzekeraar zal de uitvoerende zorgaanbieder de administratie met betrekking tot de geleverde zorg te allen tijde inzichtelijk kunnen maken.”\n\n2. De administratieve organisatie dient zodanig ingericht te zijn dat een audit-trail mogelijk is.\n\n(…)\n\n4. De geleverde zorg moet navolgbaar zijn. Het verpleegkundig proces, het methodisch werken (anamnese, diagnose, planning, uitvoering en evaluatie) en de bijbehorende verslaglegging moet goed verankerd zijn binnen de organisatie. Dit betekent dat de geleverde zorg die valt onder directe contacttijd dan wel verplaatste directe contacttijd navolgbaar verantwoord wordt in het zorgplan, de planning en\u002Fof de voortgangsrapportage.\n\nAan zorgaanbieders die registreren en declareren volgens het principe van ‘zorgplan = planning = realisatie, tenzij’ wordt geen verantwoording gevraagd in het zorgplan, de voortgangsrapportage of op welke wijze dan ook, met feitelijk geleverde minuteninzet, buiten de (gecorrigeerde) planning.”\n\nIn artikel 1 ‘begripsbepalingen’ van deze regeling is ‘Audit-trail’ gedefinieerd als:\n\n“Zodanige vastlegging van gegevens dat het spoor van basisgegeven naar eindgegeven en omgekeerd achteraf door een externe accountant of, afhankelijk van de aard van de gegevens, door de NZa en de zorgverzekeraar kan worden gevolgd en gecontroleerd.”\n\n4.16.. In de zorgovereenkomsten is opgenomen dat wordt gedeclareerd volgens het bepaalde in de Handreiking registratiewijze 'zorgplan= planning = realisatie, tenzij’. In dit systeem vormt het zorgplan de basis voor de te verlenen zorg. In het zorgplan staat onder meer informatie over de aard, omvang (hoeveel tijd die nodig is om de betreffende zorg te leveren), duur (hoe lang, gedurende welke periode de zorg nodig is) en doelen van de zorg. Vervolgens wordt aan de hand van de tijdsindicatie gebaseerd op het zorgplan een planning gemaakt, die de basis vormt voor de declaratie van cliëntgebonden zorg. Uitgangspunt van dit systeem is dat er een logische samenhang moet zijn tussen het zorgplan, de planning en de realisatie. Een exacte overeenstemming is echter niet nodig. Het is mogelijk om tijdelijk meer of minder tijd in te plannen dan in het zorgplan staat. Ook kan de realisatie mee- of tegenvallen ten opzichte van de planning en het zorgplan. De declaratie volgt in dat geval de gecorrigeerde planning.\n\n4.17.. \n\nIn de brief 14 augustus 2023 staat dat VGZ heeft geconstateerd dat de urenregistraties van Novacura (vrijwel) overeenkomen met de in de indicatiestellingen geïndiceerde uren. Dit impliceert dat het zorgplan (dat ten grondslag ligt aan de indicatiestelling) en de daarop gebaseerde planning (urenregistraties) op elkaar aansluiten. Nu niet in geschil is dat de declaraties van Novacura aansluiten op de urenstaten (planning), voldoet Novacura aan de methode 'zorgplan= planning = realisatie’ als opgenomen in artikel 4 lid 1 Regeling verpleging en verzorging. Verantwoording op basis van feitelijk geleverde minuteninzet, buiten de (gecorrigeerde) planning, is niet vereist: “Er wordt geen verantwoording gevraagd in het zorgplan, de voortgangsrapportage of op welke wijze dan ook, met feitelijk geleverde minuteninzet, buiten de (gecorrigeerde)planning.”\n\nUit de discrepantie tussen zorgrapportages en urenstaten kan, anders dan VGZ stelt, niet worden geconcludeerd dat sprake is van niet verleende zorg (die wel is gedeclareerd). Deze discrepantie kan immers worden verklaard doordat, naar [verzoekster] onweersproken heeft gesteld, zorgreportages worden gemaakt om de overdracht van zorg van de ene zorgverlener van Novacura naar de andere zorgverlener soepel te laten verlopen, en niet ter onderbouwing van de gewerkte tijd waarvoor zij gebruik maakt van urenstaten.\n\n4.18.. Dat, zoals VGZ aanvoert, zij door incomplete of ontbrekende dagrapportages geen audit-trail zou kunnen uitvoeren volgt de rechtbank niet. Aan de hand van het door de verzekerde ondertekende zorgplan en de indicatie, in combinatie met de door de verzekerde ondertekende urenspecificaties ((gecorrigeerde) planning), is immers duidelijk wie, wanneer, welke zorgwerkzaamheden heeft verricht, en het tarief is VGZ bekend op grond van de gesloten zorgovereenkomsten. VGZ heeft naar het oordeel van de rechtbank daarom voldoende mogelijkheden om een ‘audit-trail’ uit te voeren als bedoeld in artikel 4 lid 2 Regeling verpleging en verzorging. Het beroep van VGZ op het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 28 mei 2025 (ECLI:NL:RBAMS:2025:3240) gaat niet op. Anders dan in die zaak, zijn in de onderhavige zaak naast zorgplannen ook door de verzekerden ondertekende urenstaten aanwezig.\n\n4.19.. Voor zover VGZ aanvoert dat er kan worden getwijfeld aan de juistheid van (enkele) urenspecificaties omdat de handtekening van één van de verzekerden onder die urenstaten volgens haar telkens hetzelfde is en een spelfout bevat, had het op de weg van VGZ gelegen dit nader te onderbouwen, bijvoorbeeld door verklaringen van betreffende verzekerde over te leggen waaruit blijkt dat deze de handtekeningen niet heeft gezet. Dit heeft VGZ echter nagelaten. De rechtbank kan niet op basis van het enkele vermoeden van VGZ vaststellen dat de handtekening niet door de betreffende verzekerde is gezet, temeer niet nu, zoals [verzoekster] ter zitting heeft verklaard, verzekerden ook via een app digitaal konden ondertekenen, wat verklaart dat er bij sommige cliënten steeds dezelfde handtekening onder de urenstaten staat.\n\n4.20.. De (tussen)conclusie op grond van het vorenstaande is dat de bevindingen van VGZ ten aanzien van de administratie van Novacura niet maken dat in voldoende mate vaststaat dat sprake is van fraude (valsheid in geschrift\u002Foplichting) in die zin dat er uren zijn gedeclareerd voor niet geleverde zorg.\n\n2) De verklaringen van verzekerden\n\n4.21.. \n\nIn de brief van 24 oktober 2023 beroept VGZ zich daarnaast op verklaringen van een vijftal verzekerden waaruit volgens haar volgt dat Novacura heeft gedeclareerd voor niet verleende zorg respectievelijk heeft gedeclareerd voor zorg die niet wordt vergoed vanuit de Zorgverzekeringswet. Hoewel VGZ in al haar correspondentie met Novacura c.s. heeft vermeld dat haar onderzoek zich richt op de door Novacura gedeclareerde zorg in de periode 2020 tot en met 2022, zal de rechtbank ook de verklaringen bespreken die zien op het jaar 2019, omdat VGZ deze in haar brief van uiteindelijk ook aan de registraties ten grondslag heeft gelegd. De reden hiervoor is dat de rechtbank alleen op deze manier het geschil tussen partijen kan beslechten, en het onbeoordeeld laten van verklaringen die zien op in 2019 verleende zorg hoogstwaarschijnlijk tot een nieuwe procedure zal leiden.\n\nHieronder zullen eerst de verklaringen van [verzekerde 6] en [verzekerde 7] worden besproken die zien op niet verleende zorg. De verklaringen van [verzekerde 8] , [verzekerde 9] en [verzekerde 10] hebben daarop geen betrekking en zullen pas verderop worden besproken in het kader van zorg die niet wordt vergoed vanuit de Zorgverzekeringswet.\n\n [verzekerde 6] (klantnummer [nummer 1] )4.22.. \n [verzekerde 6] heeft volgens VGZ een klacht c.q. fraudemelding ingediend met betrekking tot het indienen van declaraties door Novacura voor zorg die niet geleverd is, en die hij volgens eigen zeggen ook niet nodig had.\n\n4.23.. In de overgelegde verklaring van [verzekerde 6] van 6 november 2020 staat, voor zover hier relevant, dat hij in de periode december 2018 tot en met december 2019 zorg heeft ontvangen van [bedrijf] , dat hij volgens de indicatie recht heeft op vijf zorgmomenten per dag, en dat de daadwerkelijk aan hem verleende zorg niet overeenstemde met de indicatie. Zo kreeg hij op maandag en vrijdag maar vier zorgmomenten en op de overige dagen vaak maar twee zorgmomenten. Daarnaast verklaart [verzekerde 6] dat hij zelf insuline injecteert maar dat in het zorgdossier staat dat dit door een medewerker wordt gedaan.\n\n4.24.. \n\nTer zitting is naar voren gekomen dat Novacura in de periode februari tot en met juni 2019 zorg heeft verleend aan [verzekerde 6] . Uit de door Novacura overgelegde urenstaten blijkt dat in de periode van 18 tot en met 21 februari 2019 en van 24 tot en met 26 februari 2019 zorg is verleend door [naam 2] , handelende onder de naam [bedrijf] , in totaal 5,6 uur.\n\nDe rechtbank kan op grond van de verklaring van [verzekerde 6] niet vaststellen dat minder zorg is verleend dan op grond van de indicatie zou hebben gemoeten, maar dat Novacura daar wel voor heeft gedeclareerd. Het door [verzoekster] overgelegde en door [verzekerde 6] ondertekende zorgplan gaat uit van minder dan vijf zorgmomenten per dag, te weten vier zorgmomenten op maandag en drie zorgmomenten op de overige dagen. Daarnaast heeft [verzoekster] van urenstaten overgelegd van de bij [verzekerde 6] gewerkte tijd in de periode februari tot en met juni 2019, die door [verzekerde 6] zijn ondertekend. Het is niet aannemelijk dat [verzekerde 6] deze zou hebben ondertekend als hij de geïndiceerde zorg niet zou hebben ontvangen.\n\n [verzekerde 7] (klantnummer [nummer 2] )\n\n4.25.. \n [verzekerde 7] heeft volgens VGZ verklaard dat zij vanaf 1 april 2020 geen zorg heeft ontvangen. Dit terwijl Novacura wel declaraties heeft ingediend voor de periode 1 april tot en met 31 mei 2020.\n\n4.26.. \n\nVGZ heeft op 13 en 21 juli 2020 telefonisch gesproken met [verzekerde 7] . Daarvan is een opname gemaakt door VGZ, en daarvan zijn vervolgens transcripties gemaakt door zowel VGZ als [verzoekster] .\n\nIn het eerste gesprek verklaart [verzekerde 7] dat zij geen zorg ontvangt van NovaCura. Ook verklaart zij dat vanaf apriler niemand is geweest. Daarna verklaart zij dat sindsmaartniemand kwam. Ook heeft zij verklaard: “En ik weet niet andere Cura of weet ik veel, niet, mevrouw”. En “Mevrouw, die Cura weet ik niet. Ik heb geen flauw idee. Die van de VIP Zorg, die kwam twee keer”. Op de vraag “Bent u zich er bewust van dat er op een gegeven moment iemand anders de zorg is gaan verlenen dan Bureau Vip?” heeft [verzekerde 7] geantwoord: “Nee”. Op de vraag “U bent zich er niet van bewust van [sic] dat er nu een bedrijfje NovaCura is dat de zorg levert?” heeft [verzekerde 7] geantwoord: “Vorig jaar zijn wel geweest dat was andere bedrijf”. Daaronder verklaart zij: “Maart zijn ze niet aanwezig.Ik was in het ziekenhuis.Dan heb ik ze niet meer gezienvanafapril(..).”\n\nIn het tweede gesprek vraagt (de medewerker van) VGZ: “U hebt sinds april sinds u opgenomen geweest bent in het ziekenhuis geen zorg meer van hun [sic] hebt gehad?”\n\nDaarop heeft [verzekerde 7] geantwoord: “ik ben in mei geopereerd. Vanaf april is niemand hier geweest.”\n\n4.27.. \n\nUit de verklaringen blijkt dat [verzekerde 7] telkens wisselend verklaart over de periode dat geen zorg zou zijn verleend en ook niet helder voor ogen heeft welke zorgverlener het betreft. Daarnaast roept ook de omstandigheid dat [verzekerde 7] kennelijk ernstig ziek en psychisch in de war is, vragen op over de betrouwbaarheid van haar verklaringen.\n\nDat [verzekerde 7] in het ziekenhuis is opgenomen, en zo ja, gedurende welke periode, kan de rechtbank op grond van de verklaringen van [verzekerde 7] niet vaststellen. VGZ heeft ook geen gegevens overgelegd over een ziekenhuisopname. De enkele verklaringen van [verzekerde 7] zijn, tegenover de overgelegde en door [verzekerde 7] ondertekende urenstaten en de dagrapportages van Novacura waaruit blijkt dat haar in maart, april en mei 2020 zorg is verleend, onvoldoende voor de conclusie dat deze zorg niet zou zijn verleend, en (dus) ten onrechte is gedeclareerd.\n\n4.28.. Op grond van het vorenstaande staat op basis van de overgelegde verklaringen van [verzekerde 6] en [verzekerde 7] , ook in onderling verband en samenhang bezien, niet in voldoende mate vast dat door Novacura gefactureerde zorg niet is geleverd.\n\n3). Misleiding door [verzoekster]\n\n4.29.. Ten derde heeft VGZ zich beroepen op het gesprek met [verzoekster] van 12 april 2023, waarin [verzoekster] volgens haar misleidende uitspraken heeft gedaan door te verklaren dat zij controleur Fraudebeheersing is voor Zilveren Kruis en door haar vaak wordt ingezet voor second opinions ter zake indicatiestellingen, dat zij een soort sparringpartner is bij de Inspectie Gezondheidzorg en Jeugd (IGJ) en in een pilot zit met de Nederlandse Zorg Autoriteit, de IGJ en SKG, terwijl navraag bij Zilveren Kruis en IGJ volgens VGZ heeft uitgewezen dat dit onjuist is.\n\n4.30.. Nog los van het feit dat in de overgelegde transcriptie niets staat over een pilot met de NZa, IGJ en SKG, is de rechtbank van oordeel dat de uitspraken die [verzoekster] in 2023 heeft gedaan, wat daar ook van zij, niet kunnen bijdragen aan het bewijs van fraude (valsheid in geschrift\u002Foplichting) als hiervoor genoemd onder 4.10. Die uitspraken zeggen op zichzelf immers niets over de door Novacura verleende zorg of ingediende declaraties.\n\nIs er zorg gedeclareerd die niet vergoed mag worden vanuit de Zorgverzekeringswet?\n\n4.31.. \n\nTer onderbouwing van haar standpunt dat Novacura zorg heeft gedeclareerd die niet voor vergoeding in aanmerking komt op grond van de Zorgverzekeringswet heeft VGZ zich ook nog beroepen op verklaringen van drie van haar verzekerden, te weten [verzekerde 8] , [verzekerde 9] en [verzekerde 10] .\n\n [verzekerde 8] (klantnummer [nummer 3] )\n\n4.32.. Volgens VGZ blijkt uit de verklaring van [verzekerde 8] dat Novacura ook eten heeft klaargemaakt en schoonmaakwerkzaamheden heeft verricht terwijl deze werkzaamheden niet voor vergoeding in aanmerking komen onder de Zorgverzekeringswet.\n\n4.33.. \n\nIn het transcript dat is gemaakt naar aanleiding van het telefoongesprek met [verzekerde 8] (via zijn zoon), staat voor zover hier van belang het volgende:\n\n[zoon:] “Hij weet ook heel weinig. Dat is een probleem. Wat ik nou vraag, dat weet hij over twee uurtjes niet meer.”\n\n(…).\n\n[VGZ:] “Weet mijnheer nog waar hij precies mee werd geholpen? Was dat met aankleden of was dat met het huis opruimen?”\n\n[zoon:] “Papa, waarmee helpen ze je? Met wat helpen ze? Met wat helpen ze op een dag?\n\n[ [verzekerde 8] :] “Douchen, eten koken. Medicijnen klaarzetten.”\n\n[VGZ:] “Helpen ze ook verder met huishouden, om dingen op te ruimen of iets dergelijks?”\n\n[zoon:]: “Ja, ze ruimen wel een beetje op. Aankleden zegt hij ook. Doen ze aankleden. Hij heeft ook twee uurtjes Axxicom. Die komen twee uurtjes per week ook nog een keertje schoonmaken.”\n\n[VGZ:]”Oké, dus dat is weer een ander bedrijf.”\n\n (…)\n\n[zoon:] “Ja, wat ik zei, het eerste bedrijf, dat kwam bijna een jaar, maar die kregen niet betaald door VGZ. Om ik weet niet welke reden. Of dat zeiden ze in ieder geval. Die zijn toen gestopt. En toen zijn ze naar zo'n soort ander bedrijf gegaan, dat was een soort van bemiddelingsbedrijf. Bij hun werd dat dan gedeclareerd en hun betaalden dan de zorgverleners uit of zoiets dergelijks.\n\n(..)\n\nDaarna was er weer een apart bedrijf, weer een ander bedrijf. (...)Ja, het zijn er volgens mij drie geweest.”\n\n(…)\n\n[VGZ:] “Goed, maar dan weet ik in ieder geval dat Nova Cura wel in 2019 een lange tijd zorg heeft verleend en dat het allemaal wel lijkt te kloppen.”\n\n4.34.. \n\n [verzoekster] heeft weliswaar niet ontkend dat het voorkomt dat medewerkers soms uit goede wil na de geïndiceerde tijd 5 á 10 minuten kort helpen met bijvoorbeeld kleren opruimen of koken, maar deze hulp wordt volgens haar niet gedeclareerd.\n\nUit de hierboven weergegeven verklaringen van [verzekerde 8] blijkt niet dat dit wel zo is en dat Novacura in plaats van de geïndiceerde zorg, dan wel daar bovenop, werkzaamheden heeft gedeclareerd die niet onder de Zorgverzekeringswet vallen, zoals koken en opruimwerkzaamheden. Uit de verklaringen blijkt eerder dat er voor Novacura geen (substantiële) taak op dat gebied is weggelegd omdat een ander bedrijf (Axxicom) twee uur per week komt schoonmaken. Verder zijn de urenstaten voor geleverde zorg (periode februari tot en met juli 2019) door [verzekerde 8] ondertekend. VGZ heeft de authenticiteit van de handtekeningen niet betwist, en niet aannemelijk is dat [verzekerde 8] de urenstaten voor akkoord zou hebben ondertekend als de geïndiceerde zorg niet door hem zou zijn ontvangen. De verklaringen van [verzekerde 8] zijn dus onvoldoende om als bewijs als bedoeld in 4.10 te kunnen dienen dat Novacura werkzaamheden heeft gedeclareerd die niet voor vergoeding onder de Zorgverzekeringswet in aanmerking komen.\n\n [verzekerde 9] (klantnummer [nummer 4] )\n\n4.35.. Volgens VGZ blijkt uit de verklaring van [verzekerde 9] dat Novacura haar niet alleen persoonlijke verzorging levert maar haar ook naar het ziekenhuis en de huisarts brengt, terwijl deze werkzaamheden niet voor vergoeding in aanmerking komen onder de Zorgverzekeringswet.\n\n4.36.. De transcriptie van het telefoongesprek met [verzekerde 9] vermeldt dat [verzekerde 9] op de vraag van VGZ over de hulp die Novacura aan [verzekerde 9] verleent en of die hulp ook in de coronatijd nog wordt verleend, antwoordt :”Ja, anders kan ik het niet. Mijn armen ... zij helpen met wassen. Mijn voeten doen zeer, mijn knieën, mijn arm. Zij smeren ze in, wrijven ze. (…) Zij laten mij douchen, doen dat en dan gaan zij naar bed. Zij komen 's ochtends en 's avonds. (..) Mijn armen doen pijn. Zij geven mijn medicijnen, regelen ze. Dit moet ik drinken, dat moet ik drinken”. Verderop verklaart [verzekerde 9] : “Ik ben trouwens erg ziek. Ik ga naar het ziekenhuis, naar mijn dokter ... er is iets in mijn maag tevoorschijn gekomen... er is een vlek tevoorschijn gekomen”. Daarop vraagt (de medewerker van) VGZ:“Ja, dus u zegt dat zij u naar het ziekenhuis brengen, naar de dokter brengen. Dus zij zijn vandaag ook gekomen. Sturen zij altijd dezelfde personen, tante, of sturen zij verschillende personen om te helpen?”\n\n4.37.. \n\nUit de verklaring van [verzekerde 9] blijkt dat Novacura haar zorg verleent die onder de Zorgverzekeringswet valt (wassen, insmeren en wrijven van haar armen, douchen, hulp met medicijnen). Dat Novacura ook werkzaamheden verricht en declareert die daarbuiten vallen blijkt daaruit niet. Uit de verklaring van [verzekerde 9] dat zij naar het ziekenhuis gaat, volgt niet dat Novacura haar daarheen brengt - en daarvoor heeft gedeclareerd -. Het is de medewerker van VGZ die deze link legt.\n\nDaarbij zijn ook in dit geval de urenstaten voor geleverde zorg (periode januari tot en met maart 2019) door [verzekerde 9] ondertekend en staat de authenticiteit van haar handtekeningen niet ter discussie. Niet aannemelijk is dat [verzekerde 9] deze zou hebben ondertekend als de geïndiceerde zorg niet zou zijn ontvangen. Ook met deze verklaring heeft VGZ onvoldoende onderbouwd dat Novacura werkzaamheden heeft gedeclareerd die niet voor vergoeding onder de Zorgverzekeringswet in aanmerking komen.\n\n [verzekerde 10] (klantnummer [nummer 5] )\n\n4.38.. Tot slot beroept VGZ zich op de verklaring van [verzekerde 10] waaruit zou blijken dat Novacura haar niet alleen persoonlijke verzorging heeft gegeven, zoals hulp bij douchen en innemen van medicatie, maar ook schoonmaakwerkzaamheden heeft verricht, die niet voor vergoeding in aanmerking komen onder de Zorgverzekeringswet.\n\n4.39.. \n\nIn de transcriptie van de telefoongesprekken met [verzekerde 10] op 27 en 30 juli 2020, zoals overgelegd door [verzoekster] , staat onder meer het volgende:\n\n[VGZ:] “Waarmee helpen zij als zij komen? Met wat voor soort dingen helpen zij?”\n\n[ [verzekerde 10] :] “Zij verschonen mijn lakens en dat soort dingen. Dat doen zij. Eten, medicijnen, dat soort dingen. Zij tonen de medicijnen, weet je. Zij schrijven die op, zij doen dat. Wat ik moet drinken, wat ik moet doen. Zodat ik geen fout maak, tonen zij die (…)”.\n\n(…)\n\n[VGZ:] “Dank u wel, tante. Moge God tevreden zijn. Hebben zij [Novacura]ooit geholpen met uw persoonlijke verzorging?”\n\n[ [verzekerde 10] :] “Persoonlijk, wat betekent dat ?”\n\n[VGZ:] “Ik bedoel, bijvoorbeeld met douchen, of .. Wat zal ik zeggen? Met het inpakken van uw haar, met alle dingen.”\n\n[ [verzekerde 10] :] “Dat deden zij. Ik heb mijn haar ook geverfd. Een dame hielp met verven en zo.”\n\n[VGZ:] “Okay. Maar... U zei dat zij één uur per week komen. Wat doen zij dan meestal?\n\n[ [verzekerde 10] :] “Nou, altijd nadat zij zijn gekomen, maken zij natuurlijk mijn kamer schoon, zij verschonen mijn lakens. Mijn doktersdames, laatst nadat zij kwamen, deden zij dat. Ik heb ook één kamer, en ik heb nog iets, maar hopelijk ga ik naar het andere huis. In dat andere huis zal er meer zijn. Omdat ik daar een slaapkamer heb, een woonkamer. Hier heb ik meteen maar één kamer. Ik heb zo'n keuken. Zij maakten mijn toilet schoon, de badkamer, zij deden dat. Om te helpen [onverstaanbaar] uur.”\n\n[VGZ:] “Oh, okay. Zij helpen dus ook met schoonmaken en zo.”\n\n[ [verzekerde 10] :] “Onder het bed en zo, zo trokken zij het, zij deden dat. Zij helpen. (…)Woensdag komt dat meisje. Woensdag. Om 11 UUR zei ze dat ze zal komen.”\n\n4.40.. \n\nIn haar verklaring refereert [verzekerde 10] aan ‘doktersdames’ die één keer per week komen en haar kamer schoonmaken en de lakens verschonen, en ook de toilet en de badkamer schoonmaken. [verzekerde 10] noemt daarbij als tijdstip 11 uur. Uit het door [verzoekster] overgelegde zorgplan, geldig van woensdag 1 januari 2020 tot en met woensdag 1 juli 2020, blijkt echter dat [verzekerde 10] dagelijks zorg nodig had bij ADL (Algemeen Dagelijkse Levensverrichtingen), zoals het aan- en uittrekken van steunkousen, en dat het in totaal ging om twee zorgmomenten per dag, van bij elkaar 40 minuten. Dat Novacura tweemaal daags bij [verzekerde 10] is geweest blijkt uit de urenstaten die door [verzekerde 10] zijn ondertekend, en waarbij de authenticiteit van de handtekening(en) niet in geschil is. Uit de urenstaten blijkt ook dat de zorgverleners van Novacura altijd bij [verzekerde 10] kwamen om 7.30 ‘s-ochtends (25 minuten) en 19.20 ’s-avonds (15 minuten).\n\nDe verklaringen van [verzekerde 10] over schoonmaakwerkzaamheden éénmaal per week om 11 uur stroken daarmee niet, zodat niet aannemelijk is dat deze betrekking hebben op Novacura. Daarbij is het niet aannemelijk dat Novacura binnen de geïndiceerde tijd van ’s ochtends 25 minuten en ‘s avonds 15 minuten voor persoonlijke verzorging, waaronder het tijdrovende aantrekken dan wel uittrekken van steunkousen, tijd zou hebben om daarnaast de door [verzekerde 10] genoemde schoonmaakwerkzaamheden aan toilet, badkamer en kamer uit te voeren en lakens te verschonen. De verklaringen van [verzekerde 10] maken dan ook niet dat in voldoende mate vaststaat dat Novacura in plaats van zorg te verlenen zorgschoonmaakwerkzaamheden zou hebben verricht en gedeclareerd.\n\n4.41.. Daarbij is mede van belang dat deze verklaringen afkomstig zijn van kwetsbare personen die de Nederlandse taal niet goed machtig zijn, op leeftijd zijn en\u002Fof een slecht geheugen hebben, dan wel (ernstig) ziek en\u002Fof in de war zijn, zodat de verklaringen met de nodige behoedzaamheid moeten worden beoordeeld.\n\n4.42.. De conclusie is dat de verklaringen, ook in onderling verband en samenhang bezien, niet zo duidelijk zijn dat voldoende aannemelijk is dat Novacura zorg heeft gedeclareerd die niet voor vergoeding in aanmerking komt.\n\nResumerend\n\n4.43.. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de door VGZ aangevoerde feiten en omstandigheden, zowel ieder afzonderlijk als in onderlinge samenhang beschouwd, van onvoldoende gewicht zijn om redelijkerwijs de zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit te rechtvaardigen die nodig is voor opname is het EVR, terwijl evenmin voldoende aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van een incident als bedoeld in artikel 2 Protocol dat vastlegging in het IR rechtvaardigt. Naar het oordeel van de rechtbank is duidelijk geworden dat er voor VGZ weliswaar aanleiding bestond om onderzoek naar de declaraties van Novacura te doen, maar is VGZ er vervolgens niet in geslaagd voldoende aannemelijk te maken dat sprake is van als strafbaar feit of incident te kwalificeren handelen van Novacura c.s. Dit betekent dat er geen rechtmatige grond bestond voor opname van de persoonsgegevens van Novacura c.s. in het EVR en het IR.\n\nFraudemelding\n\n4.44.. \n\nUit dit oordeel volgt dat de fraudemelding aan de NZa moet worden ingetrokken, nu ook daarvoor geen grond bestond.\n\nConclusie\n\n4.45.. De verzoeken van Novacura c.s. zullen daarom worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing. De verzochte dwangsom zal echter worden afgewezen. Novacura c.s. heeft geen omstandigheden gesteld waaruit blijkt van de noodzaak tot het opleggen van een dwangsom aan VGZ als prikkel om te voldoen aan de veroordeling. De rechtbank gaat er vooralsnog dan ook vanuit dat VGZ vrijwillig aan de veroordelingen tot verwijdering van de registraties en intrekking van de fraudemelding bij NZa zal voldoen.\n\nProceskosten\n\n4.46.. VGZ zal als de (overwegend) in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van Novacura c.s. als hierna vermeld. Deze worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n 714,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.959,00\n\n(3 punten × tarief II ad € 653,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n 189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.862,00\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n5.1.. veroordeelt VGZ tot het binnen zeven dagen na betekening van deze beschikking (doen laten) verwijderen en verwijderd houden van de gegevens van Novacura c.s. uit het Incidentenregister alsmede uit het Externe Verwijzingsregister;\n\n5.2.. veroordeelt VGZ tot het – met opgave van reden – intrekken van de fraudemelding vermeld onder r.o. 2.7. aan de NZa, binnen zeven dagen na betekening van deze beschikking;\n\n5.3.. veroordeelt VGZ in de proceskosten van Novacura c.s., begroot op € 2.862,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als VGZ niet tijdig aan de veroordeling voldoet en deze beschikking daarna wordt betekend, dan moet zij € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;\n\n5.4.. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.5.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. T.F. Hesselink en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.\n\n3051\n\nZie Handreiking registratiewijze ‘zorgplan = planning = realisatie, tenzij’ opgesteld door Zorgverzekeraars Nederland, ActiZ, Zorgthuisnl en V&VN (hierna: de Handreiking), pag.7 “Verslaglegging”.\n\nZie Handreiking, pag. 4, par. 1.4 onder 3., eerste alinea.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10688","ecli-nl-rbdha-2026-10688",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,51,61],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":46,"language":12,"source":13,"sourceUrl":47,"summary":6,"slug":48,"metadata":49},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":8,"legalDomain":50,"decisionType":18,"procedureType":19},"Strafrecht",{"id":52,"ecli":53,"caseNumber":6,"courtId":54,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":55,"language":12,"source":13,"sourceUrl":56,"summary":6,"slug":57,"metadata":58},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":59,"legalDomain":60,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":62,"ecli":63,"caseNumber":6,"courtId":64,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":65,"language":12,"source":13,"sourceUrl":66,"summary":6,"slug":67,"metadata":68},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":69,"legalDomain":60,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]